5. Bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid
Tekst van het document
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie
25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate In dit 'Besluit niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); Een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. 4.3.2 Onderzoek en conclusie De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 32 woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven.
Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2019 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft Westrand, ten noorden van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in de prognose voor 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in de prognose voor 2020; 17,2 µg/m³ voor NO2, 18 µg/m³ voor PM10 en 11 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,3 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
31
4.4
Geluid
4.4.1 Kader Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wgh geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege een weg aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen. De breedte van een geluidzone voor wegen is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de stedelijke of buitenstedelijke ligging. De breedte van de geluidzone wordt hierbij gemeten vanaf de as van de weg. In artikel 1 van de Wgh zijn de definities opgenomen van stedelijk en buitenstedelijk gebied. Deze definities luiden: Stedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; Buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom, alsmede het gebied binnen de bebouwde kom voor zover gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. Het plangebied ligt in de geluidzone van de stedelijk gelegen wegen Huizersdijk en Zuidrand. Deze geluidzone heeft een breedte van 200 meter. Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.
Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting aan de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximale ontheffingswaarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde voor de nieuwe woningen in het plangebied is afhankelijk van de bron en de ligging van het plangebied. De woningen behoren tot de bebouwde kom van Zevenbergen en liggen als zodanig in stedelijk gebied. Daarom is getoetst aan de normen die gelden voor stedelijke situaties. Hiervoor geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een maximale ontheffingswaarde van 63 dB. 4.4.2 Onderzoek en conclusie In het kader van de ontwikkeling van de woningen is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. Uit dit onderzoek blijkt dat ten gevolge van het verkeer op de Huizersdijk en de Zuidrand de geluidsbelasting op enkele woningen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Ten gevolge van het verkeer over de Generaal Allenweg wordt de voorkeursgrenswaarde voor de nieuwe woningen niet overschreden.
Ter plaatse van de woningen waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden is het treffen van maatregelen om de geluidsbelasting terug te dringen onvoldoende doeltreffend of ongewenst in verband met de stedenbouwkundige structuur. In paragraaf 4.3 van het akoestisch onderzoek zijn bronmaatregelen en maatregelen in het overdrachtsgebied verkend is beschreven waarom deze maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn of ongewenst zijn. Het is daarom noodzakelijk, en mogelijk, om hogere waarden te verlenen voor deze woningen. Op basis van het gemeentelijk beleid is het mogelijk om hogere waarden vast te stellen bij woningen, deze woningen vallen binnen de categorie woningen die worden gesitueerd op een open plek tussen bestaande bebouwing. In verband met het beleid van de gemeente wordt voorgeschreven dat ten minste één slaapkamer van de nieuwe woningen aan een geluidluwe gevel grenst. Bij het ontwerp van de woningen zal hier rekening mee worden gehouden. In tabel 4.1 is een overzicht opgenomen van de te verlenen hogere waarden. Tabel 4.1 Hogere waarden Geluidbron Huizersdijk Zuidrand Zuidrand
Benodige hogere waarden 58 dB 49 dB 52 dB
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
Aantal woningen 10 1 1
32
4.5
Bedrijven en milieuzonering
4.5.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: Ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; Rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.5.2 Onderzoek Agrarische functies Ten westen van het plangebied liggen agrarische percelen behorend bij het gemengd agrarisch bedrijf (veehouderij) aan de Huizersdijk 30 te Zevenbergen.
Spuitzones Vanwege de mogelijkheid in het vigerende bestemmingsplan kan spuitzonering vanwege het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten een rol spelen. Er moet in beginsel worden uitgegaan van maximale planologische mogelijkheden van de betreffende percelen. Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen met tuinen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten gewassen wordt bij de besluitvorming inzake ruimtelijke ordening (bestemmingsplan en omgevingsvergunning) meestal een vuistregel gehanteerd om een richtafstand van 50 meter aan te houden tussen een productieboomgaard van appels en peren en een gevoelige bestemming of functie. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel en geen wetgeving. Uit jurisprudentie blijkt dat de Afdeling Bestuursrechtspraak het hanteren van een afstand van 50 meter niet onredelijk vindt. De nieuwe woningen en de bijbehorende tuinen in dit bestemmingsplan zijn geprojecteerd op een afstand van tenminste 75 meter van de gronden met een agrarische bestemming, behorende bij het agrarisch bedrijf aan Huizersdijk 30. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter.
Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de agrarische percelen zal geen invloed hebben op het woon- en leefklimaat van de nieuwe woonpercelen. De nieuwe woningen vormen door de afstand geen belemmering voor het gebruik van de agrarische percelen. Geurhinder Op grond van het Activiteitenbesluit (art. 3.117) gelden de afstanden voor dieren zonder geuremissiefactor die moeten worden aangehouden tussen een agrarische bedrijf waar dieren worden gehouden en geurgevoelige objecten. Voor melkrundvee geldt een afstand van 100 meter voor gevoelige objecten binnen de bebouwde kom en 50 meter voor gevoelige objecten buiten de bebouwde kom. De wetgever heeft voor een regeling van afstanden gekozen, omdat voor dieren zonder geuremissiefactor geen geurverspreidingsberekeningen kunnen worden uitgevoerd. Met de vaststelling van minimumafstanden tussen bedrijven waar deze dieren worden gehouden en geurgevoelige objecten beoogt de wetgever het ontstaan van nieuwe geurhinder te voorkomen. Op het moment dat niet aan deze afstanden wordt voldaan, zal op grond van de Wet geurhinder en veehouderij moeten worden bezien of voor het agrarische bedrijf een omgevingsvergunning benodigd is en kan worden verkregen.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
33
De nieuwe woningen in dit bestemmingsplan liggen in de bebouwde kom. De afstand tussen het agrarisch bedrijf en de bestaande woningen bedraagt meer dan 200 meter en tot de beoogde woningen 250 meter (figuur 4.2). Hiermee kan ruimschoots aan de hiervoor genoemde afstandseis van 100 meter uit het activiteitenbesluit worden voldaan. Daarmee is er enerzijds geen sprake van een belemmering voor het agrarisch bedrijf en is anderzijds sprake een voldoende woon- en leefklimaat ter plaatse van de geprojecteerde woningen. Wet geurhinder en veehouderij Toetsingskader Het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan door de gemeente medewerking verleend worden aan het voornemen indien veehouderijen door de voorgenomen planontwikkeling niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Daarnaast dient ter plaatse van de nieuw te realiseren geurgevoelige objecten (de woningen) sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Op basis van het Activiteitenbesluit en de Wgh geldt een vaste afstand (50 of 100 meter afhankelijk van de ligging in het buitengebied en de bebouwde kom).
Toetsing De beoogde woningen bevinden zich in de bebouwde kom, waardoor een vaste afstand van 100 meter noodzakelijk is. De veehouderij Huizersdijk 30 is gelegen op circa 250 meter ten zuidwesten van het plangebied. Hiermee wordt voldaan aan de vaste afstand (100 meter van ligging in de bebouwde kom) die geldt op basis van het Activiteitenbesluit en de Wgv. Conclusie Het aspect geur staat de vaststelling van dit plan niet in de weg. Bedrijven worden niet in hun belangen geschaad en er is voor de nieuwe woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Figuur 4.2 ligging woningen ten opzichte van het bestaande agrarische bedrijf
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
34
VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" In de beoogde situatie worden 32 woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. De VNG brochure wordt gebruikt om te bepalen of de afstand tussen bedrijvigheid en gevoelige functies aanvaardbaar is. Indien aan de afstanden wordt voldaan, kan in principe worden aangenomen dat zowel voor de bedrijven geldt dat deze niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden belemmerd, als voor de gevoelige functie – in casu de nieuwe woningen – dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierbij is het van belang dat wordt vermeld dat de VNG-brochure richtafstanden benoemt, waarvan onder omstandigheden kan worden afgeweken. Bij het bepalen van de richtafstand wordt een onderscheid gemaakt tussen 'gemengd gebied' en tussen 'zuiver woongebied'. Een locatie kan als een gemengd gebied worden aangemerkt indien sprake is van een matige tot sterke functievermenging waarbij direct naast woningen andere functies voorkomen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstand voor een woongebied bedraagt 100 meter, voor een gemengd gebied 50 meter. De nieuwe woningen zijn geprojecteerd op een afstand van meer dan 200 meter van het agrarisch bedrijf.
Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de woningen sprake is van een goed woon – en leefklimaat. Bedrijven Huizersdijk 15-19 en 21 Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een autoherstelbedrijf aan de Huizersdijk 21. Op het zuidelijke deel van het terrein is op basis van het vigerende bestemmingsplan een autospuitinrichting toegestaan. Daarnaast vinden binnen het bedrijf autospuit- en herstelwerkzaamheden voor plaatwerk plaats. Deze activiteiten vallen onder maximaal milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter voor het maatgevende aspect geluid. Voor een autospuitinrichting geldt een richtafstand van 50 meter voor het aspect geur. De richtafstand voor de overige aspecten stof en gevaar bedraagt 30 meter. Er wordt in de huidige situatie aan de richtafstanden voor geluid en geur voldaan. Tussen de huidige bedrijfsbestemming en de toekomstige woningen aan de zuidzijde ligt een groenbestemming, deze wordt gehandhaafd. Daarmee bedraagt de afstand tussen de huidige bedrijfsbestemming en de toekomstige woonbestemming circa 15 meter. De feitelijke afstand tussen het bedrijf en de nieuwe woningen aan deze zijde is groter. Het zuidelijk perceeldeel van Huizersdijk 21 is namelijk niet in gebruik voor bedrijfsactiviteiten en ligt braak.
Daarnaast is de regels van de bestemming wonen bepaald dat hoekwoningen tenminste 3 meter uit de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd. Daarmee bedraagt de feitelijke afstand tussen het bedrijf en woningen aan de zuidzijde ruim 30 meter. De afstand tussen het bedrijf en de nieuwe woningen aan de overzijde van de Roode Vaart bedraagt ook ruim 30 meter. Ter plaatse van het bedrijf is in het nieuwe bestemmingsplan een woonbestemming opgenomen in combinatie met een persoonsgebonden overgangsrecht waarmee de beëindiging van het bedrijf geborgd is. Het gebruik van de spuitcabine zal na inwerkingtreding van dit bestemmingsplan direct gestopt worden (zie artikel 15.3 van de regels). Na vaststelling van dit bestemmingsplan zullen de overige bedrijfsactiviteiten na ten hoogste 5 jaar beëindigd worden. Dat betekent dat na oplevering van de eerste woningen tijdelijk nog sprake kan zijn van een verhoogde geluidbelasting, maar dat in de eindsituatie geen sprake meer is van bedrijfsactiviteiten en daarmee samenhangende milieuhinder. Gezien het vervallen van het aspect geur, de afstand tot de geprojecteerde woningen in relatie tot het enig overgebleven aspect geluid en de waarborg dat de bedrijfsactiviteiten binnen afzienbare tijd definitief worden beëindigd en tussentijds niet kunnen wijzigen, wordt deze tijdelijke afwijking van de richtafstand aanvaardbaar geacht.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
35
Op de locatie Huizersdijk 15-19 zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan bedrijven tot en met milieucategorie 2 mogelijk, er vinden op dit moment geen bedrijfsactiviteiten plaats. De bebouwing staat momenteel leeg. De richtafstand bedraagt 10 meter. De woningbouwlocatie aan de Huizersdijk 21 grenst direct aan deze bedrijfspercelen. In de huidige situatie is geen sprake van bedrijfsactiviteiten met een relevante milieubelasting. In de toekomst kunnen zich ter plaatse bedrijven vestigen, waarbij dient te worden voldaan aan de eisen uit het Activiteitenbesluit (of andere op dat moment geldende toetsingskaders). In algemene zin zijn categorie 2 bedrijven op korte afstand van woningen inpasbaar zonder dat sprake is van hindersituaties, zeker als de bedrijfsactiviteiten uitsluitend tijdens de dagperiode plaatsvinden. Om een goed beeld te krijgen van de mogelijke milieubelasting door een bedrijf op deze locatie is onderzoek verricht (zie bijlage 4). Uit het onderzoek blijkt dat woningen op een aftand kleiner dan de richtafstand tot het bedrijf inpasbaar zijn, waarbij aandacht nodig is voor de geluidwering van gevel en/of het toepassen van maatwerkvoorschriften in het kader van het activiteitenbesluit.
Voor de borging van het toekomstig woon- en leefklimaat is in de regels van het bestemmingsplan een verplichting opgenomen de zijgevel van de woning die grenst aan de bedrijvenbestemming doof uit te voeren en op de erfgrens een tuinmuur te plaatsen van 1.80 meter hoog. Mocht de bedrijfsbestemming vervallen zijn op het moment dat de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen wordt aangevraagd, dan kan het college afwijken van deze verplichting. Bedrijventerrein Het bedrijventerrein Molengors bevindt zich ten noorden van het plangebied. Direct ten noorden zijn bedrijven in milieucategorie 2 en 3 toegestaan. In het bestemmingsplan Molengors is nog geen onderscheid gemaakt tussen milieucategorie 3.1 en 3.2. De richtafstand die in het plan Molengors gekoppeld is aan categorie 3 is 100 meter, dat komt overeen met de richtafstand voor milieucategorie 3.2 De richtafstand is respectievelijk 10 meter en 50 meter in een gemengd gebied. Aan de noordzijde van het bedrijventerrein Molengors is het bedrijf Rotako gelegen. Dit bedrijf valt in milieucategorie 4.1, met een richtafstand van 100 meter in een gemengd gebied. Met uitzondering van de woning ten noorden van de brug over de Roode Vaart liggen alle nieuwe woningen buiten de richtafstand van de bedrijven in milieucategorie 2 en 3 op bedrijventerrein Molengors.
