Bestemmingsplan Schansdijk 3a Zevenbergen - Toelichting
Tekst van het document
Hiermee wordt binnen een breed geformuleerd kader ruimte geboden voor innovatieve ontwikkelingen (de onbekende toekomst) en dragen nieuwe initiatieven bij aan het behoud en de versterking van de kwaliteiten van het buitengebied.
26
De gebiedsvisie is enerzijds bedoeld als basis voor het bestemmingsplan Buitengebied, en anderzijds vormt het afwegingskader voor zich aandienende initiatieven. Dergelijke initiatieven zijn evenwel lang niet altijd te voorspellen. Daarnaast is echter sprake van een in hoge mate ‘onbekende toekomst’ ofwel het onvoorziene: nieuwe ontwikkelingen en innovaties die onmogelijk vooraf voorspeld kunnen worden, maar evengoed een positieve benadering verdienen. De praktijk leert namelijk dat er zich regelmatig initiatieven aandienen, die (net) niet passen in de flexibiliteitsbepalingen van het bestemmingsplan. Met ‘kwaliteit centraal’ kiest de gemeente Moerdijk voor een nieuw ordeningsprincipe op basis waarvan vormen van gebruik in het buitengebied op een nieuwe wijze afgewogen kunnen worden en de blokkades voor innovatie die voortvloeien uit de traditionele scheiding van ‘stedelijke functies’ en ‘buitengebied functies’ vervangen wordt door een viertal principes: a) zonering prioritaire functies b) zonering dynamiek-luwte-rust c) behoud van de balans d) bijdragen aan de kwaliteit van het landschap e) invloed op de kwaliteit van de leefomgeving Beoordeling plan a) Het plangebied is wat betreft zonering gelegen in het ‘Grondgebonden agrarisch gebied’. Feitelijk hoort de realisatie van een appartementengebouw niet thuis in een dergelijk gebied.
Echter, het voornaamste is dat agrarische bedrijven in dit gebied niet door een dergelijke nieuwe functie worden belemmerd. In dit geval zijn er geen agrarische bedrijven gelegen in de nabijheid van het plangebied. Het dichtstbijzijnde agrarisch aanverwante bedrijf is gelegen op een afstand van circa 850 meter. b) De locatie is gelegen aan de rand van de kern Zevenbergen. Aan de overzijde van de straat is de bebouwde kom gelegen. Daarnaast is het plangebied in de huidige situatie bebouwd met een niet-agrarische functie (restaurant met bedrijfswoning) en grenst het plangebied aan reeds verstedelijkte percelen, namelijk een hotel en in de toekomst
27
wordt een kantoor, met ondergeschikt een laboratorium, gebouwd aan de Schansdijk. Feitelijk ligt de locatie al in de ‘dynamiek’ van het stedelijk weefsel. Dit maakt de locatie geschikt voor verstedelijking, zoals met dit bestemmingsplan beoogd is in te zetten. Zonering dynamiek-luwte-rust (Bron: Visie Buitengebied)
c) Voorop staat dat het buitengebied verrommeld door de verruiming van de ontwikkelingsmogelijkheden in het buitengebied. Kwaliteit, leefbaarheid en het voorzieningenniveau staan daarbij voorop. De nieuwe functie gaat niet concurreren met functies in het buitengebied. Met de komst van de wooneenheden wordt dit gedeelte van Zevenbergen ‘open’ gemaakt voor urbanisatie zonder dat het buitengebied daar hinder van gaat ondervinden. Gezien de locatie nabij de kern Zevenbergen (centrum ligt op circa 400 meter afstand) en de afstand tot agrarische bedrijven is er met de realisatie van dit planvoornemen een blijvend goede balans te ondervinden. d) Uitgangspunt is dat ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied. Bij de inrichting en de totstandkoming van het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten, zoals ook op navolgende afbeelding is weergegeven. De bouwhoogtes en volumes zijn op de omgeving afgestemd. Met het planvoornemen wordt een reeds verstedelijkte locatie op een andere wijze bebouwd met veel oog voor de omgeving. Daarnaast zal het pand met veel groen worden ingepast in de omgeving en met inachtneming van natuurinclusief bouwen (o.a. met gebouwgebonden groen). De zogenaamde ‘binnenwereld’ wordt voorzien van veel groen, zodat er sprake is van een groene binnentuin.
Deze tuin staat in verbinding met de naastgelegen volkstuinen, zodat op deze wijze naast een stedelijke verbinding ook een landschappelijke/groene verbinding ontstaat. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het versterken van de landschappelijke kwaliteiten in dit gebied.
28
Landschappelijke en groene verbinding met omgeving
e) In hoofdstuk 4 van de toelichting van dit bestemmingsplan is verder ingegaan op de gevolgen van deze ontwikkeling op de (leef)omgeving wat betreft milieukundige aspecten. Voor deze locatie is geluid een belangrijk aspect, omdat de drukke provinciale weg een hoge belasting zal hebben op de gevels en omdat het bedrijventerrein De Koekoek een geluidzone heeft. Hierdoor zijn maatregelen opgenomen (dove gevel) in de regels van dit bestemmingsplan. Echter, gezien de toekomstige aanleg van een randweg ten noorden van Zevenbergen ligt het in de lijn der verwachtingen dat na afschaling van deze drukke weg een beter woon- en leefklimaat zal ontstaan voor o.a. dit planvoornemen. Indien deze nieuwe meer leefbare situatie is ontstaan is de strenge maatregel (dove gevels) wellicht niet noodzakelijk meer. Om deze reden is een afwijking in de bestemmingsregels opgenomen, zodat na akoestisch onderzoek de maatregel kan worden opgeheven. Dit draagt bij aan een betere woonkwaliteit en leefbaarheid van de toekomstige bewoners. De realisatie van het planvoornemen op deze locatie, in combinatie met het bestaande hotel en toekomstige kantoor, met ondergeschikt een laboratorium, aan de overzijde van de weg verhoogd de lokale leefbaarheid, aangezien er een hogere mate van ‘verblijven’ zal ontstaan. Dit betekent een eerste aanzet tot de realisatie van het verblijfsgebied Zevenbergen-Noord.
