Bijlage 1a Toelichting
Tekst van het document
Conclusie Met inachtneming van de beschermingszones van de waterkeringen heeft het bestemmingsplan geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Hiermee voldoen de ontwikkelingen aan de doelstellingen van duurzaam waterbeheer. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.
4.6
Cultuurhistorie
Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
38
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Nabij het plangebied loopt de westelijke, noord-zuid getraceerde kade (1800-1900) van de Roode Vaart, lopend naar de Mark, met op kruin een oude kasseiweg. Bestrating met kasseien. Beoordeling Het plangebied is niet gelegen in een gebied met een hoge cultuurhistorische waarde. Wel ligt het plangebied aan een structuur van hoge cultuurhistorische waarde. Dit betreft de Huizersdijk. De Huizersdijk staat ook op de gemeentelijke cultuurhistoriekaart aangeduid als een 'Waterkerende dijk of kade, 1500-1900, nog bestaand'. De Huizersdijk is van waarde vanwege de historische waarde van de kasseiweg langs de Roode Vaart. Deze kasseiweg is nog steeds aanwezig en deze blijft onveranderd met onderhavig plan. De Roode Vaart is op de gemeentelijke cultuurhistoriekaart aangeduid als Haven (relict). Het initiatief verandert niets aan de havenkade. Deze blijft in tact. Conclusie De onderhavige ontwikkeling voegt zich binnen de bestaande cultuurhistorisch waardevolle structuren.
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Met de zwarte contour is het plangebied geduid.
39
4.7
Archeologie
Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect 'archeologie' is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Beoordeling De gemeente Moerdijk heeft in 2017 het 'Uitvoeringskader Erfgoed' vastgesteld. Aan dit beleid is een archeologie kaart gekoppeld.
Deze kaart vormt de basis voor het verbeelden van prioriteiten in het belang van archeologische waarden. De kaart is ingedeeld in categorieën waaraan maatregelen c.q. vrijstellingsgrenzen zijn gekoppeld. Het gaat daarbij om de combinatie tussen de toegestane verstoringdiepte en de oppervlakte van een geplande ontwikkeling. Het noordoostelijke deel van het plangebied ligt is aangeduid als 'Archeologisch beleidsgebied 7'. Dat houdt in dat archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij bodemverstoring met een minimumoppervlakte van 250 m2 én een verstoringsdiepte van 2 meter. Het overige deel van het plangebied is geen archeologisch onderzoek voor benodigd.
40
Uitsnede Archeologische Beleidskaart van de gemeente Moerdijk. Met de rode contour is het plangebied geduid.
In 2020 is in het kader van de actualisering van het bestemmingsplan Molengors en bestemmingsplan Kop Roode Vaart, waarbinnen het plangebied ligt, een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is geconstateerd dat de diepere ondergrond bestaat uit dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Boven het dekzand is veen aanwezig (Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket). Hierboven zijn geul- en dekafzettingen aanwezig (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren) afgezet gedurende en direct na de Sint Elisabethsvloed in 1421). Het bovenste pakket bestaat uit (sub)recente ophooglagen. Op en in de top van het dekzand kunnen resten uit het Laat Paleolithicum tot en met het Neolithicum aanwezig zijn. Op en in de top van het Hollandveen kunnen archeologische resten uit de IJzertijd tot en met het begin van de Late Middeleeuwen voorkomen. Het is mogelijk dat een groot deel van het veen is afgegraven in de Middeleeuwen in het kader van turfwinning. Op en in de top van de dekafzettingen kunnen archeologische resten aanwezig zijn die samenhangen met activiteitenzones langs de Roode Vaart die ten oosten van het plangebied stroomt, uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. In de (sub) recente ophooglagen kunnen resten van de gesloopte suikerfabriek voorkomen.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek is geadviseerd om ter plaatse van het huidige plangebied nader archeologisch onderzoek uit te voeren bij ingrepen dieper dan 50 cm -mv en groter dan 30 m2. In het kader hiervan is dit onderzoek uitgevoerd. In het kader hiervan is door ADC Archeoprojecten een archeologisch booronderzoek ter plaatse van het plangebied uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn opgenomen als bijlage 6. De belangrijkste resultaten worden onderstaand behandeld. Het advies luidt om bij bodemingrepen dieper dan 2 meter in het met stelconplaten en beton verharde noordelijk en middendeel van het plangebied een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven. Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten. Een deel van de sleuven dient bij voorkeur te worden aangelegd op de locaties waar de bebouwing van de voormalige suikerfabriek aanwezig was. Omdat de exacte locatie van de panden van de voormalige suikerfabriek niet bekend is wordt geadviseerd om aanvullend archiefonderzoek uit te voeren waarbij oude (kadastrale) kaarten uit het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw worden geraadpleegd. ADC ArcheoProjecten adviseert om het onverharde zuidelijk deel van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen. Conclusie Het seleciebesluit is om ten aanzien van archeologie het terrein vrij te geven voor archeologisch onderzoek voor ingrepen tot 250 m2 en 200 cm onder maaiveld. Daarboven is archeologisch onderzoek noodzakelijk. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen. Een archeologische dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 7" wordt opgenomen voor het hele plangebied. Archeologische resten blijven daarmee in situ bewaard. Het zuidelijk deel kan worden vrijgegeven na een selectiebesluit door het bevoegd gezag.
