APV 2021 met wijzigingen en toelichting
Tekst van het document
n.
de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie;
o.
de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.
3.
Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.
4.
De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.
5.
De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.
6.
In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.
Artikel 3:16 Gereserveerd Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf 1.
De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.
2.
De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat: a.
de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;
b.
er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval; 1°. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees; 2°. de verhuuradministratie; 43
3°. met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:15, tweede lid, onder k; 4°. de werkroosters van de beheerders. c.
de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;
d.
medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;
e.
onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;
f.
onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur;
g.
gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.
PARAGRAAF 3.3 RAAM- EN STRAATPROSTITUTIE Artikel 3:18 Raamprostitutie Het is een prostituee verboden: 1.
zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en
2.
passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden.
Artikel 3:19 Straatprostitutie Het is verboden zich op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, zich op te houden met het kennelijke doel prostitutie of het verrichten van seksuele handelingen in het kader van prostitutie. zich beschikbaar te stellen voor prostitutie of op of aan de weg ontuchtige handelingen te verrichten als dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.
Artikel 3:20 Gereserveerd
44
AFDELING 4. OVERIGE BEPALINGEN Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten 1. Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend. 2. Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee. 3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.
Artikel 3:22 Gereserveerd
45
Hoofdstuk
4
BESCHERMING
VAN
HET
MILIEU
EN
HET
NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE Afdeling 1 Voorkomen of beperken gGeluidhinder en hinder door verlichting Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer;
b.
inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheereen inrichting type A of type B, als bedoeld in het Besluit;
c.
houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
d.
collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden zoals koningsdag, carnaval, kermis, etc.;
e.
incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen, zoals de viering van een jubileum, een straatfeest, etc.;
f.
geluidgevoelige ruimte: geluidgevoelige ruimte als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
g.
gevel: gevel als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder;
h.
gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheergeluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet Geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;
i.
Gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheergeluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;
j.
onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt;
k.
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau: (LAr,LT en LCr,LTLAr,LT en LCr,LT) het gemiddelde van de afwisselende A- en C-gewogen niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 (internet uitgave 2004: www.rijksoverheid.nl), inclusief erratalijst (errata digitale versie HMRI 2004: www.infomil.nl). De A- en C-gewogen geluidniveaus dienen bepaald te worden met behulp van de filters/wegingen zoals voorgeschreven in IEC 651;
l.
maximaal geluidsniveau: (LAmaxLAmax) maximaal geluidsniveau gemeten in de meterstand [F] of [fast], als vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 (internet uitgave 2004: www.rijksoverheid.nl), inclusief erratalijst (errata digitale versie HMRI 2004: www.infomil.nl).
46
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteitendagen gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen, met dien verstande dat het A-gewogen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LTL Ar, LT) en het A-gewogen maximale geluidsniveau (LAmaxLA max) niet hoger mogen zijn dan 20 dB(A) boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Besluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening, om onduldbare hinder voor omwonenden te voorkomen. Het C-gewogen langtijdgemiddeld beoordelingsniveau mag niet meer dan 33 dB boven het boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Besluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer nader aan te wijzen delen van de gemeente. 4.
Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikel 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening – uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd. 7. In bijzondere omstandigheden kan het college afwijken van hetgeen in het eerste lid is bepaald. 8. De collectieve ontheffing geldt niet voor horecabedrijven die geen afdoende geluidwerende voorzieningen hebben aangebracht en/of die gedurende een periode van zes maanden voorafgaande aan de datum van de festiviteit de geldende geluidsnorm hebben overtreden.
Artikel 4:3 Kennisgeving Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal zes incidentele festiviteitendagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college daarvan in kennis heeft gesteld en met dien verstande dat het A-gewogen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LTL Ar, LT) en het A-gewogen maximale geluidsniveau (LAmaxLA max) niet hoger mogen zijn dan 20 dB(A) boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Besluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening, om onduldbare
hinder
voor
omwonenden
te
voorkomen.
