Bijlage 7b Regels
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Veegplan Buitengebied 2021 ontwerp
Veegplan Buitengebied 2021
Inhoudsopgave
Regels
5
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
7 7 19
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17 Artikel 18 Artikel 19 Artikel 20 Artikel 21 Artikel 22 Artikel 23 Artikel 24 Artikel 25 Artikel 26 Artikel 27 Artikel 28 Artikel 29 Artikel 30 Artikel 31 Artikel 32 Artikel 33 Artikel 34 Artikel 35 Artikel 36 Artikel 37 Artikel 38 Artikel 39
Bestemmingsregels Agrarisch Bedrijf Bedrijf - Agrarisch aanverwant Bedrijf - Nutsbedrijf Cultuur en ontspanning Detailhandel Groen Horeca Kantoor Maatschappelijk Natuur Recreatie - Dagrecreatie Recreatie - Verblijfsrecreatie Sport - Manege Tuin Verkeer Verkeer - Railverkeer Water Water - Volkeraksluizen Wonen Leiding - Brandstof Leiding - Buisleidingenstraat Leiding - Gas Leiding - Hoogspanningsverbinding Leiding - Olie Leiding - Propyleen Leiding - Riool Leiding - Water Waarde - Archeologie 4 Waarde - Archeologie 5 Waarde - Archeologie 6 Waarde - Archeologie 7 Waarde - Beschermd stadsgezicht Waterstaat - Rivierbed Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed Waterstaat - Waterberging - Volkerak-Zoommeer Waterstaat - Waterkering
21 21 35 40 44 45 46 47 48 50 52 54 56 58 60 62 63 65 66 67 68 72 74 76 78 80 82 84 86 88 90 92 94 96 97 98 100 101
Hoofdstuk 3 Artikel 40 Artikel 41 Artikel 42 Artikel 43
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels
103 103 104 106 108
2
Artikel 44 Artikel 45 Artikel 46
Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
113 115 117
Hoofdstuk 4 Artikel 47 Artikel 48
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
119 119 120
3
4
Regels Leeswijzer (zie lid 46.2 Van toepassing verklaring) Gewone tekst De geldende regels volgens het eerder vastgestelde bestemmingsplan. Doorgehaalde tekst Tekst die door middel van het voorliggende plan komt te vervallen. Groen gemarkeerde tekst Tekst die door middel van het voorliggende plan wordt toegevoegd.
5
6
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan:
het bestemmingsplan Veegplan Buitengebied 2021 met identificatienummer NL.IMRO.1709.BPBGVeegplan2021-BP30 van de gemeente Moerdijk; 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3
aan-huis-gebonden beroep:
het uitoefenen van een dienstverlenend beroep, dat in een woning en/of in bijbehorende bouwwerken door de bewoners wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met een woonfunctie in overeenstemming is; 1.4
aanbouw:
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Functionele ondergeschiktheid is niet vereist; 1.5
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of bebouwen van deze gronden; 1.6
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7
agrarisch aanverwant bedrijf:
een bedrijf, nader onder te verdelen één of meer van de navolgende bedrijfsactiviteiten: agrarisch hulp- en nevenbedrijf; agrarisch loonbedrijf; agrarisch groothandelsbedrijf; 1.8
agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd:
een agrarisch bedrijf met een omvang van minder dan een halve arbeidskracht en dat valt onder de werkingsfeer van de Wet Milieubeheer; 1.9
agrarisch bedrijf:
een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren en waarbij de bedrijfsvoering aanbod gericht is; nader te onderscheiden in: a. grondgebonden veehouderij: veehouderij waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijk aangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgeving
7
liggen van de bedrijfslocatie, niet zijnde een paardenhouderij; b. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, met uitzondering van fruit-, sier- en bollenteelt, boomkwekerij en bosbouw; c. intensieve veehouderij: de teelt van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen (nagenoeg) zonder weidegang en/of zonder in overwegende mate afhankelijk te zijn van de bij het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel; d. glastuinbouw: de teelt van tuinbouw- of siergewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen en permanente tunnelkassen, waaronder begrepen plastic kassen; e. fruitteelt: de teelt van fruit in boomgaarden; f. sierteelt: teelt van siergewassen, alsmede van sierstruiken en sierbomen op open grond; g. intensieve kwekerij: de teelt van gewassen of dieren (anders dan bij wijze van intensieve veehouderij) (nagenoeg) zonder gebruik te maken van daglicht; h. boomkwekerij: een bedrijf gericht op het telen van bomen al dan niet gecombineerd met de verhandeling daarvan; i. bosbouw: de teelt van bomen ten behoeve van de houtproductie. 1.10
agrarisch deskundige:
een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen algemeen erkende en onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van landbouw en tuinbouw; 1.11
agrarisch groothandelsbedrijf:
een bedrijf dat in hoofdzaak gericht is op de handel in en de export van producten uit agrarische sector en dat daartoe beschikt over faciliteiten ten behoeve van het vervoer, de opslag, de been verwerking of de afzet van agrarische producten zoals transport- en opslagbedrijven, koelhuizen en dergelijke; 1.12
agrarisch hulp- en nevenbedrijf:
een bedrijf dat gericht is op het verlenen van diensten en/of het toeleveren van zaai- en pootgoed, gewasbeschermingsmiddelen en/of andere producten en/of machines aan agrarische bedrijven en hoveniersbedrijven (agrarische handels- en exportbedrijven en agrarische loonbedrijven daaronder niet begrepen), inclusief verhuur van machines; 1.13
agrarisch loonbedrijf:
een bedrijf dat uitsluitend of overwegend gericht is op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven met behulp van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur en/of op het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van landbouwwerktuigen of -apparatuur; 1.14
agrarische activiteiten op niet-bedrijfsmatige wijze:
het uitvoeren van agrarische activiteiten, waarbij het niet-bedrijfsmatige karakter vooropstaat. Onder agrarische activiteiten wordt in deze zin verstaan het houden van vee en het telen van gewassen op een zodanig kleinschalige wijze dat geen milieuvergunning of melding noodzakelijk is; 1.15
antenne-installatie:
installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;
8
1.16
antennedrager:
antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne; 1.17
archeologisch onderzoek:
onderzoek naar de geschiedenis en de archeologische waarde van een locatie, verricht en gerapporteerd conform de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) (of diens rechtsopvolger), uitgevoerd door een vergunninghoudende partij dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet 1988 (incl. de RCE) certificaat ex artikel 5.2 Erfgoedwet. 1.18
archeologische waarden:
alle vóór tenminste zestig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde. 1.19
atelier:
werkplaats van een kunstenaar; 1.20
