Bijlage - Was/wordt-tabel met toelichting
Tekst van het document
Artikel 2:64b Hinder door dieren 1. Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit dier voor een omwonende of overigens voor de omgeving hinder veroorzaakt. 2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet.
Toelichting: Tekstuele wijziging.
AA
Artikel 2:65 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.
Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.
Toelichting: Op grond van artikel 2:65 van de APV is het verboden te bedelen op openbare plaatsen in een door het college aangewezen gebied. Wij voegen daar het motief ‘voorkoming of beëindiging van overlast’ aan toe. Aanleiding is een uitspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens, waarin hij oordeelt dat de menselijke waardigheid wordt aangetast als iemand niet beschikt over voldoende bestaansmiddelen en dat deze beschermd wordt door artikel 8 EVRM (het recht op de eerbiediging van het privéleven). Dit recht kan op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM beperkt worden, mits deze beperking een legitiem doel dient, een wettelijke basis heeft en noodzakelijk is voor de democratische samenleving. De laatste voorwaarde vereist een afweging van de belangen van het individu en die van de maatschappij. 26
Veiligheidshalve nemen wij daarom het motief ‘voorkomen of beëindiging van overlast’ op in artikel 2:65. De bepaling is ook redactioneel aangepast.
AB
Artikel 2:71 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Toelichting: Bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit wordt bepaald welk vuurwerk aan particulieren beschikbaar mag worden gesteld. De toevoeging van de categorieaanduidingen F1, F2 of F3 in de definitie is overbodig. AC Artikel 2:75 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2.1, 2.10, 2.11, 2.16, 2.23, 2.26a, 2.47, 2.48, 2.49, 2.50, 2.73, 2.74, 5.34 van de Algemene Plaatselijke Verordening groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:23, 2:26, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73, 2:74, 5:34 van de Algemene Plaatselijke Verordening groepsgewijs niet naleven.
Toelichting: Tekstuele aanpassing en verbetering verwijzing in verband met vervallen artikel 2:26a. AD Artikel 2:78 wordt als volgt gewijzigd: 27
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:78 Gebiedsontzegging 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven om zich gedurende ten hoogste 14 dagen niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste vier weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gestelde bevelen als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt.
De burgemeester kan op aanvraag een tijdelijke ontheffing verlenen van een bevel.
Artikel 2:78 Gebiedsontzegging 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 14 dagen in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste vier weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod. 4. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod. 5.
Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Toelichting: Redactionele wijziging. Geen inhoudelijke wijziging beoogd. AE 28
Artikel 2:80 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:80 Sluiting voor publiek toegankelijke gebouw en/of erven 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten, als daar: a. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of; b. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen of; c. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen of; d. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die naar het oordeel van de burgemeester de vrees wettigen dat het geopend blijven van het voor publiek toegankelijk gebouw of het bij dat gebouw behorende erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid. 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang tot het gebouw of het erf; 3. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht. 4.
Het is de rechthebbende op het gebouw en/of erf verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te verblijven. 5. Het is eenieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven;
Artikel 2:80 Sluiting voor publiek toegankelijke gebouw en/of erven 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:30, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet. 3. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. 4. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 5. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester. 6. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
29
6. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen. 7. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet . Toelichting: Dit artikel stond al in de APV maar de VNG heeft een redactionele wijziging doorgevoerd. Inhoudelijk wordt hetzelfde beoogd. AF Na artikel 2:80 wordt een nieuw artikel 2:81 ingevoegd dat als volgt luidt: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28 of 3:3; b. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit; c. exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. 4. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in 30
elk geval de volgende gegevens worden verstrekt: a. voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd; b. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder; c. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister; e. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; f. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; b. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; d. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag; e.
als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer. 6. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet. 7. Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend
31
voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 8. De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden. 9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: a. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; c. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; d. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 10.
Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 11. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf. 12. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 13. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin te verblijven. 14. De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen
32
herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 15. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning. 16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Dit artikel vervangt ons oude artikel 2:40j omdat de VNG hier nu een standaard-artikel voor heeft gemaakt. De werking van het artikel is echter hetzelfde. Zie ook de toelichting bij artikel 2:40j. In de regio is ook afgesproken dat we dit artikel overnemen. AG Artikel 3:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:7 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde
Toelichting: Correctie van verkeerder verwijzing. AH Artikel 3:13 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3:13 Adverteren Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:
Artikel 3:13 Adverteren Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: 33
1. geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam; 2. vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a, en 3. als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen
1. geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam; 2. vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder 1, en 3. als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.
Toelichting: Correctie van verkeerde verwijzing in tweede lid. AI Artikel 4:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Activiteitenbesluit: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; b. besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer; c. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; d. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; e. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden zoals koningsdag, carnaval, kermis, etc.;
Artikel 4:1 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - Activiteitenbesluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; - inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; - houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; - collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; - incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
34
f.
incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen, zoals de viering van een jubileum, een straatfeest, etc.; g. geluidgevoelige ruimte: geluidgevoelige ruimte als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder; h. gevel: gevel als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder; i. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; j. Gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; k. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt; l. langtijdgemiddeld beoordelingsniveau: (LAr,LT en LCr,LT) het gemiddelde van de afwisselende A- en C-gewogen niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 (internet uitgave 2004: www.rijksoverheid.nl), inclusief erratalijst (errata digitale versie HMRI 2004: www.infomil.nl). De A- en C-gewogen geluidniveaus dienen bepaald te worden met behulp van de filters/wegingen zoals voorgeschreven in IEC 651; m.
maximaal geluidsniveau: (LAmax) maximaal geluidsniveau gemeten in de meterstand [F] of [fast], als vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 (internet uitgave 2004: www.rijksoverheid.nl), inclusief erratalijst (errata digitale versie HMRI 2004: www.infomil.nl).
-
-
geluidgevoelige ruimte: geluidgevoelige ruimte als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder; gevel: gevel als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt; langtijdgemiddeld beoordelingsniveau: (LAr,LT en LCr,LT) het gemiddelde van de afwisselende A- en C-gewogen niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 (internet uitgave 2004: www.rijksoverheid.nl), inclusief erratalijst (errata digitale versie HMRI 2004: www.infomil.nl). De A- en C-gewogen geluidniveaus dienen bepaald te worden met behulp van de filters/wegingen zoals voorgeschreven in IEC 651; maximaal geluidsniveau: (LAmax) maximaal geluidsniveau gemeten in de meterstand [F] of [fast], als vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 (internet uitgave 2004: www.rijksoverheid.nl), inclusief erratalijst (errata digitale versie HMRI 2004: www.infomil.nl).
Toelichting: Tekstuele aanpassing. AJ Artikel 4:2 wordt als volgt gewijzigd: 35
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen, met dien verstande dat het A-gewogen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het A-gewogen maximale geluidsniveau (LAmax) niet hoger mogen zijn dan 20 dB boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening, om onduldbare hinder voor omwonenden te voorkomen. Het Cgewogen langtijdgemiddeld beoordelingsniveau mag niet meer dan 33 dB boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer nader aan te wijzen delen van de gemeente. 4.
Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 4:5 van deze verordening – uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd. 7. In bijzondere omstandigheden kan het college afwijken van hetgeen in het eerste lid is bepaald.
1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteitendagen gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen, met dien verstande dat het Agewogen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het Agewogen maximale geluidsniveau (LAmax) niet hoger mogen zijn dan 20 dB(A) boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening, om onduldbare hinder voor omwonenden te voorkomen. Het C-gewogen langtijdgemiddeld beoordelingsniveau mag niet meer dan 33 dB boven het boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer nader aan te wijzen delen van de gemeente. 4.
Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikel 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 4:5 van deze
36
verordening – uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd. 7. In bijzondere omstandigheden kan het college afwijken van hetgeen in het eerste lid is bepaald. 8. De collectieve ontheffing geldt niet voor horecabedrijven die geen afdoende geluidwerende voorzieningen hebben aangebracht en/of die gedurende een periode van zes maanden voorafgaande aan de datum van de festiviteit de geldende geluidsnorm hebben overtreden.
8. De collectieve festiviteiten gelden niet voor inrichtingen die geen afdoende geluidwerende voorzieningen hebben aangebracht en/of die gedurende een periode van zes maanden voorafgaande aan de datum van de festiviteit de geldende geluidsnorm hebben overtreden.
Toelichting: Tekstuele aanpassing. AK
Artikel 4:3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten
Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal zes dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college en met dien verstande dat het A-gewogen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) en het A-gewogen maximale geluidsniveau (LAmax) niet hoger mogen zijn dan 20 dB boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening, om onduldbare hinder voor omwonenden te voorkomen. Het Cgewogen langtijdgemiddeld beoordelingsniveau mag niet meer bedragen dan 33 dB boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening.
1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal zes dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college en met dien verstande dat het Agewogen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) en het Agewogen maximale geluidsniveau (LAmax) niet hoger mogen zijn dan 20 dB(A) boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening, om onduldbare hinder voor omwonenden te voorkomen. Het C-gewogen langtijdgemiddeld beoordelingsniveau mag niet meer bedragen dan 33 dB boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van
37
2.
3. 4.
5.
6.
7. 8.
artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3:148, lid 1, van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteiten daarvan melding heeft gedaan aan het college. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaan. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikel 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 4:5 van deze verordening – uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. In bijzondere omstandigheden kan het college afwijken van hetgeen in het eerste lid is bepaald.
De incidentele ontheffing geldt niet voor horecabedrijven die geen afdoende geluidwerende voorzieningen hebben aangebracht en/of die gedurende een periode van zes maanden voorafgaande aan de datum van de festiviteit de geldende geluidsnorm hebben overtreden.
2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3:148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteiten daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaan. 6. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 4:5 van deze verordening – uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 7. In bijzondere omstandigheden kan het college afwijken van hetgeen in het eerste lid is bepaald. 8.
De incidentele festiviteiten gelden niet voor inrichtingen die geen afdoende geluidwerende voorzieningen hebben aangebracht en/of die gedurende een periode van zes maanden voorafgaande aan de datum van de festiviteit de geldende geluidsnorm hebben overtreden.
Toelichting: Tekstuele aanpassing en omdat het aantal genoemd in het tweede lid in relatie staat tot het aantal genoemd in het eerste lid, deze op elkaar afgestemd.
AL
38
Artikel 4:5 lid 1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:5 Onversterkte muziek Artikel 4:5 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste 2.18 eerste lid onder f en vijfde lid van het lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit binnen inrichtingen is de in het Activiteitenbesluit binnen inrichtingen is de in tweede lid opgenomen tabel van toepassing, het tweede lid opgenomen tabel van met dien verstande dat: toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen binnen in- of aanpandige gevoelige niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker gebouwen geen toestemming geeft voor het in van deze gevoelige gebouwen geen redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van toestemming geeft voor het in geluidsmetingen; redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de b. de in de tabel aangegeven waarden op gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de de gevel ook gelden bij gevoelige grens van het terrein; terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen c.
de waarden in in- en aanpandige betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als gevoelige gebouwen, voor zover het bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, woningen betreft, gelden in zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in inwerkingtreding van de Omgevingswet. Voor artikel 1 van de Wet geluidhinder, zoals zover het andere geluidgevoelige gebouwen die wet luidde direct voorafgaand aan betreft gelden de waarden in geluidsgevoelige de inwerkingtreding van de ruimten als bedoeld in artikel 1.1 onder d, van Omgevingswet. het Besluit geluidhinder, zoals dat besluit luidde d. Voor zover het andere geluidgevoelige direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van gebouwen betreft gelden de waarden in de Omgevingswet; geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als artikel 1.1, onder d, van het Besluit vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie geluidhinder, zoals dat besluit luidde wordt toegepast. direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; e. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. Toelichting: Tekstuele aanpassing. AM
Artikel 4:13 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, afvalstoffen en dergelijke.
Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, afvalstoffen en dergelijke. 39
1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. Onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. Bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. Kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. Mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994. 3. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994. 3. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
Toelichting: Tekstuele aanpassing. AN
Artikel 4:18 lid 4 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: 40
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:
a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht
a. natuur en landschap b. een stadsgezicht Toelichting: Tekstuele aanpassing.
AO
Artikel 5:2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstelof onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid genoemde persoon. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt één van deze voertuigen; of b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid genoemde persoon. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt één van deze voertuigen; of b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: 41
Verbetering van verkeerde verwijzing.
AP
Artikel 5:6a wordt verwijderd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:6a Nachtelijk verblijven in en rond voertuigen 1. Het is verboden tussen 22.00 en 08.00 uur op de weg in of rond een camper, kampeerwagen, caravan, vrachtwagen of een dergelijk voertuig te verblijven met het kennelijke doel om ter plaatse de nacht door te brengen. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hogere regelgeving. Toelichting: Dit artikel is vervangen door het VNG-artikel 2:54.
AQ
Artikel 5:7 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig primair gericht op het aanduiden van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting:
42
Tijdens de stofkamsessies kwam naar voren dat de raad in dit artikel wenste te verduidelijken dat het hier niet gaat om voertuigen waar de naam van een onderneming op staat die gewoon gebruikt worden als transportmiddel. AR
In artikel 5:10a komt te vervallen: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:10a Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1. Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
Artikel 5:10a Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan Vervallen.
Toelichting: Dit artikel over het verbod om te parkeren anders dan op de rijbaan (‘bermparkeren’) vervalt. Zowel het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) als het ministerie van Verkeer en Waterstaat vinden dat de bepaling in strijd is met hogere regelgeving, namelijk artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). In verband hiermee is feitelijke handhaving/strafbaarstelling onmogelijk en is de bepaling een dode letter en kan deze dus vervallen.
AS
In artikel 5:12 wordt als volgt gewijzigd. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2. Het is tevens verboden zich op de in lid 1 genoemde plaatsen en terreinen te bevinden met een fiets of bromfiets op het moment dat daar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt
Artikel 5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan. 43
die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. 3. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg, of op een door het college aangewezen plaats, te laten staan 4. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.
3. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg, of op een door het college aangewezen plaats, te laten staan
Toelichting: Dit artikel is in overeenstemming gebracht met het VNG-artikel. Zie ook de toelichting bij de wijziging van artikel 2:52.
AT
Artikel 6:2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6:2 Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, zijn belast: a. de ambtenaren belast met vergunning en handhaving die als zodanig door of namens het college zijn aangesteld; b. de daartoe aangewezen personen van de omgevingsdienst Midden- en WestBrabant. 2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen belasten met het toezicht, bedoeld in het eerste lid. 3. Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.
Artikel 6:2 Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, zijn belast: a. de ambtenaren van de afdeling Vergunning, veiligheid, toezicht en handhaving en van afdeling openbare ruimte, ieder voor zover het betreft zaken, die aan hun toezicht zijn toevertrouwd; b. de daartoe aangewezen personen van de omgevingsdienst Midden- en WestBrabant. 2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen belasten met het toezicht, bedoeld in het eerste lid. 3. Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.
