CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3a - Toelichting - Ontwerpbestemmingsplan Woningbouw Julianastraat Moerdijk

Commissievergadering 25 mei 2023, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Vaststelling ontwerpbestemmingsplan Woningbouw Julianastraat Moerdijk18.806 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. Het kabinet heef in 2021 het statiegeldsysteem uitgebreid naar kleine fesjes om de hoeveelheid plastic in het milieu te verminderen. Het Rijk neemt in de planperiode van dit NWP veel maatregelen voor een natuurlijkere inrichting van de grote wateren om de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) te bereiken. Deze maatregelen zijn opgenomen in de stroomgebiedbeheerplannen 20222027. In de afgelopen periode zijn daarnaast extra middelen vrijgemaakt voor de Deltaaanpak Waterkwaliteit, het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer en de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW). Al deze maatregelen betekenen een grote stap naar het halen van de doelen voor waterkwaliteit en natuur. In 2021 heef het Rijk de Beleidsnota Drinkwater 20212027 vastgesteld om schoon, gezond en genoeg (drink)water voor iedereen veilig te blijven stellen.

28

Het Programma Natuur en het Programma Versterken Biodiversiteit bevaten maatregelen om de waternatuur te versterken. De visie voor kringlooplandbouw draagt bij aan het verbeteren van de kwaliteit van grond en oppervlaktewater. De aanpak van bodemdaling is ook voor het waterbeheer van groot belang. Het Programma Ontwikkeling Nationale Strategie (ONS) Landschap ondersteunt een landschapsinclusieve aanpak van de wateropgaven. Rijkswaterstaat richt zich in de planperiode van het NWP op het uitvoeren van de 3e tranche KRWmaatregelen, het opstellen en uitvoeren van Natura 2000beheerplannen en het verkennen en uitvoeren van de PAGWmaatregelen in de rijkswateren. Daarbovenop gaat extra aandacht uit naar opkomende en zeer zorgwekkende stofen, zowel op het gebied van vergunningverlening als kennisontwikkeling. Voor het grondwatersysteem gaat Rijkswaterstaat samen met regionale waterbeheerders de efecten op het grondwater van de rijkswateren en eigen werkzaamheden daarin verkennen. Hierbij wordt ook gekeken of de rijkswateren een positieve bijdrage kunnen leveren aan de gewenste grondwatersituatie van het regionale grondwatersysteem. Dit mede ter bestrijding van gevolgen van wateroverlast en voornamelijk verdroging. Gebiedsgerichte uitwerkingen Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak.

Daarom zijn voor de rijkswateren in dit NWP gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en EemsDollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het NWP, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Voor de Noordzee stelt het Rijk met het Programma Noordzee de kaders voor ruimtelijk gebruik vast. Het programma combineert onder andere de extra opgave voor windenergie op de Noordzee met natuurontwikkeling (vergroten biodiversiteit), duurzame visserij en ruimte voor de scheepvaart. Onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie worden maatregelen genomen om de milieutoestand van de Noordzee te verbeteren. Met de Gebiedsagenda’s Zuidwestelijke Delta, Waddengebied en IJsselmeergebied geef het Rijk een integraal langetermijnperspectief voor de grote wateren.

In het Programma Integraal Riviermanagement (IRM) wordt gewerkt aan een integrale aanpak van samenhangende opgaven in het rivierengebied: waterveiligheid, bevaarbaarheid voor de scheepvaart, verbetering van de waterkwaliteit en de natuur, en een duurzame zoetwatervoorziening. Het streven is om het programma in 2022 vast te stellen. In veel gebieden worden onder de KRW en PAGW maatregelen genomen om waterkwaliteit en natuur te verbeteren. In het beheer van de grote wateren is, naast de generieke rollen en taken, ruimte voor een gebiedsspecifeke invulling van de rollen en taken van Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat geef de samenwerking met de omgeving vaak vorm in de gebiedsagenda’s of grote projecten (IRM, PAGW, KRW). Het uitvoeren van de kerntaken is voor Rijkswaterstaat de belangrijkste opgave. De rijkswateren worden benut voor veel maatschappelijke en economische gebruiksfuncties, zoals drinkwater, schelpdierwater, scheepvaart, waterrecreatie en zwemwater. Door het uitvoeren van de kerntaken draagt Rijkswaterstaat bij aan het creëren van de juiste voorwaarden voor deze gebruiksfuncties. In principe is elke gebruiksfunctie mogelijk, zolang deze niet strijdig is met de kerntaken van Rijkswaterstaat. Belangrijk is het besef dat niet alles 29

overal kan. In sommige gevallen moeten keuzes worden gemaakt welke gebruiksfuncties voorrang krijgen. Hierbij wordt steeds een gebiedsspecifeke afweging gemaakt en is sprake van maatwerk. Tegelijk ondervindt Rijkswaterstaat in veel gebieden in het dagelijks beheer de gevolgen van de toenemende ruimtedruk. Deze ruimtedruk op of rond de wateren in beheer van Rijkswaterstaat is groot, vooral in verstedelijkt gebied en rond de kanalen. Een robuust watersysteem vereist aandacht bij ruimtelijke ontwikkelingen voor het belang van water. De watertoets is hiervoor een belangrijk instrument. Rijkswaterstaat monitort de ruimtedruk in deze planperiode en evalueert tussentijds of nadere actie nodig is. Financiën In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden.

De totstandkoming van het NWP Dit NWP is tot stand gekomen via een breed participatieproces, waarbij medeoverheden en maatschappelijke partijen in een vroeg stadium betrokken zijn bij de ontwikkeling. Er zijn gebieds en themasessies gehouden en het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving heef een consultatie gehouden onder maatschappelijke doelgroepen. Het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en drinkwaterkoepel Vewin hebben het concept op bestuurlijk niveau besproken in de Stuurgroep Water. Het OntwerpNWP heef 6 maanden ter inzage gelegen, samen met de PlanMER en bijbehorende bijlagen. De daarop binnengekomen zienswijzen zijn beantwoord in de reactienota en meegenomen bij het vaststellen van het NWP. Waterschapsbeleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het waterschap richt zich op een goede uitvoering van de wettelijke taken rondom waterveiligheid, waterkwaliteit en watersysteembeheer. Daarbij houden zij rekening met de toekomstbestendigheid van het watersysteem (met oog voor klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging). Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen de doelstelling van het Waterbeheerplan 2022-2027.

