CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

4m. Bijlage 10 Explosievenonderzoek

Raadsvergadering 8 december 2022, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Kop Roode Vaart30.438 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

11, 2 November 1944, National Archives and Records Administration, Record Group 407: WW2 Operation Reports, box nr. 11952, inv. nr. 3104-2.2. 112 Signal Log HQ 4 AGRA, 3 November 1944, The National Archives, WO 171 War Office: Allied Expeditionary Force, North West Europe (British Element): War Diaries, Second World War, inv. nr. 907. 113 Signal Log HQ 4 AGRA, 3 November 1944, The National Archives, WO 171 War Office: Allied Expeditionary Force, North West Europe (British Element): War Diaries, Second World War, inv. nr. 907. 114 Mark River Crossing Fire Plan (Revised) 386 Field Artillery Battalion, 3 November 1944, National Archives and Records Administration, Record Group 407: WW2 Operation Reports, box nr. 12003, inv. nr. 3104-INF(414)-0.7. 115 G-2 Journal 104th Infantry Division, 4 November 1944, National Archives and Records Administration, Record Group 407: WW2 Operation Reports, box nr. 11952, inv. nr. 3104-2.2. 116 Messages 415th Infantry Regiment, 4 November 1944, National Archives and Records Administration, Record Group 407: WW2 Operation Reports, box nr. 12006, inv. nr. 3104-INF(415)-0.3. 117 Messages 415th Infantry Regiment, 4 November 1944, National Archives and Records Administration, Record Group 407: WW2 Operation Reports, box nr. 12006, inv. nr. 3104-INF(415)-0.3.

118 Concentrations on Call to 104 US Div., 4 November 1944, The National Archives, WO 171 War Office: Allied Expeditionary Force, North West Europe (British Element): War Diaries, Second World War, inv. nr. 907. 119 Targets 84 Medium Regiment, 4 November 1944, The National Archives, WO 171 War Office: Allied Expeditionary Force, North West Europe (British Element): War Diaries, Second World War, inv. nr. 1062. 120 After Action Report 104th Infantry Division, 5 November 1944, National Archives and Records Administration, Record Group 407: WW2 Operation Reports, box nr. 11946, inv. nr. 3104-0.3.

332-020-VO-01

Pagina 37 van 93

DATUM:

LITERATUUR:

NATIONALE ARCHIEVEN 415th Infantry Regiment

DATUM: 04-11-1944

SORTIE NR.: 4-1225

INTERNATIONALE ARCHIEVEN

HERLEIDBAARHEID & RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED:

‘November 5th the Regiment continued into the town of Zevenbergen, mopping up any resistance encountered and going into positions on the north edge of town. The 2nd Battalion moved through the section left of the canal and the 3rd Battalion in the sector to the right of the canal. The town was found to be unoccupied. On this night Major Deane’s jeep struck a mine injuring the Major and his driver Pvt. Kenneth M. Roberts. (…) Lt. Giglio’s jeep was strafed and as a result of the ensuing action Pvt. Irvin M. Corken Jr. of Co. “H” was lost.’121 ‘The regiment was to continue to advance and seize point 27, with the mission of containing the enemy in Zevenbergen by controlling points 26, 27 and 23. The 2nd Battalion continued the advance at 0800 with Co G pushing against scattered resistance and taking 27. The regiment continued the advance at 1500 towards Zevenbergen left of the canal and the 3d Battalion through the section right of the canal. The town was unoccupied and the regiment closed in on their assigned objective at 1800.’122 SCHAAL (1:X): BEELDNUMMER(S): 7.600 3030; 3031; 4058; 4059; 4060

BESCHRIJVING: Op de luchtopnamen zijn in het onderzoeksgebied twee vernielde fabrieksschoorstenen waarneembaar. Deze zijn in de nacht van 3 november 1944 op 4 november 1944 door de Duitsers opgeblazen. Ook ten zuidwesten van het onderzoeksgebied, bij de voormalige fabriek Azelma, zijn schoorstenen opgeblazen. De locaties zijn in tekening 332-020-TE-07 en tekening 332-020-TE-08 in paragraaf 2.11.1 weergegeven. De indicatie wordt in paragraaf 2.12 nader geanalyseerd. Op de luchtopnamen is op de Huizersdijk een mogelijke versperring waargenomen. Er zijn geen aanwijzingen dat deze blokkade bijdraagt aan een verhoogde kans op het achterblijven van explosieven in het onderzoeksgebied. De indicatie wordt derhalve niet verder in het onderzoek meegenomen. Op de luchtopnamen zijn in de omgeving van het onderzoeksgebied kraters van geschutsmunitie waargenomen. Bovendien is in het onderzoeksgebied het dak van de voormalige Machinefabriek Brabant kapot. Dit is in tekening 332-020-TE-08 weergegeven. Het vernielde dak kan op basis van de literatuur worden gewijd aan artilleriebeschietingen. De indicatie wordt in paragraaf 2.12 nader geanalyseerd.

29-11-1944

16-1429

1944

‘In 1944 werd door een ambtenaar van de gemeente dit kaartje [Bommenkaart Zevenbergen zoals weergegeven in tekening 332-020-TE-04 in paragraaf 2.11.1] gemaakt met de schade die in Zevenbergen werd geleden in 1940 en in 1944. Tevens staat op dat kaartje vermeld waar bommen vielen en welke daarvan wel en niet ontploften. (…) De huizen die in 1940 zijn verwoest zijn groen gekleurd en de huizen die 1944 niet hebben overleefd zijn met rood aangegeven. (…) De

64.800

2064

Op de luchtopnamen is op ruim 115 meter afstand ten oosten van het onderzoeksgebied een krater van afwerpmunitie waargenomen. Deze is in tekening 332020-TE-08 weergegeven. Vanwege de grote afstand tot het onderzoeksgebied wordt de indicatie niet verder in het onderzoek meegenomen. Op de betreffende luchtopname zijn geen relevante, aanvullende waarnemingen gedaan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de luchtopnamen van grote hoogte en (daarmee) van slechte kwaliteit zijn. De indicatie duidt op oorlogsschade in de omgeving van het onderzoeksgebied. De verwoeste panden in de omgeving van het onderzoeksgebied zijn rood gekleurd, wat betekent dat deze aan de bombardementen en beschietingen voorafgaande aan de bevrijding zijn toe te schrijven. Op de kaart staan eveneens twee (ontplofte) locaties van bommen ingetekend op ongeveer 75 meter en 120 meter ten noordoosten van het onderzoeks-

121 History of 415th Infantry Regiment, National Archives and Records Administration, Record Group 407: WW2 Operation Reports, box nr. 12006, inv. nr. 3104-INF(415)-0.1. 122 After Action Report 415th Infantry Regiment, 5 November 1944, National Archives and Records Administration, Record Group 407: WW2 Operation Reports, box nr. 12006, inv. nr. 3104-INF(415)-0.3.

332-020-VO-01

Pagina 38 van 93

DATUM:

LITERATUUR:

NATIONALE ARCHIEVEN

INTERNATIONALE ARCHIEVEN

dunne zwarte lijn omsluit Zevenbergen zoals het toen bestond als bebouwd gebied.’123

1945

DATUM: 09-07-1945 13-07-1945 27-08-1945

Naoorlogs

SORTIE NR.: 3G-TUD-S090 3G-TUD-S099 106G-LIB-280

Totaal verwoeste panden kom Zevenbergen, onder andere: Sint Jorisstraat 13, 14, Molenstraat 1, 4, 5, 6-8-10, 9, 12, 13, 14, 16, 17, 20, 29, 31, 33, 35, 37, 57, 60, 61, 62, 68, 69, 73, 84, Molenbergstraat 24, 25, 26, Noordhaven 110-111, 113, 114, 115, 116-117, 118, 119, Fabriekstraat 37, 41a, 44-46, Langenoordstraat 100, 101, 102, 103, 104, 105, 106, 115, 117, 119, 120, 138, 144, 149, 152, Klundertseweg zonder nummer, Fabrieksstraat 2 huizen. De kaart behorende bij deze lijst is in tekening 332-020-TE-05 in paragraaf 2.11.1 weergegeven. 124 SCHAAL (1:X): 40.000 40.000 15.000

‘Verzoek om een voorschot uit de rijkskas op de eventueel toe te kennen bijdragen aan gemeenten in de uitgaven tot wederopbouw en herstel van goederen aan welke oorlogsschade is toegebracht (...) Gemeentelijk gasbedrijf. Oorzaak en datum der beschadiging: artilleriebeschieting en bombardement van 30/10 t/m 5/11 1944. (...) Reeds uitgegeven bedrag: 15335,45. (...) Bedrag van gevraagd voorschot : 15335,45.’125

HERLEIDBAARHEID & RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED: gebied. Vanwege de afstand tot het onderzoeksgebied worden deze niet verder in het onderzoek meegenomen. Opgemerkt dient te worden dat op de kaart enkel bommen staan ingetekend die binnen het bebouwde gebied van Zevenbergen vielen en dat het onderzoeksgebied hier net buiten viel. De indicatie is voor het onderzoek derhalve contextueel van aard. De indicatie duidt op oorlogsschade in de omgeving van het onderzoeksgebied. Het is op basis van de bron niet bekend wat de schade heeft veroorzaakt. De indicatie is niet naar het onderzoeksgebied herleidbaar. De indicatie is voor het onderzoek contextueel van aard.

