4a. NL.IMRO.1709.ZBKopRV-BP40 Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Kop Roode Vaart te Zevenbergen toelichting
Titel
Bestemmingsplan Kop Roode Vaart te Zevenbergen, toelichting
Gemeente
Moerdijk
Projectnummer
Aa 20054
Datum
8 december 2022
Status
vastgesteld
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing 1.3 Bij het plan behorende stukken 1.4 Vigerend bestemmingsplan 1.5 Leeswijzer
4 4 4 4 5 6
Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie 2.1 Bestaande situatie 2.3 Toekomstige situatie
7 7 10
Hoofdstuk 3 Juridische planbeschrijving 3.1 Planmethodiek 3.2 Systematiek bestemmingen 3.3 Overig
13 13 13 14
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Nationaal beleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid
16 16 17 19
Hoofdstuk 5 Milieutechnische onderzoeken 5.1 Bodem 5.2 Geluid 5.3 Luchtkwaliteit 5.4 Externe veiligheid 5.5 Bedrijven en milieuzonering 5.6 Parkeren & Verkeer 5.7 Watertoets 5.8 Flora en Fauna 5.9 Archeologie 5.10 Cultuurhistorie 5.11 Explosieven onderzoek 5.12 Vormvrije m.e.r. beoordeling
23 23 23 25 26 26 28 29 31 34 34 35 36
Hoofdstuk 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Draagvlak 6.2 Voorontwerpfase 6.3 Ontwerpfase 6.4 Vaststelling
37 37 37 37 37
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid 7.1 Exploitatieverplichting
38 38
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1: Bodemonderzoek Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Onderzoek bedrijven en milieuzonering Bijlage 4: Externe veiligheid Bijlage 5: Parkeerbalans Kop Roode Vaart Bijlage 6: Quickscan Natuurwetgeving Bijlage 7: Aanvullend marteronderzoek Bijlage 8: Stikstofrapportage Bijlage 9: Archeologie Bijlage 10: Explosievenonderzoek Bijlage 11: Aanmeldnotitie m.e.r. Bijlage 12: Dwarsprofielen waterkeringen 2
Bijlage 13: Nota inspraak en vooroverleg Bijlage 14: Nota van zienswijzen
3
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1
Aanleiding
1.2
Ligging en begrenzing
Initiatiefnemer is voornemens om een woningbouwontwikkeling te realiseren aan de Huizersdijk te Zevenbergen. Om de ontwikkeling in planologisch-juridische zin mogelijk te maken, dient een ruimtelijke procedure doorlopen te worden. Hiervoor is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Voor deze locatie is eerder een bestemmingsplan in procedure geweest. Dit bestemmingsplan is door de Raad van State destijds niet akkoord bevonden, vanwege een niet sluitende onderbouwing qua milieuaspecten. In voorliggend plan zijn alle beleids- en milieuaspecten zorgvuldig onderzocht en onderbouwd.
Het plangebied is gelegen in stedelijk gebied aan weerszijden van de kop van het zuidelijk deel van de Roode Vaart, een kanaal dat door Zevenbergen loopt. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Moerdijk, sectie L, nummers 5791, 5790, 5789, 5530, 4263, 803, 4262, 4261, 826, 6162, 6042, 6041, 2361 en als gemeente Moerdijk, sectie K, nummer 1046, 1052 en 1051. In figuur 1 wordt de begrenzing van het plangebied aangegeven.
Figuur 1: begrenzing plangebied
1.3
Bij het plan behorende stukken
Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, regels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. In voorliggende toelichting worden onder meer de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerende beleid inhoudt en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden. 4
1.4
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied vigeren op dit moment de volgende bestemmingsplannen: • bestemmingsplan “Kop Roode Vaart”, vastgesteld op 9 juli 2003; • bestemmingsplan “Molengors”, vastgesteld op 12 maart 1996. 1.4.1 Bestemmingsplan “Kop Roode Vaart” Ter plaatse van het grootste deel van het plangebied vigeert het bestemmingsplan “Kop Roode Vaart” (zie figuur 2). Aan de betreffende locatie zijn de enkelbestemmingen ‘Wonen’, ‘Bedrijven’, ‘Kantoordoeleinden’, ‘Verkeer en Verblijf’ en ‘Waterhuishoudkundige doeleinden’ en de dubbelbestemming ‘Waterkering’ toegekend. Gedeputeerde staten heeft aan de rood omlijnde delen van het bestemmingsplan goedkeuring onthouden. Voor die delen van het plangebied geldt het eerder vastgestelde bestemmingsplan “Molengors”.
