CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Vlietweg 2 Noordhoek_Toelichting

Raadsvergadering 13 maart 2025, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Vlietweg 2 Noordhoek13.843 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

-

Alle Natura 2000-gebieden.

Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Verordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016.

De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Interim omgevingsverordening. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform themakaart 4 van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie afbeelding 10. De beoogde ontwikkelingen hebben derhalve geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.

Afbeelding 10: Uitsnede kaart 4 Iov

4.3.2 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming.

Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is reeds beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning i.h.k.v. Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft de Biesbosch maar deze ligt op geruime afstand van het plangebied, te weten circa 15 kilometer.

Er zijn verschillende factoren welke kunnen leiden tot de verstoring van een Natura-2000 gebied. Met name de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn van toepassing bij de ontwikkeling van veehouderijen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten. Bij onderhavige ontwikkeling is geen sprake van storingsfactoren zoals verzuring en vermesting. Het betreft enkel het omzetten van een agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming waarbij bestaande bebouwing deels wordt gerenoveerd en het gehele plangebied landschappelijk wordt ingepast in de omgeving. Geconcludeerd wordt dat, gezien de geruime afstand tot nabijgelegen Natura-2000 gebieden, er geen verstoring optreedt van een Natura-2000 gebied. Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Middels het rekenprogramma AERIUS wordt de stikstofdepositie berekend op omliggende Natura 2000-gebieden. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Indien er sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Uit de AERIUS-berekening, die is bijgevoegd in de bijlage, blijkt dat er geen sprake is van een stikstoftoename op het nabijgelegen Natura-2000 gebied Biesbosch.

Op basis van dit gegeven wordt geconcludeerd dat ten aanzien van verzuring en vermesting door stikstof in de lucht er geen belemmering is aangaande de beoogde ontwikkeling. Overige storingsfactoren De beoogde ontwikkeling leidt verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.

3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.

Conclusie Gelet op de aard van het initiatief aan de Vlietweg 2 te Noordhoek, dient met name bepaald te worden of zich er beschermde natuurwaarden bevinden die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Om aan te tonen dat er geen sprake is van aantasting van eventueel aanwezige beschermde natuurwaarden is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (zie bijlage 5). Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van handelingen die kunnen leiden tot verstoring van eventueel aanwezige beschermde soorten.

4.4

Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie

Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet dient onderzocht te worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden. 4.4.1 Cultuurhistorie en aardkunde Uit kaart 3 van de Interim omgevingsverordening (Iov) blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied, zie afbeelding 11. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

Afbeelding 11: Uitsnede kaart 3 Iov

4.4.2 Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 6. In het vigerende bestemmingsplan ‘Veegplan kernen 2017’ is het volgende opgenomen omtrent gronden die aangeduid zijn met de Waarde – Archeologie 6: Alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, moet door de aanvrager een archeologisch onderzoeksrapport worden overgelegd. Dit is echter niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op: - Vervanging, vernieuwing, verandering of vergroting van bestaande bebouwing en nieuwbouw, waarbij geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 50 cm over een oppervlakte groter dan 250 m2; - Het bouwen van nieuwe bouwwerken, waarbij geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 50 cm over een oppervlakte groter dan 250 m2; - Een bouwwerk dat zonder verstoring, beschadiging of vernieling van archeologische waarden kan worden geplaatst; - Gronden waarvan de aanvrager heeft aangetoond dat deze reeds zijn geroerd.

In onderhavige situatie wordt geen bebouwing aan het plangebied toegevoegd en de bodem wordt hier niet geroerd. Bestaande voormalige agrarische bedrijfsbebouwing worden deels gerenoveerd ten behoeve van een verhuurbedrijf van bedrijfsruimten aan bedrijven met milieucategorie 1 en/of 2. Op basis van dit gegeven wordt geconcludeerd dat het aspect archeologie geen belemmering vormt betreft onderhavige ontwikkeling. Wel zal de dubbelbestemming `Waarde – Archeologie 6` worden opgenomen in het bestemmingsplan zodat de bodem bij eventuele toekomstige ontwikkelingen beschermd blijft en er opnieuw een afweging gemaakt zal moeten worden of een archeologisch onderzoek in dat geval noodzakelijk is.

