CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp BP toelichting Groeneweg 3 Noordhoek

Raadsvergadering 17 juni 2021, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Bestemmingsplan Groeneweg 3, Noordhoek17.629 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

32

Figuur 12 Uitsnede Cultuurhistorische kaart gemeente Moerdijk De omgeving Groeneweg is een oud lijnelement met een redelijk hoge cultuurhistorische waarde. Op zowel de gemeentelijke cultuurhistoriekaart als de archeologische beleidkaart is Groeneweg 3 aangeduid als een Oud Erf. Dat betekent dat een ruimtelijk initiatief beoordeeld dient te worden conform het gemeentelijk archeologiebeleid, waar middels het verkennend archeologisch onderzoek zoals eerder vermeld aan is getoetst. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie is Groeneweg 3 (voorheen bekend als Noordhoek 19) aangeduid als overige bouwkunst. De in het plangebied aanwezige archeologische (verwachtings-)waarden en cultuurhistorische waarden zijn door middel van een dubbelbestemming en de daarbij behorende regels beschermd. De gemeente heeft de ‘Erfgoedverordening gemeente Moerdijk’ opgesteld. Hierin worden geen regels gesteld ten aanzien van onderhavige locatie. Uit het beleid volgen geen belemmeringen ten aanzien van cultuurhistorie. 33

Verkeer en parkeren In deze paragraaf wordt de huidige verkeersstructuur beschreven. Eveneens is de huidige verkeersafwikkeling en de parkeersituatie beschreven. Verkeersstructuur De kern Noordhoek wordt ontsloten voor het gemotoriseerde verkeer door een interne wegenstructuur welke in drie richtingen aansluiting geeft op externe ontsluitingsroutes richting de A59 (Heijningen-Noordhoek) en A17 (Roosendaal- Moerdijk) en de overige kernen in de gemeente en regio. De externe ontsluitingsroutes zijn: WEST: Groeneweg, Langeweg Noord, aansluiting Zevenbergen (A17), knooppunt Noordhoek (A59); OOST: Groeneweg-Parallelweg Zuid van Rijksweg 17-aansluiting Zevenbergen (A17); NOORD: Klundertsedijk-Provincialeweg (N285)-aansluiting Zevenbergen (A17). De A59 en A17 geven verbinding met de A16 (Breda-Rotterdam) en de huidige A29 (Dinteloord-Rotterdam en de A4 (Antwerpen-Amsterdam)). Het plangebied is dan ook in verschillende richtingen goed extern ontsloten. De gehele kern is opgenomen binnen een 30 km/h-verblijfsgebied. Alle wegen binnen de kern zijn dan ook vanuit het concept Duurzaam Veilig gecategoriseerd als erftoegangswegen type I of II binnen de bebouwde kom. De toevoeging van de nieuwe woningen betekent een beperkte toename van hiermee samenhangend verkeer.

Bij een autobezit van 2 auto’s per woning, wat in een kleine kern als Noordhoek, als uitgangspunt genomen dient te worden en 6,1 autoverplaatsingen per auto, bedraagt de verkeersgeneratie volgens CROW maximaal 12,2 verkeersbewegingen per werkdagetmaal per woning. In het plangebied worden 14 extra woningen gerealiseerd waardoor het aantal verkeersbewegingen worst-case met 170,8 extra verkeersbewegingen toeneemt. Dit zijn zowel aankomende als vertrekkende motorvoertuigen. Dit wil zeggen dat tijdens het drukste uur van de dag (de spitsperiode) er 17 motorvoertuigen per spitsuur aankomen of vertrekken, op basis van 10% van de etmaalintensiteit. Dit is te vergelijken met één personenauto per 3,5 minuten. Een dergelijke toename is inpasbaar in het lokale verkeersbeeld. Gezien het profiel van de weg en de zichtbaarheid doen zich geen verkeersonveilige situaties voor. Bij de omzetting van de agrarisch in gebruik zijnde loodsen naar loodsen ten behoeve van lichte bedrijvigheid uitsluitend in de dagperiode wordt er uitgegaan van bezoekersextensieve en arbeidsextensieve bedrijvigheid. Uitgaande van twee loodsen met twee eigenaren leidt dit tot 16 verkeersbewegingen met zware voertuigen en evenzoveel verkeersbewegingen met personenauto’s. Er is geen sprake van een spitsperiode.

Voor wat betreft de spreiding over de dag is er op basis van 5% van de etmaalintensiteit sprake van maximaal 2 verkeersbewegingen per uur. In vergelijking met de agrarische bedrijfsvoering van weleer is dit een afname van het aantal verkeersbewegingen en is dit inpasbaar in het lokale verkeersbeeld. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat voor het hierboven genoemde uitgangpunt is afgeweken van de kencijfers voor verkeersgeneratie op grond van de CROW publicatie 317. Uitgaande van die publicatie, zou voor de locatie uitgegaan moeten worden van verkeersgeneratie van 43 verkeersbewegingen per dag waarvan 5% vrachtverkeer (2 verkeersbewegingen). In de optiek van initiatiefnemer is – gelet op de voorgenomen invulling – dit onvoldoende representatief. Er zullen minder autobewegingen maar iets meer vrachtwagenbewegingen plaatsvinden. Voor de effecten zijn deze als worst case benadering bepaald op 16 verkeersbewegingen met auto en 16 met zware voertuigen. 34

Parkeren In het Noordhoek wordt voornamelijk geparkeerd in het openbaar gebied langs wegen en straten. Bij een aantal woningen wordt op eigen terrein geparkeerd. Binnen de kern Noordhoek is over het algemeen geen sprake van grote parkeerproblemen. Voor uitbreiding van bebouwing geldt dat indien de uitbreiding leidt tot toename van de parkeerbehoefte de verzoeker op eigen terrein in de benodigde parkeerbehoefte dient te voorzien. Het bouwen van nieuwe woningen leidt tot een toename van de parkeerbehoefte. Bedrijven De bedrijvigheid die planologisch mogelijk worden gemaakt binnen categorie 1 en 2 kan worden bestempeld als bedrijvigheid die arbeidsextensief/ bezoekersextensief is. Voor deze bedrijven is conform het gemeentelijk parkeerbeleid een norm opgenomen van 0.7 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO.

De parkeernorm levert het volgende aantal parkeerplaatsen op voor deze bedrijven.

