CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 Bijlagen bij Toelichting BP Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel

Raadsvergadering 18 april 2024, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel13.794 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hierin is mede bepaald, dat partijen gezamenlijk zullen optrekken om deze realisatie in de totale gebiedsontwikkeling Zevenbergen Oost te realiseren en daarnaast ook kansen willen benutten voor de realisatie van natte natuur en ecologische verbindingen langs Mark en Dintel. Vooral het deelproject/deelgebied Markzoom biedt kansen voor realisatie van de regionale waterbergingsopgave en een robuust watersysteem. Dit gebied is in de gemeentelijke Omgevingsvisie aangemerkt als klimaat robuuste biodiversiteitspolder. In de deelgebied Markvelden Zuid en Markvelden Noord liggen zeker ook wel kansen voor de invulling van de regionale waterbergingsopgave naaste de opgave als gevolg van de toename van de verharding. Deze zullen worden benut. Het robuuste watersysteem wordt dus parallel en als onderdeel van de gehele gebiedsontwikkeling gerealiseerd. Waterkwantiteit Het gebied is gereserveerd door de provincie voor lokale waterberging. Het gebied kent een kleine kans op overlast van grondwater en kwel in de periode tot 2050 (klimaateffectatlas). Overlast van water kan ontstaan na hevige buien waarbij

23/50

de waterdiepte in het gebied toenemen tot circa 30 cm. Het voorkomen van wateroverlast in het gebied en de omgeving is een waar rekening mee is gehouden aandachtspunt. De waterbergingsopgave die het gevolg is van extra verharding door de aanleg van de randweg (Verlengde Zuidrand) en de Zuidrandtunnel wordt in overleg met het waterschap opgelost in de wegsloten en in extra berging in het gebied Markzoom (ten oosten/zuiden van de nieuwe weg). De benodigde waterberging voor Markvelden Noord bedraagt circa 5.002 m3. In het stedenbouwkundig plan voor Markvelden Noord zijn op verschillende locaties wadi’s voorzien. De integratie met het beheer en ontwikkeling van de openbare ruimte inclusief het watersysteem en innovatieve bouwkundige voorzieningen zorgt voor een weerbaarder systeem in geval van hevige neerslag. Naast een sluitende waterbergingsopgave (uitgaande van 0.06 m per m2 verharding) worden mogelijkheden onderzocht voor aanvullende waterberging door het inpassen van middel van hergebruik. Bewoners zullen worden gestimuleerd om voorzieningen voor de opvang van regenwater te realiseren, zoals regentonnen of waterkelders. Ook zullen groene daken worden gerealiseerd, zoals is vastgelegd in de Visie op hoofdlijnen 2021. De kans op wateroverlast wordt verder beperkt door klimaatrobuust te bouwen.

Om de kans van wateroverlast in panden te beperken, wordt bij nieuwe ontwikkelingen, zoals de voorgenomen woningbouw in Zevenbergen Oost, een vloerpeil in het pand verlangd van 0,3 m boven het gemiddeld hoogte van aansluiten afgewerkt maaiveld. Dit is in lijn met het huidige vGRP en ook het uitgangspunt in het toekomstig Gemeentelijk Waterprogramma.

Figuur 4-5 Uitsnede klimaateffectatlas kaart Waterdiepte bij hevige bui 140 mm/2 uur met omkadering van projectgebied m.e.r.-beoordeling

De kwetsbaarheid van het bodem en watersysteem nemen landelijk toe als gevolg van het huidige intensieve landgebruik. In het kader van water- en bodem sturend, is aandacht nodig voor het duurzaam beschermen van zowel water- als bodem. Uitgangspunt voor de ontwikkelingen is het klimaatrobuust bouwen. Hiermee wordt de kans van wateroverlast in de woningbouwgebieden en de omliggende omgeving beperkt door o.a. regenwater zoveel mogelijk vastgehouden in het gebied. Hiermee wordt voorkomen dat grondwaterstanden verder dalen en watervoorraden uitgeput raken. De functieverandering van agrarisch naar woningbouw brengt positieve effecten met zich mee doordat de belasting van het watersysteem als gevolg van emissies uit de landbouw als gevolg van bemesting en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de beoogde situatie zal afnemen.

24/50

Ten aanzien van waterveiligheid kan worden gesteld dat de waterveiligheid niet in het geding is als gevolg van de ontwikkeling. In of in nabijheid van de ontwikkelgebieden zijn geen waterkeringen gelegen. Het stedelijk ontwikkelingsproject heeft geen nadelige gevolgen voor of ten aanzien van de wateropgaven. Maatregelen Wateroverlast/waterkwantiteit ● De kans op wateroverlast wordt beperkt door klimaat robuust te bouwen, hierbij dient het vloerpeil van de panden 0,3 meter boven het gemiddeld hoogte van aansluitend afgewerkte maaiveld worden gebouwd. Bij de bouw van de wijk wordt rekening gehouden met groenblauwe verbindingen waar voldoende water kan worden geborgen. Ook wordt waterberging door particulieren gestimuleerd (aanleg groene daken, regentonnen).