4.5

Bedrijven en milieuzonering

De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer.

- Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid.

Onderhavige locatie is gelegen in omgevingstype ‘rustige woonwijk en buitengebied’. In de beoogde situatie wordt voormalige agrarische bedrijfsbebouwing herbestemd naar een bedrijfsbestemming. Dit mag niet tot gevolg hebben dat het woon- en leefklimaat in de omgeving negatief wordt beïnvloed of dat aanwezige bedrijven in de omgeving worden beperkt in het uitvoeren van de bedrijfsactiviteiten. Woon- en leefklimaat Een bedrijf dat voorziet in de verhuur van bedrijfsruimten aan derden (bedrijfsverzamelgebouw) met ten hoogste milieucategorie 2 heeft, gelegen in een rustig buitengebied, een richtafstand geldt van 30 meter. In de huidige situatie betreft het de verhuur van bedrijfsruimten aan derden ten behoeve van stalling van onder andere oldtimers en legervoertuigen (hobbymatig), in- en export van landbouwmachines en de handel in metalen. In de toekomst kan het voorkomen dat er een wijziging plaatsvindt in huurders, maar vast staat dat dit bedrijven zullen zijn met ten hoogste milieucategorie 2. Aangezien de dichtstbij gelegen burgerwoning van derden (Vlietweg 3) zich op een afstand van circa 64 meter van het beoogde bedrijfsverzamelgebouw bevindt, wordt gesteld dat wordt voldaan aan de geldende richtafstand van minimaal 30 meter.

Bedrijfsontwikkeling De planologische wijziging van de bestemming ‘Agrarisch’ ter plaatse van het plangebied mag niet tot gevolg hebben dat omliggende bedrijven worden gehinderd in het uitvoeren van de bedrijfsactiviteiten. En daarmee onevenredig worden aangetast. Het dichtstbij gelegen bedrijf van derden (Vlietweg 3, zakelijke dienstverlening met een richtafstand van 10 meter in rustig buitengebied) bevindt zich op een afstand van circa 30 meter van het plangebied. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er wordt voldaan aan de richtafstanden en zodoende het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied aan de Vlietweg 2 te Noordhoek.

4.6

Geluid

Bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten/terreinen waarbij mensen enige tijd verblijven, dient getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. Wet geluidhinder maakt onderscheid in 3 typen geluidshinder, namelijk wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Aangezien er in het kader van Wet geluidshinder geen nieuwe geluidsgevoelige objecten/terreinen worden gerealiseerd en er geen geluidsgevoelige activiteiten plaats zullen vinden op locatie, volstaat de toetsing in het kader van bedrijven en milieuzonering. Voor een bedrijf dat voorziet in de verhuur van opslag- en bedrijfsruimten aan derden (SBI-code 52109) met ten hoogste milieucategorie 2 heeft, gelegen in rustig buitengebied, geldt een richtafstand van 30 meter. Aangezien de dichtstbij gelegen burgerwoning van derden (Vlietweg 3) zich op een afstand van circa 64 meter van het beoogde bedrijfsverzamelgebouw bevindt, wordt gesteld dat wordt voldaan aan de geldende richtafstand van minimaal 30 meter.

In het kader van bedrijven en milieuzonering is getoetst aan de richtafstanden, waar aan wordt voldaan. Voor wat betreft geluid zijn er dan ook geen belemmeringen.

4.7

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen

grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NO x als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. In de agrarische sector is voornamelijk de emissie van fijnstof bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. Fijnstof, zowel PM10 en PM2,5 komt voornamelijk door emissie van huid-, mest-, voer- en strooiseldeeltjes uit de stallen. Dit gebeurt continu (24 uur per dag). De belangrijkste bron bij een veehouderij zijn de stallen. Het vrijkomen van fijnstof ten gevolge van overige activiteiten op het bedrijf zijn verwaarloosbaar ten opzichte van de emissie uit de stallen. Voor het bepalen van de concentraties fijnstof in de omgeving van veehouderijen, zijn gegevens nodig over de hoeveelheid fijnstof die dieren produceren. Deze hoeveelheid varieert per dier en is afhankelijk van het huisvestingssysteem zoals het type stal. De emissiefactoren voor fijnstof geven per huisvestingssysteem aan hoeveel fijnstof een bepaald dier per jaar produceert. De Animal Sciences Group (ASG) van de Universiteit Wageningen stelt de factoren op die door de overheid jaarlijks worden gepubliceerd. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen bedrijven die de luchtkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden ter plaatse van het plangebied.