Loods 1 Loods 2

Oppervlakte in m2 850 450

Parkeernorm-parkeerplaatsen 5,95 = 6 3,15 = 4

De parkeerplaatsen zullen worden aangelegd in het plangebied op het bij de loodsen aansluitend eigen terrein. Woningbouw: Gelet op de Nota parkeernormen van de gemeente Moerdijk, zullen voor de woningen ten westen (2 x 12 woningen) 24 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Voor de woningen ten oosten zullen (2,2 x 2) 4,4 aldus afgerond 5 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd.

35

De parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd: de rijwoningen krijgen een parkeerplaats aan de voorzijde van de woning en aan de achterzijde van het woonperceel, zie de als bijlage 1 bijgevoegde stedenbouwkundige opzet. Omdat dergelijke parkeerplaatsen conform gemeentelijk parkeerbeleid worden beschouwd als 0,8 parkeerplaats, zijn 4 extra parkeerplaatsen vereist om te kunnen voldoen aan de parkeerbehoefte. Deze 4 parkeerplaatsen worden gerealiseerd binnen het plangebied in de directe nabijheid van de woningen. De woningen ten oosten krijgen ieder een garage en daarnaast nog twee parkeerplaatsen, waarmee deze woningen aan de parkeernorm voldoen. Voor de berekening van het benodigd aantal parkeerplaatsen is bij de uitwerking van het plan gebruik gemaakt van de parkeerkencijfers van het CROW. Daarmee kan voorzien worden in voldoende parkeergelegenheid conform de gemeentelijk parkeernorm en het gemeentelijk parkeerbeleid op eigen terrein en is er geen overlast te verwachten door parkeren op de openbare weg. Toegang tot de percelen wordt verkregen via een eigen inrit voor iedere woning en via de gezamenlijke ontsluiting ook naar het achterste gedeelte van de woonpercelen. De inpassing van de parkeerplaatsen is verduidelijkt op het in de bijlage opgenomen stedenbouwkundig plan.

Technische infrastructuur De omgeving is aangesloten op alle gangbare technische infrastructuur zoals drukriolering en andere nutsvoorzieningen (gas, water, elektra). De nieuwe woningen worden aangesloten op de bestaande infrastructuur, hiervoor hoeven geen structurele aanpassingen plaats te vinden.

36

6

MILIEUASPECTEN M.e.r. beoordeling

Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten weer. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk om na te gaan of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: - kenmerken van de projecten; - plaats van de projecten; - kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in de eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. De bouw van de 14 woningen kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, maar blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Voor activiteiten ónder de drempelwaarde van bijlage D bestaat de verplichting tot een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Ook daarbij concludeert het bevoegd gezag (bijv. op basis van een aanmeldingsnotitie) of er wel of geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een volledige m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure nodig. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria: • Kenmerken van het project; • Plaats van het project; • Kenmerken van het potentiële effect. De vormvrije m.e.r.-beoordeling vindt plaats op basis van informatie, die door de initiatiefnemer bij het bevoegd gezag (de gemeente Moerdijk) wordt ingediend in de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling (bijlage 9). Het bevoegd gezag moet op een zo vroeg mogelijk moment een formeel besluit nemen over het al dan niet uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling. Dit kan bijvoorbeeld gelijktijdig aan het vaststellen / vrijgeven van het ontwerpbestemmingsplan “Groeneweg 3 Noordhoek”.

In het kader van de voorliggende ontwikkeling is door het bevoegd gezag besloten dat op basis van de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r., waarin per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora- en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren, is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. Op grond van het voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten.

37

Bodem Algemeen Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In het kader van de ruimtelijke procedure voor de nieuwe woningen, dient inzichtelijk gemaakt te worden of de bodem op de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik. Om vast te stellen of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen) dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Hiermee dient te worden aangetoond dat de milieuhygiënische gesteldheid van de bodem en het grondwater geen belemmering oplevert voor het beoogde gebruik. Verantwoording Voor de locaties aan de Groeneweg is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage). Uit het bodemonderzoek blijkt dat er, qua gesteldheid van bodem en grondwater, geen belemmeringen zijn voor de nieuwbouw van de woningen.

Geluid Algemeen Het is van belang om mensen te beschermen tegen geluidshinder en tegen nadelige gezondheidseffecten door geluid. Het belangrijkste wettelijke kader hiervoor is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door zonering. Geluidsgevoelige gebouwen zijn woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. Binnen bepaalde afstanden (zones) van verschillende geluidsbronnen gelden grenswaarden voor de geluidsbelasting op gevoelige gebouwen en terreinen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. Ook gelden er grenswaarden voor het akoestische klimaat in de gebouwen zelf op basis van het Bouwbesluit 2012. In situaties waarop de Wgh niet van toepassing is, is de bescherming tegen geluid toch verzekerd. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) moet in die gevallen namelijk altijd nog sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening Dit geldt bijvoorbeeld bij wegen waar maximaal 30 km/uur gereden mag worden of bij bedrijven die niet op een geluidgezoneerd bedrijventerreinen liggen.

Een ruimtelijke ontwikkeling kan betrekking hebben op het realiseren van een geluidgevoelige functie en/of op het toevoegen van een nieuwe geluidsbron. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient voor alle functies die gevoelig zijn voor geluid bepaald te worden of na realisering van de ruimtelijke ontwikkeling sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verantwoording Voor het plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage). Toetsing van de berekende geluidbelastingen aan de voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde dient per geluidbron (weg) afzonderlijk te geschieden op de gevels van de geluidgevoelige bestemming. De voorkeursgrenswaarde bedraagt bij nieuwe bestemmingen met een woonfunctie 48 dB. Verder is bij aanwezige wegen en nog niet geprojecteerde geluidgevoelige woonfunctie onder bepaalde voorwaarden een ontheffing tot maximaal 63 (wegen binnen bebouwde kom) mogelijk. 38

De woningen zijn geprojecteerd binnen de invloedssfeer van de Groeneweg, Noordhoek en Buitendijk. Voor deze wegen geldt een maximumsnelheid van 30 km/h. Voor onderhavige planlocatie is geen toetsing aan de normen volgens het Besluit geluidhinder noodzakelijk, omdat de 30 km/h wegen geen wettelijke geluidzone hebben. Desalniettemin is – vanwege het belang van een goede ruimtelijke ordening - de geluidbelasting vanwege dit wegverkeer onderzocht. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidsbelasting maximaal 52 dB bedraagt op de voorgevels van de woningen. Met betrekking tot de gevelwering kan worden gesteld dat reeds met de minimumeis volgens het Bouwbesluit van 20 dB, wordt voldaan aan de maximale binnenwaarde van 33 dB in de verblijfsruimten van de woningen. Geconcludeerd kan worden dat er voor de woningen een goed woon- en leefklimaat heerst uit oogpunt van wegverkeerslawaai. Er is sprake van een geluidsluwe achtergevel.

