Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing d.d. 2 augustus 2023
Tekst van het document
Archeologische waarden
Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Gezien dit uitgangspunt moeten, in het geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge verwachtingswaarde voor archeologisch erfgoed, de archeologische waarden door middel van een vooronderzoek in kaart worden gebracht. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn, dient, voordat er bodemingrepen plaatsvinden, een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd.
26 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Volgens de archeologische waardenkaart is de projectlocatie gedeeltelijk gelegen in een gebied met archeologisch beleidsadvies 5 en gedeeltelijk in een gebied met archeologisch beleidsadvies 8. Voor gebieden met een archeologisch beleidsadvies 5 geldt een archeologische onderzoeksplicht bij een minimum oppervlakte van 100 m2 en een verstoringsdiepte van 50 cm. Voor gebieden met een archeologisch beleidsadvies 8 geldt een archeologische onderzoeksplicht bij een minimum oppervlakte van 10.000 m2 en een verstoringsdiepte van 50 cm. De locatie waar de nieuwe stallen worden gerealiseerd bevindt zich in het gebied met archeologisch beleisadvies 8 (zie volgende figuur).
Figuur 14: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Moerdijk, maart 2013 (plangebied rood omkaderd).
De nieuwe stallen hebben samen inclusief overdekte uitloop een oppervlakte van 4.663,6 m2. Daarmee wordt de drempelwaarde van 10.000 m2 niet overschreden. Een archeologisch vooronderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Indien tijdens de bouwwerkzaamheden toch archeologische waardevolle vondsten worden gedaan, dient hiervan melding te worden gemaakt bij het bevoegd gezag. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen te verwachten zijn.
27 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
4.4
Ontsluiting en parkeren
4.4.1
Ontsluiting
De projectlocatie wordt ontsloten door middel van een uitrit op de Zwingelspaansedijk. De Zwingelspaansedijk is een 60 kilometerweg. Onderhavig initiatief ziet op een uitbreiding van de veehouderij ten behoeve van de verhoging van het dierenwelzijn. Het aantal dieren neemt niet toe; het aantal verkeersbewegingen van en naar het bedrijf blijft hiermee gelijk. Dit betekent dat de Zwingelspaansedijk en andere wegen in de omgeving niet extra worden belast. De volgende figuur situeert de ontsluiting van de projectlocatie.
Inrit
Figuur 15: Ontsluiting projectlocatie (rood omkaderd)
4.4.2
Parkeren
Ten aanzien van parkeren gelden de beleidsregels Parkeerbeleid 2021 gemeente Moerdijk en de Beleidsregels Nota Parkeernormen Gemeente Moerdijk 2021. Parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. Ten behoeve van de bedrijfswoning dienen 2,2 paarkeerplaatsen aanwezig te zijn. Bij de bedrijfswoning is voldoende parkeergelegenheid aanwezig. Ten behoeve van de pluimveehouderij is sprake van een toename van de bebouwd oppervlakte van 4.663,6 m2. Het aantal dieren neemt echter niet toe; het aantal bezoekers en verkeersbewegingen van en naar het bedrijf blijft hiermee gelijk. Er is daardoor geen behoefte aan extra parkeerplaatsen. Er is voornamelijk sprake van een aan- en afvoer van vrachtverkeer en personenvervoer ten behoeve van het pluimvee- en akkerbouwbedrijf. Voor beide takken betreft het kortstondige verblijfsmomenten. Gemiddeld is per dag sprake van 3 bezoekers met personenvervoer en 2 vrachtverkeer. Maximaal is sprake van 15 vrachten vrachtverkeer per dag. Er is voldoende ruimte op het bedrijf om de kortstondige verblijfsmomenten van dit verkeer op te vangen.
28 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
4.5
Kabels en leidingen
De aanwezigheid van kabels en/of leidingen in een gebied kunnen de realisatie van eventuele bouwplannen in de weg staan. In de directe omgeving van de projectlocatie bevinden zich buiten de normale huis- en bedrijfsaansluitingen geen leidingen en kabels die een fysieke belemmering vormen.
29 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
5. Milieuaspecten 5.1
M.e.r.-beoordeling
Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben dient op basis van wet- en regelgeving vaak een m.e.r.-procedure doorlopen te worden. Om te beoordelen of een plan of besluit m.e.r.-(beoordeling)plichtig is, dient te worden bepaald of het project is opgenomen in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het Besluit m.e.r. is per 1 juli 2017 gewijzigd. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst van de bijlage en die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen dient een toets te worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De ontwikkeling ziet op een uitbreiding van het bouwvlak ten behoeve van twee pluimveestallen voor de huisvesting van 46.460 vleeskuikens. Conform bijlage D.14 van het Besluit milieueffectrapportage geldt voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 40.000 stuks pluimvee een m.e.r.beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordelingsnotitie is uitgevoerd.
5.2
Bodem
In een bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of bij een buitenplanse afwijkingsprodedure. In artikel 8 van de Woningwet is aangegeven dat een gemeente in de gemeentelijke bouwverordening regels moet opnemen om het bouwen op verontreinigde grond tegen te gaan. De gemeente heeft de taak om alleen een omgevingsvergunning (aspect bouwen) te verlenen als de kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Hiertoe toetst de gemeente de informatie omtrent de bodemkwaliteit aan de Circulaire bodemsanering. Als de bouwlocatie daaraan niet voldoet, dan kan de gemeente een aanvraag voor een omgevingsvergunning weigeren, of nadere eisen in de vergunning opnemen. Bodemtoets Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moet in bepaalde gevallen worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. In de beoogde situatie worden twee nieuwe pluimveestallen gerealiseerd.
De nieuwe stallen worden parallel aan de bestaande bedrijfsbebouwing gerealiseerd op landbouwgrond aansluitend op het bestaand bouwperceel. De landbuwgrond heeft de agrarische functie, evenals het bestaand bouwperceel. De agrarische functie wijzigt niet en de nieuwe pluimveestallen betreffen geen gevoelig object. Aangenomen kan worden dat de bodemkwaliteit ter plaatse geschikt is voor de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten. Een bodemonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
30 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
5.3
Water
De projectlocatie is niet gelegen binnen of in de nabijheid van een waterwingebied of een beschermingszone hiervan. Daarnaast is de projectlocatie niet gelegen in een gebied dat bestemd of gereserveerd is ten behoeve van regionale waterberging. De meest nabijgelegen reservering waterberging ligt op een afstand van circa 720 meter ten noordwesten van de projectlocatie (zie volgende figuur).
Figuur 16: in de omgeving van de projectlocatie (plangebied rood omkaderd)
De beoogde ontwikkeling heeft dan ook geen directe invloed op de grondwaterhuishouding van het gebied. De waterhuishoudkundige gevolgen binnen het plan worden behandeld in de waterparagraaf (hoofdstuk 6).