4.8
Ecologie
4.8.1
Natuurgebieden
Toetsingskader
41
De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 2021 (PAS), welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma, voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb, en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen.
Beoordeling Er zijn in de omgeving van het plangebied beschermde natuurgebieden gelegen. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats betreft "Biesbosch", welke is gelegen op een afstand van circa 9 km. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige situatie is er bij een aanvraag omgevingsvergunning sprake van de toevoeging van maximaal negen woningen en de realisatie van bedrijfsbebouwing. Als bijlage 7 is een stikstofdepositieonderzoek toegevoegd, waarvoor twee AERIUS-berekeningen zijn gemaakt, één van de aanlegfase en één van de gebruiksfase. Op basis van de uitgevoerde berekeningen kan geconcludeerd worden dat bij de te beschermen gebieden geen relevante bijdrage (0,00 mol/ha/jaar) aan stikstofdepositie berekend wordt. Aangezien geen significante negatieve effecten mogen worden verwacht, vormt stikstofdepositie geen belemmering voor de planrealisatie. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten ten aanzien van gebiedsbescherming.
4.8.2
Flora en fauna
Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Veldbiologische werken heeft een quickscan flora & fauna uitgevoerd in het plangebied. De belangrijkste
42
resultaten worden hieronder besproken. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 8. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van het plangebied geen beschermde flora aanwezig zijn. Voor vogels, zoogdieren en alle overige soorten geldt dat geen geschikte verblijfslocaties zijn aangetroffen. In algemene zin moet de Zorgplicht in acht worden genomen. Deze Zorgplicht geldt met name ten aanzien van broedgevallen van alle vogelsoorten (maar ook voor flora, vissen, insecten, amfibiën en zoogdieren). Aangezien alle vogels tijdens het broeden zijn beschermd, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Waarbij wordt opgemerkt dat er geen vaste periode in het jaar voor het broedseizoen kan worden aangegeven. Het kan niet worden uitgesloten dat de Wet natuurbescherming t.a.v. vleermuissoorten wordt overtreden. Nader onderzoek op het gebied vleermuizen is noodzakelijk om hier uitsluitsel over te geven. Op basis van de bevindingen van deze quickscan is aanvullend onderzoek naar aanwezigheid en functioneel gebruik van vleermuizen noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd door Veldbiologische werken gedurende het vleermuizenseizoen in 2021. De rapportage daarvan is opgenomen als bijlage 9. Onderstaand worden de resultaten besproken. Geconcludeerd kan worden dat de Gewone dwergvleermuis gebruik maakt van de planlocatie.
Het betreft één zomerverblijf van maximaal 3 dieren. De locatie van het zomerverblijf betreft de houten dakrand van het gebouw bij de voormalige weegbrug. Ander functioneel gebruik van het plangebied door vleermuizen is niet waargenomen. Andere vleermuissoorten zijn binnen het plangebied niet waargenomen. Wel zijn vlieg- en foerageerroutes van Gewone dwergvleermuis, Rosse vleermuis en Watervleermuis vastgesteld buiten het plangebied (aan oostzijde van het plangebied) bij het daar aanwezige kanaal. Kanaal en oostzijde van het kanaal zullen in de toekomst ongewijzigd blijven. Het is redelijkerwijs uit te sluiten dat deze vlieg- en foerageerroutes worden aangetast door de voorgenomen plannen. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat Gewone dwergvleermuis verblijft in het in het gebouw van de voormalige weegbrug. Het betreft één zomerverblijf van maximaal 3 dieren. Bij de voorgenomen werkzaamheden zal deze verblijfsplaats verdwijnen door sloop van dit gebouw. Het vleermuisverblijf zal hierbij worden vernietigd. Voor vernietiging van deze vaste verblijfplaats van Gewone dwergvleermuis dient een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag.