Het
C-gewogen
langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau mag niet meer bedragen dan 33 dB boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Besluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3:148, lid 1, van het Besluit niet van toepassing is mits 47
de houder van de inrichting ten minste tien werkdagentwee weken voor de aanvang van de festiviteiten daarvan melding heeft gedaan aan het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgevingde melding. 4. De kennisgeving melding is wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig, tenminste drie werkdagen voorafgaande aan de festiviteit, is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De kennisgeving melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaan. 6. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikel 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening – uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 7. In bijzondere omstandigheden kan het college afwijken van hetgeen in het eerste lid is bepaald. 8. De incidentele ontheffing geldt niet voor horecabedrijven die geen afdoende geluidwerende voorzieningen hebben aangebracht en/of die gedurende een periode van zes maanden voorafgaande aan de datum van de festiviteit de geldende geluidsnorm hebben overtreden.
Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten Vervallen
Artikel 4:5 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18 eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e.in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder. Voor zover het andere geluidgevoelige gebouwen betreft gelden de waarden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1.1 onder d, van het Besluit geluidhinder; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. Tabel
L Ar,LT op de gevel van gevoelige gebouwen
7.00 – 19.00 uur
19.00 – 23.00 uur
23.00 – 7.00 uur
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
48
L Ar,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
3. Voor de duur van 4 uur in de week zijn tijdens het voortbrengen van onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode, de in de navolgende tabel opgenomen grenswaarden van toepassing:
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 4.
7.00 – 19.00 uur
19.00 – 23.00 uur
70 dB(A)
65 dB(A)
55 dB(A)
50 dB(A)
90 dB(A)
75 dB(A)
75 dB(A)
70 dB(A)
Indien Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.
5.
Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3.
Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1.
Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Vanwege het geproduceerde geluid zal geluidhinder optreden indien de geluidbelasting meer bedraagt dan in de navolgende tabel is opgenomen: .
7.00 – 19.00 uur
19.00 – 23.00 uur
23.00 – 7.00 uur
49
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
2.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
3.
In afwijking van het gestelde in het eerste lid zal bij het verlenen van een ontheffing ten behoeve van werkzaamheden aan infrastructuur de systematiek uit de Circulaire Bouwlawaai (uitgegeven door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu d.d. 27 oktober 2010) worden gevolgd.
4.
In afwijking van het gestelde in het eerste lid zal bij het verlenen van een ontheffing ten behoeve van het in werking hebben van een zogenoemd knalapparaat om wild te verjagen de systematiek uit de
Herziening
Circulaire
schietlawaai
(uitgegeven
door
het
voormalige
Ministerie
van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 23 maart 2006) worden gevolgd. 5.
In afwijking van het gestelde in het eerste lid is het gestelde uit het Bouwbesluit 2012 van toepassing op bouwwerkzaamheden en sloopwerkzaamheden die onder de werkingssfeer van het Bouwbesluit 2012 vallen.
6.
De geluidniveaus dienen vastgesteld en beoordeeld te worden
overeenkomstig de Handleiding
meten en rekenen Industrielawaai 1999 (internet uitgave 2004: www.rijksoverheid.nl), inclusief erratalijst (errata digitale versie HMRI 2004: www.infomil.nl). 7.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet,
de
Wet
openbare
manifestaties,
het
Vuurwerkbesluit
of
de
Provinciale
milieuverordening. 8.
Het verbod in het eerste lid geldt niet indien het een geluidswagen betreft en wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. De geluidswagen mag niet worden ingezet op zondagen en daarmee gelijkgestelde dagen. b. De geluidswagen mag niet worden ingezet op locaties waar al een evenement als bedoeld in artikel 2:24 plaatsvindt. c. De geluidswagen mag niet worden ingezet tussen 22.00 uur en 09.00 uur.
9.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:7 Straatvegen
50
Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.
Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.
Artikel 4:9a Bestrijding van ongewenste planten 1.
