CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

APV 2021 met wijzigingen en toelichting

Commissievergadering 25 november 2021, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Algemene Plaatselijke Verordening29.376 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

h.

De bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of;

i.

Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.

6.

Het college kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd.

7.

Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

8.

De sluiting kan door het college worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

9.

Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan het college de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

10. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 11. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding

van

het

aanwijzingsbesluit

reeds

onder

het

aanwijzingsbesluit

vallende

bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 23

Afdeling 11 8 Maatregelen ter voorkoming van tegen overlast, gevaar of schade en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.

Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

2.

Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

3.

Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2:42 Plakken en kladden 1.

Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

2.

Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.

een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken, te doen aanplakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

b.

met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

3.

Het verbod, bedoeld in het tweede lid is niet van toepassing indien voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

3.4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 4.5. Het college kan wijst aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5.6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6.7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7.8. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. Vervallen

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.

Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

2.

Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te 24

openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:44A Vervoer geprepareerde voorwerpen 1.

Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.

2.

Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. Vervallen

Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. Vervallen

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.

Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder berokkentveroorzaakt.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Met opmerkingen [LvJY18]: Nieuw in deze APV is ook het verbod op magneetvissen. Het magneetvissen vindt

Artikel 2:47a Verplichte route Vervallen

veel plaats in de centra van de woonplaatsen vanaf bruggen en kades. Hierbij kunnen ook veel omstanders aanwezig zijn. Alle stalen voorwerpen die in de loop der jaren in het water terecht gekomen zijn, worden boven

Artikel 2:47b Magneetvissen 1.

Het is verboden te magneetvissen.

2.

Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

3.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

gehaald en op de kant gezet. Onder de opgeviste spullen bevinden zich ook een flink aantal oorlogsartikelen als kogels, bommen en granaten, die veelal nog geheel werkingsgereed zijn en dus gevaarlijk voor de vissers, omstanders en omwonenden. De laatste 3 jaar zijn 10 bommen en granaten uit WOII opgevist in Willemstad en Klundert. Na een melding van deze vondst aan de politie komt dan de EOD ter plaatse (met spoed) om deze veilig

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1.

Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uit maakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudend e drank te nuttigen gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

2.

Het verbod is niet van toepassing op:

af te voeren. Uit veiligheidsoverweging is een verbod op magneetvissen te rechtvaardigen. Met opmerkingen [Lv-JY19]: Deze toevoeging is nodig omdat nuttigen of hebben van alcohol door mensen jonger dan 18 jaar al verboden is in de Alcoholwet. 25

a.

een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en horecawetAlcoholwet.

b.

een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en HorecawetAlcoholwet.

Artikel 2:48a Lachgasverbod 1.

Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken.

2.

Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben.

3.

Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.

Het is verboden zonder redelijk doel: a. zich in een portiek of poort op te houden; b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

2.

Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw, dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw.

Artikel 2:50 Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan: portalen, wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarages en rijwielstallingen.

Met opmerkingen [Lv-JY20]: Dit artikel wordt toegevoegd om op te kunnen treden tegen de overlast van het gebruik van lachgas in de openbare ruimte. Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd zijn met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke. Dit kan lastig zijn. Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt.

In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan – als dat afdoende lijkt te zijn – in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden (derde lid). Als op termijn het lachgas wordt opgenomen in de Opiumwet dan zal dit artikel niet meer nodig zijn. Deze wijziging laat naar alle waarschijnlijkheid echter nog wel even op zich wachten. . Met opmaak: OP_Artikel_Titel Met opmaak: Lijstalinea, Inspringing: Links: 0 cm, Verkeerd-om: 0,75 cm, Meerdere niveaus + Niveau: 5 + Nummeringstijl: 1, 2, 3, … + Beginnen bij: 1 + Uitlijning: Links + Uitgelijnd op: 5,71 cm + Tab na: 0 cm + Inspringen op: 6,35 cm Met opmaak: Lijstalinea, Inspringing: Links: 0 cm, Verkeerd-om: 0,75 cm, Meerdere niveaus + Niveau: 5 + Nummeringstijl: 1, 2, 3, … + Beginnen bij: 1 + Uitlijning: Links + Uitgelijnd op: 5,71 cm + Tab na: 0 cm + Inspringen op: 6,35 cm

26

Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1.

Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde.

2.

Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek, als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker of eigenaar van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2:52 Overlast van fiets, bromfiets of voertuig op markt- en kermisterrein e.d. Vervallen

Artikel 2:53 Bespieden van personen Vervallen

Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur Vervallen

Artikel 2:55 Nodeloos alarm Vervallen

Artikel 2:56 Alarminstallaties Vervallen

Artikel 2:57 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie 1.

Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. Op openbare plaatsen binnen de bebouwde kom of op een andere door het college aangewezen openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is; b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; of c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd. d. op openbare plaatsen zonder voorzien te zijnop de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

2.

Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

3.

Het eerste lid, aanhef en onder a, b en c is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

Met opmerkingen [Lv-JY21]: Dit artikel is opgenomen mede op verzoek van de VNG. Hierin wordt, kort gezegd, een verbod in het leven geroepen om uitingen van verboden organisaties bij zich te hebben. Het artikel ziet o.a. op de zogenaamde “outlaw-motor-gangs” (OMG). De VNG geeft het volgende aan voor het opnemen van dit artikel (en artikel 2:26 lid 2): Het Openbaar Ministerie heeft bij de rechter civiele verboden gevraagd en gekregen tegen enkele motorclubs. Een groot aantal gemeenten is gedurende een reeks van jaren betrokken bij tal van verboden en grotendeels ook ernstig verwijtbare criminele gedragingen. Deze veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde ontwrichten de samenleving of kunnen deze ontwrichten. Ze vormen een wezenlijke aantasting van de veiligheid van de samenleving en de vrijheid van burgers om naar eigen inzicht deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Door de frequentie van de (criminele) gedragingen van een groot aantal leden van deze organisaties, en als gevolg van de intimidatie die van het optreden door leden van een duidelijk herkenbare groep als deze uitgaat, is sprake van uitstraling van deze gedragingen naar een wijdere kring van niet-betrokken burgers.

Het is vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat in de publieke ruimte nog uiterlijk vertoon plaatsvindt dat verband houdt met dergelijke verboden en ontbonden organisaties, gelet op de intimidatie die daarvan uitgaat of uit kan gaan. Deelneming aan de voortzetting van dergelijke organisaties, waaronder uiterlijk vertoon kan worden begrepen, is strafbaar gesteld in artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Deze strafbaarstelling geldt echter pas op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk (definitief) is geworden. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie nog openstaan en niet zijn afgewikkeld, kan tegen dergelijk uiterlijk vertoon dus niet op grond van het Wetboek van Strafrecht handhavend worden opgetreden. Dit ondanks het feit dat een civielrechtelijk verbod al wel in werking kan zijn getreden middels uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de uitspraak. Om toch te kunnen optreden tegen de aanwezigheid van dit uiterlijk vertoon in de publieke ruimte, vanwege de impact die dat heeft op de openbare orde, wordt een verbodsbepaling opgenomen in de APV.

Deze bepaling houdt in dat het verboden is om zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of ontbonden is vanwege strijd met de openbare orde. Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en andere aanduiding op motoren. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een anti-samenloopbepaling (derde lid). ... Met opmaak: OP_Artikel_Titel Met opmaak: Lijstalinea, Inspringing: Links: 0 cm, Verkeerd-om: 0,75 cm, Meerdere niveaus + Niveau: 6 + Nummeringstijl: 1, 2, 3, … + Beginnen bij: 1 + Uitlijning: Links + Uitgelijnd op: 6,98 cm + Tab na: 0 cm + Inspringen op: 7,62 cm 27

a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden

Met opmerkingen [Lv-JY22]: Handhaving van het eerste

1.

lid van dit artikel vereist betrapping op heterdaad. De

Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

1.2. De eigenaar of houder van de hond is verplicht, indien hij zich op een openbare plaats bevindt met de hond, doeltreffende hulpmiddelen bij zich te hebben die geschikt zijn voor verwijdering van de uitwerpselen. 2.3. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn

bedoeling van de bepaling is daardoor deels preventief. Om doeltreffender op te kunnen treden is het tweede lid toegevoegd. Dit artikellid maakt het mogelijk op te kunnen treden indien de hondenuitlater geen opruimmiddelen bij zich heeft.

handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; 3.4. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:58a Verontreiniging door paarden en/of pony’s 1.