Bij een aanvraag Wet natuurbescherming dient een activiteitenplan ingediend te worden met daarin voorgestelde tijdelijke (mitigerende) maatregelen en permanente (compenserende) maatregelen, alsmede opgave van wettelijk belang van de voorgenomen plannen en alternatievenafweging. Aan de hand van het activiteitenplan, wettelijk belang en alternatievenafweging wordt de aanvraag ontheffing Wet natuurbescherming beoordeeld.
43
Overzicht resultaten ecologisch onderzoek Vleermuizen. Bron: Veldbiologische Werken, 2021.
Conclusie In de regels wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen die de een aanvraag Wet natuurbescherming inclusief een activiteitenplan bij een sloopvergunning verplicht, totdat kan worden overgegaan tot sloop van het gebouw naast de weegbrug. Overige bebouwing, verharding en groen kan zonder ontheffing worden gesloopt/gerooid. Een ontheffing Wnb staat overigens niet in de weg. Er zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestlocaties en leefgebied(en) aanwezig voor de vleermuizen. Een ontheffing Wnb zal om die reden worden verleend. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is daarmee aangetoond.
4.9
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:
44
Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling De Roever Omgevingsadvies heeft een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit rapport is toegevoegd als bijlage 10 van onderhavige toelichting. De belangrijkste resultaten worden onderstaand behandeld. Het plangebied valt binnen de geluidzone van de Zuidrand, Kristallaan, Huizersdijk en Generaal Allenweg. Daarnaast zijn er een aantal relevante wegen gelegen binnen de 30 km/uur zone (Generaal Allenweg, Huizersdijk en Melassestraat). De toegestane snelheid op de betrokken gezoneerde wegen bedraagt 50 km/uur. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom. De hoogst toelaatbare geluidbelasting vanwege een geluidgezoneerde weg bedraagt 63 dB. In het akoestisch model is rekening gehouden met nieuw op te richten bedrijfsgebouwen op de bedrijfspercelen aan de Huizersdijk 11. Onderzoeksresultaten Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat een hogere waarde is nodig voor woning 1, waar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten aanzien van de Zuidrand wordt overschreden met 1 dB. Daarvoor is in principe een hogere waarde procedure nodig.
Om een hogere waardeprocedure te voorkomen, is besloten om het aanduidingsvlak 'bedrijfswoning' terug te leggen (verder van de Zuidrand af), tot waar de 48dB(A) grens ligt voor wegverkeerslawaai. Zodoende hoeft geen hogere waardeprocedure te worden door lopen. Na cumulatie van het wegverkeer wordt de milieukwaliteit geclassificeerd als 'redelijk' tot 'zeer goed' ter plaatse van de meeste woningen. Geluidsbelasting vanaf gezoneerde wegen staan een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg. Conclusie Ter plaatse van de beoogde bedrijfswoningen is ten aanzien van wegverkeerslawaai een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd. Er hoeft geen hogere waardeprocedure worden doorlopen.
45
4.10
Bedrijven en milieuzonering
4.10.1 Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Onderhavig bestemmingsplan maakt de realisatie van 9 bedrijfswoningen mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van deze functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Daartoe wordt allereerst het omgevingstype bepaald. Vervolgens wordt de feitelijk aanwezige bedrijvigheid vastgesteld en gevisualiseerd.
Op een visualisatie zijn de milieucontouren van de bestaande bedrijven aangegeven. Deze contouren tonen aan welke gebieden binnen het plangebied geschikt zijn voor het bouwen van bedrijfswoningen. Ten slotte wordt beoordeeld of een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoningen is te realiseren en of bestaande bedrijvigheid niet in de uitbreidingsmogelijkheden wordt belemmerd.
4.10.2 Beoordeling omgevingstype Binnen het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Molengors" zijn diverse gronden aanwezig welke bestemd zijn als "Bedrijventerrein" en kunnen derhalve mogelijk hinder naar de omgeving veroorzaken. In de VNG-publicatie is aangegeven dat er sprake kan zijn van twee omgevingstypen. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. De omschrijving die de VNG-publicatie hanteert voor de typering van het omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied is als volgt: Omgevingstype 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied' Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie, een stiltegebied of een natuurgebied.
Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen reeds een hogere milieubelasting kent. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt als volgt omschreven in de VNG-publicatie. Omgevingstype 'gemengd gebied' Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
46
Het plangebied aan de Huizersdijk ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als gemengd bedrijventerrein, en derhalve gemengd gebied. Er is sprake van diverse bedrijvigheid, variërend van licht tot middelzwaar. Tevens zijn vele bedrijfswoningen aanwezig op het bedrijventerrein Molengors.