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 gaat uit van 6 kerntaken: klimaatadaptatie, waterveiligheid, gezond water, voldoende water, vaarwegen en waterketen. Het Waterbeheerprogramma komt voort uit de Omgevingswet: er is rekening gehouden met diverse trends en ontwikkelingen en de inbreng van belanghebbenden is belangrijk. Water is immers een belangrijke factor bij ruimtelijke ontwikkeling en goed waterbeheer draagt bij aan duurzame ontwikkeling van het werkgebied (en daarbuiten). Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods-en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een 30

watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur en de legger zijn onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'. Doelstelling Meerlaagsveiligheid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap is continu betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen in hun beheergebied. Meerlaagsveiligheid is voor het waterschap steeds meer een manier om continu te werken aan: • • •

het reduceren van overstromingsrisico's (kansen en gevolgen) het verminderen van kwetsbaarheid het leefbaarder maken van de (bedreigde) omgeving

De bedoeling is om bescherming tegen overstromingen en omgaan met overstromingsrisico expliciet bespreekbaar te maken in de ruimtelijke ontwikkeling. Impliciet worden nu risico's geaccepteerd: men denkt dat het veilig is, maar het risico is nooit nul. Door middel van een aanvulling in het toetsen van plannen wil het waterschap proberen om (de acceptatie van) deze risico's expliciet te maken.

Gemeentelijk beleid Het Waterplan Moerdijk 2009-2015 is in november 2008 door de gemeenteraad van Moerdijk vastgesteld. Dit plan maakt onderdeel uit van de paraplunota Leefomgeving. Het plan beschrijft de gezamenlijke visie van de gemeente en het Waterschap Brabantse Delta. Deze visie betreft een robuust watersysteem van voldoende kwaliteit en veiligheid dat aansluit bij de natuurlijke omstandigheden op om het Moerdijkse grondgebied en dat nu en in de toekomst voldoet aan de wettelijke verplichtingen en beleidsregels. Verdeeld over meerdere thema's is de visie in het waterplan uitgewerkt. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn dat: water geen gevaar oplevert, het watersysteem geschikt is voor de functies die het moet vervullen, alle elementen van het watersysteem in samenhang worden beschouwd, water een grotere rol krijgt in ruimtelijke ontwikkelingen en iedereen zijn steentje bijdraagt. Beleidslijnen vGRP 2021-2024 Met het vGRP geeft de gemeente invulling aan de wettelijke zorgplichten afval-, hemel- en grondwater (de basisopgave). In het verlengde hiervan heeft de gemeente Moerdijk ambitie om, binnen de reikwijdte van de zorgplichten, bij te dragen aan gemeenschappelijke doelen zoals klimaatadaptatie, duurzaamheid en een gezonde leefomgeving.

Om invulling te geven aan de gemeentelijke visie en bijbehorende ambities/gemeenschappelijke doelen, zijn er voor de komende planperiode de volgende speerpunten geformuleerd: 1. Werken aan klimaatbestendigheid; 2. Werken aan een goede waterbalans tussen bebouwd en landelijk gebied; 3. Werken aan waardevol water. 31

1. Werken aan klimaatbestendigheid Bestaande situatie Het voorkomen van toekomstige wateroverlast door het blijven verruimen van de ondergrondse riolering is geen optie, dat wordt uiteindelijk veel te kostbaar. We houden daarom bij de (her)inrichting van de openbare ruimte rekening met de verwerking van extreme neerslaghoeveelheden en accepteren dat er wat vaker water op straat zal optreden. Om meer grip te krijgen op een meer duurzame omgang met hemelwater bij herontwikkeling gaan we een traject in van informeren naar stimuleren richting afdwingen. Voor de lage natte gebieden is de urgentie hoger en hiermee de noodzaak tot een meer dwingende aanpak in het gebied zelf of bovenstrooms daarvan. In de openbare ruimte creëren we ruimte voor hemelwater in de bodem, groen- en speelvoorzieningen en in het oppervlaktewater. We houden hierbij oog voor mogelijke gezondheidsrisico’s en stemmen ons beheer hier op af. Ook houden we bij de herinrichting van de openbare ruimte rekening met vitale infrastructuur zoals toegangswegen en regelinstallaties en kwetsbare objecten zoals ziekenhuizen en verzorgingstehuizen. De benodigde bovengrondse voorzieningen richten we zodanig in dat deze tevens een positieve bijdrage leveren aan het tegengaan van hittestress en positief bijdragen aan een gezonde leefomgeving.

We intensiveren via gerichte communicatie de samenwerking met andere partners (GGD’s, kennisinstellingen, onderwijs, woningcorporaties, etc.) rondom een klimaatbestendige en gezonde leefomgeving.

Nieuwe ontwikkelingen Bij ruimtelijke planprocessen is een sectorgerichte aanpak vaak gangbaar. Om klimaatadaptatie in de verschillende sectoren te integreren beschouwen we het waterbelang in beleidsthema’s/plannen en ontwerpen. We verankeren dit belang waar mogelijk en houden oog voor de koppeling met andere thema’s zoals droogte, hittestress en biodiversiteit. Dit doen we door de eis ‘klimaatneutraal’ op te nemen in ons programma van eisen voor ruimtelijke ontwikkelingen en de bestaande Watertoets te verbreden naar een Klimaattoets. 2. Werken aan een goede waterbalans tussen bebouwd en landelijk gebied Bescherming kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater Voor een goede leefomgeving vormt gezond oppervlaktewater van een natuurlijke kwaliteit een vanzelfsprekende randvoorwaarde. Voor de drinkwatervoorziening is grondwater van goede kwaliteit een primaire behoefte in zuidwest Nederland. Oppervlaktewater voedt het grondwater en is hiermee indirect een buffer voor de drinkwatervoorziening. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak houden we rekening met de aandachtspunten zoals benoemd in de provinciale milieuverordening. Balans tussen bebouwd en landelijk gebied met elkaar in balans brengen. Via gebiedsgericht grondwaterbeheer spelen we in op langdurige perioden van droogte en beschermen we ons (toekomstige) drinkwater.