Degene die zich met een paard of pony op een openbare plaats binnen de bebouwde kom begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van dat paard onmiddellijk worden verwijderd, en buiten de bebouwde kom op verharde wegen en voetpaden binnen 24 uur worden verwijderd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:58b Verontreiniging door overige huisdieren 1.

Degene die zich met een huisdier, anders dan een hond of paard zoals genoemd in de artikelen 2:58 en 2:58a, op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van dat huisdier binnen 6 uur worden verwijderd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. De eigenaar of houder van de hond aan wie eenEen aanlijngebod is opgelegd, ishoudt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- enEen muilkorfgebod is opgelegdhoudt is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die a.

vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

b.

door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

Met opmerkingen [Lv-JY23]: In dit onderdeel wordt de omschrijving van artikel 2:59, tweede en derde lid, aanhef, aangepast. Daarmee wordt uitdrukkelijker aangegeven dat de eigenaar of houder van de hond zich moet houden aan een opgelegd aanlijn- of muilkorfgebod in plaats van een omschrijving te geven van wat een aanlijn- resp. muilkorfgebod inhoudt. Omdat in de feitcodes van het Openbaar Ministerie ‘kort aangelijnd’ staat, is ‘kort’ toegevoegd aan het tweede lid.

28

c.

zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zij n.

4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1.

Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

2.

a.

aanwezig te hebben;

b.

aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels; of

c.

aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of

d.

te voeren.

Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats, ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:61 Wilde dieren Vervallen

Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op vee (o.a. herkauwende of eenhoevige dieren of varkens ), die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:63 Schade door duiven Vervallen

Artikel 2:64 Bijen 1.

Het is verboden bijen te houden: a.

binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven;

b. 2.

binnen een afstand van dertig meter van de weg.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

3.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.

4.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de verordening Wegen Noord-Brabant.

5.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 29

6.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:64a Vernietigen van rupsen en –nesten 1.

Het college kan, hetzij bij openbare bekendmaking van het gehele gebied van de gemeente of van bepaalde delen daarvan, hetzij bij persoonlijke kennisgeving aan de rechthebbende van een of meer bepaalde percelen mededelen, dat zij het noodzakelijk acht, dat aldaar in bomen of ander houtgewas voorkomende rupsen en rupsennesten verwijderd en vernietigd worden voor een bij die kennisgeving bepaalde datum.

2.

De rechthebbende op percelen binnen die openbare kennisgeving aangewezen gebied of van de in de persoonlijke kennisgeving aangeduide percelen is verplicht voor de door het college bepaalde datum te zorgen, dat de in bomen of ander houtgewas op zijn perceel voorkomende rupsen en rupsennesten verwijderd en vernietigd zijn.

Artikel 2:64b hinder door dieren 1.

Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit dier voor een omwonende of overigens voor de omgeving hinder veroorzaakt.

2.

Het in het lid 1 bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet Milieubeheer.

Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de wegeen openbare plaats of in een

Met opmerkingen [Lv-JY24]: Het verbod moet ook in

voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

bijvoorbeeld parken of plantsoenen gelden. Volgens de beschrijving in artikel 1:1 wordt onder openbare plaats

Afdeling 12 9 Bepalingen ter Bbestrijding van heling van goederen

een plaats verstaan waar het verblijf niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden is. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren,

Artikel 2:66 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.

De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester aangewezen

warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. ‘Een voor het publiek toegankelijk gebouw’ voor zover het verblijf daarin door de gerechtigde niet aan een doel is gebonden, is dus ook een openbare plaats. Eigenaren/exploitanten van stadions enz. en gemeentehuis’ moeten het bedelen zelf reguleren.

digitaal opkoopregister en daarin onverwijld op te nemen: a.

het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

b.

de datum van verkoop of overdracht van het goed;

c.

een omschrijving van het goed, voorzover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

2.

d.

de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

e.

de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichting. 30

3.

Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a.

de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; 3. als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.

b.

de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

c.

aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

d.

een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Vervallen

Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven (verplaats naar afdeling 8 (toezicht op horecabedrijven) onder artikel 2:32)

Afdeling 103 ConsumentenvVuurwerk en carbidschieten Artikel 2:71 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.