Conclusie Het planvoornemen past binnen de Visie Buitengebied (2016).
29
Gebiedsvisie Zevenbergen-Noord Algemeen Het plangebied is gelegen in de directe nabijheid van het gebied Zevenbergen-Noord waarvoor een gebiedsvisie is vastgesteld. Ontwikkelcombinatie Koekoek 2 B.V. en de gemeente Moerdijk hebben in 2017 een gezamenlijke gebiedsvisie opgesteld voor Zevenbergen-Noord. Het gebied aan de noordzijde van Zevenbergen is nu een gemengd gebied met een grote diversiteit aan functies: er wordt gewerkt en gewoond, er zijn volkstuinen, een hotel en er is een kleine jachthaven. Het gebied staat al langere tijd als transformatiegebied op de kaart en er zijn verschillende partijen die er grondposities hebben. Er vinden verschillende ontwikkelingen plaats waarvan de aanleg van een nieuwe Noordelijke Randweg de meest bepalende ontwikkeling is. Door de komst van deze weg komt het gebied in een ander perspectief te staan en kan een nieuwe, hechtere relatie worden verkregen met de binnenstad. Deze gedeelde visie op de identiteit van Zevenbergen Noord bevat een samenhangend programmatisch en ruimtelijk concept, waarin verschillende nieuwe en bestaande initiatieven en ontwikkelingen een plek krijgen. Deze gebiedsvisie vormt een aanscherping en uitwerking van verschillende in de reeds opgestelde ontwikkelingsvisie (2012) benoemde kansen.
Beoordeling plan Het plan voorziet in de realisatie van een tweetal appartementengebouwen op een locatie waar in de huidige situatie een restaurant met bedrijfswoning en parkeerterrein zijn gesitueerd. Door de komst van de woonbestemming wordt een gemengd gebied gecreëerd, waarin wonen en werken met elkaar samengaan. Dit past binnen de visie, waarin ruimte is voor o.a. experiment, innovatie en levendigheid. Ook sluit het aan op het beoogde ‘stedelijk wonen’ aan het kanaal Roode Vaart. Ten derde wordt met de beoogde groene binnentuin aansluiting gezocht bij de bestaande volkstuinen. De volkstuinen krijgen een nieuw gezicht in deze gebiedsvisie, en dit plan kan dit nieuwe gezicht verder versterken en aanvullen. Zodoende sluit het plan goed aan bij de gebiedsvisie Zevenbergen Noord.
30
Uitsnede Visiekaart Zevenbergen-Noord (plangebied rood omlijnd)
31
Hoofdstuk 4.
Onderzoek
In dit hoofdstuk worden de relevante sectorale aspecten behandeld. Dit betreffen planologische aspecten, zoals archeologie, water en flora & fauna en milieuaspecten, zoals bodem, geluid en externe veiligheid.
4.1.
Erfgoed
Archeologie Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Per 1 juli 2016 zijn de bepalingen van de Wamz 2007 gedeeltelijk overgegaan in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen op te nemen op de verbeelding en ze te beschermen middels regels. Op gemeentelijk niveau is het beleid vastgelegd in de nota ‘Tussen water en land’, waarin de Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart en advies archeologische beleidskaart van de gemeente Moerdijk is ondergebracht. Hierin is o.a. vermeld hoe en welke archeologische vondsten worden beschermd en hoe er advies wordt ingewonnen. Volgens de Archeologische waarden- en verwachtingenkaart geldt ter plaatse van het plangebied een ‘Lage archeologische verwachting’ (beleidscategorie 6). Dat wil zeggen dat de kans op het aantreffen van archeologische waarden laag is.
Uitsnede Archeologische waarden- en verwachtingenkaart
Dit archeologiebeleid (lage verwachting) is vervolgens juridisch-planologisch vertaald in bestemmingsplannen en beheersverordeningen. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Moerdijk’ is op deze locatie geen dubbelbestemming voor archeologie aanwezig, waardoor er geen onderzoeksverplichtingen van toepassing zijn bij grondroeringen.
32
Beoordeling plan Gezien de lage archeologische verwachtingswaarde en het bestemmingsplan ‘Buitengebied Moerdijk’ is er voor dit planvoornemen geen archeologisch onderzoek benodigd. Het bestemmingsplan is wat betreft archeologie uitvoerbaar. Cultuurhistorie Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van de Cultuurhistorische kaart van provincie Noord-Brabant is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Ook zijn historische topografische kaarten beschouwd.
Uitsnede Cultuurhistorische kaart (Bron: provincie Noord-Brabant)
Beoordeling plan Uit de provinciale Cultuurhistorische kaart blijkt dat in het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig zijn. Ten oosten van het plangebied is de Schansdijk aangegeven als ‘Lijn van hoge waarde’. De dijk loopt al eeuwenlang ten westen van de Roode Vaart. Deze cultuurhistorische elementen worden met dit planvoornemen niet verstoord. Het plangebied bevat geen cultuurhistorische elementen. De hoeve is naoorlogs (1953) en bevat geen monumentale waarde of behoudenswaardige elementen. Het aspect cultuurhistorie is dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
33
4.2.
Water
In artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de toelichting van een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Het plangebied is gelegen binnen het werkingsgebied van Waterschap Brabantse Delta. In deze paragraaf wordt daarom eerst ingegaan op het waterbeleid van het hoogheemraadschap. Daarna wordt ingegaan op de waterhuishoudelijke situatie ter plaatse. Beleid Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio.
Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’.
Het waterschap stelt criteria vast waarin is opgenomen in welke gevallen versnelde afvoer van hemelwater door toename van verhard oppervlak van compenserende maatregelen moet worden voorzien. Daarmee wordt de toename van piekafvoeren op het oppervlaktewatersysteem beperkt. Indien de compensatie voldoet aan deze criteria, is een vergunning niet noodzakelijk.
34
Vanuit de schaalgrootte van het waterschap is het verantwoord om de criteria uit de algemene regels van de Keur te hanteren. Vanuit de gemeente kan het meerwaarde hebben om hier andere eisen aan te stellen. De hydrologische gevolgen van de ontwikkelingen vanaf 500 m² tot en met 10.000 m² toename van verhard oppervlak voor het ontvangende watersysteem moeten worden gecompenseerd door een voorziening aan te leggen. De benodigde omvang van de compensatie in kubieke meters dient te worden vastgesteld met de rekenregel benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor (1) x 0,06 (in m).