Toelichting: Tekstuele aanpassing. 44
Overige Toelichting Tijdens de stofkamsessies zijn nog een paar vragen gesteld over artikelen die nog nader bekeken moesten worden. Het betreft nog het volgende:
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats In dit artikel staat in het eerste lid dat het verboden is de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, danwel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Tijdens de stofkamsessie werd opgemerkt dat “redelijke eisen van welstand” een wat onduidelijke term is en de vraag was dan ook of dit niet op een andere manier verwoord kan worden. De term “redelijke eisen van welstand” staat ook in het model-artikel van de VNG. Het is een heel breed begrip dat uiteraard op meerdere manieren uit te leggen is. Het is ook geheel afhankelijk van de specifieke situatie of er al dan niet aan de redelijke eisen van welstand voldaan wordt. Voor de meest voorkomende gevallen zijn nadere regels gemaakt op basis van lid 3 van dit artikel. In bijvoorbeeld de nadere regels voor uitstallingen of terrassen wordt dan nader uitgelegd hoe een terras of een uitstalling geplaatst mag worden, zonder in strijd te komen met de belemmeringen uit het eerste lid, waaronder welstand.
In zo’n geval wordt dus voor de specifieke situatie nader uitgelegd wat o.a. met redelijke eisen van welstand bedoeld wordt. Omdat er sprake kan zijn van zoveel verschillende situaties, is het heel lastig om in het eerste lid in zijn algemeenheid te specificeren wanneer nu sprake is van het al dan niet voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Mocht er in de praktijk sprake zijn van een situatie die niet valt onder de nadere regels van het derde lid, maar waarvan wij van mening zijn dat er toch sprake is van een situatie die strijdig is met de redelijke eisen van welstand, dan zullen we dat heel goed moeten onderbouwen voor die specifieke situatie. In een eventuele aanschrijving zullen we dus goed uit moeten leggen wat die strijd met de redelijke eisen van welstand in dat specifieke geval inhoudt. Het zal dan gaan om extreme situaties waarin overduidelijk is dat het object dat op de openbare weg wordt geplaatst niet past binnen de omgeving waar het geplaatst wordt. Omdat het onmogelijk is om dit voor alle mogelijke situaties specifiek te beschrijven, wordt het eerste lid de algemene term “redelijke eisen van welstand” behouden. Artikel 2:29 Sluitingstijd Als gevolg van een overlastsituatie zijn in het verleden voor de Voorstraat in Willemstad andere sluitingstijden gaan gelden. Tijdens de stofkamsessie werd de vraag gesteld of deze afwijkende tijden nog verdedigbaar zijn.
De vraag was dan ook of er onderzoek wordt gedaan naar de huidige overlast. Er zijn momenteel geen verzoeken van omwonenden of horeca-ondernemers om de tijden aan te passen. Het komende jaar zal echter wel onderzocht gaan worden of de situatie nog past bij de gestelde regels.
45
Artikel 2:40j Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat Dit artikel maakt het mogelijk om bepaalde gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten vergunningplichtig te maken als de leefbaarheid of de openbare en veiligheid in of rondom dat gebouw of bedrijf onder druk staat. Tijdens de stofkamsessie werd opgemerkt dat de zinsconstructie in dit artikel soms wat onduidelijk was. In het huidige voorstel wordt dit artikel vervangen door een VNG-modelartikel. Het oude artikel 2:40j is dus in zijn geheel geschrapt. Artikel 2:64a Vernietigen van rupsen en -nesten In dit artikel krijgt het college de bevoegdheid om burgers aan te schrijven een rupsennest dat zich op hun eigendom bevindt, te verwijderen. Tijdens de stofkamessie werd de vraag gesteld of dit ook niet zou moeten gelden voor hoornaarsnesten. De afdeling openbare ruimte buigt zich momenteel over dit vraagstuk. Onderzocht moet worden het tegengaan van hoornaarsnesten ook op deze manier mogelijk kan zijn. Voor het in routing gaan van deze wijziging van de APV was hier nog geen duidelijkheid over. Mocht een uitbreiding van dit artikel gewenst zijn dan zal dit met de volgende wijziging van de APV meegenomen worden. Artikel 2:73a Carbidschieten In dit artikel wordt een verbod in het leven geroepen om carbid te schieten.