5.4
Geluid
In het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. In dit kader is onderzocht of de toekomstige ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de omgeving. Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit artikel 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient te worden verricht, indien sprake is van het projecteren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen een dergelijke zone. Uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Er wordt geen geluidgevoelig object toegevoegd. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet noodzakelijk
31 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Industrielawaai Ten aanzien van geluid worden de richtafstanden van de Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG aangehouden. In de volgende paragraaf ‘Bedrijven en milieuzonering’ wordt onderbouwd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Geluid binnen de inrichting De initiatiefnemer is een tweetal nieuwe stallen realiseren met inpandige uitlopen en aan de bestaande stallen overdekte uitlopen voor de kippen, met als doel meer leefruimte te creëren voor de dieren. Het aantal kippen blijft in de beoogde situatie gelijk aan het huidige vergunde dierenaantal. De factoren binnen de inrichting die een bijdrage leveren aan de geluidsproductie zijn: • Stationaire bronnen (ventilatoren, voervijzel); • Laden en lossen kuikens; • Aanvoer voer; • Afvoer mest; • Overige los- en laadactiviteiten; • Bezoekers van het bedrijf; • Interne transportbewegingen; In de revisievergunning d.d. 30 augustus 2012 zijn in de geluidsvoorschriften grenswaarden opgenomen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau. In de veranderingsvergunning van 4 april 2017 zijn extra geluidsvoorschriften opgenomen voor nieuwe incidentele bedrijfssituaties en een regelmatig afwijkende situatie opgenomen. Op de huidige vergunning van 15 mei 2019 zijn dezelfde voorschriften van toepassing.
Door onderhavige ontwikkeling vinden geen grote veranderingen plaats in de geluidsemissie ten opzichte van de vergunde situatie. Het aantal verkeersbewegingen blijft gelijk. Er komen nieuwe ventilatoren in de nieuwe stallen, maar deze komen op grotere afstand van de geluidgevoelige objecten, waardoor aannemelijk is dat kan worden voldaan aan de vigerende geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en de maximale geluidniveaus. De verkeersbewegingen zullen zo veel als mogelijk in de dagperiode plaatsvinden om de geluidshinder te beperken. De geluidsbronnen binnen het bedrijf worden zoveel mogelijk afgeschermd waardoor het brongeluid zoveel mogelijk gedempt wordt. De aan- en afvoerbewegingen vinden zo ver mogelijk plaats van geluidsgevoelige objecten. Door de wijziging en uitbreiding van het bedrijf verslechtert de woon- en leefomgeving niet ten opzichte van de huidige situatie. De geluidbelasting en het aantal verkeersbewegingen zal niet toenemen zodat geen hinder in de omgeving zal worden ondervonden. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.5
Bedrijven en milieuzonering
Er dient voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende en hindergevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de woon- en leefkwaliteit. Indien milieubelastende functies in de projectlocatie mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) geeft per bedrijfsactiviteit richtafstanden met betrekking tot geur, fijn stof, geluid en gevaar die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen in de directe omgeving van een
32 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
ruimtelijke ontwikkeling binnen aanvaardbare normen te houden. De afstanden gelden tussen de grenzen van de bestemmingsvlakken van het bedrijf en een hindergevoelig object. De volgende figuur laat de ligging van de bedrijven zien in de directe omgeving van de projectlocatie.
Zwingelspaansedijk 24 (Fruitteeltbedrijf)
Noordlangweg ong. (Nutsvoorziening) Zwingelspaansedijk 8 (Akkerbouwbedrijf)
Zwingelspaansedijk 5 (Onbekend categorie 2bedrijf)
Noordlangweg 2 (Groothandel in houten bouwmaterialen)
Figuur 17: Ligging bedrijven in de omgeving van de projectlocatie (plangebied rood omkaderd)
De volgende tabel toont de richtafstanden die betrekking hebben op de projectlocatie. Tabel 3: Richtafstanden op basis van ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG) Categorie bedrijvigheid Indices en richtafstanden (meters) Zwingelspaansedijk 24 (Fruitteeltbedrijf) Geur Stof Geluid Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen) 10 10 30 Zwingelspaansedijk 8 (Akkerbouwbedrijf)
Werkelijke afstand (meters) Gevaar 10
180
Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen) Zwingelspaansedijk 1 (Akkerbouwbedrijf)
10
10
30
10
183
Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen) Zwingelspaansedijk 5 (oObekend, categorie 2)
10
10
30
10
49
30 Noordlangweg 2 (Groothandel in hout- en bouwmaterialen) Groothandel in bouw en houtmaterialen (b.o. < 2.000 m2) Noordlangweg ongenummerd (Nutsvoorziening) Electriciteitsdistributiebedrijven, met tranformatorvermogen < 10 MW
45
0
10
30
0
230
0
0
30
10
125
33 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Aan alle richtafstanden wordt voldaan. Omgekeerd gelden de richtafstanden voor het bedrijf van initiatiefnemer ten opzichte van de hindergevoelige objecten in de omgeving (zie volgende figuur). Tabel 4: Richtafstanden op basis van ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG) bedrijf initiatiefnemer Categorie bedrijvigheid Indices en richtafstanden (meters) Zwingelspaansedijk 16 (Pluimveehouderij en akkerbouwbedrijf) Geur Stof Geluid Gevaar Fokken en houden van pluimvee 200 30 50 0 Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen) 10 10 30 10
De meest nabijgelegen gevoelige objecten zijn de woningen aan de Zwingelspaansedijk 1 en 3, beiden gelegen op ongeveer 40 meter van de grens van het bestemmingsvlak van het pluimvee- en akkerbouwbedrijf. De woning aan de Zwingelspaansedijk 14 ligt op een afstand van ongeveer 70 meter van het bestemminsvlak van het pluimvee- en akkerbouwbedrijf en de woning aan de Zwingelspaansedijk 22 ligt op een afstand van ongeveer 130 meter van het bestemmingsvlak van het pluimvee- en akkerbouwbedrijf. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden op basis van de Bedrijven en Milieuzonering VNG met uitzondering van het aspect geluid voor de woningen aan de Zwingelspaansedijk 1 en 3 en geur voor al de genoemde objecten. De pluimveestallen liggen in werkelijkheid verder weg van de woningen aan de Zwingelspaansedijk 1 en 3 dan de grens van het bestemmingsvlak; in werkelijkheid ligt de meest nabijgelegen pluimveestal circa 115 meter van de woningen aan de Zwingelspaansedijk 1 en 3 en wordt dus wel voldaan aan de richtlijn met betrekking tot geluid. In paragraaf 5.7 wordt toegelicht dat wel wordt voldaan met betrekking tot het aspect geur. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.6
Luchtkwaliteit
De wijze van berekening van de concentraties luchtverontreinigende stoffen is vastgelegd in de ‘Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007’. Voor de veehouderij zijn voor de diverse diersoorten en stalsystemen specifieke emissiefactoren vastgesteld. Deze zijn gekoppeld aan de diercodes zoals vermeld in de Regeling ammoniak en veehouderij. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen zoals bedoeld in artikel 4.9 en 5.2 van deze wet. Voor veehouderijen is met name de emissie van fijn stof (PM10) relevant. Voor zwevende deeltjes (PM10) zijn in paragraaf 4 van deze bijlage de volgende normen opgenomen; een jaargemiddelde achtergrondconcentratie van maximaal 40 μg per m³ en een 24-uursconcentratie van 50 μg per m³ dat maximaal 35 keer per jaar mag worden overschreden. Sinds 1 januari 2015 worden er ook grenswaarden gesteld voor zeer fijnstof (PM2,5). Deze bedraagt 25 μg per m³, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie. De volgende tabellen geven een overzicht van de emissie van fijnstof in de bestaande situatie en de beoogde situatie. Uit onderzoek door Alterra is gebleken dat winderosie en emissies uit de stallen de belangrijkste bronnen zijn van primair fijn stof vanuit de landbouw. De overige bronnen leveren een relatief kleine bijdrage aan de totale emissie van fijn stof. Het primair stof uit landbouwbedrijven komt voor 95% uit de stallen 1.
