CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Was/wordt-tabel met toelichting

Raadsvergadering 4 december 2024, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Wijziging Algemene plaatselijke verordening18.362 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bijlage bij wijziging APV Was-wordt-tabel aanpassing Algemene plaatselijke verordening De Algemene Plaatselijke Verordening, vastgesteld op 16 december 2021, laatst gewijzigd op 14 december 2023, wordt als volgt gewijzigd: Cursief: hetgeen in de bestaande tekst wordt gewijzigd. Vet gedrukt: hetgeen in de nieuwe tekst wordt toegevoegd. A Artikel 1:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. Beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; c. Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; d. Bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; e. Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e van de Wegenverkeerswet 1994; f. College: het college van burgemeester en wethouders; g. Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; h. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. i. Motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; j. Openbaar water: wateren die al dan niet met enige beperking voor het publiek

Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; - beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e van de Wegenverkeerswet 1994; - college: het college van burgemeester en wethouders; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. - motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - openbaar water: wateren die ‑ al dan niet met enige beperking ‑ voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn. 1

bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn. k. Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; l. Parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; m. Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; n. Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; o. Weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994.

-

-

-

openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994.

Toelichting: Het betreft een tekstuele aanpassing.

B

Artikel 2:1, tweede lid wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

2. Degene die op een openbare plaats a. aanwezig is bij een voorval, waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing: is verplicht op een bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

2. Degene die op een openbare plaats a. aanwezig is bij een voorval, waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing: is verplicht op een bevel van een opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

Toelichting:

2

Door de term opsporingsambtenaren te hanteren vallen hier niet alleen politieagenten onder, maar ook Officieren van Justitie, militairen van de Koninklijke Marechaussee, buitengewoon opsporingsambtenaren etc.

C

Artikel 2:18 lid 3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst 3. Het verbod in het eerste lid onder a is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Nieuwe tekst 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Toelichting: Tekstuele aanpassing. Verbeterde verwijzing.

D

Artikel 2:24 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:24 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. Bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en artikel 2:39 van deze verordening. g. Sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder h. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. Een herdenkingsplechtigheid; b. Een braderie;

Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en artikel 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; 3

c.

Een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. Een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. Een straatfeest of buurtbarbecue; f. een snuffelmarkt; g. (besloten) bedrijfsfeesten in de open lucht, op nader door het college aangewezen industrieterreinen. h. Een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet. 4. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement: a. dat plaatsvindt op maandag t/m donderdag tussen 09.00 en 24.00 uur, op vrijdag en zaterdag en de dagen waarop een officiële feestdag volgt tussen 09.00 en 01.00 uur en op zondag tussen 13.00 en 24.00 uur; b. dat niet plaatsvindt in de nabijheid van een kerk of begraafplaats of op een industrieterrein; c.

waarbij geen versterkt geluid gebruikt wordt waarvan de geluidsbelasting meer dan 70dB(A) en 83 dB(c) bedraagt, gemeten voor de gevels van woningen van derden of andere geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder, dan wel op 100m afstand van de locatie van het evenement. Versterkt geluid wordt vanaf 23.00 uur tot achtergrondniveau teruggebracht, hetgeen betekent een geluidsbelasting van maximaal 50dB(A) gemeten zoals hiervoor aangegeven; d. dat niet gerelateerd is aan, of geen onderdeel vormt van, een groter evenement; e. dat een feest of (straat)barbecue is. Hiervoor geldt aanvullend de specifieke bepaling dat maximaal 100

c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s. 3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; b. de activiteiten plaatsvinden op maandag t/m donderdag tussen 09.00 en 24.00 uur, op vrijdag en zaterdag en de dagen waarop een officiële feestdag volgt tussen 09.00 en 01.00 uur en op zondag tussen 13.00 en 24.00 uur; c. geen versterkt geluid ten gehore wordt gebracht waarvan de geluidsbelasting meer dan 70dB(A) en 83 dB(C) bedraagt, gemeten op de gevels van omringende woningen. Versterkt geluid wordt vanaf 23.00 uur tot achtergrondniveau teruggebracht, hetgeen betekent een geluidsbelasting van maximaal 50dB(A) gemeten op de gevels van omringende woningen; d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en d. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 vierkante meter per object.