Hij die op basis van een titel, anders dan eigendom, grond of gronden welke in de gemeente is of zijn gelegen beheert, is verplicht de op deze grond of gronden voorkomende distelsoorten Circium arvensis (akkerdistel) en de Sonchus arvensis (akkermelkdistel) tijdig, voordat deze in zaad komen, te verwijderen op landbouwgronden en een strook daaraan grenzend van 50 meter.
2.
Bij in gebreke blijven van de in lid 1 bedoelde personen, rust de in lid 1 bedoelde verplichting op de eigenaar van de bedoelde grond of gronden.
Artikel 4:9b Verbod oplaten ballonnen 1.
Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen;
2.
Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon, etc.
3.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een hete luchtballon zijnde een luchtvaartuig.
Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden Artikel 4:10 Begripsomschrijvingen 1.
In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
Houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;
b.
Hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.
c.
Iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma Ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);
d.
Iepenspintkever het insect in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistratius (Marsh) en Scolytus pygmaeus.
e.
Knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud. 51
2.
In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het voor de eerste maal knotten/kandelaberen van de bomen en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1. Het college stelt een Bomenlijst vast waarop de monumentale en andere beschermenswaardige bomen in de gemeente worden vermeld. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de door het college vast te stellen lijstin het eerste lid genoemde Bomenlijst. 32.
43.
In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: a.
de natuurwaarde van de houtopstand;
b.
de landschappelijke waarde van de houtopstand;
c.
de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
d.
de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
e.
de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of
f.
de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.
Het eerste lidverbod is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.
54.
Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.
5.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege Vervallen
Artikel 4:12a Bestrijding iepziekte 1.
Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: a.
Indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;
b.
De iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;
c.
of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.
2.
Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren.
3.
Het verbod is niet van toepassing op geheel ontschorst iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm.
4.
Het college kan ontheffing verlenen van het onder a eerste lidvan dit lid gestelde geverbod.
Artikel 4:12b Vervaltermijn vergunning 52
Het college kan aan de omgevingsvergunning voor het kappen het voorschrift verbinden dat de omgevingsvergunning, voor zover deze betrekking heeft op het vellen van houtopstanden, een geldigheidsduur heeft van half jaar na het onherroepelijk worden van de vergu nning
Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, afvalstoffen enzen dergelijke. 1.
Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.
Onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
b.
Bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
c.
Kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of
d.
Mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.
2.
In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.
3.
Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.
4.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de Provinciale Verordening Noord-Brabant.
Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen Vervallen
Artikel 4:14a Opslaan van meststoffen 1.
Degene die het voornemen heeft, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de buitenlucht dierlijke en/of organische meststoffen, gier, ingekuild gras, loof of pulp, ingekuilde landbouwproducten of afbraakmaterialen op te slaan met een omvang van 1 kubieke meter of meer doet hiervan voorafgaand aan de opslag melding aan het college.
2.
Indien een mestopslag minder dan 25 meter van een andere mestopslag ligt, wordt de omvang van deze mestopslagen bij elkaar opgeteld indien deze kadastraal gezien op hetzelfde perceel liggen of indien de mestopslagen toebehoren aan dezelfde eigenaar.
3.
Het college kan voorschriften stellen waaraan een mestopslag als bedoeld in het eerste lid dient te voldoen.
4.
Het is verboden meststoffen op te slaan zoals bedoeld in het eerste lid indien niet wordt voldaan aan de door het college gestelde voorschriften of indien anderszins hierdoor overlast w ordt veroorzaakt voor omwonenden of voor de omgeving.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet bodembescherming. 53
Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames 1.
Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame Vervallen
Artikel 4:16a Aanschrijving Vervallen
Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:17 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1 eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.
Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.
2.
Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a.
natuur en landschap
b.
een stadsgezicht
Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1.
Artikel 4:18 eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
2.
Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen, genoemd in artikel 4:18 vierde lid.