De emissiefactoren zijn afkomstig van de lijst van het ministerie van VROM welke in maart 2023 is vastgesteld.
1 ASG, Activiteiten aan hotspots, emissie van fijn stof en NOx. 2007
34 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Tabel 5: Emissie fijnstof vigerende vergunning Stalnr Diersoort RAV code omschrijving stalsysteem 1 Vleeskuikens E 5.15 Stal met buizenverwarming (BW 2017.01.V2) 2 Vleeskuikens E 5.10 stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V5) 3 Vleeskuikens E 5.10 stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V5) 4 Vleeskuikens E 5.11 stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar (BWL 2010.13.V5 i.c.m. E 7.6) 8 Volwassen paarden K 1.100 (3 jaar en ouder) 8 Volwassen pony's (3 K 3.100 jaar en ouder)
Tabel 6: Emissie fijnstof beoogde situatie Stalnr Diersoort RAV code omschrijving stalsysteem 1
Vleeskuikens
2
Vleeskuikens
3
Vleeskuikens
4
Vleeskuikens
5
Vleeskuikens
6
Vleeskuikens
8
Volwassen paarden (3 jaar en ouder) Volwassen pony's (3 K 3.100 jaar en ouder)
8
Aantal PM10/ PM10 dieren dier/jaar totaal/jaar 24.000 22,00 528.000,00 24.000
22,00
528.000,00
31.000
22,00
682.000,00
31.000
15,18
470.580,00
2
-
2
Totaal 2.208.580,00
Aantal dieren
E 5.15 Stal met buizenverwarming (BW 2017.01.V2) E 5.10 stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V5) E 5.10 stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V5) E 5.11 stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar (BWL 2010.13.V5 i.c.m. E 7.6) E 5.15 Stal met buizenverwarming (BW 2017.01.V2) E 5.15 Stal met buizenverwarming (BW 2017.01.V2) K 1.100
PM10/ dier/jaar
PM10 totaal/jaar
13.980
22,00
307.560,00
14.160
22,00
311.520,00
17.700
22,00
389.400,00
17.700
15,18
268.686,00
23.230
10,56
245.308,80
23.230
10,56
245.308,80
2
-
2
Totaal 1.767.783,60
Er is sprake van een afname van de fijnstofemissie. Resultaten De fijnstof- en zeer fijnstofemissieberekeningen zijn uitgevoerd voor de beoogde situatie middels het programma ISL3a V2022. De volgende tabel geeft een overzicht van de resultaten. De berekeningen zijn tevens opgenomen in de bijlage. Tabel 7: Resultaten emissieberekeningen fijn stof (PM10 en PM2,5) Adres geurgevoelig object Concentratie PM10 [microgram/m3] Zwingelspaansedijk1 15,72 Zwingelspaansedijk 3 15,65 Zwingelspaansedijk 14 15,59 Zwingelspaansedijk 22 15,20 Ronddeel 23 Klundert 14,52
Overschrijding [dagen] 6,4 6,4 6,0 6,3 6,0
Concentratie PM2,5 [microgram/m3] 7,610 7,630 7,610 7,600 7,590
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat in de beoogde situatie wordt voldaan aan de normen uit de Wet Luchtkwaliteit.
35 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Daarnaast dragen verkeersbewegingen binnen de inrichting en van en naar de inrichting bij aan de emissie van fijnstof. Het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting is dusdanig gering dat deze geen significante bijdrage leveren aan de totale emissie van fijn stof vanuit de inrichting. Met behulp van de NIBM-tool is de bijdrage van verkeer bepaald in de worst-case situatie. Dit is de situatie waarbij de vleeskuikens worden geladen (maximaal 15 vrachten (30 ritten) per keer plus 15 dagelijkse verkeersbewegingen met personenauto’s. Uit de berekening blijkt dat de bijdrage van verkeer niet in betekende mate is (zie de volgende tabel).
Figuur 18: Resultaten NIBM-tool
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
5.7
(Agrarische) bedrijvigheid en geur
De Wet geurhinder en veehouderij schept het kader voor de onderbouwing van nieuwe plannen voor het aspect geur. De Wgv heeft ook consequenties voor de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke projecten. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen geurhinder, omgekeerd moet het bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat nieuwe projecten gerealiseerd worden op plaatsen waar de geurhinder onaanvaardbaar hoog is of door nieuwe ontwikkelingen te hoog zal worden. De grondslag hiervan ligt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Bij besluitvorming omtrent een bestemmingsplan moet worden bepaald of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Er moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Ook voor geurhinder betekent dit dat de volgende aspecten nader onderzocht moeten worden: • Wordt niemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belang veehouderij; berekening middels voorgrondbelasting); • Is er ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object; berekening middels achtergrondbelasting). Onder voorgrondbelasting wordt verstaan de individuele geurbelasting op de projectlocatie van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van de projectlocatie (belang veehouderij).
Onder achtergrondbelasting wordt verstaan de cumulatieve geurbelasting op de projectlocatie als gevolg van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van de projectlocatie (belang geurgevoelig object). Geuremissie In de volgende tabellen wordt een overzicht gegeven van de geuremissie in de vigerende situatie en beoogde situatie.