Huidige situatie
Waterhuishouding Huidige situatie Het perceel heeft een oppervlakte van circa 3.480 m². Het plangebied is momenteel 1.782 m² bebouwd met een restaurant en een bedrijfswoning. Bijbehorende voorzieningen, zoals een opritten, parkeerterrein, terras en tuinen zijn eveneens aanwezig. Ten westen van het plangebied B-waterloop gelegen. De waterloop loopt ter plaatse van het zuidwesten van het plangebied via een duiker onder de weg richting een A-waterloop. De Schansdijk aan de oostzijde van het plangebied is een regionale (boezem) waterkering aan de Roode Vaart. De Roode Vaart is op de Keurkaart aangegeven als Beschermd gebied waterhuishouding.
35
Uitsnede leggerkaart Waterschap Brabantse Delta
Toekomstige situatie Het planvoornemen leidt tot verharding van het plangebied. Dit vanwege het feit dat de twee appartementengebouwen zijn voorzien op een parkeerkelder. Deze kelder vult voor een groot gedeelte het totale oppervlakte van het plangebied (2.978 m²). Tussen de appartementengebouwen en eromheen zijn groenvoorzieningen voor ogen. Deze zijn enerzijds om de aansluiting te maken met de omgeving. Anderzijds is dit groen voorzien als binnentuin bij de gebouwen. Deze binnentuin biedt de mogelijkheid om tevens als hemelwater op te vangen.
Binnentuin
36
Gezien de beoogde ontwikkeling wordt er meer dan 500 m² verhard oppervlakte toegevoegd. Dit betekent dat conform de Keur van waterschap de Brabantse Delta compensatie verplicht is in de vorm van een voorziening om de versnelde afvoer van hemelwater in het riool te voorkomen. Het plangebied wordt met uitzondering van de bermen (circa 220 m2) bijna geheel verhard uitgevoerd. In dit geval gaat het om een verplichte compensatie van: 1.196 x 1 x 0,06 = 72 m³. Deze hemelwatervoorziening met een inhoud van minimaal 72 m³ wordt op eigen terrein gerealiseerd middels retentiekratten op het dak van de parkeergarage, ter plaatse van de binnentuin. Er zijn drie typen retentiemogelijkheden voor ogen, namelijk een systeemopbouw t.b.v. lage vegetatie (1), een systeemopbouw t.b.v. boombakken (2) en een retentiekratten onder de tegels (3). Beoogd is deze drie systemen gecombineerd toe te passen.
1
2
3
De voorzieningen worden gedimensioneerd met de volgende eisen: de bodem van de voorziening boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG); de afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; de voorziening bevat een overloopconstructie. Milieuvriendelijk en natuurinclusief In het kader van duurzaam bouwen en vanwege de beoogde waterkwaliteit zullen geen uitlogende materialen zoals zink, koper en lood worden toegepast. Indien deze toch worden toegepast, worden deze gecoat om diffuse verontreinigingen te voorkomen. Verder zal natuurinclusief worden gebouwd, hetgeen betekent dat bij de verschillende bouwonderdelen rekening wordt gehouden met o.a. de aspecten gezondere leefomgeving, klimaatadaptief en meer biodiversiteit. Het gaat daarbij o.a. om klimaatadaptief nadenken over verhardingen en het dak, de inrichting van de groene binnentuin en het toepassen van natuurinclusieve bouwonderdelen voor de gevel. Met inachtneming van deze maatregelen wordt een bijdrage geleverd aan de leefomgeving voor mens en natuur.
37
4.3.
Natuur
Algemeen Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Hierbij staat de Wet natuurbescherming in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wnb is aangewezen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Hollands Diep dat op circa 6,7 km ten noorden van het plangebied is gelegen. Het plangebied ligt niet in een gebied behorende tot Natuurnetwerk Nederland (NNN) of een belangrijk weidevogelgebied of stiltegebied. Het dichtstbijzijnde NNNgebied - zijnde de Roode Vaart is gelegen ten oosten van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van dit project, waarbij appartementen worden gerealiseerd, zijn als gevolg van dit project geen significant negatieve effecten te verwachten ten aanzien van het NNN-gebied. Voor NNN-gebieden wordt geen externe werking gehanteerd.
Voor wat betreft Natura 2000 is op voorhand niet met zekerheid te stellen dat dit planvoornemen geen significant negatieve effecten heeft op stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden in Natura 2000-gebieden in de omgeving. Hiertoe is een stikstofdepositie berekening uitgevoerd. Het rapport hiervan is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Uit de berekening volgt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door toedoen van dit planvoornemen. Er is geen Wnb-vergunning noodzakelijk. Wat betreft gebiedsbescherming is het planvoornemen uitvoerbaar. Soortenbescherming Quicksan flora en fauna Ten behoeve van dit planvoornemen is in het kader van soortenbescherming een quickscan flora & fauna uitgevoerd. Hierna volgen de resultaten uit dit onderzoek. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen.
38
Vogels Het aanwezige restaurant en woonhuis zijn geschikt bevonden als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats voor de huismus en gierzwaluw. Om deze reden wordt er nader onderzoek naar deze soorten plaats uitgevoerd. Het aanvullend huismusonderzoek bestaat uit twee veldbezoeken in de periode van 1 april tot en met 15 mei of vier veldbezoeken in de periode van 10 maart tot en met 20 juni om uit te sluiten dan wel aan te tonen of en waar huismussen vaste verblijfplaatsen hebben binnen het plangebied. Het aanvullend gierzwaluwonderzoek bestaat uit drie veldbezoeken in de periode van 1 juni tot en met 15 juli. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling.
Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Het aanwezige restaurant en bedrijfswoning zijn geschikt bevonden als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Er wordt daarom aanvullend onderzoek uitgevoerd in de vorm van minimaal vijf veldbezoeken, waarvan drie in de periode 15 mei – 15 juli en twee in de periode 15 augustus – 1 oktober. Deze onderzoeken worden uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2021 van het Netwerk Groene Bureaus van de Zoogdiervereniging. Mogelijk wordt er door vleermuizen gefoerageerd binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden.