Hiertoe sturen we op een goede balans tussen het regionale watersysteem en de gebouwde omgeving voor de opvang van extreme neerslaghoeveelheden. Dit betekent dat waterstromen afkomstig uit landelijk gebied niet leiden tot overlast in de gebouwde omgeving en vice versa. We beperken verdroging van hoge en droge zandgronden door zoveel mogelijk water in de bodem te infiltreren (hemelwater, effluentwater) en waterbergingsgebieden zodanig in te richten dat een bijdrage wordt geleverd aan gezonde en klimaatbestendige leefomgeving. Zo doelmatig mogelijk inrichten van beheer retentievijvers Het aantal bovengrondse voorzieningen voor de opvang van overtollig hemelwater zal in de toekomst toenemen. We zien waterschap Brabantse Delta als logische partner om deze op te 32

nemen in het totale beheerareaal conform het beleid ‘waterlopen op orde’. Het waterschap is gespecialiseerd in deze taak en op deze wijze is er één verantwoordelijke partij. Dit geeft duidelijkheid en is (kosten)efficiënt. 2. Werken aan waardevol water Inzetten op strategische locaties We investeren bij voorkeur op enkele strategisch gunstige locaties dan op meerdere minder geschikte locaties. Op die strategische locaties bevorderen we innovaties en reserveren daarvoor budget en tijd. Om zicht te krijgen op mogelijke locaties stellen we een kansenkaart op. Alert zijn op risico’s als gevolg van (nieuwe) installaties in de bodem Met de toenemende behoefte aan duurzame energiebronnen neemt het aantal koude- en warmteopslagsystemen in de bodem toe. De open (vaak grote) KWO-systemen onttrekken grondwater en zijn daarmee vergunningplichtig met de provincie als bevoegd gezag. De gesloten (vaak kleine) KWOsystemen onttrekken geen grondwater en zijn daarmee niet vergunningplichtig. Wel is hierop een algemene maatregel van bestuur (amvb) van toepassing en geldt een meldingsplicht. Volgens de amvb mogen dergelijke systemen alleen worden aangelegd door gecertificeerde bedrijven. Uit onderzoek (Inspectie Leefomgeving en Transport, 2018) is echter gebleken dat niet altijd volgens de voorschriften wordt gewerkt, meldingen niet worden gedaan en hier ook geen controle op is.

Hierdoor bestaat de kans dat afsluitende lagen niet goed worden afgedicht en schoon grondwater uittreedt of ondiep, mogelijk vervuild, grondwater intreedt in de watervoerende laag. Dit brengt een risico voor de bescherming van het grondwater met zich mee. In het kader van de gebiedsdossiers brengen we gezamenlijk onze kennis en kunde in bij het inventariseren van locaties en het inschatten van de risico’s en signaleren eventuele risico’s. Bij onaanvaardbaar grote risico’s organiseren we een aanpak waarbij ook handhaving een belangrijke rol speelt. 4.3.2 Onderzoek van water Het plangebied bevindt zich aan de zuidkant van de kern Moerdijk en valt binnen het stedelijk gebied. Het plangebied is op dit moment een onverhard terrein. Voor er woningen gebouwd kunnen gaan worden, is het van belang om te onderzoeken wat voor effecten dit heeft op het gebied van waterveiligheid en wateropvang. Daarnaast zullen deze onderzoeken moeten aantonen dat het in lijn staat met het eerder genoemde beleid van de gemeente, de provincie en het waterschap. De gemeente hanteert beleid, waarbij nieuwe verharding, groter dan 500 m2, gecompenseerd moet worden middels de aanleg van retentie. Kering en beschermingszones Er loopt aan de westkant van het plangebied een waterkering. Deze loopt voor een deel over het plangebied.

Door de aanwezigheid van deze kering, zijn er door het plangebied lopende beschermingszones (A en B). De woningbouwontwikkeling valt echter niet binnen deze kering en deze beschermingszones, dus er worden geen problemen voorzien.

Figuur 4.1:: uitsnede legger Waterschap Brabantse Delta

33

Geen woningbouw mogelijk in beschermingszone A Er wordt voor woningbouw in beschermingszone A en het ‘profiel van vrije ruimte’ geen vergunning afgegeven voor nieuwbouwwoningen. Dit heeft te maken met het feit dat het waterschap de mogelijkheid wilt hebben om de kering te beheren en te beschermen. Eventuele woningbouw zou dit belemmeren. Wel woningbouw mogelijk in beschermingszone B, mits Bouwwerken in beschermingszone B Figuur 4.2: situatieschets ter verduidelijking beschermingszones hebben een minder groot effect op de waterkerende functie dan bouwwerken in de waterkeringszone of beschermingszone A. Aandachtspunt is het in stand houden van eventuele afdichtende lagen (voorkomen van piping*). Het plaatsen, aanpassen en verwijderen van bouwwerken in beschermingszone B is toegestaan mits de waterremmende werking van de aanwezige afdichtende bodemlagen niet wordt verminderd. *Definitie piping: Piping, onderloopsheid en achterloopsheid zijn termen uit de civiele techniek die aangeven dat er water onder een kade, dijk of ander kunstwerk stroomt als gevolg van een groot waterstandsverschil. Men gebruikt de term 'onderloopsheid' voor stromingen onder kunstwerken, zoals sluizen, 'achterloopsheid' voor stroming langs constructies en 'piping' voor geconcentreerde stroming onder dijken en kades. Gelijkmatige stroming onder deze constructies wordt kwel genoemd.

Kwel is over het algemeen niet problematisch voor de constructie, maar levert vaak wel een ontoelaatbaar waterbezwaar op.

Watergangen Er loopt langs de rand van het perceel een Categorie A watergang. Deze loopt van het zuidoosten richting het noordwesten. Daarnaast loopt er een watergang door de kering. Om de woningbouwontwikkeling mogelijk te maken, zal de watergang verplaatst moeten worden, zodat de doorstroming intact blijft. Buiten de verplaatsing van de noordelijke A categorie watergang, moet er zo’n 1690 m2 verharding gecompenseerd worden, als gevolg van de nieuwe woningbouwontwikkeling. Figuur 4.3: situatieschets ter verduidelijking watergangen

Volgens de retentieberekening is er 101 m3 (1690 m2 x 1 (gevoeligheidsfactor) x 0.06) aan waterberging nodig om de verharding te compenseren. Zomerpeil: - 1,80 mNap Maaiveldhoogte: - 0,12 mNap Speling: 0,1 m (een sloot of berging staat technisch gezien nooit helemaal vol). Bergingsruimte: 1,80 - 0,22 = 1,58 m Benodigde m2 wadi: 101 m3 / 1,58 m = 64 m2

34

Zoals eerder gezegd, wordt de noordelijke watergang gedempt. De zuidelijke watergang (zie paarse lijn op de legger) is het afgelopen jaar verlengt. Dit is terug te zien in het stedenbouwkundig concept en op de luchtfoto hieronder. Het is de bedoeling dat de verbinding/doorstroming van het water intact blijft, ondanks de demping van de noordelijke watergang. Door de demping van de noordelijke watergang, blijft er aan de oostkant van het plangebied een watergang liggen, die buiten waterberging geen functie meer heeft. Deze kan naast de wadi aan de noordwest kant van het gebied dus worden ingezet voor de benodigde waterberging, om de verharding te compenseren. De wadi zelf is alleen al goed voor zo’n 200 m3 aan waterberging bij een diepte van 1 meter.

