CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Publiekssamenvatting rapport RAAP archeologie kaart mei-2023

Informatiebijeenkomst 17 mei 2023, gemeente MoerdijkBij agendapunt: 20.30 uur archeologische waardenkaart9.801 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

PUBLIEKSSAMENVATTING

RAAP-RAPPORT 6065

Verdronken en teruggewonnen

Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

Publiekssamenvatting

Verdronken en teruggewonnen Samenvatting van RAAP-RAPPORT 6065 ‘Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen’

Reinier Ellenkamp

Colofon

Opdrachtgever: gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen Titel: Verdronken en teruggewonnen. Publiekssamenvatting van RAAP-rapport 6065 - actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen Versie: 07-04-2023 Auteur: Reinier Ellenkamp Redactie: Caroline Hom Projectcode: ACOOS Bestandsnaam: ACOOS_publiekssamenvatting_20230407

ISSN: 0925-6229

RAAP Leeuwenveldseweg 5b

Telefoon: 0294-491 500

1382 LV Weesp

E-mail: raap@raap.nl

Postbus 5069

Website: www.raap.nl

1380 GB Weesp

© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2023 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen. RAAP, 2023

V

ooraf

Dit is de Publiekssamenvatting van RAAP-rapport 6065 ‘Verdronken en teruggewonnen - actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen’. Naast de actualisatie van de gemeentelijke archeologiekaarten heeft het onderzoek waardevolle inzichten opgeleverd over de ontwikkeling van dit gebied en bijgedragen aan het bijzondere verhaal daarover. Het rapport is echter een uitgebreid en vrij technisch document, ter onderbouwing van de verwachtingskaarten en als onderlegger voor beleid. Om het archeologische verhaal met een breed publiek te kunnen delen, is deze beknopte en vereenvoudigde versie gemaakt. In de publiekssamenvatting staat zowel de totstandkoming van de archeologische kaarten beschreven, als de ontwikkeling van het landschap en de rol van de bewoners hierin. Uiteraard is de tekst voorzien van aansprekend beeldmateriaal.

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

I

nhoud

Vooraf ............................................................................................................................................... 5 1 Inleiding ............................................................................................................................................... 9 1.1 Aanleiding ......................................................................................................................................... 9 1.2 Wat is archeologie? ......................................................................................................................... 10 1.3 Waarom een archeologische verwachtingskaart? ............................................................................. 11 1.4 Het verhaal in een notendop ............................................................................................................ 11

2 De totstandkoming van de kaarten .......................................................................................... 15 2.1 Inleiding .......................................................................................................................................... 15 2.2 De basis: het ontstaan van het landschap .. ....................................................................................... 16 2.3 Het model: hoe mensen het landschap gebruiken ............................................................................. 19 2.4 Van model naar kaart ....................................................................................................................... 21

3 Mens en landschap ........................................................................................................................ 23 3.1 Inleiding .......................................................................................................................................... 23 3.2 Jagen en verzamelen op de toendra en in het bos ............................................................................ 23 3.3 Landbouw in een verdrinkend landschap .......................................................................................... 29 3.4 Polderende staatssamenlevingen . . ................................................................................................... 31

4 Archeologische verwachting ..................................................................................................... 43 4.1 Het model . . ...................................................................................................................................... 43 4.2 Een beknopte toelichting . . ................................................................................................................ 43

5 De kaarten ......................................................................................................................................... 49 Verdiepende bronnen ....................................................................................................................... 53

7

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Om te weten wat er aan archeologie aanwezig of te verwachten is, hebben de gemeenten Drimmelen, Etten-Leur, Moerdijk en Oosterhout in het verleden archeologisch kaarten laten maken. Met deze zogenoemde archeologische verwachtingskaarten en beleidskaarten kan er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met archeologische resten in de bodem. Op verzoek van deze vier gemeenten zijn de gemeentelijke kaarten nu door RAAP geactualiseerd. Aanleiding hiervoor zijn de aangescherpte eisen die de Erfgoedwet en de aanstaande Omgevingswet aan deze kaarten stellen. Bovendien heeft archeologisch onderzoek in de afgelopen tien jaar nieuwe wetenschappelijke inzichten opgeleverd, waardoor de vorige kaarten verouderd zijn. Die inzichten komen zowel voort uit onderzoeken in de gemeenten zelf als daarbuiten, en ze zijn van invloed op de te verwachten archeologische waarden in de bodem. We kijken - kort gezegd - anders naar archeologie dan tien jaar geleden.

Figuur 1. Begrenzing van het onderzoeksgebied (zwarte lijn). Inzet: ligging in Nederland (ster).

8

9

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

1.2 Wat is archeologie?

geschriften vaak een beperkt beeld. Voor het

Malta) ondertekend “inzake de bescherming

op de wetenschap dat mensen in het verleden

overgrote deel van de geschiedenis zijn we

van het archeologisch erfgoed”. In Nederland

niet alle delen van het landschap op dezelfde

Archeologie is de studie naar de resten

daarom afhankelijk van de resten die mensen in

is dat vertaald in de Wet op de archeologische

manier gebruikten.

die mensen in het verleden in de bodem

de bodem achterlieten.

monumentenzorg. Uitgangspunt van het

hebben achtergelaten. Dat kunnen pijlpunten,

verdrag en de wet is om archeologische

Tegenwoordig kunnen we dankzij onze

aardewerkscherven, stukjes bot en munten

Vaak denkt men dat het archeologen gaat om

waarden zoveel mogelijk in de bodem (in situ)

technische mogelijkheden vrijwel overal

zijn, maar ook verkleuringen in de bodem

de vondsten, maar niets is minder waar. Een

te bewaren. De reden daarvoor is heel simpel:

wonen waar we willen. Voor bijna elk probleem

waar de houten palen van een huis stonden.

aansprekende vondst is leuk en doet het goed

in de bodem blijft het doorgaans beter bewaard

valt immers wel een oplossing te bedenken.

Die vondsten en sporen geven inzicht in

bij de pers en het grote publiek, maar zonder

en eenmaal opgegraven is het weg. Opgraven

Denk aan het bemalen of ophogen van nat

hoe de mensen vroeger leefden, woonden

context leert zo’n vondst ons weinig. Het gaat

kun je maar één keer doen, er is maar één kans

gebied, of het bouwen op heipalen of drijvende

en werkten. Archeologen gaan dus uit van

archeologen vooral om de exacte vindplaats en

om archeologische resten te documenteren dus

woningen. Pakweg anderhalve eeuw geleden

andere dan geschreven bronnen. Geschreven

combinatie met andere aanvullende vondsten

dat moet zorgvuldig gebeuren.

was dat echter nog heel anders. Mensen

bronnen gaan weliswaar al enkele duizenden

en sporen: dat levert ons het verhaal achter de

waren vroeger veel meer gebonden aan de

jaren terug, ze beslaan maar een zeer kort

vondst, van de vroegere mensen op die plek.

(on)ogelijkheden die het natuurlijke landschap

deel van de menselijke geschiedenis die

1.3 Waarom een archeologische

bood voor bewoning en andere vormen van

verwachtingskaart?

woonden op de hogere delen, legden akkers

landgebruik. Heel kort door de bocht: ze

honderdduizenden jaren teruggaat (zie tabel

Omdat archeologische waarden vaak de enige

1). Bovendien doen de oudere geschreven

informatiebron over onze eigen geschiedenis

bronnen meestal geen objectief verslag van

zijn, is het belangrijk dat we er zorgvuldig

het leven van de gewone mens. Het schrift was

mee omgaan. Daarom hebben de Europese

Voor een zorgvuldige omgang met

de natte delen. Nog verder terug zochten de

lange tijd van de elite en daardoor geven oude

lidstaten in 1992 het Verdrag van Valletta (of

archeologische waarden is behoud in de bodem

jager-verzamelaars plekken op met de meeste

het uitgangspunt, maar behoud is niet altijd

natuurlijke variatie, waar ze het beste konden

mogelijk. Er zijn andere maatschappelijke

jagen en vissen, eetbare planten en vruchten

belangen die ook een beroep doen op

konden verzamelen en waar drinkwater te

de bodem. Actuele voorbeelden zijn het

vinden was. Door archeologisch onderzoek

woningvraagstuk, ruimte voor de rivier, nieuwe

kennen we deze ‘voorkeurslocaties’. Daardoor

infrastructuur voor de energietransitie, enz. De

kunnen we ook onderbouwd voorspellen waar

erfgoedwetgeving in Nederland is niet bedoeld

welke archeologische waarden te verwachten

om nieuwe ontwikkelingen tegen te houden

zijn en waar de kans daarop het grootst is.