4.10.3 Toets richtafstand gemengd gebied Onderstaand is een lijst van omliggende bedrijven opgenomen met de maatgevende richtafstanden.
adres/bedrijfsnaam
cat. SBI code
omschrijving
afstanden in meters omgevingstype gemengd gebied geur
stof
geluid gevaar
Huizersdijk 9-13 Red River-van Eck B.V. (plangebied)
3.1 4621
Groothandel in akkerbouw- producten en veevoeders
10
10
30
10
Huizersdijk 9-13 (na vaststelling bestemmingsplan)
2
-
10
10
10
10
Huizersdijk 14 Dielemans Plastics B.V.
3.1 222-3
Productie van 30 verpakkingsmateriaal en assemblage van kunststofbouwmateriale n
10
30
10
Huizersdijk 18 Red River van Eck [enkel opslag]
2
Opslaggebouwen
0
0
10
0
Huizersdijk 20, Tuytel Machinery B.V.
4.1 251, 331
Constructiewerkplaats in open lucht, p.o. < 2.000 m2
10
30
100
10
Huizersdijk 26 Rotako B.V.
3.2 251, 331-1
Constructiewerkplaatse 10 n – gesloten gebouw
10
50
10
Huizersdijk 17 Burger Betonstaal B.V.
2
52109 B
Opslaggebouwen
0
0
10
0
Melassestraat 3 J. van Beek timmer- en onderhoudsbedrijf
3.1 162-1
Timmer- en onderhoudsbedrijf
0
10
30
0
Melassestraat 9 Clean Cars
2
451
Autobedrijf in occasions 0
0
10
0
Melassestraat 11 Op den Kamp Keukens
2
4752
Montage en reparatie van keukens en bruinen witgoed
0
0
10
0
Allenweg 14 Siergrindvloeren Moerdijk & Schildersbedrijf Beljaarts
2
41, 42, Aannemersbedrijven 43-1 met werkplaats b.o. < 1.000 m2
0
0
10
0
Var
52109 B
47
Allenweg 20 WVS Groep
2
016-4
Plantsoenendiensten en 10 hoveniersbedrijven : b.o. < = 500 m2
0
10
0
Tabel: richtafstanden omliggende bedrijven in gemengd gebied
Op basis van bovenstaande tabel is een milieuzoneringenkaart gemaakt door Aveco de Bondt bv. Deze kaart is opgenomen als bijlage 11. Uit deze visualisatie blijkt dat de meeste bedrijven de functieaanduiding 'bedrijfswoningen' niet raken. Er zijn twee bedrijfslocaties die overlappen met de bedrijfswoningen in het plangebied. De eerste locatie is de locatie van Rotako B.V. aan de Huizersdijk 26. De tweede locatie is die van Tuytel Machinery B.V. aan de Huizersdijk 20. 4.10.4 Akoestischonderzoek industrielawaai Rotako Wematech heeft vanwege een overlapping van de richtafstand van Rotako een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd aan de hand van de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering. Tevens is getoetst aan de Norm Activiteitenbesluit milieubeheer, met de geaccoordeerde melding n.a.v. het rapport van Peutz (bijlage 12) als basis voor deze toets. Het akoestisch onderzoek industrielawaai naar Rotako is toegevoegd als bijlage 13. Uit het onderzoek is gebleken dat als gevolg van de maximaal planologische situatie voor Huizersdijk 26 voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet aan de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit de VNG publicatie kan worden voldaan. De berekende geluidbelasting kan wel voldoen aan de grenswaarde van 55 dB(A) uit de VNG publicatie (tevens de norm uit het Activiteitenbesluit).