Figuur 4.4: luchtfoto nieuwe watergang zuidrand plangebied

Figuur 4.5: schematische weergeving oplossing wateropgave

Riolering Er zal een gescheiden rioleringsstelsel worden aangelegd, om de nieuwe woningen te voorzien van de aan- en afvoer van water. *Definitie piping: Piping, onderloopsheid en achterloopsheid zijn termen uit de civiele techniek die aangeven dat er water onder een kade, dijk of ander kunstwerk stroomt als gevolg van een groot waterstandsverschil. Men gebruikt de term 'onderloopsheid' voor stromingen onder kunstwerken, zoals sluizen, 'achterloopsheid' voor stroming langs constructies en 'piping' voor geconcentreerde stroming onder dijken en kades. Gelijkmatige stroming onder deze constructies wordt kwel genoemd. Kwel is over het algemeen niet problematisch voor de constructie, maar levert vaak wel een ontoelaatbaar waterbezwaar op.

Meer info is te vinden in hoofdstuk 17 van https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR358713/6#d209347395e1901

4.3.3 Verkennend waterbodemonderzoek In opdracht van Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant heeft Geofoxx een milieuhygiënisch waterbodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Julianastraat 76 te Moerdijk. Aanleiding en doelstelling De aanleiding voor het laten uitvoeren van het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen demping van de watergang. In de watergang is vermoedelijk een sliblaag aanwezig die dient te worden verwijderd voorafgaand aan de demping. Het doel van

35

onderhavig onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van te baggeren sliblaag. Vooronderzoek Zowel voor de reguliere parameters als PFAS componenten is de verwachting dat er sprake is van een diffuse belasting zonder direct aanwijsbare bron. De vrijkomende waterbodem bestaat uit een sliblaag. In de betreffende bodemlagen worden geen (asbestverdachte) bodemvreemde bijmengingen verwacht. Veldwaarnemingen Tijdens de bemonstering was er in de watergang een waterkolom van 0,3 m aanwezig. Er is slib aangetroffen in de sloot. De gemiddelde slibdikte is 0,2 m. De vaste waterbodem bestaat uit klei. De bemonsterde waterbodem is visueel vrij van bodemvreemde bijmengingen. Ook zijn er geen asbestverdachte materialen waargenomen op of in de bodem. De veldwaarnemingen geven geen aanleiding tot het afbakenen van een extra monsternamevak of het verrichten van aanvullende boringen. Bodemkwaliteit en hergebruiksmogelijkheden De hypothese van een diffuus belaste waterbodem is bevestigd. Het slib wordt geclassificeerd als ‘klasse A’ en is nuttig herbruikbaar. De klasse bepalende parameters zijn minerale olie en zink. Voor PFAS componenten is enkel voor PFOS lineair een gehalte (0,1 mg/kg) boven de detectielimiet vastgesteld. In principe is de baggerspecie verspreidbaar op aangrenzend perceel.

Opgemerkt wordt dat bij toepassing op de landbodem de baggerspecie van de kwaliteit ‘industrie’ is. Toetsing doelstelling en aanbevelingen Met het uitgevoerde onderzoek is de chemische kwaliteit van de vrijkomende sliblaag wel voldoende representatief vastgesteld. Het vrijkomende slibmateriaal is in principe geschikt voor de beoogde toepassingslocatie (aangrenzend perceel). Dit onderzoek betreft echter geen milieuhygiënische verklaring in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Voor het verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel is geen toepassingsmelding noodzakelijk in het kader van Besluit bodemkwaliteit. Wel is een melding Besluit Lozen Buiten Inrichtingen (BLBI) nodig. De behandeltermijn is circa vier weken. Het advies luidt om de werkzaamheden af te stemmen met het bevoegd gezag en eigenaars van de (ontvangende) percelen.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Kader Bij de vaststelling van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met eventuele milieuhinder van bedrijfsactiviteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor deze afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt milieuzonering toegepast. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering. In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieuhinder. Voor elke bedrijfsactiviteit is de minimale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaats gevonden.

36

De richtafstanden gelden in beginsel ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Voor andere omgevingstypen dan een rustige woonwijk kunnen kleinere richtafstanden worden gehanteerd. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Op basis van de systematiek van milieuzonering wordt voor bedrijfslocaties bepaald welke categorie bedrijfsactiviteiten kan worden uitgeoefend zonder dat er sprake is van een kans op onaanvaardbare milieuhinder. Deze categorie, die per bedrijfsbestemming wordt bepaald, wordt de algemene toelaatbaarheid genoemd. 4.4.2 Onderzoek Het westelijk deel van het plangebied heeft momenteel nog een bedrijfsbestemming. Het voormalig bedrijfspand is echter al een aantal jaar geleden gesloopt. Verder ligt er op c.a. 140 meter een bedrijfsbestemming waar bedrijven uit ten hoogste milieucategorie 2 zijn toegestaan. De bijbehorende richtafstand tot ‘rustige woonwijk’ bedraagt 50-100 meter en de richtafstand tot ‘gemengd gebied’ 30-50 meter. Het plangebied ligt op c.a. 140 meter van deze bedrijfsbestemming, dus dit zorgt niet voor problemen. De kern Moerdijk ligt nabij het haven-/industrieterrein Moerdijk. De voor ‘Bedrijventerrein-1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven uit milieucategorieën 3 en 4.

De bijbehorende richtafstanden tot ‘rustige woonwijk’ bedraagt 200-300 meter en de richtafstand tot ‘gemengd gebied’ 100-200 meter. Het plangebied voor de beoogde 8 woningen ligt op c.a. 440 meter van dit bedrijventerrein, waardoor ook hier geen problemen worden verwacht wat betreft bedrijven en milieuzonering.

4.5 Akoestische aspecten 4.5.1 Kader Wegverkeerslawaai Onderzoekszone Behalve langs 30 km/uur-wegen en woonerven bevindt zich overeenkomstig artikel 74 Wet geluidhinder (Wgh) aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de grenswaarden van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). De definities van stedelijk en buitenstedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 Wgh. Deze definities luiden: • •

stedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom (bepaald door komgrensborden) met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de bebouwde kom dat is gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg.

In het geval een nieuwe woning wordt gerealiseerd binnen de onderzoekszone van een weg, dan mag de geluidbelasting niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk te zijn of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk (college van Moerdijk) bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden.

