Molendijk 2 Standdaarbuiten_TOELICHTING
Tekst van het document
Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota's en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten. 4.1.2
Effect te vergunnen activiteiten
Er is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. In het onderstaane worden de resultaten van deze quickscan weergegeven. Het complete rapport is bijgevoegd. 4.1.2.1 Beschermde gebieden De locatie ligt niet in een Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde gebied ligt op 7,7 kilometer afstand. De gewenste ontwikkeling heeft hier geen effect op. Het plangebied grenst direct aan het Natuurnetwerk Brabant (NNB) rivier De Mark. Het NNB-gebied grenzend aan het plangebied betreft het beheertype N03.01: “ Beek en bron" en
33
bestaat in de huidige situatie uit het open water van de Mark. Het terrein is met name van belang voor kleine grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vissen, amfibieën en broedvogels. Rondom het plangebied zijn geen nesten aangetroffen die door verstoringsgevoelige vogelsoorten zoals roofvogels en uilen gebruik kunnen worden. Gelet op de huidige situatie heeft het direct rondom het plangebied gelegen NNB-gebied voor de soortgroepen vissen een grote waarde als migratieroute. Voor de kwalificerende soortgroepen libellen en planten heeft het gebied een matige waarde. Het NNB ligt aan de monding van de beek en mist het typische habitat voor voor onder andere kwalificerende fonteinkruiden, kroossoorten en soorten waterweegbree. Het NNB zal met voortzetting van de huidigesituatie de kwalificerende natuurwaarden niet bereiken. Met inbegrip van bovenstaande, gelet op de huidige situatie, de aanwezige natuurwaarden en de ecologische potenties voor het gebied afgezet tegenover de geplande ontwikkelingen en toekomstig gebruik, treden er geen significante negatieve effecten op de wezenlijke waarden, kenmerken en natuurwaarden van het omringende NNB op. 4.1.2.2 Beschermde soorten Op 6 maart 2019 heeft er verkennend veldonderzoek plaatsgevonden. Het complete plangebied is onderzocht en daarnaast is de Nationale Databank flora en Fauna geraadpleegd.
Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied is ongeschikt voor vogels met jaarrond beschermde nesten. Grenzend aan het plangebied zijn op circa 10 meter afstand chalets aanwezig waar potentieel vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus aanwezig kunnen zijn. Negatieve effecten zijn op basis van de werkzaamheden op voorhand uitgesloten, omdat de werkzaamheden een uitbreiding van de bestaande camping betreffen in westelijke richting. Eventueel aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus of functioneel leefgebied wordt niet aangetast of verstoord. Aanvullend onderzoek en het aanvragen van een ontheffing op basis de Wet natuurbescherming is niet nodig. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten Vogels met niet jaarrond beschermde nesten zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze vogels zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht in of in de directe omgeving van het plangebied. Aanvullend onderzoek is niet nodig.
Algemene vogels Het plangebied en directe omgeving is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels. Nesten van algemene vogels vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van de wet. Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn onder andere te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door onder andere buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien het plangebied regelmatig wordt gecontroleerd op bezette nesten van vogels en deze afwezig zijn. De werkzaamheden dienen dan uitgevoerd te worden op aanwijzing van een ecologisch deskundige. Soorten habitatrichtlijn De aangrenzende rivier de Mark is geschikt als essentiële vliegroute voor met name watervleermuis en meervleermuis. De directe opening van circa 10 meter breed die in de oever wordt gemaakt heeft geen effect op een eventueel aanwezige vliegroute. Het overig deel van de oever aan het plangebied blijft onaangetast. De plaatsing van chalets staat gepland op een minimale afstand van 20 meter tot de oever. Verlichting zal enkel aanwezig zijn in de vorm van lage verlichting (maximaal 1 meter hoogte) met gedimd licht.
Directe beschijning op de oever of het water van de Mark zal niet aanwezig zijn. Negatieve effecten zijn uitgesloten, aanvullend onderzoek is niet nodig. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming is niet nodig.
34
Nationaal beschermde soorten Het plangebied is potentieel geschikt als functioneel leefgebied voor bunzing, wezel, steenmarter en hermelijn. De werkzaamheden hebben geen effect op de functionaliteit van het gebied voor deze soorten. Het maken van de open doorgang naar de Mark zorgt niet voor het onderbreken van een migratieroute of foerageerroute, beide soorten kunnen dit makkelijk over steken. Daarnaast betreft de toekomstige inrichting een watergang met sterk begroeide oevers waardoor geen sprake is van een barrière door niet natuurlijke elementen. De inrichting van het campingterrein met voorzieningen in de vorm van chalets of stacaravans vindt plaats op een minimale afstand van 20 meter tot de rietoever. In de huidige situatie zijn op de huidige camping op kleinere afstand voorzieningen aanwezig waardoor van significante verstoring geen sprake is. Het plangebied is ongeschikt voor andere soorten waarvoor in Noord-Brabant geen vrijstelling geldt, geschikt habitat ontbreekt. Incidenteel passerende exemplaren van Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling geldt als egel, (spits)muizen en gewone pad zijn niet uitgesloten. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect zoveel mogelijk dient te worden voorkomen.
Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij onverhoopt toch aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. 4.1.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de flora- en faunaregelgeving geen beperkingen worden opgelegd aan onderhavig initiatief.
4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Wettelijk kader
De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. 4.2.2
Resultaten onderzoek
Voorliggend initiatief voorziet in een uitbreiding van een camping. Percelen met een agrarische bestemming krijgen een natuur- of een recreatieve bestemming. Er dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit in overeenstemming is met de nieuwe (gevoelige) functie. Uit de resultaten van het verkennend onderzoek blijkt het volgende: Zintuiglijk zijn geen bijzonderheden waargenomen, ook niet in het dempingsmateriaal. In de boven- en ondergrond, alsmede in de ondergrond ter plaatse van de demping, is geen van de geanalyseerde parameters is aangetroffen in een gehalte boven de Achtergrondwaarde. In het grondwater zijn (zeer) licht verhoogde concentraties barium en naftaleen gemeten. Geen van de overige geanalyseerde parameters is aangetroffen in een gehalte boven de streefwaarde. Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘grootschalig onverdacht’ kan worden geaccepteerd. De aangetoonde lichte verontreinigingen in het grondwater zijn niet verontrustend en geven geen aanleiding tot nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische bodemkwaliteit is afdoende bekend. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat de grond schoon is, zowel ter plaatse van de voormalige loop van De Mark als ter plaatse van het overige terrein. Uit het onderzoek blijkt dat alleen in het grondwater (van nature) licht verhoogde gehalten aan barium zijn aangetroffen. De resultaten geven geen
35
belemmering voor de functiewijziging en de grond- en bouwwerkzaamheden. De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen planwijziging. De milieuhygiënische bodemkwaliteit speelt een rol bij grondverzet. Voor de grond geldt dat dit mag worden hergebruikt op het perceel. Indien de grond verplaatst wordt naar een locatie elders, moet dit worden gemeld bij het Meldpunt bodemkwaliteit (https://meldpuntbodemkwaliteit.agentschapnl.nl) en gelden samenstellingseisen met betrekking tot verschillende mogelijkheden voor hergebruik conform het Besluit bodemkwaliteit en de regionale Nota Bodembeheer. Wanneer verplaatsing van de grond niet mogelijk is, wordt aanbevolen de grond af te voeren naar een grondbank of een erkend verwerker (eventueel) op basis van een indicatieve kwaliteitsbepaling van de grond. 4.2.3
Conclusie
Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek blijkt er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen zijn voor onderhavig initiatief.
4.3
Niet-gesprongen Explosieven
De loop van de rivier “de Mark” op de onderzoekslocatie is eind jaren zestig verlegd. Daarnaast is de locatie minimaal 2 meter opgehoogd. Hiervan wordt nu weer een gedeelte van het opgehoogde terrein glooiend tot 2,25 meter verlaagd. Dit betekent dat het terrein zal aflopen tot maximaal 0,25 meter en dit is conform het aangegeven ontgravingsprofiel in de historische ondergrond. Er is onderzoek gedaan naar niet-gesprongen explosieven Uit het onderzoek, uitgevoerd door Bombs Aways, blijkt dat er geen artillerie-inslagen hebben plaatsgevonden in het plangebied. Ook blijkt uit dit onderzoek dat er geen blindgangers op dit terrein zijn gesignaleerd. Op grond van het voorgaande is verdere opsporing en een opsporingsplan niet noodzakelijk (bijlage 6 en 7). Als tijdens het graven toch een explosief gevonden wordt, moet de gebruikelijk procedure van vinden, aangifte en opruimen gevolgd worden. Dat houdt in dat een melding bij de gemeente gedaan moet worden als een explosief gevonden wordt. Aan de hand van de vondst wordt dan bepaald wat de verdere procedure is.