25/50

4.4

Natuur

Gebiedsbescherming Het projectgebied voor de m.e.r.-beoordeling maakt geen onderdeel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status als Natura zoals Natura 2000 of NNN. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de ligging ten opzichte van de natuurgebieden en aard en omvang van de beoogde ontwikkelingen kunnen ook effecten zoals verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De potentiële effecten beperken zich tot de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden. In het kader van het bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel zijn de mogelijke gevolgen voor stikstofdepositie tijdens gebruiksfase en aanlegfase berekend (bijlage 10). Binnen het plangebied zijn agrarische gronden in gebruik, die onlosmakelijk met het plan gaan verdwijnen. Uit de resultaten van de stikstofberekeningen (bijlage 10), blijkt dat ten opzichte van de referentiesituatie (bemest agrarische landbouwgronden) sprake is van een afname van stikstofdepositie op Natura 2000. Omdat geen sprake is van een berekende toename (en zelfs van een afname) is er geen aanleiding om de mogelijke cumulatie met omliggende plannen en projecten in beeld te brengen. Op basis van de uitgevoerde berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten.

Ook de ontwikkelingen van Markvelden Zuid en Zwanenveld vinden plaats op agrarische gronden. In vergelijking met de referentie waarbij de gronden worden bemest, zal in vergelijking met de berekeningen voor Markvelden Noord in de beoogde situatie sprake zijn van een afname van afname van stikstofoxiden in het gebied. De realisatie van de randweg zorgt daarnaast voor een betere doorstroming van het verkeer waardoor het aandeel stagnerend verkeer (met hogere stikstofemissies) zal afnemen. De ontwikkelingen leiden niet tot significante negatieve effecten op Natura 2000 of NNN. Maatregelen ● Voor de ontwikkelingen Markvelden Zuid en Zwanenveld dient in voorbereiding van de ruimtelijke procedures een stikstofonderzoek met berekeningen te worden uitgevoerd.

26/50

Figuur 4-6 Natuurnetwerk Brabant met globale ligging plangebied (cirkel)

Soortenbescherming Markvelden Noord Er is een ecologische quickscan uitgevoerd voor de locaties Markvelden (bijlage 11). Uit dit onderzoek blijkt dat de locaties potentieel van betekenis zijn voor huismus, gierzwaluw, roofvogels, vleermuizen, (kleine) marterachtigen en grote modderkruiper. Om hierover uitsluitsel te kunnen geven is nader onderzoek uitgevoerd. Het nader onderzoek is uitgevoerd voor de locaties Markvelden en Zwanenveld (bijlage 12). Uit het nader onderzoek blijkt dat: ● Twee bomenrijen langs de Hazeldonkse Zandweg een essentiële functie vervullen als vliegroute voor vleermuizen. ● Een deel van het gebied van betekenis is voor de grote modderkruipers; Indien de bomenrijen langs de Hazeldonkse Zandweg niet behouden kunnen worden en/of negatieve effecten op de vliegroute niet voorkomen kunnen worden dient een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Wanneer watergangen in het gebied worden gedempt waar eDNA van grote modderkruiper is aangetroffen is nader onderzoek noodzakelijk. Op basis van uitgevoerd verdiepend onderzoek naar de grote modderkruiper kan worden uitgesloten dat

27/50

grote modderkruipers worden gedood. Grote modderkruipers kunnen duurzaam gebruik maken van watergangen in de toekomstige situatie (bijlage 13). Voor andere beschermde soorten heeft het plangebied geen betekenis of zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep uitgesloten of geldt een vrijstelling. Indien nodig zullen ontheffingen worden aangevraagd en maatregelen worden getroffen om strijdigheid met de Wet natuurbescherming en daarbij negatieve effecten op soorten te voorkomen. Maatregelen ● Indien de bomenrijen langs de Hazeldonkse Zandweg niet behouden blijven of negatieve effecten ontstaan op de vliegroute van vleermuizen dient een ontheffing te worden aangevraagd op de Wet natuurbescherming. ● Er dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.