37

In onderstaande tabel is aangegeven wat de voorkeurswaarde en de maximale ontheffingswaarde is voor een nieuwe woning in stedelijk en buitenstedelijk gebied vanwege wegverkeerslawaai. Voorkeurswaarde

Maximale ontheffingswaarde

Woningen in stedelijk gebied

48 dB (art. 82, lid 1 Wgh)

63 dB (art. 83, lid 2 Wgh)

Woningen in buitenstedelijk gebied

48 dB (art. 82, lid 1 Wgh)

53 dB (art. 83, lid 2 Wgh)

4.5.2 Onderzoek Woningbouw op deze locatie is met betrekking tot het aspect geluid zonder voorwaarden mogelijk. De planontwikkeling is niet gelegen binnen een zone van een weg, spoorweg of industrieterrein. Met normaal gangbare thermisch isolerende geveldelen kan een acceptabel woon- en leefklimaat worden gewaarborgd.

4.6 Verkeer en parkeren 4.6.1 Kader Parkeerbeleid Voor het gemeentelijk grondgebied van Moerdijk is in 2021 nieuw parkeerbeleid opgesteld, dat aansluit bij de ambities en doelstellingen van de strategische visie Moerdijk 2030. Dit parkeerbeleid maakt onderdeel uit van de paraplunota 'Maatschappij' en is vastgesteld door de raad op 30 september 2021 Onderdeel van het gemeentelijk parkeerbeleid is de Nota Parkeernomen. Ook deze is op 30 september 2021 vastgesteld door de raad. Deze is opgesteld als uitwerking van het geactualiseerde parkeerbeleid van de gemeente. De nota beoogt het vastleggen van de Moerdijkse parkeernormen en het bepalen van een transparant en eenduidig toepassingskader. Bij het formuleren van de parkeernormen is het belangrijk dat deze recht doen aan de plaatselijke situatie. Dit betekent dat binnen de gemeente Moerdijk verschillende parkeernormen voor dezelfde functie kunnen gelden, afhankelijk van de locatie van de functie. Als basis voor de parkeernormen gelden de in 2021 vastgestelde parkeernormen. In de praktijk werken deze goed en sluiten ze aan bij de praktijk. Binnen de bebouwde kom is het uitgangspunt dat parkeerplaatsen zoveel mogelijk openbaar toegankelijk dienen te worden gerealiseerd; hierbij worden alle parkeerplaatsen binnen het plangebied gerealiseerd.

Parkeren wordt binnen het plangebied opgelost, waarbij rekening is gehouden met voldoende openbaar toegankelijke parkeerplaatsen. 4.6.2 Onderzoek Verkeersgeneratie Voorliggend plan voorziet in 8 woningen in de kern Moerdijk. In het stedenbouwkundig plan zijn 8 rijwoningen opgenomen. Moerdijk is volgens gemeentelijk beleid aangemerkt als stedelijk gebied. De verkeersgeneratie voor vrijstaande woningen in de koopsector bedraagt gemiddeld 8,2 verkeersbewegingen per woning. Voor twee onder één kapwoningen in de koopsector bedraagt het aantal verkeersbewegingen 7,8 per woning. Voor sociale huurwoningen worden 5,6 verkeersbewegingen per woning gerekend. 38

Verkeersaantrekkende werking Rijwoning (koop) Totaal

8 * 7,8 = 62,4 verkeersbewegingen 62,4 extra verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling

Gelet hierop leidt de totale ontwikkeling tot 62 extra motorvoertuigbewegingen op een gemiddelde weekdag. Het verkeer wordt in de toekomstige situatie via Julianastraat – in oostelijke en/of noordelijke richting – afgewikkeld op Grintweg. Omdat de voorgenomen ontwikkeling slechts betrekking heeft op een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen op de Julianastraat en de Grintweg over voldoende capaciteit beschikken om deze beperkte toename op te vangen, leidt de beoogde ontwikkeling niet tot een onacceptabele verkeerstoename. Parkeren Ter waarborging van voldoende parkeervoorzieningen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt door de gemeente Moerdijk de parkeerbehoefte vastgesteld aan de hand van de ‘Nota Parkeernormen’, die onderdeel uitmaakt van het ‘Parkeerbeleid Moerdijk’, zoals vastgesteld op 30 september 2021. Op grond van de Nota Parkeernormen geldt voor de beoogde rijwoningen een norm van 2,2 parkeerplaatsen per woning, waarvan ook minimaal 0,3 parkeerplaatsen openbaar toegankelijk moeten zijn. Voor parkeerplaatsen op privé terrein geldt een kortingsfactor vanwege het ontbreken van medegebruik. Op basis van het voorlopig stedenbouwkundig plan bedraagt het benodigde aantal parkeerplaatsen: Woningen groter dan 90m2: ruimte Totaal

8 * 2,2 = 17,6 parkeerplaatsen, waarvan 17,6 in de openbare 18 parkeerplaatsen, waarvan 18 in de openbare ruimte

Vooralsnog zijn in het stedenbouwkundig plan 19 openbare parkeerplaatsen voorzien aan de Julianastraat en in een parkeerkoffer aan de nieuwe intakking. Om te bepalen of het niet voldoen aan de gestelde parkeernormen kan zorgen voor parkeerproblemen in de bestaande buurt, wordt de parkeerdruk binnen loopafstand (100m) van de ontwikkeling berekend. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt tot een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen, waardoor er geen knelpunten in de verkeersafwikkeling ontstaan. De parkeerbehoefte wordt opgelost binnen het plangebied. Dit is opgenomen in de gebruiksregels. Derhalve bestaan er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan vanuit het aspect verkeer en parkeren.

4.7 Bodem 4.7.1 Kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen worden bij voorkeur op schone grond gerealiseerd.

39

4.7.2. Onderzoek In opdracht van Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant heeft Geofoxx in juni en juli 2022, als onafhankelijk adviesbureau, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Julianastraat 76 te Moerdijk. De aanleiding voor het laten uitvoeren van het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen nieuwbouw op de locatie en in samenhang hiermee de aanvraag van een omgevingsvergunning alsmede de voorgenomen transactie (aankoop/verkoop) van de locatie. Het onderzoek heeft tot doel om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) te bepalen en deze te toetsen aan het voorgenomen gebruik en of deze bodemkwaliteit (juridische en/of financiële) consequenties heeft voor de voorgenomen transactie. De aanleiding voor het laten uitvoeren van het PFAS-onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen (graaf)werkzaamheden op de locatie. Bij de geplande werkzaamheden gaat mogelijk grond vrijkomen. Het doel van het onderzoek is om een indicatie te krijgen van het gehalte PFAS in de grond en de bijbehorende hergebruiksmogelijkheden. Conclusie Ter plaatse van de voormalige (westelijke) watergang is geen afwijkend of bodemvreemd dempingsmateriaal waargenomen. De verwachting is dat de watergang is gedempt met gebiedseigen grond. Aanvullend zijn diepe boringen verricht op het westelijke terreingedeelte ter verificatie van de reeds uitgevoerde sanering.