54
Hoofdstuk 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER VAN DE GEMEENTE Afdeling 1 Parkeerexcessen en stopverbod Artikel 5:1 (vervallen)
Artikel 5:2 Parkeren van Vvoertuigen van autobedrijf e.den dergelijke. 1.
2.
Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a.
het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of
b.
het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: a.
voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of
b. 3.
voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid genoemde persoon.
Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a.
drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt één van deze voertuigen; of
b.
de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
4.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
5.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen Vervallen
Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1.
Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren;
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
55
Artikel 5:6 Kampeermiddelen, aanhangwagens en andere voertuigene.d. 1.
Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.
langer dan drie achtereenvolgende dagen op de openbare weg te plaatsen of te hebben;
b.
op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde ve rbod.
3.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant.
4.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:6a Nachtelijk verblijven in en rond voertuigen 1.
Het is verboden tussen 22.00 en 08.00 uur op de weg in of rond een camper, kampeerwagen, caravan, vrachtwagen of een dergelijk voertuig te verblijven met het kennelijke doel om ter plaatse de nacht door te brengen.
2.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
3.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hogere regelgeving.
Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen 1.
Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
3.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:8 Grote voertuigen 1.
2.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar
Met opmerkingen [Lv-JY31]: De hoogte is aangepast
dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
omdat tegenwoordig veel werkbussen net wat hoger zijn
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter
dan enkele jaren geleden. Deze aanpassing leidt naar
te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.
verwachting niet tot meer overlast omdat de verhoging maar zeer beperkt is. Tot nu toe werd telkens ontheffing verleend voor de net wat hogere bussen. Om deze administratieve lasten tegen te gaan is besloten de hoogte in de APV aan te passen.
43. Het in het tweede lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4.
De verboden in het eerste en tweede lid zijn voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 56
5.
Het college kan ontheffing verlenen van de verboden. van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
6.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:9 Uitzicht belemmerende voertuigen 1.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 6 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
2.
Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen 1.
Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.
2.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 5:10a Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1.
Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.
2.
Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.
Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door, dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.
2.
Dit verbod is niet van toepassing: a.
op wegen, zoals bedoeld in artikel 15.1, onder a;
b.
op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;
c.
op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.
3.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
Met opmerkingen [Lv-JY32]: Dit artikel is opgenomen naar aanleiding van de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 23 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3927, en de uitleg daarin van het Verdrag inzake verkeerstekens. Verkeersbord E1 (parkeerverbod) geldt alleen voor de rijbaan. De APV-bepaling is nodig om het parkeerverbod ook voor de berm te laten gelden. Daarvoor is dan eigen bebording nodig. Het eerste lid regelt dat het verboden is een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. Volgens het tweede lid is het verbod niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam. heeft opmaak toegepast: Lettertype: Met opmaak: OP_Artikel_Titel, Links, Inspringing: Links: 0 cm, Eerste regel: 0 cm heeft opmaak toegepast: Lettertype: heeft opmaak toegepast: Standaardalinea-lettertype, Lettertype: heeft opmaak toegepast: Lettertype:
Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets 1.
Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid 57
aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2.
Het is tevens verboden zich op de in lid 1 genoemde plaatsen en terreinen te bevinden met een fiets of bromfiets op het moment dat daar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
3.
Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg, of op een door het college aangewezen plaats, te laten staan
4.
Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.
Artikel 5:13 Aanbiedplaats inzameling grondstoffen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de inzameldienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan op een daarbij aangeduide tijdsperiode en/of dag.
Artikel 5:14 Parkeerverbod van voertuigen met ingeschakelde koelmotoren 1.
Het is verboden een voertuig met een ingeschakelde koelmotor te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabij gelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.
2.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Afdeling 2 Collecteren Artikel 5:15 Inzameling van geld of goed of leden- of donateurwerving 1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
2.
Onder een inzameling van geld of goederenals bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
3.
Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: a.
in besloten kring, of;
b.
door een instelling die is ingedeeld in het door het college voor het betreffende vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften plaatsvindt met een CBF-keurmerk, of;
c.
door een andere, door het college aangewezen instelling.