In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van de akkers ten noorden en oosten van het plangebied en de vijvers ten noordoosten van het plangebied. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de sloop- en bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten.
39
Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. Nader onderzoek huismus, gierzwaluw en vleermuis Zoals uit het vorenstaande is gebleken is een nader onderzoek naar de soorten huismus, gierzwaluw en vleermuis noodzakelijk omdat het plangebied mogelijk geschikt is als verblijfplaats. Omdat het plan omvat de ter plaatse aanwezige bebouwing te amoveren, worden mogelijk vaste rust- en of verblijfplaatsen aangetast of tijdelijk ongeschikt.
Om deze reden is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar bovengenoemde soortgroepen in de daarvoor geschikte onderzoeksperiodes en conform vleermuisprotocol 2021, soortinventarisatieprotocollen 2017 en de beschikbare kennisdocumenten van BIJ12. Binnen het onderzoeksgebied zijn geen vaste verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen of vleermuizen aangetroffen. Wel zijn vaste verblijfplaatsen van huismussen en gierzwaluwen in de wijk (Torenveld) ten westen van het plangebied aanwezig. Dit vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen. Het onderzoeksgebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten c.q. soortgroepen. Binnen het onderzoeksgebied wordt wel gefoerageerd door de gewone dwergvleermuis en sporadisch door de laatvlieger en gierzwaluw. Het betreft echter geen essentieel foerageergebied, omdat er verschillende groenstructuren ten zuiden en ten oosten van het plangebied aanwezig zijn (bijvoorbeeld de volkstuinen). De voorgenomen plannen hebben geen nadelige effecten op de huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Anders dan de algemene zorgplicht bestaan er vanuit de Wet natuurbescherming geen verplichtingen ten aanzien van deze soorten en soortgroepen. Zorgplicht Voor alle soorten en gebieden geldt de algemene zorgplicht. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11 Wnb.
In het tweede lid wordt de zorgplicht geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen
40
worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Natuurinclusief bouwen Bij dit planvoornemen wordt natuurinclusief gebouwd. Natuurinclusief bouwen betekent dat bij de verschillende bouwonderdelen rekening wordt gehouden met o.a. de aspecten gezondere leefomgeving, klimaatadaptief en meer biodiversiteit. Op navolgende afbeelding is weergegeven aan welke aspecten wordt gedacht bij dit specifieke bouwplan. Het gaat o.a. om klimaatadaptief nadenken over verhardingen en het dak, de inrichting van de groene binnentuin en het toepassen van natuurinclusieve bouwonderdelen voor de gevel. Met inachtneming van deze maatregelen wordt een bijdrage geleverd aan de leefomgeving voor mens en natuur.
Natuurinclusief bouwen bij dit bouwplan
Conclusie Wat betreft flora en fauna worden geen negatieve effecten verwacht door het planvoornemen op omliggende beschermde natuurgebieden. Wat betreft soortenbescherming is in 2021 nader onderzoek uitgevoerd naar de soorten huismus, gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de voorgenomen plannen geen nadelige effecten hebben op deze soorten. Bij de planrealisatie wordt rekening gehouden met de zorgplicht, de bij de algemeen voorkomende vogels beschreven werkwijze en er wordt natuurinclusief gebouwd.
41
4.4.
Landschappelijk inpassingsplan
Algemeen Het plangebied ligt in het buitengebied van gemeente Moerdijk aan de Schansdijk, direct aansluitend aan de noordzijde van de bebouwde kom van de kern Zevenbergen. Omdat de locatie is gelegen in het buitengebied moet er conform artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant worden voldaan aan een goede landschappelijke inpassing. Hierbij is gebruik gemaakt van het “Afsprakenkader kwaliteitsverbetering van het landschap”. De locatie betreft een categorie 3 ontwikkeling. Deze categorie betreft ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. Deze ontwikkelingen hebben over het algemeen een beduidende invloed op de omgeving door vergroting van de geldende bouwmassa/oppervlakte, vergroting van het geldende bestemmingsplan en/of substantiële bestemmingswijziging. Ook niet aan het buitengebied gebonden ontwikkelingen - zoals dit planvoornemen - vallen in principe onder categorie 3. Uitgangspunt van de investering in het landschap is dat de kwaliteitsverbetering in verhouding moet zijn met de ruimtelijke ontwikkeling. Dat betekent dat ‘rood’ wordt omgerekend naar een tegenprestatie in euro’s, welke wordt omgezet in een fysieke tegenprestatie.
Wanneer dat niet mogelijk is, kan worden volstaan met een financiële tegenprestatie, waarbij het investeringsbedrag in het groenfonds van de betreffende gemeente wordt gestort. Een fysieke tegenprestatie op de locatie heeft de voorkeur. In dit geval is ervoor gekozen om zowel een fysieke tegenprestatie te realiseren - in de vorm van een landschappelijke inpassing - en een tegenprestatie in euro’s. Gemeente Moerdijk heeft met de vaststelling van het Landschapskwaliteitsplan een raamwerk opgesteld dat als inspiratie kan worden gebruikt bij het toepassen van landschappelijke inpassing. Conform dit Landschapskwaliteitsplan is de locatie gelegen op het snijvlak van twee gebiedstypen, namelijk ‘grote polders’ en ‘bebouwde kom’. Voor grote polders zijn de volgende richtlijnen van toepassing: Open houden van de polders. Versterken van de dijkstructuren door behoud / plaatselijke nieuwaanplant van lanen. Behoud van de geometrische inrichting en de hiërarchische opbouw (oriëntatie altijd op de hoofdweg) bij de opwaspolders Behoud van de onregelmatige verkavelingsstructuur bij de aanwaspolders. Behoud, herstel en versterking van de natuurlijke krekenstructuren: o Door versterking van de begeleidende beplantingsvormen (bomen, struiken en ruigte) en rietoevers.