BEELDNUMMER(S): 5047; 5084 6162 3117; 3118

BESCHRIJVING: Op de betreffende luchtopnamen is op de twee locaties waar volgens de bommenkaart bommen neerkwamen schade zichtbaar. Op 75 meter afstand van het onderzoeksgebied is dit in het landschap zichtbaar en op 120 meter afstand zijn huizen verdwenen. Ook ten noorden van de Roode Vaart is op ruim 50 meter afstand van het onderzoeksgebied schade in de vorm van verdwenen huizen zichtbaar. Deze huizen staan ook op de bommenkaart als verwoest ingetekend. Tot slot is direct ten noorden van het onderzoeksgebied een gasketel verdwenen. Deze stond niet als verwoest op de bommenkaart weergegeven. Schade is in tekening 332020-TE-09 in paragraaf 2.11.1 weergegeven. In het noordwesten van het onderzoeksgebied ogen de daken rond de vernielde fabrieksschoorsteen onrustig. Het is op basis van de luchtopnamen en de indicaties uit literatuur- en archiefonderzoek niet mogelijk om te achterhalen of er sprake is van oorlogsschade die niet aan de vernieling van de fabrieksschoorsteen kan worden gekoppeld. De indicatie wordt niet verder in het onderzoek meegenomen. De indicatie duidt op schade aan het gemeentelijk gasbedrijf door ‘artilleriebeschieting en bombardement’ in de periode 30 oktober 1944 t/m 5 november 1944. De schade is opgenomen in een lijst met schadegevallen die allen dezelfde omschrijving van de oorzaak kennen.

Het is op basis van de omschrijving niet herleidbaar op welke locaties oorlogsschade werd geleden en waar dit het gevolg zou zijn van een artilleriebeschieting en waar van een bombardement. De indicatie is voor het huidige onderzoek derhalve contextueel van aard.

123 E. Roek, ‘De schade van 1940 en 1944 in een oud kaartje’, Oud Nieuws 39 2 (2019) 3-6, aldaar 3-4. 124 Totaal verwoeste panden kom Zevenbergen, 1945, West-Brabants Archief, 682 Archief van de gemeente Zevenbergen, 1930-1996, inv. nr. 2939. 125 Verzoek om een voorschot uit ’s-Rijks kas, West-Brabants Archief, 682 Archief van de gemeente Zevenbergen, 1930-1996, inv. nr. 1487.

332-020-VO-01

Pagina 39 van 93

DATUM: Augustus 1946

LITERATUUR:

NATIONALE ARCHIEVEN

INTERNATIONALE ARCHIEVEN

‘(...) een kaart der gemeente Zevenbergen, waarop in rood zijn aangegeven de nog aanwezige wegversperringen en bunkers, alsmede een lijst van eigenaars der gronden waarop deze obstakels aanwezig zijn, genummerd in volgorde der tekening: (...) No. 8 Lamgatsche Dijk. P.A. de Jong Directeur Zuivelfabriek Hoeven’126 ‘Langs de in de gemeente Zevenbergen uitkomende wegen staan nog betonnen wegversperringen en bunkers uit de bezettingstijd. Wel is een opening gemaakt voor het verkeer, doch het komt ons dienstig voor, dat ook de rest van de versperringen en bunkers wordt verwijderd.’127

1948

Verzoek van Machinefabriek Brabant voor een vergoeding ter herstel van oorlogsschade geleden aan een opslagplaats aan het huidige pand Huizersdijk 3. In de bouwtekening is de voorgevel weergegeven. In de omschrijving staat dat voor de dakbedekking eternit golfplaten worden gebruikt.128

HERLEIDBAARHEID & RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED: De indicatie duidt op de aanwezigheid van een betonnen wegversperring op de Generaal Allenweg in het onderzoeksgebied. Er zijn geen aanwijzingen dat de betonnen wegversperring leidt tot een verhoogde kans op het achterblijven van conventionele explosieven in het onderzoeksgebied. De indicatie wordt derhalve niet verder in het onderzoeksgebied meegenomen.

De indicatie duidt op oorlogsschade aan het huidige pand Huizersdijk 3. Op de luchtopnamen van 4 november 1944 is te zien dat ten noordwesten van dit pand een fabrieksschoorsteen is vernield. Aangezien op de bouwtekening behorende bij het herstel de voorgevel van het gebouw is weergegeven, ontstaat de indruk dat deze schade heeft opgelopen. Ook het dak zou worden aangepast. Er zijn geen meldingen dat dit pand te lijden had onder artilleriebeschietingen, waardoor wordt aangenomen dat het pand beschadigd is door de Duitse vernielingactiviteiten.

Tabel 5: Overzichtstabel oorlogshandelingen/indicaties met verwijzingen naar (de omgeving van) het onderzoeksgebied.

126 Bericht betreffende wegversperringen en bunkers, 3 augustus 1946, West-Brabants Archief, 682 Archief van de gemeente Zevenbergen, 1930-1996, inv. nr. 5573. 127 Bericht betreffende wegversperringen en bunkers, 13 augustus 1946, West-Brabants Archief, 682 Archief van de gemeente Zevenbergen, 1930-1996, inv. nr. 5573. 128 Bouwaanvrage no. 7722, 17 juni 1948, West-Brabants Archief, Bouwdossiers Moerdijk, inv. nr. 67139.

332-020-VO-01

Pagina 40 van 93

2.11.1 BEELDMATERIAAL AFKOMSTIG UIT LITERATUUR EN ARCHIEVEN

332-020-VO-01

Pagina 41 van 93

2.12 ANALYSE INDICATIES UIT INDICATIE ONDERZOEK Conform paragraaf 6.5.2 van het WSCS-OCE is in de overzichtstabel in paragraaf 2.11 per achterhaalde indicatie getracht aan de hand van tenminste twee onafhankelijk en verifieerbare bronnen tot de conclusie te komen of er voldoende aanwijzingen zijn om gebieden als verdacht of onverdacht aan te merken. Daarnaast hanteert ECG met betrekking tot indicaties achterhaald op basis van luchtfotointerpretatie het uitgangspunt dat deze in veel gevallen voldoende feitelijk zijn om zonder verificatie van een tweede bron als uitgangspunt bij het trekken van een onderbouwde conclusie te dienen. De navolgende achterhaalde indicaties acht ECG voldoende feitelijk onderbouwd en tevens voldoende herleidbaar naar een locatie om tot een conclusie te komen: - Uit literatuur-, archief- en luchtfoto-onderzoek blijkt dat in de nacht van 3 op 4 november 1944 diverse fabrieksschoorstenen in en rondom Zevenbergen door Duitse soldaten werden opgeblazen. Binnen het onderzoeksgebied zijn twee van deze schoorstenen vernield. Op de luchtopnamen is schade als gevolg van de vernielingsactiviteiten zichtbaar. Op basis van de luchtopnamen alsmede geschreven bronnen lijkt er sprake te zijn geslaagde vernielingen.

Er zijn geen aanwijzingen dat bij het opblazen van de schoorstenen, niet (geheel) gedetoneerde springladingen(en) in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven. De indicatie wordt derhalve niet meegenomen in het vervolg van deze bureaustudie. - Uit literatuur-, archief- en luchtfoto-onderzoek blijkt dat de omgeving van het onderzoeksgebied in de periode 30 oktober 1944 t/m 5 november 1944 onder artillerievuur heeft gelegen. Middels war diaries zijn (potentiële) aanvalsdoelen naar de (ook directe) omgeving van het onderzoeksgebied herleidbaar. Het kaartvierkant 830427 verwijst naar de directe omgeving van de gasfabriek. Op de luchtopnamen van 4 november 1944 zijn in de omgeving van het onderzoeksgebied kraters van de beschietingen waargenomen en in het onderzoeksgebied is het dak van Machinefabriek Brabant beschadigd. In een aantal literatuurstukken wordt gesteld dat de gashouder beschadigd raakte. Deze zou veelvuldig zijn geraakt. Voor de betreffende indicatie wordt verdacht gebied afgebakend. De volgende indicatie kan onvoldoende feitelijk worden onderbouwd, valt buiten het onderzoeksgebied of kan niet naar een exacte locatie worden herleid en zal derhalve niet in het vervolg van deze bureaustudie worden meegenomen: - Uit literatuur-, archief en luchtfoto-onderzoek blijkt dat op 4 november 1944 Zevenbergen en de omgeving ervan werden gebombardeerd.

