CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7e bijlagen bij de toelichting, deel 2

Raadsvergadering 8 september 2022, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Veegplan Buitengebied 202116.424 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In ruimtelijke plannen mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat geen ontheffing zal worden verleend. 3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) in werking getreden. De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Het kabinet schetst hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Voor de middellange termijn (2028) zijn in de SVIR de volgende doelen geformuleerd: - Het vergroten van de concurrentiekracht door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland (concurrerend); - Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat (bereikbaar); - Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn (leefbaar en veilig). Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk, daarbuiten hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het voorliggende kleinschalige initiatief vormt geen nationaal belang. Het dient getoetst te worden aan het beleid van provincie Noord-Brabant en gemeente Moerdijk.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden.

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

7

Mureau Advies Het kabinet heeft in de SVIR vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen nadere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen de dertien nationale belangen als titels terug. De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van lokale besluitvorming. De directe doorwerking komt enkel bij het Natuur Netwerk Nederland en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen en andere ruimtelijke besluiten dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ladder voor duurzame verstedelijking toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeente en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden.

Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren met drie opeenvolgende stappen: 1. Er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte (trede 1); 2. Indien uit de beschrijving onder 1 blijkt dat van een actuele regionale behoefte sprake is, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte kan worden voorzien in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio, door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins (trede 2); 3. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio plaats kan vinden, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte wordt voorzien op locaties die, gebruik makend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (trede 3). De toevoeging van één woning in de cultuurhistorisch waardevolle schuur en het omzetten van de bestemming van de bestaande bedrijfswoning is geen stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6 Bro. Om die reden is het niet noodzakelijk het initiatief te toetsen aan de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.3 Provinciaal beleid Het ruimtelijk provinciaal beleid is neergelegd in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en de Verordening ruimte Noord-Brabant.

3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Op 19 maart 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening vastgesteld. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Met deze structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijke beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en vormt de basis voor de wijze

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

8

Mureau Advies waarop de provincie de instrumenten inzet, die de Wro biedt. De structuurvisie is per regio uitgewerkt met gebiedspaspoorten. overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties vormgeven aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant. De provincie onderscheidt voor zichzelf de rollen ontwikkelen, beschermen, regionaal samenwerken en stimuleren en respecteert de rol van andere partijen. De provincie kiest met de structuurvisie voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De hoofdregel is dat ontwikkelruimte dient bij te dragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit bepaalt dat: - Er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik. Nieuwe ruimtebeslag moet zoveel mogelijk voorkomen worden. In eerste instantie krijgen initiatieven een plek binnen bestaand bebouwd gebied. Pas als hier geen mogelijkheden zijn of de kwaliteiten van de geplande ontwikkeling hier niet bij passen, wordt er in de omgeving gezocht naar de best mogelijke plek.

Naast zuinig ruimtegebruik richt de provincie zich ook op herstructurering en hergebruik van verouderde locaties in het stedelijk gebied en op sanering van ongewenste functies in het buitengebied. - Er rekening wordt gehouden met de omgeving. Gebiedskenmerken en omliggende de nieuwe ruimte wordt aangesneden. De ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling geeft aan hoe is omgegaan met de ambities zoals verwoord in de structuren en in de gebiedspaspoorten. - De ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied en buiten de ecologische hoofdstructuur en maakt de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. De ruimtelijke onderbouwing van een besluit geeft aan welke bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit is geborgd. Bij voorkeur vindt de kwaliteitsverbetering plaats op de projectlocatie of in de directe omgeving. indien dat niet mogelijk is, kan een gemeentelijk of regionaal landschapsfonds worden ingezet.

De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied en wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte Noord-Brabant. De structuren geven de hoofdkoers aan en bieden een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Daarnaast bepalen de structuren waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. In de structuurvisie worden vier structuren onderscheiden: - De groenblauwe structuur omvat de samenhangende gebieden waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. Het vormt de groenblauwe ruggengraat van het landschap en is van belang voor een goede, aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving. In de groenblauwe structuur worden drie

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

9

Mureau Advies

-

-

perspectieven onderscheiden: kerngebied groenblauw, de groenblauwe mantel en de gebieden voor waterberging. Het landelijk gebied omvat het gebied buiten de groenblauwe structuur en buiten de stedelijke structuur en biedt een multifunctionele gebruiksruimte. Naast land- en tuinbouw is er ruimte voor niet-agrarische functies. In het landelijk gebied worden twee perspectieven onderscheiden: gemengd landelijk gebied en accentgebied agrarische ontwikkeling. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen. Er worden binnen de stedelijke structuur twee perspectieven onderscheiden: stedelijk concentratiegebied en kernen in landelijk gebied. De infrastructuur.