of een stolp te zetten over de bodem om

Het voordeel hiervan mag duidelijk zijn. Zo

bedreigingen van de archeologie uit te sluiten.

is al vroeg in de ruimtelijke planvorming een

Integendeel. Het doel is om te komen tot een

archeologische risicoafweging te maken. Dat

goede belangenafweging. Daarom is de tweede

dient zowel het archeologisch belang als het

pijler van de wetgeving dat in de ruimtelijke

bredere maatschappelijk belang. Onnodig

ordening al vroegtijdig rekening wordt

hoge opgravingskosten worden hiermee zoveel

gehouden met archeologie, zodat die afweging

mogelijk voorkomen. Een goed onderbouwde

op tijd gemaakt kan worden.

verwachtingskaart is voor gemeenten dus van

aan op de vruchtbare delen en weidden vee in

groot belang om te kunnen voldoen aan de Een archeologische verwachtingskaart is het

eerste twee pijlers van de erfgoedwetgeving:

instrument voor overheden om te bepalen of,

behoud en vroegtijdige belangenafweging.

waar en wanneer met archeologie rekening moet worden gehouden. Op deze kaart staat waar archeologische waarden aanwezig en te Figuur 2. Aan de hand van vondsten en sporen kunnen we het verhaal van de plek vertellen.

10

verwachten zijn. Die informatie is gebaseerd

11

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

Geologische perioden Tijdvak

Chronozone

Archeologische perioden Datering

Datering

Tijdperk

Recente tijd

- 1945

C

Nieuwe tijd

Laat Subatlanticum

- 1650

A Laat B

- 1150 na Chr.

Laat A D: Ottoonse tijd Vroeg

Middeleeuwen

C: Karolingische tijd B: Merovingisch tijd A: Volksverhuizingstijd

Vroeg Subatlanticum

Laat

Romeinse tijd

Holoceen

- 1850

B

Midden Vroeg

-0

Laat

IJzertijd

- 450 voor Chr.

Midden Vroeg Laat

Bronstijd

Subboreaal

Midden Vroeg

Neolithicum

- 3700

Figuur 3. Een bonk veen dat tijdens de watersnoodramp van 1953 bij Moedijk kwam bovendrijven, is illustratief voor het meermaals verdrinken en weer terugwinnen van het land (bron: http://canonvanmoerdijk.nl).

Atlanticum

- 7300

was in hoofdzaak een gedegen onderbouwing

Drimmelen, Etten-Leur, Moerdijk en Oosterhout

te geven van de totstandkoming van de

te kunnen actualiseren, is een uitvoerige studie

verwachtingskaart. Van belang, maar niet persé

Laat Glaciaal Laat

Om de bestaande verwachtingskaarten van

Weichselien Pleniglaciaal

RAAP-rapport 6065. Het doel van dat rapport

Allerød Vroege Dryas Bølling Vroegste Dryas Denekamp

Midden

Het volledige onderzoek is gepubliceerd in

Late Dryas

gemeenten een rijke en turbulente geschiedenis

van de ontwikkeling van dit gebied breder uit te

kennen. Het landschap onderging in de loop

kunnen dragen, is deze publiekssamenvatting

van de tijd diverse veranderingen die grote

opgesteld. Deze beoogt echter niet een

invloed hadden op de mogelijkheden voor de

“volledige” bewoningsgeschiedenis te geven.

mensen die hier vroeger leefden. Maar met

Daarvoor zouden 50 pagina’s niet volstaan.

name in het laatste millennium hebben de

Wie zich verder wil verdiepen kan onder meer

bewoners op hun beurt ook de vorm van het

terecht in de bewoningsgeschiedenissen

landschap blijvend veranderd. Het gebied is

zoals beschreven in de rapporten van de oude

Belvedère/Holsteinien

in de voorbije 10.000 jaar tot twee keer toe

kaarten per gemeente. De verwijzingen daarvan

Glaciaal x

verdronken en weer teruggewonnen. Dat

en die van enkele andere verdiepende bronnen

Holsteinien

heeft vele sporen achtergelaten. Soms liggen

zijn opgenomen achterin dit rapport.

Vroeg Glaciaal

Vroeg

eenvoudig te lezen. Om het bijzondere verhaal Pleistoceen

- 8700

(Midden Steentijd)

- 9700

meters diep. Allemaal dragen ze bij aan het

Voor de archeologische en geologische

verhaal van dit gebied op de grens van zand

perioden wordt verwezen naar tabel 1.

- 11.500

Laat Midden Vroeg

Laat

- 12.000

Jong B

- 12.500 - 13.500 - 30.500

- 900 - 725 - 525 - 450 - 270 - 70 na Chr. - 15 voor Chr. - 250 - 500 - 800 - 1100 - 1800 - 2000 - 2850 - 4200 - 4900/5300 - 6450 - 8640 - 9700

- 12.500 - 16.000

Jong A

- 35.000

- 60.000 Moershoofd Odderade

Paleolithicum

- 71.000

(Oude Steentijd)

Midden Brørup

Eemien Saalien II Oostermeer Saalien I

- 114.000 - 126.000 - 236.000 - 241.000

- 250.000

- 322.000 - 336.000

Oud

- 384.000 - 416.000 463.000

tabel1_standaard_GeoBioArcheo_RAAP_2014

naar klei.

12

Vroeg

- 1050

- 11.050

Tabel 1.1.Geologische en archeologische tijdschaal. Tabel Archeo-geologische tijdschaal.

die sporen aan het maaiveld, soms liggen ze

Midden

- 1250

Hengelo

gedaan. Die heeft duidelijk gemaakt dat de

Elsterien

Mesolithicum

Prehistorie

Boreaal Preboreaal

1.4 Het verhaal in een notendop

(Nieuwe Steentijd)

Laat

- 1500

13

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

2

De totstandkoming van de kaarten

2.1 Inleiding Een archeologische verwachtingskaart is belangrijk voor beslissingen in de ruimtelijke planvorming, daarom is een goede onderbouwing een ‘must’. Voor een gedegen studie heeft RAAP uit vele bronnen informatie verzameld. Niet alleen over de ontwikkeling van het landschap, ook over de wijze waarop mensen daar in het verleden gebruik van maakten en de sporen die daarvan in de bodem zijn achtergebleven. Aan de hand van deze puzzelstukjes is via analyses te voorspellen waar in het landschap, welke archeologische resten te verwachten zijn. Ze vormen de basis voor de verwachtingskaart. De stappen in de totstandkoming van de kaart lichten we beknopt toe.

Figuur 4. Een verwachtingskaart is een complexe puzzel bestaande uit vele duizenden stukjes.

14

15

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

2.2 De basis: het ontstaan van

maar vijf eeuwen eerder vond een gelijkaardige

bronnen (studies en kaarten) gebruikt, zowel

De weerslag van duizenden jaren

catastrofe plaats: de Sint Elisatbethsvloeden.

het landschap

landelijke, regionale als lokale bronnen:

landschapsontwikkeling, is het landschap zoals

Verder terug in de tijd zijn meer van dat soort gebeurtenissen te duiden die het landschap grootschalig hebben veranderd.

