Bijlage 1 - Reglement van Orde voor de gemeenteraad
Tekst van het document
stemming door middel van behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet
aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3, blz. 86). In
geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld.
Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt verstaan: a.
Een blanco ingevuld stembriefje;
b.
Een ondertekend stembriefje;
d.
Een stembriefje waarbij, indien het een benoeming op bindende voordracht betreft, op een
e.
Een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan die waartoe de stemming is
c.
Een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de stemming verschillende vacatures betreft;
persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen; beperkt.
Een voordracht is voor de raad bindend; de raad heeft slechts keus tussen degenen die op de voordracht
zijn vermeld. Op de stembiljetten dienen de namen van de voorgedragen perso(o)n(en) te worden vermeld met daarachter de opties ‘voor’ en ‘tegen’.
Voorbeeld van een uitslag van een stemming bij bindende voordracht:
Een mogelijke uitslag van een stemming bij een bindende voordracht en een stemquorum van 25 leden
zou kunnen zijn: 15 blanco stemmen, 1 stem op een persoon niet vermeld op het stembriefje, 5 stemmen voor en 4 stemmen tegen de kandidaat. De stemming is geldig. De kandidaat wordt met 5 stemmen voor, 4 stemmen tegen en 16 stemmen die niet geacht worden te zijn uitgebracht voor het bepalen van de volstrekte meerderheid, benoemd.
Bij een aanbeveling wordt een voorstel gedaan voor een kandidaat, die in aanmerking zou kunnen komen voor een bepaalde functie respectievelijk ambt. De raad mag afwijken van het voorstel en een andere kandidaat benoemen. Op het stembiljet noteert het raadslid de naam van de kandidaat, die hij wil benoemen.
Voorbeeld van een uitslag van een stemming bij aanbeveling:
Een mogelijke uitslag van een stemming bij een aanbeveling (is een niet-bindende voordracht) en een
stemquorum van 25 leden zou kunnen zijn: 5 blanco stemmen, 1 ondertekend stembriefje, 5 stemmen op de voorgestelde kandidaat en 14 stemmen op één naam die niet in het voorstel is genoemd. De stemming is geldig. De persoon die niet in voorstel is genoemd wordt met 14 stemmen benoemd. In totaal zijn er in dit voorbeeld 6 stemmen die niet geacht worden te zijn uitgebracht voor het bepalen van de volstrekte meerderheid.
Wanneer er veel benoemingen te doen zijn (bij voorbeeld aan het begin van een nieuwe zittingsperiode) zou een gecombineerd stembiljet kunnen worden ontworpen.
Bij de benoeming van wethouders is er sprake van een vrije stemming. Dat is dus anders dan bij een
voordracht, waarbij de keus beperkt is tot twee of meer kandidaten. Bij een vrije stemming is artikel 28, eerste lid, onder a, en derde lid, van de Gemeentewet niet van toepassing. Daarin is bepaald dat een
raadslid zich van stemming onthoudt wanneer hij “behoort tot de personen tot wie de keuze door een 25
voordracht of bij een herstemming is beperkt". Zoals vermeld is dat bij de benoeming van wethouders niet aan de orde. Een raadslid kan op het stembriefje de naam van elke kandidaat die zijn voorkeur heeft
invullen: die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander. Dat geldt dus ook voor raadsleden die zelf genomineerd zijn; die kunnen op zichzelf stemmen als ze dat willen.
De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te beïnvloeden door
middel van een verbod op het meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze: -
Een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op stemming worden
ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Jansen en mevrouw Pieterse aan als wethouders. Als deze
personen in de raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke -
verhoudingen;
Een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een voordracht;
Het is denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreelpolitieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen
initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen
volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken.
Artikel 24 Besluitenlijst Dit artikel regelt de taak van verslaglegging van de griffier en de wijze waarop het verslag wordt
vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, zesde lid, van de Gemeentewet).
De besluitenlijst wordt tegelijkertijd met de voorlopige agenda beschikbaar gesteld aan de leden van de
raad. Raadsleden, de burgemeester en de overige deelnemers aan de beraadslagingen kunnen een voorstel tot wijziging van de besluitenlijst aan de raad doen. Een voorstel tot wijziging dient twee werkdagen voor aanvang van de vergadering schriftelijk bij de griffier te worden ingediend. Het is aan de raad om te
beslissen of een voorgestelde wijziging of aanvulling geaccepteerd wordt. Een afwijzing van een dergelijk voorstel is niet vatbaar voor beroep (aldus de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State).