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.21
bebouwingspercentage:
een in het plan aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; 1.22
bed and breakfast:
een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, waarbij de bed & breakfast ondergeschikt is aan de hoofdfunctie; 1.23
bedrijfswoning:
een woning, in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) een of meerdere personen wiens huisvesting daar gelet op de bedrijfsvoering noodzakelijk moet worden geacht; 1.24
begane grondlaag:
bouwlaag van een gebouw, ter hoogte van het peil. Deze bouwlaag wordt gekenmerkt door de hoofdontsluiting van het gebouw; 1.25
beperkt kwetsbaar object:
een object waarvoor ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen een richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden; 1.26
bestaand:
a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende vergunning; b. t.a.v. bebouwing ten behoeve van grondgebonden veehouderijen en intensieve veehouderijen, niet zijnde bestaande bedrijfswoningen: 1. de bebouwing die op 21 september 2013 aanwezig of in uitvoering was, of
9
2. de bebouwing die gebouwd mag worden krachtens een verleende omgevingsvergunning, of 3. de bebouwing die is gebaseerd op een vóór 21 september 2013 ingediende volledige en ontvankelijke bouwaanvraag die in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan per 21 september 2013; c. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan; 1.27
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak; 1.28
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.29
bijgebouw:
een op zich zelf staand gebouw, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.30
bio-energie-installatie:
een installatie waarbij uit een biologische grondstof energie wordt gewonnen in de vorm van warmte of elektriciteit, zoals bijvoorbeeld biomassavergistingsinstallaties, bio-olie-installaties of bio-ethanol-installaties, niet zijnde mestbewerking; 1.31
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.32
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.33
bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel; 1.34
bouwstede:
een aaneengesloten oppervlakte in en rondom de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bouwstede', waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing en verhardingen zijn toegelaten; 1.35
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde bebouwing en verhardingen zijn toegelaten; 1.36
bouwwerk voor recreatief verblijf:
een bouwwerk dat uitsluitend bedoeld is om door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te gebruiken voor toeristisch of recreatief gebruik; niet zijnde kampeermiddelen.
10
1.37
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal welke, hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.38
brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij:
nadere regels ter uitvoering van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij, die zijn vastgesteld door Gedeputeerde Staten op grond van de Verordening Ruimte of haar rechtsopvolger; 1.39
buisleiding:
holle buis voor het doorstromen van gassen, vloeistoffen of capsules, bestemd om hetzij een gas, een vloeistof of capsules te transporteren, hetzij een vloeistof als intermediair te gebruiken voor het transport van warmte of een opgeloste of verpulverde stof. Een standaard buisleiding is aangelegd volgens NEN 3650 en heeft een minimale gronddekking van 0,8 m in het vrije veld; 1.40
consumentenvuurwerk:
vuurwerk voor particulier gebruik; 1.41
detailhandel in volumineuze goederen:
een detailhandelsbedrijf te onderscheiden in de volgende categorieën: detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen; detailhandel in zeer volumineuze goederen, zoals auto's, keukens, badkamers, boten, motoren, caravans, landbouwwerktuigen en grove bouwmaterialen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen; tuincentra; grootschalige meubelbedrijven inclusief in ondergeschikte mate woninginrichting en stoffering; bouwmarkten; 1.42
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.43
dijk:
een al dan niet door steenglooiing versterkte aarden wal die dienst doet of heeft gedaan als waterkering langs of om enig water; 1.44
dijkbebouwing:
de bebouwing die geheel of gedeeltelijk in een dijk is gebouwd; 1.45
ecologische verbindingszone:
vaak langgerekt gebied, waarbinnen natuur- en landschapselementen zijn of worden gerealiseerd, gericht op het verbinden van natuurgebieden; 1.46
extensief agrarisch medegebruik:
een vorm van grondgebonden landbouw, zoals beweiding in lage veebezetting en de verbouw van akkerbouwproducten, in hoofdzaak gericht op de instandhouding en/of vergroting van de natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden;
11
1.47
extensief dagrecreatief medegebruik:
vormen van recreatief medegebruik van het agrarisch of natuurgebied door middel van al dan niet aangelegde en aanwezige voorzieningen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte, zoals wandel-, ruiter- en fietspaden, vis- en picknickplaatsen; 1.48
extensieve dagrecreatie:
extensieve vorm van dagrecreatie, zoals verhuur van fietsen of kano's, theetuinen en boerengolf; 1.49
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.50
geluidzoneringsplichtige inrichting:
een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een geluidszone moet worden vastgesteld; 1.51
hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen:
bouwwerken en voorzieningen met een bouwhoogte van meer dan 1,5 m, die ten behoeve van het verbeteren van de productie- en arbeidsomstandigheden en ten behoeve van het matigen van weersinvloeden gedurende het hele jaar aanwezig zijn ter ondersteuning van de vollegrondsgroenteteelt, boomteelt, fruitteelt, bloementeelt, sierteelt, bloembollenteelt en/of zaadteelt/zaadveredeling. Hieronder worden onder meer kassen en permanente hoge tunnels verstaan; 1.52
hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen:
bouwwerken en voorzieningen met een bouwhoogte van meer dan 1,5 m, die ten behoeve van het verbeteren van de productie- en arbeidsomstandigheden en ten behoeve van het matigen van weersinvloeden gedurende maximaal zes maanden worden geplaatst ter ondersteuning van de vollegrondsgroenteteelt, boomteelt, fruitteelt, bloementeelt, sierteelt, bloembollenteelt en/of zaadteelt/zaadveredeling. Hieronder worden onder meer tijdelijke hoge tunnels en stellingen verstaan; 1.53
hoofdgebouw:
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.54
hoofdverblijf:
het adres waar betrokkene woont of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij/zij naar verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal verblijven; 1.55
horeca:
onder horeca wordt verstaan het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf; 1.56
huishouden:
een persoon of groep personen die een duurzaam gemeenschappelijke huishouding voeren.