4

personen aanwezig mogen zijn en slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 50 m2 per object waarin minder dan 50 personen gelijktijdig in/op verblijven; Toelichting: Het betreft hier een aantal tekstuele en een aantal inhoudelijke wijzigingen. De feesten op industrieterrein zijn onder lid 2 verwijderd omdat we enkele evenementen wel toe willen staan op het industrieterrein en omdat er altijd de mogelijkheid is om de evenementen die te risicovol zijn te weigeren op grond van de openbare orde. De snuffelmarkten zijn verwijderd omdat die al onder het begrip “braderie” kunnen vallen. De bepaling dat er geen sprake is van een klein evenement indien het gehouden wordt in de nabijheid van een kerk of begraafplaats is verwijderd omdat regulering hiervan mogelijk is op basis van de Zondagswet.

E

Artikel 2:25 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:25 Evenement 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisatie ten minste drie weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel

Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisatie ten minste drie weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5

10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 6. De burgemeester kan besluiten de aanvraag voor een evenement dat meer dan 1000 verwachte bezoekers c.q. deelnemers trekt niet te behandelen, indien de aanvraag langer dan anderhalf jaar of minder dan 3 maanden voor het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt wordt ingediend. 7. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24 tweede lid, aanhef en onder h, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder h, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 9. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

5. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 6. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24 tweede lid, aanhef en onder h, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting: De aanvraagtermijnen gaan nader geregeld worden in het nieuwe evenementenbeleid.

F

Artikelen 2:26 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

6

Toelichting: Bij arrest van 24-12-21 heeft de Hoge Raad het in de APV opgenomen "colorverbod" onverbindend verklaard, omdat dit in strijd is met het in artikel 7 lid 3 van de Grondwet neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting (ECLI:NL:HR:2021:1946). Dit is dan ook uit artikel 2:26 verwijderd.

G

Artikel 2:26a wordt verwijderd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:26a Evenementen 1. Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken. 2. Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen. 3. Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.

Toelichting:

Artikel 2:26a blijkt in de praktijk geen toegevoegde waarde te hebben ten opzichte van artikel 2:26. Het verbod om op bepaalde plaatsen messen e.d. bij zich te hebben wordt opgenomen in het nieuwe artikel 2:50a.

H

Artikel 2:27 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:27 Begripsbepalingen 1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

Artikel 2:27 Begripsbepalingen

2. openbare inrichting: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij

a. openbare inrichting: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij

In deze afdeling wordt verstaan onder:

7

bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt; 3. leidinggevende: a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd; b. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt geëxploiteerd; c. de natuurlijke persoon, die onmiddellijk leiding geeft aan de exploitatie van een openbare inrichting. 4. bezoeker: een ieder die zich in de inrichting bevindt, met uitzondering van leidinggevenden, personen die dienst doen in de inrichting, en personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. 5. Een buiten de in het eerste lid onder a bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.

bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt; b. leidinggevende: i. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd; ii. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt geëxploiteerd; iii. de natuurlijke persoon, die onmiddellijk leiding geeft aan de exploitatie van een openbare inrichting. c. bezoeker: eenieder die zich in de inrichting bevindt, met uitzondering van leidinggevenden, personen die dienstdoen in de inrichting, en personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. d. terras: een buiten de besloten ruimte van een openbare inrichting liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.

Toelichting: Tekstuele verduidelijking van het begrip terras.

I

Artikel 2:28 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan en geen

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan en geen 8

3.

4.

5.

6.

7.

8.

medewerking is of zal worden verleend aan het afwijken middels een omgevingsvergunning. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid eveneens weigeren indien de exploitant of leidinggevende(n) in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Er dient een verklaring omtrent gedrag overlegd te worden die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning met betrekking tot die inrichting. Een vergunninghouder doet een melding aan de burgemeester indien: a. een leidinggevende op de vergunning dient te worden bijgeschreven; b. een leidinggevende van de vergunning dient te worden verwijderd als deze geen bemoeienis meer heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van de openbare inrichting. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in a.

een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; of d. een bedrijfskantine of – restaurant. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de aanvraag van een vergunning bedoeld in het eerste lid.

medewerking is of zal worden verleend aan het afwijken middels een omgevingsvergunning. 3. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid eveneens weigeren indien de exploitant of leidinggevende(n) in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 5. Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning met betrekking tot die inrichting. 6. Een vergunninghouder doet een melding aan de burgemeester indien: a. een leidinggevende op de vergunning dient te worden bijgeschreven; b. een leidinggevende van de vergunning dient te worden verwijderd als deze geen bemoeienis meer heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van de openbare inrichting. 7. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; of d.

een bedrijfskantine of – restaurant. 8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting: Wanneer sprake is van slecht levensgedrag is inmiddels uitgewerkt in de beleidsregel beoordeling levensgedrag. De verklaring omtrent gedrag heeft hierin geen toegevoegde waarde.

