Bijlage 3 toelichting
Tekst van het document
De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename e afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'. Toetsing Het plan is inhoudelijk getoetst aan de verschillende 'waterthema's'. Toetsing aan deze thema's levert de watertoets op.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
29
Bestaande situatie Het voorliggende plangebied is in de bestaande situatie geheel onverhard en ingericht als grasland. Het plangebied heeft in de huidige situatie een groen functie, die in de toekomstige situatie ingewisseld wordt voor een woonfunctie. Aan de westkant wordt het plangebied begrenst door een klein waterlichaam. De overige grenzen worden globaal gevormd door de omliggende woonwijk. In het plangebied is ondanks de afwezigheid van bebouwing, wel een rioolleiding aanwezig. Deze loopt van zuid naar noord, dwars door het plangebied en is weergegeven in figuur 4.2.
Figuur 4.2 - Aanwezige riolering (Gemeente Moerdijk, 2021) Toekomstige situatie Bij de voorbereiding van bestemmingsplannen wordt gestreefd naar een duurzame en integrale benadering van de totale waterhuishouding binnen een plangebied en een milieutechnische verantwoorde keuze van het rioleringsstelsel. De meest duurzame waterhuishoudkundige situatie in het stedelijke watersysteem is een situatie waarbij: • Het oppervlaktewater door het stedelijke gebied kwalitatief noch kwantitatief wordt beïnvloed. • Het grondwater door het stedelijke gebied kwalitatief noch kwantitatief wordt beïnvloed. • Het benodigde ruimtebeslag voor een goed functionerende oppervlaktewatersysteem wordt gerespecteerd. Tegenwoordig geldt het uitgangspunt dat plannen hydrologisch neutraal worden uitgevoerd bij een toename van het verhard oppervlak en het gescheiden afvoeren van het hemelwater. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
30
De waterbeheerder Waterschap Brabantse Delta heeft diverse uitgangspunten opgesteld voor het omgaan met de afvoer van hemelwater bij ruimtelijke ontwikkelingen. De algemene voorkeur van de waterbeheerder om met water om te gaan, is de voorkeursvolgorde 'vasthouden', 'bergen' en 'afvoeren'. Vasthouden wil zeggen, zoveel mogelijk water binnen het gebied houden door zoveel mogelijk onverhard oppervlak te hebben of door bijvoorbeeld platte daken te gebruiken. Bergen wil zeggen, water tijdelijk op het terrein houden, bijvoorbeeld door infiltratie in de bodem of oppervlaktewater. Afvoeren is de laatste optie; dit kan naar oppervlaktewater of (hemelwater)riolering. Toename verhard oppervlak Met het oog op de voorliggende ontwikkeling is beoordeeld hoeveel het verhard afvoerende oppervlak zal toenemen. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de bouw van maximaal 25 nieuwe woningen op een onverhard perceel. Met de ontwikkeling van de nieuwe woningen zal het verhard oppervlak, bestaande uit het uitgeefbaar gebied, wegen en parkeren en voetpaden, toenemen met circa 8.000 m2.
Aangezien er geen sprake is van een toename van meer dan 10.000m2 aan verhard oppervlak, moet er binnen het plangebied worden voorzien in compensatie door middel van de onderstaande rekenregel: Benodigde compensatie (in m3 ) = Toename verhard oppervlak (in m2 ) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) Voor de locatie die is gelegen in bebouwd gebied geldt een gevoeligheidsfactor van 1. Voor de te realiseren verhardingen geldt de volgende compensatie: 8.000 * 1 * 0,06 = 480 m3 aan compensatiemaatregelen. Bij de inrichting van de openbare ruimte zal worden gezocht naar mogelijkheden voor de compensatie van het water ter plaatse. Binnen het plangebied zijn hiervoor verschillende mogelijkheden, zoals het aanleggen van een wadi of retentievijver of het aanbrengen van waterbergingsvoorzieningen onder de nieuwe verharding in het plangebied. Riolering De woningen zullen worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor dit plan.
