Bijlage 3d - Bijlage bij de toelichting - Ontwerpbestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Julianastraat Moerdijk
Tekst van het document
RAPPORT 19378.001 versie 2 (definitief)
Figuur 13.
Archeologische waarden en onderzoeken
RAPPORT 19378.001 versie 2 (definitief)
RAPPORT 19378.001 versie 2 (definitief)
Figuur 14.
Archeologische verwachtingskaart
RAPPORT 19378.001 versie 2 (definitief)
Figuur 15.
Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart
RAPPORT 19378.001 versie 2 (definitief)
RAPPORT 19378.001 versie 2 (definitief)
Figuur 16.
Boorpuntenkaart
RAPPORT 19378.001 versie 2 (definitief)
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 19378.001 versie 2 (definitief)
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr. 1950
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 19378.001 versie 2 (definitief)
Bijlage 2
Onderzoeksmeldingen
Rapport 19378.001 versie 2 (definitief)
Rapport 19378.001 versie 2 (definitief)
Rapport 19378.001 versie 2 (definitief)
Rapport 19378.001 versie 2 (definitief)
Bijlage 3
Boorprofielen
Rapport 19378.001 versie 2 (definitief)
Rapport 19378.001 versie 2 (definitief)
Rapport 19378.001 versie 2 (definitief)
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
ongeroerd monster volumering
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
Rapport 19378.001 versie 2 (definitief)
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING JULIANASTRAAT TE MOERDIJK
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Julianastraat te Moerdijk Opdrachtgever
Gemeente Moerdijk Postbus 4 4760 AA Zevenbergen
Rapportnummer Versienummer
19378.002 D1
Status
Eindrapportage
Datum
2 september 2022
Vestiging
Zuid-Holland Hoofdweg 240 3067 GJ Rotterdam 088 - 5001600 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller
Mevrouw S.E. Timmerman, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
Mevrouw D. Koopman, MSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 11 Ongewervelden............................................................................................................... 12 Planten ............................................................................................................................ 13
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 14 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8
Jaarrond beschermde vogels ......................................................................................... 14 Categorie 5 en algemene broedvogels .......................................................................... 14 Vleermuizen .................................................................................................................... 15 Kleine marterachtigen ..................................................................................................... 15 Poelkikker……………………………………………………………………………………….15 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 16 Grote modderkruiper ...................................................................................................... 16 Algemene vissensoorten ................................................................................................ 16 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 17
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 18 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 18 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 19
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 20
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 21
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 19378.002
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Gemeente Moerdijk opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Julianastraat te Moerdijk. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 1 van 23
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 7.500 m²) ligt aan de Julianastraat, te Moerdijk. In figuur 1 is de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft een braakliggend terrein met grassen, riet en kruiden. Ten noorden grenst de onderzoekslocatie aan Moerdijk, een woonwijk met vrijstaande woningen en rijtjeswoningen met tuinen. Ten westen van de onderzoekslocatie ligt het natuurgebied de Appelzak, wat voornamelijk bestaat uit bos. Ten zuiden van de onderzoeklocatie ligt grasland en daarachter percelen met akkerbouw. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 7 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 2 van 23
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Het gebied met erachter een grasland (kijkrichting zuidelijk).
Figuur 4. Watergang langs het gebied met riet (kijkrichting oostelijk).
Figuur 6. Grasland met ruigte met het dijkje waarachter een bos ligt (kijkrichting westelijk).
Figuur 7. Watergang met riet ten oosten van de onderzoekslocatie (kijkrichting noordelijk).
Rapport 19378.002 versie D1
Figuur 5. Watergang met riet ten zuiden van de onderzoeklocatie (kijkrichting westelijk).