Luchtkwaliteit Algemeen Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit hebben tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit dienen getoetst te worden aan afdeling 5.2 van de Wet milieubeheer. Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten verslechteren de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM). Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bijdraagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met teveel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is.

Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Verantwoording Het oprichten van maximaal 14 nieuwe woningen en de extra verkeer aantrekkende werking als gevolg daarvan zal niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden voor PM10 en NO2 uit de Wet Luchtkwaliteit. Vanwege het aantal woningen wordt het plan aangemerkt als een NIBM project. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk aangezien het project niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit.

39

Doordat het plan niet enkel woningbouw betreft wordt het project niet rechtstreeks tot de categorieën gerekend die NIBM bijdragen. Daarom is de NIBM tool ingevuld waarbij een inschatting is gemaakt van de worst-case verkeersaantrekkende werking van de toekomstige bedrijvigheid. De uitkomst hiervan is dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht gegeven in de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat zowel in 2017 als in 2020 ruimschoots voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet milieubeheer. Dit is gedaan langs de A17 en A59, twee maatgevende wegen die langs het plangebied lopen. Conclusie: het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

Externe veiligheid Algemeen Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (CRnvgs) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Externe veiligheid gaat over risicobronnen (bedrijven of transportroutes) en risico-ontvangers (personen of objecten die risico lopen). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Bij risicovolle inrichtingen en leidingen gelden wettelijke afstanden, voor vervoer van gevaarlijke stoffen is dat voorlopig nog niet het geval. Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Deze begrippen zijn gedefinieerd in het Bevi. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

40

Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op iemand die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan weergegeven worden met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt meestal begrensd door de 1% letaliteitsgrens. Dit is de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Buisleidingen Uit informatie van de professionele risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving een aantal buisleidingen liggen, ten oosten en westen van het plangebied. Voor ruimtelijke plannen in de omgeving van leidingen met vervoer van gevaarlijke stoffen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Binnen het invloedgebied van de leidingen worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De nieuwe woningen komen op een afstand van minstens 500 meter van deze leidingen.

Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedgebied van een hogedruk gasleiding met een letaliteit van 585 meter, de ontwikkeling ligt echter net binnen de 1% letaliteit maar ruim buiten de 100% letaliteit. Hierdoor kan worden volstaan met een beperkte verantwoording. Daarnaast volgt uit de door de OMWB in 2013 uitgevoerde QRA dat het groepsrisico door de realisatie van de ontwikkeling nooit hoger zal worden dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De hogedruk gasleiding vormt aldus geen belemmering voor deze ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen Uit informatie van de professionele risicokaart en het basisnet weg, blijkt dat er in de omgeving van het plangebied gevaarlijke stoffen over wegen worden vervoerd. Het gaat hierbij om de A17 en A59. Deze liggen op een afstand van meer dan 970 meter van het plangebied, terwijl de toxische stoffen die over de snelwegen worden vervoerd een invloedgebied hebben van 880 meter. Gezien de afstand is er geen sprake van externe veiligheidsrisico's op de ontwikkelingen in het plangebied wat betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen. Derhalve is op basis van artikel 7 van het Bevt geen beschrijving van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid noodzakelijk in geval van dit scenario.

Verantwoording Risicovolle inrichtingen Er zijn in de omgeving een aantal tankstations met LPG opslag aanwezig, deze zijn echter op meer dan 150 meter van het plangebied gelegen en hebben derhalve geen invloed op het gebied, een verdere toetsing op dit punt is niet noodzakelijk. Het plangebied is in de nabijheid van industriegebied Moerdijk gelegen. Dit industriegebied biedt ruimte aan risicovolle inrichtingen. Hoewel de afstand tot het gebied aanzienlijk is valt het plangebied wel binnen het toxisch invloedgebied van een aantal bedrijven:    

Afvalstoffen terminal Moerdijk B.V. Shell Nederland chemie B.V. Schutz Benelux B.V. Gondrand traffic B.V.

41

Bij een toxisch scenario komt een wolk met giftige stoffen vrij die zich verspreidt in de omgeving. Deze kan ontstaan als gevolg van: - een brand bij een inrichting met gevaarlijke stoffen - en/of het lek raken van een container/tankwagen met gevaarlijke stoffen. Aanwezigen in het plangebied die worden blootgesteld aan de toxische wolk kunnen gezondheidsschade oplopen wanneer er zich een incident voordoet en de weersomstandigheden nadelig zijn. Om die reden is een beschrijving noodzakelijk van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid in het geval sprake is van een toxisch scenario van deze inrichtingen. Hiertoe wordt verwezen naar de standaard verantwoording en advies van de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant. Standaardadvies en stroomschema Voor de gemeente Moerdijk is door de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant (OMWB) een stroomschema en een kaart opgesteld. De kaart en het schema zijn bedoeld om te bepalen in welke situaties gebruik kan worden gemaakt van het standaard advies en in welke situaties een specifieke verantwoording nodig is. De kaart kent gele, blauwe en grijze zones. Voor de gele en blauwe zones gelden zwaardere verantwoordingen. Het plangebied is in een grijze zone gelegen. Het standaard advies is daarmee van toepassing, dit is in de bijlage van dit plan toegevoegd.

Figuur 6 Uitsnede Risicokaart Noord-Brabant

Zelfredzaamheid De zelfredzaamheid geeft aan in welke mate de aanwezigen in staat zijn om zich op eigen kracht in veiligheid te brengen. Van zelfredzaamheid kan alleen sprake zijn wanneer een dreigende ramp zich tijdig laat aankondigen. Bij het langdurig vrijkomen van toxische stoffen is het raadzaam de gehele populatie uit het effectgebied te evacueren. Bij kleine hoeveelheden toxische stoffen is het raadzaam de populatie te alarmeren, waarbij schuilen en het sluiten van ramen en deuren de voorkeur heeft. Bestrijdbaarheid 42

Voor de beoordeling van de bestrijdbaarheid is de bestrijding en de inrichting van het gebied om de bestrijding te faciliteren door de brandweer belangrijk. Om de gevolgen zoveel mogelijk te beperken is het van belang dat op het moment dat er iets misgaat de hulpverlening niet wordt belemmerd bij de uitvoering van haar taken. Conclusie: Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. Zowel wat betreft vervoer van gevaarlijke stoffen, buisleidingen als risicovolle inrichtingen, spelen er geen knelpunten omtrent externe veiligheid. In het voorliggende plan is de bereikbaarheid van de locatie goed te noemen en zijn er voldoende opstelmogelijkheden voor hulpdiensten. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in initiatieven voor niet- of beperkt zelfredzame personen, ook is het plangebied voldoende goed ontsloten en zal bij het ontwerp van de beoogde woningen het advies van de omgevingsdienst voor wat betreft zelfredzaamheid in acht worden genomen.