42
Rechtgetrokken krekenstructuren, die op luchtbeelden of historische kaarten nog te herleiden zijn, herstellen. Recreatieve dooradering. Versterken van erfbeplanting van woon- en (agrarische) bedrijfserven en landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing. bij nieuwe ontwikkelingen kansen te benutten om de onderlinge samenhang tussen de onderdelen van de Zuiderwaterlinie te verbeteren. o
Toepassing planvoornemen Bovengenoemde kenmerken en richtlijnen zijn meegewogen in de totstandkoming van het landschappelijk inpassingsplan (de fysieke tegenprestatie). Zo wordt de dijkstructuur langs de hoger gelegen N285 versterkt door de aanplant van 6 nieuwe laanbomen (Ulmus New Horizon) in een rij. Dit geeft richting aan de geometrische inrichting met oriëntatie op de hoofdweg, in dit geval de N285. Om deze structuur te benadrukken en om de natuurlijke krekenstructuur te versterken wordt de oever natuurvriendelijk ingericht en wordt een groene haag aangeplant. De natuurlijke oever gaat solitair door, dus zonder begeleiding van de haag en bomen, de hoek om en langs de Schansdijk. Dit versterkt de hiërarchische opbouw. Ten behoeve van de toekomstige bewoners en bezoekers van de bewoners wordt een groen binnenterrein aangelegd, waarbij o.a. ca. 13 bomen en heesters en een dolende wandelroute wordt aangelegd. Dit versterkt de recreatieve dooradering en zorgt voor doorwaadbaarheid. Daarnaast worden de parkeerplaatsen op het buitenterrein voorzien in doorlatende bestrating en wordt natuurinclusief gebouwd, zoals ook in paragraaf 4.3.5 is toegelicht. Op navolgende afbeelding is de landschappelijke inpassing weergegeven. In bijlage 1 bij de regels is het landschappelijk inpassingsplan in zijn geheel bijgevoegd.
In de regels van dit bestemmingsplan is bepaald dat het landschappelijk inpassingsplan moet worden gerealiseerd en in stand moet worden gehouden. Op deze wijze wordt ook het natuurinclusief bouwen kwantificeerbaar gemaakt, omdat op het inpassingsplan is aangegeven waar welke natuurinclusieve maatregelen genomen (moeten) worden.
43
Uitsnede landschappelijk inpassingsplan
44
Naast de fysieke tegensprestatie wordt er ook een tegenprestatie in euro’s uitgevoerd. Bij stedelijke ontwikkelingen - waarvan in dit geval sprake is - geldt dat een investering in kwaliteitsverbetering wordt berekend door 1% van de gronduitgifteprijs te storten in het gemeentelijk landschapsfonds. De gronduitgifteprijs voor wonen is vastgesteld op €250,- per m². In dit geval wordt er daarom 3.480 m² x €250,- x 1% = €8.700,- in het gemeentelijk groenfonds gestort. E.e.a. wordt in de anterieure overeenkomst geborgd. Op deze wijze kan worden voldaan aan artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening NoordBrabant (kwaliteitsverbetering landschap).
4.5.
Verkeer en parkeren
Verkeer Het plangebied wordt ontsloten door de Schansdijk. Deze straat is gelegen parallel ten westen van de Roode Vaart. Direct ten zuiden van het plangebied loopt een zijweg van de Schansdijk in oost-westelijke richting (waarop dit plan is en wordt ontsloten). De weg sluit ten zuidwesten van het plangebied aan op de Provinciale Rondweg N285. Gezien de ligging nabij de N285 is de locatie goed bereikbaar. Aan de noordzijde van Zevenbergen wordt de noordelijke randweg aangelegd. Deze weg wordt aangelegd om de verkeersveiligheid en leefbaarheid van de kern te vergroten. De aanleg van de randweg maakt de toekomstige gebiedsontwikkeling in Zevenbergen-Noord mogelijk en is een belangrijk onderdeel bij het doortrekken van de Roode Vaart tot in het centrum. De komst van de randweg heeft daarnaast een positief effect op de leefbaarheid van de kern als verblijfsgebied. Voor de analyse van de verkeersgeneratie wordt gebruik gemaakt van de kencijfers ‘Parkeren en verkeersgeneratie’ (publicatie 317 van het CROW). Op basis van de stedelijkheidsgraad en stedelijke zone geven deze kencijfers inzicht in de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie. Deze locatie is conform deze publicatie en gegevens van het CBS ‘weinig stedelijk’ en ‘rest bebouwde kom’. Om de verkeersgeneratie te analyseren is de huidige situatie afgezet tegen de toekomstige situatie.
Het huidig restaurant heeft een oppervlakte van circa 500 m² b.v.o. Voor een restaurant zijn er geen kentallen voor de verkeersgeneratie aangegeven in voornoemde publicatie. Echter, uitgaande van 14-16 parkeerplaatsen per 100 m² b.v.o. en een gemiddeld aantal parkeerwisselingen (turn-over) van 2 geeft een verkeersgeneratie van 140-160 vervoersbewegingen per etmaal. Appartementen hebben conform de CROW-publicatie 317 een verkeersgeneratie van 6,7 vervoersbewegingen per woning, afgaande van ‘matig stedelijk’ en ‘rest bebouwde kom’ in de woningbouwcategorie ‘koop, etage, duur’. Wat betreft stedelijkheid is één graad verhoogd, omdat met de komst van de appartementengebouwen en overige ontwikkelingen in gebied een hogere stedelijkheid zal ontstaan. Voor 36 appartementen resulteert dit in een gemiddelde verkeersgeneratie van minimaal 241 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
45
De huidige situatie afgezet tegen de toekomstige situatie resulteert in een theoretische toename van het aantal verkeersbewegingen à circa 101-121 bewegingen per etmaal. Deze toename zal niet tot onevenredige congestie leiden op de Schansdijk en omgeving, vooral omdat er een noordelijke rondweg zal worden gerealiseerd, waardoor de N285 ruimte krijgt voor extra vervoersbewegingen. Daarnaast omdat de N285 een gebiedsontsluitende weg is richting het centrum en het noorden zal het grootste gedeelte van de verwachte verkeersgeneratie via de N285 worden afgewikkeld. Een gebiedsontsluitende weg heeft conform de CROW publicatie 216 een capaciteit tussen 1.600 en 3.200 pae per uur (pae staat voor personenautoequivalent) per rijbaan. Op de N285 ter plaatse van het plangebied zijn in de huidige situatie motorvoertuigintensiteiten bekend van circa 2.770 tot circa 5.560 mvt/uur. Echter, de weg wordt zoals beschreven afgeschaald vanwege de komst van de Randweg Noord. Naar verwachting - het bestemmingsplan voor Randweg Noord is vastgesteld - neemt de capaciteit van de N285 ter plaatse van het plangebied ruim voldoende toe om de verwachte verkeersgeneratie op te kunnen vangen. Direct ten oosten van de huidige inrit naar het restaurant/hotel zal een nieuwe op- en afrit worden gerealiseerd richting zowel de nieuwbouw als het bestaande hotel.