36 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Tabel 8: Geuremissie vigerende vergunning Stalnr Diersoort
RAV code omschrijving stalsysteem
Aantal dieren
E 5.15 Stal met buizenverwarming (BW 2017.01.V2) E 5.10 stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V5) E 5.10 stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V5) E 5.11 stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar (BWL 2010.13.V5 i.c.m. E 7.6) K 1.100
24.000
0,33
7.920,00
24.000
0,33
7.920,00
31.000
0,33 10.230,00
31.000
0,33 10.230,00
1
Vleeskuikens
2
Vleeskuikens
3
Vleeskuikens
4
Vleeskuikens
8
Volwassen paarden (3 jaar en ouder) Volwassen pony's (3 jaar en ouder) K 3.100
8
Tabel 9: Geuremissie beoogde situatie Stalnr Diersoort
2
Totaal 36.300,00
RAV code omschrijving stalsysteem
Aantal dieren
E 5.15 Stal met buizenverwarming (BW 2017.01.V2) E 5.10 stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V5) E 5.10 stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V5) E 5.11 stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar (BWL 2010.13.V5 i.c.m. E 7.6) E 5.15 Stal met buizenverwarming (BW 2017.01.V2) E 5.15 Stal met buizenverwarming (BW 2017.01.V2) K 1.100
13.980
0,33
4.613,40
14.160
0,33
4.672,80
17.700
0,33
5.841,00
17.700
0,33
5.841,00
23.230
0,33
7.665,90
23.230
0,33
7.665,90
2
-
1
Vleeskuikens
2
Vleeskuikens
3
Vleeskuikens
4
Vleeskuikens
5
Vleeskuikens
6
Vleeskuikens
8
Volwassen paarden (3 jaar en ouder) Volwassen pony's (3 jaar en ouder) K 3.100
8
2
ouE/s/ ouE/s dier totaal
2
ouE/s/ ouE/s dier totaal
Totaal 36.300,00
Voorgrondbelasting Voor onderhavige ontwikkeling gelden de normen voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object conform artikel 3 van de Wet geurhinder en veehouderij. De projectlocatie is gelegen buiten een concentratiegebied. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom geldt een geurnorm van 8,0 ouE/m3 en voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom geldt een geurnorm van 2,0 ouE/m3 Om de geurbelasting vanuit de veehouderij Zwingelspaansedijk 16 op omliggende geurgevoelige objecten in beeld te brengen is een berekening gemaakt (middels het rekenprogramma V Stacks Vergunning 2020) van de voorgrondbelasting in zowel de vergunde als de beoogde situatie. De volgende tabel laat de resultaten zien. De volledige berekening is als bijlage toegevoegd. Tabel 10: Voorgrondbelasting vergunde en beoogde situatie Adres geurgevoelig object Geurnorm Geurbelasting vergunde (ouE/m³) (ouE/m³) Zwingelspaansedijk1 8,0 10,2
Geurbelasting beoogd (ouE/m³) 8,6
37 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Zwingelspaansedijk 3 Zwingelspaansedijk 14 Zwingelspaansedijk 22 Ronddeel 23 Klundert
8,0 8,0 8,0 2,0
10,8 8,4 7,8 1,0
9,0 7,4 7,5 1,0
De resultaten laten een afname van de voorgrondbelasting zien in de beoogde situatie ten opzichte van de vergunde situatie. Op twee omliggende geurgevoelige objecten (Zwingelspaansedijk 1 en 3) wordt nog niet voldaan aan de geurnorm 8,0 ouE/m³, maar door de aanpassingen binnen de inrichting en het gelijkblijvende aantal dieren neemt de geurbelasting op deze woningen wel verder af. Ingevolge artikel 3 lid 3 van de Wet geurhinder en veehouderij wordt een omgevingsvergunning, in afwijking van het eerste en tweede lid, niet geweigerd indien de geurbelasting niet toeneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën niet toeneemt. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ingevolge artikel 4 van de Wet geurhinder en veehouderij geldt voor diercategorieën waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, een afstand van 100 meter tussen het emissiepunt en een geurgevoelig object in de bebouwde kom en 50 meter tussen een emissiepunt en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Ten behoeve van de paarden gelden deze minimumafstanden. Het meest nabij gelegen geurgevoelig object (woning Zwingelspaansedijk 1) ligt op een afstand van 64 meter. Er wordt voldaan aan de gestelde minimumafstand.
Daarnaast stelt artikel 5 van de Wet geurhinder en veehouderij dat de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 50 meter bedraagt indien het geurgevoelig object in de bebouwde kom is gelegen en 25 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. De buitenzijde van de paardenstal (meest nabijgelegen stal) ligt op een afstand van 64 meter van het meest nabij gelegen geurgevoelig object (woning Zwingelspaansedijk 1). Er wordt voldaan aan de gestelde minimumafstand. Achtergrondbelasting en beoordeling woon- en leefklimaat Om het woon- en leefklimaat in de omgeving van de veehouderij in beeld te brengen zijn middels het rekenprogramma V Stacks Gebied berekeningen uitgevoerd van de achtergrondgeurbelasting voor de beoogde situatie. Hierbij is getoetst aan de toetswaarden zoals opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (maximaal 20% geurgehinderden in het buitengebied; maximaal 12% geurgehinderden in de bebouwde kom. De volgende tabel laat de resultaten zien. De invoergegevens en de volledige berekening zijn als bijlage toegevoegd. Tabel 11: Achtergrondbelasting beoogde situatie Adres geurgevoelig Toetswaarde object Percentage geurgehinderde (%) Zwingelspaansedijk1 20,0 Zwingelspaansedijk 3 20,0 Zwingelspaansedijk 14 20,0 Zwingelspaansedijk 22 20,0 Ronddeel 23 Klundert 10,0
Achtergrondbelasting beoogd (ouE/m³) 9,31 9,55 8,54 7,64 1,49
Percentage geurgehinderde (%) 19% 19% 18% 17% 5%
De resultaten van de beoogde situatie laten zien dat wordt voldaan aan de provinciale toetswaarden en dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
38 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
5.8
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven. Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met dit aspect. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten, in beeld worden gebracht. Voor de normstelling van risicovolle bedrijven moet worden aangesloten bij het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het toetsingskader is meer gedetailleerd uitgewerkt in de Regeling externe veiligheid voor inrichtingen (Revi). De eisen ten aanzien van vervoer van gevaarlijke stoffen en de daarmee samenhangende risico’s zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor buisleidingen die risicovolle stoffen transporteren, geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Dit besluit regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten en geeft de eisen en veiligheidsafstanden voor buisleidingen die worden gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen ten opzichte van kwetsbare objecten. De volgende figuur toont een uitsnede van de Risicokaart waarop de meest nabijgelegen risicobronnen in beeld zijn gebracht (zie volgende figuur).
Propaantank Zwingelspaansedijk 3
Propyleenleiding
RRGS-inrichting, opslag ammoniak Zwingelspaansedijk 37
Figuur 19: Uitsnede Risicokaart provincie Noord-Brabant (plangebied rood omkaderd)
Op de locatie Zwingelspaansedijk 3 is een propaangastank aanwezig. Op de locatie Zwingelspaansedijk 37 is een opslag van ammoniak aanwezig. Ruim een kilometer ten oosten van de projectlocatie ligt een propyleenbuisleiding. De projectlocatie ligt echter buiten de risicocontouren van genoemde risicobronnen.
39 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Bovengenoemde risicobronnen vormen geen belemmering voor de bedrijfsuitbreiding. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.9
Volksgezondheid
Effecten van de intensieve veehouderij op de volksgezondheid kunnen op verschillende manieren tot stand komen. Dit kan bijvoorbeeld via direct diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Bio-aerosolen als endotoxine en zoönosen vormen mogelijk een risico voor de gezondheid. Endotoxinen zijn kleine onderdelen van micro-organismen die luchtwegirritatie en ontstekingsreacties kunnen veroorzaken. Zoönosen zijn ziektekiemen die overdraagbaar zijn van dier op mens. Uit luchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of het aantal veehouderijen in een gebied (de dichtheid) groter wordt. Uit de resultaten van het VGO-onderzoek concludeert GGD GHOR Nederland dat emissiereductie van fijnstof als drager van bio-aerosolen gezondheidsschade kan beperken, in ieder geval bij pluimveebedrijven. De maatregelen die het pluimveebedrijf neemt om risico’s op aantasting van de volksgezondheid te voorkomen, hebben betrekking op de keuze van het stalsysteem, het gebruik van fijnstofreducerende techniek en het nemen van preventieve maatregelen. Stalsysteem De stallen zijn voorzien van emissiearme huisvesting.