Middels de literatuur- en archiefomschrijvingen zijn geen inslagen naar het onderzoeksgebied herleidbaar. Op de luchtopnamen van 4 november 1944 is op ruim 115 meter afstand van het onderzoeksgebied een krater van afwerpmunitie waargenomen. Volgens een herinnering opgenomen in het boek Zevenbergen 50 jaar bevrijd door J. de Groot zou naast de gashouder een bom zijn neergekomen. Het schieten van granaten door Duitsers omschrijft hij echter ook als “bom”. Op de luchtopnamen van 4 november 1944 is in de directe omgeving van de gashouder geen krater van afwerpmunitie waargenomen. Ook op de bommenkaart staat direct nabij de gashouder geen neergekomen bom ingetekend: de meest nabijgelegen bom op deze kaart 332-020-VO-01

Pagina 48 van 93

is op ongeveer 75 meter afstand van het onderzoeksgebied en op ruim 60 meter van de gashouder gelegen. Het is niet bekend of dit de bom is waarover wordt betoogd. De gevolgen van de bommen in de omgeving van het onderzoeksgebied zijn pas op de luchtopnamen van 27 augustus 1945 duidelijker waarneembaar en lijken grotendeels overeenkomstig met de bommenkaart. Een bom naast de gashouder komt in één literatuurwerk naar voren en is niet middels andere bronnen geverifieerd. Mocht er toch een bom zijn neergekomen, kan deze ook afkomstig zijn van het bombardement dat laat op de middag plaatsvond en waarbij vliegtuigen slechts één bom afwierpen. Gezien de afstand van de meest dichtstbijzijnde krater tot het onderzoeksgebied en het gegeven dat een bominslag direct bij de gashouder niet met een tweede bron kan worden geverifieerd, wordt de indicatie niet verder meegenomen in het vervolg van de bureaustudie. Het bovenstaande resulteert in het navolgende schematische overzicht van mogelijke oorzaken voor de aanwezigheid van conventionele explosieven binnen het onderzoeksgebied: MOGELIJKE OORZAKEN VOOR DE AANWEZIGHEID VAN ACHTERGEBLEVEN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN

LUCHTAANVALLEN

Bombardement

Beschieting met boordwapens

Beschieting met raketten

Vliegtuigcrash/ Inslag V-wapen

GRONDGEVECHTEN (SECUNDAIRE GEVOLGEN)

Blindgangers (bijv. artillerie beschieting)

In stellingen achtergelaten, gedumpt of bedolven

MUNITIE VERNIETIGING

MILITAIR GEBRUIK

MUNITIE OPSLAG

Springputten en dergelijke

Militair oefenterrein

Munitie fabricage en/of opslag

Munitiedump of stort

Stationering militairen

Munitie inrichtingen

Munitiedump in water

Vliegveld

Incident munitieopslag

(afzinking)

Mijnenveld(en)

(explosie)

Vernielingsactiviteiten

Figuur 3: Schema met achterhaalde oorzaken/scenario’s voor indicaties betreffende de vermoedelijke aanwezigheid van CE.

332-020-VO-01

Pagina 49 van 93

3 HET CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK In het onderzoeksgebied kunnen na de oorlog activiteiten hebben plaatsgevonden die de kans op de aanwezigheid van Conventionele Explosieven kunnen beïnvloeden. Dit betreft bijvoorbeeld grondroerende werkzaamheden (zoals ontgravingen, de aanleg van wegen en watergangen, agrarische activiteiten, bouw van opstallen en andere grondroerende werkzaamheden) waarbij veronderstelt mag worden dat bij deze werkzaamheden eventuele aangetroffen CE zijn gemeld en geruimd. Er kunnen activiteiten hebben plaatsgevonden waarbij grond is aangevoerd welke mogelijk CE bevatten (redepositie). Onder contra-indicaties worden ook opsporingswerkzaamheden door zowel de EOD (en haar voorgangers) en civiele opsporingsbedrijven verstaan.

3.1

BEELDVERGELIJKING TEN BEHOEVE CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK

Het vaststellen van grondroerende activiteiten gebeurt conform het gestelde in het WSCS-OCE, deels aan de hand van beeldvergelijking van satellietbeelden met luchtfoto's uit het tijdvak 1939-1945. De navolgende tekening 332-020-TE-10 toont de beeldvergelijking tussen huidige satellietbeelden en de volgende luchtopnamen: JAAR:

LUCHTOPNAME:

BRON:

1945 1956 1981

Sortie 106G-LIB-280, beeldnummer 3118 Img_001002436_Zevenbergen_1956_Download_High_res_Original 1981_KAARTBLAD43_166_Zevenbergen_1981_Download_High_res_Original

TARA Kadaster Kadaster

Voor wat betreft de periode 1945-1956 kan worden gesteld dat aan de oostzijde van de Roode Vaart, de machinefabriek is uitgebreid. Op de luchtopname van 1945 is te zien dat een deel van de fabriek zijn dak verloren is. Deze is hersteld en aan de zuidzijde is de fabriek verlengd. Aan de zuidwestzijde van het onderzoeksgebied is ten westen van de Roode Vaart een nieuw gebouw gerealiseerd en daaromheen is de grond verhard. Tevens lijkt de Huizersdijk te zijn vernieuwd. Voor wat betreft de periode 1956-1981 kan worden gesteld dat aan de oostzijde van de Roode Vaart ten noorden van de machinefabriek twee gebouwen zijn gerealiseerd. Aan de zuidwestzijde van het onderzoeksgebied is ten westen van de Roode Vaart een gebouw in zuidelijke richting uitgebreid. Dit gebouw loopt tot de grens van het onderzoeksgebied. De gebouwen ten noorden van het huidige pand Huizersdijk 3 zijn verdwenen en de grond langs de Huizersdijk is er geëgaliseerd. Voor wat betreft de periode 1981-heden kan worden gesteld dat aan de oostzijde van de Roode Vaart de machinefabriek is verdwenen, evenals het gebouw ten noordoosten van de machinefabriek. Het gebied ten oosten van de Roode Vaart is nu grotendeels onbebouwd gebied. Aan de zuidwestzijde vana het onderzoeksgebied is ten westen van de Roode Vaart eveneens bebouwing verdwenen.

Het betreft het gebouw dat op de luchtopname van 1956 voor het eerst was te zien en dat op de luchtopname van 1981 in zuidelijke richting was uitgebreid. Ten noorden van het huidige pand Huizersdijk 3 is de Huizersdijk in noordelijke richting verlegd. 332-020-VO-01

Pagina 50 van 93

3.2

BAG-ONDERZOEK

Middels de gegevens van de BAG (Basisregistratie Adressen en gebouwen) valt het bouwjaar van de panden in en bij het onderzoeksgebied te achterhalen. Hierdoor kan een overzicht worden gemaakt van locaties waar naoorlogs grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden. De gegevens zijn in ArcGIS verwerkt en op de volgende kaart weergegeven (tekening 332-020-TE-11). De bouwjaren zijn per pand weergegeven en onderverdeeld naar panden die voor de oorlog zijn gebouwd, panden die tussen 1946 en 1970 zijn opgetrokken en panden die tussen 1971 en nu zijn vervaardigd. Deze laatste onderverdeling is relevant omdat vanaf 1971 de EOD CE-ruimingen heeft geregistreerd in de in paragraaf 2.9.1 geanalyseerde MORA’s. CE-vondsten die bij bouwwerkzaamheden vanaf 1971 werden gedaan, zouden door de EOD moeten zijn geruimd en geadministreerd.

332-020-VO-01

Pagina 54 van 93

3.3

ARCHIEFONDERZOEK MET BETREKKING TOT BOUWWERKZAAMHEDEN

Uit paragraaf 3.1 blijkt dat in het onderzoeksgebied naoorlogse bouwwerkzaamheden plaatsvonden. Middels bouwdossiers uit het West-Brabants Archief is getracht informatie omtrent de grondroerende activiteiten te achterhalen. Een overzicht van de geraadpleegde dossiers is opgenomen in bijlage 5. Machinefabriek Brabant (Generaal Allenweg 2) Uit de beeldvergelijking in paragraaf 3.1 bleek dat Machinefabriek Brabant naoorlogs is uitgebreid. Om deze reden zijn de bouwtekeningen van de betreffende fabriek geraadpleegd. In de overzichtstabel van paragraaf 2.11 kwam reeds naar voren dat een deel van de fabriek bij de bevrijding beschadigd raakte. In het jaar 1947 kreeg eigenaar Van Opstal goedkeuring om het bestaande fabrieksgebouw met een gedeelte ter lengte van 25 meter uit te breiden.129 In onderstaande figuur 4 is de fundering en een doorsnede weergegeven. De fundering lag op ongeveer 70cm diepte t.o.v. het peil en tot 1,50m diepte ten opzichte van de naastgelegen grond.