Afbeelding 5 Uitsnede Structurenkaart

Afbeelding 5 geeft weer dat het plangebied en directe omgeving is gelegen in accentgebied agrarische ontwikkeling. De bedrijfsactiviteiten ter plaatse zijn al geruime tijd geleden beëindigd en de locatie is niet geschikt voor het hervestigen van een agrarisch bedrijf. Het toekennen van een woonbestemming aan de voormalige bedrijfswoning en de cultuurhistorisch waardevolle schuur, is niet in strijd met de structuurvisie.

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

10

Mureau Advies 3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant In de Verordening ruimte Noord-Brabant (15 juli 2017) vertaalt de provincie Noord-Brabant de kaderstellende elementen uit haar beleid en rijksbeleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. In de Verordening ruimte worden regels gesteld met betrekking tot het bestaand stedelijk gebied, de ecologische hoofdstructuur, de groenblauwe mantel en het gemengd landelijk gebied. Hoofdstuk 2 van de Verordening ruimte stelt algemene regels ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. In deze regels wordt gesteld dat bijgedragen moet worden aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. De bevordering van de ruimtelijke kwaliteit wordt uitgesplitst in de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit (art. 3.1) en de kwaliteitsverbetering van het landschap (art. 3.2). Zorgplicht ruimtelijke kwaliteit In artikel 3.1 wordt gesteld dat bij ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied, bijgedragen moet worden aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zuinig ruimtegebruik. De provincie vraagt gemeenten om bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toe te passen.

Dat betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. Nieuw ruimtebeslag moet zo veel mogelijk voorkomen worden. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik houdt in ieder geval in dat: - in geval van vestiging van een ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing, tenzij in de Verordening ruimte uitdrukkelijk anders is bepaald; - uitbreiding van het op grond van het per 1 maart 2011 geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden. Het initiatief voldoet aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het plangebied aan de Zuidlangeweg 6 betreft een voormalig agrarisch-technisch hulpbedrijf met een bedrijfswoning en een cultuurhistorisch waardevolle schuur. De bedrijfsmatige activiteiten zijn inmiddels beëindigd. Er is sprake van een bestaand bouwperceel, waar gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing.

Kwaliteitsverbetering van het landschap In artikel 3.2 wordt ten aanzien van de kwaliteitsverbetering van het landschap gesteld dat verantwoord moet worden op welke wijze financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied. Het voorliggende initiatief betreft het toekennen van een woonfunctie aan de voormalige bedrijfswoning en de cultuurhistorisch waardevolle schuur en het oprichten van een

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

11

Mureau Advies bijgebouw, in combinatie met het volledig restaureren van de schuur met behoud en waar mogelijk versterking van de cultuurhistorische waarden. Het initiatief moet voldoen aan de eisen en regels ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals opgenomen in de notitie Toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant. Investeren in kwaliteitsverbetering van het landschap is onder andere mogelijk door herstel en restauratie van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De specifieke restauratiekosten (onder aftrek van subsidies) vormen de investering in kwaliteitsverbetering. Alle ontwikkelingen in panden met cultuurhistorische waarden en met instemming van een deskundige instantie, waarbij ontwikkelingen (mede) zijn gericht op behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden, worden gezien als een ontwikkeling in categorie 1. Dit betreft ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed, waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vereist. werkafspraken voor kwaliteitsverbetering van het landschap die in de regio West-Brabant gemaakt zijn. Het toekennen van een woonbestemming aan de bestaande woning vormt een ontwikkeling in categorie 3.

Dit betreft ruimtelijke ontwikkelingen die een grote invloed kunnen hebben op het landschap en waarbij sprake is van significante verruiming van de bouwmogelijkheden. Voor ieder type ruimtelijke ontwikkeling is een minimale basisinspanning vereist, die moet worden omgezet in een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Om te komen tot een voor iedereen gelijke berekening tot kwaliteitsverbetering, is in het Regionaal Ruimtelijk Overleg afgesproken dat bij uitbreiding van de bestemming 20% van de waardevermeerdering van de grond moet worden ingezet voor verbetering van het landschap. Voor het initiatief is conform de werkafspraken een economische berekening van de kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld. Deze berekening is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat het initiatief een totale investering te 43.160. De investering in kwaliteitsverbetering bedraagt 215.000. De investeringskosten bestaan uit de meerkosten van het restaureren van de cultuurhistorisch waardevolle schuur, ten opzichte van nieuwbouw. 171.840. Afbeelding 6 met een uitsnede van de integrale plankaart van de Verordening ruimte NoordBrabant geeft weer dat het plangebied is gelegen in gemengd landelijk gebied met de aanduiding cultuurhistorisch vlak.

Conform artikel 1.1 van de Verordening ruimte is stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als: nieuw ruimtebeslag of uitbreiding of wijziging van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies. Het toekennen van een woonfunctie aan de voormalige bedrijfswoning en cultuurhistorisch waardevolle schuur vormt geen stedelijke ontwikkeling.