4.5

Luchtkwaliteit

De beoogde ontwikkeling kan invloed hebben op de lokale luchtkwaliteit door de toename van verkeer. Uit de verkeersanalyse blijkt dat op de randweg naar verwachting circa 7.500 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag rijden. De dichtstbijzijnde maatgevende wegen zijn de Hazeldonkse Zandweg en de Oostrand. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze wegen ruim onder de grenswaarden liggen. Uit de NIBM-tool blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer mogelijk in betekende mate is waardoor een toetsing aan de grenswaarden noodzakelijk is, dit is gedaan in onderstaande tabel. Tabel 1 Toetsing aan grenswaarden Wet milieubeheer

Uit de tabel blijkt dat wanneer de maximale planbijdrage bij de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden opgeteld in 2021, er alsnog aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer wordt voldaan ter plaatse van de maatgevende weg Hazeldonkse Zandweg. Omdat direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Ook nemen door gebruikmaking van steeds betere technieken de achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen jaarlijks af. Ten opzichte van de autonome situatie is sprake van een verbetering van de luchtkwaliteit langs binnenstedelijke wegen waar als gevolg van de aanleg van de nieuwe randweg een afname is van stagnerend verkeer. Dit komt ten goede aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Maatregelen zijn niet noodzakelijk.

4.6

Externe veiligheid

Algemeen Externe veiligheid wordt beoordeeld rondom risicobronnen waar opslag, gebruik en transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Met de beoogde ontwikkelingen worden geen nieuwe risicobronnen toegevoegd. Wel worden er (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt in de omgeving van risicobronnen. In de directe omgeving van het projectgebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig met veiligheidscontouren over de locatie Markvelden: ● Spoorlijn In het kader van het bestemmingsplan is een onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid voor de locatie Markvelden Noord (bijlage 14).

28/50

Figuur 4-7 Risicobronnen in omgeving (atlas van de leefomgeving) projectgebied voor m.e.r.-beoordeling (magenta omkaderd)

Er is onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het de ontwikkeling Markvelden voor de risicosituatie. Beoordeling plaatsgebonden risico De PR 10-6 contour is bepaald uit bijlage 2 van de regeling basisnet, voor Route 35 Zevenbergschenhoek aansl. - Roosendaal Oost AD bedraagt deze 18 meter. Binnen deze contour mogen geen kwetsbare en zeer kwetsbare objecten worden gerealiseerd. In het plangebied is er geen sprake van geprojecteerde kwetsbare objecten binnen de PR 10-6contour, hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico. Dat betekent dat wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (zijnde: PR < 10-6 per jaar). De plaatsgebonden risicocontour leidt daarmee niet tot ruimtelijke beperkingen binnen Markvelden. Beoordeling groepsrisico In vergelijking met de huidige situatie is er sprake van een toename van het aantal aanwezigen in het gebied waardoor het groepsrisico zal toenemen. Om het groepsrisico (en de relatieve stijging daarvan) in beeld te brengen, zijn kwantitatieve risicoberekeningen uitgevoerd met het rekenmodel RBM-II.

29/50

In de referentie situatie is er geen overschrijding van de oriëntatiewaarde door het groepsrisico. Het groepsrisico is 0,9 maal de oriëntatiewaarde. De normwaarde wordt gevonden bij 450 slachtoffers met een frequentie van 4,4 * 10 -8. Echter wordt er in deze berekening van het groepsrisico nog geen rekening gehouden met de groepsrisico reducerende maatregel toegepast bij Bosselaar Zuid: een aardewal. In werkelijkheid zal het groepsrisico hiermee daardoor lager liggen. In de beoogde situatie is het groepsrisico hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. In de beoogde situatie is er geen overschrijding van de oriëntatiewaarde door het groepsrisico. Het groepsrisico benadert 0,95 maal de oriëntatiewaarde. De normwaarde wordt gevonden bij 291 slachtoffers met een frequentie van 1,1 * 10-7 per jaar. Het groepsrisico neemt in de beoogde situatie niet met meer dan 10 % toe vergeleken met de referentiesituatie. In de situatie waarbij ook het gebied Marvelden Zuid wordt ontwikkeld stijgt het GR voor de spoorlijn verder. Aangezien ook hier wordt uitgegaan van een ruime bufferzone tussen de woonwijk en de spoorlijn (circa 85 meter) en de toename aan personen niet in hetzelfde gebied plaatsvindt maar in het verlengde (zuidelijke richting) langs de transportroute, zijn de te verwachten effecten op het groepsrisico gelijkwaardig aan Markvelden Noord.

Voor Zwanenveld zijn er geen effecten te verwachten aangezien hier geen risicobronnen in omgeving aanwezig zijn. Verantwoording groepsrisico Voor de spoorlijn kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. De verantwoording van het groepsrisico wordt opgenomen in het bestemmingsplan. De daarmee samenhangende maatregelen worden waar nodig geborgd in de planregels. Rekening houdend met de benodigde maatregelen zal geen sprake zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen. Maatregelen Markvelden dient voor hulpverleners van meerdere kanten en windrichtingen te bereiken zijn. Hiernaast dienen er voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig te zijn om snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater. Dit dient afgestemd te worden met de hulpdiensten. Wegen in het gebied Markvelden dienen te voldoen aan de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening (Brandweer Midden west Brabant (MWB). Voor de ontwikkeling van Markvelden Zuid dient een groepsrisicoberekening te worden uitgevoerd.