Figuur 4: Uitbreiding fabrieksgebouw Machinefabriek Brabant, 1947. Bron: West-Brabants Archief, Bouwdossiers Moerdijk, inv. nr. 21378.

In 1955 kreeg de eigenaar toestemming voor uitbreiding van het fabrieksgebouw met een lengte van 100 meter. De grond werd ontgraven tot een diepte van 30cm onder het maaiveld.130 Tekeningen van de uitbreiding zijn door het West-Brabants Archief niet aangeleverd. Een jaar later, in 1956, verkreeg Van Opstal toestemming voor de bouw van een kantoorgebouw ten noorden van het fabrieksgebouw. Het terrein werd ontgraven tot een diepte van 2,70m onder het maaiveld.131 In figuur 5 op volgende pagina is de doorsnede en de ligging van het pand weergegeven.

129 Omschrijving van het werk behorende bij schriftelijk verzoek 3 juni 1947, West-Brabants Archief, Bouwdossiers

Moerdijk, inv. nr. 21378. 130 Omschrijving van het werk behorende bij schriftelijk verzoek 26 januari 1955, West-Brabants Archief, Bouwdossiers Moerdijk, inv. nr. 21378. 131 Omschrijving van het werk behorende bij schriftelijk verzoek 3 augustus 1956, West-Brabants Archief, Bouwdossiers Moerdijk, inv. nr. 21378.

332-020-VO-01

Pagina 56 van 93

Figuur 5: Uitbreiding kantoorgebouw Machinefabriek Brabant, 1956. Bron: West-Brabants Archief, Bouwdossiers Moerdijk inv. nr. 21378.

Eengezinswoning (Generaal Allenweg 2) Ten westen van bovenstaand kantoorgebouw van Machinefabriek Brabant liet Van Opstal in 1957 een eengezinswoning bouwen. Volgens de omschrijving van het werk behorende bij de vergunning zou het terrein tot een diepte van 0,50m onder maaiveld zijn ontgraven.132 In het bestek daarentegen wordt omschreven ‘de gehele bouwput te ontgraven tot 30cm min onderkant vloeren, funderingsstroken, keldervloerplaat enz.’ en ‘te ontgraven de bouwput ten behoeve van kelder, tot 30cm onder onderkant vloerplaat’.133 In onderstaande figuur 6 is de doorsnede en de ligging van het pand weergegeven. Het pand is in november 2020 gesloopt.134

Figuur 6: Bouw eengezinswoning Lamgatsedijk 2, 1957. Bron: West-Brabants Archief, Bouwdossiers Moerdijk inv. nr. 21390.

132 Omschrijving van het werk behorende bij schriftelijk verzoek 15 mei 1957, West-Brabants Archief, Bouwdossiers

Moerdijk, inv. nr. 21390. 133 Bestek no. 349, 24 april 1957, West-Brabants Archief, Bouwdossiers Moerdijk, inv. nr. 21390. 134 Mailcontact ZeemanVastgoed BV aan ECG, 11 december 2020.

332-020-VO-01

Pagina 57 van 94

Fabriek voor betonwaren (Huizersdijk 7) In juni 1951 kregen de Gebroeders Kwaaitaal een vergunning voor het oprichten van een fabriek voor betonwaren. Deze kwam ten westen van de Roode Vaart, in het zuidwesten van het onderzoeksgebied te staan. De in het terrein aanwezige obstakels dienden tot 0,50m beneden het maaiveld of zoveel dieper dan nodig is te worden verwijderd voor de aanleg van funderingen. De voor de bouw benodigde funderingssleuven, sleuven voor riolering en waterleiding en een put voor de septictank dienden tot op de verste diepte te worden ontgraven en het gehele oppervlak van de fabriekshal en modelmakerij moesten tot 18cm onder de bovenkant van de vloer worden afgegraven (het peil lag 30cm + de kruin van de weg, te weten de Huizersdijk).134

Figuur 7: Bouw fabriek voor betonwaren, 1951. Bron: West-Brabants Archief, Bouwdossiers Moerdijk inv. nr. 23830.

In 1954 werd de fabriek voor het eerst uitgebreid. Het terrein zou hierbij worden ontgraven tot op een diepte van 0,70m onder het maaiveld.135 De locatie is in onderstaande figuur 8 weergegeven.

Figuur 8: Uitbreiding fabriek voor betonwaren, 1954. Bron: West-Brabants Archief, Bouwdossiers Moerdijk inv. nr. 23830.

134 Technische omschrijving voor de bouw vaneen fabriekshal met bijkomende werken op een terrein gelegen aan de

Huizersdijk te Zevenbergen, West-Brabants Archief, Bouwdossiers Moerdijk, inv. nr. 23830. 135 Omschrijving van het werk behorende bij schriftelijk verzoek 6 april 1954, West-Brabants Archief, Bouwdossiers Moerdijk, inv. nr. 23830.

332-020-VO-01

Pagina 58 van 93

In 1956 werd ten noorden van de bestaande fabriek een vlechterswerkplaats gerealiseerd. Gegevens over de ontgraven diepte zijn op basis van het bouwdossier niet herleidbaar. In onderstaande figuur 9 is de locatie en een doorsnede van de vlechterswerkplaats weergegeven.

Figuur 9: Bouw vlechterswerkplaats, 1956. Bron: West-Brabants Archief, Bouwdossiers Moerdijk inv. nr. 23830.

In datzelfde jaar werd eveneens toestemming verkregen voor de bouw van een fabricageruimte aan de bestaande fabriek. Het terrein zou tot een diepte van 0,80m onder het maaiveld van dat moment worden ontgraven.136 Enkele maanden later werd toestemming verkregen om deze uitbreiding op zijn beurt weer uit te breiden, waarbij het terrein eveneens tot een diepte van 0,80 onder het maaiveld zou worden ontgraven.137 De locaties zijn in onderstaande figuur 10 weergegeven.

Figuur 10: Bouw fabricageruimte, 1956. Bron: West-Brabants Archief, Bouwdossiers Moerdijk inv. nr. 23830.

De locaties van de in deze paragraaf achterhaalde contra-indicaties zijn in tekening 332-020-TE-12 op de volgende pagina weergegeven, met uitzondering van de vlechterswerkplaats, daar de locatie van de werkplaats niet met behulp van de luchtopnamen kon worden vastgesteld.

136

Omschrijving van het werk behorende bij schriftelijk verzoek 19 december 1955, West-Brabants Archief, Bouwdossiers Moerdijk, inv. nr. 23830. 137 Omschrijving van het werk behorende bij schriftelijk verzoek 2 mei 1956, West-Brabants Archief, Bouwdossiers Moerdijk, inv. nr. 23830.

332-020-VO-01

Pagina 59 van 93

3.4

ARCHIEFONDERZOEK MET BETREKKING TOT ROODE VAART

Naast de bouwdossiers is ook getracht naar informatie te zoeken over eventueel werkzaamheden in de Roode Vaart.138 In het Brabants Historisch Informatie Centrum is een oriënterend onderzoek (fase 1: historisch onderzoek) naar de kwaliteit van de waterbodem van de locatie ‘Roode Vaart-Zuid’ uit 1995 geraadpleegd.139 Hieruit blijkt dat de Roode Vaart in 1984 is gebaggerd.140 Het gebaggerde traject is in onderstaande figuur 11 weergegeven.

Figuur 11: Overzicht gebaggerde traject B1-B2. Bron: Brabants Historisch informatiecentrum, 1869 Provinciaal Bestuur, 1987-1999, inv. nr. 7426.

In het rapport staan de volgende gegevens betreffende het gebaggerde traject weergegeven: ‘Traject: B1-B2. Tijdstip: 1984. Hoeveelheid: 20.000m³.’ In de onderzochte watergang Roode Vaart-Zuid zou wederom een noodzaak tot baggeren ten behoeve van de recreatievaart bestaan.141 Aangezien de aanwezige bagger onderhoudsbagger betrof, had het volgens BKH Adviesbureau geen zin om door te gaan met de tweede fase van het oriënterend onderzoek.142 Nadere gegevens omtrent de baggerwerkzaamheden in het onderzoeksgebied zijn niet achterhaald.

138 Vanwege de COVID-19-crisis konden contra-indicatieve stukken uit het West-Brabants Archief niet worden bestudeerd. 139 BKH Adviesbureau, ‘Oriënterend onderzoek kwaliteit waterbodem Roode Vaart-Zuid, Fase 1: Historisch onderzoek’,

rapportnummer: NB/710/010 (Delft 18 januari 1995). 140 BKH Adviesbureau, ‘Oriënterend onderzoek’, 7. 141 Ibidem. 142 Ibidem, 15.