12
1.57
informatietuin:
een informatiecentrum (waar bezoekers door middel van voorbeeldtuinen, exposities en demonstraties in de gelegenheid worden gesteld kennis te nemen van de mogelijkheden) met betrekking tot ontwerp, aanleg, renovatie, inrichting en onderhoud van tuinen en parken, eventueel in combinatie met een kleinschalige horecagelegenheid; 1.58
internetwinkel:
het verhandelen van goederen via internet, zonder fysieke bezoekmogelijkheid en showroom, met de daarbij behorende administratieve activiteiten en opslagfaciliteiten; 1.59
inwoning:
twee of meer huishoudens die één woning bewonen met gemeenschappelijk gebruik van één of meer voorzieningen of (verblijfs)ruimten van die woning en waarbij de woning één hoofdtoegang behoudt en de voorzieningen c.q. (verblijfs)ruimten onderling vrij toegankelijk zijn; 1.60
kampeermiddel:
a. een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan; b. enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelten daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht, dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf en waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben; 1.61
kantoor:
een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied; 1.62
kas:
een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal en dienend tot kweken, trekken, vermeerderen, opkweken of verzorgen van vruchten, bloemen, groenten planten of bomen, alsmede in voorkomende gevallen tot bescherming van de omgeving tegen milieubelastende stoffen; 1.63
kleinschalig kamperen:
kleinschalig kamperen op een kampeerterrein met ten hoogste 25 standplaatsen, waarbij uitsluitend gebruik mag worden gemaakt van toeristische kampeermiddelen. Bouwwerken voor recreatief verblijf zijn niet toegestaan; 1.64
kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten:
het in een woning en/of in bijbehorende bouwwerken door maximaal twee bewoners op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer geldt en waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past; 1.65
kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van activiteiten als wandelen, fietsen, vissen, zwemmen, kanoën en natuurobservatie alsmede ten behoeve van outdoor-activiteiten en vergelijkbare activiteiten in de vorm van bijvoorbeeld aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken;
13
1.66
kleinschalige horecagelegenheid:
theetuin of proeverij van streekeigen producten dan wel producten afkomstig van het eigen bedrijf, géén café, restaurant of ander horecabedrijf zijnde; 1.67
kwetsbaar object:
een object waarvoor ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen een grenswaarde voor het risico c.q. een risico-afstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in acht genomen moet worden; 1.68
lage permanente teeltondersteunende voorzieningen:
bouwwerken en voorzieningen met een bouwhoogte van minder dan 1,5 m, die ten behoeve van het verbeteren van de productie- en arbeidsomstandigheden en het matigen van weersinvloeden gedurende het hele jaar aanwezig zijn ter ondersteuning van de vollegrondsgroenteteelt, boomteelt, fruitteelt, bloementeelt, sierteelt, bloembollenteelt en/of zaadteelt/zaadveredeling. Hieronder worden onder meer permanente lage tunnels verstaan; 1.69
lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen:
bouwwerken en voorzieningen met een bouwhoogte van minder dan 1,5 m, die ten behoeve van het verbeteren van de productie- en arbeidsomstandigheden en ten behoeve van het matigen van weersinvloeden gedurende maximaal zes maanden worden geplaatst ter ondersteuning van de vollegrondsgroenteteelt, boomteelt, fruitteelt, bloementeelt, sierteelt, bloembollenteelt en/of zaadteelt/zaadveredeling; Hieronder worden onder meer stellingen, agrocover en agryl vliesdoek verstaan; 1.70
landschapskwaliteitsplan:
het Landschapskwaliteitsplan, zoals die op 14 juli 2016 door de gemeenteraad van de gemeente Moerdijk is vastgesteld of haar rechtsopvolger; 1.71
logiesgebouw:
een gebouw, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met - al dan niet - als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en dranken voor consumptie ter plaatse; 1.72
maatschappelijke voorzieningen:
(overheids)voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, cultuur, religie, sport, onderwijs, openbare orde en veiligheid en daarmee gelijk te stellen sectoren; 1.73
manege:
een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden aan derden en daarvoor paarden en/of pony's houdt, zulks in combinatie met een of meer van de volgende activiteiten of voorzieningen: het in pension houden van paarden en pony's, horeca (kantine, foyer, en dergelijke) logies/ of verenigingsaccommodatie en het houden van wedstrijden of andere evenementen, hierbij kunnen ondergeschikte voorzieningen aanwezig zijn, zoals een kantine/foyer of een verenigingsaccommodatie; 1.74
mestbewerking:
de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygiënisatie of indamping van mest;
14
1.75
nevenactiviteit:
onderdelen van een bedrijf, waarvan de gezamenlijke productieomvang een ondergeschikt (minder dan de helft) deel uitmaakt van de totale productieomvang van het bedrijf, met dien verstande dat de productieomvang van de nevenacitiviteit afzonderlijk in geen geval meer dan 70% van de minimale omvang van een zelfstandig volwaardig bedrijf in de desbetreffende bedrijfstak mag bedragen; 1.76
nutsbedrijf:
alle gebouwen, bouwwerken en bijbehorende voorzieningen die een functie hebben in het proces van transport, transformatie en distributie van elektrische energie; 1.77
nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie; 1.78
omschakeling:
geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm naar de andere agrarische bedrijfsvorm; 1.79
opgaande beplanting:
verticaal groeiende beplanting als solitair element, zoals heesters en bomen; 1.80
opslag:
het bewaren van goederen, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard; 1.81
opstelling windturbines:
windturbines die door samenhang in onderlinge afstand en verschijningsvorm deel uitmaken van een visuele eenheid van meerdere windturbines, binnen het plangebied; 1.82
opstelplaats:
een verharde plek ten behoeve van het bouwen van en het onderhoud aan een windturbine; 1.83
overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak; 1.84
paardenbak:
een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining; 1.85
paardenhouderij:
een bedrijf waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair zijn gericht op het voortbrengen, africhten, trainen, verhandelen en stallen van paarden, niet zijnde een manege;
15
1.86
peil:
a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk grenst aan de weg en voor dijkbebouwing: de hoogte van de kruin van de weg; b. voor andere gevallen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld; 1.87
permanente bewoning:
bewoning van een bouwwerk voor recreatieverblijf ruimte als hoofdverblijf; 1.88
praktijkruimte:
een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, (para)medisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied; 1.89
relatie:
bouwvlakken of bouwsteden die met elkaar verbonden zijn door middel van de aanduiding 'relatie' worden geacht een aaneengesloten oppervlakte met bij elkaar behorende bebouwing en gebruiksmogelijkheden voor één bedrijf te vormen; 1.90
reëel agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf met een omvang, passend bij ten minste een halve tot een volledige arbeidskracht, met aannemelijk perspectief op volwaardigheid; 1.91
riviergebonden activiteiten:
activiteiten die gelet op de aard gebonden zijn aan de rivier: a. b. c. d. e. f.