De analyse is gestart met een studie naar het landschap en hoe het is ontstaan. Waarom is dat

we dat nu kennen. In het onderzoeksgebied • Op landelijk niveau zijn de paleogeografische

is een belangrijk onderscheid te maken in het

atlas en kaart van begraven landschappen

‘Hoge’ en het ‘Lage’ deel van het landschap.

bestudeerd, beide van de Rijksdienst voor het

Deze tweedeling is geologisch en bodemkundig

Cultureel Erfgoed.

heel duidelijk, want het is de grens tussen

zo belangrijk? Het landschap, de bodem waarop

Een studie naar de ontwikkeling van het

we staan, is de basis waarin alle archeologische

landschap wordt ook wel een paleogeografische

vondsten en sporen zijn achtergebleven. Daarbij

analyse genoemd. ‘Paleo’ staat voor oud en

gedetailleerde bodemkaarten op de website

ligt op circa 1,5 meter boven NAP (zie figuur

gaat het (juist) ook om het landschap zoals dat

‘geografie’ voor landvorm. Voorbeelden van

van de universiteit Wageningen, de studies

5). Deze grens die ongeveer halverwege

er in het verleden uitzag. Het grondgebied van

landvormen zijn heuvels, rivieren, valleien,

van Karel Leenders naar de turfwinning en

het onderzoeksgebied ligt, is bovendien een

de gemeenten Drimmelen, Etten-Leur, Moerdijk

plateaus, bergen, vlaktes enz. Voor de studie

de synthese van archeologisch onderzoek in

scheidslijn in de tijd. In het Hoge zandgebied

en Oosterhout heeft in de loop van de tijd grote

naar de geschiedenis van de landvormen in het

Westelijk Noord-Brabant.

liggen zandige afzettingen uit de laatste ijstijd

veranderingen doorgemaakt. De watersnoodramp

onderzoeksgebied zijn vele wetenschappelijke

in 1953 ligt nog vrij vers in het geheugen,

zand (het Hoge) en klei (het Lage) en die

• Belangrijke regionale bronnen zijn

• Bij lokale gegevens gaat het in hoofdzaak om

(115.000 - 10.000 jaar geleden) meestal nog

de resultaten van de ruim 650 geraadpleegde

aan het maaiveld. In het Lage kleigebied is het

archeologische veldonderzoeken uitgevoerd

zand afgedekt geraakt door een steeds dikker

in het onderzoeksgebied zelf.

pakket veen en klei in de afgelopen 10.000 jaar (het Holoceen). In het Lage is sprake

Figuur 5. Geografische hoofdindeling van het gebied in het Hoge deel (rood) en het Lage deel (blauw) op basis van de hoogtekaart (www.ahn.nl).

16

Figuur 6. Overzicht van boringen (uit dinopakket.nl) en daaraan ontleende zanddiepte (blauw is laag, rood is hoog).

17

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

Figuur 8. Locatie waar een boring is gezet tijdens de veldtoets. Hierbij werd onder een voormalige kreek een intact dekzandlandschap aangeboord.

2.3 Het model: hoe mensen het Figuur 7. Gedetailleerde kaart van de ondergrond: de landschappelijke basiskaart voor zowel het huidige (holocene) als het vroegere (pleistocene) landschap.

Dit is gedaan voor drie verschillende perioden.

landschap gebruiken

In elke periode veranderde het landschap

Om erachter te komen hoe de mensen in

de bewoners. We onderscheiden:

namelijk drastisch, al dan niet door toedoen van

van een gelaagd landschap: er liggen als het

6). Daarmee is een model gemaakt van het

het verleden het landschap gebruikten,

ware meerdere maaivelden uit verschillende

begraven zandreliëf. Dit model is veel grover

zijn actuele wetenschappelijke studies en

tijden begraven boven elkaar in de bodem. Het

dan het AHN, maar geeft toch een inzicht

inzichten gebruikt. Bijvoorbeeld bronnen over

bepalen van de archeologische verwachting

in de vorm van het begraven landschap. Zo

archeologische periodes en landgebruik, en

voor het Lage deel vraagt daarom een andere

zijn landvormen aan en onder het maaiveld

de resultaten van opgravingen in het gebied.

werkwijze dan voor het Hoge.

gekarteerd en is een gedetailleerde kaart van

Daarnaast is het Archeologisch Informatie

de ondergrond gemaakt (zie figuur 7). Om deze

Systeem (ARCHIS) geraadpleegd. In deze

Om landvormen aan het huidige maaiveld op

ondergrondkaart te controleren is ook nog

landelijke database zijn alle archeologische

het Hoge in kaart te brengen, is het Actueel

een veldtoets uitgevoerd. Op 130 locaties is

onderzoeken en vindplaatsen in ons land

Voor die laatste periode zijn ook bovengrondse

Hoogtebestand Nederland (AHN) gebruikt.

visueel of met booronderzoek het reliëf en/of de

opgeslagen. Na het opschonen van deze ruwe

(cultuur)historische elementen geïnventariseerd,

Daarop is gedetailleerd de maaiveldhoogte

bodemopbouw gecontroleerd (zie figuur 8).

gegevens is een ruimtelijke analyse gemaakt

voor zover deze archeologisch relevant zijn.

in Nederland in kaart gebracht. Om begraven

van de spreiding van de bekende vindplaatsen:

Middeleeuwse boerderijen zijn bijvoorbeeld

landvormen in het Lage in kaart te brengen

waar liggen de vindplaatsen in het landschap

niet telkens op dezelfde plaats herbouwd,

zijn zanddieptekaarten en ruim 2000

en waarom daar?

maar elke keer wat verplaatst. Het is dus van

• de periode van de jager-verzamelaars (paleolithicum t/m neolithicum) • de periode van de landbouwers (bronstijd t/m vroege middeleeuwen) • de periode van de staatssamenlevingen (late middeleeuwen en nieuwe tijd).

belang de locaties van deze cultuurhistorische

geologische boringen geraadpleegd (zie figuur

18

19

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

Denk aan wonen, begraven, economische en

om tot verwachtingskaarten te komen. In feite

rituele activiteiten. Als voorbeeld: een polder

is dat een eenvoudige stap. Met behulp van

die in de 13e eeuw is aangelegd, kent geen

een Geografisch Informatie Systeem (GIS-

archeologische verwachting voor vindplaatsen

programma) is het verwachtingsmodel uit tabel

uit de periode van de jager-verzamelaars, want

2 toegepast op de ondergrondkaart van het

in de steentijd bestond de polder nog niet.

Hoge en het Lage deel. Aan elke landvorm

Maar die polder krijgt wel een archeologische

op de ondergrondkaart is een archeologische

verwachting voor agrarische activiteiten uit

verwachting gekoppeld.

de periode van de staatssamenlevingen. Een donk (de top van een rivierduin) kent een

Voor elk van de drie onderscheiden

archeologische verwachting voor alle perioden,

perioden is een afzonderlijke archeologische

want dat was in principe in alle perioden een

verwachtingskaart gemaakt. Daarop staat

interessante (hoge en droge) plek om te wonen.

aangegeven welke vindplaatsen al bekend zijn en waar deze nog te verwachten zijn. In de totaalkaart zijn de verschillende perioden-

2.4 Van model naar kaart

kaarten gecombineerd (zie figuur 10). Die

Met het inzicht in de ontwikkeling het landschap

context van het grondgebied van de gemeenten

en het verwachtingsmodel van de wijze

Drimmelen, Etten-Leur, Moerdijk en Oosterhout.

kaart geeft inzicht in de totale archeologische

waarop de mens dat landschap benutte, hebben we de twee hoofdingrediënten klaar

Figuur 9. Spreiding van alle bekende archeologische vindplaatsen binnen de vier gemeenten.

elementen te kennen om de plaats van

voor specifieke activiteiten van de bewoners in

eventuele voorgangers te kunnen voorspellen.

de drie perioden. Deze conclusies zijn vertaald

In het Lage komt daar nog bij dat inpoldering de

in een archeologisch verwachtingsmodel. Dat

mogelijkheden van landgebruik bepaalde.

klink ingewikkeld, maar is in feite een tabel waarin voor elke landvorm is bepaald of deze

Aan de hand van de verzamelde informatie zijn

beschikbaar was voor mensen, en zo ja, welke

conclusies getrokken over ‘voorkeurslocaties’

activiteiten zij daar dan uitvoerden (zie tabel 2).

LANDVORM

PERIODE Jager-verzamelaars

Middeleeuwse kreek Donk

Etc.