Figuur 2: verbeelding bestemmingsplan “Kop Roode Vaart”
1.4.2 Bestemmingsplan “Molengors” Zoals hiervoor aangegeven vigeert ter plaatse van het plangebied het bestemmingsplan “Molengors” (zie figuur 3). Ter plaatse van de nog vigerende delen geldt de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden I’, bedoeld voor de vestiging van bedrijfsactiviteiten.
5
Figuur 3: verbeelding bestemmingsplan “Molengors”
1.4.3 Conclusie vigerende bestemmingsplannen Het planvoornemen kan niet worden gerealiseerd op basis van de vigerende bestemmingsplannen, omdat die ter plaatse in bedrijfsbestemmingen voozien. Dat geeft de aanleiding voor voorliggende bestemmingsplanherziening.
1.5
Leeswijzer
Voorliggende toelichting bestaat uit zes hoofdstukken. Na bovenstaande inleiding wordt in hoofdstuk 2 een nadere beschrijving van de bestaande situatie en het planvoornemen gepresenteerd. In hoofdstuk 3 wordt de juridische planbeschrijving omschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 het relevante beleid uiteengezet. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 5 vindt een verantwoording ten aanzien van de diverse omgevingsaspecten plaats. In hoofdstuk 6 wordt tot slot de maatschappelijke uitvoerbaarheid gemotiveerd, de financiële uitvoerbaarheid wordt in hoofdstuk 7 gemotiveerd.
6
Hoofdstuk 2 2.1
Gebiedsvisie
Bestaande situatie
2.1.1 Geschiedenis van de plek De voor het planvoornemen relevante geschiedenis start met de aanleg van de Roode Vaart. Dit water legde een verbinding tussen de rivier de Mark en het Hollandsch Diep en stroomde door de kern Zevenbergen. Het water en de parallel daaraan gelegen wegen (Huizersdijk en Lamgatdijk (nu: Generaal Allenweg)) vormden onderdeel van een belangrijke transportroute in West-Brabant. In het gebied werden meekrap en vlas verbouwd – belangrijke grondstoffen voor de textielindustrie. Langs de Roode Vaart ontstonden in de eerste helft van de 19e eeuw diverse textielfabrieken.
Medio 19e eeuw werd de teelt van meekrap en vlas vervangen door suikerbieten – een nieuw fenomeen waarmee men niet meer afhankelijk was van het suikerriet uit de koloniën om suiker te kunnen maken. Zevenbergen werd een belangrijk centrum van de suikerproductie in Zuid-Nederland. In de eerste helft van de 20e eeuw werden langs de Roode Vaart diverse suikerfabrieken gebouwd. Ter plaatse van het plangebied betrof het de fabrieken “Azelma” en “Phoenix”. Ook werden er andere fabrieken gebouwd. De Roode Vaart werd gebruikt als transportroute, productiewater en vuillozing. In 1969 werd de Roode Vaart in het centrum van Zevenbergen gedempt, waarmee er geen sprake meer wat van een doorgaande vaarroute.
Vanaf 1970 werd de productie van suiker steeds meer gecentraliseerd in de Suikerunie-fabriek aan de noordkant van Zevenbergen. Aan het einde van de jaren ’80 van de vorige eeuw sloten de laatste suikerfabrieken ter plaatse van het plangebied. De meeste fabrieksgebouwen werden gesloopt en de gronden zijn sindsdien grotendeels braakliggend.
7
Op onderstaande oude foto’s zijn de suikerfabrieken “Azelma” en “Phoenix” zichtbaar.
2.1.2 Wijdere omgeving Onderstaande afbeelding geeft de bestaande situatie van de wijdere omgeving van het plangebied weer.
Figuur 4: wijdere omgeving
Het plangebied is onderdeel van het stedelijke gebied van Zevenbergen ten zuidwesten van het centrum en strekt zich uit aan weerszijden van de Roode Vaart. Ten westen van het plangebied ligt het bedrijventerrein Molengors dat in de jaren ’90 van de twintigste eeuw is ontstaan. Op dit terrein zijn bedrijven in de milieucategorieën 2 en 3 gevestigd, alsmede één bedrijf in milieucategorie 4. Medio jaren ’90 is de aangrenzende woonwijk Molengors gebouwd. 2.1.2 Plangebied en directe omgeving In het plangebied staan enkele gebouwen. Op de westoever staat het gebouw “De Phoenix”, een overblijfsel van de grote suikerfabriek maar inmiddels leegstaand. De gronden ten zuiden van het gebouw zijn in gebruik voor de stalling/verkoop van auto’s. De overige delen van het plangebied zijn braakliggend. Ten noorden van het plangebied zijn rond de eeuwwisseling grondgebonden woningen en een appartementengebouw verrezen. 8
De Huizersdijk en de Generaal Allenweg liggen op een regionale waterkering. Hoewel het plangebied buitendijks ligt, ligt het hoog en droog genoeg omdat het op ongeveer gelijke hoogte ligt als de kruinen van beide dijken. In figuren 5, 6 en 7 zijn aanzichtfoto’s van de planlocatie weergegeven.
