4a. NL.IMRO.1709.ZBKopRV-BP40 Toelichting
Tekst van het document
De richtafstanden die hierbij behoren, kunnen echter met één stap worden verkleind indien er sprake is van een gemengd gebied. De richtafstanden gelden voor verschillende aspecten die tot milieuhinder kunnen leiden. Daarbij is de grootste afstand behorend bij één van de milieuaspecten; geur, stof, geluid en gevaar, bepalend voor de te hanteren richtafstand. Met het respecteren van de grootste afstand behorend bij een bepaalde bedrijfscategorie, wordt zo veel mogelijk hinder bij omwonenden voorkomen en wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun bedrijfsactiviteiten op de betreffende locatie kunnen uitoefenen. Het plangebied beoogd een woonwijk met woningen, waarbinnen geen menging met andere functies is voorzien en is als zodanig voor de beschouwing van de mogelijke milieuhinder te categoriseren als “rustige woonwijk”. De omgeving van het plan en het plan zelf is echter te splitsen in twee delen: • Het gebied ten oosten van de Roode Vaart (aan de Generaal Allenweg) • Het gebied ten westen van de Roode Vaart (aan weerzijden van de Huizersdijk) Het gebied ten oosten van de Roode Vaart aan de Generaal Allenweg heeft hoofdzakelijk een woonbestemming (woonwijk Bosselaar), waardoor de omgeving als ‘rustige woonwijk’ is en blijft te karakteriseren.
Voor de eerstelijns bebouwing van het plangebied ten westen van de Roode Vaart moet dit omgevingstype echter worden genuanceerd. De woningen die aan de Huizersdijk worden gerealiseerd, zijn gelegen in een gebied dat zich kenmerkt door een combinatie van bedrijfs(bedrijventerrein Huizersdijk) en woonbestemmingen (ten westen van de Kristallaan, op grotere afstand van de Roode Vaart. De situatie van de eerstelijns bebouwing aan de Huizersdijk kan daarom worden vergeleken met de situatie van de bestaande woningen ten zuiden van het bedrijventerrein (aan de Veldkers en de Tuinkers): de nieuwe woningen komen in een vergelijkbaar omgevingstype te staan als deze bestaande woningen. Er is wel degelijk sprake van enige verstoring van het woon- en leefmilieu, met name vanwege de bedrijfsactiviteiten die plaatsvinden ten westen van de Huizersdijk en de (vracht)verkeersbewegingen van en naar deze bedrijven. Voor deze woningen doet de typering ‘rustige woonwijk’ geen recht aan het woon- en leefmilieu van de bestaande omgeving. Een typering hiervan als ‘gemengd gebied’ ligt meer in de lijn van de milieutechnische situatie. Het feit dat door de Raad van State beroepen tegen een eerder bestemmingsplan "Kop Roode Vaart" (zoals vastgesteld d.d. 10 juli 2003) als gegrond heeft verklaard doet niet af aan bovenstaande.
In de uitspraak is sprake van woonbebouwing die is ‘gescheiden van de bedrijvigheid door de "Roode Vaart", waardoor de Afdeling van oordeel is dat verweerder het plangebied ten onrechte heeft aangemerkt als behorend tot 'gemengd gebied'. In de beschouwde situatie is echter geen sprake van een dergelijke scheiding van woonbebouwing en bedrijvigheid. Het toepassen van het omgevingstype gemengd gebied is in meerdere uitspraken van de Raad van State bevestigd, zoals moge blijken uit de uitspraken van 26 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1125) en 14 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3726). De bestaande en planologisch mogelijke functies ‘kantoor’ en ‘maatschappelijk’ aan de oostzijde van het plangebied zullen geen belemmering vormen voor de toekomstige woningen en vice versa. Deze 27
functies hebben een categorie 1 of 2 en zijn op een dergelijke afstand van de toekomstige woningen, dat deze functies niet van invloed zijn op de toekomstige woningen en vice versa. Het onderzoek bedrijven en milieuzonering heeft de situatie tussen de milieubelastende en milieugevoelige functies onderzocht, zie bijlage 3. Het aspect industrielawaai vormt voor het grootste deel van het plangebied geen belemmering. Voor het deel van het plangebied dat is aangeduid als zijnde wetgevingszone – wijzigingsgebied dient het aspect industrielawaai nog nader onderzocht te worden, alvorens daar ontwikkeld kan worden. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling, zie het aangepaste onderzoek bedrijven en milieuzonering in bijlage 3. De omliggende bedrijven worden niet beperkt in hun bedrijfsvoering en er is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige woningen wanneer er wordt afgeweken van de genswaarden tot maximaal 5 dB, conform de afwijkingsbevoegdheid in de regels van het bestemmingsplan. Met uitzondering van het deel van het plangebied dat is aangeduid als zijnde wetgevingszone – wijzigingsgebied, waarvoor het aspect industrielawaai nog nader onderzocht dient te worden, alvorens daar ontwikkelt kan worden.