Gezien de bedrijfswoningen in zijn geheel achter het eigen bedrijfspand worden gerealiseerd, wordt het bevoegd gezag ter plaatse van de woningen een hogere geluidbelasting toe te staan tot de grenswaarden uit de VNG-publicatie. Uit het onderzoek is gebleken dat als gevolg van de bedrijfsvoering van Rotako B.V. (Huizersdijk 26) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt voldaan aan de geluidnorm van 55 dB(A) etmaalwaarde uit het Activiteitenbesluit. Daarbij is in het ontwerp zoveel mogelijk rekening gehouden met de beperking van de geluidselasting op de woningen door de bedrijfspanden tussen de woningen en de bedrijven situeren. Voor de maximale geluidniveaus wordt ten hoogste 73/70/70 dB(A) berekend tijdens de dag-, avonden nachtperiode. Hiermee wordt in de dag- en avondperiode voldaan aan de geluidnorm van 75/70 dB(A) uit het Activiteitenbesluit. Gedurende de nachtperiode wordt de geluidnorm van 65 dB(A) ter plaatse van 5 woningen overschreden. Bij een definitief bouwonterp zal een aantal best beschikbare technieken (BBT) noodzakelijk zijn om het plan mogelijk te maken. Deze maatregelen kunnen zijn: het inperken van de bouwzone van de bedrijfswoning; een dove gevel uitvoeren op de verdieping of de begane grond; geen slaapkamers realiseren op de begane grond; het plaatsen van een hoge erfafscheiding met een dichtheid die voor voldoende geluidswering zorgt.
Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van de indirecte hinder ter plaatse van de gevoelige objecten binnen het plangebied ten hoogste 44 dB(A) etmaalwaarde wordt berekend. Hiermee wordt voldaan aan de voorgestelde richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde die wordt afgeleid uit de VNG-publicatie dan wel De Schrikkelcirculaire. Uit het akoestisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat na het doorvoeren van de (BBT-)maatregelen de geluidbelasting ter plaatse van de bedrijfswoningen binnen het plangebied wordt gereduceerd tot een acceptabel niveau. Het realiseren van het plan met het in acht nemen van de voorgeschreven maatregelen wordt derhalve voor het aspect geluid mogelijk geacht. Hierbij wordt nogmaals opgemerkt dat de bedrijfswoningen in zijn geheel achter de nieuwe bedrijfspanden worden gerealiseerd en op een bedrijventerrein zijn gelegen. Omdat de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit (tabel 2.17c), na het doorvoeren van de maatregelen, niet worden overschreden ter plaatse van de nieuwe bedrijfswoningen kan worden vastgesteld dat Rotako B.V. niet wordt belemmerd in haar bedrijfsvoering.
48
4.10.5 Akoestischonderzoek Tuytel-Machinery Wematech heeft vanwege de overlapping van de richtafstand van Tuytel-machinery een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd aan de hand van de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering. Tevens is getoetst aan de Norm Activiteitenbesluit milieubeheer, met de notitie geluid en bijbehorend rekenmodel van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant als basis voor deze toets (bijlage 14). Het akoestisch onderzoek industrielawaai naar Tuytel-Machinery is toegevoegd als bijlage 15. Uit het onderzoek is gebleken dat als gevolg van de maximaal planologische situatie voor een categorie 4.1 bedrijfsvoering aan de Huizersdijk 20 voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet aan de richtwaarde van 50 dB(A) en de grenswaarde van 55 dB(A) uit de VNG publicatie kan worden voldaan ter plaatse van 1 woning van het nieuwe plan. Uit de rekenresultaten blijkt echter dat bestaande bedrijfswoning aan de Huizersdijk 18, reeds een belemmerde bestemming vormt voor de maximale representatieve bedrijfsvoering voor een categorie 4.1 bestemming aan de Huizersdijk 20. Het realiseren van de meest noordoostelijke woning in het plangebied heeft derhalve geen belemmeringen voor de maximale bedrijfsvoering aan de Huizersdijk 20 tot gevolg.
Uit het onderzoek is gebleken dat als gevolg van de representatieve bedrijfsvoering van Tuytel-machinery (Huizersdijk 20) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt voldaan aan de geluidnorm van 55 dB(A) etmaalwaarde uit het Activiteitenbesluit. De overschrijding kan bij een definitief bouwonterp met een aantal best beschikbare technieken (BBT) worden opgelost. Deze maatregelen kunnen zijn: het inperken van de bouwzone van de bedrijfswoning; een dove gevel uitvoeren op de verdieping of de begane grond; geen slaapkamers realiseren op de begane grond; het plaatsen van een hoge erfafscheiding met een dichtheid die voor voldoende geluidswering zorgt. Voor de maximale geluidniveaus wordt ten hoogste 75/70/65 dB(A) berekend bij woning 9. Hiermee wordt in de dag-, avond- en nachtperiode niet voldaan aan zowel de richt- als grenswaarden uit de VNG-publicatie. Bij de overige woningen wordt wel voldaan aan de richtwaarde uit de VNG-publicatie. Uit de rekenresultaten blijkt echter dat bestaande bedrijfswoning aan de Huizersdijk 18, reeds een belemmerde bestemming vormt voor de maximale representatieve bedrijfsvoering voor een categorie 4.1 bestemming aan de Huizersdijk 20. Het realiseren van woning 9 heeft derhalve geen belemmeringen voor de maximale bedrijfsvoering aan de Huizersdijk 20 tot gevolg.