4.4
Cultuurhistorie en archeologie
4.4.1
Wettelijk kader
Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In het Bro is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld. Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 4.4.2
Cultuurhistorie
In het plangebied staan geen gebouwen met een aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalend of karakteristiek in het geldende bestemmingsplan. Ook worden de omgeving en het landschap niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. Molendijk 7 is een rijksmonument. Dit monument ligt ten noordoosten van het plangebied. De uitbreiding van de camping heeft hier geen invloed op. Geconcludeerd kan worden dat met de gewenste ontwikkeling geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren.
36
4.4.3
Archeologie
Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Voorts zijn op basis van deze wet mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. De gronden ter plaatse van de gewenste ontwikkeling zijn volgens het bestemmingsplan 'Buitengebied' verwachtingsgebied voor archeologische vondsten (waarde - archeologie 6). Gronden met deze bestemming zijn mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische (verwachtings)waarden. Alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, moet door de aanvrager een archeologisch onderzoeksrapport worden overlegd waarin is aangetoond dat: a. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden gewaarborgd, of; b. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad of vernield, of; c. in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. Hiervoor geldt een vrijstelling wanneer de bodem niet dieper dan 50 centimeter geroerd wordt en het oppervlak kleiner is dan 250m2.
Dit geldt niet voor het verrichten van werkzaamheden zoals het aanleggen van beplanting, het verwijderen of planten van bomen of aanbrengen van diepwortelende beplanting. De poel die in het plangebied wordt gerealiseerd wordt naar verwachting 1,5 meter diep. Dit is het enige deel van het plangebied waar de grond geroerd zal worden. De grond die hierbij vrij komt, wordt gebruikt voor het ophogen van de grond onder de te realiseren stacaravans en chalets. De grond die overblijft moet worden afgevoerd. Er is in december 2019 een archeologisch bureau onderzoek, inventariserend veldonderzoek en verkennend boor onderzoek uitgevoerd door Synthegra B.V.(bijlage 8). Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen herinrichting van het plangebied zoals omschreven in het bestemmingsplan/ de vergunningsaanvraag geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd. Echter voor eventuele toekomstige onderzoeken die reiken tot in het pakket pleistoceen dekzand (pakket 4) of die dat pakket benaderen, geldt wel een advies voor een vervolgonderzoek. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Als er tijdens de werkzaamheden een (mogelijke) archeologische vondst wordt gedaan dan geldt de wettelijke meldingsplicht, zoals omschreven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de minister.
Uit praktisch oogpunt kan een dergelijke toevalsvondst bij de gemeente worden gemeld. 4.4.4
Conclusie
Met de gewenste ontwikkeling worden cultuurhistorische panden of structuren niet aangetast. Voorts blijkt uit het uitgevoerde archeologisch onderzoek dat de gronden kunnen worden vrij gegeven. Er zijn dan geen belemmeringen vanuit cultuurhistorie en archeologie voor onderhavig initiatief.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Wettelijk kader
Wet milieubeheer Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). In de Wet milieubeheer zijn
37
onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Omdat titel 5.2 van de Wm ingaat op de luchtkwaliteit, staat dit ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Hierin wordt gesteld dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: de plannen leiden niet tot het overschrijden van een grenswaarde; de luchtkwaliteit verbetert tengevolge van de plannen (per saldo) of blijft ten minste gelijk; de plannen dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 en/of PM10).
NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. De AMvB en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als NIBM moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.
Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.5.2
Beoordeling
De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk.
38
NIBMtool ten behoeve uitbreiding Camping Markdal
Grenswaarden en advieswaarden NO2, PM10 en PM2,5 Vanuit de wet milieubeheer gelden de volgende grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5):
Grenswaarde jaargemiddelde concentratie
NO2
PM10
PM2,5
40 µg/m3
40 µg/m3
25 µg/m3 20 µg/m3 (vanaf 2020)
Wettelijke grenswaarden Wm Met de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In de navolgende uitsnede van de kaart zijn de gemiddelde concentraties van het peiljaar 2017 weergegeven. Hieruit blijkt dat de NO2 concentratie het jaargemiddelde van 40 µg/m3 niet overschrijd, dat de PM10 concentratie het jaargemiddelde van 40 µg/m3 niet overschrijd en dat de PM2,5 concentratie het jaargemiddelde van 25 µg/m3 ook niet overschrijd. Deze meetpunten zijn ter plekke van de snelweg, waardoor aangenomen kan worden dat in het plangebied de jaargemiddelde concentraties wellicht nog lager zijn. Er wordt dan ook ruim voldaan aan de luchtkwaliteitsnormen ter plekke van de uitbreiding van de camping.
39
Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5 (bron: NSL-monitoringstool) 4.5.3
Conclusie
Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project en er wordt ter plekke van de nieuwe woningen ruim voldaan aan de luchtkwaliteitseisen. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven.