4.7

Cultuurhistorie en archeologie

Cultuurhistorie Uit de cultuurhistoriekaart Moerdijk blijkt dat de Hazeldonkse weg een oude hoofdroute betreft De Hazeldonkse Zandweg is een oude hoofdroute en hiermee van cultuurhistorische betekenis. Het gebied Markvelden is verder aangeduid als inundatiegebied Zuider Frontier (lichtblauwe arcering). Met dijken en sluizen konden de lagergelegen gebieden onder water worden gezet om de vijand tegen te houden. Voor het inundatiegebied geldt geel beleidsadvies. Met betrekking tot de Hazeldonkse Zandweg worden geen effecten verwacht. Het tracé van deze weg wordt gehandhaafd, de aanleg van rotondes en reconstructie van de weg tasten het tracé niet aan. Cultuurhistorische waarden worden niet geschaad.

30/50

Figuur 4-8 Cultuurhistoriekaart Moerdijk

Archeologie Het projectgebied is aangeduid als ‘polder ouder dan 1550 met kans op sporen van zowel middeleeuwse veenontginning als inpolderingsperiode’ op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart. In lijn met de archeologische verwachtingskaarten voor de diverse perioden en de beleidskaart archeologie wordt in het bestemmingsplan voor het gehele plangebied een regeling opgenomen die eventuele archeologische waarden planologisch beschermt. Gekozen is voor een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5a waarin voor grondroerende werkzaamheden die archeologisch onderzoek verplicht stelt als die een groter oppervlak bestrijken dan 10.000 m² en als die dieper gaan dan 40 cm onder maaiveld. In het bestemmingsplan voor Markvelden Noord wordt een archeologische bestemming opgenomen, archeologie wordt verder beoordeeld in het kader van aanvragen om omgevingsvergunning. De archeologische waarden worden voldoende beschermd. Maatregelen ● In het bestemmingsplan Markvelden Noord wordt een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5a opgenomen waarin voor grondroerende werkzaamheden die archeologisch onderzoek verplicht stelt als die een groter oppervlak bestrijken dan 10.000 m² en als die dieper gaan dan 40 cm onder maaiveld.

31/50

●

4.8

In de ruimtelijke plannen voor Markvelden Zuid en Zwanenveld dienen eventuele archeologische waarden te worden beschermd middels een dubbelbestemming.

Trillingen

Er is een onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten trillingsniveau vanwege railverkeer op de beoogde woningbouw. Verspreid over het plangebied liggen potentiële woonlocaties ruim binnen het standaard aandachtsgebied van 100 m waar conform de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het Ministerie van I & W van mei 2019 nader onderzoek naar trillinghinder wenselijk is. Om het trillingsniveau te bepalen zijn trillingsmetingen uitgevoerd (bijlage 15) ter hoogte van de eerstelijnsbebouwing op circa 90 meter afstand tot het spoor. Door middel van deze metingen zijn de maximale trillingsniveaus en de gemiddelde trillingssterkte bepaald. Deze waarden zijn vervolgens getoetst aan de streef- en grenswaarden uit de SBR-richtlijn B. De resultaten van het onderzoek zijn als volgt: ● De maximale trillingssterkte bedraagt minder dan 0,4 re 1 mm/s. De streefwaarde wordt hiermee overschreden, maar er wordt voldaan aan de grenswaarde voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. ● De gemiddelde trillingssterkte bedraagt in alle etmaalperioden minder dan 0,01 re 1 mm/s. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde streef- en grenswaarden. Er wordt voldaan aan de streef- en grenswaarden. Maatregelen zijn niet noodzakelijk.

4.9

Gezondheid

Een groot aantal van de omgevingsaspecten in dit hoofdstuk hebben een gezondheidscomponent. Uit de voorgaande paragrafen wordt ook duidelijk dat binnen het plangebied sprake is van een relatief hoge milieubelasting door de ligging naast het spoor. Om te komen tot een situatie die vanuit gezondheidsoogpunt aanvaardbaar is zijn maatregelen noodzakelijk. Daarbij gaat het in het bijzonder om: ● Gebouw- en woninggebonden akoestische maatregelen waarmee zoveel mogelijk woningen beschikken over een geluidluwe gevel. ● Het ontwerp de woningbouwontwikkelingen dient ruim en landschappelijk van opzet te worden. Onderdeel hiervan is dat waar grond niet gebruik kan worden voor bebouwing vanwege milieutechnische beperkingen deze ingezet moet worden voor water en groen. Zo wordt een ruime groene buffer gecreëerd ter vermindering van hitte en hittestress. Groen in de directe omgeving leidt daarnaast tot positieve gezondheidseffecten. Een groene omgeving stimuleert lopen en fietsen, zet aan tot sporten, spelen en bewegen in de buitenlucht, zorgt voor ontspanning en bevordert sociale cohesie en ontmoetingen. ● Maatregelen vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor. De maatregelen die volgen uit de verantwoording van het groepsrisico en het advies van de veiligheidsregio worden opgenomen in het bestemmingsplan.