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te kunnen voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de VNG, in samenwerking met de (toen nog) Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Aan deze bedrijven wordt een milieucategorie toegekend met een bijbehorende richtafstand. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden opgenomen. Milieucategorie

1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De richtafstanden in de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype, zoals rustig buitengebied. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt kunnen de richtafstanden, blijkens de toelichting op de 43

systematiek, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype “gemengd gebied”. In het voorliggende plan is sprake van omgevingstype “gemengd gebied”. In een gemengd gebied komen naast wonen ook andere functies voor, zoals kleine bedrijven. In het voorliggende geval betreft het een lintbebouwing waarin reeds functiemenging voorkomt door de aanwezigheid van meerdere bedrijven met milieucategorie B1 (op grond van het vigerende bestemmingsplan Noordhoek) in het lint. Kenmerkend voor het omgevingstype gemengd gebied is dat sprake is van een zekere verstoring en dus van een relevant andere omgevingskwaliteit dan in een rustig woongebied. In het voorliggende initiatief is dit het geval. In dit geval kan betekent dit, dat er één stap terug kan worden gegaan in de afstand tot woningen (van 30 meter naar 10 meter). Het plangebied bestaat voornamelijk uit woongebied waar grote en hinderlijke bedrijven niet gewenst zijn, waar met de ontwikkeling van woningen op aan gesloten wordt. Loodsen I en II achter op het perceel zullen gebruikt gaan worden voor lichte bedrijvigheid en/of opslag.

In lijn met de milieubelasting en functionele structuur ter plaatse is enkel opslag en lichte bedrijvigheid die past binnen milieucategorie 1 en 2 toelaatbaar, die bovendien arbeids- en bezoekersextensief is, conform de voor dit plangebied aangepaste Staat van Bedrijfsactiviteiten. Dit zijn bedrijven die direct naast, onder of boven woningen toelaatbaar zijn en zodanig weinig milieubelastend zijn dat de eisen uit het Bouwbesluit voldoende zijn om relevante milieuhinder te voorkomen. Aan de richtafstand van 10 meter voor dit type bedrijven tot de bestaande en beoogde woningen wordt voldaan. Verantwoording Het plan ziet op het omzetten van agrarisch naar een woonbestemming. Dit leidt tot de oprichting van nieuwe gevoelige functies (woningen). Daarnaast voorziet het plan in de herbestemming van twee akkerbouwloodsen naar kleinschalige bedrijvigheid. Onderstaande verbeelding van het komplan Noordhoek laat zien waar de bestaande bedrijvigheid in het dorp gesitueerd is. Aan de Groeneweg zijn diverse bedrijven gesitueerd in de categorie B1. De afstand van de nieuwe woningen tot deze bedrijven bedraagt ten minste 20 meter. Gezien deze afstand en omdat deze bouwkundig van elkaar gescheiden zijn, passen de woningen binnen dit gemengd gebied.

44

Figuur 7 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Noordhoek Ook wat betreft de herbestemming van de twee loodsen als locatie voor lichte bedrijvigheid, en in relatie tot de afstemming met de nieuwe woningen aan de Groeneweg, geldt dat er een minimale afstand van 10 meter in acht genomen wordt tussen deze bedrijvigheid en de nieuwe woningen. Daarmee wordt de herbestemming in dit gemengde gebied aanvaardbaar geacht. Ook ten opzichte van de voormalige bedrijfswoning dient een afstand van 10 meter in acht genomen te worden. Daarom wordt tussen de loods en de woning een strook van tenminste 10 meter als ‘tuin’ bestemd. Voor het bijgebouw met zwembad en sauna wordt een passende gebruiksregeling getroffen dat het gebruik ervan voortgezet kan worden als ondergeschikte functie aan de woonfunctie. In de planologische regeling wordt opgenomen dat het gebruik van het bijgebouw als permanente verblijfsfunctie niet toegestaan is. De afstand tot het hoofdgebouw, de woning zelf, bedraagt 20 meter. Onderzocht is in hoeverre er sprake is van een verkeersaantrekkende werking als gevolg van de bedrijvigheid en in hoeverre dit verenigbaar is met een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen en de bestaande woning. De loodsen I en II achter op het perceel zullen gebruikt gaan worden voor lichte vormen van bedrijvigheid en/of opslag.

Deze loodsen zijn vrij nieuw en bouwkundig in goede staat. Hier wordt bezoekers- en arbeidsextensieve bedrijvigheid in maximaal milieucategorie 2 toegestaan. Hiertoe is de SvB waarnaar in de planregels wordt verwezen, aangepast specifiek voor deze locatie. Dit betekent dat er zeer beperkt sprake is van verkeersaantrekkende werking als gevolg van de bedrijvigheid. Verwezen wordt voorts naar de notitie indirecte hinder dat als bijlage 7 bij deze toelichting is opgenomen. Daaruit volgt dat er geen sprake is van onaanvaardbare indirecte hinder als gevolg van verkeer van en naar de loodsen, waar activiteiten uitsluitend plaats zullen vinden gedurende de dagperiode. Zoals eerder in de toelichting (onderdeel verkeer en parkeren) reeds toegelicht is voor het bepalen van de verkeersbewegingen van en naar de loodsen afgeweken van de kencijfers voor verkeersgeneratie op grond van de CROW publicatie 317. Uitgaande van die publicatie, zou voor de locatie uitgegaan moeten worden van verkeersgeneratie van 43 verkeersbewegingen per dag waarvan 5% vrachtverkeer 45

(2 verkeersbewegingen). In de optiek van initiatiefnemer is – gelet op de voorgenomen invulling – dit onvoldoende representatief. Er zullen minder autobewegingen maar iets meer vrachtwagenbewegingen plaatsvinden. Voor de effecten zijn deze als worst case benadering bepaald op 16 verkeersbewegingen met auto en 16 met zware voertuigen. Geconcludeerd wordt dat voor de oprichting van de bedrijvigheid er geen belemmeringen gelden uit akoestisch oogpunt. Conclusie: In dit bestemmingsplan wordt door de gehanteerde milieuzonering, die in de bestemmingsplanregeling is opgenomen, zorg gedragen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen en worden de bedrijven niet in hun functioneren belemmerd. De effecten van de lichte bedrijvigheid die mogelijk wordt gemaakt, op de (woon-)omgeving zijn zeer beperkt en inpasbaar in een gemengd gebied zoals de Groeneweg. Er is geen sprake van indirecte hinder vanwege verkeer van en naar de bedrijvigheid.