4.6
Parkeren en verkeer
4.6.1
Parkeren
De gemeente Moerdijk heeft een parkeernota. Deze is vastgesteld in augustus 2015. In deze nota wordt uitgegaan van de parkeerkencijfers van het CROW. De stedelijkheidsgraad van een gebied zegt iets over de bebouwingsdichtheid en de aanwezigheid van voorzieningen in de nabijheid. Naar mate de stedelijkheid toeneemt zijn de afstanden tot voorzieningen kleiner en kunnen meer functies lopend, met de fiets of met het openbaar vervoer goed bereikt worden. Hierdoor daalt in het algemeen het autobezit en daarmee de vraag naar parkeerruimte. Standdaarbuiten is aangemerkt als niet stedelijk. De gemeente Moerdijk kiest ervoor om twee gebieden te onderscheiden; Zevenbergen en overig gebied. Dit sluit aan bij de stedelijkheidsgraad van de verschillende kernen. In overige gebied wordt geen onderscheid gemaakt naar binnen of buiten de bebouwde kom. Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom. Buiten de bebouwde kom dient de parkeervraag geheel op eigen terrein te worden opgelost. CROW maakt onderscheid in vier stedelijke zones: centrum, schil centrum, rest bebouwde kom en buitengebied. Gegeven het landelijke karakter van de kernen is ervoor gekozen om geen zones te onderscheiden. De parkeernormen van Moerdijk zijn gebaseerd op de CROW-parkeerkencijfers uit de stedelijke zone rest bebouwde kom.
In de parkeernota zijn alleen voor de veel voorkomende en voor Moerdijk specifieke functies zijn parkeernormen geformuleerd. Voor de overige functies worden de gemiddelde CROW-parkeerkencijfers als uitgangspunt gehanteerd. In onderstaande tabel staan de parkeernormen voor een camping.
40
Parkeernormen gemeente Moerdijk voor overige voorzieningen (bron: gemeente Moerdijk) Er wordt uitgegaan van een parkeernorm van 1,2 parkeerplaats per standplaats. Er worden in totaal tussen de 20 en 30 nieuwe standplaatsen gerealiseerd. Dat betekent dat er voor de uitbreiding van de camping minimaal 24 en maximaal 36 nieuwe parkeerplaatsen moeten worden aangelegd. Er worden in totaal 36 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd. Naast de nieuw te realiseren parkeerplaatsen blijven de bestaande parkeerplaatsen behouden. Er wordt voldaan aan de parkeernorm.
Plattegrond uitbreiding camping met hierop aangeduid de ligging van de nieuwe parkeerplaatsen (bron: initiatiefnemer)
41
4.6.2
Verkeer
Het plangebied wordt ontsloten via de Molendijk. Dit is een 60 km/u weg die het plangebied via een rotonde op de Markweg ontsluit met de kern Standdaarbuiten. De andere kant op komt de Molendijk (later Markdijk) uit in Zevenbergen. In de Visie buitengebied Moerdijk is de Molendijk bestempeld als een erftoegangsweg I. De erftoegangswegen type 1 hebben een ontsluitende functie richting de gebiedsontsluitingswegen en op deze wegen is enige toename van het verkeer nog goed te verwerken, aldus de visie Buitengebied. De verkeersgeneratie kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. In de huidige situatie heeft het perceel waar de uitbreiding plaatsvindt een agrarische bestemming. Het CROW heeft hier geen kengetallen voor opgenomen. Voor de uitbreiding van de camping is de verwachte verkeersgeneratie 0,4 mvt/etmaal per standplaats (rest bebouwde kom, niet stedelijk gebied). Dat betekent een toename van minimaal 8 en maximaal 12 mvt/etmaal. De verkeersgeneratie neemt met onderhavig initiatief naar verwachting toe met maximaal 12 mvt/etmaal. Dit is een zeer beperkte toename, wat een gering en verantwoord effect zal hebben op de omliggende onsluitingswegen. 4.6.3
Conclusie
Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. Parkeren wordt op eigen terrein opgelost en de verkeersgeneratie neemt slechts zeer beperkt toe.
4.7
Geluidhinder
4.7.1
Wettelijk kader
Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. 4.7.2
Onderzoek / beoordeling
Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein. Binnen deze zone mogen geen nieuwe woningen of andere geluidgevoelige functies worden gebouwd. Hier is in voorliggend plan geen sprake van. Het plangebied ligt binnen de geluidszone van de Molendijk. De locatie ligt niet binnen een geluidszone van een spoorweg. Een camping is geen gevoelige functies in het kader van de Wet geluidhinder. Akoestisch onderzoek
42
naar de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer is niet noodzakelijk. 4.7.3
Conclusie
Er wordt geen gevoelige functie toegevoegd in het kader van de Wet geluidhinder. Akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
4.8.1
Wettelijk kader
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. Een camping wordt als een gevoelige functie beschouwd, omdat er gedurende langere tijd mensen veblijven.
