Eindrapportage Uitvoering Participatiewet Moerdijk
Tekst van het document
11 Notitie: ‘Ondersteuning doelgroep C’ van de beleidsgroep Participatiewet ten behoeve van de regiegroep, december
2019
- 18 -
3.4.
Dienstverleningsovereenkomst HvWB-gemeenten met Werkplein
De gemeente Moerdijk heeft, net als de andere gemeenten in het Hart van West-Brabant, de uitvoering van de Participatiewet in handen gelegd van de Gemeenschappelijke Regeling Intergemeentelijke Sociale Dienst Werkplein Hart van West-Brabant. Werkplein Hart van West-Brabant verzorgt zowel de bijstandsverstrekking als: maatschappelijke participatie voor mensen zonder perspectief op betaald werk; arbeidstoeleiding voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt; arbeidsbemiddeling voor mensen met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt. Ten behoeve van de re-integratie koopt Werkplein leerwerktrajecten in bij WVS en bij aanbieders van reintegratie-activiteiten in de markt. Werkplein maakt met WVS afspraken over het aantal trajecten dat bij WVS wordt ingekocht. Deze afspraken hangen samen met de financiële belangen van de deelnemende gemeenten in WVS. Dat beperkt enigszins de vrijheid van Werkplein om per geval te kiezen bij welke aanbieder een traject wordt ingekocht, maar het stelt Werkplein anderzijds in staat om te overleggen over de inhoud van de te leveren trajecten. Afgezien van deze beperking heeft Werkplein volledig de regie over de uitvoering van de Participatiewet in de zes gemeenten.
Voor de aansturing van Werkplein hebben de zes gemeenten in het Hart van West-Brabant de afgelopen jaren gezamenlijk dienstverleningsovereenkomsten gesloten met Werkplein Hart van West-Brabant. In de eerste overeenkomst, die betrekking had op het jaar 2015, zijn voornamelijk praktische afspraken vastgelegd over de taken van Werkplein en over de wijze waarop Werkplein die taken zal vervullen. De tweede overeenkomst, met een looptijd van 2016 tot en met 2017, bevat nu de volgende prestatieafspraken: opdrachtnemer (Werkplein) spant zich maximaal in om potentiële werkzoekenden niet te laten instromen in de uitkering; opdrachtnemer spant zich in om een preventiequotum te realiseren van 55%. Het preventiequotum is gelijk aan het percentage van het aantal meldingen voor een uitkering dat uiteindelijk niet leidt tot nieuwe uitkeringen; opdrachtnemer realiseert een bestandsdaling van 3% ten opzichte van 31 december 2015 en spant zich maximaal in om te komen tot een bestandsdaling van 5%.
opdrachtnemer spant zich maximaal in om een doorlooptijd te realiseren voor zowel de reguliere bijstandsuitkering als de bijzondere bijstand die korter is dan de wettelijke termijn van 56 dagen; opdrachtnemer zorgt dat binnen dertig dagen na het eerste contact tussen cliënt en klantmanager een brede analyse wordt gemaakt van de mogelijkheden en beperkingen van de cliënt, niet alleen op het thema werk, maar ook op andere levensdomeinen. Deze analyse mondt uit in een ontwikkelplan dat de basis vormt voor een (arbeids-) ontwikkelingstraject; opdrachtnemer streeft ernaar dat 90% van de verwijzingen naar het UWV voor een doelgroep verklaring beschut werk resulteert in een positief advies; Opdrachtnemer spant zich maximaal in om 20% van de klanten met een loonwaarde van 0-50% in te zetten in maatschappelijk nuttige activiteiten; opdrachtnemer stuurt op het behalen van plaatsingsafspraken bij de WVS-groep in de volgende aantallen: 21 beschut werk, 27 met loonkostensubsidie en 82 met behoud van uitkering. opdrachtnemer levert een maximale inspanning om 227 baanafspraken in te vullen, waarvan 194 in de marktsector en 33; opdrachtnemer zorgt voor een adequate afhandeling van meldingen, klachten en bezwaar- en beroepsprocedures en geeft opdrachtgever periodiek informatie over het aantal ingediende en gegrond verklaarde bezwaarschriften.
- 19 -
De dienstverleningsovereenkomst voor de periode van 2018 tot 2021 bevat de opdracht aan Werkplein om jaarlijks een Werkprogramma op te stellen met basis- en plustaken. Het Werkprogramma 2018 bevat ten aanzien van re-integratie de volgende te leveren prestaties: meer mensen zijn duurzaam aan het werk. Deze te leveren prestaties is niet gekwantificeerd, al wordt wel een aantal indicatoren genoemd waaraan het succes zou kunnen worden afgelezen. Er wordt aangetekend Werkplein een bijdrage levert aan het realiseren van dit maatschappelijk effect, en dus niet de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de realisatie ervan; duurzame plaatsing van 470 bijstandsontvangers uit doelgroep A; realisering ten behoeve van bijstandsontvangers uit doelgroep B van 129 leerwerktrajecten bij WVS, 55 leerwerktrajecten in de markt en 80 plaatsingen in garantiebanen; realisering van doorstroming van bijstandsontvangers uit doelgroep B naar doelgroep A, in 2018 nog zonder kwantitatieve doelstellingen; realisering van 600 maatschappelijke activeringsplaatsen op Werkplein Actief.
Ten aanzien van de verstrekking van uitkeringen bevat het Werkprogramma 2018 de volgende te leveren prestaties: verstrekking van maximaal 4.200 uitkeringen per maand; een doorlooptijd van minder dan 28 dagen voor 65% van de afgehandelde aanvragen; een doorlooptijd van minder dan 42 dagen voor 85% van de afgehandelde aanvragen; afname van het aantal ten onrechte betaalde uitkeringen met 240; opeisen van de uitstaande vorderingen; investeringen in het gezamenlijk met de gemeenten verder realiseren van één plan en één regisseur voor mensen met problemen op meerdere leefgebieden; het realiseren van een goede aansluiting met de lokale toegang tot Wmo, Jeugdzorg en schuldhulpverlening. Daarnaast zijn te leveren prestaties te vinden op verschillende andere plaatsen. Ten eerste worden in de jaarlijkse begrotingscyclus afspraken gemaakt over de inzet van middelen en de te leveren prestaties. Ten tweede legt Werkplein in afspraken met WVS afspraken vast over de aantallen kandidaten die Werkplein levert voor leerwerktrajecten. En ten derde formuleert Werkplein jaarlijks doelstellingen voor de uitvoering in het Jaarplan. De gemeenten sturen Werkplein niet alleen aan door middel van getekende overeenkomsten. Werkplein is een Gemeenschappelijke Regeling. De portefeuillehouders Participatiewet zijn qualitate qua lid van het Algemeen Bestuur van Werkplein.
Dat geeft hun directe invloed op de uitvoering van de Participatiewet. Daarnaast is sprake van regelmatig ambtelijk overleg tussen beleidsadviseurs van de zes gemeenten onderling en met vertegenwoordigers van Werkplein. In dit overleg wordt afstemming gezocht over de beleidsvorming in de gemeenten en de uitvoering door Werkplein. Uit gesprekken die we in het kader van het onderzoek hebben gevoerd hebben we de indruk gekregen dat tussen de gemeenten geen sprake is van sterke na-ijver, maar dat ze in staat zijn om in goed onderling overleg te komen tot een gezamenlijke visie op de uitvoering en dat ze – ondanks spanningen en irritaties die inherent zijn aan samenwerking – in onderling overleg met Werkplein in staat zijn met elkaar mee te denken over beleid en uitvoering.
- 20 -
3.5.
Tussenconclusie beleid en aansturing
Regionale beleidsvisie in plaats van een gemeentelijke visie We concluderen dat het college van B&W van Moerdijk, in samenwerking met de vijf andere gemeenten in het Hart van West-Brabant, in verordeningen en beleidsnota’s een heldere visie heeft neergelegd op de uitvoering van de Participatiewet. Dit is een regionale visie die als basis dient voor de uitvoering voor alle zes de gemeenten en die niet specifiek betrekking heeft op de situatie van Moerdijk. Gelet op het regionale karakter van de arbeidsmarkt en de keuze van de gemeenten om ook de uitvoering van de Participatiewet regionaal te organiseren is dit een logische insteek. Deze benadering stelt de gemeenteraad van Moerdijk wel voor de vraag hoe zij haar lokale kaderstellende rol in kan vullen als zij samen met de andere regiogemeenten kiest voor een regionale visie en uitvoering. Specifiek beleid voor statushouders en jongeren uit speciaal onderwijs De gemeente Moerdijk maakt in haar beleid een helder onderscheid in doelgroepen op basis van hun afstand tot de arbeidsmarkt (A, B en C). Ook stelt de gemeente prioriteiten ten aanzien van de inzet van middelen voor deze drie groepen met in haar algemene beleidskader extra inzet op de C-categorie. De gemeente heeft geen specifiek beleid geformuleerd voor statushouders en jongeren uit het speciaal onderwijs of voor andere groepen.