5.6
Parkeren & Verkeer
5.6.1 Parkeren Ter waarborging van voldoende parkeervoorzieningen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt door de gemeente Moerdijk de parkeerbehoefte vastgesteld aan de hand van de ‘Nota Parkeernormen’, die onderdeel uitmaakt van het ‘Parkeerbeleid 2021’, zoals vastgesteld op 30 september 2021. Het 'Parkeerbeleid 2021’ is een actualisering van het vorige parkeerbeleid en biedt onder andere nieuwe inzichten over parkeernormen voor zowel auto's als fietsers en een verduidelijking van toetsingseisen voor ontwikkelingen en aanpassingen met het oog op duurzaamheid.
Als basis voor haar autoparkeernormen kiest de gemeente Moerdijk voor de parkeerkencijfers van het CROW. Deze kencijfers zijn opgenomen in de publicatie 381: toekomstbestendig parkeren’. Op basis van autobezit en autogebruik in de gemeente Moerdijk geldt de gemiddelde bandbreedte binnen de CROW parkeerkencijfers als uitgangspunt voor de te hanteren parkeernormen. De parkeerkencijfers bevatten daarnaast bandbreedtes die passen bij de verschillende stedelijkheidsgraden. Om deze reden is een gebiedsindeling opgenomen. De gemeente Moerdijk is daarbij ingedeeld in 2 gebieden: Zevenbergen en de overige gebieden. In Zevenbergen zijn de autoparkeernormen op de stedelijkheidsgraad ‘matig stedelijk’ gebaseerd. Parkeereis De gemeente Moerdijk maakt onderscheid tussen verschillende soorten woonfuncties. Bij koop- en vrije sector huurwoningen is daarbij de bruto vloeroppervlakte relevant, met een onderscheid tussen woningen of appartementen die groter of kleiner zijn dan 90 m2. In het stedenbouwkundig plan zijn geen woningen voorzien die groter zijn dan 90 m2. Dit betekent dat per woning een parkeernorm geldt van 1,7 parkeerplaatsen per grondgebonden woning en 1,6 parkeerplaatsen per appartement. Dit resulteert in een totale parkeernorm van (35 woningen x 1,7 + 45 appartementen x 1,6) = 131,5 parkeerplaatsen.
Parkeercapaciteit Nadat de parkeereis is vastgesteld, wordt onderzocht hoe het benodigde aantal parkeerplaatsen kan worden gerealiseerd. Het primaire uitgangspunt is dat de parkeereis wordt gefaciliteerd door op eigen terrein parkeerplaatsen aan te leggen. Als parkeerplaatsen niet op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd, kan in overleg met de gemeente Moerdijk worden onderzocht of er een mogelijkheid bestaat om nieuwe parkeerplaatsen in de openbare ruimte te realiseren. Parkeerplaatsen dienen bovendien te worden gerealiseerd binnen de maximale loopafstand die is gesteld voor desbetreffende functie. Bij woningbouwprojecten wordt hiervoor een maximale loopafstand van 50 meter gehanteerd. De praktijk wijst daarnaast uit dat parkeerplaatsen op eigen terrein (opritten, garageboxen etc.) niet altijd als parkeervoorziening worden gebruikt. Om parkeeroverlast te voorkomen wordt hier rekening mee gehouden bij de aanleg van parkeerplaatsen op eigen terrein via een omrekingsfactor. Conclusie Op basis van de bovenstaande uitgangspunten is het stedenbouwkundig ontwerp verdeeld in zes deelgebieden. Per deelgebied is inzichtelijk gemaakt wat de parkeerbehoefte en -capaciteit is. De openbare parkeerplaatsen zijn grotendeels geclusterd in overzichtelijke en compacte parkeerkofferte.
Afhankelijk van het woningtype hebben sommige bewoners daarnaast de mogelijkheid om op eigen terrein te parkeren. Doordat deze parkeerplaatsen evenredig verdeeld zijn is het mogelijk om de auto 28
altijd dicht bij de eigen woning te parkeren en zijn de loopafstanden zeer kort. Elke woning voldoet daarbij aan de in de nota parkeernormen opgenomen acceptabele loopafstand van 50 meter. In totaal is er een parkeercapaciteit binnen het plangebied van 158,6 parkeerplaatsen. Dit is voldoende om de parkeereis van 131,5 te dekken. Voor nadere informatie wordt verwezen naar de parkeerbalans die als bijlage 5 is opgenomen. 5.6.2 Verkeer Deze ontwikkeling zorgt voor extra verkeersbewegingen. Het aantal extra verkeersbewegingen is berekend op basis van de kencijfers zoals opgenomen in de CROW-publictie 381. Hierbij is ervoor gekozen om -net als voor de gemeentelijke parkeernormen- de gemiddelde bandbreedte binnen de CROW-kencijfers als uitgangspunt te hanteren en voor de kern Zevenbergen de stedelijkheidsgraad ‘matig stedelijk’ toe te passen. Het plangebied valt daarbij onder de gebiedsindeling ‘schil centrum’. De CROW-kencijfers zijn gekoppeld aan het type woning in combinatie met het prijssegment. In het gemeentelijk beleid is dit doorvertaald naar de bruto vloeroppervlakte per woning. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie kan dit mogelijk tot onduidelijkheid leiden over het te hanteren kengetal. Om deze reden is ervoor gekozen om uit te gaan van het zwaarste kencijfer per woningtype. In totaal leidt dit tot een toename van 570,3 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
Programma 45 appartementen 14 rijwoningen 12 tweekappers 9 vrijstaande woningen 80 woningen
CROW-kencijfer x x x x
Totaal
6,9 mvb per woning (categorie koop, duur) = 310,5 mvb per weekdagetmaal 6,9 mvb per woning (categorie koop) = 96,6 mvb per weekdagetmaal 7,6 mvb per woning (categorie koop) = 91,2 mvb per weekdagetmaal 8 mvb per woning (categorie koop) = 72 mvb per weekdagetmaal 570,3 mvb per weekdagetmaal
Tabel berekening verkeersgeneratie
De ontsluiting van de planlocatie zal verlopen via de Allenweg en Huizersdijk richting de Haveneind via de Kerkhofweg en de Galgenweg richting de N285 en de A17. Een andere mogelijke ontsluitingsroute is via de Huizersdijk en Allenweg richting de Kristallaan via de Sint Jorisstraat richting de N285 en de N389. De Huizersdijk en de Allenweg zijn te typeren als erftoegangswegen met een theoretisch maximum verkeersbelasting van 4000 tot 6000 verkeersbewegingen. Het gebied sluit aan op de Zuidrand, hetgeen een hoofdontsluiting is zonder theoretisch maximum. Gelet hierop leiden de 570,3 extra verkeersbewegingen niet tot een onevenredige verkeerstoename. Het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van deze ontwikkeling leidt niet tot een onevenredige toename van verkeerstoename op de omliggende wegen. Conclusie De parkeernorm zoals gesteld in de Nota Parkeernormen van de gemeente Moerdijk sluit aan op het aantal parkeerplaatsen dat gerealiseerd gaat worden op de planlocatie. De extra verkeersbewegingen n.a.v. deze ontwikkeling en de ontsluitingsroutes zijn beschreven. Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren & verkeer geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.7
Watertoets
In Nederland vraagt het aspect water steeds de aandacht. We hebben behoefte een schoon en voldoende water – niet te veel en niet te weinig – én we willen een veilige leefomgeving. De verandering van het klimaat vormt daarbij een extra uitdaging. Ruimtelijke ontwikkelingen hebben vaak invloed op de waterhuishouding. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. 5.7.1 Beleidskader Het plangebied valt onder beheer van Waterschap Brabantse Delta. De doelen van het waterschap staan beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Aansluitend hierop hebben de drie Brabantse waterschappen één gezamenlijke Keur, waarin de uitgangspunten zijn opgenomen voor het beoordelen van ontwikkelingen die waterschapsbelangen raken. Het waterbeleid van de gemeente 29
Moerdijk zelf is vastgelegd in het Verbreed gemeentelijk rioleringsplan Moerdijk 2021-2024. Daarin zijn het beleid, de ambities en de te nemen maatregelen ten aanzien van grondwater, hemelwater en afvalwater binnen de gemeente opgenomen. 5.7.2 Watersysteem Oppervlaktewater Het oppervlaktewater in en nabij het plangebied is weergegeven op navolgende afbeelding. De Roode Vaart maakt deel uit van het plangebied. Dit oppervlaktewaterlichaam is aangeduid als A-watergang en tevens als vaarwater.
Figuur 15: Uitsnede legger oppervlaktewateren
Bodem Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek (zie paragraaf 5.1) blijkt dat ter plaatse sprake is van een bodem met fijn zand en klei. De waterdoorlatendheid is beperkt. Grondwater De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied bedraagt circa 1,80 meter onder maaiveld (bron: DINOloket.nl). Waterschapsbelangen De dijklichamen aan weerszijden en op de kop van de Rode Vaart hebben de functie van regionale waterkering, zoals is weergegeven op navolgende afbeelding. De waterkeringen en bijbehorende beschermingszones liggen gedeeltelijk binnen onderhavig plangebied. Dat betekent tevens dat het plangebied buitendijks ligt. Waterkeringvreemde objecten in het profiel van de vrije ruimte van de waterkering zijn niet toegestaan. Ter verduidelijking zijn in bijlage 12 de desbetreffende dwarsprofielen van de waterkering opgenomen.
Figuur 16: Uitsnede legger waterkeringen
30
In samenspraak met Waterschap Brabantse Delta zullen op de oevers van de Roode Vaart damwanden worden geplaatst. De plaatsing en vervanging van damwanden en overbeschoeiing wordt in een later stadium technisch verder uitgewerkt. Voor het plaatsen van de damwanden zal te zijner tijd een watervergunning worden aangevraagd. 5.7.3 Hemelwater Toename verhard oppervlak Onderstaande tabel geeft een overzicht van de toename van het verhard oppervlak, gebaseerd op het stedenbouwkundig ontwerp. Per woningtypologie is het verhard oppervlak berekend op basis van de footprint van de woning en eventuele berging of garage, alsmede de tuinverharding. Het verhard oppervlak van het terreinverharding in het openbare gebied bestaat uit de wegen, parkeerplaatsen en stoepen. onderdeel bebouwing: - appartementengebouw - rijwoningen - tweekappers - vrijstaand verharding openbaar gebied totaal
aantal
verhard oppervlak per woning 45 14 12 9 -
60 m² 70 m² 80 m² -
toename verhard oppervlak 1.480 m2 840 m2 840 m2 720 m2 4.890 m² 8.770 m²
De totale toename van het verhard oppervlak als gevolg van het planvoornemen bedraagt 8.770 m². Berekening bergingsopgave Bij toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² en minder dan 10.000 m² hanteert het waterschap de volgende rekenregel voor het berekenen van de bergingsopgave: bergingsopgave (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) De ter plaatse geldende gevoeligheidsfactor bedraagt 1. Toepassing van de rekenregel op het planvoornemen leidt tot een bergingsopgave van circa 526,2 m³. Ontwerp bergingsvoorziening Het hemelwater zal afstromen richting de Roode Vaart. Er worden in het plangebied geen infiltratievoorzieningen aangebracht. 5.7.4 Afvalwater Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden. Het vuile afvalwater zal op de bestaande riolering in de omliggende straten geloosd worden. Tot slot is ten behoeve van de waterkwaliteit ook het uitgangspunt dat enkel gebruik wordt gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen. Uitloogbare materialen, zoals lood, koper, zink en zacht OVC worden om die reden niet toegepast. Dit voorkomt uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater. Conclusie De waterparagraaf heeft uitgewezen dat het aspect water geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling op het plangebied.
Op 25 maart 2021 heeft het Dagelijks Bestuur van Waterschap de Brabantse Delta ingestemd met het geven van een positief wateradvies. In het kader van dit bestemmingsplantraject blijft het Waterschap tevens formeel betrokken om goedkeuring te verlenen aan deze woningbouwontwikkeling.
5.8
Flora en Fauna
Sinds Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking gesteld. Deze wet regelt de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa. De bescherming is specifiek gericht op de bescherming van dieren, planten, bossen en andere houtopstanden. Een Quickscan natuurwetgeving is nodig om inzicht te geven in het mogelijke effect van een nieuwe ontwikkeling op beschermde flora, fauna, Natura 2000-gebieden en beschermde natuurgebieden. De Quickscan natuurwetgeving is bijgevoegd als bijlage 6, het vervolgonderzoek naar kleine marterachtigen als bijlage 7 en het stikstofdepositie onderzoek is bijgevoegd als bijlage 8. 31
5.8.1 Quickscan natuurwetgeving Huizersdijk 5 en terrein Gemeente Moerdijk De bebouwing aan de Huizersdijk 5 was tijdens het veldbezoek van Faunaconsult al gesloopt. Dit terrein, waar momenteel een autohandelaar actief is, was niet toegankelijk voor onderzoek. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vleermuizen De woning aan de Generaal Allenweg 2a heeft geen functie voor vleermuizen. De laanbomen aan de Huizersdijk, het kanaal De Mark en het parkachtige gebied aan de Generaal Allenweg (net buiten het plangebied) fungeren zeer waarschijnlijk wel als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen.
Langs De Mark en de parkachtige structuur aan de Generaal Allenweg zijn diverse soorten vleermuizen waargenomen. Omdat er geen bomen worden gekapt en het kanaal wordt behouden, is er geen sprake van aantasting van een vaste vliegroute of foerageergebied. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van de bomen aan de Huizersdijk en Generaal Allenweg en het kanaal De Mark alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen en het water af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen of rood licht. Daarnaast is het voor vleermuizen aan te bevelen inlandse loofboomsoorten waar mogelijk te behouden en aan te planten (zij vormen een geschikte voedselbron voor insecten, die op hun beurt weer als voedsel voor vleermuizen kunnen dienen). Kleine marterachtigen In het plangebied komen mogelijk zoogdieren voor die in de provincie Noord-Brabant niet zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat om wezel, hermelijn en bunzing (allemaal A-soorten die in Noord-Brabant niet zijn vrijgesteld). Conform de Provincie Noord-Brabant hoeven plangebieden kleiner dan één hectare niet nader te worden onderzocht op het voorkomen van kleine marterachtigen als de bunzing en de wezel.
Omdat het plangebied zelf 4 ha is (waarvan bijna 2,5 ha potentieel leefgebied voor kleine marters), dient er echter nader onderzoek naar de aanwezigheid van kleine marters plaats te vinden. Onderzoek naar de wezel en hermelijn kan worden uitgevoerd gedurende zes weken in de periode maart t/m augustus (wanneer de dieren het meest actief zijn) of drie maanden in de periode september t/m februari. Hierbij worden marterboxen (Mostela’s; niet geschikt voor onderzoek naar bunzing) geplaatst. Vanwege de oppervlakte van het plangebied (2-3 hectare) dienen er minimaal twee marterboxen te worden geplaatst in de actieve periode, en vier marterboxen buiten de actieve periode. Onderzoek naar de bunzing kan gedurende zes weken in de periode maart t/m augustus (wanneer de dieren het meest actief zijn) of drie maanden in de periode september t/m februari. Hierbij worden cameravallen (ongeschikt voor onderzoek naar wezel en hermelijn) geplaatst. Eén cameraval is voldoende in de actieve periode voor een plangebied tot 3 hectare (twee cameravallen voldoen buiten de actieve periode). Vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht.
Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. 5.8.2 Vervolgonderzoek kleine marterachtigen Het onderzoek naar de kleine marterachtigen is uitgevoerd. Het voorkomen van kleine marterachtigen 32
is onderzocht op de door Bouwens (2017) beschreven wijze. Daartoe werden er in het plangebied van 1 maart 2021 tot en met 15 april 2021 drie Mostela’s geplaatst. Elke Mostela werd voorzien van een Browning Trailcamera (model BTC-8A), die werd voorzien van een 16 GB SanDisk geheugenkaart. De camera werd zo ingesteld dat deze bij elke ‘trigger’ 3 foto’s maakte. De loopbuizen van alle Mostela’s werden op de eerste dag voorzien van visolie en elke Mostela is op het einde uitgelezen. Tijdens de quickscan, het plaatsen en ophalen van de Mostela’s is in het plangebied uitgebreid gezocht naar holen van bunzing. In totaal werden de Mostela’s 1892 (gemiddeld zo’n 630 foto’s per camera) maal getriggerd om een foto te maken. Daarbij werd geen enkele opname van een wezel of hermelijn (of bunzing) gemaakt. Wel werden vele foto’s van bosmuizen, woelmuizen en spitsmuizen gemaakt. Holen van bunzing (of holen met een vergelijkbare grootte, zoals konijn) werden tijdens de drie bezoeken (quickscan, start en einde plaatsing Mostela’s) niet in het plangebied waargenomen. De vegetatie in het plangebied lijkt geen belangrijke functie voor kleine marterachtigen te hebben. Kleine marterachtigen komen niet in het plangebied. 5.8.3 Stikstofdepositie onderzoek Een ruimtelijke ontwikkeling mag niet leiden tot een significant negatief effect op Natura 2000gebieden.
Een van deze negatieve effecten betreft het aspect stikstof. Overbelasting met stikstofdepositie vormt al jarenlang een probleem voor zowel de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen in veel Natura 2000-gebieden, als voor het mogelijk maken van economische ontwikkelingen die stikstofdepositie veroorzaken. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) is in 2015 in werking gesteld om enerzijds ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen, maar tegelijkertijd ook te voorzien in maatregelen die nodig zijn voor het herstel en behoud van Natura 2000-gebieden. AERIUS was een online rekeninstrument van het voormalige PAS, via dit instrument kon de stikstofdepositie van plannen en projecten op Nature 2000-gebieden worden berekend. Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State echter geoordeeld dat het PAS niet langer als basis voor toestemming van activiteiten gebruikt mag worden. Deze uitspraak had als gevolg dat veel vergunningsaanvragen en –procedures stil kwamen te liggen. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft een nieuwe versie van de AERIUS Calculator beschikbaar gesteld. In deze nieuwe versie worden voortaan alle stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebieden meegenomen in de berekeningen.
Er wordt bij een dergelijke berekening gekeken naar de aanlegfase/bouwfase, de gebruiksfase en de verkeersgeneratie ten gevolge van de nieuwe ontwikkeling op de planlocatie. Wanneer de rekenresultaten niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar, zijn er geen belemmeringen omtrent stikstofdepositie voor deze ontwikkeling. Op 9 maart 2021 heeft, na instemming vanuit de Tweede Kamer, ook de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel Stikstofreductie en natuurverbetering. Dit wetsvoorstel voorziet in een partiële vrijstelling door bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) aan te wijzen ‘activiteiten van de bouwsector’. Als zodanig kunnen ook andere activiteiten worden aangewezen dan alleen bouwen, zoals sloop- en aanlegwerkzaamheden. De vrijstelling geldt alleen voor de bouwfase en niet voor de gebruiksfase en geldt alleen voor de gevolgen van stikstofdepositie. Door de voorgestelde partiële herziening verschuift de nadruk bij vergunningverlening naar de structurele uitstoot die een project in de gebruiksfase oplevert en niet de tijdelijke uitstoot bij de bouwfase. De AmvB is van toepassing vanaf 1 juli 2021. De stikstofdepositie is berekend door middel van een AERIUS berekening. De AERIUS berekening is uitgevoerd voor het rekenjaar 2022. De rekenresultaten zijn niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. De stikstofrapportage is toegevoegd als bijlage 8.
Het aspect stikstof vormt hierdoor geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Er is gekeken naar de Quickscan natuurwetgeving, het aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen en het stikstofdepositie onderzoek. Uit de quickscan is gebleken dat er een aanvullend onderzoek naar marterachtigen nodig is om uit te wijzen dat er geen negatieve effecten zijn op de flora en fauna rondom het plangebied. Het onderzoek naar de kleine marterachtigen is uitgevoerd en hieruit is gebleken dat kleine marterachtigen niet voorkomen in het plangebied. Op deze wijze is er voldaan aan de verantwoording van de natuurbescherming. 33
5.9
Archeologie
Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het beheer en behoud van het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet maakt samen met de toekomstige Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Daarnaast bevat de Erfgoedwet regels voor de omgang met archeologie in het algemeen. Voor de planlocatie is een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd door Anteagroup. Het onderzoek is opgeleverd op 9 juni 2021 en is bijgevoegd als bijlage 9. Resultaten Het gesaneerde deel van het plangebied, in het uiterste noorden, is tot 2,25 m onder maaiveld verstoord. Dat houdt in dat graafwerkzaamheden voor de geplande bebouwing en eventuele parkeerkelder (tot 2 m – mv) niet tot een onverstoord niveau zullen reiken en geen archeologische resten zullen vernietigen. Voor dit deel van het plangebied is geen nader onderzoek noodzakelijk Ter westen en ter hoogte van de Huizersdijk bestaat de bodem uit ophoging (dijk) op Afzetting van Duinkerken III (Laagpakket van Walcheren). Deze overstromingsresten uit de late middeleeuwen zijn slecht geschikt voor bewoning kort na de afzetting. Dit wordt bevestigd door het feit dat daar bovenop een dijk is aangelegd; een teken dat overlast van water nog regelmatig voorkwam.
Ook lag dit deel van Zevenbergen in de (late) middeleeuwen buiten de historische bebouwde kern van de stad. De verwachting op oude resten is hiermee (zeer) klein. In de zone tussen de Huizersdijk en de Roode Vaart is een flink pakket met puin of muurwerk aanwezig waar niet doorheen te komen is (deels op 25 cm – mv, deels rond 80 cm – mv). Waarschijnlijk is dit te koppelen aan de industrie die hier gestaan heeft. Of hier nog intacte funderingen van de industriële bebouwing aanwezig zijn, is op grond van de boringen niet te zeggen. Op grond van boring 2 is het door het industriële niveau aangetaste pakket circa 1,95 m dik. Gezien de boringen 10 en 11 (waar de top van de D-III afzetting hoger ligt) is de top van de top van de Afzettingen van Duinkerken hier (d.w.z. ter hoogte van boring 2) aangetast. Eventuele archeologische sporen daarin (die ouder zijn dan de periode van de industriële bebouwing) moeten als verloren beschouwd worden. Vanaf 1,95 m onder maaiveld zitten hier Afzettingen van Duinkerke III. Omdat de Suikerfabriek historisch gezien (redelijk) goed bekend is, is ons advies om naar deze resten geen nader onderzoek uit te voeren. Onderzoek naar oudere resten op een dieper niveau van 2 m – mv is sowieso niet noodzakelijk. Oostelijk van Roode Vaart zijn ophogingen op Afzettingen van Duinkerke III aanwezig. De grens ligt op circa 1,30 m – mv.
