Bijlage 3 toelichting
Tekst van het document
Sporenbergstraat ontwerp
Colofon Opdrachtgever
Opdrachtnemer
identificatie
planstatus
identificatiecode:
datum:
status:
NL.IMRO.1709.ZHBPSporenberg-BP 30
03-03-2020 23-11-2021 31-03-2022
concept voorontwerp ontwerp vastgesteld
Copyright © 2022 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Inleiding Aanleiding Ligging plangebied Vigerende bestemmingsplannen Planvorm Leeswijzer
7 7 7 8 9 9
Hoofdstuk 2 2.1 2.2
Projectbeschrijving Huidige situatie Stedenbouwkundige visie
11 11 11
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4
Ruimtelijk beleidskader Inleiding Rijksbeleid Provinciaal en regionaal beleid Gemeentelijk beleid
13 13 13 14 15
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12
Omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Geluid Trillingshinder Verkeer en parkeren Bedrijven en milieuzonering Ecologie Water Bodem Archeologie Cultuurhistorie Luchtkwaliteit Externe veiligheid
21 21 21 22 23 25 26 27 31 32 33 34 35
Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Bestemmingsregeling Inleiding Verbeelding Regels Algemene regels Overgangs- en slotregels
37 37 37 37 38 39
Hoofdstuk 6 6.1 6.2
Uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid
41 41 42
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
3
Toelichting
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Op het perceel gelegen aan de Sporenbergstraat te Zevenbergschen Hoek bevindt zich een braakliggend grasveld. De gemeente Moerdijk is voornemens hier woningen te realiseren. In het vigerend bestemmingsplan 'Kern Zevenbergschen Hoek' dat vastgesteld is in 2011 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de realisatie van ten minste 10 tot maximaal 25 woningen. Om gebruik te kunnen maken van deze wijzigingsbevoegdheid dient voldaan te worden aan een set gestelde regels. De beoogde ontwikkeling voldoet niet aan de destijds gestelde afstand tussen de woningen en het bergbezinkbassin. Om deze reden kan geen gebruik worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid, maar dient een reguliere bestemmingsplanwijziging te worden doorlopen. Om deze reden is het onderhavig bestemmingsplan opgesteld.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied betreft de percelen Gemeente Moerdijk, Sectie D, nummer 2230, 2225 en 2224. Het plangebied omvat het braakliggende gebied aan de Sporenbergstraat te Zevenbergsche hoek en is gelegen in het noordelijke deel van de kern, ten oosten van de hogesnelheidslijn. De grenzen van het plangebied worden gevormd door de omliggende woningen, de watergang en de Sporenbergstraat. De situering van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1 Ligging plangebied (bron: Kadaster)
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
7
1.3
Vigerende bestemmingsplannen
Het plangebied is momenteel juridisch-planologisch geregeld in de volgende bestemmingsplannen en inpassingsplan:
Veegplan kernen 2017, vastgesteld op 28 september 2018 Kern Zevenbergschen hoek, vastgesteld op 3 november 2011 Windenergie A16 inpassingsplan, vastgesteld 11-09-2020
Op basis van het bestemmingsplan Kern Zevenbergschenhoek bestaan de volgende enkel-, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen in het plangebied: Enkelbestemmingen 1. Groen Gebiedsaanduidingen 1. wro - zone - wijzigingsgebied 2. Overige zone - windturbines uitgesloten Op basis van het Veegplan Kernen is de Archeologische dubbelbestemming toegekend aan de locatie. Een uitsnede van het geldende bestemmingsplan is weergegeven in figuur 1.2
Figuur 1.2. Uitsnede vigerend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl) In het vigerende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van de wijziging van de bestemming Groen ten behoeve van wonen. In de wijzigingsbevoegdheid zijn regels opgenomen waar aan de ontwikkeling dient te worden getoetst. In de wijzigingsvoorwaarden worden onder meer regels gesteld ten aanzien van de afstand tot het bergbezinkbassin dat is gelegen in de noordwesthoek van het plangebied. De afstand tot de beoogde woningen bedraagt minder dan 50 m, hierdoor voldoet het planvoornemen niet aan de wijzigingsvoorwaarden. In hoofdstuk 4.5 bedrijven en milieuzonering wordt toegelicht waarom met een kortere afstand het eveneens mogelijk is om een goed woon- en leefklimaat te garanderen, daarom wordt voor de ontwikkeling een bestemmingsplan opgesteld.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
8
1.4
Planvorm
Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader waarbinnen in dit plangebied maximaal 25 extra woningen mogelijk worden gemaakt. Omdat het wenselijk is om in de uitvoering nog voldoende flexibiliteit te hebben is gekozen voor een globaal eindplan met een bestemming waarbinnen de woningen kunnen worden gerealiseerd, maar niet elke woning strikt is vastgelegd.
1.5
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het initiatief nader beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 schetst het relevante beleidskader voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten behandeld, waaraan de nieuwe ontwikkeling wordt getoetst. Hoofdstuk 5 beschrijft de bestemmingsregeling, dit omvat juridische opzet van het bestemmingsplan (de verbeelding en de regels). Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan beschreven.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
9
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
10
Hoofdstuk 2 2.1
Projectbeschrijving
Huidige situatie
Aan de Sporenbergstraat in Zevenbergsche Hoek is een grasveld gelegen dat is omringd door struweel en bomen. Vroeger waren hier opstallen gevestigd, deze zijn reeds gesloopt. Het plangebied was tevens het voormalig voetbalveld van DHV. Momenteel bevindt zich op het terrein een klein basketbalveld en recreatief voetbalveldje.