Artikel

2:72

Ter

beschikking

stellen

van

consumentenvuurwerk

tijdens

de

verkoopdagen 1.

Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.

2.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 31

1.

Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

2.

Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

3.

De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:73a Carbidschieten

3. 1.

Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.

1.2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in de periode van 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar. 4.3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht. 5. 6. 1.

Artikel 2:73b Vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen [of voorwerpen] als bedoeld in artikel 2:73a te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in artikel 2:73a.

1.2. Het verbod is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.

Met opmaak: Inspringing: Links: 0,63 cm, Geen opsommingstekens of nummering Met opmaak: OP_Artikel_Titel, Geen opsommingstekens of nummering Met opmaak: Lijstalinea, Inspringing: Links: 0 cm, Verkeerd-om: 0,75 cm, Meerdere niveaus + Niveau: 7 + Nummeringstijl: 1, 2, 3, … + Beginnen bij: 1 + Uitlijning: Links + Uitgelijnd op: 3,81 cm + Tab na: 4,44 cm + Inspringen op: 4,44 cm, Tabstops: 0,75 cm, Tab weergeven + Niet op 4,44 cm Met opmaak: Inspringing: Links: 0,63 cm, Geen opsommingstekens of nummering Met opmaak: OP_Artikel_Titel, Geen opsommingstekens of nummering Met opmaak: Lijstalinea, Inspringing: Links: 0 cm, Verkeerd-om: 0,75 cm, Meerdere niveaus + Niveau: 2 + Nummeringstijl: 1, 2, 3, … + Beginnen bij: 1 + Uitlijning: Links + Uitgelijnd op: 1,9 cm + Tab na: 2,54 cm + Inspringen op: 2,54 cm, Tabstops: 0,75 cm, Tab weergeven + Niet op 2,54 cm heeft opmaak toegepast: Lettertype: Niet Cursief

7.3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.

Afdeling 114 Drugsoverlast Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74a Verzamelingen van personen in verband met drugs 1.

Het is verboden op of aan openbare plaatsen die door de burgemeester zijn aangewezen, indien de openbare orde dat in verband met het openlijk gebruik van en/of de handel in middelen als voornoemd

32

in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet naar zijn oordeel noodzakelijk maakt, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen. 2.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet als de verzameling personen geen verband houdt met het openlijk gebruik en/of de handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet.

3.

Een ieder die zich bevindt in een verzameling van personen als bedoeld in het eerste lid, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 2:74b Openlijk drugsgebruik Het is verboden, op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijke nde waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:74c Achterlaten van spuiten e.d. Het is verboden injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers en dergelijke of daarop gelijkende voorwerpen op een openbare plaats dan wel in afvalbakken achter te laten.

Afdeling 125 Bijzondere bevoegdheden van de burgemeesterBestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen, gebiedsontzegging Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien als deze personen het bepaalde in artikel 2.1, 2.10, 2.11, 2.16,

2.23, 2.26a, 2.47, 2.48, 2.49, 2.50, 2.73, 2.74,

5.34 van de Algemene Plaatselijke Verordening groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor publiek openstaande gebouwen en daarbij horende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats en ten aanzien van alle voor het publiek toegankelijke parkeerterreinen.

33

2.

De burgemeester heeft de bevoegdheid eveneens ten aanzien van andere door de gemeenteraad aan te wijzen plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn.

Artikel 2:78 Gebiedsontzegging 1.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven om zich gedurende ten hoogste 14 dagen niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

2.

Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste vier weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

3.

Een bevel krachtens als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.

4.

De burgemeester beperkt de in krachtens het eerste of tweede lid gestelde bevelen als hij dat in verband met

de

persoonlijke

omstandigheden van

betrokkene noodzakelijk

oordeelt. De

burgemeester kan op aanvraag een tijdelijke ontheffing verlenen van een bevel.

Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.

Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen

Met opmerkingen [Lv-JY25]: Dit artikel is aangepast

is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in

aan de wijziging van artikel 151d Gemeentewet. Deze

onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor

wijziging heeft plaatsgevonden in het kader van de “Wet

omwonenden wordt veroorzaakt. 2.

toeristische verhuur van woonruimte”.