332-020-VO-01

Pagina 61 van 93

3.5

KLIC-MELDING

Ten behoeve van het in kaart brengen van contra-indicaties heeft ECG in oktober 2020 een KLICmelding gedaan bij het Kadaster te Zwolle.143 Resultaat van deze melding is de wetenschap dat er zich in het onderzoeksgebied diverse kabels en leidingen bevinden (zie navolgende tekening 332-020-TE13). Echter ontbreekt het aan complete gegevens waaruit valt op te maken op welke diepte al deze kabels en leidingen zich bevinden. Derhalve kan enkel worden gesteld dat de kabels en leidingen een contra-indicatie vormen tot in de naoorlogs geroerde grond, te weten de bereikte diepte waarop de kabels en leidingen zich bevinden.

143 Vermeld dient te worden dat de gegevens omtrent ondergrondse infrastructuur zoals deze door de uitgevoerde

oriëntatie zijn verkregen, een geldigheidsduur hebben van maximaal 20 werkdagen na aanvraag.

332-020-VO-01

Pagina 62 van 93

3.6

SAMENVATTING NAOORLOGSE WERKZAAMHEDEN

Ter plaatse van het onderzoeksgebied zijn een aantal contra-indicatieve werkzaamheden/activiteiten achterhaald. Deze betreffen: -

Naoorlogse bouw en afbraak van panden; Naoorlogse vernieuwing van wegen; Naoorlogse aanleg van kabels en leidingen; Naoorlogse baggerwerkzaamheden.

In het navolgende contra-indicatie schema (figuur 12) zijn diverse achterhaalde contra-indicatieve aspecten weergegeven: MOGELIJKE OORZAKEN VOOR CONTRA-INDICATIES VOOR DE AANWEZIGHEID VAN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN

GRONDROERENDE WERKZAAMHEDEN

Ontgravingen

Gronddepositie

BAGGERWERKZAAMHEDEN

OPSPORINGSWERKZAAMHEDEN

EOD en voorgangers

Civiele opsporingsbedrijven

Figuur 12: Schema met voorbeelden van oorzaken/scenario’s voor contra-indicaties betreffende de aan/afwezigheid van CE.

332-020-VO-01

Pagina 64 van 93

4 AFBAKENING VERDACHT GEBIED Op basis van bronstudie is feitelijk vast komen te staan dat er indicaties voor de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven binnen en tot de directe omgeving van het onderzoeksgebied zijn te herleiden. Tevens zijn er binnen en in de omgeving van het onderzoeksgebied contra-indicaties achterhaald waardoor het mogelijke risico op het aantreffen van conventionele explosieven wordt verminderd.

4.1

HORIZONTALE AFBAKENING

Het verdachte gebied zal in deze paragraaf, indien mogelijk, horizontaal worden afgebakend aan de hand van bijlage 3 van het WSCS-OCE (zie bijlage 1). Van de richtlijnen uit de afbakeningstabel mag gemotiveerd worden afgeweken. De achterhaalde indicaties zijn (waar plausibel) gehanteerd bij de horizontale afbakening van verdacht gebied. Vanuit veiligheids- en risicoperspectief worden de indicaties (waar mogelijk) voorzien van zogenaamde risicobuffers waarin zich theoretisch achtergebleven munitieartikelen en/of blindgangers zouden kunnen bevinden. De bijlage uit het WSCS-OCE en de daarin geschetste indicaties zijn niet te beschouwen als volledig dekkend voor ieder achterhaalbaar scenario. Dit heeft tot gevolg dat achterhaalde oorlogshandelingen in sommige gevallen geïndiceerd worden naar de meest in de lijn van de gebeurtenis liggende omschrijving of een gemotiveerde afgeleide hiervan. - Artilleriebeschietingen (30 oktober 1944 t/m 5 november 1944) Uit literatuur, archief- en luchtfoto-onderzoek is gebleken dat de (directe) omgeving van het onderzoeksgebied meerdere malen door artillerie is beschoten. In het WSCS-OCE is met betrekking tot deze indicatie de volgende omschrijving opgenomen: Gebied dat is beschoten door mobiel of vast geschut, mortieren of grondgebonden (meervoudig) raketwerpersysteem. Uitgangspunt conclusie: verdacht.

Uitgangspunten voor afbakening verdacht gebied: situationeel te bepalen. Middels bronnenonderzoek zijn diverse (potentiële) aanvalsdoelen voor artilleriebeschietingen in de omgeving van het onderzoeksgebied achterhaald. Er zijn geen doelen direct tot het onderzoeksgebied herleidbaar, doch coördinaat QD830427 verwijst naar de directe omgeving van het onderzoeksgebied (oostkant) en ook de aanvalsdoelen behorend bij de Mark River Crossing (tekening 332-020-TE-06) zijn tot de directe omgeving van het onderzoeksgebied herleidbaar. Op de luchtopnamen van 4 november 1944 zijn in de omgeving van het onderzoeksgebied kraters van geschutsmunitie waargenomen. In het onderzoeksgebied is één vernield dak zichtbaar bij Machinefabriek Brabant, dat volgens de literatuur het gevolg was van een artilleriebeschieting. Naar aanleiding van de waargenomen kraters en het bronnenmateriaal kan niet worden gesteld dat het onderzoeksgebied structureel en grootschalig met artillerie onder vuur is genomen. Dit lijkt wel te gelden voor de gasfabriek direct ten noorden van het 332-020-VO-01

Pagina 65 van 93

onderzoeksgebied. Deze zou volgens meerdere bronnen schade hebben en volgens een herinnering van een inwoner zaten er honderden gaten in de gasketel. Op de bommenkaart Zevenbergen (tekening 332-TE-04) zijn in de omgeving van de gasketel panden als verwoest aangemerkt zonder dat een bom is ingetekend, wat kan duiden op schade door artillerie. Deze panden zijn op de luchtopnamen van 27 augustus 1945 inderdaad verwoest. Op diezelfde luchtopnamen is een gasketel afgebroken. Om deze redenen wordt de gasketel van de gasfabriek als uitgangspunt voor de afbakening van verdacht gebied gehanteerd. Hieromheen hanteert ECG een risicobuffer van 50 meter waarbinnen de hoogste kans op blindgangers aanwezig is, plus 10 meter voor afwijking in georeferentie.

4.2

MOGELIJK AAN TE TREFFEN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN

Op basis van de resultaten uit de bronnenstudie kan worden aangenomen dat de volgende typen en kalibers Conventionele Explosieven of restanten hiervan mogelijk aangetroffen kunnen worden in de als verdacht aangemerkte gebieden. Omdat er geen compleet sluitende gegevens met betrekking tot de ingezette munitieartikelen zijn aangetroffen, zijn de verwachte Conventionele Explosieven deels gebaseerd op de ruimingen van de EOD, de ingezette wapensystemen en eerdere ervaringen met vergelijkbare indicaties. AFKOMST: Geallieerd

CATEGORIE: Geschutsmunitie

TYPE: Brisant

KALIBER E.D.: o.a. 75mm; 105mm; 155mm; 3.7”; 5.5”; 25ponder

VERSCHIJNINGSVORM: Verschoten

HOEVEELHEID: Niet feitelijk vast te stellen

Tabel 6: Mogelijk aan te treffen CE binnen de als verdacht aangegeven gebieden.

4.3

VERTICALE AFBAKENING

Om de te verwachten diepte van de vermoede CE vast te kunnen stellen, dient bezien te worden van welke verschijningsvorm er wordt uitgegaan, in dit geval: ▪

verschoten;

Bij het bepalen van de verticale afbakening dient verder rekening gehouden te worden met de bodemweerstand, de verwachte snelheid en hoek waarmee het explosief in de bodem indringt, gewicht, vorm en diameter van de CE). Verschijningsvorm: verschoten Aangezien de gegevens voor het merendeel van de benodigde parameters (bijvoorbeeld verwachte snelheid, inslaghoek ed.) ontbreken en/of niet achterhaalbaar zijn, is het niet mogelijk om een op feiten gebaseerde rekenmethode voor de penetratiediepte van verschoten CE toe te passen. Op basis van eerdere ervaringen met soortgelijke munitieartikelen, hanteert ECG voor verschoten munitie een maximale indringing van circa 2 meter onder het maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.

332-020-VO-01

Pagina 66 van 93

De volgende verticale afbakening is voorlopig opgesteld: VERSCHIJNINGSVORM: Verschoten

MINIMALE DIEPTE (MAAIVELDHOOGTE WOII): 0,10m –MV.