In de uitvoering is voor deze groepen wel een eigen aanpak ontwikkeld. Ook maakt de gemeente geen expliciete keuzes welke instrumenten en middelen voor welke groepen ingezet kunnen worden. Dit past in het geformuleerde uitgangspunt van integraal beleid en maatwerk. De verantwoordelijkheid voor deze keuzes wordt aan de uitvoeringsorganisatie gelaten. Inzet op prioritaire doelgroepen verschuift door economische ontwikkelingen De gemeente Moerdijk heeft in haar beleid en de opdrachten aan de uitvoeringsorganisatie heldere prioriteiten gesteld ten aanzien van de inzet op verschillende groepen. De gemeente kiest er in haar visie voor de nadruk vooral te leggen op de groep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt (C). Dit is in lijn met de inzichten uit onderzoek dat re-integratie voor deze groep het meest effectief is. In de loop van de tijd heeft de gemeente de prioriteitenstelling aangepast aan de omstandigheden. Onder druk van de oplopende uitkeringen is prioriteit gegeven geven aan de doelgroep met het meeste perspectief op uitstroom uit de bijstand, om zo de uitkeringslasten terug te dringen. Wanneer in 2017/2018 het aandeel van de klanten in categorie A sterk is gedaald, wordt de focus weer verbreed naar mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt en niet-uitkeringsgerechtigden, om op die manier te kunnen blijven voldoen aan de vraag uit de arbeidsmarkt.
Niet duidelijk is wat de effectiviteit van deze prioriteitstelling is geweest. Initiatief tot stellen van uitvoeringsdoelen verschuift in de tijd naar uitvoeringsorganisatie In de eerste jaren van de uitvoering van de Participatiewet hebben de gemeenten en Werkplein op verschillende manieren gepoogd kwantitatieve doelen voor de uitvoering te formuleren. Geleidelijk is het initiatief voor het formuleren van uitvoeringsdoelen verschoven van de gemeenten als opdrachtgever naar Werkplein zelf als opdrachtnemer. Niet duidelijk is of dit een expliciete beleidskeuze is geweest van de gemeente of dat zich dit in de praktijk ontwikkeld heeft. Het verdient aanbeveling om de rollen en verantwoordelijkheden op dit punt helder te scheiden: de opdrachtgever formuleert de beleids- en uitvoeringsdoelen, de uitvoeringsorganisatie legt verantwoording af over de wijze waarop en de mate waarin die doelen zijn gerealiseerd. Integrale regionale uitvoeringsorganisatie voor werk en inkomen sluit aan bij de regionale visie en bevordert sturing op uitstroom naar werk Bij de inrichting van de uitvoeringsketen heeft de gemeente Moerdijk ervoor gekozen om een integrale keten voor bijstand en re-integratie in te richten. Er is dus niet gekozen van een integrale benadering van het gehele sociale domein, maar voor een uitvoering van de Participatiewet die losstaat van de uitvoering van Wmo en Jeugdwet.
Dit heeft voor- en nadelen. Een nadeel is dat er niet voor het sociale domein als geheel sprake is van één gezin, één plan, één regisseur, waardoor burgers nog steeds met verschillende
- 21 -
uitvoeringsorganisaties te maken hebben. Maar hier staat tegenover dat een afzonderlijke uitvoering van de Participatiewet ook voordelen heeft. De uitvoering van Wmo en Jeugdzorg vergt een andere schaal van werken dan de uitvoering van de Participatiewet. De uitvoering van Wmo en Jeugdzorg vergt ogen en oren in de wijk, terwijl het oriëntatiepunt van de Participatiewet veel meer ligt op het niveau van de regionale arbeidsmarkt. Voorts is er niet gekozen voor een keten van organisaties die ieder verantwoordelijk zijn voor een onderdeel van de uitvoering, maar voor één organisatie die de regie voert over inkomen, re-integratietrajecten én arbeidsbemiddeling. Door de gehele uitvoering onder te brengen in één organisatie is bij tegenvallende resultaten direct duidelijk wie er verantwoordelijk is, iets wat in een uitvoeringsketen vaak veel lastiger is vast te stellen omdat alle schakels dan naar elkaar wijzen. Per saldo is dus de conclusie dat de uitvoeringsketen is ingericht op een wijze die een effectieve en efficiënte uitvoering van de Participatiewet mogelijk maakt in overeenstemming met de beleidsvisie van de gemeente. Gemeenteraad heeft voldoende instrumenten om haar kaderstellende rol in te vullen De gemeenteraad heeft haar goedkeuring gegeven aan de gemeenschappelijke regeling waarmee de gemeenten hun samenwerking bij de uitvoering van de Participatiewet hebben vormgegeven.
De Gemeenteraad heeft de verordeningen en de contourennota Participatiewet vastgesteld, en heeft zich kunnen uitspreken over de programmabegrotingen en daarmee over de doelen die zijn uitgewerkt in de dienstverleningsovereenkomsten die de gemeenten met Werkplein hebben afgesloten. We constateren dan ook dat de gemeenteraad zich voldoende heeft kunnen uitspreken over de visie, de inrichting van de uitvoeringsketen en de afgesloten dienstverleningsovereenkomsten. Tegelijkertijd blijkt dat de raad in de loop van de tijd meer ruimte heeft gelaten aan de uitvoering om zelf de uitvoeringsdoelen te formuleren. Ook wanneer dat plaatsvindt in goed overleg met beleidsambtenaren van de gemeenten bestaat het risico dat de feitelijke werkelijkheid van de uitvoering losraakt van de papieren werkelijkheid van de beleidsvisie die de raad heeft vastgesteld.
- 22 -
4.
Werkplein: uitvoering en verantwoording
In dit hoofdstuk bespreken we de praktijk van de uitvoering van bijstand en re-integratie voor de gemeente Moerdijk. Daarbij gaan we vooral in op het klantproces van het Werkplein, de instrumenten die de organisatie inzet voor verschillende groepen werkzoekenden de wijze waarop het Werkplein de interne sturing heeft vormgegeven. De beschrijving van de uitvoeringspraktijk is gebaseerd op de beschikbare documenten en op interviews met sleutelfiguren uit de organisatie. Daarnaast gaan we in op de wijze waarop door het Werkplein over de uitvoering verantwoording wordt afgelegd aan de gemeente.
4.1.
Klantproces
Werkplein is opgericht in 2014 ten behoeve van de uitvoering van de Participatiewet voor zes gemeenten. Bij de voorbereidingen in 2012 werd nog uitgegaan van vier gemeenten. In de loop van 2013 heeft Halderberge zich bij die vier aangesloten en in 2014 ook Roosendaal. Bij de samenvoeging van de vijf gemeentelijke uitvoeringsorganisaties in één gezamenlijke uitvoeringsorganisatie is uitgegaan van een nieuw concept voor de uitvoering. Er is niet gekozen om het concept van één van de deelnemende gemeenten over te nemen, om alle medewerkers hetzelfde startpunt te geven. Het werkproces van Werkplein is weergegeven in onderstaande figuur.