Spuitzones Met name bij het telen van fruit in boomgaarden is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gebruikelijk. Om de middelen op de bomen te brengen wordt gebruik gemaakt van mobiele spuitinrichtingen die via de lucht de middelen op de gewassen brengen. Met het in de lucht brengen van middelen worden deze bloot gesteld aan de wind en daarmee ontstaat het risico dat middelen meer bereiken dan het gewas alleen. Dit proces wordt ‘drift’ genoemd. Gewasbeschermingsmiddelen vormen een potentieel risico voor de gezondheid van omwonenden, om die reden is het bij ruimtelijke ontwikkelingen inmiddels gebruikelijk om spuitzones en middelengebruik mee te nemen in de verantwoording bij planologische besluitvorming zodat het eventuele risico beoordeeld wordt voor gevoelige locaties. Om handvatten te geven aan de wijze waarop initiatiefnemers en gebruikers rekening dienen te houden met het gebruik en de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) een indicatieve afstand van 50 meter als vuistregel in de ruimtelijke ordening geïntroduceerd. In september 2014 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan waarin is overwogen dat de voorgestelde afstand van 50 meter indicatief dient te worden gebruikt en de feitelijke situatie op locatie van groter belang is bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Daarbij dienen eventuele te treffen voorzorgsmaatregelen meegenomen te worden in de afweging. In een klein land als Nederland kunnen veel fruitteelt bedrijven niet uit de voeten met de voorgestelde afstand van 50 meter en is maatwerk noodzakelijk om een goed woon- en leefklimaat te garanderen en de bedrijfsvoering van de bedrijven niet te negatief te beïnvloeden. Gebruikelijk is om bij de beoordeling van situaties te verwijzen naar verschillende onderzoeken uitgevoerd door de Wageningen universiteit. Deze onderzoeken gaan in eerste instantie uit van de gestelde 50 meter veilige afstand en door middel van het toepassen van verschillende maatregelen kan deze veilige afstand worden teruggebracht. Globaal zijn er 3 belangrijke punten waarmee drift kan worden gereduceerd:  

Plaatsen van een ‘windhaag’, een gewas om drift uit de lucht op te vangen Het vergroten van de fysieke afstand tot een boomgaard 46

Het toepassen van drift reducerende spuitmiddelen

In het onderzoeksrapport ”Driftblootstelling voor omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen”, ( Plant Research International, onderdeel van Wageningen UR, maart 2015, rapport 609) zijn de bevindingen uiteengezet die een vergelijk maken tussen verschillende toepassingen. Onderstaande tabel komt uit het genoemde rapport en geeft dit vergelijk.

Figuur 8 Vergelijking drift reducerende maatregelen

Sinds 1 januari 2018 is het op grond van het Activiteitenbesluit verplicht voor ondernemers om drift reducerende maatregelen te nemen wanneer men fruit teelt. Er is een minimale inspanning van 75% drift reductie vastgelegd (DRT75 in bovenstaande figuur). Inmiddels is de techniek dusdanig verbeterd dat bij aanschaf van nieuwe spuitmiddelen 90 tot 95% reductie niet ongebruikelijk is. Dit betekent dat van een aanzienlijk kortere afstand dan 50m uitgegaan kan worden. Aan de noordzijde van het plangebied is een perceel landbouwgrond gelegen. Het betreffende perceel wordt in de huidige situatie ingezet als akkerbouwgrond. Het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ staat op het perceel (met bestemming ‘Agrarische doeleinden’) onder andere toe om boomteelt en fruitteelt te ontwikkelen. In onderstaande figuur is een visualisatie van de nieuwe verbeelding weergegeven. Voor wat betreft de spuitzones zijn uitsluitend de twee nieuwe woonbestemmingen aan de oostzijde van het plangebied en de voormalige bedrijfswoning van belang en beschouwd.

47

Figuur 9 planlocatie met ten noorden van de voormalige bedrijfswoning en de oostelijke woningbouwpercelen het benoemde agrarische perceel

In de feitelijke situatie is er geen sprake van fruitteelt of een vergelijkbare activiteit waarbij gebruik gemaakt wordt van gewasbeschermingsmiddelen. Voor de twee oostelijke woningen geldt dat er sprake is van een afstand van circa 25 meter meter vanaf het agrarisch perceel tot de (tuin van de) nieuwe woonbestemmingen, er is geen windhaag aanwezig en op basis van het Activiteitenbesluit dient een fruitteler minimaal 75% drift te reduceren. Op basis van de tabel in figuur 8 zijn daarom de praktijksituaties 5 en 9 van belang voor het betreffende gedeelte van het plangebied. Een afstand van 30 meter zou derhalve in beginsel als uitgangspunt een passende afstand zijn. Aangezien momenteel geen sprake is van fruitteelt of vergelijkbare activiteit en daarvoor ook geen enkel voornemen bestaat, is aannemelijk dat bij toekomstige omzetting naar fruitteelt uitgegaan mag worden van driftreductie van 90 tot 95%. Gelet daarop is de afstand van 25 meter passend te achten. Voor de voormalige bedrijfswoning geldt dat het bij de woning behorende perceel grenst aan het agrarisch perceel.