● Het plangebied wordt volledig ingericht op een duurzaam en gezond mobiliteitsconcept waarbij het verminderen van autobezit centraal staat. Routes van langzaam verkeer moeten groen, snel en aantrekkelijk zijn. Het stimuleren van lopen en fietsen leidt tot positieve gezondheidseffecten. ● De woningbouwontwikkelingen vinden plaats direct naast agrarische gronden. Er dient voldoende rekening te worden gehouden met het mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit kan door een afstand van 50 meter aan te houden van het agrarische perceel tot aan de dichtstbijzijnde woning.

4.10 Bouwwerkzaamheden Ook tijdens de bouwfase kunnen milieueffecten optreden door het in te zetten materieel en de verkeersgeneratie. In paragraaf 4.4 is ingegaan op de mogelijk effecten van de bouwwerkzaamheden op de stikstofdepositie binnen Natura 2000gebieden. De uitgangspunten voor de bouwfase zijn op dit moment nog niet bekend. In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen ingegaan op de overige effecten gedurende de bouwfase.

32/50

Verkeershinder Het bouwverkeer tijdens de realisatiefase zal via de N389 naar het bouwterrein rijden. Het aantal bestaande woningen in het gebied is beperkt. Langs de mogelijke rijroutes zijn enkele boerderijen aanwezig. De rijroutes zullen zodanig worden gekozen dat het bouwverkeer op het terrein zo min mogelijk hinder oplevert voor de bewoners en gebruikers in de omgeving. Geluidhinder en trillinghinder aanlegfase De sloop-, bouw- en aanlegactiviteiten produceren geluid. Het betreft een rustig buitengebied. De bijdrage van het bouwlawaai aan de geluidbelasting ter plaatse van de woningen in de omgeving zal gezien de ruime afstanden beperkt zijn. Verder is van belang dat zal moeten worden voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Waar nodig zullen geluidbeperkende maatregelen moeten worden getroffen om onaanvaardbare akoestische situaties te voorkomen. Dit zal bij het bepalen van de concrete uitgangspunten voor de aanlegfase verder worden uitgewerkt. Dat geldt ook voor de mogelijke trillinghinder ter plaatse van bestaande en nieuwe woningen door de werkzaamheden binnen het plangebied. Gelet op de tijdelijkheid van de aanlegwerkzaamheden kunnen belangrijke negatieve milieueffecten uitgesloten worden.

33/50

5. CONCLUSIE Uit de informatie in deze notitie blijkt dat de kenmerken en de plaats van het project geen aanleiding vormen voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Het stedelijk ontwikkelingsproject en de aanleg van de randweg/rotonde leidt niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen mits rekening wordt gehouden met de maatregelen zoals die zijn beschreven in hoofdstuk 4 van deze notitie. Met inachtneming van deze maatregelen is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk. Waar relevant zijn deze maatregelen geborgd in het bestemmingsplan dat wordt voorbereid. Op onderdelen dient voor de ontwikkelingen Markvelden Zuid en Zwanenveld in het kader van de nog op te stellen ruimtelijke procedures nader onderzoek te worden uitgevoerd.

34/50

Bijlagen bij aanmeldnotitie

35/50

Bijlage 1 Mobiliteitsconcept Zevenbergen

36/50

Bijlage 2 Verkeersonderzoek ‘Zevenbergen Oost’