Met opmerkingen [Lv-JY33]: Artikel 5:15 is gewijzigd door daarin expliciet het werven van donateurs of leden op te nemen. In het eerste lid wordt toegevoegd dat het verboden is zonder vergunning van het college in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. Naast de klassieke inzamelingsacties (de collectes) worden tegenwoordig ook activiteiten verricht ter werving van donateurs of leden, waarbij te kennen wordt gegeven – althans de indruk wordt gewekt – dat de uiteindelijke opbrengst geheel of ten dele bestemd is voor een liefdadig of een ideëel doel. Deze wervingsactiviteiten onderscheiden zich van inzamelingsactiviteiten door het feit dat er geen geld of zaken worden ingezameld en geen intekenlijsten worden ingevuld. In plaats daarvan werft de betreffende instelling leden of donateurs. In de praktijk bestaat onduidelijkheid over de vraag of voor deze wervingsactiviteiten nu wel of geen vergunning moet worden aangevraagd en zo ja wat voor soort vergunning daarvoor precies benodigd is. Om die reden worden wervingsacties nu expliciet geregeld in dit artikel. In het tweede lid wordt een aantal tekstuele aanpassingen gedaan.
In het derde lid wordt geregeld dat het verbod niet geldt voor een inzameling of werving die wordt gehouden door een instelling die is ingedeeld in het door het college voor het betreffende kalenderjaar vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorwaarden plaatsvindt. Omdat aan het Centraal Bureau Fondsenwerving (hierna: CBF) geen wetgevende bevoegdheid toekomt, is de vrijstelling van het collecteverbod voor instellingen met een CBFkeurmerk vervangen door een vrijstelling voor een instelling die is ingedeeld in het door het college voor het betreffende kalenderjaar vastgestelde collecte- en wervingsrooster. Het college moet dus per kalenderjaar (jaarlijks) een collecte- en wervingsrooster vaststellen. Daarbij maakt hij gebruik van het door het CBF gepubliceerde collecte- en wervingsrooster. Voor de in genoemde roosters ingedeelde instellingen geldt de vergunningplicht niet. Op deze manier wordt geborgd dat er in een bepaalde week in een bepaalde gemeente slechts één collecte of werving wordt gehouden en worden de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid (een gelijkmatige verdeling van activiteiten door bonafide instellingen) dus geborgd zonder dat een vergunning hiervoor noodzakelijk is. 58
4.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing
Afdeling 3 Venten Artikel 5:16 Definitie 1.
In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.
2.
Onder venten wordt niet verstaan: a.
het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;
b.
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder gh, van de Gemeentewet;
c.
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.
Artikel 5:16a Ventverbod 1.
Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
2.
Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen 20.00uur en 08.00 uur.
3.
Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zoveris niet van toepassing op: a. in het daarin geregelde onderwerpsituaties waarin wordt wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; b. het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden
Met opmaak: Inspringing: Eerste regel: 0 cm
geopenbaard..
Met opmerkingen [Y34]: Openbaren van gedachten en gevoelens valt onder vrijheid van meningsuiting en is een beschermd grondrecht.
Afdeling 4 Standplaatsen Artikel 5:17 Definitie 1.
In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
2.
Onder standplaats wordt niet verstaan: a.
vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid aanhef en onder gh, van de Gemeentewet;
b.
vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
59
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
2.
Het
college
weigert
de
vergunning
wegens
strijd
met
een
geldend
bestemmingsplan,
beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en indien geen medewerking zal worden verleend aan het afwijken door middel van een omgevingsvergunning. 3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd als: a.
indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; of
b.
indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.
4.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
Met opmerkingen [Lv-JY35]: Aanpassing aan jurisprudentie.
fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing
Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen
Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1.
Artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale wegenverordening.
2.