In feite wordt de feitelijke verkeersafwikkeling van het plangebied daarmee verbeterd, aangezien er in de huidige situatie twee opritten zijn gerealiseerd (hotel en bedrijfswoning) en wordt de nieuwe op- en afrit verder van het kruispunt af gerealiseerd (verkeersveiliger). Het is de bedoeling het verkeer vanaf de op- en afrit meteen richting de nog af te schalen N285 te sturen. Gezien de verkeerskundige situatie is dit tevens de meest logische afwikkeling voor het bestemmingsverkeer (zie ook de afbeelding op pagina 44 hierna). Het gedeelte van de Schansdijk evenwijdig aan de Roode Vaart wordt niet negatief beïnvloed door dit planvoornemen. Het fietsend verkeer en landbouwverkeer wordt daardoor dus niet beïnvloed. De inrit wordt tegenover de inrit van het kantoorgebouw met ondergeschikt laboratorium gerealiseerd voor een overzichtelijke verkeerssituatie. Parkeren Beleid De Nota Parkeernormen van de gemeente Moerdijk is in 2015 opgesteld als uitwerking van het geactualiseerde parkeerbeleid van de gemeente. Deze nota beoogt het vastleggen van de Moerdijkse parkeernormen en het bepalen van een transparant en eenduidig toepassingskader. Bij het formuleren van de parkeernormen is het belangrijk dat deze recht doen aan de plaatselijke situatie.
Dit betekent dat binnen de gemeente Moerdijk verschillende parkeernormen voor dezelfde functie kunnen gelden, afhankelijk van de locatie van de functie. Als basis voor de parkeernormen gelden de in 2010 vastgestelde parkeernormen. In de praktijk werken deze goed en sluiten ze aan bij de praktijk. Daar waar in 2010 niet in werd voorzien kiest de gemeente Moerdijk voor de parkeerkencijfers van CROW, als basis voor de gemeentelijke parkeernormering. De hoogte van de parkeernorm is onder andere afhankelijk van het autobezit en autogebruik. In dit hoofdstuk worden de gemaakte keuzes toegelicht.
46
Beoordeling plan Auto Nieuwe ontwikkelingen moeten aan de parkeernormen voldoen. Bij veranderingen van de bestaande situatie, bijvoorbeeld bij de (her)ontwikkeling van een functie of een gebied, hanteert de gemeente Moerdijk de systematiek van parkeernormering via de Nota Parkeernormen. Deze nota is in augustus 2015 vastgesteld door de gemeenteraad. 36 appartementen in de categorie ‘koop, etage, duur’ resulteert in ‘matig stedelijk gebied’ en ‘rest bebouwde kom’ in een parkeervraag van 58 - 87 parkeerplaatsen. Met de realisatie van 53 parkeerplaatsen in de parkeergarage en 22 parkeerplaatsen in de buitenruimte (eigen terrein) wordt voorzien in de vraag en kan worden voldaan aan de parkeernormen.
Situatietekening parkeren en verkeer
4.6.
Kabels en leidingen
In het westen van het plangebied loopt een rioolleiding onder druk. Deze leiding is in beheer van Waterschap Brabantse Delta. De leiding is met een dubbelbestemming planologisch beschermd in dit bestemmingsplan. De parkeergarage is voorzien binnen de beschermingszone van een aanwezige rioolleiding. Het gebouw is niet voorzien boven de leiding. Bij de bouw wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van deze leiding en zullen met Waterschap Brabantse Delta afspraken worden gehouden over de bescherming van de leiding. Aangezien de beoogde ontwikkeling niet is
47
beoogd boven de rioolleiding vormt het aspect kabels en leidingen geen belemmering voor onderhavig plan.
4.7.
Bodem- en grondwaterkwaliteit
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij een bestemmingsplan dat nieuwe bouwmogelijkheden of een herinrichting van bestaande percelen mogelijk maakt, een bodemonderzoek conform NEN5740 plaats te vinden. Met dit verkennend onderzoek dient de bodem- en grondwaterkwaliteit in voldoende mate te worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie. Voor deze ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste conclusies. Conclusies verkennend bodemonderzoek Op basis van het bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: ▪ Tijdens het bodemonderzoek zijn geen waarnemingen gedaan, die wijzen op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. ▪ De bovengrond bevat een licht verhoogd gehalte lood. ▪ In de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten kobalt en nikkel aangetoond. ▪ In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten xylenen, naftaleen en dichloormethaan gemeten. ▪ Uit het indicatieve onderzoek van de asfaltverharding blijkt deze niet teerhoudend en daarom geschikt voor hergebruik. ▪ Uit het indicatieve onderzoek van de stabilisatielaag blijkt deze herbruikbaar. ▪ De resultaten van het bodemonderzoek vormen geen belemmering voor de aanvraag van de omgevingsvergunning.
Dit bodemonderzoek is niet uitgevoerd om de hergebruiksmogelijkheden van grond of stabilisatiemateriaal buiten de locatie vast te stellen. Moet er grond van het perceel worden afgevoerd om elders te worden gebruikt, dan dient in principe op de af te voeren partij grond een onderzoek conform het Bouwstoffenbesluit te worden uitgevoerd. Het indicatieve onderzoek van de asfaltverharding is niet uitgevoerd om de hergebruiksmogelijkheden buiten de locatie vast te stellen, maar van deze mogelijkheden een indicatie te geven. Voor afvoer van asfalt is een onderzoek conform CROW 210 noodzakelijk. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
48
4.8.