1` Figuur 3.1 Huidige situatie
2.2
Stedenbouwkundige visie
De gemeente Moerdijk is voornemens om woningbouw mogelijk te maken in het plangebied. De gemeente heeft hiervoor onderstaande stedenbouwkundige schets opgesteld. Het plangebied is gericht op het mogelijk maken van maximaal 25 woningen. Het betreffen hierbij uitsluitend grondgebonden woningen. De woningen mogen daarbij zowel aaneengebouwd, geschakeld, als twee-onder-eenkap of vrijstaand worden gebouwd. De ontsluiting van de woningen zal plaatsvinden door middel van een nieuwe woonstraat. Deze woonstraat ligt in het verlengde van de Frisostraat en sluit in het noorden aan op een zijpad van de Hoofdstraat. In het kader van de herontwikkeling van het perceel zal dit pad geschikt gemaakt worden voor ontsluiting voor autoverkeer.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
11
Ten aanzien van de bouwmassa geldt dat de woningen een maximale bouwhoogte hebben van 11 meter. De woningen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd en hebben enkel een beperking van de maximale diepte door de afmeting van het bouwvlak. Voor aaneengebouwde woningen is de maximale bouwdiepte verder beperkt, namelijk tot 12 meter. Zowel voor de privacy van de bestaande woningen die aan de oostzijde aan de nieuwe ontwikkeling grenzen, als het woonklimaat van de nieuwe woningen aan de westzijde van de nieuwe ontwikkeling, is het van belang dat hoofdgebouwen niet dieper dan 12 meter worden.
Figuur 3.2 Stedenbouwkundige schets
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
12
Hoofdstuk 3 3.1
Ruimtelijk beleidskader
Inleiding
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen binnen het nu geldende rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Hieronder is het initiatief getoetst aan het actuele beleidskader.
3.2
Rijksbeleid
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze 14 nationale belangen zijn: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainport ontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; 10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Toetsing Er zijn voor wat betreft het plangebied van dit bestemmingsplan géén belangen uit het Barro die in het kader van het voorliggende bestemmingsplan worden geschaad dan wel specifieke aandacht behoeven. Ladder voor duurzame verstedelijking Sinds oktober 2012 geldt bij ruimtebesluitvorming een nieuwe motiveringsplicht.
Het gaat hier om de in artikel 3.1.6, tweede lid Bro opgenomen plicht om indien er sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' de aanvaardbaarheid hiervan toe te lichten in het bestemmingsplan. Voor deze onderbouwing moet de 'Ladder voor duurzame ontwikkeling' worden doorlopen. Overheden dienen ontwikkelingen te motiveren en afwegen met oog voor de ruimtevraag, de beschikbare ruimte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Op 12 mei 2017 is het 'Besluit van 21 april 2017 tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening in verband met de aanpassing van de ladder voor duurzame verstedelijking' gepubliceerd. In dit besluit is de gewijzigde 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. Deze wijziging is op 1 juli 2017 in werking getreden.
De belangrijkste wijzigingen die hierbij doorgevoerd zijn: de drie treden van de ladder zijn losgelaten; het begrip 'actuele regionale behoefte' is vervangen door de eenvoudigere term 'behoefte'; het uitgangspunt wordt: voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zowel binnen als buiten het bestaand gebied, moet de behoefte worden beschreven in de toelichting van het bestemmingsplan; indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dan dient gemotiveerd te worden waarom niet binnen het bestaand stedelijke gebied in de behoefte kan worden voorzien; de mogelijkheid is opgenomen om de toepassing van de ladder door te schuiven naar het latere uitwerkings- of wijzigingsplan.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
13
Toetsing Toetsing aan de ladder is noodzakelijk bij stedelijke ontwikkelingen. Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van maximaal 25 woningen mogelijk. Het bestemmingsplan maakt hiermee een stedelijke ontwikkeling mogelijk. Dit houdt in dat de ontwikkeling dient te worden getoetst aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking. In het kader van de regionale afstemming zijn binnen de regio afspraken gemaakt ten aanzien van het woningbouwprogramma. In deze woningbouwafspraken zijn de woningen die binnen de wijzigingsbevoegdheid in het vigerende bestemmingsplan zijn opgenomen ook meegenomen voor de woningbouwontwikkeling in Zevenbergschen Hoek. Hiermee wordt voldaan aan eerste trede van de ladder, daarnaast vindt ontwikkeling plaats binnen de bebouwde kom van Zevenbergschen Hoek en hoeft geen toetsing aan de tweede trede plaats te vinden. Conclusie De planontwikkeling past binnen het Rijksbeleid.
3.3
Provinciaal en regionaal beleid
Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zin vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een klimaatproof Brabant Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende, duurzame economie Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. Toetsing Stedelijke ontwikkelingen dienen in principe plaats te vinden binnen 'bestaand stedelijk gebied'. Herontwikkeling wordt gezien als het nieuwe bouwen: als gevolg van economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings- en transformatieopgaven in hun bebouwde gebied. De beoogde ontwikkeling voorziet in een woningbouwopgave in bestaand stedelijk gebied.
Er is dan ook geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De herstructurering past binnen de Omgevingsvisie omdat de woningen aangepast worden naar de moderne eisen op het gebied van energie. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 1 juli 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de Omgevingsvisie Nood-Brabant. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van de omgevingsverordening zijn zogenaamde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd.
Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
14
Het volgende artikel is relevant voor de beoogde ontwikkeling. Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen 'stedelijk gebied' en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Toetsing Het 'stedelijk gebied' zoals gehanteerd door de provincie bestaat uit het 'stedelijk concentratiegebied' en de 'kernen in landelijk gebied'. Het projectgebied ligt binnen het 'kernen in landelijk gebied' zoals gehanteerd binnen de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Binnen deze gebieden kan worden voorzien in de ruimte voor wonen, werken en andere voorzieningen om zo de verstedelijking zo veel mogelijk te bundelen. Binnen het stedelijk gebied liggen verschillende mogelijkheden voor inbreiding, herstructurering en intensief, meervoudig ruimtegebruik. In de openbare ruimte zullen maatregelen getroffen worden ten behoeve van de benodigde watercompensatie. Daarnaast worden er voldoende infiltratiemogelijkheid voor regenwater aangelegd. De woningen moeten daarnaast voldoen aan de huidige normen ten aanzien van duurzaamheid. De woningen worden gasloos gebouwd en voorzien van hoge isolatiewaarden zodat wordt voldaan aan het BENG (Bijna Energie Neutraal). Daarnaast wordt ingezet op duurzame mobiliteit door gebruik te maken van verdichting in bestaand stedelijk gebied.
3.4
Gemeentelijk beleid
Strategische Visie voor Moerdijk 2030 De gemeente Moerdijk wordt met een aantal ingrijpende ontwikkelingen geconfronteerd, zoals vergrijzing, ontgroening, de globalisering van de toeristisch-recreatieve en agrarische sector, schaalvergroting in de omgeving waarin de gemeente opereert en niet in de laatste plaats de voortgaande decentralisatie van rijksoverheidstaken. Deze en andere ontwikkelingen stellen de gemeente op korte en (middel)lange termijn voor grote opgaven. De uitvoering van de visie en het beleid rondom die opgaven wordt voor de periode van 2009- 2030 op robuuste wijze ingezet. Dit doet de gemeente door in een visie op de (middel) lange termijn - op strategisch niveau- richting te geven aan de ontwikkelingen in de samenleving en aan de eigen positie in de regio. De strategische visie voor de gemeente Moerdijk heeft tot doel te komen tot een: 1. ontwikkelingsrichting voor de lange termijn; 2. kapstok en referentiekader voor integraal afgestemd gemeentelijk beleid; 3. duidelijke missie die kan worden uitgedragen naar buurgemeenten, provincie en rijk. De strategische visie maakt het mogelijk om op langere termijn een consistent beleid te voeren, en nieuwe ontwikkelingen snel te combineren met al ingeslagen richtingen, waarmee de gemeente Moerdijk een integraal beleid kan voeren en beter kan anticiperen op veranderingen in de maatschappij, wet of wensen.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
15
Missie: "Moerdijk is in 2030 een gemeente die, gelegen op de as Rotterdam-Antwerpen én als hoogwaardig logistiek centrum van West-Brabant, voor al haar inwoners een leefbare woonomgeving biedt met werkgelegenheid in de nabijheid. Een gemeente met rust, ruimte, recreatie en toeristische mogelijkheden in het westelijke deel en dynamiek, bedrijvigheid en bovenlokale voorzieningen, geconcentreerd in de kern Zevenbergen en het haven- en industrieterrein Moerdijk in het oostelijke deel van de gemeente. Een gemeente waarin de kernen hun eigenheid bewaard hebben, maar ook duidelijk één gemeente vormen. Een gemeente met een sociaal gezicht, waar zorg en basisvoorzieningen dichtbij zijn en de menselijke maat geldt. Een gemeente die op een bewonersgerichte, innovatieve, efficiënte en effectieve wijze wordt bestuurd." De missie geeft de strategische visie drie dimensies als uitgangspunt voor de discussie rond de verschillende thema's: samenleving, leefmilieu en economie. Dit wordt ook wel het 'Triple P' mechanisme genoemd (people, planet, profit) of de Telos-Driehoek. Het idee achter de 'Triple P' gedachte is dat het optimaliseren van de economische kracht, de (lokale) leefomgeving en de sociaalmaatschappelijke kant op termijn leidt tot een duurzame gemeente. Vanuit deze gedachte is het gemeentelijke beleid gebundeld in deze visie en zijn er drie paraplunota's opgesteld.
Paraplunota's De paraplunota's zijn bedoeld als kapstok voor alle gemeentelijke beleidsnotities. Ze zorgen ervoor dat er meer samenhang tussen beleid is en er minder beleidsplannen in algemene zin gemaakt worden. De gemeentelijke ambities en doelen staan centraal in de paraplunota's. Hieraan kan alle beleid en uitvoering verbonden worden. De uitvoeringsstrategie benoemt de hoofdrichting die wordt ingezet om de doelstellingen te realiseren. Met de paraplunota's zet Moerdijk nadrukkelijk in op een toekomst in het teken van duurzaamheid. De gemeente wil de mens centraal plaatsen als onderdeel van de samenleving. De samenleving is een samenspel van aspecten die de mens zelf betreffen, de leefomgeving en bedrijvigheid. Moerdijk kiest daarom voor de 'definitie' die betrekking heeft op de 'duurzame samenleving' die uiteen valt in drie pijlers Maatschappij (people), Leefomgeving (planet) en Economisch-Klimaat (profit). Paraplunota 'Maatschappij' richt zich op mensen en de omgeving waarin zij met elkaar samenleven. De manier waarop mensen met elkaar samenleven wordt beïnvloedt door de omgeving en andersom. Paraplunota 'Leefomgeving' richt zich op de fysieke leefomgeving en onderscheidt daarin de elementen bodem, water, lucht, grondstoffen, natuur en de samenhang daartussen. Paraplunota 'Economisch Klimaat' richt zich op economie en bedrijvigheid.