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

12

Mureau Advies

Afbeelding 6 Integrale plankaart Verordening ruimte Noord-Brabant

In artikel 7.7 zijn de regels opgenomen voor Wonen in gemengd landelijk gebied. Een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied bepaalt dat: a. Alleen bestaande burgerwoningen, bedrijfswoningen of solitaire recreatiewoningen zijn toegestaan; b. Zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. In afwijking hiervan, kan op grond van artikel 7.7 lid 3 onder b. een bestemmingsplan voorzien in de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, indien dit is gericht op het behoud of herstel van deze bebouwing, waarbij het verbod op nieuwvestiging niet van toepassing is. De Verordening ruimte maakt het derhalve mogelijk, in combinatie met de restauratie van de cultuurhistorisch waardevolle schuur, het perceel te splitsen en een extra woonfunctie toe te kennen. Artikel 7.7 lid 5 regelt dat een bestemmingsplan kan voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits is verzekerd dat er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt, overtollige bebouwing wordt gesloopt en de vestiging van andere functies is uitgesloten. Het initiatief beoogt het toekennen van één woonfunctie in de voormalige bedrijfswoning.

Er is geen sprake van overtollige bebouwing die dient te worden gesloopt en evenmin worden andere functies dan wonen toegestaan. Het toekennen van een woonfunctie aan de voormalige bedrijfswoning past derhalve binnen de kaders van de Verordening ruimte Noord-Brabant.

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

13

Mureau Advies 3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Strategische Visie voor Moerdijk 2030 De gemeente Moerdijk wordt met een aantal ingrijpende ontwikkelingen geconfronteerd, zoals vergrijzing, ontgroening, de globalisering van de toeristisch-recreatieve en agrarische sector, schaalvergroting in de omgeving waarin de gemeente opereert en niet in de laatste plaats de voortgaande decentralisatie van rijksoverheidtaken. Deze en andere ontwikkelingen stellen de gemeente op korte en (middel)lange termijn voor grote opgaven. De uitvoering van de visie en het beleid rondom die opgaven wordt voor de periode 2009-2030 op robuuste wijze ingezet. Dit doet de gemeente door in een visie op de (middel)lange, op strategisch niveau, richting te geven aan de ontwikkelingen die in de samenleving en aan de eigen positie in de regio. De strategische visie voor de gemeente Moerdijk heeft tot doel te komen tot een: 1. Ontwikkelingsrichting voor de lange termijn; 2. Kapstok en referentiekader voor integraal afgestemd gemeentelijk beleid; 3. Duidelijke missie die kan worden uitgedragen naar buurgemeenten, provincie en rijk.

De strategische visie maakt het mogelijk om op langere termijn een consistent beleid te voeren, en nieuwe ontwikkelingen snel te combineren met al ingeslagen richtingen, waarmee de gemeente Moerdijk een integraal beleid kan voeren en beter kan anticiperen op veranderingen in de maatschappij, wet of wensen. gemeente die, gelegen op de as Rotterdam-Antwerpen én als hoogwaardig logistiek centrum van West-Brabant, voor al haar inwoners een leefbare woonomgeving biedt met werkgelegenheid in de nabijheid. Een gemeente met rust, ruimte, recreatie en toeristische mogelijkheden in het westelijk deel en dynamiek, bedrijvigheid en bovenlokale voorzieningen, geconcentreerd in de kern Zevenbergen en het haven- en industrieterrein Moerdijk in het oostelijk deel van de gemeente. Een gemeente waarin de kernen hun eigenheid bewaard hebben, maar ook duidelijk één gemeente vormen. Een gemeente met een sociaal gezicht, waar zorg en basisvoorzieningen dichtbij zijn en de menselijke maat geldt. Een gemeente die op een bewonersgerichte, innovatieve, efficiënte en effectieve wijze wordt De missie geeft de strategische visie drie dimensies als uitgangspunt voor de discussie rond de mechanisme genoemd (people, planet, profit) of de Telos Driehoek.

Het idee achter het Triple P mechanisme is dat het optimaliseren van de economische kracht, de (lokale) leefomgeving en de sociaal-maatschappelijke kant op termijn leidt tot een duurzame gemeente. Vanuit deze gedachte is het gemeentelijk beleid gebundeld en zijn er drie

3.4.2 er voor dat er meer samenhang tussen beleid is en er minder beleidsplannen in algemene zin gemaakt worden Hieraan kan alle beleid en uitvoering verbonden worden. De uitvoeringstrategie benoemt de hoofdrichting die wordt ingezet om de doelstellingen te realiseren.

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

14

Mureau Advies t Moerdijk nadrukkelijk in op een toekomst in het teken van duurzaamheid. De gemeente wil de mens centraal plaatsen als onderdeel van de samenleving. De samenleving is een samenspel van aspecten die de mens zelf betreffen, de leefomgeving en bedrijvigheid. (planet) en Economisch Klimaat (profit). -

Paraplunota Maatschappij richt zich op mensen en de omgeving waarin zij met elkaar samenleven. De manier waarop mensen met elkaar samenleven wordt beïnvloed door de omgeving en andersom; Paraplunota Leefomgeving richt zich op de fysieke leefomgeving en onderscheidt daarin de elementen bodem, water, lucht, grondstoffen, natuur en de samenhang daartussen; Paraplunota Economisch Klimaat richt zich op economie en bedrijvigheid.