Als gevolg van de representatieve bedrijfsvoering van Tuytel-machinery wordt voor de maximale geluidniveaus ten hoogste 69/66/-- dB(A) berekend tijdens de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee wordt in de dag- en avondperiode voldaan aan de geluidnorm van 75/70 dB(A) uit het Activiteitenbesluit. Gedurende de nachtperiode vinden geen activiteiten plaats binnen de bedrijfsvoering van Tuytel-machinery. Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van de indirecte hinder ter plaatse van de gevoelige objecten binnen het plangebied ten hoogste 42 dB(A) etmaalwaarde wordt berekend. Hiermee wordt voldaan aan de voorgestelde richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde die wordt afgeleid uit de VNG-publicatie dan wel De Schrikkelcirculaire.
4.10.6 Cumulatie geluid Middels een aanvullende akoestische berekening (bijlage 16) is het cumulatieve geluidniveau voor de woningen 1 t/m 9 als gevolg van de bedrijfsvoering van Rotako B.V. en Tuytel-Machinery berekend. De uitwerking van de beoordeling van het woon- en leefklimaat is niet nader uitgewerkt in de wet maar is een algemeen begrip. Om te bepalen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt aansluiting gezocht bij de classificering van de kwaliteit van de akoestische omgeving in een milieukwaliteitsmaat volgens het RIVM. In onderstaande tabel is de kwalificatie van het woon- en leefklimaat weergegeven.
49
Tabel: beoordeling akoestische kwaliteit in woon- en leefklimaat. Bron: Wematech, 2022. In onderstaande tabel is de Lden vanwege industrielawaai voor de bedrijven Rotako & Tuytel-machinery vastgesteld. Hiermee kan het toekomstig woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners worden vastgesteld.
Tabel: rekenresultaten cumulatieve bedrijfssituatie Rotako & Tuytel-machinery. Bron: Wematech, 2022.
Uit de tabel kan worden opgemaakt dat voor alle woningen een redelijk tot zeer goed woon- en leefklimaat voor het aspect industrielawaai kan worden gegarandeerd vanwege de bedrijfsvoeringen van Rotako & Tuytel-machinery.
4.10.7 Woon- en leefklimaat voor bestaande en nieuwe bedrijfswoningen De woon-werkkavels zijn zelf ook milieubelastende functies. Bestaande (bedrijfs)woningen kunnen dus mogelijk worden aangetast in hun woon- en leefklimaat. Onderhavig bestemmingsplan stuurt op een goed woon - en leefklimaat ter plaatse van bestaande en nieuwe bedrijfswoningen. De artikelen 3.3.4 tot en met 3.3.8 uit het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Molengors" zijn daarvoor overgenomen in onderhavig plan. Deze artikelen stellen specifieke gebruiksregels voor de aspecten geluid, geur en trillingen, ter bescherming van het woon- en leefklimaat in bedrijfswoningen. Daarmee is nog niet voldaan aan de richtafstand uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', omdat bedrijfsactiviteiten die buiten plaatsvinden tot op de perceelsgrens zijn toegestaan. Toch kan in theorie een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning altijd worden gerealiseerd. Gesteld kan worden dat een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat gegarandeerd is wanneer in het kader van langtijdgemiddelden op de gevel het niveau maximaal 55 dB(A) in de dagperiode, 50 dB(A) in de avondperiode en 45 dB(A) in de nachtperiode bedraagt. De eisen met betrekking tot de geluidsisolatie van geluidgevoelige gebouwen zijn onder meer vastgesteld in het Bouwbesluit.
Voor woningen stelt het bouwbesluit dat de geluidsisolatie van de uitwendige scheidingsconstructies (gevels / daken) van woningen zodanig moeten zijn dat het binnenniveau (woonkamer, slaapkamers, etc.) niet groter mag zijn dan 33 dB(A). Hieruit volgt dus dat de vereiste geluidsisolatie variabel is. Hoe hoger de geluidbelasting op de gevel van een woning, hoe hoger de vereiste geluidsisolatie.
50
Uit het Bouwbesluit 2012 volgt dat elke gevel van normale bouwkundige opzet al over een geluidwering van op zijn minst 20 dB(A) beschikt. In onderhavig geval dient echter in sommige gevallen een gevelwering van 55 - 33 = 22 dB(A) te worden toegepast. Met de best beschikbare technieken is het tegenwoordig goed mogelijk om een gevelwering van 22 dB(A) of meer te realiseren.