Economisch Klimaat is het 'klimaat' waarbinnen economische ontwikkeling plaatsvindt. Paraplunota Maatschappij De paraplunota Maatschappij richt zich op mensen en de omgeving waarin zij met elkaar samenleven. De manier waarop mensen met elkaar samenleven wordt beïnvloedt door de omgeving en andersom. Wanneer mensen kunnen samenleven in harmonie met hun omgeving hebben zij de mogelijkheid zich te ontwikkelen. 'Maatschappij' heeft betrekking op het sociale gezicht van de gemeente, waar ondersteuning en voorzieningen dichtbij zijn en de menselijke maat geldt. In de paraplunota Maatschappij staan de volgende beleidsthema's centraal: Wonen; Gezondheid; Woonomgeving; Sociale structuur; Ondersteuning. Wonen De paraplunota Maatschappij gaat met name in op de kwaliteit van de (bestaande) woningvoorraad. Kwaliteitsaspecten waar de gemeente Moerdijk de komende jaren op inzet zijn levensloopbestendigheid, duurzaamheid en veiligheid. Met de ontwikkeling van 25 woningen worden binnen het bestaand stedelijk gebied, door middel van verdichting extra woningen toegevoegd aan de woningvoorraad van Zevenbergschen Hoek.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
16
Gezondheid Een goede gezondheid draagt bij aan het welzijn van de inwoners. Het is een belangrijke voorwaarde om te kunnen deelnemen aan de samenleving en er bij te horen. De gemeente zet zich samen met haar partners in om de gezondheid van inwoners te beschermen, te bewaken en te bevorderen. Inwoners hebben een eigen verantwoordelijkheid om te kiezen voor een gezonde leefstijl. De gemeente is verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van betrouwbare (gezondheids-) informatie en zorgen voor gerichte voorlichting. Ten aanzien van gezondheid stelt de gemeente daarmee de volgende doelen: 1. Inwoners beslissen zelf over leefstijl: kies gezond!; 2. Gezondheidsproblemen die in toenemende mate bij inwoners voorkomen aanpakken; 3. Inwoners kunnen vertrouwen op gezondheidsbescherming. Woonomgeving Voor de leefbaarheid is het nodig, dat mensen elkaar in een prettige en veilige (woon)omgeving kunnen ontmoeten. De woonomgeving kan worden onderverdeeld in drie elementen. Het gaat om activiteiten in sociaal-maatschappelijke voorzieningen zoals onderwijs, ontmoeting, sport en cultuur, de openbare ruimte met daarin monumenten, speelvoorzieningen en meubilair, groen, wegen en openbare verlichting en de bereikbaarheid van de voorzieningen en de woning. Sociale structuur Met sociale structuur wordt de opbouw van de samenleving bedoeld.
Deze opbouw bestaat uit individuen, groepen en organisaties. Een stevige sociale structuur is een basis voor levendige kernen. Met de verdichting ontstaat een goede aanvulling op de bestaande woningvoorraad in Zevenbergschen Hoek. Ondersteuning De gemeente zet in op een sociale structuur waarin mensen voor elkaar zorgen en op een omgeving die dit mogelijk maakt. Niet voor iedereen is dit voldoende. Dan is professionele ondersteuning nodig met als doel om weer zelfstandig te leren, werken, wonen en leven. Paraplunota Leefomgeving De Paraplunota Leefomgeving richt zich op de fysieke leefomgeving en onderscheidt daarin de elementen ondergrond, water, lucht, grondstoffen, natuur en de samenhang daartussen. Verder gaat het in de nota over de inrichting en het beheer van de openbare ruimte en het effectief ruimtegebruik. In de paraplunota Leefomgeving staan de volgende beleidsthema's centraal: Rijke ondergrond; Helder water; Schone lucht; Behoud grondstoffen voor toekomstige generaties; Gevarieerde natuur. Rijke ondergrond Ruimte is een kostbaar goed. Er is sprake van een maatschappelijke druk op de grond als "drager" van de ruimte. De gemeente heeft daarom de taak om op een efficiënte manier gebruik te maken van de nog beschikbare grond. Een schone buitenruimte draagt ook bij aan verbetering van de leefomgeving.
Naast deze door onszelf veroorzaakte vervuiling kan ook onkruid en wildgroei voor overlast zorgen. Met name binnen de woon- en werkomgeving wordt van de gemeente (en andere overheden) verwacht dat deze vervuiling wordt tegengegaan en verwijderd. Ten aanzien van de ondergrond stelt de gemeente de volgende doelen: 1. Effectief ruimtegebruik door afstemming bodemeigenschappen en functie; 2. In stand houden en verbetering van de bodemkwaliteit; 3. Aanpak van de openbare ruimte op basis van de elementen gebruik, inrichting en beheer; 4. Door bewustwording en betrokkenheid van de burgers en bedrijven op preventieve wijze komen tot een verbetering van de beeldkwaliteit. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op gronden die geschikt zijn voor woningbouw. Dit blijkt uit het bodemonderzoek. Er is sprake van effectief ruimtegebruik door binnen bestaande structuur te verdichten.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
17
Helder water In november 2008 hebben de gemeente en het waterschap Brabantse Delta het Waterplan gemeente Moerdijk 2009-2015 (hierna waterplan) vastgesteld. Dit plan heeft betrekking op: al het oppervlaktewater, beken, vennen, kreken, enz.; de waterkeringen; de afval- en hemelwaterstromen; het oppervlakkige grondwater; water in relatie tot (ruimtelijke) ontwikkelingen. Zoals beschreven in de waterparagraaf (zie 5.12) is er geen sprake van een ontwikkeling die onevenredige nadelige gevolgen zal hebben op de waterhuishouding. Schone lucht Lucht is één van de levensbehoeften van mens, dier en plant. Daarbij is de luchtkwaliteit van groot belang. Die staat onder druk door de uitstoot van vervuilende stoffen door o.a. industrie en verkeer/vervoer. De nieuwe woningen leiden tot extra verkeer, de bijdrage aan de luchtkwaliteit is niet in betekenende mate. De luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de normen. Behoud grondstoffen voor toekomstige generaties Het tegengaan van het gebruik van niet-hernieuwbare grondstoffen ten behoeve van energieopwekking is een speerpunt van het gemeentelijk beleid. Hierbij geldt de "trias energetica" als richtlijn. Dit houdt in: het terugdringen van onnodig energieverbruik; voor de resterende behoefte zoveel mogelijk inzetten op duurzame energie; efficiënt (her)gebruik van fossiele bronnen.