3.4.3 Structuurvisie Moerdijk 2030 De structuurvisie Moerdijk 2030, vastgesteld door de gemeenteraad op 9 juni 2011, is een integrale visie die inspeelt op de ontwikkeling van de beide werelden van Moerdijk: het grootschalige (inter)nationale Moerdijk enerzijds en het ruime, rustige, agrarische Moerdijk met een veel kleinschaliger karakter anderzijds. De visie beoogt deze twee werelden samen te brengen zodat ze elkaar kunnen aanvullen en versterken. 3.4.4 Erfgoedverordening Het gemeentelijk beleid met betrekking tot archeologie en cultuurhistorie is opgenomen in de Erfgoedverordening Moerdijk (2017). De bebouwing binnen het plangebied is niet opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Er is geen sprake van een gemeentelijk of Rijksmonument. Op basis van de visie Buitengebied is een vervolgfunctie in principe alleen toegestaan in de bestaande voormalige bedrijfswoning. Hoewel het splitsen van het perceel en het toekennen van een extra woonfunctie aan de cultuurhistorisch waardevolle schuur niet mogelijk is op basis van de Erfgoedverordening, heeft het college van B&W van gemeente Moerdijk aangegeven bereid te zijn medewerking te verlenen. Het wordt van belang geacht dat de schuur behouden blijft. De cultuurhistorische waarde van de schuur is door een deskundige in afdoende mate aangetoond.

Hergebruik van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen in de vorm van woonfuncties wordt als een aanvaardbaar hergebruik gezien, indien daardoor het waardevolle pand in stand kan blijven. De Erfgoedverordening wordt daarbij als kader gehanteerd. 3.4.5 Visie Buitengebied Op 14 juli 2016 is de Visie Buitengebied samen met de deelvisies landschapkwaliteit en bebouwingsconcentraties vastgesteld door de gemeenteraad. Het versterken en behouden van de kwaliteit van het buitengebied staat in de visie centraal. De gemeente schakelt met deze n. Binnen het dynamische afwegingskader worden kansen geboden voor initiatiefnemers om te ontwikkelen en een bijdrage te leveren aan de kwaliteiten van het landschap.

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

15

Mureau Advies De Visie Buitengebied vormt enerzijds de basis voor het te actualiseren bestemmingsplan Buitengebied. Anderzijds vormt het een beleidskader dat wordt gebruikt bij het beoordelen van ruimtelijke initiatieven die niet passen binnen het bestemmingsplan. In principe is geen enkele functie ongewenst in het buitengebied, echter staat behoud van de kwaliteiten van het buitengebied voorop. Op basis van de Visie Buitengebied is het toekennen van een woonfunctie aan de voormalige bedrijfswoning mogelijk. Het splitsen van het perceel door het toekennen van een extra woonfunctie aan de cultuurhistorisch waardevolle schuur wordt behoort eveneens tot de mogelijkheden. In paragraaf 6.4 van de Visie Buitengebied is opgenomen dat hergebruik van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen in de vorm van woonfuncties als aanvaardbaar hergebruik wordt gezien, indien daardoor het waardevolle pand in stand kan blijven. De Erfgoedverordening wordt daarbij als kader gehanteerd. 3.4.6 Bestemmingsplan Buitengebied De locatie is gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan Buitengebied (2008) van gemeente Moerdijk. Het plangebied heeft de bestemming Agrarisch aanverwante - en de dubbelbest

- en 7 geeft dit weer.

Afbeelding 7 Verbeelding vigerend bestemmingsplan Buitengebied

Gemeente Moerdijk bereidt de algehele herziening van het bestemmingsplan Buitengebied voor. Het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Moerdijk heeft in 2017 ter inzage gelegen.

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

16

Mureau Advies

Afbeelding 8 Verbeelding ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Moerdijk

Het gebruik van de binnen het plangebied aanwezige voormalige bedrijfswoning voor bewoning en het splitsen van het perceel door het toekennen van een extra woonfunctie aan de cultuurhistorisch waardevolle schuur, is op basis van het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan. Het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Moerdijk biedt evenmin mogelijkheden voor het voorgenomen gebruik. Om het initiatief mogelijk te maken, wordt een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik aangevraagd.

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

17

Mureau Advies 4.

Verantwoording

4.1 Bodem Op basis van artikel 3.16 van het Bro en artikel 3.2 Awb, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Het splitsen van het perceel om daarmee de bouw van een extra woning mogelijk te maken, maakt het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De initiatiefnemer heeft aan gespecialiseerd bureau MBS opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek. resultaten van dit onderzoek worden nader onderzoek en/of nadere maatregelen niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te De volledige rapportage met de resultaten van het onderzoek is opgenomen als bijlage 4. 4.2 Water De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Sinds juli 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de Ruimtelijke Ordening. De omgeving van het plangebied is gelegen binnen het werkgebied van waterschap Brabantse Delta.

Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer, waaronder het grondwater, heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid waterschap een eigen verordening: de Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken en bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de website van waterschap Brabantse Delta.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen,

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

18

Mureau Advies situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De drie Brabantse waterschappen Brabantse Delta, Aa en Maas en De Dommel hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op het niveau van deelstroomgebied nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap verdeelt plannen met een toename van verhard oppervlak in de categorieën kleiner dan 2.000 m2, 2.000 tot 10.000 m2 en meer dan 10.000 m2. Bij het initiatief wordt gebruik gemaakt van bestaande bebouwing, zijnde de bedrijfswoning en de cultuurhistorisch waardevolle schuur. Er is geen sprake van een toename van de verharde oppervlakte en het is niet noodzakelijk compenserende maatregelen te treffen. Op van het verbod voor het afvoeren van hemelwater via een toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam.

Het hemelwater dat op de daken en verhardingen valt, wordt in de huidige situatie gescheiden afgevoerd via rechtstreekse afvloeiing op het perceel en naar de nabij gelegen watergangen. Het hemelwater wat van de bebouwing en verhardingen afvloeit zal in de nieuwe situatie, overeenkomstig de huidige situatie af blijven vloeien naar het oppervlaktewater en op de omliggende gronden en daar ter plaatse infiltreren. Het schoon hemelwater wordt niet afgevoerd naar het riool. Hergebruik van hemelwater is in de nieuwe situatie alleen op kleine schaal toepasbaar. Er kunnen regentonnen worden geplaatst, voor het begieten van tuinplanten. Bij het renoveren en verbouwen van de cultuurhistorisch waardevolle schuur, wordt gebruik gemaakt van niet-uitlogende materialen. Dit is conform het advies van de richtlijn Duurzaam Bouwen. In het Lozingenbesluit Bodembescherming staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakten als daken. Er wordt geen gebruik gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK's) en van met verontreinigde stoffen verduurzaamd hout. Doordat het hemelwater niet vervuild is, is het geen probleem het hemelwater te laten infiltreren.

Het huishoudelijk afvalwater wordt in de huidige situatie geloosd op een IBA, conform de eisen van gemeente Moerdijk. In de nieuwe situatie zijn voor het lozen van het huishoudelijk afvalwater van de voormalige bedrijfswoning en van de tot woning te verbouwen schuur twee In de nabijheid van het plangebied bevinden zich twee categorie A watergangen en een categorie C watergang. Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden in een oppervlaktewater of binnen de 5 meter brede beschermingszone van een categorie A watergang moet een waterwet vergunning worden aangevraagd. De voorgenomen aanleg van

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

19

Mureau Advies een nieuwe dam met duiker in de categorie A watergang langs de Zuidlangeweg is op advies van het waterschap uit plan verwijderd. De bestaande uitrit aan de oostzijde van het plangebied wordt gebruikt om het bijgebouw te bereiken. Het waterschap kan op deze wijze van de inrit gebruik blijven maken voor het onderhoud aan de watergang. Gemeente Moerdijk heeft het initiatief voorgelegd aan waterschap Brabantse Delta. Het waterschap heeft een positief wateradvies gegeven, onder het voorhoud dat de opmerkingen en suggesties van het waterschap in de ruimtelijke onderbouwing worden verwerkt. Aan deze voorwaarde is voldaan. 4.3 Cultuurhistorie en archeologie 4.3.1 Cultuurhistorie De gemeenteraad van Moerdijk heeft op 22 juni 2017 de gemeentelijke Erfgoedverordening vastgesteld. Afbeelding 9 geeft een uitsnede van de gemeentelijke cultuurhistoriekaart, die historische bo

Afbeelding 9 Cultuurhistorische waardenkaart

Het gespecialiseerde bureau Emmens BCA heeft in september 2015 een cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd voor de boerenschuur aan de Zuidlangeweg 6 in Oudemolen. In de

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

20

Mureau Advies r betreft de hoofdconstructie, noordgevel en bouwmassa een behoorlijk goed bewaard voorbeeld is van een kleinere, vierbeukige schuur die karakteristiek is voor de streek en uit de eerste helft van de 19e eeuw of wellicht nog de 18e eeuw stamt. De schuur heeft om die reden -Brabant en het Monumentenhuis Brabant hebben aangegeven het met deze conclusie eens te zijn. Het bouwhistorisch rapport is als bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd. Het verbouwen en renoveren van de cultuurhistorisch waardevolle boerderij levert een positieve bijdrage aan het aspect cultuurhistorie. Het voorlopig ontwerp dat is opgenomen als bijlage 1 is door de gemeentelijke Monumentencommissie akkoord bevonden. 4.3.2 Archeologie De bescherming van het archeologisch erfgoed is opgenomen in het in 1992 gesloten Verdrag van Malta. Het verdrag heeft als hoofddoel archeologische resten in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed. In Nederland heeft het rijk het verdrag in 2007 verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Voor gemeenten betekent deze wet dat archeologie verankerd moet worden in bestemmingsplannen. Gemeente Moerdijk heeft hieraan invulling gegeven door gemeentelijk archeologiebeleid op te stellen.