In genoemde tuin is echter sprake van afschermende werking vanwege een bijgebouw en vanwege talloze aan de achterzijde en zijkant van het perceel aanwezige bomen (volblad) die functioneren vergelijkbaar met een windhaag en bovendien tot gevolg hebben dat een afstand ontstaat van 8 a 9 meter tot het agrarisch perceel. Als gevolg hiervan is aannemelijk dat de huidige afstand passend is. Dit geheel is gebaseerd op de geheel hypothetische situatie dat het perceel daadwerkelijk voor fruitteelt ingezet zal worden en geschikt is voor dit doel. Tenslotte is van belang dat de afstand tussen de nieuwe woningen en de gronden met agrarische bestemming voldoende mogelijkheden biedt om, in het geval dat de bedrijfsvoering zou omschakelen

48

naar de teelt van gewassen waarbij een spuitzone dient te worden aangehouden, maatregelen te treffen die de spuitzone nog veel verder verkleinen. Het plan vormt derhalve geen enkele belemmering voor die vorm van agrarisch gebruik. Conclusie Het aspect spuitzone biedt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Gelet op de afstand tot de gevoelige bebouwing is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. De gronden in eigendom van initiatiefnemer ten noorden van de rijwoningen zullen in het nieuw vast te stellen bestemmingsplan niet langer meer de mogelijkheid hebben om fruit- en boomteelt mogelijk te maken.

Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten. De voorgeschreven afstanden moeten bij verlening van een (milieu)omgevingsvergunning voor de veehouderij worden toegepast. De Wgv is van toepassing op alle vergunningplichtige activiteiten. Het Activiteitenbesluit (1 januari 2013) is het toetsingskader voor niet vergunningplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningplichtige activiteiten. In dit besluit zijn de bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) als uitgangspunt genomen, zodat voor inrichtingen die onder de werking van dit besluit vallen vrijwel dezelfde regels gelden als voor (omgevings)vergunningplichtige bedrijven. De wet benoemt afstanden tussen bedrijven en geurgevoelige objecten. In de beredenering en toetsing van beiden dient uitgegaan te worden van het uitgangspunt dat een bedrijf in haar ontwikkeling niet (teveel) belemmerd mag worden door een geurgevoelig object en andersom mag een geurgevoelig object niet teveel hinder ervaren van een bedrijf (omgekeerde werking).

Voor het plangebied is het relevant te beoordelen of er sprake is van eventuele overlast van geur afkomstig van de industrie en/of de landbouw. Een bedrijfsloods is niet aangemerkt als een geurgevoelig object, woningen zijn dit wel. Ten aanzien van eventuele geurhinder vanuit de landbouw en industrie zijn de betreffende kaarten van de Atlas van de leefomgeving te raadplegen. Onderstaand is een uitsnede van deze kaarten weergegeven, het plangebied is met een blauwe stip aangeduid. De gegevens op de kaarten zijn afkomstig uit 2013 (landbouw) en 2015 (industrie), recentere gegevens zijn niet bekend. In de regel is de situatie ten opzichte van 2013 en 2015 enkel in positieve zin veranderd, dit maakt de gegevens bruikbaar voor een toetsing.

49

Figuur 17 mogelijke geurhinder plangebied landbouw (bron: Atlas van de leefomgeving)

Figuur 18 Mogelijke geurhinder plangebied industrie (bron: Atlas van de leefomgeving)

De gegevens in bovenstaande figuren zijn gebaseerd op de GES: Gezondheids Effect Screening. Deze score geeft de kans dat mensen desgevraagd ‘ja’ antwoorden op de vraag of er geurhinder wordt ervaren. Op het plangebied geldt voor landbouw een ‘zeer goed’ score, dit wil zeggen dat 0% van de 50

ondervraagden zal aangeven dat zij soms of vaak last hebben van geurhinder. Het plangebied ligt buiten het invloedgebied van industrie, er is geen score bekend op het plangebied. Conclusie: Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied vanuit het aspect geur.

51

7

WATERPARAGRAAF Beleid

Waterwet Op 22 december 2009 trad de Waterwet in werking. De Waterwet heeft gezorgd voor een ingrijpende bundeling van waterwetgeving. Met de inwerkingtreding van deze wet is tevens de Watervergunning van kracht geworden. Een watervergunning van het waterschap als waterbeheerder is nodig voor het gebruikmaken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Provincie Noord-Brabant Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Verordening ruimte Noord-Brabant. In de themakaart ‘water’ van de Verordening ruimte is de locatie niet gelegen binnen speciale zoneringen. Dit geldt ook voor de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Watertoets Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verplicht een watertoets voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen.

De watertoets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het ruimtelijke planvormingsproces om te komen tot een veilig, gezond en duurzaam watersysteem. Zowel kwantiteit als kwaliteit zijn daarbij belangrijk. Het benutten van kansen en het combineren van functies wordt hierbij nagestreefd. Waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het gronden oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Het waterbeheer is gericht op het duurzaam beheren van het watersysteem, waarbij uitgegaan wordt van een watersysteembenadering. In het Waterbeheerplan beschrijft het waterschap de hoofdlijnen van haar beleid uitgewerkt in verschillende thema’s. Waterberging en bescherming van de Natura 2000 – gebieden zijn de belangrijkste prioriteiten die in dit waterbeheerplan genoemd worden. De regels hieromtrent zijn nader uitgewerkt in de Keur van het waterschap. Deze keur is recentelijk vernieuwd en geldt per 1 maart 2015 voor alle Brabantse waterschappen Binnen de Keur is onderhavige locatie niet gelegen binnen bijzondere of beschermde gebieden.

De uitvoering van het beleid is opgesteld in zowel de Beleidsregels behorend bij de Keur 2015 als de Algemene Regels. In respectievelijk artikel 13 en 15 zijn de regels met betrekking tot de afvoer van het hemelwater opgenomen. Hierbij is aangegeven dat er enkel compensatie nodig is zodra sprake is van een toename van afgekoppeld verhard oppervlakte, met meer dan 2.000 m², of er sprake is van een totaal aan afgekoppeld verhard oppervlak van 10.000 m².

52

Tevens dienen voor alle waterhuishoudkundige werken waarvoor op grond van de Keur ontheffing noodzakelijk is, dit aangevraagd te worden bij het Waterschap. De bouw van de woningen dient te gebeuren binnen de kaders van het duurzaam omgaan met water en de beleiduitgangspunten van het waterschap. Hiervoor wordt in paragraaf 7.4 een nadere afweging gemaakt.

Waterhuishoudkundige situatie Bodem en grondwater De hoogte van het maaiveld ligt tussen circa NAP 0,4 m en NAP 0,75 m en de bodem bestaat uit klei. Volgens de Bodemkaart van Nederland is ter plaatse van het plangebied sprake van grondwatertrap VI. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand hier van nature tussen 0,4 m en 0,8 m beneden het maaiveld ligt, terwijl de gemiddeld laagste grondwaterstand meer dan 1,2 m beneden het maaiveld ligt. Oppervlaktewater Het plangebied is gelegen in het peilvak Y11 Bloemendaalsepolder West. Hier bedraagt het zomerpeil NAP -1,35 m en het winterpeil NAP -1,5 m. Aan de Groeneweg ligt een A-watergang die in onderhoud en beheer van het Waterschap is.