De weigeringsgrond van artikel 5:18 derde lid onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht Vervallen
Afdeling 5 Snuffelmarkten Artikel 5:22 Begripsbepaling Vervallen
Artikel 5:23 Snuffelmarkten e.d. Vervallen
Afdeling 6 Openbaar water en waterstaatswerken
60
Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een voorwerp als bedoeld in het tweede lid of een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.
2.
Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.
3.
Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
34. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin voorzien wordt door het Wetboek van Strafwet,
de
Scheepvaartverkeerswet,
het
Binnenvaartpolitiereglement,
de
Wet
beheer
rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 1.
Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.
2.
Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op krachtens het eerste lid aangewezen gebieden: a.
Nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.
b. 3.
Beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.
Het in het eerste lid bepaaldeverbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de
Woningwet,
de
Wet algemene
Binnenvaartpolitiereglement, vaarwegenverordening
de
bepalingen omgevingsrecht, Wet
Noord-Brabant,
beheer de
de
Wet milieubeheer,
rijkswaterstaatwerken,
Waterwet,
de
de
het
Provinciale
Havengebruiksverordening,
Havenbeheersverordening Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk, of de Verordening water NoordBrabant. 4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
Met opmerkingen [Lv-JY36]: Verplaatsing van hetgeen
volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.
eerst in 5:26 stond.
5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.
Artikel 5:26 Voorschriften ligplaats 61
1.
Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veilighe id, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.
2. 3.
Met opmerkingen [Lv-JY37]: Binnen de aangewezen openbare wateren is het verboden om te zwemmen. Oppervlaktewater, zoals rivieren, vijvers, sloten en
De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen
singels, zijn in principe geen zwemwater. Alleen in
met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.
daarvoor aangewezen en ingerichte zwemplassen kan
Het in het eerste en tweede lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door
het
Binnenvaartpolitiereglement,
de
Wet
beheer
rijkswaterstaatswerken,
de
Havengebruiksverordening of de Provinciale Vaarwegenverordening Noord-Brabant.(vervallen)
gezwommen worden. De provincie Noord-Brabant is verantwoordelijk voor het zwemwater in Brabant en laat de kwaliteit ervan regelmatig controleren. Tegelijkertijd is bij veel van die officiële zwemplassen gedurende het zwemseizoen toezicht en zijn er voorzieningen
Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid bepaalde.(vervallen)
Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken en oevers 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Brabant.
aanwezig. Het meeste oppervlaktewater in sloten en singels is schoon voor planten en dieren die in het water leven en kan door bijvoorbeeld de landbouw gebruikt worden voor beregening. Er kunnen echter bacteriën en ziektekiemen in het water zitten die niet schadelijk zijn voor planten en dieren, maar wel voor mensen. Een bekend voorbeeld zijn de blauwalgen die in de zomermaanden veel in stadswateren voorkomen. Op veel sloten, vijvers en singels, met name in bebouwd gebied, komen zogeheten overstorten uit. Dat zijn nooduitlaatkleppen van het riool waarmee na hevige regenval met afvalwater vermengd regenwater in het
Artikel 5:29 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.
oppervlaktewater terechtkomt om het riool te ‘ontlasten’. Als dat gebeurt komt er in korte tijd veel verontreiniging in het water terecht die het daarmee ook voor zwemmen ongeschikt. Het college kan ontheffing verlenen voor het
Artikel 5:30 Veiligheid op het water 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, Binnenvaartpolitiereglement of de Provinciale Vaarwegenverordening NoordBrabant.
zwemverbod. Dit is bijvoorbeeld mogelijk als de zwemactiviteit onderdeel uitmaakt van een evenement op of aan oppervlaktewater. De organisator is verantwoordelijk voor het laten controleren van het water op geschiktheid voor die betreffende activiteit. Dit moet dan gebeuren door een onafhankelijke instantie. Een deelnemer blijft zelf verantwoordelijk voor zijn/haar eigen veiligheid en gezondheid.