Geluid
Algemeen Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling van een geluidsgevoelig object of terrein plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen Schansdijk, Provinciale Weg (N285), Oranjelaan, Koekoeksedijk en Achterdijk. De wegen Koekoeksedijk en Achterdijk zijn als één juridische geluidbron beschouwd. Voor industrielawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van het geluidgezoneerde industrieterrein Schansdijk –De Koekoek. Gelet op het voorgaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies. Akoestisch onderzoek Wegverkeerslawaai In de rapportage van het akoestisch onderzoek is ingegaan op de geluidbelasting vanwege de N285, de Schansdijk, de Oranjelaan en de Koekoeksedijk/Achterdijk. Voor wegverkeerslawaai geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB etmaalwaarde en een maximale ontheffingswaarde van 53 dB etmaalwaarde.
De rekenresultaten vanwege de provinciale weg N285 laten zien dat de voorkeursgrenswaarde ter hoogte van de meeste toetspunten wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde ten gevolge van het verkeer op de N285 wordt daarbij ter hoogte van een aantal toetspunten eveneens overschreden. Van belang is dat ingevolge artikel 110g Wgh nog een aftrek van 2, 3, of 4 dB mag worden toegepast. Aangezien er een herinrichting van deze provinciale weg zal plaatsvinden waarbij het snelheidsregime en de locatie van de komgrenzen gewijzigd zullen worden, als gevolg waarvan de maximale ontheffingswaarde zal stijgen naar 63 dB en deze gelet op de rekenresultaten en de aftrek ingevolge artikel 110g Wgh dan niet zal worden overschreden, is er geen sprake van een onaanvaardbare situatie. De rekenresultaten vanwege de overige gezoneerde wegen voldoen met uitzondering van ter plaatse van één toetspunt aan de voorkeursgrenswaarde. Ter plaatse van toetspunt 04 komt de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Schansdijk uit op maximaal 53 dB, zodat de maximale ontheffingswaarde hier niet tevens overschreden wordt.
Op basis van de eerste rekenresultaten is door de opdrachtgever aangegeven dat het uitgangspunt is dat voor onderhavige appartementen geen procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeerslawaai wordt doorlopen. Om dit te realiseren worden de appartementen uitgevoerd met dove gevels in combinatie met afsluitbare loggia’s.
49
Aangezien een “dove gevel” geen gevel is volgens de Wgh en de achterliggende gevels in de afsluitbare loggia’s geluidonbelast dienen te zijn vindt formeel geen toetsing plaats aan de normen uit de Wgh. Hierbij dient rekening te worden gehouden dat in een dove gevel geen te openen delen (ramen en deuren) zijn toegestaan, met uitzondering van eventuele incidenteel te openen delen (zoals een verhuisraam), mits deze delen niet direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte. Aangezien draaiende delen voor de vereiste spuiventilatie noodzakelijk zijn, is hier in de plattegronden rekening mee gehouden. Derhalve zijn in het bouwplan per appartement alle verblijfsruimten gelegen aan één afsluitbare loggia. De spuiventilatie vindt plaats via de afsluitbare loggia’s. Ter plaatse van deze loggia’s moet wel sprake zijn van buitenluchtcondities. Voor dit planvoornemen is een specifieke bouwkundige oplossing gezocht om alsnog buitenruimtes te kunnen realiseren. Hierdoor kan een betere woonkwaliteit worden gerealiseerd.
Het gaat om het volgende: De kopgevels worden doof uitgevoerd; De ruimtes, gelegen achter het balkon worden aangemerkt als onbenoemde ruimte en hoeven derhalve niet te voldoen aan de eisen voor onder andere spuien en daglicht uit het Bouwbesluit (paarse arceringen); Er wordt voor de buitenruimtes een Solarlux SL25 toegepast, wat resulteert in een geluidsluwe buitenruimte (rode arceringen); Een geluidsluwe buitenruimte (gele arceringen); De geveldelen waardoor gespuid kan worden, middels DucoMax ZR (blauwe arceringen). Conclusie: - Alle verblijfsruimtes hebben spuivoorzieningen; - Alle woningen beschikken over een geluidluwe buitenruimte; - Alle woningen beschikken over een dove gevel, waar geen te openen delen in zitten. Met een aanvullend onderzoek (geluidwering gevel) wordt inzichtelijk gemaakt wat de geluidwering van de gevels moet zijn, zodat kan worden aangetoond dat het binnenniveau in de afsluitbare loggia’s c.q. achterliggende gevels maximaal 48 dB incl. aftrek artikel 110g Wgh bedraagt. In het akoestisch onderzoek zijn de geluidbelastingen reeds inzichtelijk gemaakt t.b.v. het aanvullend onderzoek. Voornoemd geluidsniveau kan aangetoond worden door middel van een geluidweringberekening. Een dergelijke berekening kan echter pas worden uitgevoerd wanneer uitgewerkte bouwkundige tekeningen voorhanden zijn.
Op basis van ervaring met vergelijkbare projecten is de in onderhavige situatie noodzakelijke reductie van 12 dB in principe haalbaar (in een vergelijkbaar project is met toepassing van een Sunflex glassysteem een reductie van 16 dB gerealiseerd). Bovendien hebben de balkons die aan de loggia’s in onderhavig bouwplan zijn gelegen mogelijk nog een extra geluidreductie tot gevolg.
50
Het toepassen van dove gevels is met een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan geeffectueerd. Op deze wijze is het bestemmingsplan uitvoerbaar en is geen procedure hogere waarde benodigd. Wegverkeerslawaai na verlegging komgrenzen Conform opgave van de gemeente zal een herinrichting plaatsvinden van de N285. Hierbij zal het snelheidsregime gewijzigd worden alsmede de locatie van de komgrenzen. Het is echter nog niet vastgelegd in verkeersbesluiten welk snelheidsregime op welke locaties gehanteerd gaat worden. Dit geldt eveneens voor de locatie van de komgrenzen. Het is echter wel mogelijk dat het plan in binnenstedelijk gebied komt te liggen vanwege voornoemde herinrichting en/of vanwege het feit dat de Schansdijk mogelijk ook onderdeel zal uitmaken van de herinrichting. Wanneer onderhavig plan in binnenstedelijk gebied komt te liggen zal de maximale ontheffingswaarde 63 dB bedragen in plaats van 53 dB. De maximale geluidbelasting ten gevolge van de Provinciale Weg (N285) bedraagt 64,7 dB exclusief aftrek artikel 110g van de Wgh. Bij toepassing van de aftrek van 2 dB resulteert dit in een geluidbelasting van maximaal 62,7 dB. De maximale ontheffingswaarde wordt dan derhalve niet meer overschreden.