4.8
Bodem
Beleid en normstelling Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Het Bouwstoffenbesluit en het Besluit Bodemkwaliteit stellen verder regels hoe om te gaan met vrijkomende grond- en materiaalstromen en hoe deze toe te passen. Toetsing Bij de geplande werkzaamheden in het plangebied is sprake van een transformatie naar een bodemgevoeliger gebruik en/of is de bebouwde oppervlakte groter dan 50 m2. Hierdoor is onderzoek naar de bodemkwaliteit noodzakelijk. Dit onderzoek is te vinden in Bijlage 6.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
31
Uit het bodemonderzoek blijkt dat de grond en/of het grondwater ter plaatse van het plangebied ten hoogste licht/matig verontreinigd is. Uit het onderzoek blijkt dat twee locaties verdacht zijn op asbest, waarvan een locatie is gelegen buiten het gebied dat is aangewezen voor woningbouw. Voor de andere locatie is nader onderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat voor deellocatie A geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Voor deellocatie B is gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen In het nader onderzoek is gebleken dat op basis van analyseresultaten en de zintuiglijke waarnemingen de sterke zink-verontreiniging in de grond als afgeperkt beschouwd wordt. De sterke zink verontreiniging in de grond bevindt zich in de kern van de verontreiniging vanaf het maaiveld tot maximaal circa 0,5 m -mv. Op basis van het volume van de sterke verontreiniging (meer dan 25 m³ sterk verontreinigde grond) wordt gesteld dat hier in het kader van de Wet Bodembescherming een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft.
Econsultancy adviseert de aangetroffen sterk met zink verontreinigde grond, te saneren middels een BUS-melding. Het volledig nader onderzoek is bijgevoegd in bijlage 7. De Busmelding is bijgevoegd in bijlage 8. Hiermee blijkt de bodem geschikt te zijn voor het beoogde gebruik. Om die reden kan worden geconcludeerd dat vanuit de bodemkwaliteit geen belemmeringen zijn te verwachten. Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.9
Archeologie
Beleid en normstelling In Europees verband was het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag was het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Sindsdien geldt dat waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd (Monumentenwet) en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz was een wijzigingswet en omvatte een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moesten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.
Archeologiebeleid Moerdijk Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
32
De gemeente beschikt over een vastgestelde archeologische beleidsnota. Een belangrijk onderdeel hiervan vormt de gemeentelijke archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. De gemeentelijke beleidskaart is gebaseerd op gedetailleerde kennis van de lokale landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en het bodemarchief. Deze kennis komt tot uiting in vijf periode-specifieke archeologische verwachtingskaarten die tonen op welke locaties archeologische resten uit bepaalde perioden kunnen worden verwacht. Op de beleidskaart worden de verschillende verwachtingen vertaald naar verwachtingszones en gekoppeld aan concrete vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden, worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. Door middel van het hanteren van verschillende vrijstellingsgrenzen wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten. Het archeologisch kaartbeeld is echter niet statisch. In de loop der tijd zal de kennis over het bodemarchief toenemen. De vrijstellingszones in het onderhavige bestemmingsplan zijn dan ook geen exacte weergave van de vastgestelde beleidskaart.
Toetsing De archeologische beleidskaart van de gemeente is een archeologisch verwachtingsmodel, waaraan grenzen zijn gekoppeld tot waar voorgenomen bodemingrepen worden vrijgesteld van de verplichting tot archeologisch onderzoek. Omdat er sprake is van een gedifferentieerde archeologische verwachting, is er ook sprake van gedifferentieerde vrijstellingszones. Volgens de archeologische beleidskaart geldt voor het plangebied een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische resten. Er is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 9 Uit het verkennend archeologisch onderzoek kan worden geconcludeerd in het plangebied archeologische waarden uit de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum kunnen worden verwacht. Deze resten bevinden zich in de top van het dekzand, in de podzolbodem, op een diepte tussen -0,95 en -1,6 m NAP (125 en 190 cm mv). Dit niveau zal niet door graafwerkzaamheden worden aangetast, maar wel door heiwerkzaamheden. Het archeologisch onderzoek adviseert de verstoringsdiepte te beperken van 200 cm naar 100 cm. Deze regeling past het beste bij de huidige dubbelwaarde bestemming archeologie-6. Echter aangezien de verstoringsdiepte afwijkt van de algemene dubbelwaarde bestemming archeologie-6 hebben we in de regels opgenomen dat het “dubbelwaarde-6a variant” betreft.