Figuur 5: huidige situatie gebouw “De Phoenix”
Figuur 6: huidige situatie braakliggend terrein
Figuur 7: huidige situatie braakliggend terrein
9
2.3
Toekomstige situatie
2.3.1 Ruimtelijke hoofdstructuur Het planvoornemen betreft het transformeren van het plangebied naar een woongebied in aansluiting op het centrum van Zevenberg, waarbij de volgende uitgangspunten zijn gehanteerd: • het gebied krijgt een eigen karakter dat is gerelateerd aan de historische fabrieksgebouwen; • de stedenbouwkundige structuur moet helder zijn, waarbij het water van de Roode Vaart zichtbaar/beleefbaar wordt en verbindingen worden gelegd tussen het plangebied en de omgeving; • er ontstaat een kwalitatief hoogwaardig woonmilieu met een mix van woningen. De uitgangspunten zijn vertaald in onderstaande ruimtelijke hoofdstructuur van het plangebied.
Figuur 8: Ruimtelijke hoofdstructuur plangebied
In de ruimtelijke structuur zijn de volgende onderdelen herkenbaar: • Het behouden of creëren van groene buffers tussen het plangebied en bestaande woonbuurten en bedrijventerrein. • Het gebied rondom de kop van de Roode Vaart vraagt om een architectonisch accent in de vorm van hogere bebouwing. Tezamen met het bestaande appartementengebouw vormt deze ‘kop’ het scharnierpunt tussen het centrum van Zevenbergen en de nieuwe woonbuurt. • De delen langs de Huizersdijk en Generaal Allenweg bieden ruimte voor grondgebonden woningen, die gericht zijn op deze wegen. De tuinen van de woningen hebben een relatie met het water van de Roode Vaart. • Vanaf de Huizersdijk en Generaal Allenweg worden relaties gelegd met de Roode Vaart.
10
2.3.2 Stedenbouwkundig plan De ruimtelijke hoofdstructuur is uitgewerkt in onderstaand stedenbouwkundig plan.
Figuur 9: Stedenbouwkundig plan
In het ‘kopgebied’ worden in aansluiting op het bestaande appartementengebouw drie nieuwe appartementengebouwen gerealiseerd in een groene omgeving. De gebouwen worden maximaal vier bouwlagen hoog en bieden ruimte aan 45 koopappartementen. De architectuur van de gebouwen zal gerelateerd worden aan de oude suikerfabrieken. Onderstaande afbeeldingen geven enkele referenties.
Figuur 10: Referentiebeelden appartementengebouwen
In het overige deel van het plangebied worden een aantal stedenbouwkundige blokken van grondgebonden woningen gerealiseerd. Tussen de blokken worden woonstraten aangelegd, waar ruimte is voor parkeren en die contact leggen met de Roode Vaart. De te bouwen woningen zijn onderverdeeld in 14 rijwoningen, 12 twee-aaneengebouwde woningen en 9 vrijstaande woningen. De woningen worden in verschillende typen gebouwd, waarvan een aantal levensloopbestendig. Het meest zuidelijke deel van het plan is pas te realiseren na toepassing van een opgenomen wijzigingsbevoegdheid (rode stippellijn). De daar te realiseren woningen zijn in deze aantallen niet opgenomen. Dit is verderop in deze toelichting beschreven. De woningen krijgen bouwhoogten van twee of drie bouwlagen en worden voorzien van platte daken of zadeldaken. Qua vormgeving wordt opnieuw de relatie gelegd met de historische fabrieksgebouwen, zie onderstaande referentiebeelden.
11
Figuur 11: Referentiebeelden grondgebonden woningen
De openbare ruimte wordt zoveel mogelijk groen ingericht. Het gebied rondom de appartementengebouwen wordt parkachtig ingericht met ruimte voor opgaand groen, bankjes en speelvoorzieningen. Er wordt eveneens opgaand groen aangebracht in de stroken tussen de stedenbouwkundige blokken. Waar mogelijk wordt verharding uitgevoerd in grasstenen. Onderstaande afbeeldingen geven enkele referenties.
Figuur 12: Referentiebeelden inrichting openbare ruimte
12
Hoofdstuk 3
Juridische planbeschrijving
3.1
Planmethodiek
3.2
Systematiek bestemmingen
Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid is in het voorliggende bestemmingsplan de toekomstige situatie gedetailleerd vastgelegd in een eindbestemming. Een eindbestemming biedt een directe bouwtitel, wat betekent dat wanneer een aangevraagde bouwactiviteit past binnen de in de bestemming genoemde regels, een omgevingsvergunning kan en moet worden afgegeven.