Figuur 3: Klantproces Werkplein Hart van West-Brabant
In 2016 is Werkplein gestart met een digitaal poortproces. Via internet kunnen inwoners van de zes gemeenten bij Werkplein melden dat ze een aanvraag willen indienen voor een uitkering. De kandidaat beantwoordt daarbij een aantal vragen waaruit is af te leiden of hij in aanmerking komt voor een uitkering, of hij kan werken en of er een ondersteunings- of zorgbehoefte is. Uit deze eerste diagnose komt een schatting van de afstand tot de arbeidsmarkt. Binnen drie dagen meldt de klant zich vervolgens aan de servicebalie in Roosendaal of Etten-Leur. Daar vindt een tweede diagnose plaats waarbij Werkplein informatie verzamelt over de situatie van de kandidaat
- 23 -
in diverse leefgebieden. Dit helpt Werkplein om inzicht te krijgen in de ondersteuningsbehoefte van de individuele kandidaat, maar het helpt ook om beter inzicht te krijgen welke instrumenten het beste werken onder welke omstandigheden. Bij de tweede diagnose wordt ook vastgesteld of sprake is van een groene of een rode melding. Een melding is groen als die met grote mate van zekerheid rechtmatig is, en rood als die met minder grote zekerheid rechtmatig is. Bij rode meldingen volgt een onderzoek door een Fraudepreventiemedewerker. Pas na de verplichte deelname aan een bijeenkomst over de rechten en plichten die horen bij een bijstandsuitkering krijgt de melder een formulier thuis gestuurd waarmee hij of zij een aanvraag kan indienen voor een bijstandsuitkering. Na goedkeuring van de aanvraag krijgt de bijstandsontvanger een klantmanager werk toegewezen die het re-integratieproces begeleidt. Het hele poortproces is erop gericht om de melder snel duidelijk te maken of hij of zij recht lijkt te hebben op een bijstandsuitkering en de melder duidelijk te maken welke rechten en plichten de bijstandsuitkering met zich meebrengt. Dit stelt de mensen die de plichten niet willen in staat om van de aanvraag af te zien en vermindert het risico op niet-naleving van de plichten door mensen die de uitkering wel aanvragen.
De effectiviteit van het poortproces kan worden afgemeten uit het zogeheten preventiequotum. Dat is het percentage meldingen dat niet tot een uitkering komt, ofwel omdat de melder zelf afziet van het indienen van een aanvraag, ofwel omdat Werkplein de aanvraag niet honoreert. Tabel 1: Preventiequotum Werkplein 2016
2017
2018
2019 H1
meldingen*
2539
2133
1874
898
ingediende aanvragen
1490
1378
1134
571
toegekende aanvragen
1422
1188
905
433
preventiequotum
44%
44%
52%
52%
* De meldingen van statushouders zijn niet meegeteld. De aanvragen van statushouders worden altijd toegekend. Bron: Werkplein, Jaarstukken 2017, blz. 19, Jaarstukken 2018, blz.27, 2e Bestuursrapportage 2019.
Bij Werkplein melden zich ook niet-uitkeringsgerechtigden. Veel mensen die een aflopende WW-uitkering hebben, komen niet in aanmerking voor bijstand omdat ze een werkende partner hebben of een vermogen. Deze mensen hebben wel recht op ondersteuning door de gemeente bij het vinden van werk. Op basis van de diagnose bij de intake worden aanvragers ingedeeld in de categorieën A, B en C en krijgen zij een klantmanager toegewezen. Werkplein heeft ervoor gekozen om elke klantmanager cliënten uit één categorie toe te wijzen, en de omvang van de caseload aan te passen aan de intensiteit van de benodigde begeleiding. Bij de arbeidsbemiddeling werkt Werkplein samen met de andere gemeenten in West-Brabant en met het UWV. De werkgeversservicepunten in West-Brabant maken onderling afspraken over de werkgeversbenadering, maar worden sub regionaal aangestuurd. Werkplein heeft een vestiging van het Werkgeversservicepunt in eigen huis die wordt aangestuurd door Werkplein zelf. Klanten uit categorie A krijgen dan ook direct een klantmanager van het WSP toegewezen. Hierdoor is een nauwe afstemming mogelijk tussen re-integratietrajecten enerzijds en arbeidsbemiddeling anderzijds.
- 24 -
Tabel 2: Caseload klantmanagers vanuit de basisformatie cliënten
gesprekken
per fte
per jaar
cliënten
fte
categorie A
315
4,9
64
8,4
categorie B
932
7,8
119
4,5
categorie C
3041
7,2
421
1,3
Jongeren
397
5,0
80
6,7
Totaal/gemiddeld
4685
24,9
188
2,9
Bron: Werkplein Hart van West-Brabant, Inzet middelen werk en participatie, tabel 1 op blz.5.
In principe hebben cliënten een vaste klantmanager, maar cliënten die langere tijd in de bijstand zitten zullen als gevolg van het personeelsverloop nu en dan van klantmanager wisselen. De caseload is lager bij klantmanagers die werkzoekenden uit de A-categorie begeleiden. Dit hangt samen met het feit dat arbeidsbemiddeling een intensief proces is. Op de arbeidsmarkt is sprake van grote discrepanties. Werkgevers hebben vaak mensen nodig met een specifieke opleiding. Werkzoekenden voldoen vaak niet aan die eisen. Daardoor staan tegenover grote aantallen werkzoekenden vaak ook grote aantallen niet of moeilijk te vervullen vacatures. Bij werkzoekenden die langer in de bijstand hebben gezeten heeft zowel de werkgever als de werkzoekende bovendien vaak veel te overwinnen om van de arbeidsrelatie een succes te maken. Dat vergt vaak ook weer nazorg en begeleiding vanuit het werkgeversservicepunt. Ondanks de begeleiding komt het voor dat de arbeidsrelatie stukloopt. Dat heeft in sommige gevallen te maken met regels, maar vaker met praktische bezwaren. In de praktijk hebben sommige werkzoekende zo veel begeleiding nodig, dat dit ten koste gaat van het eigen werk van zittende werknemers. Werkgevers zijn vaak wel bereid om tijd en geld te investeren in nieuwe werknemers, maar dan moet er wel zicht op zijn dat de baten op langere termijn opwegen tegen deze kosten.
Dat is – om uiteenlopende redenen – niet altijd het geval. De verstrekking van bijstand en de ondersteuning bij de re-integratie worden gefinancierd uit twee geldstromen. In de Algemene Uitkering uit het Gemeentefonds is een bedrag opgenomen voor de uitvoering van de Participatiewet. Daarnaast ontvangen gemeenten van het Rijk een Participatiebudget als onderdeel van de integratie-uitkering sociaal domein (IUSD). Dit bedrag bevat (onder andere) middelen voor de reintegratietrajecten van bijstandsontvangers. Werkplein heeft tot 2018 alleen de middelen voor uitvoeringskosten ingezet om de klantmanagers in de eigen organisatie te betalen. De middelen uit het Participatiebudget werden gebruikt om extern trajecten in te kopen. Met ingang van 2018 heeft Werkplein echter een deel van de middelen uit het Participatiebudget overgeheveld naar het klantmanagement om de begeleiding van werkzoekenden te kunnen intensiveren. De verdeling over de categorieën is nu als volgt:
- 25 -
Tabel 3: Inzet van extra formatie vanuit het Participatiebudget basis-
extra
totaal
cliënten
cliënten
formatie
formatie
formatie
per fte
categorie A
315
4,9
3,5
8,4
38
categorie B
932
7,8
4,1
11,9
78
categorie C
3041
7,2
5,1
12,3
246
Jongeren Werkplein Actief, training, fraudepreventie
397
5,0
0,0
5,0
80
12,4
12,4
2,4
2,4
Ondersteuning
Totaal/gemiddeld 4685 24,9 27,4 52,3 90 Bron: Werkplein Hart van West-Brabant, Inzet middelen werk en participatie. De tabel is een samenvatting van de informatie in tabel 2 op blz.8 en 9. De inzet voor Werkplein Actief, training en fraudepreventie en voor ondersteuning beïnvloedt niet de caseload van klantmanagers.
Uit de tabel blijkt dat klantmanagers voor de categorie A een lagere caseload hebben (en dus veel intensievere begeleiding kunnen bieden) dan de klantmanagers voor categorie C. Voor de klanten uit de verschillende categorieën zijn verschillende instrumenten beschikbaar. Tabel 4: Inzet instrumenten per categorie categorie A
categorie B
Re-integratie Praktijkovereenkomst
x
Arbeidsbemiddeling WSP
x
x
Incidentele loonkostensubsidie Loonkostenvoordeel ouderen en arbeidsbeperkten
x
x
x
x
categorie C
Leerwerktrajecten WVS en extern
x
Werkplekaanpassing
x
Sociale detachering
x
Jobcoaching
x
X
Individuele studietoeslag
x
X
Structurele loonkostensubsidie
x
X
Beschut werk
X
Arbeidstraining
X
4.2.