Op deze manier is het duidelijk dat het een afwijking van het algemene archeologiebeleid betreft Conclusie In het bestemmingsplan is een nieuwe archeologische dubbelbestemming opgenomen. Daarbij is opgenomen dat bodemroerende werkzaamheden met een oppervlak van meer dan 250 m2 en dieper dan 100 cm uitsluitend zijn toegestaan na uitvoering van nader archeologisch onderzoek of na afstemming van een bouwplan dat op archeologievriendelijk wijze is vormgegeven middels een behoudsmaatregelenplan waarbij gebruik is gemaakt van de richtlijnen uit de Handreiking archeologievriendelijk bouwen van de RCE.
4.10
Cultuurhistorie
Beleid en normstelling Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
33
Onderzoek In het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen aanwezig. In de omgeving van het plangebied daarentegen zijn wel enkele cultuurhistorisch waardevolle gebouwen aanwezig, waaronder de Hoofdstraat 28, Hoofdstraat 45 en Hoofdstraat 67 (figuur 4.3). De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op deze objecten.
Figuur 4.3 - Aanwezige cultuurhistorisch waardevolle verbouwing (CHW, 2021) Conclusie Het geplande ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve invloed op eventuele cultuurhistorische waarden. Het aspect 'cultuurhistorie' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.11
Luchtkwaliteit
Beleid en normstelling Wet Milieubeheer In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2-jaargemiddelde) en fijn stof (PM10-jaar- en daggemiddelde) van belang. Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. NIBM In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10)
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
34
Toetsing In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2017 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de A16 Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. De ontwikkeling leidt tot meer verkeer, als gevolg van de extra woningen. Het project is wat aard en omvang en ruimtelijke effecten betreft, vergelijkbaar met een project dat "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Uitgaande van de achtergrondconcentraties binnen de gemeente Moerdijk voldoet de luchtkwaliteit ook na realisatie van het planvoornemen aan de normen ten aanzien van luchtkwaliteit. Conclusie De ontwikkeling voldoet aan de eisen voor luchtkwaliteit.
4.12
Externe veiligheid
Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Ten aanzien van deze aspecten moeten de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicorelevante inrichtingen Relevant is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten.
Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een ruimtelijke onderbouwing of bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden en daarmee het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, water en de weg vindt vanaf deze datum plaats aan de hand van de Wet Basisnet. Hierin zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Vanaf het moment dat het Bevt in werking is getreden moet voor sommige transportassen rekening worden gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG).
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
35
Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Voor bijvoorbeeld een Rijksweg wordt de 30 meter voor het PAG gemeten vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook. In het Bouwbesluit is beschreven aan welke voorwaarden het bouwen binnen een PAG moet voldoen. Indien binnen het invloedsgebied van een transportas nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien en er een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of een significante stijging van het groepsrisico optreedt, dient bij de vaststelling van het ruimtelijke besluit, het groepsrisico te worden verantwoord. Volgens het Bevt gelden geen beperkingen voor het ruimtegebruik voor het gebied dat verder ligt dan 200 m van de transportas. Ten aanzien van de verantwoording dient niet alleen het invloedsgebied van de maatgevende vervoersklasse (GF3: brandbaar gas) voor het groepsrisico te worden beschouwd, maar ook de effectafstand die wordt gegenereerd door overige stoffen die over het wegvak worden vervoerd. Zodoende kan het invloedsgebied verder reiken dan 200 meter. Indien dat het geval is en het invloedsgebied reikt tot over het plangebied, moeten wel maatregelen worden overwogen bijvoorbeeld in het kader van zelfredzaamheid.