waterstaatkundige kunstwerken (bruggen, sluizen, waterkeringen e.d.); voorzieningen voor de beroepsvaart (vaarwegverbetering); voorzieningen voor een veilige afwikkeling van de beroeps- en recreatievaart; overslagbedrijven voor zover gekoppeld aan vervoer over een hoofdvaarweg; scheepswerven voor schepen groter dan 25 m, gemeten langs de waterlijn; natuur in de uiterwaarden;
1.92
rotor:
het samenstelsel van drie rotorbladen (ook wel wieken genoemd) en hub (ook wel de neus genoemd) van een windturbine; 1.93
rotordiameter:
de diameter van de cirkel die door de tip (het uiteinde) van een rotorblad (wiek) wordt beschreven; 1.94
seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
16
1.95
statische opslag:
onder statische opslag wordt verstaan opslag van naar hun aard statische goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven zoals (antieke) auto's, boten, caravans en dergelijke. De opslag mag niet bestemd zijn voor de handel dan wel worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf; 1.96
supermarkt:
zelfbedieningszaak voor levensmiddelen en huishoudelijke producten; 1.97
theetuin:
het verlenen van diensten in de vorm van het openstellen van en/of rondleiden door privésiertuinen bij woningen met als nevenactiviteiten het verstrekken van dranken, de daarbij behorende versnaperingen en de verkoop van souvenirs, koffie-, thee- en tuinproducten; 1.98
tuincentrum:
een bedrijf, gericht op de teelt en de verhandeling van bomen, heesters, planten, bloemen en andere siergewassen en in samenhang daarmee de verkoop van artikelen die met de tuinbewerking of de inrichting van tuinen verband houden en de verkoop van artikelen die inspelen op woontrends en het buitenleven; 1.99
toetsingskader defensieradar:
het Toetsingskader defensieradar van het Ministerie van Defensie waarmee wordt bepaald of de verstoring van het radarbeeld als gevolg van de oprichting van windturbines aanvaardbaar is of niet; 1.100
verkoop streekeigen agrarische producten:
het te koop aanbieden, verkopen en/of leveren van agrarische producten aan particulieren, bij wijze van neventak van een agrarisch bedrijf, voor zover deze agrarische producten hoofdzakelijk op het eigen bedrijf en/of in de regio zijn geteeld en op ambachtelijke wijze zijn verwerkt of bewerkt; 1.101
visie bebouwingsconcentraties
De Visie Bebouwingsconcentraties die op 14 juli 2016 door de gemeenteraad van de gemeente Moerdijk is vastgesteld of haar rechtsopvolger; 1.102
visie buitengebied:
De Visie Buitengebied die op 14 juli 2016 door de gemeenteraad van de gemeente Moerdijk is vastgesteld of haar rechtsopvolger; 1.103
volwaardig agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf in de omvang van ten minste één volledige arbeidskracht met een daarbij passende bedrijfsomvang; 1.104
voorgevelrooilijn:
de lijn die - evenwijdig aan de openbare weg - in het verlengde ligt van de voorgevel van het gebouw, dat het dichtst bij de weg is gelegen, gebouwen kleiner dan 6 m² niet meegerekend; 1.105
windturbine:
een bouwwerk ter opwekking van elektriciteit door benutting van windkracht;
17
1.106
wonen:
het houden van verblijf, het huren of het gehuisvest zijn in een woning; 1.107
woning:
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden; 1.108
wooneenheid:
gedeelte van een woonfunctie dat bestemd is voor afzonderlijke bewoning; 1.109
zorgboerderij:
de dag en of nachtopvang van mensen met een zorgvraag, waarbij het meewerken in het agrarisch bedrijf of bij het kleinschalig houden van dieren een wezenlijk onderdeel is van resocialisatie of therapie; 1.110
zorgvuldige landschappelijke inpassing:
een zodanige vormgeving en inpassing dat deze optimaal is afgestemd op bestaande danwel nog te ontwikkelen ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische landschapskwaliteiten.
18
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
afstand tussen windturbines:
de afstand tussen windturbines onderling wordt gemeten vanuit het hart van de mast van de windturbine; 2.2
afstanden:
afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn; 2.3
de bouwhoogte van een antenne-installatie:
tussen de voet van de antennedrager en het hoogste punt van de antenne-installatie; indien de antennedrager aan de gevel van een gebouw wordt bevestigd, wordt gemeten tussen het punt waarop de antenne, met antennedrager het dakvlak kruist en het hoogste punt van de antenne-installatie; 2.4
de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde:
tussen het hoogste punt van het bouwwerk en het peil; 2.5
de bouwhoogte van een gebouw:
tussen de bovenkant van het gebouw, met uitzondering van antenne-installaties, schoorstenen en andere ondergeschikte bouwdelen, en het peil; 2.6
de bouwhoogte van een ondergrondse ruimte:
de ruimte tussen de vloer van de ondergrondse ruimte en de bovenzijde van de begane grondvloer; 2.7
de bouwhoogte van een windturbine:
vanaf peil tot aan de (wieken)as van de windturbine; 2.8
de goothoogte van een gebouw:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.9
de inhoud van een gebouw:
tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren en de buitenzijde van de daken en dakkapellen, met dien verstande dat bij dijkbebouwing tevens de ruimten onder de begane grondvloer worden meegerekend bij het bepalen van de inhoudsmaat van een woning; 2.10
de oppervlakte van een gebouw:
tussen (de buitenste verticale projecties van) de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren; 2.11
tiphoogte van een windturbine:
vanaf peil tot aan het bovenste verticaal staande rotorblad.