Fijnstofreducerende maatregelen Door de reductie ontstaat er minder fijnstof en wordt minder fijnstof naar buiten getransporteerd, wat leidt tot een lagere belasting in de naaste omgeving. Het toepassen van een luchtmengsysteem voor droging van de strooistellaag in combinatie met een warmtewisselaar (BWL 2010.13.V5 i.c.m. E 7.6) in stal 4 leidt tot een fijnstofreductie van 31% ten opzichte van reguliere huisvesting. De buizenverwarming in combinatie met negatieve ionisatie door middel van coronadraden met 40 emitters per meter prikkeldraad (BW 2017.01.V4 i.c.m. E7.16) in de stallen 5 en 6 leidt tot een fijnstofreductie van 52% ten opzichte van reguliere huisvesting. Preventieve maatregelen Om het risico op insleep van ziekten zoveel mogelijk te voorkomen is het bedrijf zo opgezet en uitgevoerd dat geen vreemden van buiten in de stallen hoeven en kunnen komen. Voor degenen die wel in de stallen gaan, gelden strikte hygiëneregels. Binnen de inrichting wordt gebruik gemaakt van bedrijfskleding, ongediertebestrijding en een hygiënesluis.
De redelijke afstand van de locatie tot omwonenden, tot andere veehouderijbedrijven en andere (intensieve) veehouderijen, het feit dat er alleen kippen worden gehouden dus niet in combinatie met varkens en de strikte hygiëne en preventieve voorzorgsmaatregelen die genomen worden, maken dat de getroffen maatregelen voldoende zijn om een uitbraak van een veeziekte zoveel mogelijk te voorkomen en daarmee het risico op een negatief effect op de volksgezondheid van omwonenden tegen te gaan. Conclusie Ter voorkoming van insleep van besmettelijke dierziekten wordt binnen de inrichting een hoge gezondheidsstatus nagestreefd. Door het brede scala aan protocollen en strenge hygiëne-eisen binnen het bedrijf worden de risico’s voor de volksgezondheid tot een minimum beperkt. Het bedrijf werkt hieraan, zowel door onder andere bedrijfskleding te gebruiken, alsook door een goede ongediertebestrijding en het gebruik van een hygiënesluis.
40 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Gezien de zeer hoge gezondheidsstatus van dit bedrijf kan het antibioticaverbruik tot een minimum beperkt worden, waarmee de resistentie van bacteriën zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 2.0 Op 25 november 2016 is de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 2.0’ uitgebracht. Reden is dat de huidige toetsingskaders voor fijn stof en geur in veel gevallen onvoldoende beperkend zijn om een ongewenste toename van gezondheidsrisico’s te voorkomen. Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen van veehouderijbedrijven die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Op advies van de Gezondheidsraad is het Rijk momenteel bezig een landelijk toetsingskader voor endotoxine te ontwikkelen. Het doel is om voor endotoxine een toetsingskader te maken zowel voor geur als voor fijn stof dat werkt met emissiefactoren en verspreidingsberekening. Daarvoor worden emissiefactoren vastgesteld voor verschillende typen stalsystemen en reductiemaatregelen. Daarnaast moet een speciale, voor endotoxine doorontwikkelde versie van het landelijke Stacks verspreidingsmodel bruikbaar worden gemaakt voor de vergunningverlening.
Zolang een landelijk toetsingskader voor endotoxine niet beschikbaar is, kan bij de vergunningverlening de gezondheid van omwonenden onvoldoende worden gewaarborgd. Derhalve is een voorlopig endotoxine toetsingskader ontwikkeld (endotoxine toetsingskader 2.0), dat de mogelijkheid biedt om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. Het toetsingskader haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. Het kader heeft alleen betrekking op pluimvee- en varkenshouderijen. Op basis van het toetsingskader wordt getoetst of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in geval van aanvragen om een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van veehouderijen. Hierbij wordt de ontwikkeling zowel individueel (bedrijf alleen) als cumulatief (met omliggende veehouderijbedrijven) getoetst. Concreet wordt getoetst aan een afstandsgrafiek, waarin de relatie is gelegd tussen de fijnstof emissie en de afstand tussen de veehouderij (lees: meest nabijgelegen emissiepunt) en het meest nabijgelegen gevoelig object. Op basis van de emissie is de aan te houden afstand te bepalen om een te hoge blootstelling aan endotoxine te voorkomen (overschrijding van de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3).
Concreet wordt getoetst aan een afstandsgrafiek, waarin de relatie is gelegd tussen de fijn stof emissie en de afstand tussen de veehouderij (lees: meest nabijgelegen emissiepunt) en het meest nabijgelegen gevoelig object. Op basis van de emissie is de aan te houden afstand te bepalen om een te hoge blootstelling aan endotoxine te voorkomen (overschrijding van de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3). Op basis van de afstandsgrafiek dient voor het bedrijf op de locatie Zwingelspaansedijk 16 te Fijnaart (uitstoot PM10 beoogde situatie: 1.768 kg per jaar) een minimale afstand van 257 meter te worden aangehouden waarbuiten de advieswaarde van de Gezondheidsraad niet wordt overschreden. Binnen deze afstand liggen verschillende gevoelige objecten (Zwingelspaansedijk 1, 3 en 22 en een aantal objecten aan de Noordlangeweg). Echter, in de huidige situatie bedraagt de fijn stof emissie 2.209 kg per jaar (441 kg per jaar meer). Er zijn fijnstofreducerende maatregelen getroffen en de nieuwe stallen komen achter de bestaande stallen te liggen, verder weg van de fijnstofgevoelige objecten. In de beoogde situatie verbetert de situatie dan ook ten opzichte van de huidige situatie.
41 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
6. Waterparagraaf 6.1
Watertoets
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief op de planlocatie inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets de oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt. Het waterschap Brabantse Delta heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer, waterbeheerder en gemeente.
6.2
Waterbeleid
Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Nationaal Waterplan 2022-2027, Provinciaal Milieu- en Waterplan van de provincie Noord-Brabant, Waterbeheerprogramma Brabantse Delta 2022-2027, Keur Waterschap Aa en Maas, Vierde Nota Waterhuishouding, Nationaal bestuursakkoord water, Beleidsbrief regenwater en riolering, Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Moerdijk, 2021-2024. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend: • Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Waterbeheerprogramma Waterschap Brabantse Delta 2022-2-27 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 staan de doelstellingen en ambities van waterschap Brabantse Delta voor de periode 2022-2027. Hierin wordt beschreven wat gedaan moet worden om die doelen en ambitites te halen. Hierdoor weten de inwoners van het werkgebied en de partners wat ze van het waterschap kunnen verwachten. Het waterbeheerprogramma komt voort uit afspraken in de nieuwe omgevingswet.