Om aan deze richtlijn te kunnen voldoen stelt de gemeente de volgende doelen: 1. Actief stimuleren energiebesparing: 2% per jaar; 2. Lokaal opwekken van duurzame energie (70% in 2030): a. 30% windenergie in 2030; b. 10% bio-energie in 2030; c. 30% zonne-energie binnen de gebouwde omgeving; 3. Actief stimuleren hergebruik reststromen bij bedrijven; 4. Afval is grondstof. De bestemmingswijziging voorziet niet in een ontwikkeling die de doelstellingen voor energieopwekking in de weg zullen staan. De woningen worden gerealiseerd binnen de laatste eisen van het Bouwbesluit waarbij eisen worden gesteld aan energiezuinigheid en isolatiewaarde van de woningen. Gevarieerde natuur Biodiversiteit is een belangrijke graadmeter voor de kwaliteit van de natuur en onze leefomgeving. Onder biodiversiteit wordt verstaan de verscheidenheid van het leven op aarde, op het niveau van genen, soorten en ecosystemen. De waarde van biologische diversiteit wordt hierbij niet alleen vanuit het perspectief van de mens bekeken, maar ook vanuit het perspectief van de eigen, intrinsieke waarde van de natuur. Ten aanzien van een gevarieerde natuur stelt de gemeente de volgende doelen: 1. Instandhouding en vergroting van oppervlakte (verbonden) natuurgebied; 2. Vergroting soortenrijkdom van planten en dieren; 3. Aandacht voor biodiversiteit vergroten.
Op basis van het ecologisch onderzoek blijkt dat in de huidige situatie geen beschermde diersoorten aanwezig zijn. Bij de inrichting van de openbare ruimte is voldoende ruimte voor een groene inrichting. Hierbij wordt tevens gekeken naar soortenrijkdom en biodiversiteit.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
18
Paraplunota Economisch Klimaat De paraplunota Economisch Klimaat richt zich op economie en bedrijvigheid. Economisch Klimaat is het 'klimaat' waarbinnen economische ontwikkeling plaatsvindt. Het bedrijfsleven staat aan de lat om economische groei (toegevoegde waarde, werkgelegenheid) te realiseren, de overheid/gemeente creëert hiervoor de randvoorwaarden. In de paraplunota Economisch Klimaat staan de volgende beleidsthema's centraal: De economische basis op orde; Levendige kernen; Toeristische bestemming Moerdijk; Hoogwaardig logistiek- en industrieel knooppunt Moerdijk. Het bestemmingsplan richt zich op het mogelijk maken van 11 - 25 extra woningen binnen de wijk en maakt geen nieuwe voorzieningen of bedrijven mogelijk. Structuurvisie "Moerdijk 2030" De structuurvisie "Moerdijk 2030", vastgesteld door de gemeenteraad op 9 juni 2011, is een integrale visie die inspeelt op de ontwikkeling van de beide werelden van Moerdijk: het grootschalige (inter-)nationale Moerdijk enerzijds en het ruime, rustige, agrarische Moerdijk met een veel kleinschaliger karakter anderzijds. De visie beoogt ook deze twee werelden samen te brengen zodat ze elkaar kunnen aanvullen en versterken. De structuurvisie geeft de belangrijkste opgaven, ontwikkelingen en karakteristieken weer voor de verschillende kernen binnen de gemeente.
In de structuurvisie is de locatie opgenomen als ontwikkelingsgebied voor woningbouw. Daarbij is tevens een zoekrichting aangegeven voor extra woningbouw ten zuiden van de nieuwe wijk. Daarnaast past de ontwikkeling, met de verdichting, binnen de visie Moerdijk MeerMogelijk. Hierin is onder meer opgenomen dat binnen de kernen gezocht moet worden naar ruimte voor de realisatie van 825 extra woningen. De 25 woningen die door middel van de verdichting worden gerealiseerd passen binnen deze doelstelling, zonder dat dit tot extra bebouwd gebied leidt.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
19
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
20
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Milieueffectrapportage
Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten. Onderzoek en conclusies Het plan, dat maximaal 25 woningen mogelijk maakt, wordt gerekend tot de activiteiten genoemd in de D 11.2 van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Het plan ligt onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Derhalve is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, deze is opgenomen in Bijlage 1. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van onevenredige milieueffecten op de omgeving. Er is derhalve geen m.e.r-beoordeling of milieueffectrapportage noodzakelijk.
4.2
Geluid
Beleid en normstelling De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Binnen de geluidszone van een gezoneerde (spoor)weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk) of het type spoor. Toetsing Quickscan wegverkeerslawaai Binnen het plangebied worden woningen mogelijk gemaakt. Volgens de wet geluidhinder (Wgh) betreft deze ontwikkeling het realiseren van geluidsgevoelige functies en dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van een (spoor)weg (met uitzondering van woonerven en 30km/h-gebieden). Aangezien het plangebied in de onderzoekszones van meerdere (spoor)wegen valt, is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. De beoogde nieuwe geluidsgevoelige functie wordt gerealiseerd binnen de onderzoekszones van de volgende (spoor)wegen:
de Rijksweg A16; het gedeelte van de Hoofdstraat waar een maximum rijsnelheid van 50 km/uur geldt; de spoorlijnen Lage Zwaluwe - Breda (inclusief HSL) en Lage Zwaluwe - Zevenbergen en het goederenspoor tussen Lage Zwaluwe en Oosterhout
Ter plaatse van de projectie geldt voor wegverkeerslawaai een voorkeursgrenswaarde op de gevel van 48 dB Lden. Ten aanzien van het gezoneerde deel van de Hoofdstraat geldt een maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Ten aanzien van het geluid vanwege de A16 geldt een maximale ontheffingswaarde van 53 dB Lden. Voor spoorweglawaai geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB Lden, met een maximale ontheffingswaarde van 68 dB Lden. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de geluidbelasting ter plaatse van de nieuwe ontwikkeling ten gevolge van de A16 en de spoorwegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wel overschrijdt, maar de maximale ontheffingswaarde niet.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
21
De maximale geluidbelasting als gevolg van de A16 bedraagt ten hoogste 52 dB, als gevolg van het spoor bedraagt de maximale geluidbelasting 56 dB. Om die reden dient er gekeken te worden naar maatregelen om een aanvaardbaarheid leefklimaat te verzekeren. Tussen het plangebied en het spoor en de A16 is momenteel al een geluidscherm gelegen. Het wordt niet wenselijk geacht om extra geluidsmaatregelen te treffen in het overdrachtsgebied. Naar aanleiding van de quickscan is nader onderzoek gedaan naar wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Daarin zijn ook de benodigde maatregelen verder uitgewerkt. Akoestisch onderzoek Wegverkeerslawaai Uit het nader akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai blijkt dat sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het wegverkeer op de Rijksweg A16. De geluidbelasting binnen het plangebied bedraagt ten hoogste 51 dB Lden. Woningbouw op deze locaties is niet zonder meer mogelijk. Maatregelonderzoek wijst uit dat mogelijke maatregelen ter reductie van de geluidbelasting stuiten op overwegende bezwaren van financiële aard. De kosten van deze maatregelen wegen niet op tegen de baten. Voor de woningen worden hogere waarden aangevraagd. Hiervoor dient te worden voldaan aan het gemeentelijke hogere waarden beleid. Het aantal te realiseren woningen per bouwvlak is niet gemaximeerd.
Het totaal aantal toegestane woningen binnen het bestemmingsplan bedraagt 25. Hierdoor wordt voor alle woningen dezelfde hogere waarde vastgesteld. Uitgaande van de ten hoogst berekende geluidbelasting bedraagt deze waarde dan 51 dB Lden. De vast te stellen hogere waarden zijn weergegeven in tabel 4.1. Tabel 4.1: Geluidsbelastingen ten gevolge van het wegverkeer op de Rijksweg A16
Het ontwerpbesluit hogere waarden zal tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. Spoorweglawaai Uit het nader akoestisch onderzoek spoorweglawaai blijkt dat in het plangebied geen sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 55 dB Lden. Ten aanzien van spoorweglawaai zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen planontwikkeling. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Het volledig nader akoestisch onderzoek is bijgevoegd in bijlage 3. Conclusie Het (spoor)wegverkeerslawaai vormt, met inachtneming van genoemde maatregelen, geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.3
Trillingshinder
Normering Voor de beoordeling van de optredende trillingen en eventuele hinder worden in voorliggend onderzoek de SBR-richtlijn B “Hinder voor personen in gebouwen” [Ref. 1] gehanteerd. In geval van bodemtrillingen vanwege weg- en/of railverkeer (voor zover deze plaatsvinden op de openbare weg) worden, ter beoordeling van de toelaatbaarheid van de trillingen, de streefwaarden uit hoofdstuk 10 van de SBR-richtlijn B toegepast. Ten behoeve van de boordeling van trillingen wordt onderscheidt gemaakt tussen bestaande situaties, nieuwe situaties en gewijzigde situaties. In geval van herhaald voorkomende trillingen in nieuwe situaties (gedurende langer dan 3 maanden) gelden voor de gebouwfunctie ‘wonen’ de streefwaarden A1, A2 en A3 volgens tabel 4.2. In tabel 4.2 wordt een overzicht gegeven van de richt- en grenswaarden voor Vmax en Vper voor woningen welke gedurende lange tijd onderhevig zijn aan herhaald voorkomende trillingen (dag-, avond- en nachtperiode).
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
22
Tabel 4.2 Streefwaarden voor weg- en railverkeer; gebouwfunctie Wonen
Onderzoek en conclusie In het kader van het bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar trillingshinder als gevolg van, met name het railverkeer. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 11. Uit dit onderzoek blijkt dat ter plaatse van de westelijke bebouwingslijn de maximale trillingssterkte minder dan 0,1 re 1 mm/s en is daarmee over het algemeen niet voelbaar. Op basis van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat ten aanzien trillingshinder ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.
4.4
Verkeer en parkeren
Normstelling De verkeersgeneratie is gebaseerd op CROW publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" uit 2012. De kencijfers uit deze publicatie worden gespecificeerd op basis van het type functie en de ligging van de functie. Er wordt uitgegaan van de maximale kencijfers van het CROW om zo een 'worst case' scenario door te rekenen. Voor het parkeren wordt uitgegaan van het gemeentelijk parkeerbeleid (Nota Parkeerbeleid 2021). Toetsing Het bestemmingsplan maakt maximaal 25 woningen mogelijk. De ontsluiting van het verkeer zal plaatsvinden via de nieuw aan te leggen woonstraat, welke in het zuiden aansluit op de kruising van de Sporenbergstraat en de Frisostraat en in het noorden aansluit een zijpad aan de Hoofdstraat. Het autoverkeer en het langzaam verkeer zal, conform Duurzaam veilig binnen 30 km/h-gebied, gemengd worden afgewikkeld. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie als gevolg van de (maximaal) 25 woningen bedraagt 7 mvt/etmaal per woning, in totaal betreft dit 175 mvt/etmaal. Deze aantallen zullen goed kunnen worden afgewikkeld op het omliggende wegennet. Parkeren Er zal worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. De parkeergelegenheid voor woningen is bepaald op basis van de parkeernormen van de gemeente Moerdijk (Nota Parkeerbeleid 2021).
In het parkeerbeleid van de gemeente is geldt voor Zevenbergschen Hoek de normen zoals opgenomen voor het 'overig gebied'. Hierbinnen is een onderscheid gemaakt in woningen groter dan 90m2 en woningen kleiner dan 90m2. Alle (maximaal) 25 woningen zijn groter dan 90m2, dit betekend dat de parkeerbehoefte (25*2,2=) 55 parkeerplaatsen bedraagt (tabel 4.3). In het kader van de vergunningverlening dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de eisen ten aanzien van parkeren. In figuur 4.1 is het laatste stedenbouwkundig ontwerp weergegeven. Hierin is te zien dat 34 parkeerplaatsen langs de weg worden gerealiseerd. Daarnaast zijn er 11 huizen met een oprit en een garagebox, dit wordt gerekend als 22 parkeerplaatsen. Dit betekend dat totaal 56 parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
23
Tabel 4.3 Parkeernormen
Figuur 4.1 - Stedenbouwkundig ontwerp (gemeente Moerdijk, 2022)
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
24
4.5
Bedrijven en milieuzonering
Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en (nieuwe) milieugevoelige functies in voldoende mate mee te nemen, wordt in deze rapportage gebruikgemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor de richtafstanden wordt onderscheidt gemaakt tussen rustige woongebieden, gemengde gebieden en rustige buitengebieden. Toetsing Het plangebied is te kenmerken als een rustige woonwijk, omdat zich weinig bedrijvigheid rondom het plangebied bevindt. Bij de geplande ontwikkeling worden woningen gerealiseerd, deze hebben een mogelijk beperkende werking op omliggende bedrijfsactiviteiten. Andersom hebben de bedrijven mogelijk invloed op het toekomstige woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen.
Voor de woningen is de (eventuele) aanwezigheid van bedrijven in de directe omgeving dan ook van belang. In het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig. In de omgeving van het plangebied komen naast woningen diverse andere functies voor. Zo biedt het bestemmingsplan, voor de aangrenzende woning ten noorden van het plangebied, de mogelijkheid voor detailhandel. Gezien het feit dat deze bedrijfsactiviteiten tussen bestaande woningen zouden worden gerealiseerd, worden deze bedrijfsactiviteiten passend geacht binnen een woonomgeving. De VNG-richtafstand voor detailhandel in een rustige woonwijk is dan ook 10 meter. Omdat hier tevens woningen zijn toegestaan, en in de huidige situatie al woningen op kortere afstand zijn gelegen, dan de nieuwe beoogde ontwikkeling. Daarnaast biedt het vigerende bestemmingsplan voor de woningen aan de Hoofdstraat ook enkele bedrijfsactiviteiten zoals horeca of detailhandel. Gezien het feit dat deze bedrijfsactiviteiten tussen bestaande woningen zouden worden gerealiseerd, worden deze bedrijfsactiviteiten passend geacht binnen een woonomgeving. De VNG-richtafstand voor detailhandel, restaurants en cafés bedraagt weliswaar 10 m in een rustige woonwijk. Doordat in hetzelfde gebied tevens woningen mogelijk zijn, dient de aanwezige bedrijvigheid hier al rekening mee te houden.
Daarnaast zijn in de huidige situatie al woningen op kortere afstand gelegen dan de beoogde ontwikkeling. Hierdoor kan een goed woon -en leefklimaat worden gegarandeerd, en leidt de ontwikkeling niet tot beperkingen van de omliggende functies. De richtafstanden tussen overstortvoorzieningen en woningen zoals genoemd in de wijzigingsbevoegdheid van het vigerend bestemmingsplan Kern Zevenbergschen Hoek hebben geen status meer. Bij recent contact met het Waterschap Brabantse Delta is geconcludeerd dat een kortere afstand met betrekking tot bergbezinkbassin en woningen kan worden gehanteerd. In het stedenbouwkundig ontwerp is de afstand tot dichtstbijzijnde gevel en het bergbezinkbassin circa 40 meter. Dit draagt bij aan het zo efficiënt mogelijk gebruik van de ruimte. Echter omdat deze afstand minder is dan de voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid van het vigerende bestemmingsplan van 50 meter, kan geen gebruik worden gemaakt van deze bevoegdheid. Derhalve dient een reguliere bestemmingsplanprocedure doorlopen te worden, dit betekent dat de gemeenteraad het bestemmingsplan zal moeten vaststellen, en niet het college zoals bij een wijzigingsbevoegdheid het geval is. In de VNG brochure bedrijf- en milieuzonering geldt een richtafstand van 30 meter voor een rioolgemaal. Deze activiteiten zijn gelijk, danwel niet meer belastend voor de omgeving dan het berg bezink bassin.