Als Dde burgemeester kan een last onder dwangsom of onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

3.2. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: a.

Geluid- of geurhinder;

b.

hinder van dieren;

c.

hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

d.

overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf.

d.e. Intimidatie van derden vanuit een woning of erf.

Met opmerkingen [Lv-JY26]: De verplichting om beleidsregels vast te stellen is eruit gehaald.

Met opmerkingen [Lv-JY27]: Deze reden stond al wel in de model-APV maar nog niet in onze APV. Is nu ook aan onze APV toegevoegd om de toepassingsmogelijkheden

Artikel 2:80 Sluiting voor publiek toegankelijke gebouw en/of erven

van dit artikel te verbeteren.

34

1.

De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten, als daar: a.

wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of;

b.

is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen of;

c.

door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen of;

d.

zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die naar het oordeel van de burgemeester de vrees wettigen dat het geopend blijven van het voor publiek toegankelijk gebouw of het bij dat gebouw behorende erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid.

2.

Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang tot het gebouw of het erf;

3.

De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.

4.

Het is de rechthebbende op het gebouw en/of erf verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te verblijven.

5.

Het is eenieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven;

6.

De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.

7.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van he t eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet .

35

Hoofdstuk 3 REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN Afdeling 1 Algemene bepalingen Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel 3:2 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: -

advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt;

-

beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;

-

bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;

-

escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee;

-

exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voorzover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend;

-

klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;

-

prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

-

prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

-

prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;

-

raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats;

-

seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling;

-

seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;

-

werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht.

36

AFDELING 2. VERGUNNING SEKSBEDRIJF

Artikel 3:3 Vergunning 1.

Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.

2.

Het bevoegde bestuursorgaan draagt zorg voor een onpartijdige en transparante verlening van beschikbare vergunningen.

3.

Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.

4.

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.

5.

Een vergunning kan mede voor één een seksinrichting worden verleend.

Met opmerkingen [Lv-JY28]: Een seksinrichting is een

6.

De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld.

onderdeel van een seksbedrijf, dus een

7.

De vergunning kan worden verlengd.

vergunningplichtig seksbedrijf (activiteit of activiteiten)

Artikel 3:4 Gereserveerd

kan meer dan een seksinrichting (locatie) omvatten. Ter verduidelijking hebben we ‘één’ vervangen door ‘een’.

Artikel 3:5 0-optie raamprostitutiebedrijven en maximering aantal seksinrichtingen 1.

Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend.

2.

Er kan voor in totaal ten hoogste drie seksinrichtingen [van prostitutiebedrijven, niet zijnde raamprostitutiebedrijven] vergunning worden verleend.

Artikel 3:6 Aanvraag 1.

Een aanvraag om vergunning wordt ingediend door gebruikmaking vanmiddels een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier.

2.

Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a.

de persoonsgegevens van de exploitant;

b.

het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

c.

of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;

d.

het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

e.

het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;

f.

het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

g.

een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant;

h.

voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;

i.

een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;

j.

bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf; 37

k.

voor zover van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;

l.

voor zover van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding.

3.

Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder a, b, c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder.

4.

Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.

Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning geweigerd alsEen vergunning wordt geweigerd als: a.

de exploitant of de beheerder onder curatele staat;

b.

de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij;

bc. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; cd. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; de. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; ef.

redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

fg.

er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die,

genoemde weigeringsgronden dienen als aanvulling op de algemene weigeringsgronden van artikel 1:8. Dat is in de aanhef tot uitdrukking gebracht. In het eerste lid is onderdeel b geschrapt en zijn de overige onderdelen verletterd. Door de inwerkingtreding van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregel (Stb. 2014/131) is niet langer sprake van ontheffing of ontzetting uit het ouderlijk gezag of de voogdij, maar van beëindiging van

als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige

ouderlijk gezag of voogdij. Artikel 3:7, eerste lid, onder

personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van

b, is daarom geschrapt. Beëindiging van het ouderlijk

mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; gh. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; hi.