Een ontheffing kan verleend worden in de periode van 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar. Tijdens de stofkamsessie werd gevraagd of deze tijden niet gelijkgetrokken moesten worden met de vuurwerktijden, dus tussen 18.00 uur en 02.00 uur. Hier is niet voor gekozen omdat het carbidschieten juist meest overdag plaatsvindt. Als een ontheffing pas vanaf 18.00 uur verleend zou kunnen worden zou dit in de praktijk vaak niet voorzien in de behoefte. Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden In dit artikel wordt gesteld dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een boom te kappen die op de bomenlijst staat. In het derde lid wordt aangegeven wanneer die vergunning geweigerd kan worden. Tijdens de stofkamsessie werd gevraagd of in het derde lid niet moest staan dat de vergunning “tevens” kan worden geweigerd op de daar genoemde gronden omdat de bomenlijst op zich ook een weigeringsgrond is. Dit klopt echter niet. De bomenlijst is geen weigeringsgrond. De bomenlijst geeft aan voor welke bomen een kapvergunning gevraagd moet worden. Als je die vergunning nodig hebt, geeft het derde lid de weigeringsgronden. De bomenlijst zelf is dus geen weigeringsgrond.
Artikel 5:16a Ventverbod In dit artikel wordt in het tweede lid aangegeven dat het niet toegestaan is te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen 20.00 uur en 08.00 uur. De vraag vanuit de stofkamsessie was waarom venten op zondag nog verboden is. Het is geen verplichting vanuit de Zondagswet om venten op zondag niet toe te staan. Dit is een beleidskeuze van de raad. Vaak wordt de zondag genoemd omdat het door mensen als storend ervaren kan worden als ze op zondag venters aan de deur krijgen. Beter overzicht van APV en daarop gebaseerde regels
46
In de artikelen in de APV wordt vaak opgemerkt dat het college nog gebieden aan moet wijzen of nog nadere regels moet of kan stellen. Het college maakt niet in alle gevallen gebruik van deze bevoegdheid. Soms doet zich een bepaald probleem (nog) niet voor en is het aanwijzen van een gebied bijvoorbeeld niet noodzakelijk. Ook wanneer niet in het artikel staat dat het college nog een besluit moet nemen, kan het college de bevoegdheid die ze gekregen heeft in het artikel, uitwerken in een beleidsregel. Tijdens de stofkamsessie werd de wens geuit om meer inzichtelijk te maken wanneer op basis van een bepaald artikel nog een nader besluit genomen is door het college. Wij onderkennen inderdaad dat het overzicht momenteel niet optimaal is. Alle op de APV gebaseerde regelgeving en besluiten zijn wel gepubliceerd op overheid.nl en ook te vinden via de gemeentelijke website. Ze staan echter niet goed geordend bij elkaar. Komend jaar zullen wij gaan kijken hoe we de regelgeving die gerelateerd is aan de APV zo overzichtelijk mogelijk op onze website kunnen plaatsen. Vervallen of verwijderd Indien er artikelen uit de APV gaan wordt dat de ene keer opgenomen als “(Vervallen)” en de andere keer wordt het gehele artikel gewoon verwijderd. Dit laatste gebeurt vaak indien er sprake is van een artikel met b.v. een toevoeging “a”, b.v. art. 5:6a.
Als zo’n artikel verwijderd wordt heeft dat geen gevolgen voor de doornummering. Als we bijvoorbeeld 5:6 zouden verwijderen betekent dit dat alle volgende artikelen in dat hoofdstuk ook vernummerd zouden moeten worden hetgeen ook weer gevolgen kan hebben voor eventuele verwijzingen naar die artikelen. Bij deze wijzigingen komt er soms ook bij “a”-artikelen “vervallen” te staan. Dit doen we dan in navolging van de VNG om zoveel mogelijk aan te blijven sluiten bij het model van de VNG. Het komt namelijk voor dat, zoals ook bij deze wijziging is gebeurt, deze artikelnummers hergebruikt worden voor andere artikelen. Dit zien we bijvoorbeeld bij de artikelen 2:54 en 2:50a.
47