De afstand van de nieuwe woningen aan de Huizersdijk tot bedrijventerrein Molengors bedraagt namelijk ruim 110 meter. De afstand van de woningen aan de Generaal Allenweg (ten zuiden van de brug) tot aan de bedrijven in milieucategorie 2 en 3 op Molengors bedraagt circa 55 meter. De afstand van de nieuwe woningen tot het bedrijf in milieucategorie 4.1 bedraagt ten minste 180 meter. Er wordt aan de richtafstand voldaan. De woning aan de Allenweg ten noorden van de brug over de Roode Vaart grenst aan een perceel waar in bestemmingsplan Molengors bedrijven in milieucategorie 2 en 3 zijn toegestaan. Er wordt niet aan de richtafstanden van respectievelijk 10 en 50 meter voldaan. Direct naast de geprojecteerde woning is een bedrijfswoning aanwezig (Allenweg 26). Het terrein Allenweg 26, waar de feitelijke bedrijfsactiviteiten plaatsvinden ligt op een afstand van 25 meter. Met een afstand van ruim 130 meter tot het bedrijf in categorie 4.1 kan wel aan de richtafstand behorende bij dat bedrijf worden voldaan. Het bestemmen van deze woning leidt mogelijk tot beperkingen voor het bedrijf aan Huizersdijk 24. Ook is niet op voorhand zeker dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor het bedrijventerrein Molengros wordt op termijn gestreefd naar het beperken van de uitstraling naar de omgeving.
Een bestemmingsplan daarvoor is inmiddels in procedure gebracht. In afwachting van een toekomstige afname van de milieubelasting op het perceel aan de Allenweg, die wel zou leiden tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, wordt voor deze locatie een wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming Wonen opgenomen. 4.5.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de bedrijven in de omgeving van het plangebied door de beoogde woningbouwontwikkeling niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit met uitzondering van de geprojecteerde woning ten noorden van de brug over de Roode Vaart. Voor deze situatie is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
36
4.6
Archeologie
4.6.1 Kader In Europees verband was het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag was het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Sindsdien geldt dat waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het Verdrag is in 1988 geratificeerd (Monumentenwet) en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz was een wijzigingswet en omvatte een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moesten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.
Gemeentelijk beleidskader Om invulling te geven aan deze gemeentelijk zorgtaak heeft de gemeente Moerdijk de archeologische en cultuurhistorische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt door een gemeentelijke Erfgoedkaart op te stellen samen met het Uitvoeringskader Erfgoed 2014 4.6.2 Onderzoek en conclusie Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Moerdijk is ter plaatse van het plangebied voor een deel van het plangebied sprake van een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en voor een groot deel een zone waarvoor geen archeologische verwachtingswaarden geldt. Voor de locatie met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde geldt een beschermingsregime waarbij bodemroerende werkzaamheden groter dan 250 m2 en dieper dan 2 m niet zijn toegestaan. Omdat ter plaatse een waterkering is gelegen worden er geen werkzaamheden uitgevoerd dieper dan 2 meter. Nader archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk in het kader van de ontwikkeling. Voor de locatie met een middelhoge verwachtingswaarde wordt een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 7 opgenomen, Voor het overige deel van het plangebied is aanvullend onderzoek naar archeologie niet noodzakelijk. Een uitsnede van de archeologische kaart is opgenomen in figuur 4.3.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
37
Figuur 4.3. Uitsnede archeologische waardenkaart Moerdijk, het plangebied is rood gemarkeerd
4.7
Cultuurhistorie
Toetsingskader Algemeen Beleidskader voor de cultuurhistorie vormt primair de sinds 1 september 2017 geldende Erfgoedwet. Er bestaat een wettelijke verplichting om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Facetten als historische (stede)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten worden daarin meegenomen. Daarmee is de bescherming van het cultuurhistorisch erfgoed (mede) een taak van de gemeente geworden. Provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft ze haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De CHW is vastgesteld in 2010 en op kleine onderdelen aangepast in de herziening 2016. Op de CHW is het provinciaal cultuurhistorisch belang aangegeven. Het gaat hierbij om erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. Dit belang hangt nauw samen met het provinciaal ruimtelijk belang, zoals benoemd in de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening.