Pagina 3 van 23
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens kleinschalige woningbouwontwikkeling van c.a. 7 rijwoningen te realiseren.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 4 van 23
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 18 augustus 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 5 van 23
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 6 van 23
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 7 van 23
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 8 van 23
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Van deze soorten zijn volgens gegevens van de NDFF in de afgelopen vijf jaar in een straal van enkele kilometers rond de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van huismus, gierzwaluw, slechtvalk, buizerd, havik, steenuil en kerkuil. Van deze soorten kunnen huismus, gierzwaluw en slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soorten broeden in of op bebouwing, dit ontbreekt echter op de onderzoekslocatie. Er zijn derhalve geen geschikte nestlocaties voor huismus, gierzwaluw en slechtvalk aanwezig op de onderzoekslocatie. Ook zijn er tijdens het veldbezoek geen (sporen van) individuen aangetroffen. Nader onderzoek naar deze soorten wordt niet noodzakelijk geacht. De buizerd en havik zijn makers en gebruikers van grote nesten in bomen. Er zijn geen bomen aanwezig op de onderzoekslocatie, waardoor de aanwezigheid van nesten van deze bij uitstek boombewonende soorten op voorhand uit te sluiten is. De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door de buizerd en havik om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen.
Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor deze soorten aanwezig. Het betreft vergelijkbare omliggende percelen en akkerland in de omgeving. Nader onderzoek naar de buizerd en havik wordt niet benodigd geacht. De kerkuil is een bewoner van (half)open landschappen, veelal het boerenland. Hij vestigt zich graag in deels open gebouwen zoals schuren of kerktorens, die over geschikte kieren beschikken of waar nestkasten aanwezig zijn. Kerkuilen leiden een teruggetrokken leven en worden als het donker is actief om in het open veld te jagen op vooral veldmuizen. Steenuilen zijn sterk verbonden aan het kleinschalige agrarische cultuurlandschap met grasland om op te jagen. Steenuilen zijn uitgesproken standvogels. Ze verblijven het hele jaar in hun territorium. De steenuil is een vogel die gebruikelijk leeft op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in het agrarische cultuurlandschap en aan dorpsranden. Nestplaatsen van steenuilen kunnen liggen in boomholten, vooral knotwilgen en oude fruitbomen, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen, bijvoorbeeld tussen de dakbedekking en het beschot. Er zijn geen geschikte gebouwen en bomen aanwezig op de onderzoekslocatie voor potentiële nestlocaties, waardoor broedgevallen op de onderzoekslocatie uitgesloten kunnen worden.
De onderzoekslocatie vormt geschikt foerageergebied voor de kerkuil en de steenuil. De onderzoekslocatie kan onderdeel zijn van een (essentieel) foerageergebied. Een essentieel foerageergebied is gebonden aan een broedlocatie. Nader onderzoek naar nestlocaties wordt derhalve noodzakelijk geacht om
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 9 van 23
aan te tonen dan wel uit te sluiten dat de onderzoekslocatie een essentieel foerageergebied betreft (zie hoofdstuk 6). 5.1.2
Broedvogels categorie 5 (nesten soms jaarrond beschermd)
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Nesten van deze broedvogels zijn op de onderzoekslocatie niet aangetroffen en in de omgeving zijn voldoende alternatieven aanwezig, in de vorm van nabij liggende bosschages. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. 5.1.3
Overige broedvogels
De bomen op de onderzoekslocatie kunnen nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en gewone grootoorvleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd en er zijn geen bomen aanwezig, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen is niet aan de orde. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden door de onderlinge afstand tot mogelijke verblijfplaatsen geen potentieel belangrijke aanvliegroutes aangetast en zal geen verstoring plaatsvinden van in de omgeving gelegen verblijfplaatsen. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en gewone grootoorvleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig.
Het betreft vergelijkbare omliggende percelen en akkerland in de omgeving. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 10 van 23
5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd, dit kan zijn volgens de Europese Habitatrichtlijn, dan wel op grond van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming, ook wel of ‘nationaal beschermde soorten’ genoemd. Voor sommige nationaal beschermde soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde (Habitatrichtlijnen Nationaal beschermde-) en minder streng beschermde soorten (provinciale vrijstellingsregelingen). Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: boommarter en bunzing. De boommarter is, volgens verspreidingsgegevens van de NDFF, één keer waargenomen in de afgelopen 5 jaar, circa 2 km ten zuiden van de onderzoekslocatie. Bos is bij uitstek het biotoop van de boommarter. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen- of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottingsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. Door het ontbreken van bos op de onderzoekslocatie kan de aanwezigheid van de boommarter op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten en wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.
De bunzing komt volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Ondanks dat de hermelijn en wezel niet in de omgeving is waargenomen, is het mogelijk dat ook deze soorten voorkomen in de omgeving. Kleine marterachtigen komen voor in verschillende landschapstypen, maar hun voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden. Daarnaast komen ze ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten. Het voedsel bestaat uit allerlei dierlijk voedsel waarvan konijnen, woelratten en amfibieën de belangrijkste voedselbron vormen. Deze soorten komen in de omgeving van de onderzoeklocatie voor. De watergangen met begroeiing op de onderzoekslocatie geven kleine marterachtigen de mogelijkheid zich te verplaatsen door het gebied. De onderzoekslocatie staat in verbinding met gelijkwaardige gebieden, graslanden, akkerlanden en bos. Het is, door het geschikte habitat en de aanwezigheid van geschikt voedsel, niet uit te sluiten dat de onderzoeklocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van klein marterachtigen (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen streng beschermde reptielen waargenomen. Ook stellen reptielen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soort waargenomen: poelkikker. De poelkikker is een opportunistische soort en komt voor in verschillende landschapstypen zoals bos, heide, hoogveen maar ook in half natuurlijke graslanden, kleipolders met kwel en laagveen. De poelkikker gebruikt twee typen (vaste) rust- en voortplantingsplaatsen die in een jaarcyclus gebruikt worden. De voorkeur van voortplantingswateren van de poelkikker gaat uit naar zwak zure, schone,
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 11 van 23
stilstaande en met zon beschenen poelen, vennen en sloten. De poelkikker is een goede zwemmer waardoor wateroppervlakten met diepteverschil kunnen functioneren als voortplantingswater mits ondiepe gedeeltes aanwezig zijn voor de opwarming en ontwikkeling van eieren. De poelkikker geeft voorkeur aan voortplantingswateren met een rijke watervegetatie. Buiten de voortplantingsperiode zijn de poelkikkers minder gebonden aan water en brengen ze het seizoen door op het land. Winterverblijfplaatsen worden gebruikt vanaf circa oktober en bevinden zich op tal van plekken waaronder bijvoorbeeld: muizenholen, zelf gegraven holen in de grond, onder takkenhopen en stapels puin. De onderzoekslocatie vormt, door het natuurlijke grasland omgeven door ondiepe sloten, geschikt habitat voor de poelkikker. Nader onderzoek naar deze soort wordt noodzakelijk geacht (zie hoofdstuk 6). De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). Vissen Volgens gegevens van de NDFF is binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soort waargenomen: grote modderkruiper.
Grote modderkruiper komt voor in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren, zoals sloten, vennen, plassen en oude afgesneden meanders. De ondiepe slootjes op de onderzoekslocatie vormen geschikt habitat voor de grote modderkruiper, waardoor de aanwezigheid van deze soort op basis van de quickscan niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten. Indien werkzaamheden aan de watergangen zullen plaatsvinden tijdens de voorgenomen bouwplannen, dient middels een aanvullend onderzoek de functie van de onderzoekslocatie voor de grote modderkruiper nader te worden onderzocht (zie hoofdstuk 6). 5.5
Ongewervelden
Libellen Volgens gegevens van de NDFF is binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soort waargenomen: rivierrombout. Rivierrombout komt ten noorden van de onderzoekslocatie langs de Maas voor in het Natura 2000gebied. De onderzoekslocatie biedt geen geschikt habitat voor de rivierrombout door de afwezigheid van rivieren en grote beken. Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Vlinders Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soort waargenomen: grote vos. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. Geschikte waardplanten voor de beschermde vlindersoort grote vos (iep, zoete kers en sommige wilgensoorten) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.
Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van de grote vos.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 12 van 23
Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Planten
Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt dat er binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende streng beschermde vaatplant is waargenomen: kluwenklokje. Kluwenklokje groeit op kalkhoudende bodem in het rivierengebied en in Zuid-Limburg. De soort komt voor in bermen, rivierdijken, uiterwaarden en bosranden. Door het ontbreken van kalkhoudende bodem op de onderzoekslocatie is het uit te sluiten dat de soort aanwezig is. De onderzoekslocatie bestaat met name uit een gemaaid grasveld. De bodem van de onderzoekslocatie bestaat uit leem- en veengronden. De onderzoekslocatie bestaat uit een braakliggend terrein met grassen, riet en kruiden. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Er zijn tijdens het veldbezoek ook geen beschermde planten waargenomen.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 13 van 23
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1
Jaarrond beschermde vogels
De leefgebieden van de steenuil en kerkuil zijn beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soorten staan tevens vermeldt in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- of voortplantingsplaats’. De nesten van kerkuilen zijn eveneens jaarrond beschermd en vallen onder categorie 3 van vogelnesten: ‘Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing’. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Beide soorten kunnen de onderzoekslocatie mogelijk gebruiken als foerageergebied. Door vernietiging van foerageergebied is het mogelijk dat de functie als broedplaats en vaste rust- en verblijfplaats niet meer vervuld kan worden. Nader onderzoek naar aanwezigheid van de kerkuil en steenuil is benodigd om vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties aan te tonen dan wel uit te sluiten. Indien blijkt dat de onderzoekslocatie een essentieel foerageergebied betreft dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie. 6.2
Categorie 5 en algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning.
Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 14 van 23
6.3
Vleermuizen
Bij het verlichten van de onderzoekslocatie tijdens de voorgenomen werkzaamheden bestaat er een grote kans op verstoring van in de omgeving voorkomende vleermuizen. Om verstoring van vliegroutes en foerageergebied te voorkomen dient, tijdens de werkzaamheden in het donker, gebruik te worden gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting, zodat het grasveld en bomen ’s nachts niet extra verlicht worden. Vleermuisvriendelijke verlichting is een zo gericht mogelijke, smalle bundel, heeft geen uitstraling naar boven of de omgeving en is amberkleurig (tussen 1700 en 2200 K). Door gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting nabij de bomen kan de mogelijke functionaliteit van de vliegroutes en foerageergebied behouden blijven en is ontheffing van de Wet natuurbescherming hiervoor niet aan de orde. 6.4
Kleine marterachtigen
De voorgenomen ingreep leidt mogelijk tot het verlies van foerageergebied, verblijfplaatsen en migratieroutes van de kleine marterachtigen wezel, bunzing en hermelijn. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Door de verandering van landgebruik wordt het grasveld ongeschikt als mogelijk foerageergebied en verblijfplaats van kleine marterachtigen. Daar de onderzoekslocatie op alle fronten geschikt is als jaarrond leefgebied voor wezel, bunzing en hermelijn dient de onderzoekslocatie als zodanig gekenmerkt te worden. Het vaststellen of deze soorten gebruik maken van de onderzoekslocatie kan worden gedaan door middel van aanvullend onderzoek met behulp van cameravallen en/of struikrovers volgens Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming, provincie Noord-Brabant. De voorkeur gaat uit naar het uitvoeren van dit onderzoek in de optimale periode (maart tot en met augustus). Dit veldonderzoek neemt in totaal ongeveer 6 weken in beslag. Bij gebruik van de onderzoekslocatie door een beschermde soort dienen maatregelen getroffen te worden zodat de functionaliteit van het leefgebied behouden blijft en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een projectplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag. 6.5
Poelkikker
De poelkikker is een internationaal beschermde soort conform de Habitatrichtlijn en artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat het verboden is om de vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of individuen opzettelijk te doden of te vangen, en in het geval van poelkikker tevens opzettelijk te verstoren. De onderzoekslocatie beschikt over geschikt voortplantings- en landhabitat voor de poelkikker. Indien de sloten gedempt worden, gaat hierbij mogelijk voortplantingshabitat van de poelkikker verloren. Tevens biedt het grasland met ruigtes geschikt landhabitat, wat tevens verloren zou gaan indien er op deze locaties nieuwbouw wordt gerealiseerd. Een nader onderzoek dient uit te wijzen of de sloten door poelkikker in gebruik zijn genomen en voor welke functies de poelkikker het gebied gebruikt. Hierbij moet in beeld worden gebracht waar zich de locaties van voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of (essentieel) functioneel leefgebied (routes of foerageergebieden) van de poelkikker bevinden (Bij12, 2017). Wanneer dit onderzocht is, dient te worden bepaald of de voorgenomen werkzaamheden een verstorend effect op de poelkikker hebben. Indien dit het geval is, dienen er maatregelen te worden genomen om het functioneel leefgebied van de poelkikker te garanderen en is mogelijk ontheffing aan de orde.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 15 van 23
6.6
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
6.7
Grote modderkruiper
De grote modderkruiper is een nationaal beschermde soort krachtens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het voortplantingswater noch rustplaatsen mogen opzettelijk worden beschadigd of vernield. Ook mogen individuen niet opzettelijk worden gedood. Indien de watergangen worden gedempt tijdens de voorgenomen plannen, zou dit in geval van aanwezigheid van leefgebied van de grote modderkruiper kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Aangezien de aanwezigheid van de grote modderkruiper op basis van de quickscan flora en fauna niet op voorhand met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten, wordt aanvullend onderzoek geadviseerd om de aanwezigheid vast te stellen dan wel uit te sluiten. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of deze soort aan- of afwezig is in het plangebied en of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. De meest geschikte methode om de aan- of afwezigheid van de grote modderkruiper aan te tonen is met environmental DNA (eDNA) onderzoek. De watermonsters voor de DNA analyse kunnen jaarrond genomen worden, ook als het habitat volledig dichtgegroeid is. Indien de grote modderkruiper gebruik maakt van de onderzoekslocatie is een ontheffing mogelijk noodzakelijk, tenzij aantoonbaar kan worden gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Voor het verkrijgen van een ontheffing dient door het treffen van maatregelen de functionaliteit van het leefgebied te worden behouden en zal schade aan individuen zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. 6.8
Algemene vissensoorten
Bij eventuele werkzaamheden aan de watergang zullen zonder maatregelen vissen worden gedood, hetgeen een overtreding van de Wet natuurbescherming inhoudt. De te verwachten soorten vallen echter onder het provinciale soortenbeleid, zodat voor de werkzaamheden niet vooraf een ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Voor de te verwachten vissoorten geldt echter wel de zorgplicht. Dit houdt in dat het doden van individuen redelijkerwijs vermeden dient te worden. Dit kan door het afvangen van vissen voorafgaande aan de dempingswerkzaamheden en het verplaatsen van de vis in de te handhaven watergangen in de directe omgeving. Aanbevolen wordt om ten tijde van de uitvoering de werkwijze vast te leggen in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. Aangezien een quickscan over het algemeen geen document is dat bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt geraadpleegd, wordt aanbevolen om voor eventuele dempingswerkzaamheden een separaat ecologisch werkprotocol op te laten stellen. In het werkprotocol worden de benodigde maatregelen verwoord en de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen vastgelegd.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 16 van 23
6.9
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 17 van 23
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Hollands Diep, bevindt zich op circa 650 meter afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, Biesbosch, bevindt zich op 1,9 km ten noordoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 8).
Figuur 8. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 650 meter en ± 1,9 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (woningbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek met betrekking tot Natura 2000 gebieden wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 18 van 23
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 5 meter ten westen van de onderzoekslocatie. In figuur 9 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 9. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk kunnen de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels een effectenonderzoek Natuurnetwerk Brabant nader moeten worden onderzocht. Ingrepen die de natuur significant aantasten, mogen niet worden toegestaan in het bestemmingsplan, tenzij ze een groot openbaar belang dienen én er geen alternatieven zijn buiten de natuur (nee, tenzijprincipe). Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht. Op een andere plek moet dan nieuwe natuur komen.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 19 van 23
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Wegens het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming buiten beschouwing worden gelaten. Verdere vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 20 van 23
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Moerdijk een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Julianastraat te Moerdijk. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijzigingheeft tot doel om in te schatten of op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
algemeen
ja
ja
nee
nee
Het verwijderen van beplanting, snoeiafval en nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren (maart – augustus) of indien binnen broedseizoen vooraf broedvogelinspectie.
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
ja
mogelijk
Nader onderzoek (essentieel) foerageergebied kerkuil en steenuil.
verblijfplaatsen
nee
nee
nee
nee
-
foerageergebied
ja
mogelijk
nee
nee
vliegroutes
nee
nee
nee
nee
Geadviseerd wordt om verlichtingsarmaturen te gebruiken die naar beneden schijnen of andere vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen.
Grondgebonden zoogdieren
ja
ja
ja
mogelijk
Nader onderzoek naar vaste rustplaatsen een foerageergebied van de kleine marterachtigen wezel en bunzing. Aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten.
Amfibieën
ja
ja
ja
mogelijk
Nader onderzoek naar voortplantings- en landhabitat poelkikker. Aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten.
Reptielen
nee
nee
nee
nee
Vissen
ja
ja
ja
mogelijk
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
650 m
nee
nee
nee
Broedvogels
Vleermuizen
Gebiedsbescherming
Natura 2000
Rapport 19378.002 versie D1
Indien werkzaamheden plaatsvinden aan de sloten, nader onderzoek naar aan- of afwezigheid van grote modderkruiper. Aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten.
-
Pagina 21 van 23
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
effectenonderzoek Natuurnetwerk Brabant is noodzakelijk.
1,9 km Natuurnetwerk Nederland
0m
mogelijk
ja
mogelijk
Houtopstanden
n.v.t
n.v.t
n.v.t
n.v.t
-
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie en aanbevelingen Nader onderzoek naar de kerkuil en steenuil is noodzakelijk om aanwezigheid op de onderzoekslocatie en nestlocaties in de directe omgeving van de onderzoekslocatie aan te tonen dan wel uit te sluiten. Voor de algemene broedvogelsoorten en broedvogels behorend tot categorie 5 die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Voor vleermuizen geldt dat er verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes in de omgeving van de onderzoekslocatie aanwezig kunnen zijn. Er wordt geadviseerd om vleermuisvriendelijk licht te gebruiken, zo worden foerageergebieden en verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie niet in hun functie beperkt. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig, de armaturen zijn weggericht van bebouwing en groen in de omgeving en de verlichting is zo min mogelijk diffuus.
Ook dient op basis van de quickscan middels aanvullend onderzoek meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie, en gebruik van de onderzoekslocatie door bunzing, wezel en hermelijn. Door de planontwikkeling kunnen deze potentieel beschermde functies worden beschadigd of weggenomen. Geadviseerd wordt in het geëigende jaargetijde nader onderzoek uit te laten voeren naar het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rustplaats en foerageergebied door deze soorten. Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming geldt dat voor uitvoering van de plannen middels aanvullend onderzoek duidelijkheid dient te worden verkregen over de eventuele functie van de onderzoekslocatie voor de poelkikker noodzakelijk geacht. Dit bestaat uit twee inventarisatierondes tijdens de voortplantingsperiode (mei t/m juni) van de poelkikker (Bij12, 2017). De locatie vormt geschikt leefgebied voor de grote modderkruiper. Op basis van de quickscan dient bij eventuele dempingswerkzaamheden de aan- of afwezigheid van grote modderkruiper op de onderzoekslocatie nader te worden onderzocht. Een methode om aan- of afwezigheid aan te tonen is met eDNA onderzoek. Dit kan jaarrond uitgevoerd worden.
Tevens dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën, waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Werkzaamheden aan en dempen van de watergangen hebben mogelijk effect op algemene vissoorten en amfibieën. Voor deze soortgroepen dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Werken volgens een ecologisch werkprotocol waarborgt deze zorgplicht. Geadviseerd wordt daarom deze op te laten stellen door een ter zake kundig persoon.
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 22 van 23
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Met betrekking tot beschermde gebieden is een effectenonderzoek Natuurnetwerk Brabant noodzakelijk. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten niet aan de orde.
Econsultancy Rotterdam, 2 september 2022
Rapport 19378.002 versie D1
Pagina 23 van 23
GERAADPLEEGDE BRONNEN BIJ12 (2017d). Kennisdocument poelkikker. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-014Kennisdocument-Poelkikker-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 2 september 2022 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Moerdijk, periode 2017-2022. NDFF. Geraadpleegd op 2 september 2022 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 2 september 2022 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 2 september 2022 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/202102-17.