Buisleidingen Relevant is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Er is een onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheid van het plangebied. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 10. Woningen zijn kwetsbare objecten. Om die reden is beschouwd welke risicobronnen in de omgeving aanwezig zijn. Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6 contour of plasbrandaandachtsgebied. Daarnaast is het plangebied ook niet gelegen binnen een basisnetafstand. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van drie Bevi-inrichtingen en twee transportroutes. Voor elke risicobron is de waarde van het groepsrisico beschouwd of berekend. Voor de drie inrichtingen neemt het groepsrisico niet significant toe. De afstand tot de drie inrichtingen is daarvoor te groot. Voor het spoortraject Zevenbergschenhoek – Breda zal het groepsrisico zeer minimaal toenemen van 0,004 x OW naar 0,005 x OW. Het groepsrisico t.a.v.
de Rijksweg A16 zal eveneens niet significant toenemen omdat deze weg gelegen is op meer dan 200 meter afstand. Gelet op de omgevingskenmerken of de waardes van het groepsrisico kan voor de verantwoording gebruik gemaakt worden van de standaard verantwoording. Bij de uitwerking van het plan dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid van hulpdiensten, met voldoende bluswatervoorziening, met risicocommunicatie etc., zoals beschreven in het standaard advies van de Veiligheidsregio.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
36
Hoofdstuk 5 5.1
Bestemmingsregeling
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het hiervoor beschreven ruimtelijk kader juridisch is vertaald. Ingegaan wordt op de juridische opzet van het bestemmingsplan (de verbeelding en de regels). Voorliggend plan is gericht op het invullen van het plangebied met woningen. Er worden maximaal 25 woningen mogelijk gemaakt op het momenteel braakliggende terrein aan de Sporenbergstraat.
5.2
Verbeelding
Welke bestemming de gronden binnen het plangebied hebben, is te zien op de verbeelding. Er is een digitale verbeelding en een analoge verbeelding. Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid (bijvoorbeeld topografische gegevens).
5.3
Regels
De regels gaan over het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of nog op te richten bouwwerken. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de SVBP 2012 De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels, met daarin begripsbepalingen die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de regels in de overige hoofdstukken en de wijze van meten; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels, met daarin per bestemming onder meer een bestemmingsomschrijving, bouwregels en afwijkingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels, met daarin algemene regels en bouw-, afwijkings- en wijzigingsregels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, met daarin het overgangsrecht en de slotregel. 5.3.1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen, welke van belang zijn voor een juiste toepassing van de regels. In artikel 1 worden begripsbepalingen gegeven met daarin een nadere uitleg van een aantal in de regels gehanteerde begrippen. Hierdoor wordt de eenduidigheid en daarmee de rechtszekerheid vergroot. Artikel 2 bevat regels die aangeven op welke wijze bepaalde zaken, zoals grondoppervlakte en inhoud van gebouwen dienen te worden bepaald.
5.3.2 Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bevat artikelen waarin regels zijn opgenomen betreffende de op de verbeelding voorkomende bestemmingen en de op de verbeelding aangegeven aanduidingen met betrekking tot de toegestane (hoofd)bebouwing. Bij de opbouw van deze regels is, voor zover voorkomend binnen de verschillende bestemmingen, de indeling overeenkomstig de SVBP 2012 aangehouden: Bestemmingsomschrijving In dit onderdeel wordt de materiële inhoud van de bestemming aangegeven: de functies die binnen de bestemming “bij recht” zijn toegestaan. De bestemmingsomschrijving vormt de eerste “toetssteen” voor bouwactiviteiten en/of gebruiksvormen. Beide zijn slechts toegestaan, voor zover zij zullen plaatsvinden binnen de opgenomen omschrijving. Bouwregels Dit onderdeel geeft aan welke bouwwerken mogen worden opgericht. Voorop staat dat slechts mag worden gebouwd ten behoeve van de voor de bestemming aangegeven bestemmingsomschrijving. De in dit bestemmingsplan opgenomen bestemmingen worden hieronder achtereenvolgens toegelicht. Groen De groenzone tussen het spoor en de nieuwe woningen is bestemd als Groen. Binnen deze bestemming zijn groenvoorzieningen, alsmede speelvoorzieningen en water toegestaan.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