Daarnaast is diverse organisaties om hun inbreng gevraag en is rekening gehouden met trends en maatschappeijke ontwikkelingen, zoals klimaat, de inrichting van de ruimte en economische activiteiten. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. Water is een belangrijke medebepalende factor bij ruimtelijke ontwikkelingen. Duurzaam betekent rekening houden met het lokale bodem- en watersysteem. Op die manier kunnen we bijvoorbeeld beter water vasthouden om verdroging tegen te gaan. Maar dat is ook belangrijk voor de andere taken van het waterschap, zoals voor de bescherming tegen overstromingen, de zorg voor een goede waterkwaliteit en het versterken van de natuur. In het waterbeheerprogramma zijn de volgende kerntaken uitgewerkt: • Klimaatadaptatie (aanpassen aan klimaatverandering); • Waterveiligheid; • Gezond water (schoon water); • Voldoende water; • Vaarwegen; • Waterketen.
42 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Keur Brabantse waterschappen Voor waterhuishoudkundige ingrepen in de projectlocatie is de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap.
Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De Keur is in 2021 geactualiseerd. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2, toename van een verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2. Plannen met een verhardingstoename tot 500 m2 zijn onder de nieuwe keur vrijgesteld van compensatie. Voor plannen met een verhardingstoename tussen 500 m2 en 10.000 m2 hanteert het waterschap een algemene (reken) regel (benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (m2) * gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)).
De gevoeligheidsfactor houdt de nominale waarde in die de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie van de locatie uitdrukt. De waarde 0,06 is de waterschijf van 60 mm die overeenkomt met de vastgestelde bovengrens voor de compensatiecapaciteit van 600 m3/ha.
6.3
Verbreed Gemeentelijk RioleringsPlan Moerdijk, 2021-2024
Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (VGRP) is het beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Een duurzame en doelmatige invulling van de zorgplichten afvalwater, hemelwater en grondwater ter bescherming van de volksgezondheid, behoud van droge voeten en een goede waterkwaliteit, waarbij deze meest recente VGRP daarnaast streeft naar een duurzame omgang met water en het anticiperen op klimaatverandering. Zo krijgt de aanpak van wateroverlast meer aandacht en kunnen andere onderwerpen zoals droogte en hittestress hierin meeliften. Door nog meer in te zetten op het bergen en vasthouden van water, wordt de kans op wateroverlast bij extreme buiten verminderd. Ook krijgt water hierdoor beter de kans om in de bodem te kunnen zakken en wordt ook (toekomstige) droogte aangepakt. Veelal wordt dit mogelijk gemaakt door een groenere omgeving te creëren, hetgeen ook weer een positieve invloed heeft op hittestress. De gemeente Moerdijk werkt hiertoe samen met waterschap Brabantse Delta, de gemeenten Bergen op Zoom, Halderberge, Roosendaal, Steenbergen en Woensdrecht en de drinkwaterbedrijven Brabant water en Evides binnen het samenwerkingsverband Waterkring West. Voorwaarden van de gemeente voor onderhavig initiatief is dat het hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.
6.4
Grondwater
Uit gegevens van de Kaartbank van de provincie Noord-Brabant is gebleken dat binnen de projectlocatie de gemiddelde hoogste waterstand zich rond de 60-80 cm onder het maaiveld bevindt en de gemiddelde laagste grondwaterstand 120-140 centimeter onder het maaiveld (zie volgende figuren).
43 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Figuur 20: Gemiddelde hoogste grondwaterstand (plangebied rood omkaderd)
Figuur 21: Gemiddelde laagste grondwaterstand (plangebied rood omkaderd)
6.5
Oppervlaktewater
De volgende figuur toont de ligging van de leggerwatergangen in de omgeving van de projectlocatie, die in beheer zijn bij het waterschap Brabantse Delta. De projectlocatie grenst aan de zuidzijde aan een Awatergang. Onderhavige ontwikkeling heeft echter geen invloed op de A-watergang. De nieuwe stallen worden aan de noordzijde van het plagebied gerealiseerd.
44 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Figuur 22: Ligging leggerwatergangen omgeving plangebied (plangebied rood omkaderd)
6.6
Afvoer hemelwater
Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen betekent dat het schone hemelwater afkomstig van daken en erfverharding op het perceel moet worden verwerkt door middel van infiltratie of waterberging. Gezorgd moet worden dat voldoende buffercapaciteit aanwezig is. De oorspronkelijke landelijke afvoer mag niet overschreden worden bij een bui die eens in de 10 jaar voorkomt (T=10). In de Keur is geregeld dat compenserende maatregelen voor de berging van hemelwater moeten worden getroffen bij een toename van verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2. Het gemeentelijk beleid stelt dat elke toename moet worden gecompenseerd binnen de inrichting. In de beoogde situatie is sprake van een toename van verhard oppervlak. Derhalve zijn compenserende maatregelen noodzakelijk. Verhard oppervlak De volgende tabel geeft een overzicht van het verhard oppervlak in zowel een huidige als de beoogde situatie. Tabel 12: Verhard oppervlak pluimveestallen huidige en beoogde situatie*) Verhard oppervlak Bestaand (m2) Dakoppervlak stal 1 tot en met 4 zonder uitloop 4.881 Dakoppervlak uitloop stal 1 tot en met 4 Dakoppervlak stal 5 en 6 inclusief uitloop Extra erfverharding Totaal 4.881
Nieuw (m2) 4.881 1.373 4.671 458 11.383
*) Voor de rest van de projectlocatie blijft het verhard oppervlak ongewijzigd.
Er is sprake van een toename aan verhard oppervlak van circa 6.502 m2. Dit betekent dat een compenserende maatregel noodzakelijk is voor de omgang met hemelwater. Infiltratie hemelwater Om hydrologisch neutraal te ontwikkelen bedraagt de benodigde bergingscapaciteit voor de ontwikkeling 6.502 x 0,06 = 390 m3. 45 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
De volgende figuur toont de ligging van de zaksloot.
Figuur 23: Ligging hemelwaterbergingsvoorziening
Het hemelwater afkomstig van het erf en de daken wordt onder andere middels buizen afgevoerd naar een zaksloot, alwaar het kan infiltreren. De sloot staat niet in verbinding met enig ander oppervlaktewater in beheer van het waterschap. Bij zeer grote neerslaghoeveelheden bestaat de kans dat de genoemde voorziening het aangeboden water onvoldoende kan verwerken. In deze situaties kan het overtollige hemelwater afvloeien naar de aangrenzende landbouwgronden Gebruik niet uitlogende materialen Het gebruik van niet uitlogende materialen is conform het advies van de Dubo-richtlijn (Duurzaam Bouwen). In het Lozingenbesluit Bodembescherming staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakken als daken. Bij de bouw van de nieuwe bebouwing zal geen gebruik worden gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK’s). Doordat het hemelwater niet vervuild is, is het geen probleem om het hemelwater op te vangen en te laten infiltreren. Lozen op het riool In de huidige situatie wordt het hemelwater ook niet op het riool afgevoerd en is uitgesloten dat het water na realisatie van voorliggend project op het riool geloosd wordt.