Figuur 19 Uitsnede Legger Waterschap Brabantse Delta 53

Riolering Het hemelwater vanaf de verhardingen watert af naar een gemengd rioleringsstelsel, dat zowel afvalwater als hemelwater afvoert naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Beheer en onderhoud Het Waterschap is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en kwantiteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, de aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd en zijn handelingen binnen 5 m uit de insteek van A-wateren alleen toegestaan na een ontheffing van het Waterschap. Ook dienen lozingen op het oppervlaktewater, die afkomstig zijn van een uitbreiding van het verhard oppervlak groter dan of gelijk aan 2.000 m², door het Waterschap vergund te worden.

Beoogde ruimtelijke ontwikkeling Uit een vergelijking van de nieuwe situatie met de bestaande situatie, kan de toe- c.q. afname van de hoeveelheid verhard oppervlak berekend worden. Door de sloop van de schuren en erfverharding vindt er een aanzienlijke reductie van verhard oppervlak plaats. Er wordt ruim 1500 m2 aan verhard oppervlak verwijderd. De bouw van nieuwe woningen leidt ook tot een toename van de hoeveelheid dakoppervlak en verharding (oppervlak woning, bijgebouw, erf). Uitgaande van maximaal 14 woningen en per woning gemiddeld 200 m2 oppervlakteverharding betekent dit een toename van 3.000 m2. Er verdwijnt door sloop 1500 m2. Per saldo neemt het verhard oppervlak derhalve toe met circa 1500 m² ten opzichte van de huidige situatie.

Afweging met betrekking tot wateraspecten Scheiding van vuil water en schoon hemelwater De locatie is aangesloten op het gemengd rioleringstelsel. Hierop wordt het huishoudelijke afvalwater geloosd. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding en kolkjes geloosd op omliggende perceelsloten en gronden. Daarmee wordt het vuile water en het schone hemelwater gescheiden. Bij nieuwbouw geldt de verplichting om het schone hemelwater van de verharde oppervlaktes op eigen terrein te infiltreren/bergen. Hieraan zal invulling gegeven worden bij de uitwerking van de plannen. Afweging hergebruik-infiltratie-berging-afvoer Hergebruik van schoon hemelwater in de woonomgeving is beperkt mogelijk in de vorm van opvang van regenwater voor bijvoorbeeld het sproeien van de tuin. In de huidige situatie wordt het hemelwater via oppervlakkige afvloeiing afgevoerd naar de omliggende sloten. Voor de nieuwe woningen zal een oplossing gezocht worden in de vorm van (beperkt) hergebruik en bovengrondse infiltratie door oppervlakkige afvloeiing.

54

Hydrologisch neutraal ontwikkelen De drie Brabantse waterschappen (Aa & Maas; De Dommel; Brabantse Delta) hebben sinds 1 maart 2015 dezelfde beleidsuitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij toename van verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat de plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal uitgevoerd moeten worden wat betekent dat voorkomen moet worden dat als gevolg van de uitbreiding versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op het oppervlaktewater eist de nieuwe Keur een vervangende berging (compensatie) die de extra afvoer neutraliseert. Volgens artikel 3.6 van de Keur is het verboden om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak tot afvoer naar oppervlakte waterlichaam te laten komen. Volgens de algemene regels van de Keur 2015 kan hiervoor vrijstelling verleend worden indien de toename van het verhard oppervlak minder dan 2000 m2 bedraagt. Indien het verhard oppervlak toeneemt met meer dan 2000 m2 maar minder dan 10.000 m2 kan hiervoor vrijstelling verleend worden indien er compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Bij een toename van meer dan 10.000 m2 verhard oppervlak zal maatwerk geleverd moeten worden.

Aangezien er sprake is van toename van verhard oppervlak met minder dan 2000 m2 worden er geen eisen gesteld aan retentie en is er sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Wel is van belang dat het regenwater dat op de nieuwe woningen valt, goed wordt opgevangen en niet wordt afgevoerd op het riool. De afvoer van regenwater verloopt via oppervlakkige afvloeiing naar de eigen tuin en naar de perceelsranden. In geval van zeer extreme situaties zal dan de eigen tuin onderlopen en afvloeien naar de naastgelegen onbebouwde agrarische gronden. Daarmee ontstaat er geen overlast voor derden. Voorkomen van vervuiling Verder is van belang dat bij de uiteindelijke uitvoering van de bouwplannen aandacht besteed zal worden aan het materiaalgebruik. Dit ter bescherming van de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Daarom zal zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van bouwmaterialen die niet uitlogen of uitspoelen. Wateroverlastvrij bestemmen Gezien de situering van het perceel en de grondwaterstanden valt het plangebied niet in een mogelijk overstromingsgebied. Wateroverlast is dan ook niet aannemelijk. Waterschapsbelangen Het plangebied is gelegen aan de A-watergang aan de Groeneweg. Bij deze watergang hoort een beschermingszone van 5 meter voor beheer en onderhoud.

Deze zone zal gerespecteerd worden en in het bestemmingsplan overgenomen worden voor zover deze watergang niet gedempt wordt. Verder is van belang de ontsluiting van de nieuwe woonpercelen. Hiervoor dient de A-watergang gekruist te worden. Het voornemen is om de A-watergang te dempen. Uit vooroverleg met het Waterschap volgt dat het Waterschap met een watervergunning toestemming zal verlenen voor het dempen van de watergang onder de voorwaarde dat de waterhuishouding ter plaatse wordt geborgd in de vorm van een alternatieve hemelwaterafvoer van de aanliggende woningen. Het beheer van deze alternatieve hemelwaterafvoer ligt bij de initiatiefnemer.

55

Overleg Waterschap Met het plan voor de sloop van de schuren en de bouw van de woningen kan voldaan worden aan de uitgangspunten van het Waterschap voor duurzaam omgaan met water. De waterparagraaf is in het kader van het vooroverleg voor advies en ter beoordeling voorgelegd aan het Waterschap.