Daarnaast zijn de achtergrondconcentraties fijnstof (PM10) en Stikstofdioxide (NO2) dermate laag binnen de gemeente Moerdijk dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden van de GCN-kaarten van het RIVM, zie afbeelding 12 en 13. Zo is de achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied 14,21 μg/m3, zie afbeelding 12, de norm bedraagt 40 μg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt 10,36 μg/m3, zie afbeelding 13, waar de norm eveneens 40 μg/m3 bedraagt. Hieruit is te concluderen dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbare luchtkwaliteit aanwezig is.

Afbeelding 12: Uitsnede GCN-kaart Fijnstof (PM10)

Afbeelding 13: Uitsnede GCN-kaart Stikstofdioxide (NO2)

Middels het rekenprogramma AERIUS wordt de stikstofdepositie berekend op omliggende Natura 2000-gebieden. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Indien er sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Uit de AERIUS-berekening, die is bijgevoegd in de bijlage, blijkt dat er geen sprake is van een stikstoftoename (0,00 mol/ha/jr). Op basis van dit gegeven wordt geconcludeerd dat ten aanzien van verzuring en vermesting door stikstof in de lucht er geen belemmering is aangaande de beoogde ontwikkeling.

4.8

Landschappelijke inpassing

Iedere ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied dient gepaard te gaan met een goede landschappelijke inpassing. Door middel van een landschappelijke inpassing welke rekening houdt met de kwaliteiten en kenmerken van de omgeving, gaan landschappelijke waarden niet verloren. Ook dient rekening gehouden te worden met de eventueel noodzakelijke kwaliteitsverbetering. Aan de noordwest zijde van het bedrijfsgebouw wordt een houtsingel gerealiseerd middels het aanplanten van bijvoorbeeld de bomen Es, Populier, Iep, Linde Wilg en/of Els en de struiken Hazelaar, Gelderse roos, Sleedoorn en/of Lijsterbes. De bestaande groenstrook aan de zuidwestzijde van het bedrijfsgebouw (achterzijde), valt buiten het plangebied en blijft derhalve behouden. Ten zuidoosten van het nieuwe bedrijfsgebouw vindt ok landschappelijke inpassing plaats in de vorm van het aanplanten van landschapsbomen en knip- en scheerheggen. Midden in het plangebied worden hoogstam fruitbomen aangeplant ter plaatse van de te realiseren parkeerplaatsen. In de bijlage bij dit bestemmingsplan is het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 1) opgenomen met de daarbij horende berekening kwaliteitsverbetering (bijlage 2).

4.9

Bodemkwaliteit

Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd en/of wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. In onderhavige situatie wijzigt de bestemming ter plaatse en derhalve is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 6). Op basis van dit uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat nader onderzoek en/of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek vormen geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging.

4.10 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute. 4.10.1 Regelgeving De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, voor de Vlietweg 2 kunnen zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied.

In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongevalscenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10 -6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen.

Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de

grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. 4.10.2 Toetsing aan beleid

Afbeelding 14: Uitsnede risicokaart, plangebied is blauw omcirkeld

De geplande omzetting van gedoogde verhuur (na agrarische bedrijfsbeëindiging 20 jaar terug) is gelegen binnen de risicocontouren van een hogedruk aardgasleiding (gelegen in de landelijke buisleidingenstraat), het plasbrandaandachtsgebied van de rijksweg A59 en de invloedgebieden van diverse buisleidingen, rijkswegen A59/A17 en Shell Chemie Moerdijk. Dit wordt hieronder nader toegelicht. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. In afbeelding 14 is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegevens zijn. Nabij de locatie zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Wel is de locatie gelegen in de nabijheid van mogelijk risicovolle transportroutes (snelwegen en een leidingenstraat). Dit wordt later in deze paragraaf nader toegelicht. De locatie is in het invloedsgebied van Shell Chemie Moerdijk gelegen. De Shell Chemie Moerdijk is gelegen op een afstand van ongeveer 5,2 kilometer van de locatie. Het invloedgebied van de Shell Chemie Moerdijk reikt echter verder dan dat. Hiermee dient het groepsrisico te worden verantwoord.