MAXIMALE DIEPTE (MAAIVELDHOOGTE WO II)): 2m –MV. Watergang: vaste bodem watergang WO II

Tabel 7: Overzicht globale inschatting diepteligging (exclusief eventuele gevolgen van redepositie etc.).

4.4

EVALUATIE AFWEGING INDICATIES EN CONTRA-INDICATIES

Uitgaande van het verdachte gebied vindt er een afweging plaats of op basis van contra-indicaties nog verdacht gebied als onverdacht kan worden aangemerkt. Naoorlogs hebben namelijk grondroerende werkzaamheden in bepaalde bodemlagen plaatsgevonden binnen het gebied waarvan betrokkenheid bij oorlogshandelingen is aangetoond. Het uitgangspunt is dat bij de reeds uitgevoerde grondroerende werkzaamheden eventuele aangetroffen Conventionele Explosieven gemeld en geruimd zouden zijn. Binnen het verdachte gebied is naoorlogs het kantoorgebouw behorende bij Machinefabriek Brabant uitgebreid. In paragraaf 3.3 is achterhaald dat het terrein tot een diepte van 2,70m onder het maaiveld werd ontgraven. Dit betekent dat het betreffende gebied als onverdacht kan worden aangemerkt. Eveneens binnen het verdachte gebied werd in 1957 een eengezinswoning gebouwd. Dit gebouw is in november 2020 gesloopt. Volgens de omschrijving van het werk behorende bij de vergunning zou het terrein tot een diepte van 0,50m onder het maaiveld worden ontgraven. Dit betekent dat binnen de contouren van het huis de grond tot een diepte van 0,50m als onverdacht kan worden aangemerkt. Het vooroorlogse kantoorgebouw en een deel van een vooroorlogs gebouw ten westen van de Roode Vaart lagen gedurende de artilleriebeschietingen in het gebied dat als verdacht is aangemerkt.

ECG acht het niet aannemelijk dat een eventuele blindganger onopgemerkt onder een bestaand pand terecht komt. De contouren van de vooroorlogse gebouwen worden derhalve uit het verdachte gebied geknipt en als onverdacht aangemerkt. Binnen het verdachte gebied bevinden zich diverse kabels en leidingen. Het ontbreekt aan complete gegevens waaruit valt op te maken op welke diepte al deze kabels en leidingen zich bevinden. Derhalve kan enkel worden gesteld dat de kabels en leidingen een contra-indicatie vormen tot in de naoorlogs geroerde grond, te weten de bereikte diepte waarop de kabels en leidingen zich bevinden. Tot slot zouden in het verdachte gebied in 1984 baggerwerkzaamheden plaats hebben gehad. Wegens het ontbreken van achterliggende gegevens leidt dit niet tot onverdacht gebied.

332-020-VO-01

Pagina 67 van 93

5 LEEMTEN IN KENNIS ▪

Van eventuele meldingen of ruimingen van (vermoede) explosieven in of direct grenzend aan het onderzoeksgebied zijn over de periode 1940-1944 en 1948-1970 geen gegevens meer bekend bij de EOD en het SSA.

▪

Er heeft beperkte controle plaatsgevonden of de ontleende adresgegevens corresponderen met mogelijk in de loop van de jaren veranderde huisnummering, straatnamen of perceelindelingen.

▪

Bepaalde indicaties die zijn aangetroffen in literatuur en archiefstukken en meldingsrapportages van de EOD zijn niet te herleiden naar een specifieke locatie.

▪

Er zijn geen luchtopnamen beschikbaar van de periode direct na de bombardementen van 11 mei 1940 en 12 mei 1940. Er is gebruikt gemaakt van een luchtopname van 7 september 1940. Deze is echter van grote hoogte en (daarmee) slechte kwaliteit, waardoor bominslagen niet kunnen worden waargenomen.

▪

Er zijn geen luchtopnamen beschikbaar van direct na bombardementen van 4 november 1944. Op deze dag werd Zevenbergen meerdere malen aangevallen. Er vielen nog bommen nadat de luchtopnamen van 4 november 1944 waren gemaakt. De eerstvolgende opname is van 29 november, doch deze is van zeer grote hoogte en (daarmee) slechte kwaliteit. De eerstvolgende luchtopnamen van matige kwaliteit dateren van 27 augustus 1945.

▪

In een literatuurstuk is een herinnering opgeschreven omtrent een bom die in november 1944 naast de gashouder van de gasfabriek zou zijn neergekomen. Deze indicatie is niet middels een tweede bron geverifieerd.

▪

Er zijn geen luchtopnamen beschikbaar van direct na de bevrijding op 5 november 1944 en de daarmee gepaard gaande artilleriebeschietingen. De eerstvolgende opname is van 29 november 1944, doch deze is van zeer grote hoogte en (daarmee) slechte kwaliteit. De eerste luchtopnamen van matige kwaliteit dateren van 27 augustus 1945.

▪

Op luchtopnamen zijn inslagen van geschutsmunitie beperkt waarneembaar binnen drassige en bebouwde gebieden en wateroppervlakten.

▪

ECG beschikt niet over de complete informatie aangaande de maatvoering van de waargenomen naoorlogse grondroerende activiteiten/werkzaamheden.

332-020-VO-01

Pagina 68 van 93

6 CONCLUSIE EN ADVIES Het doel van deze studie is het verkrijgen van een, door middel van het verzamelen en verwerken van relevant historisch feitenmateriaal, gefundeerd antwoord op de volgende drie kernvragen: 1. Is het onderzoeksgebied of delen hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen (indicaties) en is er daardoor sprake van een verhoogde kans op het aantreffen van Conventionele Explosieven oftewel van verdacht gebied? Op basis van het indicatie-onderzoek zijn er feitelijk herleidbare gegevens achterhaald waaruit blijkt dat fabrieksschoorstenen in het onderzoeksgebied zijn opgeblazen. Voor de betreffende indicatie wordt geen verdacht gebied afgebakend. Er zijn feitelijk herleidbare gegevens achterhaald omtrent artilleriebeschietingen in en direct nabij het onderzoeksgebied. Een deel van het onderzoeksgebied wordt derhalve als verdacht in de niet-naoorlogs geroerde bodem aangemerkt op geschutsmunitie van Geallieerde komaf. 2. Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk verdacht) gebied als onverdacht kan worden aangemerkt? Op basis van het contra-indicatieonderzoek is vastgesteld dat er in de naoorlogse periode de navolgende werkzaamheden binnen en nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden, waarbij grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden: -

Naoorlogse bouw en afbraak van panden; Naoorlogse vernieuwing van wegen; Naoorlogse aanleg van kabels en leidingen; Naoorlogse baggerwerkzaamheden.

Vanwege bovenstaande grondroerende werkzaamheden kan een deel van het verdachte gebied als onverdacht worden aangemerkt. 3. Indien er sprake is van VERDACHT gebied wat is dan de (sub)soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede Conventionele Explosieven? Een deel van het onderzoeksgebied is verdacht op het aantreffen van Geallieerde geschutsmunitie (brisant, verschoten), onder andere 75m, 105mm, 155mm, 3.7”, 5.5” en 25 ponder. De hoeveelheid aan te treffen explosieven is niet feitelijk vast te stellen. Naar aanleiding van de antwoorden op de drie deelvragen kan geconcludeerd worden dat een deel van het onderzoeksgebied verdacht is op het aantreffen conventionele explosieven in de nietnaoorlogs geroerde bodem. Het verdachte gebied is in de CE-Bodembelastingkaart weergegeven (zie tekening 332-020-TE-14 in bijlage 6).

332-020-VO-01

Pagina 69 van 93

Wanneer er zich binnen de als verdacht aangemerkte gebieden grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden in de niet-naoorlogs geroerde grond, adviseert ECG u het proces van explosievenopsporing voort te zetten. Aan de hand van de mogelijk- en onmogelijkheden van het te bewerken gebied zal in overleg met een gecertificeerd opsporingsbedrijf bepaald moeten worden welke opsporingsmethode dient te worden gehanteerd en welke (mogelijk verdere) maatregelen genomen dienen te worden met betrekking tot een veilige omgang met explosieven. De detectie- en eventuele daaropvolgende benaderwerkzaamheden dienen door een WSCS-OCE gecertificeerd bedrijf uitgevoerd te worden. Voor wat betreft werkzaamheden die in de naoorlogs geroerde bodem of op onverdachte locaties plaats gaan vinden, adviseert ECG u om de geplande werkzaamheden op reguliere wijze uit te voeren. Daarbij adviseert ECG u om het uitvoerend personeel voorafgaand aan werkzaamheden in de te bewerken gebieden altijd te instrueren (aan de hand van bijlage 3 Protocol Toevalsvondst) geen verdere acties te ondernemen in het geval van het onverhoopt aantreffen van munitieverdachte objecten en terstond contact op te nemen met de (plaatselijke) politie: telefoon: 0900-8844.