Op basis van het gemeentelijk archeologiebeleid wordt in het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied aan bepaalde gronden de dubbelbestemming Waarde-Archeologie toegekend. Aan het plangebied is deze dubbelbestemming niet toegekend. Dat komt overeen met de Archeologiekaart, waarvan afbeelding 10 een uitsnede weergeeft. Het plangebied heeft de oor deze gebieden bestaat geen archeologische onderzoeksplicht. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

21

Mureau Advies

Afbeelding 10 Archeologiekaart

4.4 Ecologie De bescherming van Natura-2000 gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Afbeelding 11 geeft weer dat het plangebied niet is gelegen in of op korte afstand van een Natura-2000 gebied of binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien de aard van het initiatief, waarbij de bedrijfsactiviteiten definitief worden beëindigd en een woonfunctie wordt toegevoegd, zijn geen negatieve gevolgen te verwachten voor Natura-2000 gebieden of het NNN.

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

22

Mureau Advies

Afbeelding 11 Ligging Natura-2000 gebieden en NNN

Afbeelding 12 Resultaten flora- en faunascan Zuidlangeweg 6

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

23

Mureau Advies Het perceel wordt gesplitst en de voormalige bedrijfswoning en de cultuurhistorisch waardevolle schuur hebben in de nieuwe situatie beide een woonfunctie. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht, met uitzondering van een bijgebouw bij de bestaande woning. De bedrijfsmatige activiteiten die op basis van de vigerende bestemming mogelijk zijn, worden definitief beëindigd. De omliggende agrarische gronden worden intensief gebruikt voor akkerbouw. Aan de rand van het plangebied bevindt zich erfbeplanting. Om te bepalen of het initiatief mogelijk negatieve gevolgen heeft voor beschermde dier- en plantensoorten, is een Flora- en Faunascan uitgevoerd met behulp van het computerprogramma van Arcadis. Uit de scan, die is weergegeven in afbeelding 12 blijkt dat een overtreding van de Wet natuurbescherming ter plaatse niet waarschijnlijk is. Op basis van bovenstaande analyse kan geconcludeerd worden dat het initiatief geen nadelige gevolgen heeft voor het aspect natuur en landschap en dat nader onderzoek op dit moment niet nodig wordt geacht. 4.5 Wegverkeerslawaai Door middel van de Wet geluidhinder (Wgh) worden de zogenoemde geluidgevoelige objecten beschermd tegen lawaai. De Wgh kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder.

Ter bescherming van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen, zijnde een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde). De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid maatwerk te leveren voor de lokale situatie, door het vaststellen van een hogere waarde dan de ondergrens, tot maximaal de bovengrens. Voor de bestaande bedrijfswoning leidt het initiatief niet tot een wijziging van de feitelijke situatie. De bestaande woning wordt gehandhaafd en conform de huidige situatie gebruikt voor bewoning. Omdat de bestemmingswijziging via een omgevingsvergunning wordt gerealiseerd, dient voor de voormalige bedrijfswoning toetsing aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder plaats te vinden. Voor de burgerwoning geldt in de nieuwe situatie een hoger beschermingsniveau dan voor de bedrijfswoning: de hoogst toelaatbare geluidbelasting ligt voor de burgerwoning met 53 dB Lden lager dan die voor de bedrijfswoning (58 dB Lden). Het perceel wordt gesplitst en de cultuurhistorisch waardevolle schuur krijgt een woonfunctie. Hiervoor geldt tevens een hoogst toelaatbare geluidbelasting van 53 Lden. De geprojecteerde woningen zijn gelegen binnen de zone van de Zuidlangeweg (60 km/uur). Om na te gaan of aan de normen voor geluidbelasting wordt voldaan, heeft gespecialiseerd bureau SAIN Milieuadvies een akoestisch onderzoek uitgevoerd.