Managementrapportages
Werkplein legt in een veelheid aan rapportages verantwoording af over de uitvoering van de Participatiewet. In Maandrapportages geeft Werkplein op het niveau van de afzonderlijke gemeentes kwantitatieve informatie over de ontwikkeling van het aantal bijstandsontvangers, de instroom en de uitstroom. In Bestuursrapportages die elk kwartaal verschijnen geeft Werkplein bredere informatie over de uitvoering. Deze informatie ligt op het niveau van Werkplein als geheel. De informatie is niet beschikbaar voor de afzonderlijke gemeenten. Daaraan ligt een bewuste keuze ten grondslag. In de uitvoering wordt geen onderscheid gemaakt tussen de inwoners van verschillende gemeenten. Iedereen krijgt een behandeling op maat. Er wordt niet geteld of de zes gemeenten in precieze verhouding tot hun inbreng van middelen worden bediend. Rapportage per gemeente zou – afgezien van de extra administratieve lasten die daarmee zouden zijn gemoeid – kunnen leiden tot scheve ogen, die op hun beurt zouden kunnen leiden tot verlies aan effectiviteit en efficiëntie. De informatie die per kwartaal wordt gepubliceerd in de bestuursrapportages wordt op jaarbasis weergegeven in de Jaarstukken.
- 26 -
De grote stroom van informatie over de uitvoering staat nu en dan de overzichtelijkheid in de weg. Het valt niet altijd mee om corresponderende doelen en realisaties bij elkaar te vinden, en om over een aantal jaren consistente cijferreeksen te construeren uit de beschikbare verantwoordingsinformatie. Daarbij is ook lastig dat Werkplein, in overleg met de gemeenten, is overgestapt van feitelijke informatie op interpretatiegegevens in de vorm van smileys.
4.3.
Tussenconclusies uitvoering en verantwoording
Adequate inrichting van het toeleidingsproces Werkplein Hart van West-Brabant geeft in de uitvoering van de Participatiewet op adequate wijze vorm aan de poortwachtersfunctie. De voorlichting over rechten en plichten heeft een preventieve werking. Op basis van de verstrekte informatie ziet een deel van de melders bij voorbaat af van een aanvraag. Van de ingediende aanvragen wordt op grond van nader onderzoek een deel door Werkplein afgewezen. De preventiequote die Werkplein hiermee realiseert is door definitieverschillen moeilijk te vergelijken met die van andere uitvoeringsorganisaties, maar is naar ons inzicht relatief hoog. Werkplein voert een grondige diagnose uit van de instromende bijstandsontvangers, waardoor ze goed inzicht heeft in de mogelijkheden van de individuele bijstandsontvangers en van de samenstelling van de populatie. Naar onze indruk heeft Werkplein dit onderdeel van de uitvoering in vergelijking met andere organisaties goed op orde. Op basis van de diagnose wordt een Plan van Aanpak opgesteld en wordt de aanvrager aan een casemanager toegewezen. Actief handhavingsbeleid Werkplein voert een actief beleid van handhaving en voert jaarlijks enkele honderden onderzoeken uit naar de rechtmatigheid. Daarbij gaat het zowel om het niet-nakomen van de informatieverplichting als om een gebrek aan medewerking aan de eigen re-integratie.
Werkplein publiceert in de bestuursrapportages geen cijfers over het aantal gevallen van bezwaar en beroep tegen besluiten van de uitvoeringsorganisatie. Specialisatie op 3 doelgroepen Werkplein bewaakt de voortgang van de uitvoering van het Plan van Aanpak door de inzet van casemanagers. Om de doelmatigheid hiervan te bevorderen krijgt elke casemanager klanten uit één categorie ((A, B of C) toegewezen. De caseload van de casemanagers is aangepast aan de gewenste intensiteit van de begeleiding, die hoger is naarmate de afstand tot de arbeidsmarkt afneemt. Werkplein werkt met gespecialiseerde casemanagers voor statushouders en voor jongeren uit het speciaal onderwijs. Aansluiting sociaal domein is aandachtspunt De samenwerking tussen de klantmanagers van Werkplein en de regisseurs van de andere onderdelen van het sociaal domein is een belangrijk punt van aandacht. Een belangrijk punt is dat de klantmanagers van Werkplein cliënten uit alle deelnemende gemeenten bedienen terwijl de klantmanagers Wmo en Jeugdzorg wijkgericht werken. Daardoor heeft een klantmanager bij Werkplein bij elke cliënt te maken met een andere klantmanager bij de gemeenten en omgekeerd. Daarbij helpt het niet dat het personeelsverloop onder klantmanagers relatief groot is.
Als de gemeente meer wil inzetten op een integrale aanpak in het sociaal domein verdient het aanbeveling te investeren in het verder stroomlijnen van de werkprocessen en het verbeteren van de samenwerking tussen Werkplein en de uitvoeringsorganisaties in de andere domeinen. Inzet instrumenten in lijn met beleidsvisie maar extra aandacht voor categorie C nodig Werkplein heeft een heldere verdeling gemaakt welke instrumenten zij inzet voor welke doelgroepen. De inzet van loonkostensubsidies door Werkplein is volgens Divosa vergelijkbaar met andere organisaties van
- 27 -
de eigen grootteklasse, maar ligt wel duidelijk onder het landelijk gemiddelde. Het volume van het beschut werk ligt daarentegen bij Werkplein ruim boven het landelijk gemiddelde, en ook ruim boven het gemiddelde van de vergelijkbare organisaties. Daarmee laat Werkplein zien dat zij inzet op de categorie C, zoals ook is vastgelegd in de beleidsvisie van de gemeenten. Een grote inzet op beschut werk heeft op termijn wel grotere financiële gevolgen voor Moerdijk. De vraag is daarom relevant waarom het niet lukt om deze groep met behulp van loonkostensubsidies bij reguliere werkgevers aan de slag te laten gaan. Het SCP onderzoek heeft hier al een eerste antwoord op gegeven. De verwachting is dat de landelijke discussie over deze groep zich de komende jaren verder zal ontwikkelen. Het verdient aanbeveling om hier ook lokaal en regionaal aandacht voor te vragen. Samenwerking WSP Werkplein verloopt goed, regionaal WSP aandachtspunt Bij het bevorderen van de uitstroom naar de arbeidsmarkt heeft Werkplein er voordeel van dat het een werkgeversservicepunt in eigen huis heeft. Dit bevordert de communicatie en afstemming tussen de arbeidsbemiddelaars enerzijds en de klantmanagers werk anderzijds.
Het helpt de klantmanagers werk de re-integratietrajecten aan te passen op de mogelijkheden op de regionale arbeidsmarkt, terwijl het de arbeidsbemiddelaars van het Werkgeversservicepunt helpt om bij het werven van vacatures de focus te richten op banen waarvoor veel werkzoekenden beschikbaar zijn. Een aandachtspunt is dat er bij de werkgeversbenadering nog winst te boeken is door versterking van de samenwerking tussen de verschillende subregionale WSP-en in de arbeidsmarktregio. Veel en gedetailleerde verantwoordingsinformatie Werkplein rapporteert met grote regelmaat op hoog detailniveau over de mate van realisatie van gestelde doelen. Naast de Maandrapportages met cijfers over de stand van het aantal uitkeringen en de in- en uitstroom, verschijnen er regelmatig Bestuursrapportages en Jaarstukken met gedetailleerde informatie over de realisatie van de gestelde doelen en de financiële resultaten van de organisatie. De gemeente heeft daardoor goed zicht op de in- en uitstroom uit de uitkering. De hoeveelheid verantwoordingsinformatie en de mate van gedetailleerdheid kan er wel toe leiden dat raadsleden door de bomen het bos niet meer zien. Raad beperkte rol in aansturing uitvoering Het Participatiebeleid van de gemeente Moerdijk en van de andere gemeenten in het Hart van WestBrabant is neergelegd in een beleidsnota die door de gemeenteraad is vastgesteld in 2014.
Het uitvoeringsbeleid van Werkplein heeft zich sinds 2014 geëvolueerd op basis van veranderende inzichten, opgedane ervaringen en ontwikkelingen aan zowel de vraagzijde als de aanbodzijde van de arbeidsmarkt. Wijzigingen in de uitvoering zijn tot stand gekomen in het ambtelijk overleg tussen Werkplein en betrokken gemeenten en in het bestuurlijk overleg tussen Werkplein en de portefeuillehouders die tezamen het algemeen bestuur van de organisatie vormen. De werkwijze van Werkplein is zeer transparant. Er wordt uitvoerig gerapporteerd over het uitvoeringsbeleid en over de behaalde resultaten. De gemeenteraden krijgen de informatie die nodig is om zich een oordeel te vormen. Zij bevinden zich echter in een lastige positie, omdat ze pas de gelegenheid krijgen om zich uit te spreken als de compromissen op tafel liggen en aanpassingen moeilijk meer te realiseren zijn. Hoewel de gemeenteraad dus uitgebreide informatie ontvangt over de uitvoering van de Participatiewet, is er weinig zicht op de wijze waarop het beleid tot stand komt en is de effectieve invloed die elk van de zes raden van de deelnemende gemeenten kan uitoefenen beperkt
- 28 -
5.