Het provinciaal belang is beperkt tot het landelijk gebied, waar de provincie haar belangrijkste taak heeft. De kaartlagen cultuurhistorische vlakken’ en ‘complexen van cultuurhistorisch belang’ zijn ook opgenomen in de Verordening ruimte NoordBrabant.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
38
Toetsing Het plangebied ligt in het verlengde van een voormalig bedrijventerrein dat is ontstaan als uitvloeisel van de industriële activiteiten langs watergangen (suikerindustrie). De toekomstige woningen liggen aan een voormalige zeearm en scheepvaartroute (suikerbieten en turf) tussen Hollandsch Diep en rivier de Mark. De Roode Vaart blijft in de toekomstige situatie gehandhaafd. De Huizersdijk en Allenweg zijn in figuur 4.4 aangeduid als historische geografie - lijnen. Deze historische geografie lijnen blijven in de toekomstige situatie ongewijzigd. In de rest van het plangebied bevinden zich geen andere cultuurhistorische waarden.
Figuur 4.4 Cultuurhistorische waardenkaart waarbij het plangebied met blauw omkaderd is aangegeven (Bron: CHW Noord-Brabant) Conclusie Het plan schaadt geen cultuurhistorische waarden.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
39
4.8
Ecologie
4.8.1 Kader Wet natuurbescherming Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. De Wnb is in werking getreden met ingang van 1 januari 2017. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) is in beginsel bevoegd gezag voor de vergunningverlening onder de Wnb. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN) de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Verder geldt er een verplichting om een passende beoordeling te verrichten indien significant negatieve effecten op voorhand niet zijn uitgesloten. In dat geval kan het plan alleen worden vastgesteld indien met zekerheid is vastgesteld dat uitvoering van het plan niet leidt tot een aantasting van natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden. Eventueel noodzakelijke mitigerende maatregelen moeten in dat geval bij vaststelling van het plan geborgd zijn. Gebiedsbescherming De Wnb kent twee soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura 2000/gebieden; b. Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Soortenbescherming Daarnaast is in de Wnb de soortenbescherming geregeld. Soortenbescherming geldt voor alle beschermde soorten ongeacht waar deze soorten zich bevinden en hoeveel soorten het betreft. In de Wnb zijn verbodsbepalingen opgenomen van handelingen en effecten op beschermde soorten die niet worden uitgevoerd, behoudens ontheffing. Gebiedsbescherming - Natura 2000-gebieden De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk (of in combinatie met andere plannen of projecten) significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Er zijn geen alternatieve oplossingen; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.
De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en die verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebiedsbescherming - Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
40
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. Soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. Soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; c. Soorten die worden beschermd in de Verdragen van Bern en Bonn; en d. Bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk doden van vogels of het vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten (art.
3.10 Wnb). De overige soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. GS kunnen ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan voor deze soorten ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. 4.8.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde Natura 2000-gebieden of van gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Brabant. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000gebied betreft de Biesbosch op een afstand van circa 9,1 kilometer. Het dichtstbijzijnde onderdeel van Natuurnetwerk Brabant bevindt zich op circa 980 meter (zie figuur 4.3). In het kader van de invloed van de ontwikkeling van de woningen is gekeken naar de effecten van de nieuwbouw van de nog te vergunnen woningen (32 woningen) op de omliggende Natura 2000-gebieden. In het kader hiervan is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de nieuwe woningen. Uit dit onderzoek blijkt dat het verkeer van deze woningen niet leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 6. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het huidige Aerius-model verkeersemissies op >5 km van Natura 2000-gebieden buiten beschouwing laat.