Echter, de top van de afzettingen is aangetast en een eventueel sporenniveau daarin (uit de late middeleeuwen of vroege nieuwe tijd) ook. Daaronder liggen Afzettingen van Duinkerke III, zeker tot 3 m –mv. Gezien de overzijde Roode Vaart en het maaiveldhoogteverschil vermoedelijk nog tot dieper. Conclusie De regio-archeoloog heeft geadviseerd om het onderzoeksgebied vrij te geven tot 200 cm -mv. Bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 200 cm -mv dient er een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het selectiebesluit is vertaald in de regels met het opnemen van Waarde archeologie 7 als dubbelbestemming op de verbeelding en in de regels.
5.10 Cultuurhistorie
Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant De cultuurhistorische waardenkaart (CHW-kaart) van de provincie Noord-Brabant laat zien welke cultuurhistorische interessante en waardevolle patronen en objecten zich in het plangebied bevinden. Elke tijdsperiode heeft haar weerslag gehad op de vorming van de gebouwde omgeving. Lijnen, punten en vlakken uit het verleden zijn soms nog afleesbaar in het huidige (dorps)landschap. De CHW-kaart brengt deze cultuurhistorische waardevolle patronen en objecten in beeld. Met de Cultuurhistorische Waardenkaart wil de provincie Noord-Brabant een ‘handvat’ bieden voor het inpassen van cultuurhistorische waardevolle elementen binnen de ruimtelijke ordening. Het uitgangspunt is niet het bewaren van ‘monumenten’, maar het inpassen van cultuurhistorisch 34
waardevolle elementen in het landschap. De gemeente Moerdijk heeft zelf een cultuurhistoriekaart samengesteld. De cultuurhistoriekaart brengt het erfgoed van de gemeente Moerdijk in beeld en geeft een overzicht van het bovengronds cultuurhistorisch erfgoed, bouwkundige objecten en landschappelijke gebieden met cultuurhistorische waarde. De waarden zoals benoemd in de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie zijn integraal opgenomen in de cultuurhistoriekaart.
Figuur 18: Cultuurhistorische Waardenkaart
Op de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant is voor het plangebied terug te vinden, dat de Huizersdijk en de Generaal Allenweg zijn aangeduid als Historische geografische lijnelementen. De Huizersdijk is aangeduid met de waarde zeer hoog en de Generaal Allenweg met de waarde hoog, zie onderstaande uitsnede van de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant. Dit is op de Cultuurhistoriekaart van de gemeente Moerdijk overgenomen, met de volgende verklaring in de legenda: • Huizersdijk: Waterkerende dijk of kade, 1500-1900, nog bestaand • Generaal Allenweg, waterkerende dijk of kade, <1500, nog bestaand. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling respecteert de historische geografische lijnelementen. De bestaande structuren blijven onaangetast.
5.11 Explosieven onderzoek
Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikel uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens mondiale, militaire inschattingen is van al het explosieve materiaal dat gedurende de Tweede Wereldoorlog is ingezet, verschoten of afgeworpen, tussen de zeven en vijftien procent om verschillende redenen niet tot uitwerking gekomen of gebracht. Om het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven voorafgaande aan de geplande bodemroerende werkzaamheden in te kunnen schatten is door ECG een vooronderzoek conform het vigerende WSCS-OCE uitgevoerd voor de planlocatie. Het onderzoek, opgeleverd op 14 december 2020, is tevens bijgevoegd als bijlage 10. Resultaten Op basis van het indicatie-onderzoek zijn er feitelijk herleidbare gegevens achterhaald, waaruit blijkt dat fabrieksschoorstenen in het onderzoeksgebied zijn opgeblazen. Voor de betreffende indicatie wordt geen verdacht gebied afgebakend. Er zijn feitelijk herleidbare gegevens achterhaald omtrent artilleriebeschietingen in en direct nabij het onderzoeksgebied. Een deel van het onderzoeksgebied wordt derhalve als verdacht in de niet-naoorlogs geroerde bodem aangemerkt op geschutsmunitie van Geallieerde komaf.
Op basis van het contra-indicatieonderzoek is vastgesteld dat er in de naoorlogse periode werkzaamheden binnen en nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden, waarbij grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Op basis van deze werkzaamheden kan een deel van het verdachte gebied als onverdacht worden aangemerkt. Naar aanleiding van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat een deel van het onderzoeksgebied verdacht is op het aantreffen conventionele explosieven in de niet-naoorlogs geroerde bodem. Wanneer er zich binnen de als 35
verdacht aangemerkte gebieden grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden in de nietnaoorlogs geroerde grond, wordt geadviseerd het proces van explosievenopsporing voort te zetten. Voor wat betreft werkzaamheden die in de naoorlogs geroerde bodem of op onverdachte locaties plaats gaan vinden, wordt geadviseerd om de geplande werkzaamheden op reguliere wijze uit te voeren. In Figuur 9 is een kaart te zien waarbij het verdachte gebied rood gearceerd is.
Figuur 19: Explosievenkaart met verdacht gebied
Conclusie Aan de hand van het uitgevoerde vooronderzoek is het grootste gedeelte van het plangebied vrijgegeven en onverdacht op explosieven. In de noordelijke punt van het plangebied is een gedeelte van het gebied verdacht op explosieven. Wanneer er werkzaamheden gaan plaatsvinden in dit gebied wordt geadviseerd het proces van explosievenopsporing voort te zetten. Op deze manier is het aspect Explosieven verantwoord.
5.12 Vormvrije m.e.r. beoordeling
De vormvrije m.e.r. beoordeling is bijgevoegd als bijlage 11. Aan de hand van de aanmeldingsnotitie is inzichtelijk gemaakt welke (mogelijke) gevolgen voor het milieu al dan niet door het planvoornemen ontstaan. Gelet op de projectkenmerken en de hiermee samenhangende (potentiële) milieueffecten, wordt geconcludeerd dat het planvoornemen van dusdanig beperkte invloed op het milieu is dat allerminst sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Er bestaat daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure dan wel formele m.e.r.-beoordelingsprocedure. Op basis hiervan wordt het bevoegd gezag dan ook geadviseerd om een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen, waarin wordt afgezien van het opstellen van een milieueffectrapport ofwel het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure voor onderhavige ontwikkeling.
36
Hoofdstuk 6 6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Draagvlak
Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in bouwtitels voor de bouw van grondgebonden woningen en appartementen op de locatie Kop Roode Vaart in Zevenbergen. De woningen worden op een gepaste wijze toegevoegd aan de bestaande stedenbouwkundige structuur van de kern Zevenbergen. Tevens wordt de ontwikkeling passend geacht binnen de actuele beleidskaders van het rijk, de provincie en gemeente. Het bestemmingsplan is verder zodanig ontwikkeld dat met de uiteindelijk te realiseren woning zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de belangen van de eigenaren/gebruikers van de bedrijven op bedrijventerrein Molengors. Door initiatiefnemer zijn de eigenaren/gebruikers van de direct aan het plangebied grenzende percelen persoonlijk benaderd en is nadere uitleg gegeven over de door hem ontwikkelde plannen. Hiervoor zijn diverse gesprekken gevoerd. Vanwege de corona-maatregelen is dat uitgevoerd, deels met fysieke besprekingen en deels met digitale toelichtingen en vergaderingen. In het kader van de verdere vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan bestaat voor betrokkenen overigens nog de mogelijkheid om tegen het bestemmingsplan zienswijzen in te dienen.
6.2
Voorontwerpfase
6.3
Ontwerpfase
6.4
Vaststelling
In het kader van de inspraak en het vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan van 16 februari tot en met 29 maart 2022 ter inzage gelegd. Tijdens deze periode van terinzagelegging is een ieder in de gelegenheid gesteld op het plan te reageren. In de genoemde periode zijn 3 vooroverlegreacties en 3 inspraakreacties ingediend. Naar aanleiding van de ingediende reacties en enkele ambtshalve wijzigingen zijn aanpassingen in het bestemmingsplan doorgevoerd. In bijlage 13 is de nota van inspraak en overleg opgenomen.
Het ontwerp bestemmingsplan zal, conform artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening, voor overleg gezonden naar de betreffende personen en instanties. Daarnaast heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen van 15 juni 2022 tot en met 26 juli 2022. Tijdens deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. In de genoemde periode zijn 2 zienswijzen ingedient. Naar aanleidng van de ingedienden zienswijzen zijn geen aanpassingen in de regels of de verbeelding van het bestemmingsplan doorgevoerd. Er zijn wel ambsthalve wijzigingen doorgevoerd in het bestemmingsplan. In bijlage 14 is de nota van zienswijzen opgenomen.
De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan in de vergadering van 8 december 2022 gewijzigd vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
37
Hoofdstuk 7 7.1
Economische uitvoerbaarheid
Exploitatieverplichting
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Er is een locatie-ontwikkelingsovereenkomst gesloten tussen de gemeente en de betreffende initiatiefnemer, waarin is afgesproken dat kosten, die de gemeente redelijkerwijs moet maken in verband met de beoogde ontwikkeling, voor rekening komen van de initiatiefnemer. Het kostenverhaal wordt derhalve anderszins verzekerd. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve niet benodigd. Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
38