De griffier verleent de ambtelijke bijstand aan de raad. Daarom is de griffier aangewezen om de besluitenlijst op te stellen en deze, tezamen met de voorzitter, te ondertekenen (vijfde lid).
De besluitenlijst dient op zo kort mogelijke termijn te worden gepubliceerd (zesde lid). Dit kan voordat het verslag is vastgesteld aangezien de besluitenlijst 'slechts' een overzicht geeft van (alle) door de raad
genomen beslissingen (dus niet alleen besluiten in de zin van de Awb maar ook bijvoorbeeld een afspraak om een werkbezoek af te leggen). Het ligt voor de hand dat de besluitenlijst ook op de gemeentelijke website toegankelijk wordt gemaakt. Dit wordt weergeven in het zevende lid.
26
Artikel 25 Raadsinformatiebrieven, ingekomen stukken De raad ontvangt raadsinformatiebrieven van het college. Het is belangrijk dat deze raadsinformatiebrieven zo snel mogelijk aan de raad beschikbaar worden gesteld, dit gebeurt via de website van de gemeenteraad waarop alle informatie omtrent stukken en agenda’s wordt gepubliceerd. Ingekomen stukken komen van externen. Ook hierbij geldt dat het belangrijk is dat raadsleden hier zo snel mogelijk kennis van kunnen nemen. Voor beide soorten stukken geldt, dat deze in een commissievergadering behandeld kunnen
worden. Dit gebeurt alleen als een of meer raadsleden dit wensen. Raadsleden hebben op deze wijze de
mogelijkheid hun mening over de ingekomen stukken en raadsinformatiebrieven kenbaar te maken en het college een advies mee te geven bij de verdere behandeling van het betreffende onderwerp of bij het maken van een concept antwoordbrief.
In het tweede lid worden de verschillende soorten afdoeningsvoorstellen voor de duidelijkheid benoemd.
De griffier voorziet elk ingekomen stuk van één van deze categorieën en vermeldt dit bij de publicatie van het stuk op de website.
De beantwoording van ingekomen stukken, waarop een antwoord van de raad gevraagd wordt, wordt in
principe door het college voorbereid en door middel van een concept antwoordbrief ter goedkeuring aan de raad voorgelegd via het raadsinformatiesysteem. Wanneer raadsleden wensen te reageren op zo’n
concept antwoordbrief, kunnen zij aangeven dat zij deze willen behandelen in een commissievergadering. Tussentijds worden briefschrijvers geïnformeerd over de afdoeningswijze van hun brief.
Het kan ook voorkomen dat een ingekomen brief die afgedaan wordt met een concept antwoord,
onderdeel uitmaakt van een nog op te stellen raadsvoorstel. Dat betekent dat een concept antwoordbrief vanuit de raad niet aan de orde is. Met het behandelen en vaststellen van het raadsvoorstel kan de brief dan als afgehandeld worden beschouwd. Ook hierover worden briefschrijvers geïnformeerd.
In de raadsvergadering staat het agendapunt ‘lijst ingekomen stukken’ standaard op de agenda. Bij dit agendapunt wordt de gehele lijst van stukken, die na de laatste vaststelling van de lijst zijn
binnengekomen, met het bijbehorende afdoeningsvoorstel door de raad vastgesteld. Hiermee ligt de
voorgestelde afdoeningswijze vast. Wanneer raadsleden een andere afdoening van een ingekomen stuk wensen, kunnen zij dit uiterlijk 48 uur voor de raadsvergadering kenbaar maken aan de griffier, onder vermelding van de reden en de gewenste wijze van afdoening. Bij het vaststellen van de lijst van
ingekomen stukken in de raadsvergadering beslist de raad over de definitieve afdoeningswijze van de brief.
Artikel 26 Toepassing reglement op besloten vergaderingen Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing zijn op een
raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen
omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie en het maken van het verslag.
De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die
bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beelden geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die
27
betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in artikel 23, vierde lid van de Gemeentewet wordt opgeheven.
Artikel 27 Besluitenlijst besloten vergadering In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, vierde lid, van de Gemeentewet. In overeenstemming met de bepaling over de besluitenlijst van de raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk voor de besluitenlijst van een besloten vergadering. Concept-besluitenlijsten van besloten raadsvergaderingen
worden uitsluitend voor raadsleden en overige deelnemers aan de betreffende vergadering beschikbaar gesteld op het besloten gedeelte van de website (eerste lid).