J 9

Artikel 2:28a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:28a Intrekkings- en wijzigingsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt een exploitatievergunning ingetrokken indien: a. de vergunning is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; b. een leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in artikel 2:28 derde lid; c. zich in of in de nabijheid van de horecainrichting feiten hebben voorgedaan, die – naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid; d. indien voor de exploitatie van een horeca-inrichting tevens een vergunning op basis van de Alcoholwet is vereist en deze vergunning is ingetrokken. 2. Een exploitatievergunning kan worden ingetrokken: a. indien is of wordt gehandeld in strijd met de verleende vergunning en/of de daaraan verbonden voorschriften; b. niet langer wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens deze verordening zijn bepaald; c. in een horeca-inrichting de functie van leidinggevende wordt uitgeoefend door een persoon, die niet op de vergunning met betrekking tot dat bedrijf als zodanig is vermeld; d.

op verzoek van de exploitant. 3. Een exploitatievergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd indien naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

Artikel 2:28a Intrekkings- en wijzigingsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt een exploitatievergunning ingetrokken indien: a. de vergunning is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; b. een leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in artikel 2:28, derde lid; c. zich in of in de nabijheid van de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die – naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid; d. indien voor de exploitatie van een openbare inrichting tevens een vergunning op basis van de Alcoholwet is vereist en deze vergunning is ingetrokken. 2. Een exploitatievergunning kan worden ingetrokken: a. indien is of wordt gehandeld in strijd met de verleende vergunning en/of de daaraan verbonden voorschriften; b. niet langer wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens deze verordening zijn bepaald; c.

in een openbare inrichting de functie van leidinggevende wordt uitgeoefend door een persoon, die niet op de vergunning met betrekking tot dat bedrijf als zodanig is vermeld; d. op verzoek van de exploitant. 3. Een exploitatievergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd indien naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 10

4. De intrekking van de vergunning op grond van het eerste lid, onder b, kan eerst geschieden een maand nadat van het voornemen daartoe aan de vergunninghouder schriftelijk mededeling is gedaan tenzij de vergunninghouder zelf niet langer voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 2:28 derde lid. 5. Ten aanzien van horeca-inrichtingen waarvan de exploitatievergunningen ingevolge het eerste lid onder c van dit artikel wordt ingetrokken kan tevens worden bepaald dat een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd.

4. De intrekking van de vergunning op grond van het eerste lid, onder b, kan eerst geschieden een maand nadat van het voornemen daartoe aan de vergunninghouder schriftelijk mededeling is gedaan tenzij de vergunninghouder zelf niet langer voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 2:28, derde lid. 5. Ten aanzien van openbare inrichtingen waarvan de exploitatievergunningen ingevolge het eerste lid onder c van dit artikel wordt ingetrokken kan tevens worden bepaald dat een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd.

Toelichting: Tekstuele aanpassing.

K

Artikel 2:28b wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:28b Vervallen vergunning De exploitatievergunning of verleende vrijstelling vervalt wanneer: a. de exploitatie van het horecabedrijf feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) overgedragen; b. zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt; c. gedurende zes maanden anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de exploitatievergunning.

Artikel 2:28b Vervallen vergunning De exploitatievergunning of verleende vrijstelling vervalt wanneer: a. de exploitatie van het de openbare inrichting feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) overgedragen; b. zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt; c. gedurende zes maanden anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de exploitatievergunning.

Toelichting: Tekstuele aanpassing.

L

Artikel 2:30 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst 11

Artikel 2:30 Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer openbare inrichtingen, tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijk de sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer openbare inrichtingen, tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijke sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Toelichting: Tekstuele aanpassing.

M

Artikel 2:31 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:31 Verboden gedragingen

Artikel 2:31 Verboden gedragingen

1.Het is verboden in een openbare inrichting:

1.

a. de orde te verstoren; b. zich als bezoeker te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerst lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras; 2.Bij verstoring van de orde in een openbare inrichting of bij gevaar daarvoor is iedere tot het publiek behorende bezoeker er van, op eerste vordering van een politieambtenaar, verplicht zich terstond daaruit te verwijderen in de door die ambtenaar bevolen richting of langs de door hem aangeduide weg.

Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich als bezoeker te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras; 2. Bij verstoring van de orde in een openbare inrichting of bij gevaar daarvoor is iedere tot het publiek behorende bezoeker ervan, op eerste vordering van een opsporingsambtenaar, verplicht zich terstond daaruit te verwijderen in de door die ambtenaar bevolen richting of langs de door hem aangeduide weg.

Toelichting: Door de term opsporingsambtenaren te hanteren vallen hier niet alleen politieagenten onder, maar ook Officieren van Justitie, militairen van de Koninklijke Marechaussee, buitengewoon opsporingsambtenaren etc.

12

N

Artikel 2:33a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:33a Verbod drank in glas te verstrekken

Artikel 2:33a Verbod drank in glas te verstrekken

1. Het is de houder van een openbare inrichting welke is gelegen in een door de burgemeester bij openbare kennisgeving aangewezen gebied, verboden drank in glas te verstrekken gedurende een door de burgemeester in die openbare kennisgeving aangegeven periode.

1. Het is de houder van een openbare inrichting welke is gelegen in een door de burgemeester aangewezen gebied, verboden drank in glas te verstrekken gedurende een door de burgemeester in die openbare kennisgeving aangegeven periode.

2. Het is een ieder verboden een of meerdere glazen bij zich te hebben binnen het op grond van lid 1 door de burgemeester aangewezen gebied en gedurende de door de burgemeester aangegeven periode. 3. De burgemeester kan van het in het eerste lid genoemde verbod ontheffing verlenen.

2. Het is eenieder verboden een of meerdere glazen bij zich te hebben binnen het op grond van het eerste lid door de burgemeester aangewezen gebied en gedurende de door de burgemeester aangegeven periode. 3. De burgemeester kan van het in het eerste lid genoemde verbod ontheffing verlenen.

Toelichting: Tekstuele aanpassing en “bij openbare kennisgeving” is een overbodige toevoeging aangezien de Algemene wet bestuursrecht al bepaalt wanneer een besluit openbaar bekendgemaakt moet worden. O

Artikel 2:34b wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:34b schenktijden paracommerciële rechtspersonen 1. Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve aard verstrekken uitsluitend zwakalcoholhoudende drank ten behoeve van activiteiten, op: a. maandag tot en met vrijdag na 17:00 uur en tot 23:00 uur; b. zaterdag na 12:00 uur en tot 21:00 uur; en c. zondag na 12:00 uur en tot 21:00 uur.

Artikel 2:34b Schenktijden paracommerciële rechtspersonen 1. Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve aard verstrekken uitsluitend zwakalcoholhoudende drank ten behoeve van activiteiten, op: a. maandag tot en met vrijdag na 17.00 uur en tot 23.00 uur; b. zaterdag na 12.00 uur en tot 21.00 uur; en c. zondag na 12.00 uur en tot 21.00 uur. 13

2.

Voor zover er bij paracommerciële rechtspersonen als bedoeld in het eerste lid verenigingsof wedstrijdactiviteiten plaatsvinden die eindigen voor aanvang of na afloop van de in dat lid genoemde schenktijden, is het deze paracommerciële rechtspersonen toegestaan, in aanvulling op de schenktijden genoemd in dat lid, zwakalcoholhoudende drank te verstrekken tot anderhalf uur na beëindiging van deze activiteiten, maar niet later dan 24.00 uur. Dit lid is niet van toepassing indien er sprake is van wedstrijden of verenigingsactiviteiten waaraan hoofdzakelijk jeugdigen in de leeftijd tot 18 jaar deelnemen. 3. Overige paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend zwakalcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met twee uur voor aanvang en eindigende met twee uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon, maar niet later dan 01.00 uur.

2.

3.

Voor zover er bij paracommerciële rechtspersonen als bedoeld in het eerste lid wedstrijdactiviteiten plaatsvinden die eindigen na afloop van de in dat lid genoemde schenktijden, is het deze paracommerciële rechtspersonen toegestaan, in aanvulling op de schenktijden genoemd in het eerste lid, zwak-alcoholhoudende drank te verstrekken tot anderhalf uur na beëindiging van deze activiteiten, maar niet later dan 24.00 uur. Dit lid is niet van toepassing indien er sprake is van wedstrijden waaraan hoofdzakelijk jeugdigen in de leeftijd tot 18 jaar deelnemen. Overige paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend zwakalcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met twee uur voor aanvang en eindigende met twee uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon, maar niet voor 12.00 uur of later dan 01.00 uur.