De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'. Milieucategorie
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
43
6
1.500 m
1.000 m
Richtafstanden en omgevingstype Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. 4.8.2
Onderzoek / beoordeling
Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. In voorliggend plan wordt de uibreiding van een camping (verblijsrecreatie) mogelijk gemaakt. Het betreft ee gevoelig functie, omdat er gedurende langere tijd mensen op het terrein verblijven. Er worden geen woningen toegevoegd en permanente bewoning van de kampeermiddelen is niet toegestaan. De omgeving van het plangebied kan gekarakteriseerd worden als rustig (gemengd) buitengebied. Het plan voorziet in een uitbreiding bij een bestaand kampeerterrein. Voor deze functie geldt een grootste afstand van 50 (30) meter voor het aspect geluid. Aan de overzijde van het water is een bedrijventerrein gelegen (op een afstand van ruim 60 meter). Op dit bedrijventerrein zijn bedrijven toegestaan die behoren tot en met categorie 4.2. Hiervoor geldt een richtafstand van 300 meter (200). Hieronder wordt per bedrijf op het bedrijventerrein aangegeven wat de werkelijke richtafstand is: Hunter Douglas Europe B.V.: Dit bedrijf is actief in het vervaardigen van raambekleding en bouwproducten.
De bedrijfsactiviteiten kunnen worden toebedeeld in categorie 3.1 (SBI-2008 code 222) - productie van verpakkingsmateriaal en assemblage van kunststof bouwmaterialen. De activiteiten vinden plaats in een afgesloten ruimte. Geluid geldt als de maatgevende richtafstand van maximaal 50 meter. Hier wordt aan voldaan. Holcim Betonmortel B.V.: Dit bedrijf is actief in het vervaardigen van producten van beton (vezel)cement en gips (SBI-2008 code 2365, 2369). Dit valt onder milieucategorie 4.2. De grootste richtafstand heeft betrekking op geluid, de richtafstand bedraagt 100 meter. De loods waar de producten worden vervaardigd is gelegen op zo'n 300 meter van de uitbreiding van de camping. Dichterbij vindt de opslag van producten plaats. Mammoet Road Cargo B.V.: Op zo'n 260 meter van de nieuwe camping is het transportbedrijf gelegen. De activiteiten zijn in te delen in categorie 3.2 (SBI-2008 code 494) 'Goederenwegvervoerbedrijven > 1.000 m2. Hiervoor geldt een richtafstand van 100 meter, hier wordt aan voldaan. De overige bedrijven zijn op grotere afstand gelegen waardoor er geen sprake is van een overschrijding van de richtafstand. De uitbreiding van de camping ligt voorts op meer dan 50 meter van omliggende woningen. De uitbreiding vormt daarmee geen belemmering voor omliggende bedrijven of woningen. Omgekeerd wordt de camping ook niet beperkt door omliggende woningen en bedrijven.
4.8.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt ontwikkeling van de camping niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
44
4.9
Externe veiligheid
4.9.1
Wettelijk kader
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.
De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht.
Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
45
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.
Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 4.9.2
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid op het gebied van externe veiligheid is vastgelegd in het Actieprogramma Integrale Veiligheid 2016-2019 ("Samen in actie voor een veiliger Moerdijk") en in bijbehorende Uitvoeringsprogramma integrale veiligheid 2016-2019. De belangrijkste gemeentelijke ambitie in het Actieprogramma is om de komende vier jaar de criminaliteit en overlast in de verschillende kernen tegen te gaan en het veiligheidsgevoel van de inwoners te versterken. Daarnaast worden extra slagen gemaakt op het gebied van fysieke veiligheid en wordt over de gehele linie de regierol en positie in het veiligheidsnetwerk versterkt. De veiligheidsambities zijn uitgewerkt naar vier focusgebieden: opschalen in regie en netwerkpositie een veilige buurt voor iedereen externe veiligheid: naar een beter evenwicht georganiseerde criminaliteit stevig aanpakken De derde ambitie is voor de externe veiligheid vooral van belang. Gestreefd wordt naar een verdere verbetering van de balans tussen de economische belangen en de veiligheid van de inwoners. De risico’s voor burgers, die het gevolg kunnen zijn van economische activiteiten, moeten tot een minimum worden beperkt. Een veilige woon- en leefomgeving is het uitgangspunt. De maatregelen die nodig zijn om deze ambitie waar te maken, zijn velerlei.