Landbouwers

Staatssamenlevingen

Wonen

Begraven

Wonen

Begraven

Wonen

Begraven

Economie

Ritueel

Economie

Ritueel

Economie

Ritueel

Wonen

Begraven

Wonen

Begraven

Economie

Ritueel

Economie

Ritueel

Etc.

Tabel 2. De opbouw van het archeologisch verwachtingsmodel.

20

Figuur 10. Impressie van de gecombineerde archeologische verwachtingskaart voor alle perioden.

21

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

3

Mens en landschap

3.1 Inleiding De archeologische verwachtingskaarten zijn gemaakt voor drie perioden die door ‘knikpunten’ te onderscheiden zijn: de periode van de jager-verzamelaars, de landbouwers en de staatssamenlevingen. Die knikpunten zijn momenten waarop het landschap veranderde, al dan niet door het ingrijpen van mensen. We gaan in dit hoofdstuk met zevenmijlslaarzen door de bewoningsgeschiedenis en in het verhaal zijn geologie en archeologie sterk met elkaar verweven.

3.2 Jagen en verzamelen op de toendra en in het bos

Paleolithicum (tot 9700 voor Chr.) De geschiedenis van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen begint in het paleolithicum (of de oude steentijd). Toen bestond hier een toendralandschap dat zich uitstrekte over het gehele onderzoeksgebied en ver daar buiten. Dit landschap werd circa 2,4 tot 0,12 miljoen jaar geleden in het zogenoemde Pleistoceen gevormd door beken en rivieren: de voorlopers van Maas en Rijn. In deze periode waren er sterke klimaatwisselingen van gematigd warm tot zeer koud (de ijstijden). Het landschap stond daarnaast langdurig bloot aan verspoeling door (smelt)water en verstuiving door de wind. De wind zorgde voor langgerekte zandruggen die met name rond Made bepalend waren voor de vorm van het landschap. Soms waaide het zand maar over korte afstand en ontstonden karakteristieke paraboolduinen. De ‘armen’ van zo’n duin zijn naar de windrichting gekeerd. Een paraboolvorm is onder andere ontdekt in het begraven zandreliëf in de ondergrond van de Oude Fijnaartpolder, ten noorden van Fijnaart (figuur 11). In deze vroege prehistorische tijd leefden de mensen als rondtrekkende (rendier)jagers. Typische archeologische resten uit het paleolithicum zijn primitieve stenen werktuigen (zie figuur 12). Deze zijn in Nederland erg zeldzaam, omdat ze bijna overal diep begraven in de bodem liggen onder meters jongere afzettingen.

Toch zijn vondsten uit deze periode op het Hoge deel van het onderzoeksgebied wèl bekend. Dat komt doordat hier - als één van de weinige delen van Nederland - oude afzettingen nog aan het maaiveld liggen. Op de geologische kaart (figuur 13) is

22

23

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

Figuur 11. Uitsnede van de zandreliëfkaart, waarop ten noorden van Fijnaart een typische paraboolvorm in het begraven zandreliëf te herkennen is. Inzet: schematische weergave van het ontstaan van een paraboolduin.

dit te zien aan de grijze en paarse kleuren voor de Formaties van Stramproy en Sterksel. Dit zijn afzettingen van circa 2,4 tot 0,1 miljoen jaar geleden. Ze zijn dus niet bedekt en verborgen onder meer recente afzettingen. In het onderzoeksgebied zijn zes vindplaatsen uit het midden van het paleolithicum bekend: één in de gemeente Etten-Leur en vijf in de gemeente Oosterhout. Tegenwoordig contrasteert het Lage deel sterk met het Hoge omdat het oude zand, inclusief eventuele archeologische sporen, begraven

Figuur 13. Geologische kaart van het onderzoeksgebied (bron: Weerts e.a., 2006).

ligt onder metersdikke pakketten veen en klei (bruintinten op figuur 13). Dat maakt het lastig in het Lage vindplaatsen uit het paleolithicum op te sporen. Ze zijn daar dan ook niet bekend. Toch lag het zandlandschap in het paleolithicum ook in het Lage aan het maaiveld en het was toen dus beschikbaar voor de mens. Dat vindplaatsen uit deze periode niet in het Lage

Figuur 12. Vuurstenen vondst uit het paleolithicum gevonden bij Den Hout in de uitgegraven grond van het Markkanaal (Reijers, 1989: p.67).

deel zijn gevonden, wil dus zeker niet zeggen dat ze er niet kunnen liggen.

24

Mesolithicum (9700 - 5500 voor Chr.)

warmer en vochtiger en daardoor raakte het

Dat het Lage deel zo sterk afwijkt van het

toendralandschap geleidelijk steeds meer

Hoge, vindt zijn oorsprong grofweg 12.000

begroeid. Er ontstonden uitgestrekte bossen

jaar geleden, na de laatste ijstijd. Toen

met een climax rond circa 3700 voor Chr. Deze

begon het Holoceen, gekenmerkt door een

begroeiing legde erosie en sedimentatie sterk

drastische klimaatsverandering. Het werd

aan banden. Rivieren en beken veranderen

25

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

van verwilderde woeste stromen, in rustig

aan voedsel voorhanden en (drink)water binnen

meanderende wateren. Door de opwarming

handbereik.

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

steeg de zeespiegel en daarmee ook de grondwaterstand. Er ontstonden vennen waar

Hoewel het zandlandschap geleidelijk

grote delen van het jaar water te halen viel. De

natter werd, was het voor de mensen uit

flora en fauna veranderden sterk en mensen

het mesolithicum nog lange tijd volledig

pasten zich daarop aan. Zij leefden nog altijd

beschikbaar. Net als in het paleolithicum zijn

van jagen en verzamelen, maar kregen te

de vindplaatsen uit deze periode echter vooral

maken met planten en dieren die horen bij een

aangetroffen op het Hoge deel, omdat het

landschap met bossen. Het wild veranderde

pleistocene zand hier aan het maaiveld ligt. In

en het wapenarsenaal veranderde mee. Als

het Lage is dit zand afgedekt door veen en klei.

(tijdelijke) vestigingslocatie zochten mensen vooral overgangen op tussen hoog/droog en laag/nat. Hier was namelijk de grootste variatie

Figuur 14. Impressie het landschap circa 10.000 jaar geleden..

Figuur 15. Paleogeografische ontwikkeling van het onderzoeksgebied in het mesolithicum: het veen (roodbruine kleur) rukt duidelijk op. (bron: Vos e.a., 2018).

26

Neolithicum (5500 – 2000 voor Chr.)

Een belangrijke verandering in deze periode

Het Lage noordwestelijke deel van het

was de opkomst van de landbouw vanuit het

onderzoeksgebied valt omstreeks 5500 voor

Midden-Oosten. Geleidelijk veranderde het

Chr. ten prooi aan de invloed van de zee. Door

rondtrekkend bestaan in wonen op een vaste

de stijgende zeespiegel ontstond hier een

plaats. Mensen gingen zelf voedsel verbouwen

getijdengebied vergelijkbaar met de huidige

en werden minder afhankelijk van wat de

Waddenzee. Vanuit de kustvlakte rukte het

natuur te bieden had. Voor het eerst gebeurde

veen op en dat nam een vlucht toen omstreeks

dat in Zuid-Limburg met de eerste boeren

2750 voor.Chr. de Nederlandse kustlijn zich

die hun naam danken aan het karakteristieke

grotendeels sloot. Er ontstond een lagune waarin

aardewerk: de lineaire bandkeramiek. Voor ons

de omstandigheden voor veengroei optimaal waren.

onderzoeksgebied lijkt het echter waarschijnlijk

Op het Hoge deel zorgde de zeespiegelstijging

dat landbouw pas laat op gang kwam. Niet

vooral voor vernatting en veengroei in de lage

alleen door de afstand tot Zuid-Limburg, maar

delen van het zandlandschap.

ook vanwege het ontbreken van vruchtbare

27

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

De mensen in de periode van de jagerverzamelaars hadden een duidelijke voorkeur voor de hogere landvormen op de overgangen van hoog naar laag. Kenmerkende vindplaatsen uit deze periode zijn vuurstenen artefacten die vaak in concentraties bij elkaar liggen. Op die plekken bewerkten mensen vuursteen tot werktuigen, zoals pijlpunten.