37
Woongebied Alle woningen zijn binnen deze bestemming opgenomen. Binnen de bestemming Wonen zijn ten hoogste 25 woningen toegestaan. Voor de bebouwing wordt uitgegaan van een situering binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte. Voor het perceelgedeelte buiten het bouwvlak worden mogelijkheden geboden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken. Ook alle overkappingen (zowel gebouwen als bouwwerk geen gebouw zijnde) worden geregeld onder artikel 5.2.2 en dus niet onder artikel 5.2.3. De regels voor overkappingen zijn hiermee gelijk aan de regels voor bijgebouwen. Verkeer - Verblijfsgebied Deze bestemming is opgenomen voor alle wegen binnen het plangebied, zowel de wegen met een belangrijke stroomfunctie als wegen bestemd voor bestemmingsverkeer. Ook verkeersgebieden waarbinnen de verblijfsfunctie primair staat (parkeerterreinen, pleinen) vallen binnen deze bestemming. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de verkeersbestemming te kunnen wijzigen in de bestemming ‘Wonen' of 'Tuin’, waardoor het mogelijk is perceelgedeelten bij woningen te kunnen vergroten. Waarde - Archeologie 6a Deze bestemming is opgenomen voor het beschermen van de archeologische waarden in het plangebied. De bestemming geldt voor het gehele plangebied.
De bestemming regelt dat bodemroerende werkzaamheden met een oppervlak van meer dan 250 m2 en dieper dan 100 cm uitsluitend zijn toegestaan na uitvoering van nader archeologisch onderzoek.
5.4
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel is erop gericht om grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing te laten. Algemene bouwregels Het onderhavige artikel dient te voorkomen dat situaties ontstaan, welke niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van het plan. Daarnaast beoogt dit artikel te voorkomen dat bouwwerken die groter of juist kleiner zijn dan in de bouwregels bij de diverse bestemmingen is toegestaan of voorgeschreven, onder het overgangsrecht komen te vervallen. Voor deze bouwwerken gelden de bestaande grotere dan wel kleinere afmetingen als maximaal respectievelijk minimaal toegestaan. Algemene aanduidingsregels Het plangebied valt gedeeltelijk binnen het radarverstoringsgebied en de zogenaamde IHCS-zone van de vliegbasis Woensdrecht. Binnen deze zones geldt een beperking van de bouwhoogte. Algemene afwijkingsregels Deze afwijkingsmogelijkheden hebben tot doel flexibiliteit in het plan in te bouwen. Het afwijken van de bebouwingsregels, ten behoeve van bijvoorbeeld het oprichten van nutsvoorzieningen en het in beperkte mate afwijken van de voorgeschreven maatvoeringen, kan in veel gevallen plaatsvinden zonder dat hierdoor het belang van een goede ruimtelijke ordening wordt geschaad.
Voor dit soort gevallen is derhalve in het plan een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Algemene wijzigingsregels In dit artikel zijn voor burgemeester en wethouders enkele mogelijkheden gecreëerd om, via een voorgeschreven procedure, in iets ruimere mate dan bij de “algemene afwijkingsregels” af te wijken van de regels. Het gaat dan echt om een wijziging van het bestemmingsplan. De wijzigingsbevoegdheden dragen bij aan een meer flexibel plan.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
38
Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn regels opgenomen betreffende de plicht om voldoende parkeerplaatsen en laad- en losmogelijkheden te realiseren. Er moet in basis voldaan worden aan de 'Nota Parkeernormen 2021', waarbij de parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen hiervan af te wijken. Er kan worden afgeweken indien door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren wordt gestuit. Eveneens worden afgeweken van de parkeereis als de nodige parkeer- of stallingsruimte op een andere manier wordt voorzien of indien wanneer herziening van het parkeerbeleid hiertoe aanleiding geeft.