Wanneer op basis hiervan de gevels van onderhavig plan niet doof uitgevoerd zullen worden dient echter wel rekening te worden gehouden met het doorlopen van een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeers- en industrielawaai en de aanvullende voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Industrielawaai In de rapportage van het akoestisch onderzoek is ingegaan op de geluidbelasting vanwege Industrieterrein Schansdijk-de Koekoek. Voor industrielawaai geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde en een maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde. De rekenresultaten vanwege deze bron (bijlage 6 bij voornoemde rapportage) laten zien dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) in het oosten en zuidoosten wordt overschreden tot ten hoogste 55 dB(A). Aangezien ter plaatse van onderhavig plan, zoals reeds aangegeven, enkel sprake is van dove gevels en gevels waar de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden(zoals in een later stadium aangetoond dient te worden in een aanvullend onderzoek) is eveneens geen sprake van een procedure hogere waarde ten gevolge van industrielawaai.
Conclusie Uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bij de uitvoering van dove gevels en een vooraf berekende minimale geluidwering van de gevels een goed woon- en leefklimaat realiseerbaar is. In de regels van dit bestemmingsplan is het toepassen van dove gevels middels een voorwaardelijke verplichting geeffectueerd, zodat het gewenste woon- en leefklimaat ook daadwerkelijk wordt bereikt. Echter, omdat de N285 naar grote waarschijnlijkheid wordt afgewaardeerd van een 80 km/uweg naar 50 resp. 30 km/u-weg en omdat daartoe de komgrenzen worden verplaatst, ontstaat er voor wegverkeerslawaai een nieuwe situatie. Vanwege deze omstandigheid is in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen dat kan worden afgeweken van bovengenoemde
51
bouwkundige maatregelen, indien uit een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai blijkt dat deze bouwkundige maatregelen e.a. niet (meer) noodzakelijk zijn. Hiermee kan worden geconcludeerd dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is voor wat betreft het aspect geluid.
4.9.
Luchtkwaliteit
Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht; • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). De uitwerking van het begrip ‘niet in betekende mate’ staat in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.
Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter. Goede ruimtelijke ordening Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een
52
'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. Beoordeling plan Het planvoornemen ziet op de realisatie van 36 appartementen. Op basis daarvan kan worden gesteld, voor zover daarvan al sprake is, dat deze ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Het project mag dan ook zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Aangezien woningen in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen niet als een gevoelige bestemming wordt gezien, hoeft niet aan dit besluit getoetst te worden.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat direct ten westen van het plangebied - ter plaatse van het rekenpunt aan de N285 - zowel in de huidige situatie als voor 2030 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden. Uit de monitoringstool blijkt dat de optredende concentraties NO2 en PM10 ter plaatse van het plangebied ruim onder de in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) gestelde grenswaarden liggen. Gesteld kan worden dat ter plaatse van het plangebied vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
53
4.10. Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen ‘Rustige woonwijk / rustig buitengebied’ en ‘Gemengd gebied’. Bij het eerste type is er duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een ‘gemengd gebied’, de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter.
Beoordeling plan Met dit bestemmingsplan wordt een bestaande horecabestemming gewijzigd naar een woonbestemming zodat er een tweetal appartementengebouwen kunnen worden gerealiseerd. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere niet-woonfuncties, zoals een hotel, een (toekomstig) kantoor, met ondergeschikt een laboratorium, een tankstation en woningen. Door deze redenen is het gebied te typeren als ‘gemengd gebied’ en is bij de toetsing van de richtafstanden uitgegaan van een verminder van één afstandsstap. Hotel - Schansdijk 3 Hotels zijn inrichtingen in de milieucategorie 1. Hiervoor geldt een richtafstand van 0 meter (na verlaging van één afstandsstap). Gezien deze omstandigheid kan aan de richtafstand worden voldaan. Tankstation - Oranjelaan 20-22 Tankstations (zonder LPG) zijn inrichtingen in de milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. De grens van de bestemming waarbinnen het tankstation is gelegen is gesitueerd op een afstand van 50 meter van het plangebied. Gezien deze omstandigheid kan aan de richtafstand worden voldaan. Laboratorium - Schansdijk ong. Er is op deze specifieke locatie sprake van een kantoor met een ondergeschikt klinisch/chemisch laboratorium, waarin een klein gedeelte is opgenomen voor een medisch microbiologisch laboratorium.
De oppervlakte van dit deel van het toekomstig laboratorium, waar met bioagentia in de risicoklasse 3 wordt gewerkt, bedraagt maximaal 30 m² (inclusief sluis). Dit is een zeer ondergeschikt onderdeel van de totale oppervlakte van het laboratorium.
54
Het laboratorium is te kwalificeren met een SBI-code 86924. Volgens de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is voor een bedrijf met deze SBI-code de milieucategorie 2 van toepassing. Dit betekent dat in geval van een gebiedstype ‘rustige woonwijk’ een afstand van tenminste 10 meter in acht genomen moet worden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals wonen. De afstand van het bestemmingsvlak waarbinnen de oprichting van het laboratorium mogelijk is gemaakt tot het plangebied van dit bestemmingsplan is circa 20 meter. Gezien deze omstandigheid kan aan de richtafstand worden voldaan. Volkstuintjes ten oosten en ten noordoosten van het plangebied Volkstuinen zijn niet als zodanig gedefinieerd in de VNG-publicatie. Omdat dit functies betreffen waar over algemeen weinig mensen aanwezig zijn gedurende de dag kan worden aangenomen dat deze functie zonder problemen naast de nieuwe woonbestemming kan bestaan. Vanuit het aspect milieuzonering is er dan ook geen belemmering voor dit planvoornemen. Ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.