Toelichting: Dit artikel is aangescherpt. Het begrip “verenigingsactiviteiten” is te onduidelijk waardoor handhaving van de eindtijden lastig wordt. Op basis van de Alcoholwet kan altijd door verenigingen ontheffing aangevraagd worden. P

Artikel 2:34c wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:34c bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken.

Artikel 2:34c Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen 1. Paracommerciële rechtspersonen die zich voornamelijk richten op activiteiten van sociaal-culturele aard kunnen zwakalcoholhoudende drank verstrekken tijdens ten hoogste zes bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van

14

de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. 2. Paracommerciële rechtspersonen bedoeld in het eerste lid doen uiterlijk twee weken voor een bijeenkomst als bedoeld in het eerste lid hiervan melding aan de burgemeester. 3. Overige paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

Toelichting: Dit artikel is gewijzigd om het schenken van alcohol bij bijeenkomsten van persoonlijke aard in sommige situaties wel toe te kunnen staan bij sociaal-culturele instellingen (b.v. dorpshuizen). Q

Artikel 2:34e wordt toegevoegd Bestaande tekst

Nieuwe tekst Artikel 2:34e Proeverijen in slijtlokaliteiten 1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit. 2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.

Toelichting: Dit artikel is toegevoegd naar aanleiding van een motie van VVD en OM d.d. 1 februari 2024. In de motie werd aangegeven dat de volgende voorwaarden moesten worden verbonden aan dit artikel: o o

Een slijterij mag maximaal 1 proeverij per dag en hoogstens 3 per week organiseren; De slijterij mag ten tijde van de proeverij niet voor overig publiek geopend zijn; 15

o o

De deelnemers aan de proeverij zijn voor aanvang bekend bij de leidinggevende van de slijterij; De kosten voor deelname aan de proeverij zijn voorafgaand aan de proeverij bekend gemaakt.

Deze voorwaarden hoeven echter niet aan het APV-artikel toegevoegd te worden omdat ze al gelden op basis van artikel 6.1 van het Alcoholbesluit.

R

Artikel 2:40d wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:40d Gedragseisen De exploitant en de beheerder: a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag. Er dient een verklaring omtrent gedrag overlegd te worden die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.; en c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

Artikel 2:40d Gedragseisen De exploitant en de beheerder: a. staan niet onder curatele; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c. hebben de leeftijd van 21 jaar bereikt.

Toelichting:

Wanneer sprake is van slecht levensgedrag is inmiddels uitgewerkt in de beleidsregel beoordeling levensgedrag. De verklaring omtrent gedrag en de andere verwijderde gedragseisen hebben hierin geen toegevoegde waarde.

S

Artikel 2:40e wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:40e Weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd indien: 1. de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in artikel 2:40d gestelde eisen; 2. de exploitant of beheerder binnen drie jaar voor de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare

Artikel 2:40e Weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd indien: a. de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in artikel 2:40d gestelde eisen; b. de exploitant of beheerder binnen drie jaar voor de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare 16

3.

4. 5.

6. 7.

orde, dan wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet, gesloten is geweest; de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening en geen medewerking is of zal worden verleend aan het afwijken middels een omgevingsvergunning; de vestiging of exploitatie strijd oplevert met de nadere regels als bedoeld in artikel 2:40b, tweede lid; naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting; de inrichting binnen een straal van 350 meter van gevoelige objecten zoals scholen buurthuizen of jongerencentra gevestigd is; in strijd met een geldend bestemmingsplan.

orde, dan wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet, gesloten is geweest; c. de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan; d. de vestiging of exploitatie strijd oplevert met de nadere regels als bedoeld in artikel 2:40b, tweede lid; e. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting; f. de inrichting binnen een straal van 350 meter van gevoelige objecten zoals scholen buurthuizen of jongerencentra gevestigd is.

Toelichting: Tekstuele wijziging.

T

Afdeling 7b en artikel 2:40j worden verwijderd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Afdeling 7b Toezicht op bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen Artikel 2:40j Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; 17

c.

Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. Het college kan gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden zonder vergunning van het college een bedrijf uit te oefenen: a. In een door het college op grond van het tweede lid aangewezen gebouw voor door het college genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of b. Indien de uitoefening van het bedrijf een door het college op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4. Het college kan een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. Indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c.

Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; d. Indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

18

e. Indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening; f. Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 APV kan het college een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. Door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of; b. Door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of; c. De voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of; d. De exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of; e. De exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of; f. Er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of; g.

Er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid 19

vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of; h. De bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of; i. Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 6. Het college kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd. 7. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 8. De sluiting kan door het college worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 9. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan het college de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. 10. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 11.

In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem 20

aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. Toelichting: Dit artikel was opgesteld in regio-verband om ondermijnende activiteiten tegen te kunnen gaan. Inmiddels heeft de VNG hier ook een model-artikel voor gemaakt. In de regio is besloten het VNG-artikel over te nemen. Dit artikel wordt hierna opgenomen als artikel 2:81. De omschrijving van dit artikel is wat anders dan ons oude artikel maar de strekking is gelijk. U

Artikel 2:48a vervalt: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:48a Lachgasverbod 1. Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.

Artikel 2:48a Lachgasverbod Vervallen.

Toelichting: Omdat lachgas vanaf 1 januari 2023 een softdrug is, wordt het verboden gebruik ervan geregeld door artikel 2:74a ‘Openlijk drugsgebruik’. Daarmee is de juridische legitimatie van dit specifieke lachgasartikel vervallen.

V 21

Artikel 2:50a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen 1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Toelichting: Bij arrest van 24-12-21 heeft de Hoge Raad het in de APV opgenomen "colorverbod" onverbindend verklaard, omdat dit in strijd is met het in artikel 7 lid 3 van de Grondwet neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting (ECLI:NL:HR:2021:1946). Dit verbod uit het oude artikel 2:50a dient zodoende verwijderd te worden. Op dezelfde plek is een ander artikel ingevoegd met betrekking tot een messenverbod. Het wapenbezit in het algemeen en gebruik van steekwapens in het bijzonder is fors toegenomen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid door het bij zich hebben (dragen) van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt te verbieden. Het artikel is een aanvulling op de Wet wapens en munitie (Wwm) en verbiedt het bij zich hebben van andere dan in de Wwm aangeduide messen of van voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, maar waarbij nog geen sprake is van een situatie waarin, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze voorwerpen worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Hierdoor kan aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de veiligheid bevorderd.

De Wwm verbiedt het dragen (= bij zich hebben) van wapens, waaronder nader aangeduide messen of voorwerpen die als wapen kunnen dienen als wel sprake is van bovengenoemde situatie. Voor de toepassing van de Wwm bepaalt de context dus of een voorwerp een wapen is of niet. Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1993, volgt dat het in het belang van de openbare orde en veiligheid mogelijk is om een bepaling in de APV op te nemen die ziet op een ‘messenverbod’. Deze bepaling mag niet zien op wapens of voorwerpen die zijn genoemd in artikel 2 van de Wet wapens en munitie (Wwm). Eerste lid

22

Op grond van dit lid kan het college openbare plaatsen of daaraan grenzende voor publiek toegankelijke gebouwen of daarbij behorende erven aanwijzen waar het bij zich hebben van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt verboden is. Tweede lid Dit lid waarborgt dat messen en voorwerpen die zijn ingepakt, bijvoorbeeld omdat deze in een winkel zijn aangeschaft en nog in de verpakking zitten, niet onder het verbod vallen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid, maar aanschaf van bijvoorbeeld een keukenmes moet mogelijk blijven. Het moet dan wel zodanig zijn verpakt dat het niet onmiddellijk kan worden aangewend. Derde lid Dit lid regelt de voorrang van de Wwm. Het verbod geldt niet voor het dragen van messen of voorwerpen die als steekwapen gebruikt kunnen worden, dat onder het bereik van artikel 2 van de Wwm valt.

W

Artikel 2:52 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:52 Overlast van fiets, bromfiets of voertuig op markt- en kermisterrein e.d. Vervallen

Artikel 2:52 Overlast van fiets, bromfiets of voertuig op markt- en kermisterrein e.d. Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Toelichting: Deze overlast was eerst geregeld in artikel 5:12. Besloten is om dit toch weer terug te plaatsen naar artikel 2:52 zodat het onder het juiste hoofdstuk staat (conform VNG-model) zodat ook bij handhaving van de feitcodes gebruikt gemaakt kan worden.