Met andere woorden: aangezien de maatgevende wegvakken op meer dan 5 kilometer van verzuringsgevoelige Natura 2000-gebieden zijn gelegen, zal nooit een depositietoename worden berekend ten gevolge van de verkeersemissies. Uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat een dergelijk afstandscriterium zonder nadere onderbouwing juridisch niet houdbaar is. Naar verwachting zal er naar aanleiding van deze uitspraak een aanpassing in het rekenmodel worden doorgevoerd. Om een beeld te krijgen van de mogelijke gevolgen van het meenemen van de verkeerseffecten op meer dan 5 km is het verkeer in de huidige versie van het Aerius-model op een andere wijze gemodelleerd (als bron in de categorie 'anders' zodat het model ook verder dan 5 kilometer de gevolgen voor de depositie berekend). Hieruit blijkt dat ook dan geen sprake is van een toename van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Gezien de relatief beperkte verkeerstoenames en de ruime afstand tot de maatgevende Natura 2000-gebieden heeft de uitspraak van de Afdeling naar verwachting dus geen gevolgen voor de resultaten tijdens de realisatiefase mochten deze alsnog anders berekend of ingevoerd moeten worden. Aanlegfase Het is mogelijk dat de werkzaamheden leiden tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
41
Het doel van de wet stikstofreductie en natuurverbetering is om de stikstofuitstoot te verlagen en de natuur te verbeteren. De wet bevat een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningsplicht voor de bouwsector. De vrijstelling geldt voor bouwactiviteiten in de bouw-, aanleg- en sloopfase, waarin emissies tijdelijk en beperkt zijn. Deze vrijstelling maakt vergunningverlening voor de aanleg/bouw van onder andere woningen, utiliteitsbouw, energieprojecten en activiteiten in de grond-, weg- en waterbouw makkelijker. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden (bijvoorbeeld verstoring). De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). Deze wet is op 1 juli 2021 in werking getreden. Hierdoor is het voor de aanlegfase niet nodig om een stikstofberekening uit te voeren. Anders effecten zijn door de afstand op voorhand uit te sluiten.
Figuur 4.3 Plangebied rood omcirkeld ten opzichte van Natura 2000 en Natuurnetwerk Brabant Soortenbescherming In het kader van het vigerende bestemmingsplan is ecologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied, zie bijlage 5. Uit het onderzoek blijkt dat algemene broedvogels aanwezig zijn. In verband hiermee is het noodzakelijk om de start van de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan voorkomen worden dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen uitgesloten kan worden. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de provincie NoordBrabant. Het voorkomen van overige soorten wordt uitgesloten. Op grond van bovenstaande analyse worden negatieve effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; het plan voor de bouw en het gebruik van woningbouw langs de Roode Vaart te Zevenbergen is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
42
De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor- en gedurende de uitvoering dient hierbij rekening gehouden te worden. 4.8.3 Conclusie De realisatie van 32 woningen leidt niet tot significante effecten op natuurgebieden of flora en fauna. Het aspect ecologie leidt niet tot belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Water
4.9.1 Kader Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf. Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Brabantse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van deze ruimtelijke onderbouwing wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Omgevingsvisie Interim-omgevingsverordening Brabant De provincie is vanuit de wet aangewezen als bevoegd gezag voor de regionale keringen. Dit betekent dat de provincie erop toeziet of deze regionale keringen voldoen aan de veiligheidsnormen. Deze keringen zijn/worden middels aanwijzing en normering opgenomen in de provinciale (interim) Omgevingsverordening. Het gedeelte bij de Roode Vaart is ook omgeven door een regionale kering, die onderdeel uitmaakt van het Mark, Dintel Vlietsysteem. De waterschappen hebben zelf middels hun Keur en beleidsregels eisen met betrekking tot werkzaamheden/plannen bij waterkeringen en de bijbehorende beschermingszones. Waterschapsbeleid Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer - waaronder grondwater - heeft daarbij twee doelen: de zorg voor gezond water en de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.
Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; de Keur en de Legger. bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
43
De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'. Op waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.
Zo is het onder andere verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur te lozen op het oppervlaktewater bij een uitbreiding van het verhard oppervlak groter of gelijk aan 500 m². Indien door de ontwikkeling het verhard oppervlak met meer dan 500 m² toeneemt, eist het waterschap compensatie voor de uitbreiding van verharding. Bij het dimensioneren van retentie-/infiltratievoorzieningen dient rekening te worden gehouden met neerslaghoeveelheden met een herhalingstijd van 1 tot 100 jaar. Aangezien de retentiebehoefte het grootst is bij T = 100 is deze waarde maatgevend. Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. 4.9.2 Onderzoek Huidige situatie Het plangebied ligt ten zuiden van Zevenbergen en grenst aan de Roode Vaart. Het gebied is momenteel volledig onverhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de grond van het plangebied uit lichte klei met homogeen profiel. Met betrekking tot grondwater is er sprake van grondwatertrap VI.
Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) schommelt tussen 40 en 80 centimeter onder maaiveld. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt op 120 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 2,5 meter +NAP. Waterkwantiteit Het plangebied is buitendijks gelegen en grenst aan de vaarweg Roode Vaart. De beschermingszone van het oppervlaktewater betreft 5 meter. Binnen deze beschermingszones gelden conform de Keur van waterschap Brabantse Delta beperkingen voor bouwen en aanleggen ter bescherming van en om onderhoud aan de vaarweg mogelijk te houden. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een regionale waterkering. De beschermingszone is 10 meter gemeten van uit de teen. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is momenteel onbebouwd en niet aangesloten op het rioolstelsel.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
44
Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zullen 32 woningen gerealiseerd worden. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Indien door de ontwikkeling het verhard oppervlak met meer dan 2.000 m² toeneemt, eist het waterschap compensatie voor de uitbreiding van verharding. Echter wordt de Roode Vaart aangemerkt als stroomvoerend water. Ontwikkelingen die direct gelegen zijn langs stroomvoerend water mogen binnen de regels van het waterschap direct hierop afwateren. Het is dan ook niet noodzakelijk om te voorzien in compensatie in verband met de toename van verharding. Waterkwaliteit Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Buitendijks bouwen Voor buitendijks bouwen hanteert het waterschap het 'Nee, tenzij'-principe. Het waterschap heeft aangegeven dat de buitendijkse ontwikkelingen in dit plan doorgang kunnen vinden, maar dat het profiel van vrije ruimte langs de 'keringen langs een regionale rivier' onbebouwd dient te blijven.
Het doel van deze vrije ruimte is dat de situatie langs de Roode Vaart niet verslechtert als gevolg van de voorgenomen woningbouw. Het buitendijks gelegen gebied blijft onbeschermd tegen hoogwater en het bouwen op deze locatie blijft daarom voor eigen risico. De Roode Vaart en directe omgeving is aangemerkt als reserveringsgebied ten behoeve van waterberging. Buitendijkse ontwikkelingen dienen conform het 'beleid buitendijks bouwen' voorgelegd te worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Conform dit beleid zijn er mogelijkheden waardoor ontwikkelingen toch hun doorgang kunnen vinden, indien deze geen risico's of negatieve effecten veroorzaken voor de taken en verantwoordelijkheden van het waterschap. Negatieve effecten worden voor 100% gecompenseerd. Onder taken en verantwoordelijkheden van het waterschap wordt het volgende verstaan: zorg voor voldoende doorstromingscapaciteit, zorg voor veilige keringen en behoud en realisatie van voldoende bergingsmogelijkheden. Het buitendijks gelegen gebied langs de Roode Vaart Zuid ter hoogte van het plangebied heeft een gemiddelde maaiveldhoogte van circa 2,00 m +NAP. Het toetspeil T=100 (maatgevende hoogwaterstand) ter hoogte van het plangebied bedraagt 1,3 m +NAP (vast peil Volkerak-Zoommeer van 0,5 m +NAP), hierbij is geen rekening gehouden met de invloed van golf- en windopslag.
De invloed van golf- en windopslag is kleiner dan 0,7 m. Dit betekent dat het buitendijks gelegen gebied vanaf de insteek met de huidige maaiveldhoogte in de T=100 situatie geen onderdeel uitmaakt van het stroomvoerende profiel ( i.v.m. doorstromingscapaciteit en bergingsmogelijkheden). Derhalve hoeven deze gebieden bij maaiveldophoging niet te worden gecompenseerd. Desalniettemin zijn en blijven buitendijkse gebieden niet beschermd tegen hoogwater. Dit brengt risico's met zich mee. Om ervoor te zorgen dat ook toekomstige eigenaren op de hoogte zijn van overstromingsrisico's, in dit bestemmingsplan is dan ook opgenomen dat de woningen niet zijn beschermd tegen hoogwater en dat de bijbehorende risico's voor eigen rekening zijn. Ten aanzien van de zorg voor de veilige kering, dient het profiel van vrije ruimte vrij te blijven van waterkeringsvreemde objecten en dient bij grondroeringen en overige belastingen van de waterkering middels een invloedzoneberekening aangetoond te worden dat deze werkzaamheden geen negatieve invloed hebben op de stabiliteit en veiligheid van de waterkering. In het kader hiervan wordt nader onderzoek gedaan naar dijkstabiliteit. De woningen worden ter plaatse gebouwd op het maaiveld, waarbij tussen het maaiveld en het profiel van de vrije ruimte voldoende ruimte is voor de fundering.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
45
Figuur 4.4 Beoogde woning ten opzichte van de dijk Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. 4.9.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de 32 woningen die mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplan geen negatieve gevolgen heeft voor de bestaande waterhuishouding.
4.10
Externe veiligheid
4.10.1 Kader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
46
Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.
Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.
4.10.2 Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart (figuur 4.5) waarin relevante risicobronnen worden getoond, vindt er in de omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats via het water, de weg of door buisleidingen met een externe werking.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
47
Figuur 4.5 Uitsnede professionele risicokaart met het plangebied groen gemarkeerd Inrichtingen Het plangebied ligt in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen Gondrand Traffic B.V., Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. en Shell Nederland Chemie B.V. De persoonsgebonden contour van deze inrichtingen komt niet tot aan het plangebied. Voor alle drie inrichtingen is in het kader van de vergunningverlening van deze bedrijven een QRA uitgevoerd. Het groepsrisico overschrijdt slechts bij Shell Nederland Chemie B.V. de oriëntatiewaarde. Het plangebied is echter op enkele kilometers gelegen van de inrichtingen. Daarnaast valt heel Zevenbergen en omgeving in de invloedsgebieden, waardoor de toevoeging van de 32 woningen weinig invloed heeft op het groepsrisico. Omdat het plangebied wel in de invloedsgebieden ligt, is er een beknopte verantwoording van het groepsrisico opgesteld. Vervoer van gevaarlijke stoffen Het plangebied bevindt zich op circa 613 meter van het spoortraject Zevenbergschenhoek – Roosendaal, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De PR 10-6-contour is op maximaal 11 m buiten het spoor is gelegen. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van de 32 woningen. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie D4 en bedraagt meer dan 4 kilometer.
Omdat het plangebied op meer dan 200 meter is gelegen, hoeven volgens het Basisnet geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Volgens de standaard verantwoording van de gemeente Moerdijk (zie bijlage 10) bevindt de locatie zich hierdoor in een grijze zone. Er kan worden volstaan met een standaardverantwoording.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
48
4.10.3 Verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Huizersdijk en Generaal Allenweg. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Daarnaast is door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant een Standaard Verantwoording Groepsrisico opgesteld. Hierin wordt onder andere een beschrijving van de scenario's en de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid gegeven. Daarnaast kan deze standaard verantwoording toegepast worden als (beperkte) verantwoording op grond van artikel 7 en 8 van het Bevt en artikel 12 van het Bevb.
Tevens wordt in dit document geconcludeerd dat de de zelfredzaamheid over het algemeen redelijk tot goed is. Voor bijzonder kwetsbare objecten waar verminderd zelfredzame personen aanwezig zijn (zoals kinderdagverblijf en zorginstelling) is de zelfredzaamheid beperkt. Zulke ontwikkelingen worden met dit bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen 32 woningen gerealiseerd worden. Dit zijn kwetsbare objecten. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Ook kan er extra aandacht besteedt worden aan de detaillering van gevels, ramen en kozijnen zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd, hierdoor kan natuurlijke ventilatie als gevolg van tocht niet plaatsvinden.
Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. 4.10.4 Conclusie Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen Gondrand Traffic B.V., Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. en Shell Nederland Chemie B.V. en spoortraject Zevenbergschenhoek – Roosendaal. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11
Leidingen en laagvliegroutes
4.11.1 Kaders In het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen gelegen. Het plangebied is gelegen in het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Woensdrecht. Dit houdt in dat er rond deze vliegbasis een cirkel met een straal van 15 nautische mijl (= 27,8 km) geldt, gemeten vanaf de positie van de radar. Deze cirkel is bedoeld om het functioneren van radar- en communicatieapparatuur op de vliegbasis te waarborgen. Binnen het radarverstoringsgebied dient voor ieder obstakel, hoger dan 63 m boven NAP, te worden berekend of er verstoring van de radar optreedt. Het plangebied is daarnaast gelegen onder de navigatie-tolerantiezone van de laagvliegroute VO. Voor de laagvliegroute geldt dat er ter weerszijden van de hartlijn van de route een navigatietolerantiezone van 926 m bestaat. Het is vanuit defensieoogpunt niet wenselijk om obstakels hoger dan 30 m, onder de laagvliegroute te plaatsen.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid vastgesteld
49
4.11.2 Onderzoek en conclusies De maximaal toelaatbare bouwhoogte binnen het plangebied bedraagt 11 m. De belangen van de laagvliegroute van Defensie en het radarverstoringsgebied worden derhalve niet geschaad, aangezien de maximale bouwhoogte minder dan 30 en 63 m bedraagt.
4.12
MER-Regelgeving
4.12.1 Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: De kenmerken van de projecten; De plaats van de projecten; De kenmerken van de potentiële effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Door het bevoegd gezag moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen.