CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 toelichting

Raadsvergadering 8 december 2022, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Koningin Julianastraat 25, Fijnaart16.387 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De gecumuleerde geluidbelasting vanwege het verkeer op de drie nabij gelegen wegen samen bedraagt ten hoogste 54 dB. Dit kan worden geclassificeerd als een ‘redelijk’ tot ‘matig’ geluidklimaat. Elke woning beschikt over een geluidluwe zijde. Gesteld kan worden dat binnen het plangebied sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1 Wet- en regelgeving Alle ontwikkelingen van de afgelopen jaren op het gebied van luchtkwaliteit hebben in 2007 geleid tot een aanpassing van de Wet milieubeheer op het gebied van de luchtkwaliteitseisen. Het Besluit en de Regeling “Niet In Betekenende Mate bijdrage” zijn in 2007 in werking getreden en het Besluit luchtkwaliteit 2005 is komen te vervallen. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde indien: Een project niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt 'niet in betekende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (SNL) of binnen een regionaal programma van maatregelen; Het Besluit 'Niet In Betekenende Mate' Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zeer fijn stof (PM2,5), fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 3% van 25 µg/m3 oftewel 0,75 µg/m3 voor zeer fijn stof en 3% van 40 µg/m3 oftewel 1,2 µg/m3 voor zowel fijn stof als NO2.

In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een project altijd NIBM is. Er zijn immers alleen categorieën van gevallen aangewezen, waarvan aannemelijk is dat de toename van de concentraties in de betreffende gevallen niet de 3% grens overschrijdt. Wanneer een categorie eenmaal is aangewezen, mag er zonder meer van worden uitgegaan dat deze bijdrage NIBM is. Indien een project boven de getalsmatige grenzen uitkomt, is een project in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. behoort een project tot een niet in de regeling NIBM genoemde categorie, dan zal steeds met behulp van onderzoek dienen te worden aangetoond op het project NIBM is. De Regeling NIBM geeft vooralsnog invulling aan de volgende relevante categorieën: woningbouw- en kantoorlocaties, alsmede een combinatie daarvan. In de Regeling NIBM is opgenomen dat een plan van maximaal 1.500 woningen niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Naast toetsing aan de NIBM, moet er ook worden beoordeeld of initiatieven voorzien in een goede ruimtelijke ordening.

bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

30

4.5.2 Onderzoek en conclusie Dit bestemmingsplan betreft een ruimtelijke ontwikkeling die vele malen kleiner is dan 1.500 woningen met één ontsluitingsweg. De ontwikkeling zal dan ook 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Om na te gaan of sprake is van een goed woon- en leefklimaat, is gekeken naar de luchtkwaliteit ter hoogte van het plangebied. Via de NSL-monitoringstool kan de huidige luchtkwaliteit ter plaatse worden nagegaan. In deze monitoring is de luchtkwaliteit langs drukkere wegen inzichtelijk gemaakt. Het dichtstbijgelegen meetpunt ligt langs de rijksweg A59. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof op de meetpunten langs de A59 onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen minder dan 35 µg/m³ voor NO2 en PM10 en minder dan 20 µg/m³ voor PM2,5. Het toevoegen van 22 woningen zal niet leiden tot een toename van de concentratie van 3% of meer. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Wet- en regelgeving Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen.

Dit is de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied). Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant. Op 1 april 2015 is de regeling ‘Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ in werking getreden. Het Basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van infrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. 4.6.2 Onderzoek en conclusie Onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart nabij het plangebied. De planlocatie is aangeduid met een groene cirkel. De beoogde woningen, zoals toegestaan binnen het plangebied, worden aangemerkt als een kwetsbare objecten.

bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

31

Afbeelding 4.1 Uitsnede kaart Veiligheid (bron: Atlas Leefomgeving) In de nabijheid van het plangebied zijn de volgende relevante risicobronnen aangetroffen: Rijksweg A59 en aangrenzende tankstations; Buisleidingen aan de zuidzijde. De Rijksweg A59 (basisnet wegtraject zonder PAG-indicatie) bevindt zich op ongeveer 850 meter afstand ten noorden van het plangebied. De weg ligt derhalve buiten de 200 meter zone uit basisnetweg waardoor het groepsrisico niet berekend hoeft te worden. De weg heeft een plaatsgebonden risicocontour (10-6/jaar) van 0 m ter hoogte van het plangebied. Ook is er langs de A59 geen plasbrandaandachtsgebied aanwezig. Hierdoor zijn er geen beperkingen voor de ontwikkeling van het plangebied. De buisleiding betreft een aardgasleiding van Gasunie (NEN 3650-leiding) en ligt op ongeveer 260 meter afstand van het plangebied. De afstand tot de buisleiding is dusdanig groot dat het plangebied niet binnen de invloedssfeer van deze leiding ligt. De buisleiding heeft een plaatsgebonden risicocontour (10-6/jaar) van 0 m ter hoogte van het plangebied. Daarnaast ligt het plangebied ook niet binnen invloedssfeer van andersoortige buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Hierdoor zijn er geen beperkingen voor de ontwikkeling van het plangebied. OMWB heeft in 2018 een inventarisatie uitgevoerd naar het transport van gevaarlijke stoffen.

Daaruit is gebleken dat via de Kadedijk 24 transporten in stofcategorie GF3 (zoals LPG) plaatsvinden. Deze route is echter niet aangemerkt op de risicokaart als zijnde een transportroute. Volgens de vuistregels uit de HaRT is het groepsrisico lager dan 0,1 x de oriëntatiewaarde als op de kortst mogelijke afstand tot de wegas de aanwezigheidsdichtheid lager is dan circa 350 personen per hectare. (Uitgangspunt: weg buiten bebouwde kom, eenzijdige bebouwing.) Een gemiddelde drukke woonwijk heeft volgens diezelfde publicatie een dichtheid van 70 personen per hectare. Het groepsrisico kan daarom aanvaardbaar laag worden genoemd. Het plangebied blijkt tevens binnen de invloedsafstand van Shell Nederland Chemie te liggen, en transporten van toxische stoffen via de A17. In beide gevallen is het scenario 'toxische wolk' maatgevend. Het toevoegen van enkele woningen binnen het plangebied heeft geen effect op het bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

32

groepsrisico als gevolg van Shell of de A17. Omdat sprake is van goede zelfredzaamheid van aanwezigen, kan worden volstaan met een standaard verantwoording van het groepsrisico. De 'Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019' van OMWB is als Bijlage 4 bij dit plan gevoegd. De Veiligheidsregio (zie Bijlage 5) adviseert in nieuwe bouwwerken een afsluitbare mechanische ventilatie toe te passen. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de detaillering van gevels, ramen en kozijnen, zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd. De detaillering van gevels, ramen en kozijnen volgt uit het Bouwbesluit 2012.

4.7

Ecologie

4.7.1 Wet- en regelgeving Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming ziet zowel op de bescherming van waardevolle gebieden (waaronder de Natura 2000-gebieden) als op de bescherming van planten- en diersoorten. Voor gebieden die deel uitmaken van het NatuurNetwerk Nederland (NNN, voorheen de ecologische hoofdstructuur) is daarnaast sprake van planologische bescherming. Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of beschermde planten- en diersoorten. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties vanuit de actuele natuurwetgeving. 4.7.2 Onderzoek en conclusie In het kader van de Wet natuurbescherming is nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren.

Door Econsultancy is daarom een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage daarvan is in Bijlage 6 opgenomen. Hierna zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Soortbescherming De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor gebouwbewonende vleermuizen, is aanvullend onderzoek noodzakelijk om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Voor wat betreft de algemene grondgebonden zoogdieren geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het verwijderen van de materialen dient buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden.

Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Gebiedsbescherming De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, Krammer-Volkerak, bevindt zich op circa 6,7 kilometer afstand ten noordwesten van de bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

33

onderzoekslocatie. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de geplande sloop en herontwikkeling op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Houtopstanden Ten aanzien van houtopstanden zijn overtredingen niet aan de orde. Conclusie De bebouwing, met uitzondering van de houten schuur, is geschikt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Derhalve is een nader onderzoek naar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen benodigd. Daarnaast wordt geadviseerd tijdens de uitvoering van een nader onderzoek de zolders te inspecteren op sporen van gebruik door vleermuizen. Verder dient bij de werkzaamheden rekening gehouden te worden met de broedperiode voor algemene vogelsoorten en de zorgplicht ten behoeve van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

4.7.3 Aanvullend onderzoek en conclusie Aanvullend onderzoek soorten Door Maasarend is aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage daarvan is in Bijlage 7 opgenomen. Uit het aanvullend soortspecifiek onderzoek blijkt het volgende: Het jaarrond onderzoek naar vleermuizen heeft aangetoond dat de oude school geen verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden of vliegroutes bevat. Met de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen wordt hierdoor de Wet natuurbescherming niet overtreden. Het aanvragen van een aanvullende vergunning of ontheffing is dan ook niet noodzakelijk vanuit de Wet natuurbescherming. Zolder- en endoscooponderzoek Tussen de paarperiode (september 2020) en de kraamperiode (juni 2021) van vleermuizen is er actief gezocht naar sporen waaruit blijkt dat vleermuizen gebruik maken van de zolders, het dak of de spouwmuur als verblijfplaats en naar de aanwezigheid van vleermuizen zelf. Hieruit is gebleken dat er geen vleermuizen gebruik maken van de zolders. Er zijn geen vleermuizen of sporen van vleermuizen aangetroffen. Ook is door middel van endoscooponderzoek aangetoond dat de spouwmuren en de ruimte achter de boeiboorden ongeschikt zijn voor vleermuizen. De rapportage van het zolder- en endoscooponderzoek is als Bijlage 8 opgenomen.

Ecologische sloopbegeleiding Voor het verwijderen van het groen en het slopen van de aanwezige bebouwing binnen het plangebied is een ecologisch werkplan opgesteld. De sloop heeft in februari 2022 plaatsgevonden onder het toeziend oog van een ecoloog. Een en ander zoals beschreven en gerapporteerd in de rapportage hiervan zoals opgenomen in Bijlage 9. Het ecologisch logboek bevat een beschrijving van de werkzaamheden. Er zijn geen potentiële verblijfplaatsen voor beschermde soorten aangetroffen. Ondanks dat het uitgevoerde onderzoek heeft uitgewezen dat er geen verplichting is voor het treffen van maatregelen voor huisbewonende soorten, zal de ontwikkelende partij maatregelen aan de op te richten gebouwen treffen op basis van het ecologische advies zoals opgenomen als Bijlage 10. Aanvullend onderzoek gebiedsbescherming (stikstof) Het beoogde plan mag geen negatieve effecten veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Met het programma Aerius Calculator is de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx ) op het oppervlak van het betreffende Natura 2000-gebied inzichtelijk gemaakt. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat er ten gevolge van het planvoornemen geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt.

Derhalve zijn ‘significante (negatieve) effecten’ op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet aan de orde. Het projecteffect op het Natura 2000-gebied is kleiner dan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Deze resultaten en de stikstofdepositieberekening zijn opgenomen in de rapportage in Bijlage 11. Conclusie bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

34

Gezien het bovenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten op de flora en fauna, en beschermde natuurgebieden. Er worden geen bepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden.

4.8

Water

4.8.1 Wet- en regelgeving Watertoets Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit ruimtelijke ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Op 3 december 2021 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 vastgesteld. Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden. Voldoende water, schoon water, veilig water, vitale bodem en klimaatadaptatie zijn van belang voor vrijwel alle provinciale opgaven. De ambitie in het RWP is daarom dat Brabant in 2050 een klimaatbestendig en robuust water- en bodemsysteem heeft dat bestand is tegen extremen. Deze ambitie vergt een nieuwe manier van denken en handelen, waarbij de draagkracht van het water- en bodemsysteem leidend is voor het gebruik van gronden. Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het waterschap richt zich op een goede uitvoering van de wettelijke taken rondom waterveiligheid, waterkwaliteit en watersysteembeheer.

Daarbij houden zij rekening met de toekomstbestendigheid van het watersysteem (met oog voor klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging). Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods-en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie.

Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'. Doelstelling Meerlaagsveiligheid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap is continu betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen in hun beheergebied. Meerlaagsveiligheid is voor het waterschap steeds meer een manier om continu te werken aan: het reduceren van overstromingsrisico’s (kansen en gevolgen) het verminderen van kwetsbaarheid het leefbaarder maken van de (bedreigde) omgeving De bedoeling is om bescherming tegen overstromingen en omgaan met overstromingsrisico expliciet bespreekbaar te maken in de ruimtelijke ontwikkeling. Impliciet worden nu risico’s geaccepteerd: men denkt dat het veilig is, maar het risico is nooit nul. Door middel van een aanvulling in het toetsen van plannen willen we nu proberen om (de acceptatie van) deze risico’s expliciet te maken. Beleid gemeente Moerdijk Het waterbeleid van de gemeente maakt onderdeel uit van de paraplunota Leefomgeving, zie hiervoor paragraaf 3.3.3.

bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

35

4.8.2 Onderzoek Het plan is inhoudelijk getoetst aan verschillende waterthema’s. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Hieronder worden de resultaten van de watertoets op hooflijnen weergegeven. De watertoets is in zijn geheel als Bijlage 12 opgenomen. In de watertoets zijn de gronden die in gebruik zijn bij de woningen ten noorden van het plangebied buiten beschouwing gelaten, omdat daar sprake is van een bestaande situatie. Bestaande situatie Waterhuishoudkundige situatie In de huidige situatie bevindt zich het maaiveld op een hoogte van circa 1,2 m +NAP. De Koningin Julianastraat is gelegen op een hoogte van circa 1,0 m +NAP. Het plangebied ligt volgens de bodemkaart van Nederland, in een niet-gekarteerd gebied. De dichtstbijzijnde kaarteenheden betreffen kalkrijke poldervaaggronden, die zijn opgebouwd uit lichte tot zware zavel en/of klei. Uit locatiespecifiek onderzoek blijkt de bodem tot maximaal 1,05 m beneden maaiveld te bestaan uit zeer tot matig fijn, zwak siltig zand. Hieronder is tot de maximaal geboorde diepte van 3,0 m beneden maaiveld matig tot sterk zandige klei aanwezig. Zintuiglijk is zeer lokaal in de bovengrond (0,05-0,50 m beneden maaiveld, zand) een zwakke bijmenging met baksteen waargenomen. Oppervlaktewater Op basis van de leggerkaart van waterschap Brabantse Delta is in de directe omgeving van de planlocatie geen oppervlaktewater gelegen.

Afbeelding 4.2 Uitsnede legger oppervlaktewater waterschap Brabantse Delta Uit de resultaten van de klimaatstresstest blijkt dat er binnen het plangebied geen directe wateroverlast is te verwachtten. Met name het onbebouwde perceel ten noordoosten van het plangebied is gevoelig voor water-op-straat. Ontwatering en drooglegging Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte van circa 1,2 m +NAP. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) is ingeschat op 1,0 m -mv (0,2 m +NAP). De ontwatering zal ten aanzien van de (bouw)peilen in de toekomstige situatie voldoende zijn. Geadviseerd wordt om de toekomstige bouwpeilen circa 30 cm hoger aan te leggen dan het naastgelegen wegpeil. De planlocatie is gelegen binnen het peilgebied Stedelijk water, Fijnaart Oost (peilbesluit Moerdijk). In bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

36

dit peilgebied geldt een vastpeil van 0,45 m -NAP. De drooglegging bedraagt derhalve 1,65 meter en is daarmee voldoende. Riool In de rondom het plangebied gelegen wegen is een gemengd rioolstelsel gelegen. Toekomstige ontwikkeling Verhard oppervlak en waterbergingsopgave In onderstaande tabel staan de oppervlakten van de huidige en toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven.

Tabel 4.1 Gegevens huidig en toek omstig verhard oppervlak Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met 129 m2. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt circa 3.374 m2. Conform het beleid van de gemeente Moerdijk is ten aanzien van de ontwikkeling en het toekomstig verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van circa 202 m3 (3.374 m2 x 0,06 m). Binnen het plangebied is weinig ruimte beschikbaar om hemelwater bovengronds te bergen. Om deze reden zullen infiltratiekratten worden toegepast of een waterbergende funderingslaag over de bestrating worden aangebracht. Hemelwater Naar verwachting zullen de infiltratiemogelijkheden van de bodem, mede op basis van de bodemopbouw, textuur en de aanwezigheid van stoorlagen in de ondergrond, zeer beperkt zijn. Hemelwater zal derhalve tijdelijk moeten worden geborgen waarna het hemelwater vertraagd (in minimaal 24 uur) zal moeten worden afgevoerd op de openbare riolering. Om in minimaal 24 uur weer te kunnen beschikken over voldoende bergingscapaciteit dient de afvoer minimaal 8,75 m3/uur te bedragen. Dit is overeenkomstig met een afvoer van circa 6,25 l/s/ha. Riolering Ten aanzien van de toekomstige situatie zal de ontwikkeling zorgen voor een wijziging in het aanbod van vuilwater op het riool.

Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal 22 woningen/ bouwblokken worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod van circa 6,6 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zullen in overleg met de gemeente worden besproken. 4.8.3 Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de ruimtelijke procedure en de uitvoering van het plan.

bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

37

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

4.9.1 Wet- en regelgeving Het Europese Verdrag van Valletta, ook wel het Verdrag van Malta genoemd, beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Het gaat bijvoorbeeld om grafvelden, gebruiksvoorwerpen en resten van bewoning. Op iedere plaats in de bodem kan dit soort erfgoed zich bevinden. Vaak werden archeologen laat bij de ontwikkeling van plannen betrokken. Hierdoor werd de aanwezigheid van archeologische waarden vaak pas ontdekt als projecten, zoals de aanleg van wegen of stadsvernieuwing, al in volle gang waren. Om het bodemarchief beter te beschermen en om onzekerheden tijdens de bouw van bijvoorbeeld nieuwe wijken te beperken, is het vanaf 1 januari 2005 verplicht vooraf onderzoek te laten doen naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op deze manier kan daar bij de ontwikkeling van de plannen zoveel mogelijk rekening mee worden gehouden. Op 16 april 1992 werd de verdragstekst door de leden van de Europese ministerraad in Valletta ondertekend. Daarmee is het verdrag de opvolger van een eerder Europees verdrag uit 1969 waarin vooral de bescherming van archeologische monumenten werd geregeld. Uitgangspunt van het nieuwe verdrag is dat het archeologische erfgoed al voordat het tot monument is verklaard, integrale bescherming nodig heeft en krijgt.

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Om het bodemarchief beter te beschermen en om onzekerheden tijdens de bouw van bijvoorbeeld nieuwe wijken te beperken, is het vanaf 1 januari 2005 verplicht vooraf onderzoek te laten doen naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op deze manier kan daar bij de ontwikkeling van de plannen zoveel mogelijk rekening mee worden gehouden. De gemeente heeft het cultuurhistorisch beleid, waaronder archeologie, verankerd in de Erfgoedverordening (vastgesteld 18 december 2014). 4.9.2 Beoordeling Archeologie Op 18 december 2014 is de archeologische beleidskaart verankerd in de Erfgoedverordening van de gemeente.

bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

38

Afbeelding 4.4 Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Moerdijk (2014), met aanduiding van het plangebied (rode cirkel) In het voorliggende plangebied geldt een lage archeologische verwachtingswaarde (archeologisch beleidsgebied 8). Voor gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde geldt alleen een onderzoeksplicht bij MER-plichtige activiteiten. Zoals blijkt uit paragraaf 4.1 is de voorliggende ontwikkeling niet MER-plichtig. De kans op het aantreffen van een intacte archeologische vindplaats wordt zeer klein geacht. Het uitvoeren van een nader archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Er is dan ook geen beschermende regeling inzake ‘archeologie’ opgenomen in het bestemmingsplan. Cultuurhistorie De gemeente Moerdijk heeft zelf een cultuurhistoriekaart samengesteld. De cultuurhistoriekaart brengt het erfgoed van de gemeente Moerdijk in beeld en geeft een overzicht van het bovengronds bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

39

cultuurhistorisch erfgoed, bouwkundige objecten en landschappelijke gebieden met cultuurhistorische waarde. De waarden zoals benoemd in de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie zijn integraal opgenomen in de cultuurhistoriekaart.

bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

40

Afbeelding 4.5 Uitsnede cultuurhistorische beleidskaart gemeente Moerdijk (2014), met aanduiding van het plangebied (rode cirkel) Fijnaart is een klassiek voorbeeld van een dorp van het Flakkeese type, met een brede voorstraat rechthoekig op de zeedijk, uitlopend op de kerkring. Het oorspronkelijke Fijnaart ontstond toen in 1380 Jan Boudewijnszoon en Geraert Willemszoon van Jan van Polanen en Hendrik van Boutersem toestemming kregen het gors ‘Die Finre’ te bedijken. Door het binnendijks afgraven van het veen (‘uitmoeren’) ontstonden instabiele gronden, waardoor het dorp bij de Sint Elisabethsvloed van 1421 werd weggespoeld. De gronden werden later opnieuw ingedijkt en uitgegeven. Pas in 1548 ontstond het huidige dorp Fijnaart, midden in de polder op het ‘Vrouw Jacobsland’, ook wel de Fijnaartse polder genoemd. CHW 2010, herziening 2016 De provincie koestert haar ruimtelijk erfgoed, zoals landgoederen, heidevelden, oude klooster- en fabriekscomplexen, vestingwerken, monumentale bomen en bodemvondsten. Ze ziet dit erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft ze haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De kaartlagen ‘cultuurhistorische vlakken’ en ‘complexen van cultuurhistorisch belang’ zijn ook opgenomen in de Verordening ruimte Noord-Brabant.

Afbeelding 4.6 Uitsnede kaart CHW, herziening 2016 (Provincie Noord-Brabant), met aanduiding van het plangebied (rode cirkel) Uit de kaart betreffende de cultuurhistorische waarden van Noord-Brabant, volgt dat de planlocatie in de regio 'Zeekleigebied' ligt. De regio is van cultuurhistorisch belang vanwege een rijk geschakeerd open bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

41

polderlandschap waarin de omgang met het water en de strijd met de zee nog duidelijk af te lezen zijn. In de regio zijn vooral de volgende cultuurhistorische landschappen van de Biesbosch en de Zuiderwaterlinie bij Willemstad-Klundert van provinciaal belang. Dragende structuren in de regio zijn: De dijken met hun wielen en bochten, hun onderlinge aansluitingen die de bedijkingsvolgorde verraden, alsmede hun kenmerkende aansluiting op het hoge land (U-dijken) De voorstraatnederzettingen De polders met een overwegend rationele percelering De kreken, kreekrestanten en uitwateringssluizen De verdedigingswerken De grienden en eendenkooien Behoud van de dragende structuren is uitgangspunt. Door de stedelijke ontwikkeling van Moerdijk is het plangebied geen onderdeel van een gebied met cultuurhistorische waarde. Bovendien is geen sprake van de aantasting van bestaande structuren. 4.9.3 Conclusie Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen op het gebied van archeologie optreden. De beoogde ontwikkeling leidt evenmin tot een aantasting van de thans aanwezige cultuurhistorische waarden. Derhalve gelden er ook vanuit het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.10

Duurzaamheid

De woningen worden gebouwd volgens de geldende eisen van het bouwbesluit en met de nodige duurzaamheidsvoorzieningen. Daarbij is het gebouw levensloopbestendig. Mensen die minder mobiel zijn, kunnen gemakkelijk de bergingen en alle appartementen bereiken. Vanaf de begane grond is elk appartement bereikbaar via de ruime kwalitatief hoogwaardige lift of het trappenhuis. De appartementen worden voorzien van een warmtepomp met een individuele bodembron. Deze warmtepomp is gasloos waardoor er op een duurzame manier verwarmd en gekoeld, en in warm tapwater kan worden voorzien. De ventilatie van de appartementen gebeurt mechanisch door middel van een warmteterugwinsysteem (WTW) unit. Hierdoor gaat er geen warmte verloren bij het ventileren van de woning. Dankzij het toepassen van goede isolatie en deze energiezuinige installaties zijn de woningen duurzaam. Ze belasten het milieu minder en stoten minder CO2 uit. Dit draagt bij aan de doelstelling van de gemeente Moerdijk om de CO2 uitstoot terug te dringen. Klimaatadaptief bouwen Het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft met gemeenten, provincies en waterschappen de ‘Handreiking decentrale regelgeving klimaatadaptief bouwen en inrichten’ gepresenteerd. Het weer vertoont meer extreme regenval, hardere stormen, grotere periodes van droogte en hitte.

Ook stijgt de zeespiegel en zijn de seizoenen verstoord (zachtere winters en hete zomers). De kans op hittegolven, wateroverlast en overstromingen neemt toe. We moeten in Nederland aan de slag om weerstand te kunnen bieden tegen deze extremere weersinvloeden, onder meer door de ruimtelijke ordening daarop aan te passen. Klimaatadaptief bouwen en inrichten biedt een kans om van gebieden een aantrekkelijk leef- en vestigingslocatie te maken met meer groen en ruimte voor water in de bebouwde omgeving en voor meer innovatieve bouwvormen. Hiermee worden ook andere doelen dan klimaatadaptie gediend, zoals een gezonde en veilige leefomgeving, biodiversiteit en het verhogen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De handreiking laat aan de hand van concrete voorbeelden zien wat er binnen de decentrale regelgeving al mogelijk is voor klimaatadaptief bouwen en inrichten.

4.11

Kabels en Leidingen

In paragraaf 4.6.2 is reeds aandacht besteed aan de ten zuiden van Fijnaart gelegen gastransportleiding. In het plangebied zelf bevinden zich geen planologisch te beschermen kabels en leidingen.

bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

42

4.12

Verkeer en parkeren

Het plangebied ligt nabij het centrum van Fijnaart. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. De woningen en parkeerplaatsen worden ontsloten via de nieuwe woonstraat die aansluit op de Koningin Julianastraat. In de 'Nota parkeernormen 2021' is het parkeerbeleid voor de hele gemeente opgenomen. ln de parkeerbeleidsvisie van de gemeente Moerdijk zijn de volgende beleidsuitgangspunten voor parkeren in ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen: ln ruimtelijke ontwikkelingen wordt de volledige parkeereis in beginsel op eigen terrein opgelost, danwel door de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Gebruik van mogelijke overcapaciteit van parkeerplaatsen in de openbare ruimte is mogelijk onder de in deze nota gestelde voorwaarden. Bij transformatieontwikkelingen- en functiewijziging kunnen bestaande parkeerplaatsen mogelijk in mindering gebracht worden op de parkeereis voor de nieuwe functie. De gemeente Moerdijk maakt gebruik van haar eigen parkeernormen die zijn gebaseerd op de algemene kencijfers van het CROW.

Voor woningen wordt onderscheid gemaakt in verschillende soorten woonfuncties. Voor koop- en vrije sector huurwoningen is de oppervlakte van de woning bepalend voor de parkeernorm. Voor woningen groter dan 90 m² geldt in Fijnaart aan norm van 2,2, voor appartementen groter dan 90 m² een norm van 2,1. Voor het bepalen van de parkeereis is in de Nota Parkeernormen 2021 een stappenplan opgenomen. Naast autoparkeernormen hanteert de gemeente Moerdijk ook fietsparkeernormen conform CROW richtlijnen. Ook hiervoor is het uitgangspunt dat de vereiste fietsparkeerplaatsen op eigen terrein worden aangelegd. Bij de grondgebonden woningen geldt een norm van 1 fietsplek per slaapkamer, voor de appartementen is dit 0,75 per slaapkamer. Beoordeling Bij de ontwikkeling is rekening gehouden met de Nota Parkeernormen 2021 van de gemeente Moerdijk. Het stappenplan leidt tot de volgende parkeereis. Stap 1: de normatieve parkeerbehoefte Voor de woningen en appartementen zijn op basis van de parkeernorm voor Fijnaart 48 parkeerplaatsen benodigd (10 x 2,1 + 12 x 2,2 = 47,4). Stap 3: vaststelling parkeereis Omdat geen sprake is van een mobiliteitscorrectie (stap 2) is dit ook de parkeereis.

Stap 4: aanleg parkeerplaatsen op eigen terrein dan wel aanleg van nieuwe parkeerplaatsen in de openbare ruimte In het openbaar gebied binnen het plangebied worden 34 parkeerplaatsen aangelegd en grenzend aan het plangebied worden aan de Koningin Julianastraat 5 langsparkeerplaatsen toegevoegd. Daarnaast is er bij 4 woningen één parkeerplaats op eigen perceel aanwezig en bij één woning 2 parkeerplaatsen. Omdat voor de parkeerplaatsen op eigen perceel omrekenfactoren van toepassing zijn, is per saldo sprake van de aanleg van 44,3 parkeerplaatsen. Daarmee is er een tekort van 3-4 parkeerplaatsen. Stap 5: gebruik van bestaande parkeerplaatsen in de openbare ruimte Als de parkeerdruk in de directe omgeving (max. loopafstand van 50 m) overdag niet hoger is dan 85% en in de avond en nacht niet hoger dan 90%, kan worden afgeweken van de gestelde parkeereis. De gemeente Moerdijk beschikt over parkeertellingen uit 2020 en 2021. Hieruit blijkt dat de parkeerdruk in de directe omgeving op 54% ligt, ver onder de genoemde percentages. In de openbare ruimte zijn dan ook voldoende parkeerplaatsen beschikbaar voor de woningen die worden gebouwd binnen het plangebied. Conclusie Er wordt voldaan aan de parkeereis. Ook heeft elke woning een eigen berging waarin voldoende ruimte is om fietsen te stallen. Er wordt daarmee ook voldaan aan de fietsparkeernorm.

bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

43

bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

44

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische opbouw van het plan. Aan de orde komen onder meer de opbouw van de regels, de relatie tussen regels en verbeelding en de beschrijving van de in de regels vastgelegde bestemmingen. Toelichting op verbeelding Op de verbeelding van het analoge bestemmingsplan zijn met behulp van kleuren, letteraanduidingen en/of arceringen de verschillende gebieds- en functionele bestemmingen weergegeven. De bestemmingsbegrenzingen volgen zoveel mogelijk geografische, topografische en/of kadastrale grenzen. Daar waar dat niet mogelijk bleek, is gekozen voor een meer praktische benadering. Toelichting op de regels De regels bevatten de juridische regeling voor het gebruik van de gronden, bepalingen over de toegelaten bebouwing en een regeling over het gebruik van bebouwing. De regels, die zijn onderverdeeld in paragrafen, worden hierna (indien nodig) toegelicht. De artikelen bevatten bepalingen over de specifieke bestemmingen in het plan. Bestemmingsvlak en bouwvlak Het gehele plangebied is voorzien van bestemmingen. De in het plangebied aanwezige bestemming Wonen bestaat uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar de woonfunctie toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied dat op de verbeelding is aangeven waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven.

Het bouwvlak is op de verbeelding voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Aanduidingen Binnen de woonbestemming zijn enkele aanduidingen opgenomen die betrekking hebben op het toegestane gebruik en de verschijningsvorm van bouwwerken. Opbouw planregels De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregel. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In het hoofdstuk Bestemmingsregels zijn alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Waar noodzakelijk is gebruikgemaakt van aanduidingen om toegestaan gebruik nader te specificeren. In het bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor. Groen De bestemming Groen is gebruikt voor plantsoenen, groenstroken en andere aanplanten binnen het plangebied die kunnen worden aangemerkt als structureel groen.

Binnen deze bestemming zijn speelvoorzieningen toegestaan. Gebouwen en parkeervoorzieningen zijn niet toegestaan binnen de bestemming. Tuin De voortuinen en langs de Koningin Julianastraat gelegen zijtuinen behorende bij de woningen zijn bestemd als tuin. Hier mogen ook parkeervoorzieningen worden gerealiseerd. In de bestemming Tuin mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde en erkers, luifels, balkons en andere ondergeschikte bouwdelen worden gerealiseerd. Ook de buitenruimte bij de appartementen op de begane grond is voorzien van de bestemming Tuin. Ter plaatse is de bouw van erkers uitgesloten. bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

45

Verkeer - Verblijfsgebied Deze bestemming geldt voor wegen, straten en pleinen, voet - en fietspaden ten behoeve van de afwikkeling van alle verkeer. Verder zijn binnen deze bestemming ook nuts- en speelvoorzieningen toegestaan. Wonen De bestemming 'Wonen' is opgenomen voor de bouwpercelen. Binnen het bouwvlak mogen het (hoofd)gebouw en daarbij behorende bouwwerken worden opgericht, met een maximale bouwhoogte zoals aangeduid op de verbeelding. Deze is afgestemd op het bouwplan dat is beschreven in paragraaf 2.2. Algemene regels In het hoofdstuk algemene regels zijn regels opgenomen die voor het gehele plangebied gelden. Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat bepalingen om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. De redactie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en overeenkomstig opgenomen. Algemene bouwregels In dit artikel is een regeling opgenomen dat er enkele kan worden gebouwd indien op het bouwperceel of in de directe omgeving daarvan voldoende parkeergelegenheid is voorzien en deze parkeergelegenheid als zodanig in stand wordt gehouden. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is een gebruiksregeling in relatie tot de realisatie van voldoende parkeergelegenheid opgenomen.

Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een algemene afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor geringe overschrijding van de bouwgrenzen. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een wijzigingsmogelijkheid voor de overschrijding van de bestemmingsgrenzen opgenomen. Het gaat hierbij om een bevoegdheid en houdt geen verplichting in. Deze bevoegdheid mag nadrukkelijk niet worden gebruikt om zodanig aanzienlijke wijzigingen van bestemmingen te bewerkstelligen, dat daarmee de essentie van het plan wezenlijk wordt veranderd. Overige regels In de regels van een bestemmingsplan wordt in een (toenemend) aantal gevallen met verwijzing naar een (andere) wettelijke regeling een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. De van toepassing verklaarde wettelijke regeling geldt zoals deze luidt op het moment van de vaststelling van het plan. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. Slotregel In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

46

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: 6.1.1 Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van één of meer woningen; b. de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een in het betreffende artikel genoemde bouwplan, namelijk de realisatie van 4 twee-onder-één-kapwoningen 8 aaneengebouwde woningen en 10 appartementen. Er dient een exploitatieplan te worden opgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Aangezien in voorliggend geval het kostenverhaal is vastgelegd door middel van een anterieure overeenkomst tussen gemeente Moerdijk en de initiatiefnemer, kan de vaststelling van een exploitatieplan achterwege blijven. Daarnaast zijn de kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente Moerdijk geen negatieve financiële gevolgen. Het bestemmingsplan is hiermee financieel uitvoerbaar.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsdialoog Eind 2021 is een omgevingsdialoog gehouden. Op 25 november 2021 heeft de initiatiefnemer een brief aan omwonenden verzonden met informatie over de bouwplannen en de mogelijkheid geboden om (digitaal) vragen te stellen. Er zijn vragen gesteld over het inrichtingsplan, de bouwplannen voor de woningen, de sloop- en bouwwerkzaamheden. Alle 12 personen die vragen hebben gesteld, zijn door de initiatiefnemer persoonlijk benaderd. De vragen zijn daarbij door de initiatiefnemer beantwoord. Inspraak en overleg In het kader van inspraak is het voorontwerpbestemmingsplan 'Koningin Julianastraat 25' gedurende zes weken, ter inzage gelegd. Daarnaast is het voorontwerpbestemmingsplan op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan diverse overleginstanties in het kader van het vooroverleg. Het plan was elektronisch te raadplegen op de gemeentelijke website en op www.ruimtelijkeplannen.nl, en op aanvraag ook analoog op het gemeentehuis. Gedurende de inspraaktermijn is een ieder in de mogelijkheid gesteld schriftelijk en/of mondeling te reageren op het voorontwerpbestemmingsplan. Ook heeft op 7 juli 2022 een inloopavond plaatsgevonden, waarbij belanghebbenden overwegend positief hebben gereageerd op de plannen.

De binnengekomen inspraak- en overlegreacties zijn samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie in de Nota van Inspraak en Overleg, die als Bijlage 13 is opgenomen. bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

47

In totaal zijn vijf vooroverlegreacties ontvangen. Naar aanleiding van het vooroverleg is het standaardadvies van de brandweer vervangen door het advies voor 2022 en is naar aanleidng van de reactie van het waterschap in paragraaf 4.10 het kader voor klimaatadaptief bouwen benoemd als inspiratiebron voor de verdere uitiwerking van het gebied. Tenslotte is één inspraakreactie ingediend. Deze inspraakreactie is tevens beantwoord in de Nota van inspraak en overleg, en leidde niet tot wijzigingen in het bestemmingsplan. Zienswijzen Na afronding van het vooroverleg en de inspraakprocedure wordt de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die volgen uit de inspraak- en overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan, alsmede één ambtshalve aanpassing. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Vaststelling De eventuele wijzigingen die voortkomen uit de zienswijzen worden verwerkt in het vast te stellen bestemmingsplan. De gemeenteraad is het bevoegd gezag voor de vaststelling van het plan. Na vaststelling ligt het plan nog eenmaal gedurende zes weken ter inzage; de beroepstermijn.

bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=abad2665-a515-4e44-bc5d-a0a92b82a332