Mochten er onverhoopt munitie(gelijkende) objecten worden aangetroffen, dan wordt u geadviseerd om tevens contact op te nemen met een WSCS-OCE gecertificeerd opsporingsbureau en gezamenlijk vast te stellen of opschaling noodzakelijk is.

332-020-VO-01

Pagina 70 van 93

7 OVERZICHT VAN GEHANTEERDE BRONNEN Archiefinstellingen: ▪ Brabants Historisch Informatie Centrum te ‘s-Hertogenbosch ▪ Bundesarchiv-Militärarchiv te Freiburg im Breisgau ▪ Explosieven Opruimingsdienst van het ministerie van Defensie te Rijswijk en Soesterberg ▪ Library and Archives Canada te Ottawa ▪ Luchtfotoarchief Topografische Dienst/Kadaster te Zwolle ▪ Nationaal Archief te Den Haag ▪ National Archives te London ▪ National Archives and Records Administration te College Park, Maryland ▪ National Collection of Aerial Photography/The Aerial Reconnaissance Archives/Royal Commission on the Ancient and Historical Monuments of Scotland te Edinburgh ▪ Nederlands Instituut voor Militaire Historie te Den Haag ▪ NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust – en Genocidestudies te Amsterdam ▪ Semistatische archiefdiensten Ministerie Defensie te Rijswijk ▪ Speciale Collecties Wageningen University te Wageningen ▪ West-Brabants Archief te Bergen op Zoom Literatuur: ▪ Amersfoort, H. en P. Kamphuis, eds., Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied (2e druk; Den Haag 2005). ▪ Assem-Mulders, C. van den, ‘Den oorlog 1940-1945’, Oud Nieuws 39 2 (2019) 18-21. ▪ Bollen, H. en P. Vroemen, Canadezen in actie: Nederland najaar ’44 – voorjaar ’46 (Warnsveld 1994). ▪ Buck, P. de, e.a., Zoeken en schrijven. Handleiding bij het maken van een historisch werkstuk (Rijswijk 1992). ▪ Didden, J. van en M.

Swarts, Brabant bevrijd (Hulst 1993). ▪ Doorn, J. van en J.S. Bos (red.), Operatie ‘Rebound’: bevrijding van de Westhoek, oktober/ november 1944 (Willemstad 1994). ▪ Gielen, A., ‘Bid, dat je nooit een oorlog mee hoeft te maken!’, Oud Nieuws 39 2 (2019) 38-51 ▪ Groot, J. de, Zevenbergen 50 jaar bevrijd: Erfgoed van de levenden (Zevenbergen 1994). ▪ Hoedelmans, P., A. Wagenaar en I. de Wolff, De Bevrijding van West-Brabant, september 1944 mei 1945: een streek en haar bewoners te midden van verwoesting en oorlogsgeweld (Roosendaal 1994). ▪ Korthals Altes, A., Luchtgevaar. Luchtaanvallen op Nederland 1940-1945 (Amsterdam 1984). ▪ Molenaar, F.J., De luchtverdediging in de meidagen 1940 2 delen ('s-Gravenhage 1970). ▪ Nierstrasz, V.E., De verdediging van Noord-Limburg en Noord-Brabant, Mei 1940 (Den Haag 1953). ▪ Pater, B.C. de, B. Schoenmaker e.a., Grote Atlas van Nederland 1930-1950. Comprehensive Atlas of the Netherlands (Den Haag 2005). ▪ Roek, E., ‘De schade van 1940 en 1944 in een oud kaartje’, Oud Nieuws 39 2 (2019) 3-6. 332-020-VO-01

Pagina 71 van 93

▪ Sectie Krijgsgeschiedenis van den Generalen Staf, Beknopt overzicht van de krijgsverrichtingen ▪ ▪ ▪ ▪

der Koninklijke Landmacht 10-19 mei 1940 (Leiden 1947). Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945, Verliesregister 1939-1945. Alle militaire vliegtuigverliezen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog (Den Haag 2008). Woensel, J. van, Vrij van explosieven. De geschiedenis van het EOCKL en zijn voorgangers, 1944-2004 (Meppel 2004). Zwanenburg, G.J., En nooit was het stil…: kroniek van een luchtoorlog, deel 1 (Den Haag 1990). Zwanenburg, G.J., En nooit was het stil…: kroniek van een luchtoorlog, deel 2 (Den Haag 1993).

Niet gedrukte literatuur: ▪ Eversteijn, T., Bombardementen en verongelukte vliegtuigen in de periode 10 mei 1940 – 5 mei 1945 (niet gepubliceerd). Overige rapportages/documentatie: ▪ Beoordelingsrichtlijn voor het Procescertificaat “Opsporen Conventionele Explosieven (OCE)” versie 2007-02 (8 februari 2007). ▪ BKH Adviesbureau, ‘Oriënterend onderzoek kwaliteit waterbodem Roode Vaart-Zuid, Fase 1: Historisch onderzoek’, rapportnummer: NB/710/010 (Delft 18 januari 1995). ▪ Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Jaarplan 2015 (Den Haag 2014). ▪ Vereniging voor Explosieven Opsporing, Handreiking vooronderzoeken BRL-OCE versus WSCSOCE. Notitie 3VEO-VOO.05667.V (Geldermalsen 16 april 2013). ▪ Werkveldspecifieke certificatieschema voor het systeemcertificaat opsporing conventionele explosieven zoals opgenomen in bijlage XII van de Arbeidsomstandighedenregeling (WSCSOCE). Internet: ▪ http://bhic.nl ▪ http://dotkadata.nl ▪ http://explosievenopsporing.nl ▪ http://historischdagboek.nl ▪ http://inspectieszw.nl ▪ http://maps.bing.com ▪ http://maps.google.nl ▪ http://topotijdreis.nl ▪ http://westbrabantsarchief.nl/

332-020-VO-01

Pagina 72 van 93

8 BIJLAGEN BIJLAGE 1: VASTSTELLEN VERDACHT GEBIED EN AFBAKENING IN VOORONDERZOEK Deze bijlage maakt onderdeel uit van paragraaf 6.5 van het WSCS-OCE en wordt gebruikt om te beoordelen of bepaalde oorlogshandelingen een indicatie vormen voor de aanwezigheid van CE (verdacht of onverdacht) en voor de horizontale afbakening van het verdachte gebied. Hiervan mag alleen gemotiveerd worden afgeweken.

332-020-VO-01

Pagina 73 van 93

wetten.nl - Regeling - Arbeidsomstandighedenregeling - BWBR0008587

Indicatie

Artillerie-, mortier- of raketbeschieting

Raketbeschieting inslagenpatroon bekend

Inslagpunt blindganger, zijnde een vliegtuigbom

Algemene omschrijving

Locatie van aangebrachte vernielingslading. Gebied dat is beschoten door mobiel of vast geschut, mortieren of grondgebonden (meervoudig) raketwerpersysteem. Gebied dat is getroffen door een raketbeschieting met jachtbommenwerpers.

Uitgangspunt Uitgangspunten voor afbakening verdacht gebied conclusie Verdacht Onverdacht

x

Situationeel te bepalen.

x

Op basis van een analyse van het inslagenpatroon wordt de maximale afstand tussen twee opeenvolgende inslagen binnen een inslagpatroon bepaald. Het verdachte gebied wordt afgebakend door deze afstand te projecteren op de buitenste inslagen van het inslagenpatroon. Dat is exclusief de eventuele horizontale verplaatsing van de buitenste blindganger binnen het inslagenpatroon. Te bepalen volgens rekenmethode waarin ten minste rekening wordt gehouden met de volgende parameters: de afwerphoogte, de afwerpsnelheid, het gewicht van de bom, de diameter van de bom en de weerstand van de bodem. Op basis van in ieder geval deze vijf parameters wordt berekend tot welke diepte CE theoretisch kunnen indringen en hoever de maximale horizontale verplaatsing is. Situationeel te bepalen.

Vliegtuigbom die niet in werking is getreden.