Artikel 28 Opheffing geheimhouding Op grond van artikel 87 van de Gemeentewetwet, kan geheimhouding op informatie worden opgelegd door de raad, het college, de burgemeester en een commissie. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad verstrekte informatie vervalt, indien de raad de verplichting tot geheimhouding opheft (artikel 89, vierde lid, van de Gemeentewet). Wel bestaat er een overlegverplichting, waarmee recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.
Als de raad een opgelegde geheimhouding opheft, wil dat niet zeggen dat de desbetreffende informatie
dan actief openbaar gemaakt moet worden. De Wet open overheid (Woo) is nog steeds op deze informatie van toepassing. Wanneer om openbaarmaking wordt verzocht moet dat verzoek dus aan de
uitzonderingsgronden in de Woo worden getoetst om tot een besluit te komen over het al dan niet
openbaar maken van de betreffende informatie. Dan kan uiteraard blijken dat er inmiddels geen grond meer is om openbaarmaking te weigeren.
Artikel 29 Toehoorders en pers De hier aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde aangevuld door artikel 26 van de Gemeentewet. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.
Artikel 30 Geluid- en beeldregistraties Raadsvergaderingen worden via internet in beeld en geluid uitgezonden. De opname van deze uitzending blijft gedurende de in de verordening vastgestelde periode via internet te beluisteren.
De wijze waarop de opnames worden gearchiveerd is nog punt van een landelijk lopende discussie met de leveranciers van de betreffende programmatuur. Met name het eigendom van de geïndexeerde bestanden speelt hierbij een rol. Zolang gebruik gemaakt wordt van de diensten van de huidige aanbieder blijven de bestanden als archiefstuk beschikbaar.
28
Aangezien de vergaderingen van de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluiden beeldregistraties maken (tweede lid). Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft.
Artikel 31 Amendementen en subamendementen Elk lid van de raad kan wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen ter
behandeling in de raad, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het
subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in
uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel 15).
Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in artikel 31 van dit reglement. Op basis van artikel 147b, tweede lid, juncto artikel 147a, tweede lid, van de Gemeentewet is de raad verplicht een
amendement te behandelen, overeenkomstig de door de raad vastgestelde regels. Uit de bewoordingen
van artikel 147b, tweede lid, van de Gemeentewet blijkt dat het recht om amendementen in te dienen aan elk individueel raadslid toekomt; drempelsteun is derhalve niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109).
Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn (sub)amendement. Dit omdat
doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door de indiener. Daarom is bepaald dat er alleen wordt beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben (tweede lid).
Artikel 32 Moties In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie gegeven. Een motie is een
voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde
ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn
burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel
kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken.
Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft (tweede lid).
Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats (derde lid). Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en 29
controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze
instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik
daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad.
In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt, namelijk in artikel 49. Dit betreft de motie van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een
wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Als hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen.
Artikel 33 Initiatiefvoorstellen Primair is het de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend.
In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Hier is bepaald dat een lid van de raad
een initiatiefvoorstel kan indienen; met deze formulering wordt tot uitdrukking gebracht dat dit recht aan
elk individueel raadslid toekomt, drempelsteun is dus niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109).
Het tweede en derde lid van artikel 147a van de wet bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld.
Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te
beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het
ontbreken van de eis van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve
uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden
worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie.
De wet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet
aanhangig worden gemaakt door het schriftelijk en ondertekend aan de voorzitter te zenden (eerste lid).
De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. De raad moet ook regelen op welke wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen (voorstellen die betrekking hebben op iets anders dan een verordening) in behandeling worden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen.
In het tweede lid is een termijn gesteld van twintig werkdagen om het college in de gelegenheid te stellen zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen.
In het vierde lid van artikel 147a van de wet is sinds 1 februari 2016 bepaald dat het college de
gelegenheid moet krijgen om wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Het college moet immers de besluiten van de raad uitvoeren (artikel 160, eerste lid, onder b, van de wet). Deze zogenaamde 30
voorhangregeling is uitgewerkt in het tweede lid van dit artikel. Het is in eerste instantie aan de indiener
om te beslissen wat hij met die inbreng doet en uiteindelijk beslist de raad over het al dan niet gewijzigde voorstel (MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33691, 3, p. 2-3).