37/50

Bijlage 3 Akoestisch onderzoek spoorwegverkeer

38/50

Bijlage 4 Akoestisch onderzoek Zuidrandtunnel

39/50

Bijlage 5 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

40/50

Bijlage 6 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai bestaande bouw

41/50

Bijlage 7 Milieuhygiënisch vooronderzoek Zevenbergen Oost

42/50

Bijlage 8 Verkennend bodemonderzoek

43/50

Bijlage 9 Verkennend (water)bodemonderzoek

44/50

Bijlage 10 Berekening stikstofdepositie in Natura 2000-gebied

45/50

Bijlage 11 Quickscan Wet natuurbescherming Markvelden

46/50

Bijlage 12 Nader onderzoek ecologie Zwanenveld en Markvelden

47/50

Bijlage 13 Habitatanalyse en vangstonderzoek grote modderkruiper

48/50

Bijlage 14 Externe veiligheid Markvelden Noord

49/50

Bijlage 15 Trillingsonderzoek

50/50

Bijlage 3 Beleidsregels Nota Parkeernormen Gemeente M oerdijk 2021

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel 92 vastgesteld

Beleidsregels Nota Parkeernormen Gemeente Moerdijk 2021

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, in zijn vergadering van [datum] ; overwegende dat, het gewenst is om beleidsregels vast te stellen omtrent de parkeernormen en wijze van berekenen hiervan, in de gemeente Moerdijk. Samen met ‘Beleidsregels parkeerbeleid 2021 gemeente Moerdijk’ vormt dit het Officiële parkeerbeleid van de gemeente Moerdijk.

gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht; artikel 3.1.2. lid 2 onder a van de Bro (Besluit ruimtelijke ordening); De nota parkeernormen en het bijbehorende parkeerbeleid zijn opgesteld in samenwerking met; -

Team Ruimtelijke en Economische ontwikkeling;

-

Team Openbare Ruimte;

-

Team Vergunning en Handhaving;

Er voor inwoners en andere belanghebbenden een Webinar is georganiseerd om eventuele input op te halen en vragen te beantwoorden. besluit

vast te stellen de volgende beleidsregel: ‘Beleidsregels Nota Parkeernormen Gemeente Moerdijk 2021’

Hoofdstuk 1. Begrippenlijst 1

Aanwezigheidspercentage: een percentage waarmee voor een functie, per dagdeel, de aanwezigheid van de bijbehorende doelgroepen wordt aangegeven. (Bijlage 3)

2

Autoparkeernorm: een getal dat aangeeft hoeveel autoparkeerplaatsen voor een bepaalde functie nodig zijn per eenheid of per 100 m² bruto vloeroppervlak (bvo). (bijlage 1)

3

Bezoekersaandeel: het deel van de parkeervraag dat bestaat uit bezoekers. (bijlage 1)

4

Bruto vloer oppervlak (bvo): het vloeroppervlakte van de ruimte, dan wel van meerdere ruimten, van een vastgoedobject gemeten (volgens NEN 2580) op vloerniveau langs de buitenomtrek van de (buitenste) opgaande scheidingsconstructie, die de desbetreffende ruimte(n) omhullen.

5

CROW: een eigennaam voor een kennisplatform op het gebied van mobiliteit en infrastructuur.

6

Eigen terrein: grond waarover de initiatiefnemer kan beschikken ter plaatse van de ruimtelijke ontwikkeling danwel in de directe nabijheid binnen de in 4 genoemde maximale loopafstanden van de ruimtelijke ontwikkeling.

7

Fietsparkeernorm: een getal dat aangeeft hoeveel fietsparkeerplaatsen voor een bepaalde functie nodig zijn per eenheid of per 100 m² bruto vloeroppervlak (bvo). (bijlage 2)

8

Gebruikersaandeel: het deel dat voortkomt uit vaste gebruikers, niet zijnde bezoekers.

9

Initiatiefnemer: de ontwikkelaar en/of eigenaar van de grond of opstellen voor wie de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend.

10 Loopafstand: de kortst mogelijke looproute tussen de parkeerplaats en het bestemmingsadres. 11 Maximaal acceptabele loopafstand: de maximaal acceptabele afstand vanaf de parkeerplaats naar de voordeur van een voorziening. Gemeten vanuit de voorziening. (bijlage 4) 12 Parkeereis: het aantal auto- en fietsparkeerplaatsen dat beschikbaar gesteld moet worden ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling. 13 Parkeerplaats: Een ruimte waar één voertuig kan en mag worden geparkeerd. Bij het ontwerpen van een parkeerplaats wordt gebruik gemaakt van CROW ontwerprichtlijnen of richtlijnen uit NEN 3122 voor parkeerplaatsen in garages. 14 Ruimtelijke ontwikkeling: een ontwikkeling zijnde nieuwbouw, transformatie en/of functiewijziging

Hoofdstuk 2. Parkeren bij ruimtelijke ontwikkelingen Paragraaf 2.1. Berekenen normatieve parkeerbehoefte (stap 1) Artikel 1. -

De normatieve parkeerbehoefte wordt berekend door de gestelde norm te vermenigvuldigen met

de hoeveelheid (absolute aantallen, m2’s, kamers, etc.) van de te realiseren functie(s). De

vastgestelde parkeernormen zijn opgenomen in bijlage 1 en bijlage 2.