4.10.8 Uitbreidingsmogelijkheden bestaande bedrijven De uitbreidingsmogelijkheden van bestaande bedrijvigheid worden niet belemmerd om de volgende redenen: Nieuwe woningen liggen buiten de richtafstanden van de meeste bestaande bedrijvigheid; Bedrijfswoningen worden aan de zijde van de Roode Vaart gerealiseerd, de achterzijde van de bedrijfspercelen. Bedrijfsgebouwen worden tussen de milieubelastende activiteiten aan de overzijde van de Huizersdijk (onder andere Rotako B.V., Huizersdijk 26 en Tuytel-machinery, Huizersdijk 20) en de nieuwe bedrijfswoningen in gebouwd. Deze bedrijfsgebouwen vormen een virtuele geluidswal tussen de bedrijvigheid en bedrijfswoningen. Uit akoestisch onderzoek industrielawaai van Wematech is gebleken dat voor de locatie van Rotako B.V. kan worden voldaan aan de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' en dat (met voorwaardelijke bepalingen) kan worden voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Het akoestisch onderzoek industrielawaai voor de locatie van Tuytel-machinery toont aan dat voldaan wordt aan stap 2 uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Ten slotte worden de percelen ingericht met de bedrijfsbebouwing aan de wegzijde en de bedrijfsbebouwing aan de achterzijde zodanig ingericht, dat distributie en transport aan de wegzijde zal plaatsvinden.
4.10.9 Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat te verzekeren. Onderhavig initiatief belemmert omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering. Dit is geregeld in een voorwaardelijke verplichting binnen de bestemming 'Bedrijventerrein'. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van bestaande bedrijfswoningen is gewaarborgd met richtlijnen voor de aspecten geluid, geur en trillingen. De uitvoerbaarheid van het plan is aangetoond.
4.11
Externe veiligheid
4.11.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR). Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
51
Uitsnede van de risicokaart. Met de gele ster is globaal het plangebied 5 geduid. Bron: risicokaart.nl, 2020.
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft een inrichting met een propaantank aan de Pastoor van Kessellaan ten behoeve van het zwembad. De afstand van de grens van de inrichting tot de grens van het onderhavige plangebied ligt op een afstand van circa 620 meter. Er is geen sprake van een risicocontour, derhalve is het plaatsgebonden risico niet van invloed op onderhavig initiatief. Het plangebied bevindt zich aldus niet binnen een PR 10-6 contour, maar wel binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen die gevestigd zijn op industrieterrein Moerdijk. Het gaat om inrichtingen als Shell, ATM en NTG Logistics B.V. De risico’s als gevolg van deze aanwezigheid van risicovolle inrichtingen (toxisch scenario) dienen meegenomen te worden in een verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een Bevi inrichting en/of infrastructuur (grijze zone), kan volstaan worden met een standaardverantwoording. Het standaardadvies van de brandweer/veiligheidsregio dat bij deze verantwoording hoort, is in de bijlage toegevoegd (bijlage 17).
Verantwoording groepsrisico, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid Binnen het plangebied worden 9 bedrijfswoningen mogelijk gemaakt. Dit betekent een toename van 11 personen in de dagperiode en 22 personen in de nachtperiode. De betreffende inrichtingen hebben allen
52
een groepsrisico dat later is dan de oriënterende waarde. Gezien de afstand van meer dan 4 kilometer tot deze inrichtingen is het niet aannemelijk dat de onderhavige ontwikkeling een relevante invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico. Voor de relevante inrichtingen betekent de planvorming geen wijziging van de bereikbaarheid of de benodigde blusatercapaciteit nabij die inrichtingen. Bij een calamiteit bij de relevante inrichtingen kunnen toxische stoffen vrijkomen die als een wolk in de richting van het plangebied kunnen drijven. De woningen binnen het plangebied dienen derhalve voldoende luchtdicht te zijn. Gezien het feit dat het nieuwbouw betreft, zal op grond van de vigerende bouwregelgeving voldoende aandacht zijn voor de luchtdichtheid van deze bouwwerken. De woningen worden voorzien van een luchtcirculatiesysteem. Deze kunnen met één handeling uitgeschakeld worden.
Conclusie Met onderhavig bestemmingsplan is geen sprake van een plaatsgebonden risico. Het groepsrisico neemt niet toe. Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.11.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd.