Tijdens het onderzoek zijn geen afwijkende verhardingslagen waargenomen welke kunnen duiden op een verontreiniging. In zowel de boven- al de ondergrond is geen van de geanalyseerde parameters aangetroffen in een gehalte boven de achtergrondwaarde. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie barium geconstateerd. De verhoogde concentratie barium betreft vermoedelijke een van nature verhoogde achterwaarde. De milieuhygiënische bodemkwaliteit heeft geen consequenties voor wat betreft de voorgenomen eigendomsoverdracht. Het terrein(deel) is daarmee vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt voor het voorgenomen gebruik/functie. 6 .2 Advies Geadviseerd wordt alert te blijven bij toekomstige graafwerkzaamheden op het onverwacht aantreffen van verhardingsmateriaal op het westelijke gedeelte van de onderzoekslocatie.

4.8 Externe veiligheid 4.8.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen 40

het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. 4.8.2.

Onderzoek Ten aanzien van Externe Veiligheid, kan er worden verwezen naar de onderzoeksresultaten die voortkomen uit hoofdstuk 4, paragraaf 4.5 (Externe Veiligheid) van bestemmingsplan Kern Moerdijk. Conclusies De locatie is niet gelegen binnen plaatsgebonden risicocontouren van risicovolle bedrijven of transportmodaliteiten. Vanwege het feit dat de locatie wel gelegen is binnen een aantal invloedsgebieden (ATM Moerdijk, Shell Moerdijk, Emplacement Lage Zwaluwe en emplacement Moerdijk, vaarweg over het Hollandsch diep) dient wel het groepsrisico te worden verantwoord. Gezien het feit dat het hier gaat om een kleine ontwikkeling op grote afstand van genoemde risicobronnen, volstaat een standaard-GR verantwoording. Daarnaast is er in Moerdijk veel gevochten. Vooronderzoek is hier nodig om mogelijke explosieve uit te sluiten.

4.9 Kabels en leidingen 4.9.1 Kader Er lopen geen kabels en leidingen door en langs het gebied die voor problemen kunnen zorgen bij de ontwikkeling. Conclusies Er wordt geen hinder verwacht van kabels en leidingen.

4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Kader Bij de vaststelling van bestemmingsplannen moet vanuit het oogpunt van de gezondheid van de mens rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit. Als gevolg van de uitvoering van het bestemmingsplan mogen de grenswaarden voor luchtkwaliteit, die zijn opgenomen in de Wet milieubeheer, niet worden overschreden.

41

4.10.2 Onderzoek Conclusie In dit onderzoek is voor het plan aan de Julianastraat te Moerdijk middels het rekenprogramma Aerius berekend wat de bijdrage is aan stikstofdepositie en is het onderdeel luchtkwaliteit afgewogen. Met dit bestemmingsplan worden 8 woningen mogelijk gemaakt. Uit de berekening blijkt dat er sprake is van een bijdrage aan stikstofdepositie tot 0,00 mol/ha/jaar in de gebruiksfase. Met dit resultaat en met bovenstaande uitgangspunten zijn significante effecten voor de gebruiksfase op voorhand uit te sluiten en is een voor de bestemmingsplanprocedure geen passende beoordeling noodzakelijk. De bouwfase is vrijgesteld van de Wnb-vergunningsplicht in de partiële vrijstelling uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering en is daarom niet onderzocht. Volgens het Besluit NIBM en de bijbehorende Regeling NIBM draagt een woningbouwplan met niet meer dan 1500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Vanuit een goede ruimtelijke ordening zijn de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen in beeld gebracht. Deze voldoen in de nabijheid van het plangebied. Vanuit luchtkwaliteit gelden derhalve geen belemmeringen voor de planvorming.

4.11 Flora en fauna 4.11.1 Kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van soorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN. 4.11.2 Onderzoek Samenvatting Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Moerdijk natuurbescherming uitgevoerd aan de Julianastraat te Moerdijk.

een

quickscan

Wet

De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging heeft tot doel om in te schatten of op de onderzoekslocatie plantenen diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

42

Conclusies Nader onderzoek naar de kerkuil en steenuil is noodzakelijk om aanwezigheid op de onderzoekslocatie en nestlocaties in de directe omgeving van de onderzoekslocatie aan te tonen dan wel uit te sluiten. Voor de algemene broedvogelsoorten en broedvogels behorend tot categorie 5 die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Voor vleermuizen geldt dat er verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes in de omgeving van de onderzoekslocatie aanwezig kunnen zijn. Er wordt geadviseerd om vleermuisvriendelijk licht te gebruiken, zo worden foerageergebieden en verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie niet in hun functie beperkt. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig, de armaturen zijn weggericht van bebouwing en groen in de omgeving en de verlichting is zo min mogelijk diffuus. Ook dient op basis van de quickscan middels aanvullend onderzoek meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie, en gebruik van de onderzoekslocatie door bunzing, wezel en hermelijn.

Door de planontwikkeling kunnen deze potentieel beschermde functies worden beschadigd of weggenomen. Geadviseerd wordt in het geëigende jaargetijde nader onderzoek uit te laten voeren naar het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rustplaats en foerageergebied door deze soorten. Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming geldt dat voor uitvoering van de plannen middels aanvullend onderzoek duidelijkheid dient te worden verkregen over de eventuele functie van de onderzoekslocatie voor de poelkikker noodzakelijk geacht. Dit bestaat uit twee inventarisatierondes tijdens de voortplantingsperiode (mei t/m juni) van de poelkikker (Bij12, 2017). De locatie vormt geschikt leefgebied voor de grote modderkruiper. Op basis van de quickscan dient bij eventuele dempingswerkzaamheden de aan- of afwezigheid van grote modderkruiper op de onderzoekslocatie nader te worden onderzocht. Een methode om aan- of afwezigheid aan te tonen is met eDNA onderzoek. Dit kan jaarrond uitgevoerd worden. Tevens dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën, waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Werkzaamheden aan en dempen van de watergangen hebben mogelijk effect op algemene vissoorten en amfibieën.

Voor deze soortgroepen dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Werken volgens een ecologisch werkprotocol waarborgt deze zorgplicht. Geadviseerd wordt daarom deze op te laten stellen door een ter zake kundig persoon. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Met betrekking tot beschermde gebieden is een effectenonderzoek Natuurnetwerk Brabant noodzakelijk. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten niet aan de orde.

43

4.12 Archeologie 4.12.1 Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (1 juli 2016) bundelt de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 of 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. Het gaat daarbij om de volgende zaken: • • •

Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; Bescherming van stads- en dorpsgezichten.