-

Indien er voor een functie geen norm is opgenomen, dient de norm te worden gehanteerd die geldt voor de meest vergelijkbare functie;

Paragraaf 2.2. Verwerken Mobiliteitscorrectie (stap 2) (optioneel) Artikel 1. voorwaarden -

De initiatiefnemer kan een goed onderbouwd alternatief (bijv. doormiddel van deelauto’s) opzetten

en ter overweging voorleggen aan het college van burgemeester en wethouders. Voorwaarden voor inzet van deelauto’s zijn opgenomen in Hoofdstuk 3, Artikel 1;

-

Tevens dient (aantoonbaar) voldoende ruimte in het plan te zijn gereserveerd om wél aan de norm

-

Deze gereserveerde ruimte komt ten goede van groenvoorzieningen;

te kunnen voldoen als dit op een later moment wenselijk/noodzakelijk is;

-

Afspraken waarin deze ruimtereservering en financiële reservering worden vastgelegd in de Locatie Ontwikkelingsovereenkomst (LOO) tussen gemeente en ontwikkelaar.

-

Parkeerplaatsen die niet worden gerealiseerd, worden ‘afgekocht’ doormiddel van nader te bepalen financiële afspraken tussen initiatiefnemer en gemeente;

-

Mobiliteitscorrectie kan worden toegepast indien; o

Het objectief aantoonbaar is dat de ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een stijging van de vraag naar autoparkeerplaatsen. De parkeerbehoefte kan op basis van de onderbouwing tot 100% worden gereduceerd.

o

De parkeerbehoefte door inzet van een alternatief (bijvoorbeeld deelauto’s) objectief onderbouwd daalt. De vervangingswaarde is ten alle tijden afgeleid van landelijke

richtlijnen die toepasbaar zijn op de verstedelijking van de kernen binnen de gemeente Moerdijk.

Paragraaf 2.3. Vaststellen parkeereis (stap 3) Artikel 1. Uitgangspunten -

De parkeereis (het aantal te realiseren parkeerplaatsen) die voortvloeit uit de berekening

((parkeernorm * functie)-mobiliteitscorrectie), dient door de initiatiefnemer/ontwikkelaar te

worden gerealiseerd; -

Indien dubbelgebruik of salderen van toepassing zijn, dient hiermee rekening gehouden te worden bij het bepalen van de parkeereis. Afhankelijk van de resultaten dienen de uitkomsten van deze

berekening van de parkeereis te worden verrekend. Voor verdere eisen, zie Artikel 2 en Artikel 3 van paragraaf 2.3. -

Indien een parkeereis beschikt over een cijfer achter de komma, dient de parkeereis naar boven afgerond te worden.

-

Het niet voldoen aan de parkeereis vormt een weigeringsgrond voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning.

Artikel 2. Dubbelgebruik (indien van toepassing) -

Indien een ontwikkeling meerdere functies betreft, of in een gebied wordt gerealiseerd waar meerdere functies samenkomen, dient rekening gehouden te worden met dubbelgebruik;

-

Bij het berekenen van dubbelgebruik worden de aanwezigheidspercentages van de diverse functies meegenomen. De aanwezigheidspercentages zijn opgenomen in bijlage 3;

-

Voor het berekenen van dubbelgebruik en het bepalen van een kadergebied wordt gebruik gemaakt van de maximale loopafstand vanaf de ontwikkeling. Een tabel met maximale loopafstanden is opgenomen in bijlage 4;

-

Bij dubbelgebruik wordt uitgegaan van het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het moment van de dag waarop de grootste parkeerbehoefte bestaat.

Artikel 3. Salderen (indien van toepassing) -

Enkel parkeerplaatsen die daadwerkelijk aanwezig/gerealiseerd zijn voor de oude functie, kunnen worden gesaldeerd ten behoeve van een nieuwe;

-

Bij het salderen van parkeerplaatsen wordt rekening gehouden met de maatgevende aanwezigheidspercentages van zowel de oude, als de nieuwe functie. De

aanwezigheidspercentages zijn opgenomen in bijlage 3;

-

Bij het salderen van parkeerplaatsen wordt rekening gehouden met de maximale loopafstand van zowel de oude als de nieuwe functie. Een tabel met de maximale loopafstanden is opgenomen in bijlage 4.

-

Bij het salderen wordt rekening gehouden met fysieke wijzigingen (bijv. vervallen parkeerplaatsen)

binnen de omgeving die na goedkeuring van de oude functie hebben plaatsgevonden; -

Bij het salderen wordt rekening gehouden met wijzigingen in wet-/regelgeving ( bijv. invoer parkeerregelingen) die in een omgeving na goedkeuring van de oude functie hebben plaatsgevonden;

-

Salderen van parkeerplaatsen in de openbare ruimte kan enkel worden toegepast op panden die niet langer dan 5 jaar leeg hebben gestaan.