Ze richten zich op de risico veroorzakende bedrijven en transportmodaliteiten (risicobronnen), op het ruimtegebruik binnen de risicocontouren: Nieuwe risico’s zijn alleen toelaatbaar in de gebieden die daarvoor geschikt zijn en waar bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid op orde zijn. Deze ruimte reserveren we op het zeehaven- en
46
industrieterrein (m.n. binnen het chemiecluster). In andere gebieden zijn nieuwe risico’s alleen nog mogelijk onder zwaarwegende restricties. Bestaande risico’s hebben rechten en die zullen we zoveel mogelijk beschermen. Dat betekent dat er binnen deze contouren ruimtelijke beperkingen gelden. Uitbreiding van bestaande risico’s is alleen mogelijk onder zwaarwegende restricties. In de gevallen dat er sprake is van een toename van risico’s, baseert het gemeentebestuur (afhankelijk van de procedure het college van B&W of de gemeenteraad) haar besluit op een bestuurlijke verantwoording. Daarin worden de risico’s afgewogen ten opzichte van de maatschappelijk economische belangen van de ontwikkeling en de mate van bestrijdbaarheid/zelfredzaamheid in het gebied. Veiligheid blijft maatwerk. Rondom en langs risicobronnen wordt gewerkt met risicozones waarin beperkingen gelden voor het ruimtelijk gebruik. Extra investeringen vinden plaats in veiligheidsvoorzieningen in gebieden waar de risico’s hoger zijn. Het Actieprogramma geeft ook beleidslijnen weer voor externe veiligheid in de ruimtelijke ordening. Deze zijn onderstaand weergegeven.
bron: Actieprogramma integrale veiligheid 2016-2019 gemeente Moerdijk Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water en door buisleidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. 4.9.3
Onderzoek / beoordeling
Een camping betreft kwetsbare objecten, waardoor de gewenste ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
47
Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: www.risicokaart.nl) Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour. De Rijksweg A17 ligt op ruim 500 meter van het plangebied. Inrichtingen Op de kaart is te zien dat er aan de overzijde van de rivier de Mark een risicovolle inrichting is gelegen. Dit betreft een gasontvangststation met aanvoerleidingen op grondgebied Halderberge. Eventuele contouren of invloedsgebied/effectafstanden reiken niet tot over het grondgebied van de gemeente Moerdijk. Shell Nederland Chemie B.V. Met betrekking tot Shell is de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag. Op basis van de professionele risicokaart is bepaald dat het plangebied op een afstand van ca. 7.800 meter van de inrichtingsgrens van Shell Nederland Chemie BV (Shell) ligt. Het invloedsgebied van Shell is 10.700 meter en ligt hierdoor volledig over het plangebied. Uit de QRA, behorende bij de Wm-aanvraag, blijkt dat het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar niet buiten het industrieterrein Moerdijk ligt. Er zijn dan ook geen knelpunten ten aanzien van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar.
Voor de inrichtingen op het industrieterrein, waaronder Shell, zijn groepsrisicoberekeningenl uitgevoerd. Op basis van de beschikbare QRA wordt een overschrijding van 2 x de oriëntatiewaarde berekend. Toename van personendichtheden buiten de grenzen van het haven- en industrieterrein Moerdijk, hebben nauwelijks invloed op het groepsrisico. De ruimtelijke ontwikkeling aan de Molendijk is van dien beperkte aard en gelegen op grote afstand van het haven- en industrieterrein, waardoor de ontwikkeling niet leidt tot een toename van het groepsrisico. Overeenkomstig het Bevi dient het groepsrisico wel te worden verantwoord. Volstaan kan worden met een verantwoording op hoofdlijnen. Met betrekking tot de Bevi-inrichting Shell Nederland Chemie B.V. blijkt uit de QRA, behorende bij de
48
vigerende vergunning, dat het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar niet over het plangebied ligt. Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. De ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot een grote toename van het aantal aanwezige personen. Eer worden maximaal 30 standplaatsen toegevoegd. Dit zijn 10 passantenplaatsen en 20 seizoensplaatsen. Gemiddeld verblijven er twee bezoekers per standplaats en is de bezettingsgraad 90%. Tijdens het kampeerseizoen verblijven er gemiddeld 54 personen extra op de camping. Het voor de inrichting Shell berekende groepsrisico wordt niet beïnvloed door deze ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het feit dat er geen toename is van het groepsrisico en de risicobron Shell op zo'n grote afstand is gelegen, wordt de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord geacht. In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van beperkingen op het gebied van externe veiligheid. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI en vormt de gewenste ontwikkeling geen gevaar voor de omgeving. In de bijlagen is de Standaard Verantwoording Groepsrisico met bijbehorend advies opgenomen (bijlagen 9 en 11) 4.9.4