De conclusie is onderstaand integraal weergegeven. den op de nieuwe woningen ten gevolge van omliggende wegen is

berekend voor het jaar 2028. Hieruit volgt: Resultaten geluidsbelasting: o Op woning 1 (voormalige bedrijfswoning) overschrijdt de geluidsbelasting vanwege de Zuidlangeweg de voorkeursgrenswaarde. Wel wordt voldaan aan de maximale grenswaarde van 58 dB. o Op woning 2 (voormalige schuur) voldoet de geluidsbelasting vanwege de Zuidlangeweg aan de voorkeursgrenswaarde. Maatregelen en hogere waarden:

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

24

Mureau Advies o Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting door de Zuidlangeweg zijn niet opportuun, niet mogelijk, dan wel landschappelijk en/of stedenbouwkundig ongewenst. Daarom is voor woning 1 een hogere waarde vanwege de Zuidlangeweg nodig. o Er wordt voldaan aan de voorwaarden uit het HGW-beleid om de hogere waarde te kunnen De volledige rapportage met de resultaten van het akoestisch onderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij deze ruimtelijke onderbouwing. 4.6 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering beoogt een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven en anderzijds milieugevoelige functies aan te brengen. De kwaliteit van het woonen leefklimaat wordt daardoor gehandhaafd en bevorderd. In het algemeen wordt door het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. Bedrijven zijn in de VNG-publicatie gewenste richtafstand tot milieugevoelige functies. De richtlijnafstanden gelden ten opzichte de richtlijnafstanden met één stap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Het plangebied is gelegen in rustig buitengebied. In een straal van 500 meter rondom het plangebied, bevinden zich twee als zodanig bestemde bedrijven.

Het betreft de akkerbouwbedrijven aan de Zuidlangeweg 7 en 9. Voor akkerbouwbedrijven geldt conform de VNG-publicatie een richtafstand van 30 meter. De bestaande bedrijfswoning wordt sinds het beëindigen van de bedrijfsmatige activiteiten gebruikt voor bewoning. De aanwezigheid van de bedrijfswoning is toegestaan, echter de bedrijfsvoering is beëindigd. Het wijzigen van de bedrijfswoning naar een (burger)woning leidt niet tot het toevoegen van een milieugevoelige functie. Het toekennen van een woonfunctie aan de cultuurhistorisch waardevolle schuur leidt wel tot het toevoegen van een milieugevoelige functie. De afstand van de schuur tot de grens van de inrichtingen aan de Zuidlangeweg 7 en 9 bedraagt 36, respectievelijk 31 meter. Dit betekent dat wordt voldaan aan de richtafstand en het initiatief voldoet aan de eisen van milieuzonering. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van onaanvaardbare hinder en het splitsen van het perceel en toekennen van een extra woonfunctie aan het plangebied belemmert de akkerbouwbedrijven niet in de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling. 4.7 Geur Geurhinder agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit stallen.

De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

25

Mureau Advies veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. Door het splitsen van het perceel en het toekennen van een woonfunctie aan de cultuurhistorisch waardevolle schuur, ontstaat een nieuw geurgevoelig object. Geurhinder wordt bepaald op basis van de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij welke de meeste geurbelasting op een geurgevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door alle veehouderijen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen. In een straal van 1 km rondom het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen gelegen en ook in de wijdere omgeving is sprake van een lage veedichtheid. De voorgrondbelasting en achtergrondbelasting vormt ter plaatse van het plangebied geen belemmering voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De cumulatieve achtergrondconcentraties ter plaatse is bepaald met behulp van de Atlas Leefomgeving. De geldende achtergrondbelasting is met een hinderkans van 0% tot 5% als goed te kwalificeren is. Afbeelding 13 geeft dit weer.

Afbeelding 13 Geur veehouderij op basis van hinderpercentages

Het initiatief mag de omliggende veehouderijen niet onevenredig beperken in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Voor alle veehouderijen in de omgeving van het plangebied geldt dat op kortere afstand reeds geurgevoelige objecten (woningen) zijn gelegen, die het ontwikkelperspectief van de veehouderijen bepalen. Het toekennen van een extra woonfunctie aan het plangebied vormt derhalve geen belemmering voor veehouderijen in de omgeving. Geurhinder industrieel Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft de Handleiding geur beschikbaar gesteld, waarmee het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en niet-agrarische bedrijven bepaald kan worden. De handleiding wordt onder andere toegepast bij het beoordelen van ruimtelijke

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

26

Mureau Advies plannen. Bij het bestrijden van geurhinder moet een bedrijf de Best Beschikbare Technieken (BBT) toepassen, zodat een hoog beschermingsniveau bereikt wordt en eventuele geurhinder aanvaardbaar is. Het bevoegd gezag weegt een aantal aspecten mee bij het bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van geur. Deze staan in artikel 2.7a lid 3 van het Activiteitenbesluit. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen niet-agrarische bedrijven met een geurcontour. De afstand tot het haven- en industrieterrein Moerdijk bedraagt meer dan 5 km. Het plangebied is niet binnen een industriële geurcontour gelegen. 4.8 Externe veiligheid Het b handelingen met gevaarlijke stoffen. omgeving. Het wettelijk kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en Besluit externe veiligheid buisleidingen. Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes) en anderzijds over de risico ontvangers (omstanders).

Bij risico ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen waarin groepen van circa 50 personen of meer, langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin kleinere groepen verblijven worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn. Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waar groepen van minder dan 50 personen langere aaneengesloten tijd verblijven. De wetgever maakt onderscheid tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit.

Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens: de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Shell Nederland Chemie B.V. Met betrekking tot deze inrichting is de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag. Op basis van de professionele risicokaart die is weergegeven in afbeelding 14 is bepaald dat het plangebied op een afstand van circa 5.000 meter van de inrichtingsgrens van Shell Nederland Chemie B.V. ligt. Het invloedsgebied van Shell bedraagt 10.700 meter en ligt volledig over het plangebied. Uit de QRA, behorende bij de Wm-aanvraag, blijkt dat het PR van 10-6 per

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

27

Mureau Advies jaar niet buiten het industrieterrein Moerdijk ligt. Er zijn dan ook geen knelpunten ten aanzien van het PR van 10-6 per jaar. Voor de inrichtingen op het industrieterrein, waaronder Shell, zijn groepsrisicoberekeningen uitgevoerd. (Risicoanalyse inrichtingen Haven- en industrieterrein Moerdijk. AVIV 23 oktober 2009/update september 2013). Op basis van de beschikbare QRA wordt een overschrijding van 2 maal de oriëntatiewaarde berekend. Toename van personendichtheden buiten de grenzen van haven- en industrieterrein Moerdijk, heeft nauwelijks invloed op het groepsrisico. De ruimtelijke ontwikkeling aan de Zuidlangeweg 6 is relatief kleinschalig en kent een zeer beperkte toename van de personendichtheid. Bovendien is het plangebied gelegen op grote afstand van het haven- en industrieterrein, waardoor de ontwikkeling niet leidt tot een toename van het GR. Overeenkomstig het Bevi dient het groepsrisico wel verantwoord te worden. Volstaan kan worden met een verantwoording op hoofdlijnen.

Afbeelding 14 Uitsnede Risicokaart Nederland

Groepsrisicoverantwoording Bevi Met betrekking tot de Bevi-inrichting Shell Nederland Chemie B.V. blijkt uit de QRA, behorende bij de vigerende vergunning, dat het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar niet over het plangebied ligt. Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. De ruimtelijke ontwikkeling (het omzetten van de bedrijfswoning naar burgerwoning het in gebruik nemen van de schuur als woning) leidt nauwelijks tot een toename van het aantal aanwezige personen binnen het plangebied. Het voor de inrichting Shell berekende groepsrisico wordt dus niet beïnvloed door de medewerking aan deze ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het feit dat er geen toename is van het groepsrisico en de risicobron Shell op grote afstand is gelegen, acht de gemeente Moerdijk de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord. De uitgangspunten uit de standaardverantwoording GR, zoals opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting, zijn van toepassing ten aanzien van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

28

Mureau Advies Het splitsen van het perceel en toekennen van een woonfunctie aan de cultuurhistorisch waardevolle schuur, staat gelijk aan het oprichten van een beperkt kwetsbaar object. Om te bepalen of een woning ligt binnen de plaatsgebonden risicocontour PR 10-6/jaar is de risicokaart van Nederland geraadpleegd. Afbeelding 14 geeft een uitsnede weer van deze kaart. Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet binnen een plaatsgebonden risicocontour gelegen is. Er zijn in de directe omgeving geen inrichtingen met een risicovolle activiteit of buisleidingen aanwezig, waarop het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing is. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voorliggende initiatief. 4.9 Kabels en leidingen Uit de verbeelding van ontwerpbestemmingsplan Buitengebied blijkt dat zich binnen het plangebied of directe omgeving geen planologisch relevante kabels of leidingen bevinden. Dit wordt bevestigd door de initiatiefnemer, die van de situatie ter plaatse goed op de hoogte is. Voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden zal een KLIC melding worden gedaan, zodat de ligging van kabels en leidingen in beeld is. 4.10 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving inzake luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Voor verschillende stoffen zijn luchtkwaliteitsnormen vastgesteld.

Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer. Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van de andere stoffen komt nauwelijks voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten verslechteren de luchtkwaliteit niet in betekenende mate (NIBM). Deze projecten vergen geen nadere toetsing op luchtkwaliteit. Ze zijn zo klein dat ze geen wezenlijk invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bijdraagt aan luchtverontreiniging, ook niet in gebieden met te veel luchtverontreiniging (overschrijdingsgebieden). De ministeriële regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM project is. Dat is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Binnen het plangebied worden de bedrijfsmatige activiteiten definitief beëindigd en wordt één extra woonfunctie toegekend.

Gezien de kleinschaligheid van het project, draagt het NIBM bij aan de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing van het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Om na te gaan of ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit, is de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL) geraadpleegd. Uit afbeelding 15 blijkt dat de concentratie NO2 en PM10 geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

Toelichting bij aanvraag omgevingsvergunning Zuidlangeweg 6, Oudemolen

29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=cd146d0c-a125-43dd-95d7-a4205e5edbe2