Het derde lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst
nadat het college in de gelegenheid is gesteld om zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te
brengen. Het presidium kan besluiten om het voorstel alsnog eerst in één van de commissies te bespreken. Als de voorlopige agenda voor de raadsvergadering echter al verzonden is, dan plaatst de voorzitter het niet op de agenda van eerstvolgende, maar van de daaropvolgende raadsvergadering. Dit laat de
mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 11, vierde lid, voor te stellen het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Voor zover de in het tweede lid gestelde termijn
dan nog niet verlopen is zal er echter niet over het voorstel besloten kunnen worden (artikel 147a, van de Gemeentewet, juncto tweede lid van artikel 34). Dit staat er weliswaar niet aan in de weg dat er al over wordt beraadslaagd in de raadsvergadering, maar de voorzitter van de raad zal dan vervolgens de
stemming over het voorstel aan moeten houden totdat het college in de gelegenheid is gesteld zijn
wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Ook kan nadere beraadslaging op dat moment wenselijk worden geacht.
Voor het overige is het aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel verder wordt
behandeld als het op de agenda staat. Indien de wensen of bedenkingen van het college daar aanleiding toe geven kan de indiener van het voorstel eventuele wijzigingen doorvoeren. Hij of zij is daartoe echter
niet verplicht, omdat de wet alleen aangeeft dat het college de mogelijkheid moet hebben om een visie op
het initiatiefvoorstel te hebben. Er is geen verplichting om de wensen of bedenkingen ook daadwerkelijk in het voorstel te verwerken. Bij de behandeling in de raadsvergadering treedt de (woordvoerder van de)
indiener(s) op als portefeuillehouder vanuit de raad en kan hij vragen over het voorstel beantwoorden. Uiteraard is ook inhoudelijke beantwoording vanuit het college mogelijk, indien gewenst.
Artikel 34 Raadsvoorstel Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het
voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven (eerste lid).
Als de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is
voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het
voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw
behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan het presidium overlaten.
31
Artikel 35 Interpellatie Artikel 35 stelt nadere regels bij artikel 155, tweede lid, van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht en is een zwaarder instrument. Het gaat om het recht van
een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig, omdat de vergaderorde wordt doorbroken.
Artikel 36 Schriftelijke vragen Het vragenrecht vindt zijn basis in artikel 155 eerste lid van de Gemeentewet. Het stelt de leden van de raad in staat informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de
burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. Deze dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen indien de
beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het college of de burgemeester geeft daarom het schriftelijke antwoord. In de praktijk zal een schriftelijk antwoord van het college vaak door de desbetreffende portefeuillehouder gegeven worden (artikel 168 van de wet).
De verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, als de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het
verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft dit antwoord, omdat de portefeuillehouder primair verantwoordelijk is voor het te geven antwoord.
In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is
dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen.
Artikel 37 Inlichtingen In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de
burgemeester hebben ten opzichte van de raad. De passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de Gemeentewet is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om
inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee wordt voorkomen dat een
raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. Wel kan de raad via het reglement van orde op grond van
doelmatigheidsoverwegingen een zekere ordening aanbrengen in de wijze waarop het inlichtingenrecht wordt uitgeoefend. De raad gaat immers over de agenda en de vergaderorde.
De weigeringsgrond ‘strijd met het openbaar belang’ is, zo blijkt uit de bewoordingen van artikel 169 van de Gemeentewet, wettelijk objectief en algemeen omschreven. Het moet dan gaan om zwaarwegende belangen.
32
Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht. Artikel 169, vierde lid, van de Gemeentewet verplicht het college de raad vooraf te informeren over de
voorgenomen uitoefening van een gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160,
eerste lid, onder d, e, f en g, van de Gemeentewet indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan
hebben voor de gemeente of indien de raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit
nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. De term ‘ingrijpend’ is in de wet niet nader omschreven. De raad en het college dienen, op basis van de
situatie in de eigen gemeente, tot een afbakening te komen. De wetgever heeft destijds het oog gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. De raad en het college moeten hier daarom zelf een modus in vinden.
In de praktijk bestaan verschillende wettelijke en politieke figuren om als de raad en het college met elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. De openbaarheid van stukken en vergaderingen bijvoorbeeld kan al dan niet tijdelijk worden opgeheven. Vervolgens kent de wet een algemene actieve
inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, van de Gemeentewet verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Het college
moet permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht.
Artikel 38 Uitleg reglement Dit artikel behoeft geen toelichting.
Artikel 39 Intrekken oude reglement Dit artikel behoeft geen toelichting.
Artikel 40 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel behoeft geen toelichting.
Behoort bij besluit van de gemeenteraad van Moerdijk d.d. 12 maart 2026,
De raadsgriffier,
H.M. Vonk-Schenkel 33