De dichtstbijzijnde weg waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvind is de Rijksweg A17, deze ligt op een afstand van circa 2.300 meter. In vrijwel alle gevallen wordt het groepsrisico van een weg bepaald door GF3. Volgens bijlage 1 van het Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) brengt het toevoegen van bevolking buiten de 400 m van de as van de weg geen wezenlijke veranderingen in de hoogte van het groepsrisico. Het plangebied ligt buiten de 400 m, de invloed van de voorgenomen ontwikkeling op het groepsrisico is dan ook nihil en rekenkundig niet aantoonbaar. De dichtstbijzijnde spoorlijn is route Moerdijk - Roosendaal. De spoorweg ligt op 600 meter afstand van het plangebied. Volgens bijlage 1 van de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) brengt het toevoegen van bevolking buiten de 400 m van de as van de spoorbaan geen wezenlijke veranderingen in de hoogte van het groepsrisico. Het plangebied ligt buiten de 400 m, de invloed van de voorgenomen ontwikkeling op het groepsrisico is dan ook nihil en rekenkundig niet aantoonbaar. De risico's ten aanzien van externe veiligheid zijn dermate laag dat een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk geacht wordt. De standaard verantwoording is van toepassing en deze is opgenomen als bijlage 18.
Het Bevt geeft de regionale brandweer een wettelijke adviestaak bij eht invullen van de verantwoordingsplicht. De adviestaak omvat de mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te 53
voorkomen of de omgang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. In dit hoofdstuk wordt invulling gegeven aan de verantwoordingsplicht.
In artikel 7 en 8 van het Bevt is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht waarbij de verantwoording dient in te gaan op de volgende onderdelen: de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, dient binnen de planlocatie rekening te worden gehouden met een toxisch scenario.
Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Het plangebied moet bereikbaar zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is. Op grond van informatie van de brandweer Midden- en West-Brabant is in combinatie met het open water voldoende blusater aanwezig voor het bestrijden van branden op het spoor en in de bedrijfswoningen. Ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Binnen het plangebied worden geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor (minder) zelfredzame personen.
Het plan betreft de ontwikkeling van een plan voor bedrijfswoningen. Indien minder zelfredzame personen aanwezig zijn, wordt er vanuit gegaan dat zij met behulp van valide personen in veiligheid kunnen worden gebracht. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg/spoor is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Gelet op het feit dat nieuwe woningen worden gebouwd, moet op grond van het bouwbesluit aandacht geschonken worden aan een goede luchtdichtheid. Indien desalniettemin bij een toxische volk het gebied moet worden ontruimd, is het van belang dat personen haks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron afgericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopend zijn. Op basis van het bestaande wegennet kan haaks op de bron gevlucht worden. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
54
4.11.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden.
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde hogedruk buisleiding is gelegen op een afstand van circa 1.400 meter. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedgebied van deze of andere buisleidingen. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavig plan.
4.12
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als:
55
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de afwaardering van een bedrijventerrein en het toestaan van 9 bedrijfswoningen. Gesteld kan worden dat het plan in verhouding tot de bestaande maximale planologische mogelijkheden, bijdraagt aan een verbetering van de luchtkwaliteit. Bovendien is blijkens de luchtkwaliteitskaart van het RIVM ter hoogte van het plangebied geen sprake van een hoge achtergrondbelasting inzake fijnstof of stikstofdioxide.
Worst-case benadering voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit, GCN2022.
De NIBM-tool toont dat de bijdrage van het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
56
4.13
Kabels en leidingen
Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer . a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.
4.14
Milieueffectraportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling
Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 - Commissie vs. Nederland).
Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER
57
moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.
er sprake
In onderhavige situatie is er sprake van de realisatie van bedrijfswoningen en de afwaardering van de maximale milieucategorie van een bestaand bedrijventerrein. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst, noch op de D-lijst. Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de afwaardering van de maximale milieucategorie op een bestaand bedrijventerrein. De realisatie van maximaal 9 woningen blijft ook ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Separaat wordt een besluit genomen of een MER-plicht van toepassing is. Daarvoor heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden (zie bijlage 19).
Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
58
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische plantoelichting
Inleiding
Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.
5.2
Opbouw van de regels
Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit drie hoofdstukken, te weten: inleidende regels; algemene regels; overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.
5.3
Regels
5.3.1
Hoofdstuk1 'Inleidende regels'
Artikel 1 'Begrippen' In het eerste artikel, 'begrippen', worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP en Bor omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen. Artikel 2 'Wijze van meten' Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeeldingen geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van