56

8

UITVOERBAARHEID Maatschappelijke uitvoerbaarheid en procedure

Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in een bouwtitel voor maximaal 14 grondgebonden woningen in verschillende prijsklassen, de beëindiging van de agrarische functie, de herbestemming van agrarische bedrijfsbebouwing in lichte bedrijvigheid passend in gemengd gebied. De woningen worden op een gepaste wijze toegevoegd aan de bestaande stedenbouwkundige structuur van Noordhoek. Tevens wordt de ontwikkeling passend geacht binnen de actuele beleidskaders van het rijk, de provincie en gemeente en is passend in het gebiedsplan voor de kern Noordhoek. Daarnaast is er reeds vanaf het allereerste begin van het project contact gelegd met de omwonenden over deze ontwikkeling. Tijdens een tweede informatieavond (voor alle belangstellenden waaronder omwonenden), waarbij het stedenbouwkundig plan werd toegelicht, bleek dat er een acceptatie was voor de plannen. Daarmee wordt verondersteld dat er voldoende draagvlak is. Bovendien is in de bestemmingsplanprocedure de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen. In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Bro is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan diverse overlegpartijen en is het, conform de gemeentelijke inspraakverordening, voor inspraak vrijgegeven. Tevens heeft in deze periode een digitale informatiebijeenkomst plaatsgevonden voor geïnteresseerden.

De ontvangen vooroverleg- en inspraakreacties zijn samengevat en beantwoord in de Nota Inspraak en Overleg, welke als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Na afronding van het vooroverleg en de inspraakprocedure is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de Nota van Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen. Deze nota is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Naar aanleiding van de zienswijzen zijn wel/geen wijzigingen in het bestemmingsplan opgenomen. PM Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot vergunningverlening kan worden overgegaan.

Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Onderhavig plan zal geheel in particuliere handen uitgevoerd worden. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden. Op grond van artikel 6.12 Wro is de gemeente verplicht een exploitatieplan vast te stellen bij bouwplannen, zoals aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op grond van artikel 6.12, lid 2 Wro kan de gemeente besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. 57

Hiervan is sprake als tussen gemeente en de initiatiefnemer een zogenaamde anterieure overeenkomst inzake de grondexploitatie wordt gesloten. Ten behoeve van onderhavig plan is tussen gemeente en initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn bepalingen over onder meer de grondexploitatie en de plankosten opgenomen. Tevens is tussen gemeente en initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten.

Conclusie Er is sprake van een zowel maatschappelijk als financieel/economisch uitvoerbaar plan.

58

9

JURIDISCHE TOELICHTING Uitgangspunten

Het bestemmingsplan kan, afhankelijk van het gevoerde beleid van de gemeente een meer of minder globaal karakter dragen. Met voorliggend bestemmingsplan wordt een planologisch-juridische regeling gegeven voor de beoogde ontwikkeling van het plangebied. Daarbij is aangesloten op de regeling in het vigerende bestemmingsplan Noordhoek. De planregels sluiten verder aan bij de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregel.

Toekende bestemmingen Aan het plangebied worden de volgende bestemmingen toegekend: Agrarisch Bedrijf Groen Tuin Verkeer en verblijf Wonen. En verder de dubbelbestemmingen: Waarde-Archeologisch beleidsadviesgebied 5; Waarde-Archeologisch beleidsadviesgebied 6. Agrarisch De bestemming Agrarisch betreft een klein perceelgedeelte waar het agrarisch bouwvlak op gesitueerd was. Door dit perceelgedeelte te bestemmen als Agrarisch zonder bouwmogelijkheden, komt het bouwvlak uit het huidige bestemmingsplan te vervallen. Binnen deze bestemming is boom- of fruitteelt uitgesloten. Bedrijf De bestemming Bedrijf betreft het gedeelte rond de twee loodsen waar vormen van kleinschalige bedrijvigheid en opslag mogelijk is. Binnen de bestemming Bedrijf zijn zowel bedrijven toegestaan, alsmede groen, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen. Bedrijven zijn toegestaan voor zover deze behoren tot de milieucategorieën 1 en 2 als bedoeld in de als bijlage 1 bij de regels gevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten. Ook bedrijfsactiviteiten die vergelijkbaar zijn met aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn toegestaan met een maximum van 60 m2. De zonering is op de verbeelding aangegeven door middel van de functieaanduiding 'specifieke vorm bedrijf - 2'.

Bebouwing ten dienste van de bestemming mag alleen worden gerealiseerd binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Op de verbeelding en in de regels zijn de maximale hoogtematen van de bebouwing aangegeven. 59

Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels om bedrijfsactiviteiten toe te staan die genoemd worden in één categorie hoger dan algemeen toelaatbaar is en voor bedrijven die niet genoemd worden in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, op voorwaarde dat deze bedrijfsactiviteiten (als gevolg van de geringe omvang van hinderlijke (deel)activiteiten of door een milieuvriendelijke werkwijze) naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met de bedrijfsactiviteiten genoemd in de lagere algemeen toegelaten milieucategorieën. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is in de regeling geïmplementeerd door middel van het uitsluiten van risicovolle inrichtingen. In de begrippen is het begrip 'risicovolle inrichtingen' verklaard. Daarnaast zijn geluidhinderlijke inrichtingen eveneens niet toegestaan. Groen De bestemming Groen betreft de inpassing tussen het bedrijf en de nieuwe woningen en het gedeelte tussen de oostelijke woningen en de agrarische percelen, dat dient als buffer. Door het opnemen van een bestemming Groen wordt deze inpassing planologisch geborgd. Tuin De voor Tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor de voortuinen of zijtuinen bij de woningen. Hier zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.

Daarnaast is er een bouwregeling opgenomen om beperkt mogelijkheid te bieden aan erkers, luifels en balkons en andere ondergeschikte bouwdelen ten behoeve van de bij de aangrenzende bestemming Wonen behorende hoofdgebouwen. Verkeer en verblijf Deze bestemming betreft de ontsluitingsweg van het bedrijf aan de Groeneweg. Hiermee wordt beoogd dat deze weg ook als toegangsweg/parkeervoorziening voor de nieuwe woningen kan fungeren, afhankelijk van de uitwerking van het plan. Deze bestemming betreft tevens de weg ter ontsluiting van de parkeerplaatsen aan de achterzijde van de nieuwe woningen in het westelijk deel van de locatie. Tussen de nieuwbouwwoningen en de ten westen daarvan gelegen bestaande woning is voorzien in een ontsluiting voor langzaam verkeer en een calamiteitenroute. Deze weg is uitdrukkelijk niet bedoeld

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=b983ae15-348f-4757-a79d-0ab912be330b