Uitvoeringskader Erfgoed Moerdijk De gemeente Moerdijk geeft invulling aan haar zorgplicht voor het (gemeentelijk) erfgoed door het Uitvoeringskader erfgoed vast te stellen. Hierin wordt behoud van archeologie en cultuurhistorie geborgd. Met dit uitvoeringskader wil de gemeente Moerdijk meer handvatten geven ten behoeve van de beoordeling van vergunningsaanvragen, maar ook het erfgoed ontsluiten in het toeristisch recreatieve netwerk. Tot slot: cultuurhistorisch en archeologisch erfgoed dragen bij aan een prettige leefomgeving en een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Met andere woorden: de gemeente Moerdijk richt zich op het behoud, in stand houden en ontsluiten van erfgoed. Het gemeentelijk archeologiebeleid is vastgelegd in het Uitvoeringskader Erfgoed - Cultuurhistorie en Archeologie en in de Erfgoedverordening Gemeente Moerdijk 2014. Dit uitvoeringskader bevat de relevante beleidsuitgangspunten voor dit bestemmingsplan. Aan het beleid ligt de archeologische beleidskaart ten grondslag. De kaart is ingedeeld in categorieën waaraan maatregelen c.q. vrijstellingsgrenzen zijn gekoppeld. Het gaat daarbij om de combinatie tussen de toegestane verstoringsdiepte en de oppervlakte van de geplande ontwikkeling. Deze grenzen zijn bepaald op basis van de gemeentelijke archeologiekaart en gemeentelijke belangen.

Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende dieptegrenzen vastgesteld op basis van bodemopbouw van de gemeente; juist door de gemeente specifieke situatie in beeld te brengen kan veel onnodig archeologisch onderzoek voorkomen worden. Uitgangspunt is dat de categorieën met bijbehorende vrijstellingsgrenzen die op de kaarten zijn weergegeven direct vertaald worden naar de verbeelding en regels van nieuwe bestemmingsplannen. In de toelichting bij een bestemmingsplan wordt onder andere het gemeentelijk erfgoedbeleid en de bewoningsgeschiedenis van de locatie (voor zover bekend) tekstueel omschreven. Archeologie wordt via het bestemmingsplan beschermd door middel van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’, cultuurhistorie door middel van de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’. Ook geldt er een wettelijke meldingsplicht volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet (bij de Minister van OC&W) indien er archeologische waarden worden gevonden bij bouw- of andere werkzaamheden (zijnde geen archeologisch onderzoek). Ook dient dit gemeld te worden bij de gemeente. Dan kan alsnog besloten worden dat het werk stilgelegd moet worden om de archeologische waarden te documenteren.

44

4.12.2 Onderzoek Op het gebied zit een Archeologische Waarde 6. Onderzoek is bij ingrepen groter dan 250m2 en dieper dan 50 centimeter noodzakelijk. Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat binnen 5 m -mv, in de top van het Hollandveen en in het Walcheren Laagpakket geen archeologische resten worden verwacht. Voor de dieper gelegen Pleistocene afzettingen in de ondergrond, die buiten het bereik van het veldonderzoek vallen, blijft in principe sprake van een middelhoge archeologische verwachting. Dit potentiële archeologische niveau wordt echter alleen door eventuele heiwerkzaamheden aangetast. De verwachting voor resten uit de Tweede Wereldoorlog blijft naar aanleiding van dit onderzoek onbekend. Econsultancy adviseert om bij de op handen zijnde bestemmingsplanwijziging de bestaande dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’ te handhaven, maar de maximaal toegestane verstoringsdiepte te verruimen van 0,5 m -mv tot 5 m -mv. Verder wordt er geadviseerd het plangebied vrij te geven voor heiwerkzaamheden, mits het oppervlak van de heipalen niet meer dan 2% van het te verstoren oppervlak en de afstand van de palen(rijen) gerekend van rand tot rand minimaal 4 m bedraagt. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven.

Over de aanof afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Moerdijk), die vervolgens het advies overneemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Moerdijk wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de provincie Noord-Brabant of de gemeente Moerdijk.

4.13 Cultuurhistorie 4.13.1 Kader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Noord-Brabant De cultuurhistorische waardenkaart (CHW-kaart) van de provincie Noord-Brabant laat zien welke cultuurhistorische interessante en waardevolle patronen en objecten zich in het plangebied bevinden. Elke tijdsperiode heeft haar weerslag gehad op de vorming van de gebouwde omgeving. Lijnen, punten en vlakken uit het verleden zijn soms nog afleesbaar in het huidige (dorps)landschap. De CHW-kaart brengt deze cultuurhistorische waardevolle patronen en objecten in beeld. Met de Cultuurhistorische Waardenkaart wil de provincie Noord-Brabant een ‘handvat’ bieden voor het inpassen van cultuurhistorische waardevolle elementen binnen de ruimtelijke ordening. Het uitgangspunt is niet het bewaren van ‘monumenten’, maar het inpassen van cultuurhistorisch waardevolle elementen in het landschap.

45

Gemeentelijk beleid Cultuurhistorische Waardenkaart Moerdijk In 2014 is een Cultuurhistorische Waardenkaart voor Moerdijk vastgesteld. De cultuurhistoriekaart is gebaseerd op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Het doel van de cultuurhistoriekaart is het inzichtelijk maken van het aanwezige historisch-geografische erfgoed, het historisch-(steden)bouwkundige erfgoed en het historisch groen in de gemeente Moerdijk. De kaart heeft een belangrijke attentiewaarde en dient als basisdocument voor een nadere waardering van het erfgoed en voor zaken als publiekseducatie. De kaart maakt het mogelijk om te bepalen waar ruimtelijke ontwikkelingen versterkt kunnen worden door cultuurhistorische waarden, of daarvoor juist bedreigend kunnen zijn. Er zijn geen cultuurhistorische waarden in de omgeving, waar rekening mee gehouden moet worden. 4.13.2 Onderzoek De dijk tussen de Appelzak en de Julianastraat is een waterkerende dijk en oude structuur. Verder onderzoek is niet nodig.