Het water van de stallen komt via het dak, dakgoten en regenpijpen uit in leidingen die het water transporteren naar de zaksloot. 46 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Conclusie Het hemelwater wordt niet afgevoerd via het riool, maar ter plaatse geïnfiltreerd. Waterverontreiniging wordt voorkomen. Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan het beleid van Waterschap Brabantse Delta en het gemeentelijk beleid inzake de watertoets.
47 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
7. Economische- en maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd, dat inzicht gegeven moet worden in de (economische) uitvoerbaarheid van een project. Afdeling 6.4 Wro schrijft voor dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Hiervan kan worden afgeweken wanneer anderszinsin de grondexploitatiekosten wordt voorzien, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst. Planschade Tussen de gemeente en de initiatiefnemerzal ter afdekking van eventuele planschadeclaims een planschadeovereenkomst ex artikel 6.4a Wro worden afgesloten. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor de behandeling van de aanvraag om omgevingsvergunning waarvoor deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld, wordt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De aanvraag, de bijlagen en de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing zijn allen onderdeel van de omgevingsvergunning. De ontwerpversie hiervan wordt gedurende een periode van zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze termijn wordt aan eenieder de gelegenheid geboden een zienswijze indienen.
Mede op basis van (eventueel) ingebrachte zienswijzen neemt het college van burgemeester en wethouders een definitief besluit over het al dan niet afgeven van de omgevingsvergunning. Na verlening van de omgevingsvergunning wordt deze voor een tweede maal voor een periode van zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode wordt aan belanghebbenden de gelegenheid geboden om beroep in te stellen tegen de omgevingsvergunning bij de rechtbank en later in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien binnen de beroepstermijn geen beroep wordt ingesteld, is de omgevingsvergunning na het verstrijken van de beroepstermijn onherroepelijk. Belanghebbenden kunnen eventueel ook een voorlopige voorziening vragen tegen de omgevingsvergunning. Vooruitlopend hierop heeft de initiatiefnemer reeds alle omwonenden gesproken en eenieder staat positief tegenover zijn beoogde verbouwplannen.
48 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
8. Conclusie De initiatiefnemer exploiteert een vleeskuikenhouderij met als neventak een akkerbouwbedrijf. De initiatiefnemer is voornemens de vleeskuikenhouderij te wijzigen om te voldoen aan het houderijsysteem met 1 ster Beter Leven. Daartoe wil zij een tweetal nieuwe stallen realiseren met inpandige uitlopen en aan de bestaande stallen overdekte uitlopen voor de kippen, met als doel meer leefruimte te creëren voor de dieren. Het aantal kippen blijft in de beoogde situatie gelijk aan het huidige vergunde dierenaantal. De kippen hebben onder het keurmerk Beter Leven meer daglicht, meer ruimte, afleidingsmateriaal en mogelijkheden om hun natuurlijk gedrag uit te oefenen. Om het huidige vergunde aantal dieren te kunnen houden conform de eisen van het Beter Leven 1 ster keurmerk, dient meer leefruimte te worden gecreëerd. Binnen de huidige oppervlakte van het bouwvlak is hiervoor onvoldoende ruimte beschikbaar. Derhalve dient het bouwvlak te worden uitgebreid ten behoeve van de intensieve veehouderij. Aan het akkerbouwbedrijf wijzigt niets; dit blijft de neventak naast de hoofdtak vleeskuikenhouderij. Tevens maakt een landschappelijke inpassing van het bedrijf onderdeel uit van de voorgenomen ontwikkeling. Gelet op de gewenste situatie wordt het bouwperceel met de hoofdtak (vleeskuikenhouderij) uitgebreid tot 1,47 hectare.
Daarnaast blijft de neventak ‘akkerbouw’ ongewijzigd; het bouwperceel ten behoeve van de akkerbouwtak is 0,53 hectare. Daarmee wordt een bouwperceel aangevraagd van in totaal 2,0 hectare, waarbinnen de maximale omvang van de veehouderij 1,47 hectare bedraagt. Omdat de voorgenomen ontwikkeling niet past binnen het vigerend juridisch-planologisch kader, is afwijking hiervan noodzakelijk om het kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang te kunnen realiseren. Dit is mogelijk met toepassing van artikel 2.12, eerste lid sub a, onder 3 van de Wabo. Hiervoor geldt de uitgebreide procedure, zoals beschreven in § 3.3 van de Wabo. Ten behoeve van deze procedure is een ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk; dit document voorziet hierin. De aanvraag ten behoeve van de planologische afwijking wordt gecombineerd aangevraagd met de aanvraag omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande bouwactiviteiten. Uit deze rapportage blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot aantasting van de waarden van het gebied zelf en/of van waarden die in de directe omgeving aanwezig zijn. In het algemeen kan gesteld worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat aan alle voorwaarden uit de afwijkingsbevoegdheden wordt voldaan.
49 Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Bijlage 1
Situatieschets beoogde situatie
Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Gedeelte agrarisch bouwvlak beoogd t.b.v. intensieve veehouderij (1,47 ha)
nieuwe pluimveestal Beter Leven 1 ster (incl. inpandige uitloop)
nieuwe pluimveestal Beter Leven 1 ster (incl. inpandige uitloop) nieu
Agrarisch bouwvlak beoogd totaal (2,0 ha)
we uitlo
op
bestaande pluimveestal wijziging naar Beter Leven 1 ster nieu
we uitlo o bestaande pluimveestal p wijziging naar nieu Beter Leven 1 ster we uitlo op
Gedeelte agrarisch bouwvlak beoogd t.b.v. akkerbouwbedrijf (0,53 ha)
bedrijfsgebouw akkerbouwbedrijf
bedrijfsgebouw akkerbouwbedrijf
bestaande pluimveestal wijziging naar nieuBeter Leven 1 ster we uitlo op bestaande pluimveestal wijziging naar Beter Leven 1 ster
bedrijfsgebouw akkerbouwbedrijf
nieuw bedrijfsgebouw akkerbouwbedrijf
Zw in
gels paan sed ijk
erfverharding tuin
bedrijfswoning
Zaksloot
Gedeelte intensieve veehouderij Buitengebied 3e herziening (1,1 ha)
DOORSNEDE STAL 1:
DOORSNEDE STAL 2:
DOORSNEDE STAL 3:
DOORSNEDE STAL 4:
DOORSNEDE STAL 5:
DOORSNEDE STAL 6:
Ventilatoren in achtergevel
Noodventilatoren in achtergevel Gesloten met lamellen
Ventilatoren in achtergevel
Ventilatoren in achtergevel
Ventilatoren in achtergevel
Ventilatoren in achtergevel
DOORSNEDE STAL 8 MACHINEBERGING - PAARDENSTAL
Vangdoek in de nok stal 4
Warmtewisselaar stal 4 verticale doorsnede
Doorsnede stofvanger stal 1, schaal 1:100
Doorsnede stofvanger stal 3 en 4, schaal 1:100
Doorsnede stofvanger stal 5 en 6, schaal 1:100
+ recirculatieventilator
DOORSNEDE STAL 7: Loods
DOORSNEDE STAL 10: Veldschuur
DOORSNEDE STAL 9 : Aardappelbewaarplaats
DOORSNEDE STAL 1: Pluimveestal
DOORSNEDE STAL 2: Pluimveestal
DOORSNEDE STAL 5 met Buizenverwarming BWL 2017.01.V3 en Negatieve ionisatie dmv. coronadraden met 40 emitters per m1, BWL 2020.04.V2 Luchtstroming als uitloop niet beschikbaar is voor dieren. Pluimveestal DOORSNEDE STAL 6 is idem Stal 5.
DOORSNEDE STAL 3 met Wesselmann warmwaterheaters: Pluimveestal Doorsnede stal 4 is conform stal 3, maar dan zonder de Wesselmann warmwaterheaters
DOORSNEDE STAL 5 met Buizenverwarming BWL 2017.01.V3 en Negatieve ionisatie dmv. coronadraden met 40 emitters per m1, BWL 2020.04.V2 Luchtstroming als uitloop wel beschikbaar is voor dieren. Pluimveestal DOORSNEDE STAL 6 is idem Stal 5.
WOONHUIS E V
E V
w C
E
w
V
C
C
C
C
C
C
V
E C
C E
C
U O
A
O Q Q
H
H S
CONTAINER
E
B
UITLOOP VLEESKUIKENS STAL 3 OPP. = 300 m2. Enkel ter beschikking bij "Beter-Leven" concept
A
VLEESKUIKENS 23.230 st. concept "Beter-Leven"
U
VLEESKUIKENS 17.700 st. " BETER-LEVEN"
9 B
3 H
VLEESKUIKENS 17.700 st. " BETER-LEVEN"
U
UITLOOP VLEESKUIKENS STAL 1 OPP. = 309,2 m2. Enkel ter beschikking bij "Beter-Leven" concept
VLEESKUIKENS 23.230 st. concept "Beter-Leven"
4
B
2
UITLOOP VLEESKUIKENS STAL 2 OPP. = 339 m2. Enkel ter beschikking bij "Beter-Leven" concept
5 INPANDIGE UITLOOP VLEESKUIKENS
INPANDIGE UITLOOP VLEESKUIKENS
6
UITLOOP VLEESKUIKENS STAL 4 OPP. = 424,5 m2. Enkel ter beschikking bij "Beter-Leven"concept.
U
A H
A VLEESKUIKENS 14.160 st. " BETER-LEVEN"
AARDAPPEL BEWAARPLAATS
1
situatie sectie schaal
B
: gemeente Fijnaart :O nr.: 96 : 1:2000
B
K
J
I
D
L VLEESKUIKENS 13.980 st. " BETER-LEVEN"
N M
8
R
A H
H
A
G
³
P
B
P
B
B
P
B
T
T
T
P
B
B
B
P
P
B
P
B
B
P
B
T
T
T
P
B
B
B
P
P
P
B
B
B
P
B
B
B
B
P
B
P
P
B B
B
B
P
B
B
B
B
P
B
P
P
P
P
P
B
B B
B
T
T
P
B
B
10 VELDSCHUUR
B
WERKTUIGBERGING
7 LOODS
T
T
T
T
T
T
T
T
T
T
B F
BEWAARPLAATS AGRARISCHE PRODUCTEN
C
B
B
Asdonkseweg 2D
ARTSADVIES
5735 SP Aarle-Rixtel
E: jos.arts@artsadvies.nl M: 06-55898924
Bijlage 2
Resultaten Aerius berekening
Ruimteijjke onderbouwing Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Onderbouwing invoergegevens Aerius-berekeningen Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart d.d. 17-04-2023 versie 01
Referentiesituatie Als referentiesituatie geldt de VVGB in het kader van de Wnb, behorende bij de omgevingsvergunning van 15 mei 2019. De volgende tabel geeft het aantal en soort dieren, het huisvestingssysteem en de ammoniakemissie weer in de referentiesituatie. Tabel 1: Overzicht aaantal dieren, huisvestingssysteem en ammoniakemissie referentiesituatie Stalnr Diersoort RAV code Aantal Kg NH 3 / omschrijving stalsysteem dieren dier/jaar 1
Vleeskuikens
2
Vleeskuikens
3
Vleeskuikens
4
Vleeskuikens
8
Volwassen paarden (3 jaar en ouder) Volwassen pony's (3 jaar en ouder)
8
E 5.15 Stal met buizenverwarming (BW 2017.01.V4) E 5.10 Stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V7) E 5.10 Stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V7) E 5.11 Stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar (BWL 2010.13.V7 i.c.m. E 7.6) K 1.100 K 3.100
Kg NH 3 totaal/jaar
24.000
0,021
504,00
24.000
0,035
840,00
31.000
0,035
1.085,00
31.000
0,021
651,00
2
5,00
10,00
2
3,10
6,20
Totaal
3.096,20
Binnen het bedrijf heeft men te maken met de volgende bronnen welke stikstof emitteren: • Huisvesten van vleeskuikens; • Verkeersbewegingen van en naar de inrichting; • Mobiele bronnen binnen de inrichting; • CV-ketels/stookinstallaties. Huisvesten van pluimvee. Onderstaand wordt per stal de wijze van ventileren beschreven. Stal 1 In stal 1 worden 24.000 vleeskuikens gehouden in een vleeskuikenstal met buizenverwarming (BWL 2017.01.V2). Er is sprake van lengteventilatie middels gevelventilatoren met een gegarandeerde verticale uitstroming door middel van een stuwbak. Gewogen gemiddelde xcoordinaat 94135
Gewogen gemiddelde y-coordinaat 408000
Aantal vleeskuikens
Gemiddeld ventilatiedebiet [m³/uur] 2,40
1)
Gemiddelde hoogte emissiepunt (m)
Soort ventilatie
6,0
Diameter emissiepunt (m)1 2,381)
Gemiddeld ventilatiedebiet totaal [m³/uur] 57.600
Gemiddeld ventilatiedebiet totaal [m³/s] 16
Oppervlakte emissiepunt [m²] 4,45
Gevelventilatie via stuwbak
Bij aerius wordt gerekend met de fictieve diameter van de stuwbak en niet met de standaard diameter van 1,0 meter voor grote opperlvakten, zoals bij V-stacks vergunning.
24.000
Uittreedsnelheid [m/s] 3,60
Stal 2 In stal 2 worden 24.000 vleeskuikens gehouden in een vleeskuikenstal met een verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V7). Er is sprake van nokventliatie met verticale uitstroming. De noodgevelventilatoren met horizontale uitstroming zijn gesloten middels lamellen. Pagina 1 van 10
Onderbouwing invoergegevens Aerius berekening Zwingelspaansedijk 16, Fijnaart
Gewogen gemiddelde xcoordinaat 94174
Gewogen gemiddelde ycoordinaat 408006
Aantal vleeskuikens
Gemiddeld ventilatiedebiet [m³/uur]
2)
24.000
Gemiddelde hoogte emissiepunt (m) 5,57
Diameter emissiepunt (m) 0,50
Gemiddeld ventilatiedebiet totaal [m³/uur]
2,40