Figuur 17. Voorbeeld van een vuurstenen pijlpunt van de Houtse Akkers (bron: Roessingh & Blom, 2012: p.55).

3.3 Landbouw in een

vroege middeleeuwen grote delen van het

verdrinkend landschap

landschap bedekt waren. Omstreeks 800 na

Het landschap veranderde drastisch vanaf

de veengebieden in de kustvlakte en op het

het neolithicum door het oprukkende veen.

Hoge stonden toen via de beekdalen met elkaar

De veengroei ging gestaag door totdat in de

in verbinding. Op den duur staken alleen de

Chr. had het veen zich maximaal uitgebreid:

Figuur 16. Spreidingskaart van bekende vindplaatsen uit het paleolithicum en meso/neolithicum in het landschap zoals dat er in deze perioden uitzag.

zoals in Zuid-Limburg ontbreekt hier immers

Vindplaatsen van jager-verzamelaars in een zandlandschap

en bovendien overwoekerde het veen steeds

In de periode van de jager-verzamelaars lag het

grotere delen van het zandlandschap. Aan

zandlandschap voor het grootste deel nog aan

het eind van het neolithicum waren alleen

het maaiveld. Pas tegen het einde rukte de zee

de hoogste zandgronden van Etten-Leur,

op en begon op grote schaal veen te groeien

Drimmelen en Oosterhout nog onbedekt.

dat grote delen van het zandlandschap bedekte.

Vindplaatsen uit het neolithicum zijn uitsluitend

Archeologische vindplaatsen uit deze periode

bij Oosterhout bekend. Voor het merendeel van

zijn daardoor vooral aangetroffen op het Hoge,

deze periode is het aannemelijk dat mensen

omdat het pleistocene zand en eventuele

nog een jagend en verzamelend bestaan

vindplaatsen hier aan het maaiveld liggen. In

leidden.

het Lage wordt dit zand afgedekt door veen en

en goed ontwaterde gronden. Vruchtbare löss

klei, waardoor zowel het zandlandschap als archeologische vindplaatsen daarin aan het oog worden onttrokken.

28

Figuur 18. Met behulp van alle verzamelde onderzoeksgegevens (bronnen, kaarten, veldonderzoeken) is een reconstructie gemaakt van de veengroei in het onderzoeksgebied.

29

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

Figuur 20. Links: reconstructie van een Haps huis (bron: Schinkel, 1998; fig. 68). Rechts: voorbeelden van een urn en een grafstructuur aangetroffen op de Houtse Akkers (bron: Roessingh & Blom, 2012: p.78 resp. 71).

hiervan zijn huisplattegronden van het type Oss en Haps, aangetroffen bij opgravingen op de Houtse Akkers in Oosterhout (figuur 20). Waar mensen leefden, gingen ook mensen dood. In de periode van de landbouwers kreeg het begrafenisritueel steeds uitdrukkelijker vorm. Sporen van grafvelden en grafheuvels kunnen in de bodem bewaard zijn. Ook hiervoor zullen vooral de hogere delen van het land gebruikt zijn.

Figuur 19. Spreidingskaart van vindplaatsen uit de landbouwersperiode (laat neolithicum t/m vroege middeleeuwen) in het landschap zoals dat er in deze perioden uitzag.

allerhoogste delen van het zandlandschap

kon deze toch ongeschikt zijn om te wonen:

nog door het veenkussen heen. Naast enkele

omringd door veen zonder aansluiting met

kleinere koppen in de gemeenten Etten-Leur

het Hoge achterland lag het te geïsoleerd.

en Drimmelen, was er een hogere rug in het

Uiteindelijk had alleen de gordel van Sterksel

zuiden van de gemeente Oosterhout. Deze had

die aansluiting nog. Het is dan ook niet

de naam ‘gordel van Sterksel’ vanwege het

verwonderlijk dat de bekende archeologische

ondiep voorkomen van de zand- en grindrijke geologische Formatie van Sterksel.

3.4 Polderende

dit de periode van de staatssamenlevingen

staatssamenlevingen

noemen. De bevolking en het technisch vernuft

vindplaatsen uit de periode van de landbouwers

Vanaf het jaar 1000 na Chr. vond er opnieuw

mensen grootschalig en definitief in de vorming

met name daar zijn aangetroffen. In het met

een drastisch omslagpunt plaats. Waar de

van het landschap ingrijpen, al sloeg de natuur soms keihard terug.

waren sterk gegroeid. Daardoor konden

veen dichtgegroeid Lage deel hadden mensen

jager-verzamelaars hun weg zochten in het

De veengroei perkte de gebruiksmogelijkheden

toen waarschijnlijk weinig te zoeken. In het

landschap, en de landbouwers optimaal gebruik

voor de mensen sterk in. Omstreeks 2000

Lage zijn daarom geen vindplaatsen uit de

maakten van de natuurlijke vruchtbaarheid,

Inbraken in het veen

voor Chr. was landbouw gemeengoed

periode van de landbouwers te verwachten.

paste men in de late middeleeuwen het

In de middeleeuwen groeide de bevolking

geworden, maar daarvoor waren vooral de

landschap doelgericht aan de eigen wensen

sterk en brak een periode van grote agrarische

goed ontwaterde vruchtbare zandgronden

Kenmerkende bewoningssporen uit deze periode

aan. Belangrijk is dat dit niet alleen op

expansie aan. Ook de veengebieden - die tot

interessant en die verdronken geleidelijk onder

zijn vooral vondsten in combinatie met sporen

individuele schaal gebeurde, maar ook vanuit

dan weinig interessant waren - ontkwamen daar

het veen. Als een zandkop door het veen stak,

van (palen)funderingen van huizen. Voorbeelden

de staat werd aangestuurd. Vandaar dat we

niet aan. Vanaf een natuurlijke hoogte zoals

30

31

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

een zandkop (of donk) gingen mensen het

daarvan veel restanten bewaard gebleven.

veen verkavelen in smalle stroken. Die stroken

De combinatie van klink en turfwinning

gebruikte men als natte hooilanden, ook wel

zorgde ervoor dat het veen verdween. In

aangeduid als maden. Restanten hiervan zijn

het Hoge kwamen daardoor de pleistocene

nog bewaard gebleven in het noorden van de

zandgronden weer aan het maaiveld te liggen.

gemeente Etten-Leur (zie figuur 21). Daar is

In het Lage was het veen dikker en vanwege

vanaf de hooggelegen Kelsdonk het veengebied

de samenstelling bovendien niet geschikt

het Zwermlaken in maden ontgonnen. Op deze

voor grootschalige turfwinning. Desondanks

natuurlijke hoogten in het veen ontstonden

verdween ook hier het veen geleidelijk door

meestal ook de eerste dorpen.

ontginning en klink.

Om het veen te ontginnen werden

Naast de daling van het maaiveld (door

ontwateringssloten gegraven en als gevolg

ontginning en klink) begon de zee in dezelfde

daarvan begon het veen in te klinken.

periode aan een landinwaartse opmars.

Daarnaast startte vanaf de 13e eeuw de

Het risico op overstroming nam daardoor

turfwinning. Dat gebeurde kleinschalig overal,

toe. Een triest hoogtepunt waren de Sint

Hollandse Waard verloren, waarvan de zuidgrens

het gebied kon binnendringen. Hele dorpen werden

en op grote schaal vooral in het veenkussen in

Elisabethsvloeden in 1404, 1421 en 1424 (figuur

globaal ter hoogte van Lage Zwaluwe liep. Het

zo weggeslagen, zoals Niervaert en Zonzeel in

het zuiden van het onderzoeksgebied. Hiervoor

22). Door een combinatie van factoren braken

veen had weinig weerstand tegen de kracht van

het zuiden en Dubbelmonde en Almmonde in

werden grote infrastructurele investeringen

de dijken, drong de zee diep het land binnen

het water. Het hielp ook niet mee dat het water

het noorden van het onderzoeksgebied. Deze

gedaan met de aanleg van turfvaarten en

en raakten grote delen oud land opgeruimd

langs de ontginningssloten en kanalen eenvoudig

catastrofe leidde tot het ontstaan van de Biesbosch.

turfhoofden. Met name in Etten-Leur zijn

of overspoeld. Hierbij ging de Groote Zuid-

Figuur 21. Langgerekte made-verkaveling in het Zwermlaken (gemeente Etten-Leur).