5.5
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht De overgangsregels voor bouwen hebben ten doel de rechtstoestand te begeleiden van bouwwerken welke op het tijdstip van het in werking treden van het bestemmingsplan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden en welke afwijken van de bouwregels van het plan. Overgangsregels voor gebruik betreft het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan (rechtens) afwijkt van de in het onderhavige plan gegeven bestemming. De overgangsregels voor bouwen hebben ten doel de rechtstoestand te begeleiden van bouwwerken welke op het tijdstip van het in werking treden van het bestemmingsplan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden en welke afwijken van de bouwregels van het plan. Overgangsregels voor gebruik betreft het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan (rechtens) afwijkt van de in het onderhavige plan gegeven bestemming. Slotregel Dit artikel ten slotte, geeft aan onder welke naam de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald (citeertitel).
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
39
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
40
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. Algemeen Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de (gemeentelijke) overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor daadwerkelijke controle en handhaving ligt bij de gemeente. De grondslag voor een goed werkend handhavingsbeleid wordt gevormd door een grondige inventarisatie van de feitelijke situatie (grondgebruik en bebouwing) van het plangebied tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan en een deugdelijk mutatiesysteem bij uitvoering van het bestemmingsplan. Onderdeel van dit mutatiesysteem is een goede registratie van verleende vergunningen. Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de feitelijke situatie. Daarnaast vindt registratie plaats van verleende vergunningen. Handhaving kan plaatsvinden via publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg. Dit laatste is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. In het ruimtelijk bestuursrecht is de gemeente op grond van de Gemeentewet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ten aanzien van ontwikkelingen die strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. Deze vormen van handhaving vallen onder de zogenoemde repressieve handhaving.
Hiermee wordt gedoeld op de middelen en/of het instrumentarium waarmee de gemeente naleving kan afdwingen, dan wel tegen normafwijkend gedrag correctief kan optreden. Daarnaast wordt de preventieve handhaving onderscheiden. Deze komt voornamelijk tot uitdrukking in het toezicht op het gebruik van gronden en gebouwen. Preventieve handhaving geschiedt over het algemeen door informele middelen waaronder bijvoorbeeld informeel contact tussen de met handhaving belaste personen en de grondgebruikers. Hoewel het effect van dergelijke middelen niet goed meetbaar is, wordt aan deze middelen toch een zekere betekenis toegekend. Daarnaast zijn in het bestemmingsplan instrumenten van toezicht opgenomen. Genoemd worden de afwijkingsbevoegdheden, wijzigingsbevoegdheden, de bevoegdheid nadere eisen te stellen en de mogelijkheid om omgevingsvergunningen ten behoeve van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden te verlenen. Deze instrumenten maken een toetsing mogelijk, voordat met de beoogde activiteit (bouwen, gebruiken, het verrichten van werken en/of werkzaamheden) een aanvang wordt gemaakt. De te nemen besluiten op basis van de genoemde bevoegdheden dienen te berusten op een deugdelijke motivering. Inspraak en vooroverleg In het kader van de inspraak en het vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd.
Tijdens deze periode van terinzagelegging is een ieder in de gelegenheid gesteld op het plan te reageren. Er zijn inspraakreacties binnengekomen van de Provincie Noord-Brabant, Waterschap Brabantse Delta, Evides en de Brandweer. De inspraakreacties hebben niet geleidt tot aanpassing van het bestemmingsplan. In bijlage 12 is de nota van inspraak en overleg opgenomen. Informatieverstrekking De geplande ontwikkeling is gedeeld met de verschillende stakeholders door middel van een bewonersavond op 11 januari 2022. Hierbij is de ontwikkeling toegelicht aan verschillende stakeholders en zijn vragen beantwoord.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
41
Zienswijze In de volgende fase wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven. Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Grondexploitatie In de Wet ruimtelijke ordening is een afdeling omtrent de grondexploitatie opgenomen. Deze afdeling regelt verplicht kostenverhaal door de gemeente. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Van een exploitatieplan kan worden afgezien door in het kostenverhaal anderszins te voorzien (overeenkomst met alle grondeigenaren in het plangebied of volledig grondeigendom). De gemeente is in eigendom van de grond, de gemeente is dan ook niet genoodzaakt op basis van 6.12 Wro een exploitatieplan vast te stellen. Eventuele kosten worden via de grondprijs verhaald op de toekomstige ontwikkelaar. Conclusie In de grondexploitatie is de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan afdoende gewaarborgd. Er hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
42