Met opmerkingen [Lv-JY29]: De in het eerste lid

gezag is veel ruimer dan de zeer beperkte groep ontzette ouders. (Voor de Drank- en Horecawet (Nu Alcoholwet) was één van de weigeringsgronden destijds ook dat degene die de vergunning aanvraagt niet uit het ouderlijk gezag mag zijn gezet. Dit vereiste is in 2015 vervallen.)

de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en HorecawetAlcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze Algemene Plaatselijke Vverordening 2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 38

ij.

een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt;

jk.

de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan,

een

bestemmingsplan

in

ontwerp

dat

ter

inzage

is

gelegd,

een

beheersverordening. 2.

Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijkgesteld: a.

een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

b.

vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.

3.

De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder gh en hi, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

4.

Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder gh en hi, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

5.

Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a.

voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met i of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Met opmerkingen [Lv-JY30]: In het tweede lid, aanhef en onder b, wordt een schikking met een veroordeling gelijkgesteld. Hiervoor is in het verleden aansluiting gezocht bij het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet (ingetrokken bij de inwerkingtreding van de Alcoholwet, nu Alcoholbesluit). De verwijzing naar de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is geactualiseerd. De schikking is in die wet vervangen door een bestuurlijke strafbeschikking, waarin een geldboete kan worden opgelegd (artikel 76, tweede lid, AWR). Ook in het Alcoholbesluit dat het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet per 1 juli 2021 vervangt, is deze wijziging op deze wijze doorgevoerd. In verband hiermee is ook het woord ‘vrijwillige’ voor ‘betaling’ geschrapt. Voor de schikking op grond van artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht volgt de vrijwilligheid uit het accepteren van de schikkingsvoorwaarden.

is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b.

als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;

c.

als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;

d.

als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;

e.

als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid;

f.

als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven;

3:8 Eisen met betrekking tot vergunning 1.

De vergunning vermeldt in ieder geval: a.

de naam van de exploitant;

b.

voor zover van toepassing, die van de beheerder;

c.

voor welke activiteit de vergunning is verleend;

d.

het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

e.

het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

f.

voor zover van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;

g.

de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;

h.

voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning;

i.

het nummer van de vergunning. 39

2.

De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.

Artikel 3:9 Intrekkingsgronden 1.

De vergunning wordt ingetrokken als: a.

de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

b.

de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

c.

is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14 (eerste of tweede lid), 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;

d.

zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;

e.

zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met hi;

f.

de vergunninghouder dat verzoekt;

g.

de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan of een beheersverordening.

2.

De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: a.

is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

b.

in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

c.

een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;

d.

is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;

e.

is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;

f.

zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;

g.

de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;

h.

er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

i.

gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet. 40

Artikel 3:11 Verlenging vergunning 1.

Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:5, 3:6, 3:7, 3:8 en 3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden.

2.

Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten.

AFDELING 3. UITOEFENEN SEKSBEDRIJF PARAGRAAF 3.1 REGELS VOOR ALLE SEKSBEDRIJVEN Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang 1.

Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 03:00 uur en 08:00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald.

2.

Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers.

3.

Het is een prostituee verboden zich te bevinden in een seksrichting tussen 03:30 uur en 07:30 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald.

4.

Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.

Artikel 3:13 Adverteren Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: 1.

geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;

2.

vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a, en

3.

als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.

41

PARAGRAAF 3.2 REGELS VOOR ALLE PROSTITUTIEBEDRIJVEN EN PROSTITUEES Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf 1. 2.

Prostitutie vindt uitsluitend plaats door een prostituee die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: a.

nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

b.

in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.

3.

Het is een prostituee verboden: a.

te handelen in strijd met het eerste lid;

b.

werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

Artikel 3:15 Bedrijfsplan 1.

Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: a.

op het gebied van hygiëne;

b.

ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees;

2.

c.

ter bescherming van de gezondheid van de klanten;

d.

ter voorkoming van strafbare feiten.

De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat: a.

de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is;

b.

inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees;

c.

in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;

d.

in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;

e.

de prostituee

zich regelmatig

kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare

aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek; f.

de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;

g.

de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;

h.

de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft;

42

i.

de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;

j.

aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;

k.

de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;

l.

de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;

m.

de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=ace378c5-2795-4c61-9d2f-4fa997c54216