4.14 Duurzaamheid 4.14.1 Kader Duurzaam bouwen Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu zodat kan worden voorzien in de behoefte van de huidige generatie zonder dat voor toekomstige generaties de mogelijkheid wordt ontnomen om ook in hun behoeften te kunnen voorzien. Duurzaam bouwen is daarmee onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Nationaal Klimaatbeleid De overheid neemt maatregelen om Nederland te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Daarnaast kan verdere opwarming van de aarde beperkt worden door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Hiervoor zijn nationale en internationale doelen afgesproken. De Rijksoverheid heeft met allerlei partijen afspraken gemaakt over hoe Nederland deze doelen gaat behalen. Belangrijke internationale afspraken zijn het Kyoto-Protocol (1997) en de VN-Klimaattop in Parijs (COP21). Om deze doelstellingen te realiseren, is landelijk klimaatbeleid geformuleerd. In het Kyoto- protocol staat dat de emissiereducties van land tot land verschillen en onder elkaar verhandeld kunnenworden. Doel van het VN-akkoord is het beperken van de opwarming van de aarde tot ruim onder 2 graden Celsius, met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius.

Om dit doel te halen hebben EU-lidstaten met elkaar afgesproken dat de EU in 2030 minimaal 40% minder moet uitstoten. Nederland werkt nu dus nationaal aan 49% minder uitstoot. Nederland wil, als andere landen meedoen, de Europese doelstelling verhogen. De Nederlandse overheid wil de helft van de nodige emissiereductie behalen met binnenlandse maatregelen en de andere helft uit het buitenland met behulp van de flexibele instrumenten uit het Kyoto-protocol.

46

Klimaatakkoord en Klimaatplan 2021-2030

Het Klimaatakkoord is een onderdeel van het Nederlandse klimaatbeleid. Het is een overeenkomst tussen veel organisaties en bedrijven in Nederland om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan. Daarmee wordt de opwarming van de aarde beperkt. Het Klimaatplan bevat de hoofdlijnen van het klimaatbeleid voor de komende 10 jaar. Ook gaat het in op de laatste wetenschappelijke inzichten over klimaatverandering, technologische ontwikkelingen, internationale beleidsontwikkelingen en de economische gevolgen. Energiezuinig bouwen De energiezuinigheid van woningen en utiliteitsgebouwen wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Het Bouwbesluit stelt bepaalde eisen aan de energiezuinigheid van gebouwen en daarmee de EPC-waarde van een gebouw. Voor een woning geldt een eis van 0,4 terwijl voor utiliteitsbouw een variatie aan normen wordt gehanteerd op basis van de functie. De EPC-eisen zijn in 2020 vervangen door de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). Het grote verschil tussen EPC en BENG is dat bij deze nieuwe eis het nog mogelijk was om energieverliezen met bijvoorbeeld zonnepanelen te compenseren, kan dit met de nieuwe BENG eisen niet meer. Alle vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2020 moeten voldoen aan deze BENG-norm.

in de Paraplunota Leefomgeving vastgelegd altijd 10% bovenop het Bouwbesluit te leggen, dus de EPC moet 10% beter dan conform BENG/Bouwbesluit. Middels het Convenant Duurzaam Bouwen is tevens de intentie vastgelegd om woningen duurzamer te bouwen dan in het Bouwbesluit is bepaald. Het is aan de initiatiefnemer om in de verdere uitwerking van het woningbouwplan zoveel mogelijk aan te sluiten bij dit Convenant Duurzaam Bouwen, waarbij de woningen zoveel mogelijk voorzien in de eigen (of collectieve) energiebehoefte. In dit bestemmingsplan zijn hiervoor geen regels opgenomen. Belasting elektriciteitsnet In Zuid-Nederland is sprake van transportschaarste op het elektriciteitsnet. Ten tijde van het opstellen van dit plan kunnen grootverbruikers al géén nieuwe aansluiting meer krijgen op het elektriciteitsnet, omdat dit niet voldoende capaciteit heeft om in de snel toenemende elektrificatie van o.a. bedrijfsprocessen, mobiliteit en gebouwverwarming te kunnen voorzien. Hoewel kleinverbruikers zoals woningen nog wél aangesloten kunnen worden, is het ook bij ontwikkeling daarvan zaak om de netbelasting te minimaliseren.

Bijvoorbeeld door toepassing van gebouwverwarming met een minimaal verbruik van elektriciteit (bijvoorbeeld door toepassing van een collectieve thermische seizoensopslag) en het streven naar gelijktijdigheid in opwek en verbruik van elektriciteit (en waar dat niet lukt buffering van eigen opwek voor uitgesteld gebruik). Duurzame ontwikkeling onder de Omgevingswet De Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking treedt, verankert het principe dat als er ontwikkelingen plaatsvinden, deze ontwikkelingen duurzaam moeten zijn. Bestuursorganen van een gemeente, provincie, het Rijk of een Waterschap moeten hun taken en bevoegdheden op grond van deze wet uitoefenen met oog op de belangrijke doelen van deze wet, waaronder duurzame ontwikkeling. Voor burgers en bedrijven geldt een zorgplicht voor een goede leefomgeving. Gemeenten hebben de taak om in een omgevingsvisie integraal en strategisch te kijken naar duurzaamheid over het gehele grondgebied. Daarbij spelen omgevingswaarden een belangrijke rol. Hierin is op onderdelen afwegings-/afwijkingsruimte mogelijk voor lokaal bestuur. Dit zorgt ervoor dat een integrale afweging mogelijk blijft, maar dat er ook plaats is 47

voor innovatie. De keuzes worden naast elkaar gelegd en afgewogen, waarna ze worden neergelegd in het burgers bindende omgevingsplan of een projectbesluit. Zo kunnen er in een omgevingsplan maatwerkregels opgenomen worden met betrekking tot energieprestatie en milieuprestatie bij nieuwbouw van gebouwen, waarbij strengere grenswaarden worden opgenomen dan de landelijk geformuleerde normen. Energieprogramma Moerdijk 0.9 De gemeente Moerdijk legt in het Energieprogramma haar visie en ambities vast voor de energietransitie. Het pad naar een CO2-neutrale toekomst in moerdijk wordt geschetst. Hierin worden vijf sectoren onderscheiden, die ook in het Klimaatakkoord staan: Elektriciteit, Gebouwde omgeving, Industrie, Landbouw en landgebruik en Mobiliteit. Elke sector heeft immers eigen doelen. Het Energieprogramma is bewust geen eindproduct, maar is flexibel en zal daarom regelmatig herijkt worden. Het streven is ook niet om als gemeente energieneutraal te worden. Vanwege het grote Haven- en industrieterrein Moerdijk is dit niet haalbaar. Hoe dan ook zet de gemeente zich in voor maximaal haalbare energiebesparing, zodat lokale duurzame energieproductie zo min mogelijk ruimte in beslag neemt. Onnodig energieverbruik kennen we in 2050 niet meer. Er wordt ingezet op een haalbare en betaalbare energietransitie, lokaal draagvlak en initiatief, bewezen technologie en ruimte voor innovatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=d9e89c6e-067a-474d-afde-32f418056061