Conclusie
Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Duurzaamheid
De uitbreiding van de camping biedt de kans in het investeren in duurzame oplossingen voor de energievraag, voor zowel de nieuwe te realiseren uitbreiding als het bestaande campringterrein. Hierbij kan gedacht worden aan zongericht bouwen, compact bouwen, warmtelevering door gebruik van restwarmte en warmteopwekking door een kleinschalige warmte- krachtinstallatie. Het campingterrein wordt duurzaam ingericht. De nieuwe chalets zijn gasloos en worden voorzien van zonnepanelen. Daarnaast worden de eerder genoemde maatregelen getroffen, zoals omschreven in paragraaf 2.2.2. Er wordt dus gewerkt met ledverlichting, er komen watermeters en elektrameters per kampeerplaats, er is sprake van afvalscheiding door middel van 5000 liter ondergrondse containers (minder transporten), de beregening voor de beplanting tijdens droge periodes vindt plaats middels rivierwater en de paden worden half verhard. Bij de inrichting van het kampeerterrein wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van duurzame en/of hergebruikte materialen. Op het terrein komen mogelijkheden voor het opladen van elektrische fietsen en -auto's.
4.11
Kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan 'Buitengebied Moerdijk' is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te
49
achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.
4.12
Water
4.12.1 Inleiding Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder.
4.12.2 Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's. Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld.
Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Waterschap Brabantse Delta
50
Het Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening: De Keur en de legger. De Keur Waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. Waterbeheerplan 2016-2021 Grenzeloos verbindend, waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta verzorgt het waterbeheer in Midden- en West-Brabant.
Dit gebied is een onderdeel van de Rijn-Schelde-Maas-Delta met de mainports Rotterdam, Moerdijk en Antwerpen. Aan deze strategische ligging ontleent het gebied enorme kracht en potentie. De regio is goed ontsloten via weg, water, buis en spoor. Door de diversiteit van steden, de pracht van dorpen en buitengebieden, en de afwisselende natuur- en waterlandschappen kent het gebied een hoogwaardige kwaliteit van leven. Het waterschap richt zich op een goede uitvoering van de wettelijke taken rondom waterveiligheid, waterkwaliteit en watersysteembeheer. Daarbij houden we rekening met de toekomstbestendigheid van het watersysteem (met oog voor klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging). In het Waterbeheerplan zijn de volgende doelen opgenomen: Risico’s beheersen: Het werk van het waterschap is gericht op het beheersen van risico's voor de mensen, de bedrijven en het (water)milieu en zo de kwaliteit van leven te behouden en waar nodig te verbeteren voor de huidige en toekomstige generaties. Deze invalshoek gaat uit van de huidige gebruiksfuncties en van de gemaakte afspraken over acceptabele risico's (vastgelegd in wet- en regelgeving of in convenanten). Duurzame ontwikkeling: Het waterbeheer is ook gericht op het ondersteunen van een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving.
Het gaat dan om het gebruik van de openbare ruimte, de economische ontwikkelingen en de natuurontwikkelingen. Werken aan een robuust beheer van het watersysteem en de afvalwaterketen is van toegevoegde waarde voor al deze ontwikkelingen. Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend: Er zijn diverse maatschappelijke ontwikkelingen die om verantwoorde keuzes vragen. Dit plan geeft aan welke rol het waterschap kiest in verschillende maatschappelijke thema's, zoals energie en de ontwikkelingen in de gezondheidszorg. Ook wil het waterschap de maatschappelijke betrokkenheid vergroten. Effectief en efficiënt: Het waterschap streeft naar een goede kwaliteit van het werk tegen zo laag mogelijke kosten en een minimale kwetsbaarheid. Samenwerking met diverse partnerorganisaties en het stimuleren van initiatieven van burgers en ondernemers zijn daarbij van groot belang. 4.12.3 Watertoets Huidige waterhuishoudkundige situatie Het plangebied ligt in het buitengebied van Standdaarbuiten en is gesitueerd langs de Mark. De Mark is onderdeel van het Mark-Vliet stelsel. Het KRW-lichaam Mark-Vliet ligt in noordwest Brabant op de overgang van vrij afwaterende zandgronden naar peilbeheerste kleigronden. Het KRW-waterlichaam omvat twee benedenlopen met een natuurlijke oorsprong (Mark-Dintel en Roosendaalse-Steenbergse Vliet) en twee gegraven kanalen (Markkanaal en Mark-Vlietkanaal).