19
De in dit plan gegeven regels omtrent plaatsing, afstanden en maten van bouwwerken, zijn niet van toepassing op goot- en kroonlijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, kozijnen, dorpels, luifels, schoorstenen, lichtkoepels, emissiekanalen luchtwassers en soortgelijke ondergeschikte bouwdelen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 m.
20
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Agrarisch
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een volwaardig of een reëel agrarisch bedrijf, een agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd of agrarische activiteiten op niet-bedrijfsmatige wijze dat kan bestaan uit één of meerdere hoofdtakken zoals is bedoeld in artikel 1 lid 1.9 onder b, e, f en h; b. grondgebonden veehouderij zoals is bedoeld in artikel 1 lid 1.9 onder a en de bestaande oppervlakte van een bestaande neventak van een intensieve veehouderij zoals is bedoeld in artikel 1 lid 1.9 onder c, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden veehouderij' en de daarbij behorende bouwstede; c. intensieve veehouderij zoals is bedoeld in artikel 1 lid 1.9 onder c en een grondgebonden veehouderij zoals is bedoeld in artikel 1 lid 1.9 onder a, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij'; d. glastuinbouw zoals is bedoeld in artikel 1 lid 1.9 onder d, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw'; e. intensieve kwekerij zoals is bedoeld in artikel 1 lid 1.9 onder g, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve kwekerij', waarbij een neventak glastuinbouw is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kas'; f. paardenhouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij'; g. opslag van agrarische producten ten behoeve van omliggende agrarische bedrijven; h.
behoud, bescherming en beheer van landschapselementen in de vorm van dijken, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - landschapselement'; i. een tuincentrum, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'tuincentrum'; j. windturbinepark, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'windturbinepark'; k. wegen en opstelplaatsen ten behoeve van de bouw en het onderhoud van windturbines, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'verkeer'; l. ter plaatse van de aanduiding 'water' is uitsluitend een watergang toegestaan; m. een paardenbak, uitsluitend op de gronden welke zijn gelegen binnen het bouwvlak of de bouwstede; n. nevenactiviteiten, met dien verstande dat: 1. maximaal 400 m2 van de bedrijfsgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van de nevenactiviteit, tenzij onder 2 anders is bepaald; 2.
uitsluitend de navolgende nevenactiviteiten zijn toegestaan: extensieve dagrecreatie; ambachtelijke bedrijvigheid, in de vorm van be- en verwerking van agrarische producten, zoals een kaasmakerij, uitsluitend binnen bedrijfsgebouwen, mits de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel'; agrarisch aanverwante bedrijven welke zijn opgenomen in categorie 1 en 2 van Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten, uitsluitend binnen bedrijfsgebouwen, mits de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel'; opslag en stalling van agrarische en niet-agrarische producten, goederen en materialen uitsluitend in de bestaande gebouwen tot een maximale oppervlakte van 1.000 m2, mits de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel'; museum en tentoonstellingsruimte, uitsluitend binnen bedrijfsgebouwen; kleinschalige horeca ten dienste van extensieve dagrecreatie, zoals een theetuin of proeverij van streekproducten tot een maximale oppervlakte van 100 m2, zowel binnen als buiten de bedrijfsgebouwen; kinderboerderij; paardenstalling/paardenpension;
21
kano-, roeiboot- of fietsenverhuur; sociale functie (resocialisatie, therapie, zorgboerderij en kinderopvang; verkoop van streekeigen agrarische producten uitsluitend binnen bedrijfsgebouwen, mits de oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m2; bermverkoop van zelf geteelde agrarische producten, mits de oppervlakte niet meer bedraagt dan 20 m2 en parkeren op eigen terrein plaatsvindt; veearts uitsluitend binnen de bestaande gebouwen; hoefsmederij uitsluitend binnen de bestaande gebouwen; hoveniersbedrijf van maximaal milieucategorie 2 uitsluitend binnen de bestaande gebouwen; nevenactiviteiten welke zijn opgenomen in de navolgende tabel en die zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - nevenactiviteiten':
o.
p.
q.
r. s.
t.
Adres
Toegestane nevenactiviteit
Noordseweg 13, Langeweg
Loonbedrijf en fouragehandel met een oppervlakte van maximaal 1.300 m²
3. nevenactiviteiten niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf' en op gronden waar enkel agrarische activiteiten op niet-bedrijfsmatige wijze worden uitgeoefend; bedrijfswoning, met dien verstande dat: 1. het aantal bedrijfswoningen niet meer mag bedragen dan 1 per bouwvlak of bouwstede dan wel niet meer mag bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen'; 2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - biologische intensieve veehouderij' is een intensieve veehouderij toegestaan, waarbij sprake is van een biologische productiewijze, gecertificeerd volgens de geldende biologische regelgeving, en een neventak grondgebonden veehouderij zoals bedoeld in artikel 1 lid 1.9 onder a; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf' zijn tevens de volgende functies toegestaan: 1. wonen; 2. agrarisch gebruik ten behoeve van de omliggende agrarische bedrijven; 3.
statische opslag tot een maximale oppervlakte van 400 m2 binnen de bestaande gebouwen; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' mag de bedrijfswoning tevens door een derde worden bewoond; het plaatsen en gebruiken van woonunits voor maximaal 9 maanden per jaar ten behoeve van de huisvesting van seizoensarbeiders, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - tijdelijke huisvesting'; geluidwerende voorzieningen.
met daarbij behorende: u. v. w. x. y.
toegangswegen, -paden, onverharde paden en overig verblijfsgebied; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; waterhuishoudkundige voorzieningen; erven en tuinen behorende bij bedrijfswoningen tot maximaal 50 m uit de grens van het bouwvlak of de bouwstede.