Crashlocatie vliegtuig

Aanwezigheid van CE vanwege de x crash. Krater van gedetoneerde Gebied waarin zich de krater van de incidentele detonatie van een incidentele luchtafweergranaat luchtafweergranaat bevindt. Inslagpunt van een V-1 Gebied dat is getroffen door de inslag x wapen van een V-1 wapen. Krater van een Gebied waarin zich de krater van de x (gedeeltelijk) detonatie van een V-1 wapen bevindt. gedetoneerd V-1 wapen Krater van een Gebied waarin zich de krater van de x (gedeeltelijk) detonatie van een V-2 wapen bevindt. gedetoneerd V-2 wapen Dumplocatie van munitie Dumplocatie van CE en/of x en/of toebehoren toebehoren in landbodem of op waterbodem. Ongecontroleerde (Sympathische) detonatie van een x (massa)explosie explosieven voorraad zoals ontploffing munitieopslag of munitie trein. Vernietigingslocatie voor Eén of meerdere springputten. x CE

Vernielingslading (in werking gesteld)

Tapijtbombardement

Duikbombardement op zgn. ‘Pin Point Target’, inslagenpatroon onbekend

Locatie van in werking gestelde x vernielingslading, waarbij de mogelijkheid bestaat op het aantreffen van niet (geheel) gedetoneerde springlading(en). Gebied dat is getroffen door een x bombardement met middelzware en/of zware bommenwerpers, met als doel om schade aan te richten over een groot gebied.

Gebied dat is getroffen door een bombardement met jachtbommenwerpers, met als doel om een vooraf bepaald specifiek object te treffen. Duikbombardement op Lineair gebied, nabij een spoorlijn, zgn. ‘Line Target’, dat is getroffen door een inslagenpatroon bombardement met onbekend jachtbommenwerpers, met als doel om de spoorlijn te treffen. Raketbeschieting op zgn. Gebied dat is getroffen door een ‘Pin Point Target’, raketbeschieting met inslagenpatroon jachtbommenwerpers, met als doel onbekend om een vooraf bepaald specifiek object te treffen. Raketbeschieting op zgn. Lineair gebied, nabij een spoorlijn, ‘Line Target’, dat is getroffen door een inslagenpatroon raketbeschieting met onbekend jachtbommenwerpers, met als doel

pagina 27 van 32

x

x

Tenzij er indicaties zijn dat het geen incidentele luchtafweergranaat betreft. 15 meter rondom een inslagpunt vanwege de mogelijke horizontale verplaatsing onder de grond. 50 meter rondom een inslagpunt vanwege de mogelijke aanwezigheid van explosieve componenten. Situationeel te bepalen.

Locatie van de dump en afbakening verder situationeel te bepalen, bijvoorbeeld dumping in stilstaand of stromend water. Situationeel te bepalen

De contour(en) van de springput(ten) en afbakening verder situationeel te bepalen, bijvoorbeeld gelet op de afstand van eventuele uitgeworpen CE buiten deze contour(en). Locatie waar de vernielingslading in werking is gesteld en afbakening verder situationeel te bepalen.

Op basis van een analyse van het inslagenpatroon 1 wordt de maximale afstand tussen twee opeenvolgende inslagen binnen een inslagpatroon bepaald. Het verdachte gebied wordt afgebakend door deze afstand te projecteren op de buitenste inslagen van het inslagenpatroon. Dat is exclusief de eventuele horizontale verplaatsing van de buitenste blindganger binnen het inslagenpatroon. Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 181 meter gemeten vanuit het hart van het doel 2/3.

x

Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 91 meter gemeten vanuit het hart van de spoorlijn 2/4.

x

Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 108 meter gemeten vanuit het hart van het doel 2/5.

x

Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 80 meter gemeten vanuit het hart van de spoorlijn 2/6.

http://wetten.overheid.nl/BWBR0008587/2016-07-05/0/BijlageXII/afdrukken+informatie

28-07-16

BIJLAGE 2: SYSTEEM CERTIFICATEN OPSPOREN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN

332-020-VO-01

Pagina 77 van 93

BIJLAGE 3: PROTOCOL TOEVALSVONDST

332-020-VO-01

Pagina 78 van 93

LEGENDA

Start-werk vergadering

Actie aannemer Actie opdrachtgever Actie Politie Actie EOD Vervolgstap Communicatielijn

Personeel informeren hoe te handelen bij vondst van een (vermoedelijk) explosief

Werkzaamheden

Eventueel toolbox door een Senior OCEdeskundige

Aantreffen verdacht object bij werkzaamheden

Werkzaamheden staken

Opdrachtgever in kennis stellen van vondst

(In overleg met politie) Afzetten van het terrein

Het object niet beroeren!

Personen uit de omgeving van het object verwijderen

Maatregelen treffen tegen roeren of verplaatsen object

Bij het melden van vondst: - Naam, functie en telefoonnummer van de melder - De ligplaats van het object - Een omschrijving van het object (kleur, vorm, lengte, breedte, diameter, etc.) - Hoeveel objecten er zijn aangetroffen - Naam en telefoonnummer van de contactpersoon die bekend is met de ligplaats van het object - (Indien mogelijk:) Een foto van het object

Politie in kennis stellen van vondst (0900-8844)

Na het aantreffen van een vermoedelijk explosief

EOD in kennis stellen van vondst

Maak geen melding van de vondst op social media!

Bevoegd Gezag in kennis stellen van vondst

Identificatie van het object

EOD arriveert bij vindplaats

Object is geen explosief

Object is een explosief

Ruiming explosief door EOD

In overleg met EOD bepalen of het om een incidentele vondst gaat JA

Incidentele vondst

Na identificatie en eventuele ruiming

Werkzaamheden hervatten

NEE Verdacht gebied

Werkzaamheden hervatten na aanvullende maatregelen

Instructies van de medewerkers van de EOD en het Bevoegd Gezag dienen strikt opgevolgd te worden!

BIJLAGE 4: TOELICHTING VERPLICHTE EN AANVULLENDE BRONNEN WSCS-OCE Toelichting verplichte bronnen WSCS-OCE Literatuur Aan de start van het bronnenonderzoek wordt op basis van literatuuronderzoek een lijst opgesteld met oorlogshandelingen die relevant zijn voor de mogelijke aanwezigheid van CE in het onderzoeksgebied (indicaties). Deze lijst bevat tevens een verwijzing naar de data waarop de oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. Gemeentelijk en provinciaal archief Bij het raadplegen van het gemeentelijk en provinciaal archief dienen ten minste de stukken van de luchtbeschermingsdienst, de stukken over aangetroffen/geruimde CE en de oorlogsschaderapporten te worden geraadpleegd. Indien deze stukken niet aanwezig zijn, dient dit te worden vermeld in de rapportage. Explosieven Opruimings Dienst Defensie Bij het raadplegen van het archief van de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EOD) dient als eerste de database met meldingen van aangetroffen CE en de collectie mijnenveldkaarten te worden geraadpleegd. Indien in de database met meldingen van aangetroffen CE indicaties voor de aanwezigheid van CE worden aangetroffen, dient de collectie MORA’s/UO’s te worden geraadpleegd. Indien in de collectie mijnenveldkaarten indicaties voor de aanwezigheid van CE worden aangetroffen, dient de collectie mijnenveld ruimrapporten te worden geraadpleegd.

NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies De organisatie raadpleegt de Collectie Departement van Justitie (toegangsnummer 216k) en de Collectie Generalkommissariat für das Sicherheitswesen – Höhere SS- und Polizeiführer Nord-West (toegangsnummer 077) uit het archief van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Nationaal Archief te Den Haag De organisatie raadpleegt de collectie “Binnenlandse Zaken” (toegangsnummer 2.04.53.15) waarin de berichten van gemeenten aan de Rijksinspectie Luchtbescherming te Den Haag in de periode 1940-1943 zijn ontsloten. Semistatische archiefdiensten Ministerie Defensie te Rijswijk De organisatie raadpleegt de collectie van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (MMOD) waarin de ruimingen in de periode 1945-1947 zijn ontsloten. Luchtfotocollectie Wageningen Universiteit en Topografische Dienst De organisatie dient beschikbare luchtfoto’s betreffende de datum waarop de oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden te inventariseren. Daaruit worden de bruikbare luchtfoto’s geselecteerd. Bij de selectie van luchtfoto’s dient rekening te worden gehouden met: opnamedatum in relatie tot oorlogshandelingen, kwaliteit van het fotobeeld en de schaal. De organisatie interpreteert de 332-020-VO-01

Pagina 80 van 93

geselecteerde luchtfoto’s ten minste op schade aan het landschap als gevolg van oorlogshandelingen en de aanwezigheid van militaire werken. De interpretatie van luchtfoto’s dient te geschieden door een deskundige met ervaring in de interpretatie van luchtfoto’s uit het tijdvak 1940-1945. De organisatie dient de beschikbare luchtfoto’s te rapporteren en daarin tevens de selectie te motiveren. Indien er indicaties zijn voor de aanwezigheid van CE, dient de organisatie de luchtfoto’s en/of satellietbeelden te verzamelen met dekking van het onderzoeksgebied uit de naoorlogse periode. De organisatie vergelijkt de luchtfoto’s/satellietbeelden met luchtfoto’s uit het tijdvak 1940-1945, met als doel te inventariseren welke naoorlogse ontwikkelingen in het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden waarbij grond is geroerd of verzet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=bc6dfc94-bbf2-43fd-9db7-a3283185039e