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. De locatie is in een gebied gelegen dat is omsloten door twee autosnelwegen, de Rijkswegen A17 en A59. Voor deze wegen geldt een invloedsgebied van minimaal 200 meter (en voor sommige stoffen vaak meer). De locatie is binnen het invloedsgebied van deze snelwegen gelegen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Langs de A59 een buisleidingenstraat gelegen. De locatie is binnen het invloedsgebied van deze leidingen gelegen. De ontwikkeling is gelegen binnen de risicocontouren (PR10-6 contouren) van de propyleenleiding van Shell en de zuurstof- en waterstofleidingen van Air liquide. Alle drie gelegen in de landelijke buisleidingenstraat (LSNED). De locatie is daarmee binnen het invloedsgebied van een buisleiding, een buisleidingenstraat en van twee autosnelwegen met (mogelijk) transport van gevaarlijke stoffen gelegen. Het groepsrisico dient daarmee nader te worden gemotiveerd.

In artikel 11, lid 2 van het Bevb is bepaald dat, wanneer sprake is van het mogelijk maken van de bouw van een beperkt kwetsbaar object bij een buisleiding rekening gehouden moet worden met de richtwaarde van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico. Daarnaast dient op basis van artikel 12, lid 1 van het Bevb een verantwoording te worden opgenomen van het groepsrisico. In het Bevb wordt voor de definitie van een beperkt kwetsbaar object verwezen naar het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Op basis van het Bevi is een bedrijfsgebouw een beperkt kwetsbaar object, tenzij dit wordt gezien als kwetsbaar object. Of het gaat om een kwetsbaar object wordt bepaald aan de hand van aantallen personen die hierin verblijven en de gemiddelde verblijfsduur. Echter strekt de begripsomschrijving niet verder dan het volgende: "gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn." Er worden hiervoor geen richtlijnen gegeven in het Bevi. De voorliggende ontwikkeling behelst een continuering van extensief gebruik van een voormalige agrarische bebouwing (VAB) en is een beperkt kwetsbaar object. Er worden bedrijfsruimten aan derden verhuurd ten behoeve van stalling van onder andere oldtimers en legervoertuigen (hobbymatig), in- en export van landbouwmachines en de handel in metalen.

In totaal zijn er 15 bedrijfsruimten/loodsen te verhuren a circa 160 m 2/eenheid. In de huidige situatie worden er 6 hobbymatig verhuurd, 6 bedrijfsmatig (in- en export landbouwmachines en fietsen, handel in metalen) en 3 bedrijfsruimten worden niet verhuurd en gebruikt ten behoeve van stalling caravan, paardentrailer. De hobbymatige huurders zullen incidenteel aanwezig zijn voor bijvoorbeeld het ophalen van een oldtimer of legervoertuig. Dit verblijf is kortstondig. De bedrijfsmatige huurders zullen vaker een bezoek brengen aan de locatie. Hun bezoek is echter ook van korte duur aangezien het hier met name om de opslag van goederen gaat en niet bijvoorbeeld een dagelijkse bewerking van producten. Er is dus geen sprake van een constant verblijf. De te verhuren bedrijfsruimten zijn daarmee niet als kwetsbaar object aan te merken. Op basis van het Bevi (en daarmee dus de Bevb) is de te herbestemmen bestaande bebouwing daarmee als een beperkt kwetsbaar object aan te merken. Voorkomen dient te worden (via de planregels) dat er ooit binnen het bouwvlak een kwetsbaar object wordt opgericht of dat er risicovolle activiteiten mogen plaatsvinden in de te verhuren units. Dit is in de regels horende bij dit bestemmingsplan opgenomen. Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen.

Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De planlocatie is binnen een invloedsgebied van transportroute gelegen, zie afbeelding 15.