32

Figuur 22. Panelen van rond 1490 met een geromantiseerd beeld van de Sint Elisabethsvloed (anoniem).

Figuur 23. Kaart van den verdronken Zuid-Hollandschen waard, behoorende bij het verbaal van commissarissen tot de designatie van de limieten der visscherijen van de graaflijkheid van Holland en den Prins van Oranje, gehouden in Augustus 1560. (Nationaal Archief, toegang 4.VTH, inventaris 1895A).

33

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

16e eeuw kwam het bedijken van gorzen of

De gefaseerde inpoldering is nog duidelijk

het herstellen en gebruiken van braakliggend

terug te vinden in het Lage zeekleigebied.

land weer op gang. Bij het opnieuw inpolderen

Er is een onderscheid te maken in meer of

van het gebied hield men zoveel mogelijk de

minder beschadigde veenpolders. In het

werd het gebied met dank aan de natuurlijke

rechtsgebieden van voor de overstromingen

algemeen geldt: hoe verder westelijk, hoe

opslibbing geleidelijk steeds verder ingepolderd

aan. De drie grote aanjagers van bedijkingen

minder er van het landschap van voor de

Het Lage

en teruggewonnen op de zee. In de polders

waren de heren en later markiezen van Bergen

overstromingen overgebleven is. De polders

De verdrinking van het Lage land was een

legde men vervolgens sloten en schutsluizen

op Zoom, de heren van Breda (graven van

die het dichtst tegen het Hoge aanlagen,

catastrofe voor de bewoners, maar bood

aan voor de afvoer van regenwater. De

Nassau) en de heren van Zevenbergen. Deze

zijn het eerst drooggelegd (zie figuur 24).

tegelijkertijd nieuwe kansen. De zee voerde

gefaseerde inpoldering van het gebied duurde

landsheren namen het initiatief tot bedijking

De impact van de overstroming was hier het

namelijk nieuw sediment aan en zo ontstonden

enkele honderden jaren. Het resultaat was

van een aan- of opwas en ontwierpen ook de

geringst. Daardoor kon men deze gronden -

kwelders (slikken) die geleidelijk steeds verder

een grotendeels ‘man-made’-gebied met

inrichting van de nieuwe polder. Bestuurlijk

nadat het water van de Sint Elisabethsvloeden

opslibden. Er vormden zich nieuwe hoge

een uitgesproken eigen karakter, waarin de

gezien weerspiegelde de situatie ná de

was weggezakt - al snel weer gebruiken.

gronden in een gebied waarvan het maaiveld

wisselwerking en het gevecht met het water

overstromingen die van vóór de overstroming.

Aan het andere uiterste van het spectrum

sinds de middeleeuwse veenontginning juist

duidelijk zichtbaar zijn.

Dit betekende echter wel dat de Hollandse

staan de Verlamde Vaart (tussen Fijnaart

gebieden nu door de verdronken Grote

en Klundert), de polder Sabina Henrica (ten

Terugwinnen en ontginnen

zo sterk was gedaald. Wanneer de aanwassen hoog genoeg waren opgeslibd en niet meer

Grote delen van het overstroomde land bleven

Waard van de rest van het graafschap waren

zuiden van Willemstad) en de Hamsepolders

voortdurend overstroomden, werden ze gorzen

een eeuw lang onbewoond. Wanneer ze wel

afgesneden. Tussen 1796 en 1815 kwamen

tussen Lage Zwaluwe en Drimmelen, waar

genoemd en vormden aantrekkelijke gronden

begaanbaar waren, werden ze verpacht als

de huidige grenzen tot stand. Staats-Brabant

het water nog lang klotste. Die zijn als laatste

om te bedijken en opnieuw te ontginnen. Zo

weidegebied. Pas vanaf het begin van de

werd erkend als zelfstandig gewest en de

ingepolderd. De Hamsepolders zelfs pas na de

noordgrens werd verlegd naar het Hollandsch

Watersnoodramp van 1953.

Diep, de Biesbosch en de Oude Maas. In 1815 verschoof de grens nog eens naar het

Het Hoge

noorden, nu van de Oude Maas naar de Maas

Naast de nieuwe zeekleipolders, waren er

en Merwede. Daardoor gingen ook de polders

andere gronden die nieuw ontgonnen moesten

in de Biesbosch tot Brabant behoren.

worden. Na het afgraven van het veen kwamen in het zuiden van het onderzoeksgebied (het

Figuur 24. Gefaseerde inpoldering van het noordelijk (Lage) deel van het onderzoeksgebied.

34

Figuur 25. Watersnoodramp Moerdijk 1953 (canonvanmoerdijk.nl).

35

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

Figuur 27. Uitsnede van ‘Plan van de Steede Geertruijdenberg, de Amiliapolder en Raemsdonck’ uit 1747. Met rode cirkel zijn de Sant Duijnen bij Stuyve Sande (Made) aangeduid. (Nationaal Archief, archiefnummer 4VTH, inventarisnummer 4653).

Figuur 26. Hooge Zwaluwe kort na de Watersnoodramp in 1953, gezien vanuit het zuiden. Naar rechtsboven (achter de vliegtuigvleugel) opende het zeegat, waarin de dijkjes van de diverse polders te zien zijn. Alle zijn overstroomd (Collectie NIMH, nr. 2152_014_038).

Hoge) namelijk op grote schaal de pleistocene

op de wat verder van de nederzettingen

zandgronden weer aan het maaiveld te liggen.

gelegen gemene gronden, die daardoor tot

Dat waren meestal niet de meest vruchtbare

heidegronden verschraalden. Plaatselijk leidde

gronden, maar veelal vrij zure gronden. Die

het intensieve gebruik ertoe dat de vegetatie

vroegen de nodige inspanningen om ze voor

werd uitgeput en delen onbegroeid raakten. In

de landbouw rendabel te maken. Vaak werd de

combinatie met een dalende grondwaterspiegel

bovengrond omgeploegd/spit, en kwam er een

(door het ontginnen en afgraven van

humeuze bovengrond op. Voor de ophoging van

venen), kon dit leiden tot zandverstuiving.

de zandgronden gebruikte men lokaal gestoken

Zo ontstonden stuifzandgebieden die bijna

plaggen, maar ook stadsafval dat vanuit de

allemaal zijn gekoppeld aan de Gordel van

Randstad helemaal naar Etten werd vervoerd.

Sterksel. Deze rug, waarvan de hoogste delen

De plaggen en het zand werden gewonnen

altijd boven het veen hadden uitgestoken,

36

Figuur 28 Uitsnede van de kaart van 1900 (https://www.topotijdreis.nl/), waarop het traditionele zandlandschap rond Dorst te zien is met akkers rond de dorpen, weilanden in de laagtes en bossen, heidevelden en stuifzanden op de hoogste en droogste gronden.

37

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

had duidelijk te kampen met verdroging

nog gekoppeld aan de hogere gronden,

en zandverstuiving. Typerend voor deze

terwijl in de laagtes en dalen juist graslanden

ontwikkeling zijn toponiemen als Heikant bij

voorkwamen. Hier zijn ook nog schrale gronden

Oosteinde ten oosten van Oosterhout en Stuyve

als onontgonnen ‘woeste grond’ aan te merken.

Sande / Sant Duijnen bij Made (zie figuur 27).