Resultaten
5.1.
Cijfermatige ontwikkeling
Om het aantal uitkeringen in Moerdijk naar waarde te kunnen schatten is een vergelijking nodig met andere gemeenten. Die vergelijking is slechts zinvol wanneer de cijfers over het beroep op de bijstand en die over in- en uitstroom worden gerelateerd aan de zwaarte van de problematiek in de vergelijkingsgemeenten. Om dit te realiseren maken we gebruik van de resultaten van het verdeelmodel van de BUIG-middelen (zie ook paragraaf 2.2). Dit model is ontwikkeld door het Sociaal en Cultureel Planbureau en de Stichting voor Economisch Onderzoek van de UvA. Het model bepaalt de kans op bijstand van de inwoners van een gemeente op basis van factoren die niet beïnvloedbaar zijn door bijstandsbeleid van de gemeente. De uitkomst van het model rekenen we om in een genormeerd aantal bijstandsontvangers in een gemeente bij een ‘gemiddeld’ bijstandsbeleid.12 Tabel 5: Bijstandsuitkeringen vergeleken met het genormeerde aantal, Moerdijk 2015
2016
2017
2018
2019
5.760
5.493
6.191
6.972
7.186
Genormeerd aantal uitkeringen
438
431
476
512
480
Feitelijk aantal uitkeringen
431
466
496
473
454
Uitkeringen in % norm 98% 108% Bron: Ministerie van SZW (budgetten), CBS (uitkeringen)
104%
92%
95%
BUIG-budget (1000 €)
De conclusie die uit deze exercitie kan worden getrokken is dat het aantal uitkeringen in Moerdijk in 2016 en 2017 ruim boven het genormeerde aantal lag, maar dat het daar in 2018 ruim onder is gedoken en in 2019 onder is gebleven. Hieronder schetsen we het verloop van het aantal uitkeringen in Moerdijk van 2014 tot 2019 in grafieken. We vergelijken de gemeente met het landelijk gemiddelde en met een vergelijkingsgroep van twintig gemeenten met een vergelijkbare problematiek. We hebben deze groep samengesteld op basis van de voorlopige BUIG-uitkering voor 2019. Figuur 4: Ontwikkeling bijstand in Moerdijk, 2017=100
Ontwikkeling bijstand Moerdijk, 2017 = 100 105,0 100,0 95,0 90,0 85,0 80,0 75,0 70,0 2014
2015 Nederland
2016
2017
Vergelijkingsgroep
2018
2019
Moerdijk
Bron: CBS, totaal aantal uitkeringen op grond van de Participatiewet, geïndexeerd naar 2017=100. De Vergelijkingsgroep omvat 20 gemeenten met een vergelijkbaar BUIG-budget. 12 Het “genormeerde” aantal bijstandsgerechtigden moet worden gelezen als het aantal bijstandsgerechtigden dat
volgens het verdeelmodel in de betreffende gemeente verwacht had mogen worden bij een “gemiddeld” bijstandsbeleid. Wij gebruiken dit gegeven omdat het de best beschikbare indicator is van de problematiek in de gemeente.
- 29 -
Het verloop van de bijstand in de gemeente Moerdijk is in 2015 en 2016 ongunstig in vergelijking met het gemiddelde in Nederland en in vergelijking met de gemeenten uit de vergelijkingsgroep. Het beroep op de bijstand loopt in de periode van 2014 tot 2017 in Moerdijk sneller op dan in Nederland en in de vergelijkingsgroep. In 2018 en 2019 gaat de daling in Moerdijk gelijk op met die van de andere gemeenten. Onderstaande figuur laat het groeitempo van de uitkeringen in Moerdijk zien aan de hand van het voortschrijdend maandgemiddelde. Figuur 5: Twaalfmaands groei aantal uitkeringen
Twaalfmaandsgroei aantal bijstandsuitkeringen 20% 15% 10% 5% 0% 2015
2016
2017
2018
2019
-5% -10% Moerdijk
Vergelijkingsgroep
Nederland
De in- en uitstroom uit de bijstand in Moerdijk hebben we vergeleken met die in twintig gemeenten met een vergelijkbare problematiek. De vergelijkingsgemeenten hebben we geselecteerd op basis van het BUIGbudget voor 2019. Om deze gemeenten onderling vergelijkbaar te maken hebben we in- en uitstroom berekend als percentage van het genormeerde aantal uitkeringen voor die gemeente. De in- en uitstroomcijfers hebben betrekking op 2017. Dit is het laatste jaar waarover het CBS deze statistiek heeft gepubliceerd.
- 30 -
Figuur 6: In- en uitstroom in Moerdijk en vergelijkingsgemeenten
Moerdijk, instroom en uitstroom, 2017 50,0% 40,0% 30,0% 20,0% 10,0% 0,0% -10,0%
Instroom
Uitstroom
Saldo
Bron: in- en uitstroomcijfers CBS, eigen berekening naar procenten van het genormeerde aantal bijstandsontvangers in de gemeente. Vergelijkingsgemeenten geselecteerd op basis van het BUIG-budget. De cijfers over 2017 zijn de meest recente beschikbare cijfers over in- en uitstroom.
Moerdijk kende in 2017 een uitstroom uit de bijstand van 29,4% van het genormeerde aantal uitkeringen. Dat ligt boven het gemiddelde van de vergelijkingsgemeenten, dat 28,4% bedraagt. De instroom in Moerdijk ligt met 27,3% van het genormeerde aantal uitkeringen onder het gemiddelde van 30,4% voor de vergelijkingsgemeenten. Het aantal uitkeringen is in 2017 afgenomen met 2,1%% van het genormeerde aantal uitkeringen, Daarmee scoorde Moerdijk beter dan de vergelijkingsgemeenten, waar het aantal uitkeringen in 2017 nog met 2,0% van het genormeerde aantal uitkeringen toenam. Figuur 7: In- en uitstroom bijstand Moerdijk, 2016-2019, 12 mnds voortschrijdend totaal
In- en uitstroom bijstand Moerdijk 200 180 160 140 120 100 80 2016
2017 instroom
2018
2019
uitstroom
Bron: Marap gemeente Moerdijk, eigen bewerking
In de grafiek is te zien dat de instroom in de bijstand dankzij de gunstige economische ontwikkeling vanaf 2016 sterk is afgenomen. De uitstroom wist zich in 2017 te handhaven op het niveau van 2016, maar is
- 31 -
sindsdien, ondanks de gunstige economische ontwikkeling, mee gedaald met de instroom, waardoor het beroep op de bijstand slechts weinig is afgenomen. Dit is een ontwikkeling die in veel gemeenten is te zien. Hoe korter mensen in de bijstand zitten, hoe groter de kans dat ze er weer uitkomen. Een grote uitstroom uit de bijstand is vaak te “danken” aan een grote instroom. Als de instroom in de bijstand opdroogt, neemt het aantal mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt af en zal de uitstroom stokken. Ondanks een toenemend aantal vacatures blijft de werkloosheid dan hoog.
