APV 2021 definitief
Tekst van het document
In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1 eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.
2. 3. 4.
Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te
houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.
Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de recht-
hebbende op een terrein.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de
bescherming van:
a.
b.
natuur en landschap een stadsgezicht
Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. 2.
Artikel 4:18 eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen, genoemd in artikel
4:18 vierde lid.
51
Hoofdstuk 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE Afdeling 1 Parkeerexcessen en stopverbod Artikel 5:1 (vervallen)
Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1.
2.
3.
Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:
a.
b.
5.
het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:
a.
b.
voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet
meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of
voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid genoemde persoon.
Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen,
te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:
a.
4.
het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of
b.
drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen
een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt één van deze voertuigen; of de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen Vervallen
Artikel 5:4 Defecte voertuigen
Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1. 2.
Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een
kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren;
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
52
Artikel 5:6 Kampeermiddelen, aanhangwagens en andere voertuigen 1.
Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden
wordt gebruikt: a.
b. 2. 3. 4.
langer dan drie achtereenvolgende dagen op de openbare weg te plaatsen of te hebben;
op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het
Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:6a Nachtelijk verblijven in en rond voertuigen 1.
2. 3.
Het is verboden tussen 22.00 en 08.00 uur op de weg in of rond een camper, kampeerwagen, caravan,
vrachtwagen of een dergelijk voertuig te verblijven met het kennelijke doel om ter plaatse de nacht door te brengen.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hogere
regelgeving.
Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen 1. 2. 3.
Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te
parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:8 Grote voertuigen 1.
2.
3.
4. 5. 6.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter
of een hoogte van meer dan 2,6 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter
te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en
kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.
Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks
van 08.00 tot 18.00 uur.
Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
53
Artikel 5:9 Uitzicht belemmerende voertuigen 1.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of
een hoogte van meer dan 2,6 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt
2.
aangedaan.
Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het
uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen 1. 2.
Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of
gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet
milieubeheer.
Artikel 5:10a Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1.
Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen,
niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2.
Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht
van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. 2.
Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door, dan wel deze te doen of te laten
staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Dit verbod is niet van toepassing:
a.
b. c. 3.
op wegen, zoals bedoeld in artikel 1.1;
op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of
openbaar lichaam;
op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op terreinen welke mede of
uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets 1.
Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter
voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid
aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of 2.
plaatsen te laten staan.
Het is tevens verboden zich op de in lid 1 genoemde plaatsen en terreinen te bevinden met een fiets
of bromfiets op het moment dat daar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
54
3.
4.
Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een
verwaarloosde toestand verkeren, op de weg, of op een door het college aangewezen plaats, te laten staan
Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door
het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.
Artikel 5:13 Aanbiedplaats inzameling grondstoffen
Het is verboden op een door het college ten behoeve van de inzameldienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan op een daarbij aangeduide tijdsperiode en/of dag.
Artikel 5:14 Parkeerverbod van voertuigen met ingeschakelde koelmotoren 1. 2.
Het is verboden een voertuig met een ingeschakelde koelmotor te parkeren daar, waar bewoners of
gebruikers van nabij gelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet
milieubeheer.
Afdeling 2 Collecteren Artikel 5:15 Inzameling van geld of goed of leden- of donateurwerving 1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te
houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te
werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of 2.
ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of
goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
3.
geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden:
a.
b.
in besloten kring, of;
door een instelling die is ingedeeld in het door het college voor het betreffende vastgestelde
collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en
wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften plaatsvindt,
4.
c.
of;
door een andere, door het college aangewezen instelling.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing
55
Afdeling 3 Venten Artikel 5:16 Definitie 1.
2.
In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop
aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. Onder venten wordt niet verstaan:
a.
b.
c.
het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn
winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten
op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten
op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.
Artikel 5:16a Ventverbod 1. 2. 3.
Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de
volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen 20.00uur en 08.00 uur. Het verbod is niet van toepassing op:
a. situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
b. het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.
Afdeling 4 Standplaatsen Artikel 5:17 Definitie 1.
In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in
de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een
2.
kraam, een wagen of een tafel.
Onder standplaats wordt niet verstaan:
a.
b.
vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid aanhef en onder
g, van de Gemeentewet;
vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
56
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. 2.
3.
Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. Het
weigert
de
vergunning
wegens
strijd
met
een
geldend
bestemmingsplan,
verleend aan het afwijken door middel van een omgevingsvergunning.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd als:
a.
b.
4.
college
beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en indien geen medewerking zal worden
de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van
redelijke welstand; of
Een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing
Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende
Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen
Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1. 2.
Artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet
milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale wegenverordening.
De weigeringsgrond van artikel 5:18 derde lid onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht Vervallen
Afdeling 5 Snuffelmarkten Artikel 5:22 Begripsbepaling Vervallen
Artikel 5:23 Snuffelmarkten e.d. Vervallen
Afdeling 6 Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een voorwerp als bedoeld
in het tweede lid, of een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.
57
2.
Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden
geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als deze door hun omvang of vormgeving,
constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water
of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig 3.
beheer en onderhoud van het openbaar water.
De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin voorzien wordt door het Wetboek van
Strafwet,
de
Scheepvaartverkeerswet,
het
Binnenvaartpolitiereglement,
de
Wet
beheer
rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen 1. 2.
Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor
een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.
Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor
een vaartuig op krachtens het eerste lid aangewezen gebieden:
a.
3.
b.
Nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid,
milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. Beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet
beheer rijkswaterstaatwerken, de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Brabant, de Waterwet, de Havengebruiksverordening, Havenbeheersverordening Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk, of de Verordening water Noord-Brabant.
4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.
5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.
Artikel 5:26 Voorschriften ligplaats (vervallen)
Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats (vervallen)
Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken en oevers
1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten,
duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Brabant.
58
Artikel 5:29 Reddingsmiddelen
Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.
Artikel 5:30 Veiligheid op het water
1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken, Binnenvaartpolitiereglement of de Provinciale Vaarwegenverordening NoordBrabant.
Artikel 5:30a Zwemverbod
1. Het is verboden te zwemmen in door het college aangewezen openbare wateren; 2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
Artikel 5:30b Verhuur vaartuigen
Het is verboden zonder vergunning van het college een vaartuig of object anders dan om niet aan te bieden voor het varen met een of meerdere personen of om anders dan om niet personen te vervoeren of te laten vervoeren, of die activiteiten te bevorderen, op door het college aangewezen openbare wateren.
Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen
1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.
2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.
Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5:31A (Vervallen)
Artikel 5:32 Crossterreinen 1.
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen
buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainingsof proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig
2.
of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij
regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen in het belang van:
a.
het voorkomen of beperken van overlast;
59
b. c. 3.
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
milieuwaarden;
de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van
het publiek.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidsproductie sportmotoren.
Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden 1.
2.
Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor
recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.
Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het
college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:
a.
het voorkomen van overlast;
c.
de veiligheid van het publiek.
b. 3.
Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:
a.
b. c. d. e. 4.
ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens
artikel 29, eerste lid, Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;
die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het
eerste lid bedoeld;
die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden
uitgevoerd;
van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de
terreinen als in het eerste lid bedoeld;
voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde
personen.
Het verbod is voort niet van toepassing:
a.
b.
5.
de bescherming van natuur- en milieuwaarden;
op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994; binnen
de
bij
of
krachtens
de
provinciale
verordening
`Stiltegebieden'
aangewezen
stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als `toestel'.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
60
Afdeling 8 Vuurverbod Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. 2.
Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet
milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van
toepassing op :
a.
Verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
c.
Vuur voor koken, bakken en braden.
b. 3. 4. 5.
Sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van
de flora en fauna.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder
1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.
Afdeling 9 Asverstrooiing Artikel 5:35 Definitie
In deze afdeling wordt onder incidentele asverstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de
Wet op de Lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.
Artikel 5:36 Plaatsen van asverstrooiing 1.
Incidentele asverstrooiing is verboden op:
a.
b.
2. 3.
4.
c.
Verharde delen van de weg;
Gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen, buiten de daartoe aangewezen
plaatsen;
Door het college nader aangewezen gebieden.
Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het
eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.
Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere
omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:37 Overlast asverstrooiing
Incidentele asverstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.
61
Hoofdstuk 6 SANCTIE-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 6:1 Sanctiebepaling 1.
2.
3.
Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel
1.4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op
overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 en 2:11 als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit en artikel 4:11, tweede lid.
In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde
regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.
Artikel 6:2 Toezichthouders 1.
2. 3.
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, zijn belast:
a.
b.
de ambtenaren belast met vergunning en handhaving die als zodanig door of namens het college
zijn aangesteld;
de daartoe aangewezen personen van de omgevingsdienst Midden- en West-Brabant.
Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen belasten met het toezicht,
bedoeld in het eerste lid.
Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder
b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.
Artikel 6:3 Binnentreden woningen 1.
Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of
krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare
orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het 2.
binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
Het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden is van toepassing, waaronder de bepalingen
met betrekking tot de vereiste machtiging.
Artikel 6:4 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij is bekendgemaakt.
3.
De Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Moerdijk vastgesteld d.d. 7 februari 2019
2.
De verordening wordt met inachtneming van de bepalingen van de Gemeentewet bekend gemaakt. wordt ingetrokken op het moment van inwerkingtreding van de artikelen van deze verordening.
Artikel 6:5 Overgangsbepaling
Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, derde lid en diens voorgangers, die
golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening met
62
uitzondering van de verruiming van de terrastijden op grond van artikel 2.29 lid 1 onder a en lid 2 zolang na inwerkingtreding van deze verordening geen nieuwe exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2.29 lid 1 aanhef is verleend.
Artikel 6:6 Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Moerdijk.
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 16 december 2021,
De griffier,
A. Goslings
De voorzitter,
A.J. Moerkerke
63