Artikel 5:30a Zwemverbod
Met opmaak: OP_Artikel_Titel
1. Het is verboden te zwemmen in door het college aangewezen openbare wateren;
heeft opmaak toegepast: Lettertype:
2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
Met opmaak: Uitvullen, Inspringing: Verkeerd-om: 1,27 cm, Regelafstand: Minimaal 12 pt, Meerdere niveaus + Niveau: 1 + Nummeringstijl: 1, 2, 3, … + Beginnen bij: 1 + Uitlijning: Links + Uitgelijnd op: 0,63 cm + Tab na: 1,27 cm + Inspringen op: 1,27 cm, Tabstops: 0,5 cm, Tab weergeven + Niet op 1,27 cm heeft opmaak toegepast: Lettertype: heeft opmaak toegepast: Lettertype: 62
Artikel 5:30b Verhuur vaartuigen voor het varen met een of meerdere personen of om anders dan om niet personen te vervoeren of te laten
Met opmerkingen [LvJY38]: Dit artikel is opgenomen om, indien dit nodig blijkt in bepaalde gebieden, de overlast als gevolg van verhuurde boten en waterfietsen e.d. tegen te gaan.
vervoeren, of die activiteiten te bevorderen, op door het college aangewezen openbare wateren.
heeft opmaak toegepast: Lettertype:
Het is verboden zonder vergunning van het college een vaartuig of object anders dan om niet aan te bieden
heeft opmaak toegepast: Lettertype:
Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen
Met opmaak: OP_Artikel_Titel, Links
1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te
Met opmaak: Geen opsommingstekens of nummering
klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.
Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5:31A (Vervallen)
Artikel 5:32 Crossterreinen 1.
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen
Met opmerkingen [Lv-JY39]: Toelichting VNG: Er zijn
buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings-
gemeenten met een terrein (in het buitengebied) waar
of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig
incidenteel een paar uurtjes gecrost wordt met
of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.
Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen in het belang van: a.
het voorkomen of beperken van overlast;
b.
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
brommers. Het crossen is puur recreatief, dus niet ter voorbereiding op wedstrijden. Om hiertegen te kunnen optreden bij (geluids)overlast hebben wij het crossen buiten wedstrijdverband aan het eerste lid toegevoegd.
milieuwaarden; c.
de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het publiek.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
34. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of
Met opmerkingen [Lv-JY40]: In dit onderdeel wordt in
het Besluit geluidsproductie sportmotoren.
artikel 5:32, derde lid, de verwijzing naar hogere regelgeving voor wat betreft de Wet milieubeheer
Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden 1.
Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.
2.
Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het
vervangen door een verwijzing naar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht, waarnaar motorcrossterreinen een aantal jaren geleden zijn overgeheveld. Ook wordt de Zondagswet toegevoegd. Deze stond al wel in de toelichting op het artikel genoemd.
college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a.
het voorkomen van overlast; 63
3.
b.
de bescherming van natuur- en milieuwaarden;
c.
de veiligheid van het publiek.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a.
ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;
b.
die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
c.
die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
d.
van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
e.
voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.
4.
Het in het eerste lid gestelde verbod is voort niet van toepassing: a.
op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994;
b.
binnen
de
bij
of
krachtens
de
provinciale
verordening
`Stiltegebieden'
aangewezen
stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als `toestel'. 5.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Afdeling 8 Verbod vuur te stokenVuurverbod Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.
Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
2.
Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op : a.
Verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
b.
Sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;
c.
Vuur voor koken, bakken en braden.
3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.
5.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.
Afdeling 9 AsvVerstrooiing van as
64
Artikel 5:35 Definitie In deze afdeling wordt onder incidentele asverstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Als daartoe bestemde terreinen zijn aangewezen de gemeentelijke en bijzondere begraafplaatsen.
Artikel 5:36 Plaatsen van asverstrooiing 1.
Incidentele asverstrooiing is verboden op: a.
Verharde delen van de weg;
b.
Gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen, buiten de daartoe aangewezen plaatsen;
c. 2.
Door het college nader aangewezen gebieden.
Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.