Afbeelding 15: Uitsnede Kaart zonering standaard verantwoording groepsrisico

Uit afbeelding 15 wordt duidelijk dat het plangebied deels binnen de 30m zone en deels binnen het invloedsgebied ligt. Op basis van het stroomschema Standaard Verantwoording groepsrisico (zie bijlage 8) volstaat de Standaard Verantwoording (zie bijlage 10) aangezien er sprake is van de aanwezigheid van zelfredzame personen. De personendichtheid binnen het invloedsgebied neemt niet onevenredig toe. Bij de ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe verblijfsruimten (enkel incidenteel en kort verblijf) en zal geen sprake zijn van een onevenredige groei van het personeel. Hiermee zal de personendichtheid niet in onevenredige mate toenemen, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van het groepsrisico. Conclusie Gezien het voorgaande zijn er geen bezwaren voor het beoogd initiatief met betrekking tot externe veiligheid.

4.11 Verkeer en parkeren Er dient binnen het plangebied een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer plaats te vinden, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. De locatie is gelegen aan de Vlietweg 2. Dit is een verharde weg ten zuiden van de kern Noordhoek in de gemeente Moerdijk. De beoogde ontwikkeling betreft het herbestemmen van een voormalige agrarische bedrijfsbestemming naar een bedrijfsbestemming om de verhuur van bedrijfsruimten aan bedrijven met milieucategorie 1 en 2 mogelijk te maken. Verkeer Om de verkeersgeneratie te berekenen is gebruik gemaakt van de verkeerskencijfers van het CROW. Het CROW kenmerkt verschillende categorieën om de parkeerkencijfers en de verkeersgeneratie te berekenen. De beoogde planontwikkeling (bedrijfsverzamelgebouw) is niet opgenomen in deze categorieën. De categorie welke het meest aansluit bij de planontwikkeling is ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekers extensief (loods, opslag, transportbedrijf). In deze categorie wordt voor het buitengebied een verkeersgeneratie gehanteerd van 3,9 per 100 m 2 BVO. In onderhavige situatie (2400 m2) zou dit een verkeersgeneratie van 94 voertuigbewegingen per dag betekenen. Dit is in onderhavige situatie echter niet reëel.

Er wordt namelijk ook bedrijfsruimte hobbymatig verhuurd aan particulieren waarbij het om statische opslag gaat (opslag oldtimers, legervoertuigen etc.). In totaal zijn er 15 bedrijfsruimten/loodsen te verhuren a circa 160 m 2/eenheid. In de huidige situatie worden er 6 hobbymatig verhuurd, 6 bedrijfsmatig (in- en export landbouwmachines en fietsen, handel in metalen) en 3 bedrijfsruimten worden niet verhuurd en gebruikt ten behoeve van stalling caravan, paardentrailer. Ervan uitgaande dat toekomstig de helft van de in totaal 15 bedrijfsruimten bedrijfsmatig verhuurd gaan worden dan komt dit dus neer op 7,5 bedrijfsruimte. In totaal wordt er dan 7,5 * 160 m2 = 1200 m2 bedrijfsmatig verhuurd. Uitgaande van een verkeersgeneratie van 3,9 per 100 m2 BVO komt dit dus neer op een verkeersgeneratie van 46,8 per dag voor de bedrijfsmatige verhuur. De verhuur van de overige bedrijfsruimten is hobbymatig van aard. Ervan uitgaande dat een huurder van een van deze ruimten 1 keer in de twee weken aanwezig is dan betekent dit een verkeersgeneratie van 7,5 / 14 = 0,6 per dag (afgerond 1). In dit geval is het verhuren van meerdere bedrijfsruimtes aan één huurder buiten beschouwing gelaten. De verkeersgeneratie zou dan nog lager zijn dan afgerond 1 per dag.

In totaliteit kan worden uitgegaan van een verkeersgeneratie van afgerond 48 per dag voor zowel de bedrijfsmatige als de hobbymatige verhuur van bedrijfsruimten aan de Vlietweg 2 te Noordhoek. De huidige infrastructuur heeft voldoende capaciteit om dit aantal verkeers- en vervoersbewegingen te ontsluiten. Parkeren Parkeren zal, net als in de huidige situatie, op eigen terrein geschieden. In de beoogde situatie worden circa 30 parkeerplaatsen gerealiseerd.

4.12 Technische infrastructuur Ten zuidoosten van het plangebied liggen enkele buisleidingen (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 14). De huidige bebouwing in het plangebied blijft gehandhaafd en er zal niet gebouwd worden. Derhalve is een KLIC-melding, om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen, niet noodzakelijk.