Deze woeste gronden komen min of meer

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

overeen met de gronden die nooit met veen Door de geschetste ontwikkelingen wijkt het

bedekt zijn geweest. Het is niet voor niets dat in

zandgebied voor grote delen steeds meer af

deze gebieden stuifzanden zijn ontstaan.

van de traditionele pleistocene zandgronden. Tegenwoordig is het hele zuidelijk deel van

Vindplaatsen Hoog en Laag

het gebied ‘zandlandschap’. Maar dat zand

Vanaf de periode van de Staatssamenlevingen

is pas vanaf het eind van de middeleeuwen,

nemen mensen steeds meer het heft

na de veenafgraving, beschikbaar gekomen.

in eigen handen en spelen bezits- en

Daardoor heeft het zich heel anders ontwikkeld

machtsverhoudingen nadrukkelijker een rol bij

dan het traditionele zandlandschap waar

de keuze waar te wonen. Toch leert een blik op

het zand 10.000 jaar aan het maaiveld heeft

de kaart met veenbedekking (figuur 18) direct

gelegen (van de prehistorie tot nu beschikbaar

welk gebied een grote aantrekkingskracht

voor de mens). Alleen de allerhoogste delen

had: de gordel van Sterksel. Dit hoge gebied

van het onderzoeksgebied zijn niet met veen

wigde als een schiereiland diep in het

bedekt geweest. En net die delen uiten zich wel

veengebied. De aantrekkelijkheid van de

als een ‘traditioneel’ zandlandschap. Een eeuw

hogere gronden nam door de veenontginning

geleden waren de akkers daar in hoofdzaak

vanaf de middeleeuwen echter af. Op het

Figuur 30. Karrensporen vormen een oude weg in Terheijden (bron: Mol & Pels-Ouweneel, 2021: p.19).

Hoge konden na de veenwinning vrijwel alle

of vlietbergen en natuurlijke verhogingen waren

vrijgekomen zandgronden ontgonnen worden,

de favoriete woonlocaties.

mits ze niet verdroogd of verstoven waren. De bebouwing blijkt duidelijk gekoppeld aan

De gefaseerde inpoldering bepaalt in het

overgangen van hoog naar laag, de turfvaarten

Lage daarom de archeologische verwachting

en hogere landvormen. De historische erven en

in de periode van de Staatssamenlevingen.

bebouwingslinten zijn daarom aangemerkt als

Daarbij is onderscheid gemaakt in polders

vindplaats.

waar wel en polders waar geen resten van het middeleeuws veenlandschap bewaard

Figuur 29. Uitsnede van de Gastelse Kaart van 1565 met daarop een aanwas en ten oosten daarvan de voldoende hoog opgeslibde gors De Heyningen (bron: Van Ham & Leenders, 2018).

38

De invloed van de mens blijkt het sterkst in

kunnen zijn. Polders van voor 1550 zijn na

het Lage. Niet alleen ging de Groote Waard

de overstroming als eerste weer ingepolderd,

hier mede door bestuurlijke twisten ten onder,

omdat het zwak overstroomd land was.

ook werden de verdronken gronden dankzij

Hier kan (eventueel) onder een dun kleidek

grootschalige en gezamenlijke inspanningen

een intact veenlandschap schuilgaan. In de

weer ingepolderd. Techniek en historische

jongere polders is de overstroming heftiger en

ontwikkelingen in het polderlandschap

langduriger geweest en is het veenlandschap

bepaalden waar men ging wonen. Het natuurlijk

verstoord. Het onderscheid is gebaseerd op

landschap deed er veel minder toe. Mensen

de fasering van de polders en een historische

wilden vooral zo hoog mogelijk wonen vanwege

bron over de polder Heyningen waarin staat dat

overstromingsgevaar. Dijken, historische terpen

“In het hoog opgewassen gors De Heyningen

39

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

Figuur 31. Kleiwinputten duiden de aanwezigheid van oude fluviatiele afzettingen ondiep in de ondergrond. Figuur 32. Spreidingskaart van bekende vindplaatsen uit de periode van staatssamenlevingen (late middeleeuwen en nieuwe tijd) in het landschap zoals dat er in deze perioden uitzag.

reeds een spoor van menselijke activiteit is

is de steen- en pottenbakkerij in Oosterhout.

te vinden” (zie figuur 29). Het was dus een

De kleilagen in de ondergrond zorgen periodiek

Vrijwel overal in het landschap komen in

gorzen landschap en dat moest eerst voldoende

voor natte omstandigheden waardoor wonen

de periode van de staatssamenlevingen

hoog opslibben voordat mensen het konden

hier wellicht niet interessant was. Maar voor de

archeologische vindplaatsen voor, en net

gebruiken.

winning van klei als grondstof voor de steen- en

zoveel in het Lage als in het Hoge deel. Dit

pottenbakkersindustrie was dat juist zeer gunstig

in tegenstelling tot de voorgaande perioden,

Qua menselijke activiteiten in de periode van

(zie figuur 31). Door het intensieve gebruik van

waarin de bekende vindplaatsen vooral in

de staatssamenlevingen ging het niet alleen om

het landschap, is de spreiding van vindplaatsen

het Hoge bekend zijn, en het prehistorische

wonen, begraven, akkeren, jagen en vissen,

uit de Staatse periode dan ook veel gelijkmatiger

maaiveld in het Lage begraven lag onder klei

maar ook om grootschalige ontginningen en de

over het gebied verdeeld dan in voorgaande

en veen. Het maaiveld uit de periode van de

aanleg van de bijbehorende infrastructuur zoals

perioden (zie figuur 32). Wat bovendien opvalt,

Staatssamenlevingen is het huidige maaiveld

wegen, dijken, vlieten en vaarten (zie figuur

is dat de historische erven in het Lage zeer

en dat maakt archeologische resten uit deze

30). Bovendien konden delen van het landschap

sterk aan de dijken gekoppeld zijn. Die vormden

periode veel eenvoudiger te traceren.

die voor bewoning ongeschikt waren, voor

daar de veilige woonlocaties. Het natuurlijke

bepaalde economische activiteiten juist wel

landschap deed er veel minder toe.

interessant zijn. Een goed voorbeeld daarvan

40

41

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

4

Archeologische verwachting

4.1 Het model De drie beschreven knikpunten in de tijd (de perioden van de jager-verzamelaars, de landbouwers en de staatssamenlevingen) geven een beeld van de veranderingen die het landschap doormaakte en hoe de mensen het gebruikten. Die verzamelde informatie over de ontwikkeling en het gebruik van het landschap is gecombineerd in een onderbouwd archeologisch verwachtingsmodel. Onderbouwd omdat het gebaseerd is op een nauwkeurige landschappelijke ondergrondkaart, actuele wetenschappelijke inzichten en een grote dataset aan archeologische onderzoeksgegevens uit het gebied. Voor de verschillende perioden is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Dit model is in tabel 3 gezet en verbeeld in figuur 33.

4.2 Een beknopte toelichting Het onderscheid tussen het Hoge en het Lage is sinds het neolithicum een terugkerend scheidslijn in de ontwikkeling en het gebruik van het landschap. Aan de hand van deze tweedeling lichten we de archeologische verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen kort toe.

Het Lage • In het Lage (in Moerdijk, het grootste deel van Drimmelen, het noordelijk deel van Etten-Leur en het noordoostelijk deel van Oosterhout) is de archeologische verwachting voor het aantreffen van resten uit de prehistorie beperkt. Het pleistocene zandlandschap raakte hier vrij snel bedekt, eerst met veen en later met zeeklei. Het zandlandschap was voor de jager-verzamelaars in de steentijd nog beschikbaar en op de overgangen van hoog naar laag zijn ook nog vindplaatsen uit die periode te verwachten. Zij liggen echter afgedekt door dikke pakketten jong sediment. • Al vanaf het eind van de steentijd raakte het zand in het Lage overwoekerd met veen, waardoor het voor de landbouwers steeds minder interessant was. Dit milieu bleef millennia lang in stand. Mensen zochten hier de natuurlijke hoogtes (donken) op, of wierpen ze zelf op (dijken en terpen). In de middeleeuwen vonden grootschalige ingrepen plaats. Door het ontginnen van de veenkoepels en afgraven van turf veranderde het landschap drastisch. Het gevolg was een sterke bodemdaling die het gebied kwetsbaar maakte voor overstroming. Tijdens de Sint Elisabethsvloeden in de 15e eeuw braken de dijken en gingen grote delen in de golven verloren. Van het landschap voor de Sint Elisabethsvloeden resteert vrijwel niets meer. Alleen aan de randen van het overstromingsgebied zijn restanten van het oorspronkelijke veenlandschap

42

43

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

Landbouwers

Tijd

Het Hoge deel

Paleolithicum (tot 9700 voor Chr.)