Om deze reden achten wij woningen op kortere afstand van 50 meter inpasbaar. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het project.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
25
4.6
Ecologie
Beleid en normstelling Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
26
Onderzoek en conclusie Soortenbescherming Voor de voorgenomen ontwikkeling worden werkzaamheden uitgevoerd die mogelijk soorten kunnen verstoren. Bij de voorbereiding van de ontwikkeling moet worden onderzocht of de Wet Natuurbescherming (Wnb) de geplande ontwikkeling niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Wet Natuurbescherming zal kunnen worden verkregen. Om te achterhalen welke beschermde soorten binnen het plangebied aanwezig zijn is een ecologische onderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 4.Uit het onderzoek blijkt dat de woningbouwontwikkeling en het deels kappen van bomen niet leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming, wel dienen in het kader daarvan enkele maatregelen in acht te worden genomen. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om opgaand groen te rooien buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Het voorkomen van broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen wordt uitgesloten. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen.
Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in Provincie Noord-Brabant. Om de rugstreeppad zich niet te laten vestigen in het plangebied gedurende de aanlegfase, is het van belang om het ontstaan van waterplassen op het land te voorkomen. Er dient een veldonderzoek uitgevoerd te worden om te bepalen of de ontwikkeling in overtreding is van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De locatie is niet gelegen in beschermd natuurgebied, zoals NatuurNetwerk Brabant of Natura 2000. Effecten op deze natuurgebieden als gevolg van de woningbouw kunnen worden uitgesloten. In het kader van stikstofdepositie op Natura 2000 gebied is een AERIUS-berekening uitgevoerd. In deze AERIUS-berekening is rekening gehouden met de verkeersaantrekkende werking van de woningen en het feit dat de woningen gasloos worden gerealiseerd. Uit de AERIUS-berekening (Bijlage 5) blijkt dat de woningen niet leiden tot een stikstofdepositie op omliggende Natura 2000 gebieden van meer dan 0,00 mol/ha/jr.
4.7
Water
Beleid en normstelling Nationaal Waterplan Het Rijksbeleid op het gebied van water is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma.
Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
27
Overstromingsrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: Integraal waterbeheer. Het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet)water in natte en droge situaties in samenhang te beschouwen. Afwenteling voorkomen. Het kabinet wil voorkomen dat waterkwantiteits- en waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd, zoals het afwentelen van bovenstrooms veroorzaakte waterkwaliteitsproblemen op benedenstrooms gelegen wateren. Om afwenteling te voorkomen, maken beheerders onderling afspraken over acceptabele hoeveelheden en de kwaliteit van het te ontvangen water. Om afwenteling te voorkomen gelden ook de tritsen vasthouden-bergen-afvoeren en schoonhouden-scheiden-schoonmaken Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.
De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wet- en regelgeving en is hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, vooral op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. De KRW geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving.
De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP). De Agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het Provinciaal Milieuplan 2012-2015 en het Provinciaal Waterplan 2010-2015 gaven hieraan de afgelopen jaren invulling. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 integreert de milieu en de wateropgave. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Om met de diverse belangen en milieuaspecten te kunnen omgaan, hanteert de provincie in het waterplan de principes van de people-planet-profit-benadering. Vanuit de sociaalmaatschappelijke invalshoek (people) krijgen veiligheid tegen overstroming, bescherming tegen wateroverlast, een betrouwbare drinkwatervoorziening en goede recreatievoorzieningen aandacht. Vanuit de economische invalshoek(profit) heeft het plan aandacht voor onder meer een goede watervoorziening voor industrie en landbouw en voor het transport over water. Bij de derde invalshoek (planet) wordt uitgegaan van water als voorwaarde voor een gezonde leefomgeving voor mens en natuur.
Belangrijke thema’s hierbij zijn de verbetering van de waterkwaliteit, de verdrogingsbestrijding en de meer natuurlijke inrichting van de provinciale watersystemen.
bestemmingsplan Sporenbergstraat ontwerp
28
Klimaatstrategie Moerdijk Het klimaat verandert, ook in Moerdijk. Het wordt warmer, droger, natter en de zeespiegel stijgt. En het gaat sneller dan we denken. De droge zomers van 2018 en 2019 drukken ons met de neus op de feiten. De uitdaging, de komende decennia, is om klimaatproof te worden en te zorgen dat de maatschappelijke effecten van klimaatverandering ten minste op een acceptabel niveau beheersbaar zijn. In de klimaatstrategie wordt ingegaan op wat nu en de komende jaren de invloed van klimaatverandering op onze gemeente is? Hoe gaan we daarmee om; wat kunnen we als gemeente doen om te zorgen dat de risico's op korte en langere termijn beheersbaar zijn? En wat kunnen onze partners doen en onze inwoners? De Klimaatstrategie geeft op hoofdlijnen een uitwerking aan de hoofdopgave 'Moerdijk klimaatproof', we schetsen de breedte van de opgave, onze inzet en rol, de uitgangspunten en met wie we hierin zullen samenwerken. De uitwerking van de visie in een uitvoeringsplan volgt drie strategische lijnen van de Moerdijkse Klimaatdialoog die 30 juni 2020 digitaal werd gevoerd: Gezond leef-, werk- en leerklimaat: We beschermen tegen de negatieven effecten van klimaatverandering en bevorderen en nemen initiatief bij de doorontwikkeling naar een gezond leef-, werk- en leerklimaat.
Klimaat en het productielandschap 2.0: We faciliteren en promoten een transitie naar een nieuwe toekomstgerichte en klimaatbestendig manier van produceren zonder negatieve invloed op de omgeving. Samen met de natuur: We herstellen het evenwicht met de natuurwaarden en creëren ruimte voor natuur en biodiversiteit op elke schaal. Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het waterschap richt zich op een goede uitvoering van de wettelijke taken rondom waterveiligheid, waterkwaliteit en watersysteembeheer. Daarbij houden zij rekening met de toekomstbestendigheid van het watersysteem (met oog voor klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging). Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheersplan 2016- 2021 'Grenzeloos verbindend'. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods-en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.
De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods-en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.