4.13 Duurzaamheid Bij de renovatie van het bedrijfsgebouw zal het aspect duurzaamheid een belangrijke rol spelen. De initiatiefnemers zijn voornemens om het gehele bedrijfsgebouw en woonhuis op den duur energieneutraal te maken. Het asbestgedeelte van het dak van het bedrijfsgebouw wordt vervangen met geïsoleerde dakplaten. Voor de huurders kunnen er, desgewenst, laadpalen worden aangebracht indien daar behoefte aan is. Het verbruik aan elektriciteit is momenteel 25.000 KWh per jaar. Zonnepanelen hebben een gemiddelde opbrengst van 125 kWh. De oppervlakte van het dak van het bedrijfsgebouw is ongeveer 2000 m2. Jaarlijks zou hier dus 250.000 KWh opgewekt kunnen worden. Hierdoor kan de warmtevoorziening van zowel woonhuis als bedrijfsgebouw dienen door gebruik te maken van warmteopslag en warmtepompen. Het streven is om 10 jaar na vaststelling deze duurzaamheidsmaatregelen gerealiseerd te hebben.

Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan.

5.1

Juridische achtergrond

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven.

Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals voorliggend plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen.

5.2

Toelichting verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: • Enkelbestemming ‘Bedrijf’ • Enkelbestemming ‘Groen’ • Dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 6’ • Gebiedsaanduiding ‘Veiligheidszone – leiding’ • Bouwvlak – bouwvlak • Functieaanduiding ‘bedrijfswoning’ • Functieaanduiding ‘paardenbak’ • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – bedrijfsverzamelgebouw’ • Maatvoeringaanduiding ‘maatvoeringsvlak’ • Maatvoering ‘maximum bouwhoogte: 8 m’ • Maatvoeringaanduiding ‘ maximum bebouwingspercentage’ Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Veegplan kernen 2017`. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP.

5.3

Toelichting regels

De regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan bestaan bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels.

uit

inleidende

regels,

De regels bij voorliggend bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan om zodoende de oppervlakte van het bijgebouw te regelen. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het vigerende bestemmingsplan. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen.

Uitvoerbaarheid 6.1

Financiële uitvoerbaarheid

De voorgestane ontwikkeling aan de Vlietweg 2 betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden en is de gelegenheid tot inspraak geboden (in de vorm van publicatie van het (voor)ontwerpbestemmingsplan). 6.2.1 Omgevingsdialoog In het kader van de Corona-crisis heeft het omgevingsdialoog schriftelijk plaatsgevonden. Begin mei is een brief verstuurd naar alle omwonenden van het plangebied. Naar aanleiding van deze verstuurde brief heeft de initiatiefnemer geen negatieve reacties ontvangen. Enkel was er het verzoek van de eigenaar van Vlietweg 3A om het bedrijfsgebouw tussen 22.00 uur en 06.00 uur te sluiten in verband met de rust in de omgeving. De initiatiefnemer wil hier graag gehoor aan geven en heeft dit tevens opgenomen in het beheerplan (bijlage 9). De reactie van de eigenaar Vlietweg 3A is bij het omgevingsdialoog gevoegd in bijlage 3 van dit bestemmingsplan. 6.2.2 Vooroverleg In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Brabantse Delta en provincie Noord-Brabant. De reacties staan opgenomen in de Nota van inspraak en overleg, evenals de reacties hierop. 6.2.3 Zienswijzen en beroep De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening.

Het wijzigingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zijn hierin verwoord. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

Bijlagen Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Economische onderbouwing kwaliteitsverbetering van het landschap Bijlage 3: Omgevingsdialoog Bijlage 4: AERIUS berekening gebruikersfase Bijlage 5: Toelichting AERIUS berekening Bijlage 6: Quickscan flora en fauna Bijlage 7: Bodemonderzoek Bijlage 8: Standaard advies 2023 Brandweer Midden- en West Brabant Bijlage 9: Beheerplan bedrijfsverzamelgebouw Bijlage 10: Rapportage Standaard Verantwoording groepsrisico 2023 Bijlage 11: Nota van vooroverleg Bijlage 12: Nota van beantwoording zienswijzen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=28022451-60ab-4923-87cb-6cfc5f48f136