3.2
Bouwregels
3.2.1
Algemeen
Voor het bouwen van bebouwing gelden de volgende regels: a. er is ten hoogste 1 bedrijf per bouwvlak of bouwstede toegestaan; b. op de gronden in en rondom de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bouwstede' is een bouwstede toegestaan, met dien verstande dat: 1. de oppervlakte van de bouwstede niet meer mag bedragen dan 1,5 ha dan wel niet meer dan is opgenomen ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)';
22
2. de langste zijde van de bouwstede niet meer mag bedragen dan 150 m dan wel niet meer dan is opgenomen ter plaatse van de aanduiding 'maximum lengte (m)'; 3. indien de bouwsteden met elkaar verbonden zijn door middel van de aanduiding 'relatie', dan is het bepaalde onder 2 niet van toepassing; c. de voorgevelrooilijn van de bouwstede en het bouwvlak mag niet met bouwwerken worden overschreden, tenzij het betreft: 1. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, funderingen, balkons, erkers en entreeportalen, mits de overschrijding niet meer dan 1,25 m bedraagt; 2. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt; 3. terrein- en erfafscheidingen, mits de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedraagt; 4. voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing; 5. een bouwstede met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - voorgevelrooilijn'; 6. bouwwerken voor bermverkoop, mits de oppervlakte niet meer bedraagt dan 20 m2; d. op de gronden welke niet zijn gelegen ter plaatse van: 1. het bouwvlak; 2. de bouwstede; 3.
de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - solitaire schuur'; zijn uitsluitend toegestaan: terrein- en erfafscheidingen; voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing; lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen; lage, permanente teeltondersteunende voorzieningen mits gelegen direct aansluitend buiten bouwvlakken/bouwstedes, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' de oppervlakte hiervan maximaal 3 ha mag bedragen; hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' of de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd stadsgezicht', en bestaande hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen. e. uitbreiding van bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd, agrarische activiteiten op niet-bedrijfsmatige wijze en voormalige agrarische bedrijven ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf' zoals is bedoeld in lid 3.1 is niet toegestaan, met uitzondering van bedrijfswoningen en bijbehorende aan- en uitbouwen; f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf' zijn uitsluitend de bestaande bedrijfsgebouwen toegestaan, met dien verstande dat: 1.
uitbreiding van de oppervlakte van gebouwen uitsluitend is toegestaan indien de gebouwen worden gebruikt voor de voor de uitoefening van een volwaardig of reëel agrarisch bedrijf dat kan bestaan uit één of meerdere hoofdtakken zoals is bedoeld in artikel 1 lid 1.9 onder b, e, f en h, niet zijnde een veehouderij; 2. verbouw en herbouw, dan wel vervangende nieuwbouw van een (voormalige) bedrijfswoning is toegestaan, mits de inhoud van een (voormalige) bedrijfswoning niet meer dan 750 m3 bedraagt; g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - mestsilo' is uitsluitend de bestaande bebouwing toegestaan; h. de oppervlakte van bebouwing ten behoeve van mestbewerking mag niet meer bedragen dan 120 m2; i. de vestiging van, uitbreiding van en omschakeling naar en een toename van de oppervlakte dierenverblijf van geitenhouderijen is niet toegestaan; j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – bestaande ruwvoeropslag' zijn ruwvoeropslagen toegestaan. 3.2.2
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van: 1. het bouwvlak; 2. de bouwstede;
23
3. de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - solitaire schuur'; b. kassen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduidingen: 1. 'glastuinbouw', met dien verstande dat de oppervlakte kassen in het bouwvlak op het adres Molendijk 12 te Standdaarbuiten niet mag worden vergroot; 2. 'kas'; c. de gronden welke zijn opgenomen in sublid 3.2.2 onder a.1 tot en met a.3 mogen volledig worden bebouwd, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak'; d. het in gebruik nemen en bouwen van dierenverblijven binnen het bouwvlak of bouwstede ten behoeve van een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' of een grondgebonden veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden veehouderij' is niet toegestaan; e. de afstand tussen nieuwe gebouwen op de bouwstede en het hart van de dichtstbij gelegen openbare weg mag niet minder dan 25 m bedragen, met dien verstande dat nieuwe gebouwen niet mogen worden gebouwd in de zone tussen de bedrijfswoning en de dichtstbij gelegen openbare weg; f. de afstand van de bedrijfswoning tot de dichtstbij gelegen openbare weg mag niet minder bedragen dan de bestaande afstand; g. bijgebouwen, overkappingen en aanbouwen aan de bedrijfswoning dienen op een afstand van ten minste 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning te worden gebouwd; h.
voor de maatvoering van de bedrijfsgebouwen geldt dat: 1. de goot- en bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 8 m en 10 m, tenzij een andere toegestane hoogte op de verbeelding is aangegeven; 2. de bebouwde oppervlakte van intensieve veehouderijen ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' en grondgebonden veehouderijen ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden veehouderij' niet meer mag bedragen dan de bestaande oppervlakte; 3. de bebouwde oppervlakte van intensieve kwekerijen ter plaatse van de aanduiding 'intensieve kwekerij' niet meer mag bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak'; i. voor de maatvoering van kassen ter plaatse van de aanduidingen 'glastuinbouw' en 'kas' geldt dat de goot- en bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 8 m en 10 m; j. voor de maatvoering van hoge en lage permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak of de bouwstede geldt dat: 1. de maximale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 5.000 m2 per bouwvlak of bouwstede; 2. de goot- en bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 8 m en 10 m; k. voor de maatvoering van de bedrijfswoning, inclusief aanbouwen, geldt dat: 1. de inhoud niet meer mag bedragen dan 750 m3; 2. de goot- en de bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 6 m en 11 m; 3.
de goothoogte van aanbouwen niet meer mag bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag van de bedrijfswoning vermeerderd met 0,35 m; 4. de bouwhoogte van aanbouwen niet meer mag bedragen dan 1,5 maal de hoogte van de begane grondlaag van de bedrijfswoning; l. voor de maatvoering van de bedrijfswoning, inclusief aanbouwen, bij dijkbebouwing geldt dat: 1. de inhoud niet meer mag bedragen dan 750 m3; 2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 8,5 m; 3. de goothoogte van aanbouwen niet meer mag bedragen de de hoogte van de begane grondlaag van de bedrijfswoning vermeerderd met 0,35 m; 4. de bouwhoogte van aanbouwen niet meer mag bedragen dan 1,5 maal de hoogte van de begane grondlaag van de bedrijfswoning; m. voor de maatvoering van bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning geldt dat: 1. de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m2 per woning; 2. de goot- en de bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 3 m en 6 m; n. de bouwhoogte van ondersteunende voorzieningen ten behoeve van bio-energie installaties mag niet meer bedragen dan 10 m; o. de bouwhoogte van ondersteunende voorzieningen ten behoeve van glastuinbouwbedrijven ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' zoals waterbassins, warmte buffertanks en CO2 tanks mag niet meer bedragen dan 10 m.