X

Artikel 2:54 wordt als volgt gewijzigd:

23

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur Vervallen

Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats 1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden: a. tussen zonsondergang en zonsopgang in door het college aan te wijzen gebieden: b. in andere gevallen dan bedoeld onder a voor zover: 1° sprake is van overlast of hinder voor de omgeving; 2° er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of 3° het woon- of leefklimaat wordt aangetast. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod geldt niet: a. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van artikel 5:25 of het omgevingsplan is toegestaan; b. voor woonwagens met een woonbestemming; c. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd; d. op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4:19 zijn aangewezen.

Toelichting: Het verbod heeft als doel het voorkomen en tegengaan van hinder en overlast, brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico's voor de volksgezondheid. Het slapen op openbare plaatsen draagt bij aan de verloedering van de openbare ruimte. Ook het ontbreken van sanitaire voorzieningen ter plekke draagt daaraan bij. Tussen zonsondergang en zonsopgang geldt daarom een verbod in aangewezen gebieden. De raad kan de gebieden zelf in het artikel aanwijzen of de bevoegdheid daartoe aan het college laten (lid 1, aanhef en onder a). Voorgesteld wordt er voor te kiezen deze bevoegdheid van het college te laten zodat sneller ingespeeld kan worden op wisselende 24

omstandigheden. In andere gevallen –’s nachts in niet aangewezen gebieden en overdag – geldt het verbod voor zover het gebruik als slaapplaats leidt tot overlast of hinder, gevaar voor de omgeving of aantasting van het woon- en leefklimaat (lid 1, aanhef en onder b). Bij het toezicht op de naleving van het verbod moet de opsporingsambtenaar of toezichthouder afwegen welk handhavingsmiddel hij in de concrete situatie proportioneel acht. In de meeste gevallen zal kunnen worden volstaan met een waarschuwing, tenzij sprake is van recidive. Het is weinig zinvol om dakloze mensen te beboeten als zij noodgedwongen buiten moeten slapen of om mensen te beboeten die dat niet kunnen betalen. Dan fungeert het verbod meer als stok achter de deur voor toeleiding naar ondersteuning of (maatschappelijke) opvang. Op grond van het tweede lid kan het college in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het verbod. Een ontheffing is denkbaar in het kader van overnachten in een voertuig door aanbieders van een in de gemeente te houden evenement. Het derde lid bakent de verbodsbepaling af. Voor het innemen van een ligplaats met een vaartuig of woonboot (hieronder begrepen ook woonark en woonschip) (a) of voor woonwagens met een woonbestemming (b) bestaan afzonderlijke voorschriften.

Ook is nachtverblijf toegestaan op daartoe bestemde kampeerterreinen (c) of door het college op grond van artikel 4:19 aangewezen kampeerplaatsen buiten een kampeerterrein (d).

Y

Artikel 2:60 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren of schadelijke dieren 1. Het is verboden op door het college ter 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting aangewezen plaatsen, buiten een in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die inrichting in de zin van de Wet wet luidde direct voorafgaand aan de milieubeheer, zoals die wet luidde direct inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij voorafgaand aan de inwerkingtreding dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: van de Omgevingswet, bij dat a. aanwezig te hebben; aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: b. aanwezig te hebben anders dan met a. aanwezig te hebben; inachtneming van de door het college b. aanwezig te hebben anders dan gestelde regels; of met inachtneming van de door c. aanwezig te hebben in een groter aantal het college gestelde regels; of dan in het aanwijzingsbesluit is c. aanwezig te hebben in een aangegeven; of groter aantal dan in het d. te voeren. aanwijzingsbesluit is 2. Het college kan de rechthebbende op een aangegeven; of onroerende zaak gelegen binnen een d. te voeren. krachtens het eerste lid aangewezen plaats, 2.

Het college kan de rechthebbende op ontheffing verlenen van een of meer een onroerende zaak gelegen binnen verboden als bedoeld in het eerste lid. een krachtens het eerste lid aangewezen plaats, ontheffing verlenen van een of 25

meer verboden als bedoeld in het eerste lid. Toelichting: Tekstuele wijziging.

Z

Artikel 2:64b wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:64b hinder door dieren 1. Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit dier voor een omwonende of overigens voor de omgeving hinder veroorzaakt. 2. Het in het lid 1 bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=b54c8b4e-e5d6-4007-b288-00990108b518