Uitstroom naar werk Van de uitstroom uit de bijstand is een deel het gevolg van het aanvaarden van werk. Het merendeel van de uitstroom is het gevolg van verhuizing, andere huishoudenssamenstelling of overige redenen. Onderstaande figuur illustreert dit. Figuur 8: Uitstroom naar werk en overig, Moerdijk
Uitstroom Moerdijk 160 140 120 100 80 60 40 20 0 2015
2016
2017 werk
2018
2019
overig
Bron: Marap Moerdijk
Uit de Divosa-monitor blijkt dat de uitstroom naar werk in de Werkplein-gemeenten laag is: van de totale uitstroom houdt 29% verband met het aanvaarden van werk, terwijl dit in de vergelijkingsgroep 39% is, We tekenen hierbij aan dat de cijfers voor de uitstroom naar werk zeer gevoelig zijn voor de wijze van registreren. Ontheffing van de arbeidsverplichting Op grond van de Participatiewet zijn alle bijstandsontvangers verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden of voor de uitkering een tegenprestatie te leveren. De wet maakt een uitzondering voor alleenstaande ouders die moeten zorgen voor één of meer kinderen tot vijf jaar. Daarnaast stelt de wet gemeenten in staat in individuele gevallen een ontheffing te verlenen van deze verplichtingen als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Uit de Divosa-monitor blijkt dat van die mogelijkheid door gemeenten veel gebruik wordt gemaakt. Uit de Divosa-monitor blijkt dat van de bijstandsgerechtigden van Werkplein in 2018 ongeveer 11,5% een ontheffing arbeidsverplichting had. In de eerste helft van 2019 is dit percentage opgelopen tot ongeveer 17% in juni. In uitvoeringsorganisaties van een vergelijkbare omvang als Werkplein is het percentage met een ontheffing in de twaalf maanden tot juni 2019 opgelopen van 14% tot 17%.
Het landelijke gemiddelde is in die tijd opgelopen van 14% tot 15%.
- 32 -
5.2.
Tussenconclusie resultaten
Naar verhouding vanaf 2016 minder beroep op Participatiewet dan vergelijkbare gemeenten In het eerste jaar van de Participatiewet, 2015, behaalde de gemeente Moerdijk een negatief resultaat op het BUIG-budget. Achteraf lijkt dit vooral het gevolg te zijn geweest van kinderziekten in het verdelingsmodel. In 2016 kende het BUIG-budget van de gemeente een veel grotere toename dan het aantal bijstandsontvangers. Sindsdien ligt het beroep op de bijstand steeds onder het gemiddelde van vergelijkbare gemeenten. Wel vraagt de ontwikkeling in 2019 aandacht. De daling van het aantal bijstandsontvangers is dat jaar in Moerdijk gestagneerd, terwijl die in andere gemeenten is doorgegaan. Over de – naar het zich laat aanzien dramatische – ontwikkeling in 2020 zijn nog geen cijfers beschikbaar. Gemiddelde in- en uitstroom, lage uitstroom naar werk De instroom in de bijstand ligt in Moerdijk een fractie boven het gemiddelde van de vergelijkingsgroep. De uitstroom uit de bijstand ligt in Moerdijk een fractie onder die van de vergelijkingsgroep. De verschillen zijn niet groot. Wel zou een reden voor zorg kunnen zijn dat een groot deel van de uitstroom demografische oorzaken heeft en dat de uitstroom naar werk relatief laag is.
- 33 -
6.
Conclusies en aanbevelingen
In dit hoofdstuk brengen we de conclusies uit onze analyse samen en formuleren we een aantal adviezen voor een verbetering van de doeltreffendheid van de uitvoering van bijstand en re-integratie door Moerdijk. We volgen daarbij de vier aspecten die de Rekenkamer in hun onderzoeksopdracht heeft benoemd, te weten: het beleid van de gemeente op het terrein van bijstand en re-integratie en de doelen die daaruit voortvloeien voor de uitvoering door Werkplein; de wijze waarop de uitvoering van bijstand en re-integratie door de gemeente wordt aangestuurd en gemonitord; de wijze waarop de gemeenten de uitvoering van bijstand en re-integratie, inclusief preventie van fraude en handhaving; hebben georganiseerd; de resultaten die de gemeenten met de uitvoering van de Participatiewet bereiken. Daarnaast beantwoorden we in dit hoofdstuk ook de specifieke vragen van de gemeenteraad. Beperkte beleidsruimte, groter financieel belang en bezuiniging nopen tot scherpe keuzes Met de invoering van de Participatiewet heeft het Rijk de gemeenten de verantwoordelijkheid gegeven voor de re-integratie van een brede groep mensen die niet zelfstandig in hun inkomen kunnen voorzien. Tegelijkertijd heeft het Rijk flink bezuinigd op de uitvoeringsbudgetten van de gemeenten en is het financieel belang dat de gemeente heeft bij een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de wet toegenomen.
Dit vergroot de noodzaak voor de gemeente Moerdijk en andere gemeenten om scherpe keuzes te maken in de uitvoering van de Participatiewet en samenhang te zoeken met de uitvoering van Wmo en Jeugdzorg. Alhoewel er in de beleidsnota van Moerdijk wel verbinding gelegd wordt in het sociaal domein staat de beleidsontwikkeling en inrichting van de uitvoering op dit gebied nog in de kinderschoenen, Voor een doelmatig Participatiebeleid is niet alleen inzicht nodig in de effectiviteit van de re-integratie-inspanningen maar ook in de effecten die werk heeft op het beroep op de jeugdzorg en de Wmo. Meer inzicht in de bredere maatschappelijke effecten kan de gemeenteraad helpen om scherpere keuzes te maken in de inrichting van het Participatiebeleid, de uitvoeringsorganisatie en de inzet van haar schaarse middelen. Weinig couleur locale door regionaal afgestemde verordeningen en beleid De gemeente Moerdijk heeft haar verordeningen en haar beleid voor de uitvoering van de Participatiewet afgestemd met de andere gemeenten in de regio. Gelet op het regionale karakter van de arbeidsmarkt en het feit dat Moerdijk de uitvoering van de Participatiewet samen met andere gemeenten heeft ondergebracht in het Werkplein is dit een logische en noodzakelijke ontwikkeling. Het vormt voor de gemeenteraad van Moerdijk wel een uitdaging bij de invulling van haar eigen kaderstellende rol.
Die kan zij namelijk niet los zien van de gemeenteraden van de andere gemeenten. Net als de uitvoeringsorganisatie zal zij de samenwerking moeten zoeken met de andere gemeenteraden bij het invullen van haar rol. Aangezien de ontwikkeling van in- en uitstroom uit de Participatiewet hoofdzakelijk bepaald wordt door de ontwikkeling van de regionale arbeidsmarkt is afstemming van verordening en beleid op hoofdlijnen belangrijk. De gemeenteraad van Moerdijk heeft daarnaast de ruimte om in haar beleid aandacht te vragen voor specifieke doelgroepen en haar instrumenten en middelen gericht in te zetten. Zij maakt op dit moment van deze mogelijkheden geen gebruik. Door instrumenten gericht in te zetten voor specifieke groepen kan het beleid effectiever worden voor die groepen. Smart geformuleerde dienstverleningsovereenkomsten met Werkplein zonder specifieke doelen voor Moerdijk. De uitvoering van de Participatiewet is vastgelegd in gezamenlijke dienstverleningsovereenkomsten voor het Werkplein. In die dienstverleningsovereenkomsten zijn specifieke resultaatafspraken gemaakt voor alle
- 34 -
deelnemende gemeenten. Er zijn geen specifieke resultaatafspraken gemaakt voor Moerdijk. Dit is een bewuste keuze van de deelnemende gemeenten die recht doet aan het regionale karakter van re-integratie en de uitvoering door het Werkplein ten goede komt. Het plaatst de raad van Moerdijk wel in een positie dat zij samen met de andere gemeenten op regionaal niveau kaderstellend en controlerend is en niet op het gemeentelijk niveau. Bestuurders en uitvoerders zijn tevreden over de regionale aanpak. We hebben in het onderzoek geen aanwijzingen gekregen dat dit voor de gemeenteraden anders is maar kunnen ons voorstellen dat het voor de raad zinvol kan zijn een visie te ontwikkelen op de invulling van zo’n regionale kaderstellende en controlerende rol. Hoeveelheid managementinformatie kan controlerende rol belemmeren Evenals de opdrachtverlening aan Werkplein is ook de managementinformatie over de resultaten niet specifiek voor Moerdijk maar voor Werkplein als geheel. De raad van Moerdijk kan dus wel controleren of Werkplein haar opdrachten adequaat uitvoert maar kan niet direct beoordelen hoe dit voor de individuele burgers van Moerdijk uitpakt. De managementinformatie die vanuit Werkplein gegeven wordt is veel en gedetailleerd en bevat veel informatie over procesindicatoren.
Het is raadzaam voor de raad om, samen met overige gemeenteraden in de regio, te bepalen op welke indicatoren ze gericht wil sturen en hier informatie over te ontvangen. Goed beschreven werkwijze Werkplein met specifieke aandacht voor C-groep De werkwijze van Werkplein is beschreven in deze rapportage. De werkwijze is helder uitgewerkt. Met name het uitvoeringsbeleid voor de C-groep als geheel is uitgebreid beschreven en uitgewerkt door het werkplein. Er is in het beleid geen specifieke aandacht voor statushouders en jongeren en mensen met een grote afstand tot werk. In de uitvoering wordt de specifieke behoefte van deze groepen wel herkend en wordt er ook aandacht aan gegeven. Als de gemeenteraad echter meer aandacht voor deze specifieke groepen wil verdient het aanbeveling dit ook in beleid te vertalen. Nuggers hebben recht op ondersteuning maar hier wordt niet actief op gestuurd Nuggers hebben hetzelfde recht op ondersteuning bij re-integratie als bijstandsgerechtigde cliënten. Er wordt door het Werkplein niet actief gestuurd op het bereiken van deze doelgroep om hen een aanbod te doen. Er is ook geen specifieke informatie over het aantal Nuggers uit Moerdijk dat een aanbod krijgt en hoe effectief dat aanbod is. Nuggers kunnen echter ook een beroep doen op andere voorzieningen in het sociaal domein zoals jeugdzorg en Wmo.
Het kan vanuit dit perspectief voor de gemeente wel van belang zijn om specifieke groepen Nuggers toch een aanbod gericht op werk te doen. Ook kunnen Nuggers voorzien in de arbeidsvraag van werkgevers in kraptesectoren. Vanuit dit perspectief verdient het aanbeveling voor de gemeenten het beleid voor Nuggers verder uit te werken. Samenwerking met UWV in WSP verloopt volgens partners goed Over de samenwerking met het UWV zijn vanuit de gesprekspartners weinig klachten. De doorstroom uit de WW naar de bijstand is uiterst beperkt. Veel WW-gerechtigden hebben na afloop van de WW geen recht op bijstand vanwege hun vermogen of het inkomen van hun partner. Partners zijn tevreden over de samenwerking in het WSP. Het feit dat het WSP is ondergebracht bij Werkplein maakt een goede wisselwerking mogelijk tussen arbeidsbemiddelaars van het WSP en de klantmanagers van Werkplein, en daardoor een goede afstemming van de arbeidstoeleiding op de behoeften van de arbeidsmarkt. Een nadeel zou kunnen zijn dat de arbeidsbemiddeling binnen de arbeidsmarktregio (die naast de zes gemeenten uit het Hart van West-Brabant nog acht andere gemeenten telt) versnipperd raakt, waardoor arbeidsmarktkansen buiten de eigen subregio onvoldoende worden benut.
Mismatch tussen uitkering en wensen werkgevers De economische groei van de afgelopen jaren heeft de mismatch tussen de mensen die nu een beroep doen op de Participatiewet en de wensen van werkgevers groter gemaakt. Veel mensen met een korte afstand tot werk zijn de laatste jaren uitgestroomd naar werk. De groep die nu een beroep doet op de
- 35 -
Participatiewet bestaat grotendeels uit mensen in categorie C. Deze groep heeft een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Deze afstand wordt veroorzaakt door een combinatie van factoren: weinig of geen opleiding, weinig of geen relevante werkervaring, taalproblematiek, slechte psychische of fysieke gezondheid, beperkte sociale vaardigheden. Voor een deel van deze mensen is deze afstand te overbruggen door gerichte opleiding en werkervaring. Uitvoering participatiewet door Werkplein lijkt voor Moerdijk voldoende Werkplein heeft bij de uitvoering van bijstand en re-integratie redelijke resultaten geboekt. In het eerste jaar van de Participatiewet, 2015, behaalde de gemeente Moerdijk een negatief resultaat op het BUIGbudget. Achteraf lijkt dit vooral het gevolg te zijn geweest van kinderziekten in het verdelingsmodel. In 2016 kende het BUIG-budget van de gemeente een veel grotere toename dan het aantal bijstandsontvangers. Sindsdien ligt het beroep op de bijstand steeds onder het gemiddelde van vergelijkbare gemeenten. Wel vraagt de ontwikkeling in 2019 aandacht. De daling van het aantal bijstandsontvangers is dat jaar in Moerdijk gestagneerd, terwijl die in andere gemeenten is doorgegaan. Over de – naar het zich laat aanzien dramatische – ontwikkeling in 2020 zijn nog geen cijfers beschikbaar.
De instroom in de bijstand ligt in Moerdijk een fractie boven het gemiddelde van de vergelijkingsgroep. De uitstroom uit de bijstand ligt in Moerdijk een fractie onder die van de vergelijkingsgroep. De verschillen zijn niet groot. Wel zou een reden voor zorg kunnen zijn dat een groot deel van de uitstroom demografische oorzaken heeft en dat de uitstroom naar werk relatief laag is. Het verdient aanbeveling om nader onderzoek te doen naar de effectiviteit van de keuze om in 2015/2016 extra te investeren in categorie A ten nadele van categorie C. Het oplopende financiële tekort op de BUIG lijkt in 2015 en 2016 immers vooral het effect te zijn geweest van het nieuwe verdeelmodel. Ook weten we uit onderzoek dat investeren in categorie C op langere termijn effectief is. Samenvatting aanbevelingen Op basis van ons onderzoek naar de uitvoering van de Participatiewet in Moerdijk komen we tot de volgende aanbevelingen voor de gemeente: 1. Ontwikkel als gemeenteraad een visie op de rol van de gemeenteraad in regionale samenwerking. Hoe vul je daarin je kaderstellende en controlerende taak in en zorg je voor voldoende ‘couleur locale’? Doe dit bij voorkeur in samenwerking met de raden uit de samenwerkingsgemeenten. 2. Scherp als gemeenteraad de beleidskeuzes bij de uitvoering van de Participatiewet verder aan.
Betrek daarin onderzoek over de effectiviteit van re-integratie voor verschillende doelgroepen en onderzoek naar de bredere maatschappelijke effecten van re-integratie. Beoordeel opnieuw de inzet van middelen over de A, B en C categorie en overweeg of en hoe je als gemeente verder wil inzetten op specifieke groepen als statushouders en jongeren uit speciaal onderwijs 3. Bewaak als gemeenteraad je kaderstellende en controlerende rol. Formuleer zelf de beleidsdoelen en zorg voor een gerichte en adequate verantwoording van de uitvoering over deze doelen. Voorkom overkill aan informatie en beperk de verantwoordingsinformatie tot de hoofdlijnen. 4. Borg kennis over de effectiviteit van instrumenten binnen het Werkplein en investeer in kennisontwikkeling over de effecten van re-integratie op het brede sociaal domein. 5. Geef Werkplein de opdracht de samenwerking met de overige uitvoeringsorganisaties in het sociaal domein verder uit te werken. Geef Werkplein ook de opdracht de samenwerking in het WSP op arbeidsmarktregio verder te verbeteren.
- 36 -
7.
Reactie college op conceptrapportage
Op 22 oktober 2020 heeft de Rekenkamer het conceptrapport aangeboden voor bestuurlijk hoor en wederhoor. Het college heeft hierop gereageerd bij brief van 26 november 2020. De inhoud van deze brief is onderstaand integraal verwoord.
Geachte heer Clayden, De Rekenkamer West-Brabant heeft een rekenkameronderzoek uitgevoerd naar het onderwerp “Uitvoering Participatiewet”. Wij hebben kennis genomen van de conceptrapportage d.d. 22 oktober 2020.
Conclusies In grote lijnen kunnen we ons vinden in de tussenconclusies (paragrafen 3.5, 4.3 en 5.2) en de conclusies (hoofdstuk 6) zoals deze door de Rekenkamer zijn verwoord in de conceptrapportage. De (tussen) conclusies geven een beeld van de sterke punten ten aanzien van de uitvoering van de Participatiewet door de gemeente Moerdijk (in samenspraak met de vijf andere gemeenten in het Hart van West-Brabant) en zoomt in op de punten die in ontwikkeling zijn dan wel nog verder ontwikkeld zouden kunnen worden. Wat wel opvalt is, dat de sterke punten zoals vermeld bij de tussenconclusies in de paragrafen 3.5, 4.3 en 5.2, in hoofdstuk 6 (algehele conclusies) minder goed uit de verf komen. Zo zien wij in hoofdstuk 6 niet de tussenconclusie terug dat de gemeente Moerdijk, in samenwerking met de vijf andere gemeenten in het Hart van West-Brabant, in verordeningen en beleidsnota’s een heldere visie heeft neergelegd op de uitvoering van de Participatiewet (paragraaf 3.5). Dit geldt eveneens voor de positieve punten uit de (tussen)conclusies over de uitvoering van de Participatiewet door het Werkplein (paragraaf 4.3). Het bovenstaande wordt ons inziens versterkt door de redactie van de titels boven de diverse alinea’s in hoofdstuk 6 (pagina 34 e.v.). De titels geven hetzij een eenzijdig beeld weer of stroken niet geheel met de strekking van de onderliggende tekst.
Dit leidt soms tot een wat negatieve teneur. Voorbeelden: - Weinig couleur locale door regionaal afstemde verordeningen en beleid - Smart geformuleerde dienstverleningsovereenkomsten met Werkplein zonder specifieke doelen voor Moerdijk Deze titels doen geen recht aan de voordelen van regionaal afgestemde verordeningen, regionaal afgestemd beleid en regionaal afgestemde dienstverleningsovereenkomsten, alsmede de regionale uitvoering van de Participatiewet. Zoals ook door de Rekenkamer is geconstateerd biedt de regionale samenwerking schaalvoordelen die de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de uitvoering bevorderen. Gelet hierop is bij de invoering van de Participatiewet door de gemeenteraden van de betreffende samenwerkingsgemeenten (waaronder de gemeenteraad van Moerdijk) bewust gekozen voor regionale samenwerking via Hart van West-Brabant in plaats van per gemeente individuele beleidsbepaling en uitvoering. Dit betekent inderdaad ‘minder couleur locale’. Het is de vraag of minder ‘couleur locale’ opweegt tegen de schaalvoordelen en het elkaar versterken als samenwerkingsgemeenten bij de uitvoering van de Participatiewet. -
Mismatch tussen uitkering en wensen werkgevers. De strekking van de tekst in deze alinea is dat doelgroep die een beroep doet op de Participatiewet veelal een grote(re) afstand heeft tot de arbeidsmarkt. Er is geen sprake van een mismatch, de gemeente heeft geen invloed op deze afstand. De afstand is voor deze doelgroep overigens niet meer te overbruggen door het volgen van een opleiding, hetgeen als suggestie aangedragen wordt door de Rekenkamer.
- 37 -
Op een aantal passages/conclusies uit hoofdstuk 6 gaan we hieronder nader in. Beperkte beleidsruimte, groter financieel belang en bezuiniging nopen tot scherpe keuzes “Dit (red.: bezuinigingen vanuit het rijk) vergroot de noodzaak voor de gemeente Moerdijk en andere gemeenten om scherpe keuzes te maken in de uitvoering van de Participatiewet en samenhang te zoeken met de uitvoering van Wmo en Jeugdzorg. Alhoewel er in de beleidsnota van Moerdijk wel verbinding gelegd wordt in het sociaal domein staat de beleidsontwikkeling en inrichting van de uitvoering op dit gebied nog in de kinderschoenen.” Het bevorderen van de samenhang tussen de uitvoering van de Participatiewet en de uitvoering van de Wmo en Jeugdzorg is een belangrijk aandachtpunt. De ontwikkeling hiervan is – in samenwerking met de samenwerkingsgemeenten - reeds in gang gezet (zie aanbeveling 5). De uitdrukking “staat nog in de kinderschoenen” is derhalve niet op zijn plaats. Weinig couleur locale door regionaal afgestemde verordeningen en beleid De gemeenteraad van Moerdijk heeft daarnaast de ruimte om in haar beleid aandacht te vragen voor specifieke doelgroepen en haar instrumenten en middelen gericht in te zetten. Zij maakt op dit moment van deze mogelijkheden geen gebruik.
Zoals hiervoor reeds is aangegeven heeft de gemeenteraad ten aanzien van de uitvoering van de Participatiewet bewust gekozen voor regionale samenwerking gelet op de voordelen van schaalvergroting, zowel ten aanzien van het bereiken van de doelen als qua efficiency. Gelet hierop bepalen de gemeenteraden gezamenlijk het beleid en de wijze van uitvoering en is het een bewuste keuze dat Moerdijk niet zelf een eigen gemeentelijk beleid uitstippelt. Mocht de gemeenteraad echter meer ‘couleur locale’ wensen, kan hiertoe – in samenwerking met de samenwerkingsgemeenten – nader onderzoek naar worden verricht. Wij willen de raad hierbij graag ondersteunen (aanbeveling 1). Hoeveelheid managementinformatie kan controlerende rol belemmeren De managementinformatie die vanuit Werkplein gegeven wordt is veel en gedetailleerd en bevat veel informatie over procesindicatoren. Wij beoordelen de managementinformatie die het Werkplein opneemt in de bestuursrapportages voor de gemeenteraad van voldoende niveau, zowel qua inhoud als hoeveelheid. Het is echter wel van belang dat de inhoud en wijze van informatieverstrekking aansluit bij de informatiebehoefte van de raad. Mocht dit niet het geval zijn, zijn wij graag bereid mee te denken hoe een en ander verbeterd kan worden (zie aanbeveling 3).
Aanbevelingen De Rekenkamer heeft op basis van de conclusies 5 aanbevelingen geformuleerd. Aanbeveling 1 Ontwikkel als gemeenteraad een visie op de rol van de gemeenteraad in regionale samenwerking. Hoe vul je daarin je kaderstellende en controlerende taak in en zorg je voor voldoende ‘couleur locale’? Doe dit bij voorkeur in samenwerking met de raden uit de samenwerkingsgemeenten.
- 38 -
Aanbeveling 2 Scherp als gemeenteraad de beleidskeuzes bij de uitvoering van de Participatiewet verder aan. Betrek daarin onderzoek over de effectiviteit van re-integratie voor verschillende doelgroepen en onderzoek naar de bredere maatschappelijke effecten van re-integratie. Beoordeel opnieuw de inzet van middelen over de A, B en C categorie en overweeg of en hoe je als gemeente verder wil inzetten op specifieke groepen als statushouders en jongeren uit speciaal onderwijs. Aanbeveling 3 Bewaak als gemeenteraad je kaderstellende en controlerende rol. Formuleer zelf de beleidsdoelen en zorg voor een gerichte en adequate verantwoording van de uitvoering over deze doelen. Voorkom overkill aan informatie en beperk de verantwoordingsinformatie tot de hoofdlijnen. Reactie: De aanbevelingen 1 t/m 3 zijn gericht aan de gemeenteraad. Derhalve gaan wij in onze bestuurlijke reactie hier niet nader op in. Wel geven we aan dat – mocht de gemeenteraad hier prijs op stellen – we als college en organisatie graag bereid zijn om gezamenlijk op te trekken bij het uitvoering geven van deze aanbevelingen. Uiteraard kan Moerdijk dit niet alleen, dit zal in samenspraak moeten gaan met alle samenwerkingsgemeenten. Aanbeveling 4 Borg kennis over de effectiviteit van instrumenten binnen het Werkplein en investeer in kennisontwikkeling over de effecten van re-integratie op het brede sociaal domein.
Reactie: Wij onderschrijven het belang van het borgen van kennis over de effectiviteit van instrumenten en het investeren in kennisontwikkeling door het Werkplein. Mocht de gemeenteraad instemmen met deze aanbeveling, zullen wij voor de uitvoering van deze aanbeveling nader in gesprek gaan met het algemeen bestuur van het Werkplein en met de overige samenwerkingsgemeenten. Aanbeveling 5 Geef Werkplein de opdracht de samenwerking met de overige uitvoeringsorganisaties in het sociaal domein verder uit te werken. Geef Werkplein ook de opdracht de samenwerking in het WSP op arbeidsmarktregio verder te verbeteren. Reactie: Wij onderschrijven het bevorderen van de samenhang tussen de uitvoering van de Participatiewet en de uitvoering van de Wmo en Jeugdzorg. De uitvoering hiervan is reeds in ontwikkeling. Wij trekken bij het bevorderen van de samenhang op met de samenwerkingsgemeenten en het Werkplein. Voor wat betreft het WSP merken wij op dat wij – evenals de samenwerkingsgemeenten – tevreden zijn over het feit dat het WSP ondergebracht is bij het Werkplein. Dit maakt een goede wisselwerking mogelijk tussen arbeidsbemiddelaars van het WSP en de klantmanagers van Werkplein en daardoor is er een goede afstemming van de arbeidstoeleiding op de behoeften van de arbeidsmarkt.