24
3.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. b. c. d. e. f.
de bouwhoogte van sleufsilo's mag niet meer bedragen dan 2,5 m; de bouwhoogte van mestsilo's mag niet meer bedragen dan 6 m; de bouwhoogte van voedersilo's mag niet meer bedragen dan 10 m; de bouwhoogte van windschermen mag niet meer bedragen dan 2 m; de bouwhoogte van terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m; de bouwhoogte van een windmachine ter plaatste van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding windmachine' mag niet meer bedragen dan 10 m. g. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 4 m; h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – bestaande verhardingen' gelden de volgende regels: 1. het bouwen van gebouwen is niet toegestaan; 2. uitsluitend de bestaande verhardingen zijn toegestaan, met dien verstande dat uitsluitend de bestaande maatvoering en bestaande situering zijn toegestaan. 3.2.4
Windturbinepark
Voor het bouwen van windturbines ter plaatse van de aanduiding 'windturbinepark' gelden de volgende regels: a. het aantal windturbines mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal windturbines'; b. de rotorhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum hoogte'. 3.3
Afwijken van de bouwregels
3.3.1
Vergroten lengte bouwstede
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2 sublid 3.2.1 ten behoeve van het verlengen van de langste zijde van de bouwstede, met dien verstande dat: a. de oppervlakte van de bouwstede niet meer mag bedragen dan 1,5 ha; b. de verlenging geen onevenredige hinder veroorzaakt voor omliggende functies; c. de verlenging past binnen de ontwerprichtlijnen uit het Landschapskwaliteitsplan. 3.3.2
Bouwen voor de voorgevelrooilijn
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2 sublid 3.2.1 en sublid 3.2.2 ten behoeve van het overschrijden van de voorgevelrooilijn van de bouwstede of het bouwvlak door bedrijfsgebouwen, het verkleinen van de afstand van bedrijfsgebouwen tot de openbare weg en het bouwen van bedrijfsgebouwen in de zone tussen de bedrijfswoning en de dichtsbij gelegen openbare weg, met dien verstande dat: a. b. c. d.
de oppervlakte van de bouwstede niet meer mag bedragen dan 1,5 ha; de overschrijding geen onevenredige hinder veroorzaakt voor omliggende functies; de overschrijding past binnen de ontwerprichtlijnen uit het Landschapskwaliteitsplan; aangetoond is dat het bouwen van bedrijfsgebouwen achter de voorgevelrooilijn niet mogelijk is.
3.3.3
Vergroten bouwstede
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2 sublid 3.2.1 ten behoeve van het vergroten van de bouwstede op de gronden rondom de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding bouwstede', met dien verstande dat: a. de omgevingsvergunning uitsluitend mag worden verleend indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is. Hiervan is in ieder geval sprake indien de vergroting van de bouwstede op grond van de milieuwetgeving noodzakelijk is; b. de omgevingsvergunning niet mag worden verleend ter plaatse van de aanduidingen 'grondgebonden
25
veehouderij' of 'intensieve veehouderij'; de vergroting past binnen de ontwerprichtlijnen uit het Landschapskwaliteitsplan; de oppervlakte van de bouwstede mag niet meer bedragen dan 2,5 ha; de diepte van de bouwstede niet meer mag bedragen dan 200 m; de langste zijde van de bouwstede niet meer mag bedragen dan 200 m; een verzoek om toepassing van deze afwijking bij een omgevingsvergunning ter toetsing wordt voorgelegd aan de agrarisch deskundige omtrent de vraag of aan het gestelde in sub a is voldaan; h. vergroting van de bouwsteden op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone groenblauwe mantel' is toegestaan indien een positieve bijdrage wordt geleverd aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. c. d. e. f. g.
3.3.4
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de opslag van ruwvoer
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2 sublid 3.2.1 ten behoeve van het direct aansluitend aan het bouwvlak of de bouwstede bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van de opslag van ruwvoer voor het op het desbetreffende bouwvlak of bouwstede gevestigde bedrijf, met dien verstande dat: a. het bedrijf vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer; b. binnen het bouwvlak of bouwstede geen ruimte aanwezig is voor de bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de opslag van ruwvoer; c. de oppervlakte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de opslag van ruwvoer niet meer bedraagt dan 0,5 ha; d. de bouwwerken worden ingepast in het landschap conform de ontwerprichtlijnen uit het Landschapskwaliteitsplan. 3.3.5
Uitbreiding bebouwing ten behoeve van een een agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2 sublid 3.2.1 ten behoeve van het uitbreiden van de bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd, met dien verstande dat: a. de omgevingsvergunning uitsluitend mag worden verleend indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is. Hiervan is in ieder geval sprake indien de uitbreiding van de bebouwing op grond van de milieuwetgeving of uit oogpunt van dierwelzijn noodzakelijk is; b. de vergroting past binnen de ontwerprichtlijnen uit het Landschapskwaliteitsplan; c. de bebouwing is gelegen binnen het bouwvlak dan wel de bouwstede; d. bij de vergroting van dierenverblijven dient te worden voldaan aan de voorwaarden opgenomen in lid 3.3.6. 3.3.6
Ontwikkelingsmogelijkheden van een veehouderij binnen een bouwvlak of bouwstede
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2 sublid 3.2.2 en lid 3.4 sublid 3.4.1 ten behoeve van het in gebruik nemen en/of bouwen van dierenverblijven binnen het bouwvlak of bouwstede ten behoeve van een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' of een grondgebonden veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden veehouderij', mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. er worden maatregelen getroffen en in stand gehouden, die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij, welke zijn opgenomen in de nadere regels ter uitvoering van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij; b. op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderijen': 1. is uitbreiding van een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' niet toegestaan; en 2. wordt medewerking slechts verleend indien - met behulp van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels zoals op basis van de Verordening Ruimte zijn vastgesteld, zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag - is aangetoond dat het bedrijf in voldoende mate grondgebonden is;
26
c. de uitbreiding is inpasbaar in de omgeving waarbij getoetst wordt aan de volgende criteria: 1. de omvang van de uitbreiding past in de omgeving gelet op de bestaande functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, waaronder de effecten vanwege milieuaspecten en volksgezondheid; 2. de afwikkeling van het personen- en goederenvervoer naar aanleiding van de uitbreiding is verzekerd, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor; 3. de uitbreiding past binnen de ontwerprichtlijnen uit het Landschapskwaliteitsplan. d. er is, voorafgaand aan het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning, een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; e. er is aangetoond dat de cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er – indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; f.