Paragraaf 2.4. Realisatie parkeereis (stap 4) Artikel 1. Uitgangspunten -

De aanleg van parkeerplaatsen geschiedt volledig op kosten van de initiatiefnemer;

-

De parkeereis voor de ontwikkeling dient volledig op eigen terrein van ontwikkelaar/initiatiefnemer te worden opgelost conform CROW ontwerprichtlijnen. Indien niet mogelijk;

-

Dient ontwikkelaar/initiatiefnemer in overleg met de gemeente extra parkeervoorzieningen te realiseren in de openbare ruimte conform door de gemeente gestelde eisen en CROW richtlijnen. Indien niet mogelijk;

-

Dient de ontwikkelaar in overleg met gemeente een beroep te doen op eventueel leegstaande parkeerplaatsen binnen de openbare ruimte en op maximale loopafstand van de ontwikkeling. In Artikel 2 van paragraaf 1.4 is een verdere uitwerking opgenomen;

-

Bij toepassing van opritten, garageboxen en andere vormen van privéparkeren wordt een omrekeningsfactor gebruikt zoals opgenomen in bijlage 5.

Artikel 2. Gebruik van bestaande parkeerplaatsen -

Verrekenen van al aanwezige parkeerplaatsen is enkel mogelijk als er op eigen terrein of in de openbare ruimte géén extra parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd;

-

Al aanwezige parkeerplaatsen mogen enkel worden verrekend onder voorbehoud van goedkeuring vanuit het college van burgemeester en wethouders;

-

De maximale toekomstige parkeerdruk is leidend in de mogelijkheden hiertoe (i.v.m. evt.

leegstand); -

Overdag is de parkeerdruk in de eindsituatie niet hoger dan 85%;

In de nacht is de parkeerdruk in de eindsituatie niet hoger dan 90%;

Hierbij dient tevens rekening gehouden te worden met de actuele bestemming van leegstaande panden die in de toekomst opnieuw gebruikt zullen worden.

Hoofdstuk 3. Flexibiliteit Artikel 1. Inzet deelauto’s -

De eisen zoals opgenomen in Artikel 1, paragraaf 1.2. zijn onverminderd van kracht op inzet deelauto’s.

-

Één deelauto geldt ter vervanging van maximaal 4 eigen auto’s;

Bij de ontwikkeling van woonfuncties kan maximaal 20% van de totale normatieve parkeerbehoefte met deelauto’s worden vervuld;

-

Voor elke deelauto dient een geoormerkte deelautoparkeerplaats te worden aangelegd; Deze parkeerplaats kan niet onder dubbelgebruik worden meegerekend;

Artikel 2. Parkeerdrukmetingen op verzoek van initiatiefnemer -

Indien de door de gemeente uitgevoerde parkeerdrukmeting door de initiatiefnemer niet (meer) als representatief worden gezien, of op het moment dat de parkeerdruk overdag leidend is, dient apart te worden geteld. Dit is toegestaan mits;

-

o

De parkeertellingen uitgevoerd worden door een gecertificeerd en door de gemeente

o

De uitvoering van het parkeeronderzoek (telmomenten, onderzoeksgebied, wijze van

o

Het parkeeronderzoek wordt bekostigd door de initiatiefnemer.

akkoord bevonden onderzoeksbureau;

meten) afgestemd worden met de gemeente;

Parkeerdrukmetingen die voldoen aan de eisen en in samenwerking/afstemming worden gebruikt voor het beoordelen van een ingediend initiatief.

Hoofdstuk 4. Duurzaamheid Paragraaf 4.1 Faciliteiten elektrische voertuigen Artikel 1. -

Voor eisen/voorwaarden aan laadpalen en de plaatsing daarvan wordt verwezen naar

“BELEIDSREGELS OPLAADINFRASTRUCTUUR ELEKTRISCHE VOERTUIGEN GEMEENTE MOERDIJK”

Hoofdstuk 5. Fietsparkeren Artikel 1. -

De bijlage 2 van dit document zijn fietsparkeernormen opgenomen; Fietsparkeren dient op eigen terrein te worden gefaciliteerd,

indien niet mogelijk; -

Wordt door de initiatiefnemer onderzocht of fietsparkeren mogelijk is in fietsvoorzieningen in de openbare ruimte. Indien niet mogelijk;

-

Wordt door initiatiefnemer nieuwe parkeervoorzieningen gefaciliteerd in de openbare ruimte;

Kosten voor realisatie van fietsparkeren vind plaats op kosten van de initiatiefnemer;

Het staat de ontwikkelaar vrij om meer ruimte voor fietsparkeren te faciliteren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=0ad6f11c-bd3a-4c05-97b6-bd6a10323138