Het Lage deel

Periode

Tijd

Het Hoge deel

Jager-verzamelaars trokken rond door een welvend toendra-landschap, gevormd door

Late middeleeuwen

Een periode van explosieve bevolkingsgroei en agrarische expansie. De technische

voorlopers van Rijn en Maas, lokale beken, smeltwaterstromen en zandverstuiving

tot de Sint

kennis was sterk gegroeid. Daardoor konden mensen grootschalig en definitief in de

(dekzand). In de zuidelijke helft van het onderzoeksgebied komt het zandlandschap

Elisabethsvloeden

vorming van het landschap ingrijpen, al sloeg de natuur soms keihard terug.

aan de oppervlakte en zijn aan het maaiveld vindplaatsen uit deze periode te

1000 - 1421 na Chr.

De venen in het Hoge deel werden

Het laagveen was niet geschikt als

verwachten en ook aangetroffen.

afgegraven voor de turf. Hiervoor deed

brandstof, maar werd wel voor agrarisch

Mesolithicum

De start van het mesolithicum valt samen met het begin van het Holoceen: een

men grote infrastructurele investeringen:

gebruik ontgonnen. Dat gebeurde in

9700 - 4900 voor Chr.

periode waarin het warmer werd en de vegetatie zich uitbreidde en erosie door

turfvaarten, turfhoofden, etc. Om de

langgerekte ‘maden’ vanuit een hogere

wind en water aan banden werd gelegd. Mensen trokken nog altijd rond als jager-

vele monden te voeden, werden de

basis zoals een donk of kade. De

verzamelaars, maar pasten zich aan de veranderde flora en fauna aan. Deze situatie

zandgronden grootschalig ontgonnen en

dorpen en steden in het gebied met een

gold voor het gehele onderzoeksgebied. Tegen het eind van deze periode had de zee

bewust opgehoogd om een vruchtbaar

middeleeuwse oorsprong zijn hier duidelijk

in het westen van het gebied een wadden-achtig getijdenlandschap gevormd.

dek te creëren. Daarvoor voerde

aan te koppelen. Door het fijnmazige net

Neolithicum

De rondtrekkende jager-verzamelaar veranderde geleidelijk in een plaats-vaste

men stadsafval aan en ook plaggen,

van slootjes en vlieten, werd het veen

4900 - 2000 voor Chr.

landbouwer. Hoewel er voor de zandgronden in westelijk Noord-Brabant aanwijzingen

gestoken op de gemene gronden.

ontwaterd. Bodemdaling was het gevolg.

zijn voor landbouw in het begin van het neolithicum, lijkt het waarschijnlijk dat

Omdat het veen was afgegraven, daalde

In combinatie met toenemende invloed van

landbouw pas op grotere schaal in het late neolithicum op gang kwam. Omstreeks

de grondwaterspiegel sterk, wat de

de zee vanuit het westen en bestuurlijke

2750 voor Chr. sloot de Nederlandse kustlijn zich, waardoor de directe invloed van de

zandgronden gevoelig maakte voor

twisten, resulteerde dat tijdens de Sint

zee afnam. Wel bleef de zee stijgen en daarmee ook de grondwaterspiegel.

verstuiving. Zo ontstonden onbedoeld

Elisabethsvloeden in grootschalige

uitgestrekte stuifzanden, waarbij oude

overstromingen. Het veen werd in het

pleistocene landschappen werden

westen van het onderzoeksgebied

weggeblazen en afgedekt.

weggeslagen en grote gebieden gingen

Staatssamenlevingen

Jager-verzamelaars

Periode

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

Het Lage deel

Op het Hoge begon in de beekdalen en

In het Lage ontstond een kustmoeras

geïsoleerde laagtes door de vernatting

dat geleidelijk dichtgroeide met veen. Dit

veen te groeien. De hogere delen

beperkte de gebruiksmogelijkheden voor

van het landschap waren nog altijd

de mens, omdat ook de hogere delen van

beschikbaar voor de mens, die hier

het landschap verdronken. Onderzoek lijkt

gedurende een groot deel van het

uit te wijzen dat het pleistocene landschap

neolithicum waarschijnlijk nog als jager-

in het Lage tot in het midden van het

vlieten en vaarten kon het zeewater diep

verzamelaar rondtrok.

neolithicum bewoonbaar is geweest en

het land indringen. Tot diep in het Hoge

daarna verdronk.

deel werd klei afgezet. Richting het oosten

verloren in de golven. Er ontstond een groot getijdengebied. De Biesbosch is hiervan het laatste overblijfsel. Via de

Bronstijd t/m vroege

Landbouw was gemeengoed geworden, maar de technische mogelijkheden waren

nam de invloed van overstroming af. Het

middeleeuwen

beperkt, zodat mensen afhankelijk waren van wat het natuurlijke landschap te bieden

land kwam daar wel onder water te staan,

2000 voor Chr. -

had.

maar werd vrij snel ook weer in gebruik

1000 na Chr.

Vanuit de lagere delen kroop het veen de

In het met veen dichtgegroeide

hogere delen van het zandlandschap op.

kustmoeras hadden mensen in deze

Op den duur staken alleen de hoogste

periode waarschijnlijk weinig te zoeken.

Nieuwe tijd

Op de meest marginale stuifzanden en

Wanneer de slikken hoog genoeg waren

koppen nog door het veen heen. Deze

Op het hoogtepunt stonden het veen in

Vanaf 1500 na Chr.

natte beekdalen na, werden vrijwel alle

opgeslibd, werden ze ingepolderd en

waren alleen voor mensen bereikbaar

het kustmoeras en de veenkoepels op het

zandgronden ontgonnen. Het resultaat

ontgonnen. Niet het natuurlijke landschap,

als ze aansloten op het pleistocene

Hoge met elkaar in verbinding.

was een lappendeken van kleine

maar technische kennis bepaalde waar

percelen.

men ging wonen: aan de dijken en in nieuw

achterland. Dat gold eigenlijk alleen voor

genomen. Daarop wijzen de bewaarde middeleeuwse ontginningspatronen.

de hoge ‘gordel van Sterksel’. Dit is dan

aangelegde dorpen. Via natuurlijke kreken

ook de enige plek waar sporen uit de

en gegraven vlieten bereikte men deze

late prehistorie (neolithicum, bronstijd en

gronden.

ijzertijd) zijn aangetroffen. Tabel 3. Archeo-landschappelijke knikpunten.

44

45

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

RAAP-RAPPORT 6065 - Publiekssamenvatting ‘Verdronken en teruggewonnen’

vruchtbare landvormen die niet door veen bedekt waren en aansloten op het achterland. Hoge delen die niet (of pas laat) met veen bedekt raakten, maar geïsoleerd als eilanden in het veen lagen, waren minder in trek. • In de periode van de staatssamenlevingen namen mensen ook op het Hoge het heft in eigen handen om te bepalen waar ze zich vestigden. Bezits- en machtsverhoudingen telden daarbij mee, maar ook het landschap. In het met veen bedekte gebied waren de hoge koppen bij uitstek geschikt als uitvalsbases om het veen te winnen en ontginnen. Niet voor niets is Oosterhout al sinds de prehistorie een interessante plek om te wonen. De gordel van Sterksel vormde samen met een aantal (dek)zandruggen in Drimmelen en Etten-Leur de enige plekken waar het zandlandschap ook in de middeleeuwen aan het maaiveld lag (dus niet bedekt was door veen). Hier zijn eventuele middeleeuwse Figuur 33. Schematische weergave van de archeo-landschappelijke ontwikkeling van het gebied.

bewaard gebleven, of bestaat een kans

Het Hoge

daarop.

• Op het Hoge (in de grootste delen

voorgangers van de gekarteerde erven te verwachten.

van Oosterhout en Etten-Leur en het zuidoostelijk deel van Drimmelen) heeft

• In het grootste deel van deze gebieden geldt een archeologische verwachting

het pleistocene zandlandschap veel langer

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=a21da232-cb37-4324-8e94-cf534a27be3c