er is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3. 3.3.7 Vergroten bouwstede grondgebonden veehouderij ter plaatse van aanduiding 'grondgebonden veehouderij' Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2 sublid 3.2.1 ten behoeve van het vergroten van het bouwvlak of bouwstede van een grondgebonden veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden veehouderij' als één van de navolgende situaties aan de orde is: a. de veehouderij beschikt blijvend over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE per hectare grond of minder; b. er is sprake van een sanering van een overbelaste situatie waarbij: 1. er elders feitelijk en juridisch een bouwperceel voor een veehouderij wordt opgeheven; 2. de eenmalige uitbreiding van het bouwperceel ten hoogste de oppervlakte van het opgeheven bouwperceel bedraagt; 3. het bouwperceel na uitbreiding ten hoogste 2,5 ha bedraagt; c. dit noodzakelijk is voor de ontwikkeling van een zorgvuldige veehouderij vanwege een vernieuwend bedrijfsconcept, mits: 1. de noodzaak daartoe blijkt uit een advies van een door Gedeputeerde Staten benoemde deskundige; 2.
de omgevingsvergunning borgt dat het vernieuwende bedrijfsconcept deel uitmaakt van de zorgvuldige veehouderij; d. bij een voorloper bedrijf op het gebied van de zorgvuldige veehouderij is eenmalig een uitbreiding van het bestaande bouwperceel mogelijk met 0,5 hectare, mits; 1. de veehouderij door het treffen van maatregelen op grond van de nadere regels ter uitvoering van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij een score haalt van ten minste 8,5; 2. de maatregelen van dien aard zijn dat deze pemantent bijdragen aan het karakter van een zorgvuldige veehouderij en in het bestemmingsplan zijn vastgelegd; 3. het bouwperceel na uitbreiding ten hoogste 2 ha bedraagt; en mits aan de voorwaarden als bedoeld in lid 3.3 sublid 3.3.6 sub a tot en met f is voldaan. 3.3.8
Afstand bedrijfswoning tot de openbare weg
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2 sublid 3.2.2 sub e ten behoeve van het verkleinen van de bestaande afstand van bedrijfswoning tot de dichtsbij gelegen openbare weg, met dien verstande dat uit akoestisch onderzoek is gebleken dat op de nieuwe locatie van de bedrijfswoning sprake is van een goed woon- en leefklimaat, waaronder in elk geval wordt verstaan dat dient te worden voldaan aan de wettelijke eisen ten aanzien van de milieuaspecten geluidhinder en luchtkwaliteit.
27
3.3.9
Schuilgelegenheden
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2 sublid 3.2.2 ten behoeve van het bouwen van schuilgelegenheden voor vee op gronden buiten het bouwvlak of de bouwstede, met dien verstande dat: a. schuilgelegenheden uitsluitend zijn toegestaan binnen bebouwingsconcentraties welke zijn aangegeven in de Visie bebouwingsconcentraties; b. de omgevingsvergunning uitsluitend mag worden verleend, indien het uiterlijk en de locatie van de schuilgelegenheid past binnen de ontwerprichtlijnen uit het Landschapskwaliteitsplan; c. de oppervlakte van de bij de schuilgelegenheid behorende en daaraan grenzende agrarische gronden ten minste 3 ha. bedraagt; d. de oppervlakte van schuilgelegenheden voor vee op gronden buiten het bouwvlak of de bouwstede mag ten hoogste 12 m² bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 2,5 m. 3.3.10 Teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2 sublid 3.2.2 ten behoeve van het realiseren van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak of bouwstede voor het op het desbetreffende bouwvlak of bouwstede gevestigde bedrijf ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' of de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd stadsgezicht', met dien verstande dat: a.
hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van grondgebonden teelten; b. teeltondersteunend glas en teeltondersteunende voorzieningen met de verschijningsvorm van kassen niet zijn toegestaan; c. de teeltondersteunende voorzieningen noodzakelijk zijn voor de agrarische bedrijfsvoering; d. de realisatie van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen past binnen de ontwerprichtlijnen uit het Landschapskwaliteitsplan. 3.3.11 Verhogen bouwhoogte bedrijfsgebouwen Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2 sublid 3.2.2 ten behoeve van het verhogen van de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen tot maximaal 12 m, mits: a. de verhoging noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf; b. de verhoging geen onevenredige hinder veroorzaakt voor de omliggende functies. 3.3.12 Bedrijfsgebouwen grondgebonden veehouderij en vollegrondsteelt Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2 sublid 3.2.1 onder d ten behoeve van de bouw van bedrijfsgebouwen voor grondgebonden veehouderij en vollegrondsteelt buiten het bouwvlak van een intensieve veehouderij, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte van het bouwperceel (bouwvlak inclusief de bedrijfsgebouwen buiten het bouwvlak) mag niet meer bedragen dan 1,5 ha; b.
er dient verzekerd te zijn dat de oppervlakte bedrijfsgebouwen voor intensieve veehouderij niet wordt vergroot; c. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast; d. er geen sprake is van een aantoonbaar onevenredige aantasting van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden en (agrarische) bedrijven; e. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing waarbij wordt getoetst aan de ontwerprichtlijnen uit het Landschapskwaliteitsplan; f. in geval van bedrijfsgebouwen ten behoeve van een grondgebonden veehouderij dient te worden voldaan aan: 1. de regels omtrent ammoniakemissie, zoals opgenomen in artikel 3.4.1 onder a. en b. 2. de regels omtrent een zorgvuldige veehouderij, zoals opgenomen in artikel 3.3.6 onder a. t/m f.