De Mark heeft eveneens een belangrijke functie voor de scheepvaart en tevens is er een functie voor beek- en kreekherstel en ecologische verbindingszone. Aan de andere zijde van het plangebied en parallel aan de Mark is een zogenaamde regionale waterkering langs regionale rivieren aanwezig. Deze waterkering heeft verschillende beschermingszones waarin bepaalde activiteiten niet zijn toegestaan om te voorkomen dat
51
de veiligheid en stabiliteit van deze waterkering niet in het gedrang komt. Direct langs de Mark is eveneens een overige waterkering aanwezig. Deze voorkomt dat het gebied te frequent inundeert vanuit het regionale watersysteem. Door de ligging van het plangebied tussen de regionale waterkering en het regionale watersysteem is het gebied buitendijks gelegen. De hoogwaterstanden van de Mark (bv T=100 afvoer) zijn hoger dan het aanwezige maaiveld. Dit betekent dat bij hoge afvoeren het plangebied kan overstromen. De bestaande bebouwing aanwezig in het buitendijkse gebied is belemmerend voor de stroomvoering in het boezemgebied. Naast de aanwezigheid van de Mark aan de zuidzijde zijn er aan de zuidwestzijde en de noordwestzijde van het plangebied categorie B- waterlopen aanwezig. Conform de legger oppervlaktewateren dient de waterloop aan de zuidwestzijde onderhouden te worden door de aangrenzende eigenaren. Voor de waterloop aan de noordwestzijde geldt een afwijkende onderhoudsplicht. Het onderhoud van deze waterloop ligt bij het waterschap. Om het onderhoud op een doelmatige wijze uit te kunnen voeren wordt geadviseerd om een zone van 5 meter langs de waterloop (vanaf de insteek) vrij te houden. De verschillende waterhuishoudkundige aspecten zijn weergegeven in bijgevoegd figuur.
Toekomstige waterhuishoudkundige situatie Het plangebied is buitendijks gelegen langs de Mark-Dintel-Vliet boezem. Waterschap Brabantse Delta is conform de beleidsregel buitendijks bouwen geen voorstander van buitendijkse ontwikkelingen. Er zijn echter uitzonderingsgronden om buitendijkse ontwikkelingen toe te staan. Eén van de uitzonderingsgronden is dat er geen negatieve effecten ontstaan ten aanzien van de taken en verantwoordelijkheden van het waterschap. Het gaat hier dan om het doorstroomprofiel, waterberging en waterkering. Om deze ontwikkeling toe te staan moet aangetoond worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten veroorzaken ten aanzien van deze effecten. Doorstroomprofiel Zoals bij de beschrijving van de huidige waterhuishoudkundige situatie beschreven is de bestaande bebouwing in het buitendijkse gebied eigenlijk al belemmerend voor de stroomvoering in het boezemgebied. Het grondlichaam van de Markweg (benedenstrooms van de camping) is sterk bepalend voor de scheiding tussen stroomvoerende en -bergende delen tijdens hogere afvoeren. Hierdoor kan
52
worden aangenomen dat de uitbreiding van de camping geen invloed heeft op het stroomvoerende gebied. De ontwikkeling heeft tevens geen of geringe effecten op de aanwezigheid van de waterlopen aan de noord- en westzijde en de vaarweg aan de zuidzijde van het gebied. Waterberging Het waterbergend vermogen neemt toe door de aanleg van een waterpartij binnen het plangebied. Echter mogelijk wordt het terrein onder de stacaravans/ chalets mogelijk opgehoogd. Dit heeft weer effect op het waterbergend vermogen. Daarnaast zal mogelijk gestreefd worden naar een gesloten grondbalans. Daarom wordt voor in de bestemmingsplanfase voorgesteld dat zolang het volume (m3) grond onder waterlijn niet groter is dan het ontgraven volume (m3) grond boven waterlijn en als deze op het maaiveld aangebracht worden er voor deze locatie geen negatieve effecten ten aanzien van het bergend vermogen zijn. Waterkering Regionale waterkeringen Indien voldoende afstand aangehouden wordt tot de regionale waterkering zijn er geen belemmeringen. Werkzaamheden in de zonering van deze waterkering zijn watervergunningsplichtig. Overige kade Er ontstaan geen negatieve effecten ten aanzien van de overige waterkeringen. Door de uitbreiding van de camping kan de overige waterkering niet direct parallel aan de Mark worden gecontinueerd.