De regels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken: • Inleidende regels (hoofdstuk 1) • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) • Algemene regels (hoofdstuk 3) • Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) De regels zijn zoveel mogelijk opgebouwd conform het handboek bestemmingsplannen van de gemeente Moerdijk en sluit tevens aan bij de systematiek van de meest recente bestemmingsplannen voor de kernen binnen de gemeente. Hierna worden de vier hoofdstukken kort toegelicht. 3.2.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk zijn diverse begrippen verklaard, die in de regels zijn opgenomen. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is in hoofdstuk 1 het artikel ‘wijze van meten’ opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. 3.2.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de feitelijk in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. Per artikel is bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende bestemmingen. Groen De bestemming ‘Groen’ is opgenomen voor de aan te leggen groenvoorzieningen in het plangebied. Verkeer De bestemming ‘Verkeer’ heeft betrekking op de doorgaande weg die door het plangebied loopt.
Verkeer - verblijfsgebied De bestemming ‘Verkeer – verblijfsgebied’ is van toepassing op de verkeersontsluitingen voor de woningen, met de daarbij behorende parkeervoorzieningen. De bestemming Verkeer – verblijfsgebied is ook gelegd op het zuidelijke deel van het plangebied waarbij de nieuwe ontwikkeling pas ontwikkeld kan worden na het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid door het college. Water De zijtak van de rivier de Mark, plaatselijk bekend als Roode Vaart is opgenomen in de bestemming ‘Water’. Wonen De bestemming ‘Wonen‘ is opgenomen voor de nieuw te bouwen woningen in het plangebied. De woningen dienen te worden gebouwd binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Verder zijn bouwaanduidingen opgenomen met benoeming van de voorgestane en toegestane bebouwingstypologie. Per bouwvlak is een van de volgende bouwaanduidingen opgenomen: aaneengebouwd, gestapeld, twee- aaneen of vrijstaand. Tevens zijn voor de woningen bepalingen met betrekking tot de maatvoering (bouwhoogte) opgenomen op de verbeelding. Waterstaat – waterkering Deze dubbelbestemming is toegekend aan de waterkering (kernzone inclusief beschermingszones) in het plangebied. Het betreft de ‘keringen langs een regionale rivier’ langs de Roode Vaart (waterkeringen). Deze gronden hebben een waterkerende functie of zijn van invloed op de waterkering.
Er is sprake van samenvallende bestemmingen, waarbij de met Waterstaat - Waterkering 13
samenvallende bestemmingen ondergeschikt zijn. Dit uitgangspunt is vertaald in de bouwregels en heeft tot consequentie dat voor het bouwen binnen deze dubbelbestemming een omgevingsvergunning is vereist. Deze vergunning is niet noodzakelijk voor bouwplannen die betrekking hebben op vervanging en vernieuwing van bestaande bouwwerken. Zodra de vergunning eenmaal is verleend en er zou sprake zijn van vernieuwing, hoeft de vergunning zodoende niet nogmaals te worden aangevraagd. Waarde – Archeologie 7 De gemeente heeft een archeologische beleidskaart vastgesteld. Op basis van deze kaart zijn de archeologische bestemmingen opgesteld. Dit heeft onder andere geresulteerd in de archeologische bestemming Waarde – Archeologie 7. Archeologische waarden worden beschermd door beperkingen te stellen aan bouwmogelijkheden op basis van de onderliggende bestemmingen. Hoe hoger de te verwachten archeologische waarden, hoe groter de beperkingen. Daarnaast is er een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden opgenomen. Wetgevingszone – wijzigingsgebied Een deel van de nieuwe woonwijk ondervindt op dit moment een te hoge geluidbelasting van het naastgelegen bedrijventerrein Molengors. Vanwege deze geluidbelasting is over een deel van het plangebied de aanduiding wetgevingzone - wijzigingsgebied opgenomen.
In de regels is bepaald dat binnen deze wetgevingszone - wijzigingsbevoegdheid pas woningen mogen worden gebouwd, indien uit een nader akoestisch onderzoek industrielawaai is gebleken dat de omliggende bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad en voor de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat is geborgd. 3.2.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels In hoofdstuk drie worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, diverse aanvullende regels gesteld. Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In deze bepaling is onder andere vastgelegd, dat indien de maatvoering van een bestaand, legaal bouwwerk afwijkt van de in de bestemmingen opgenomen maatvoering, de bestaande maat als maximum geldt. Tevens zijn er regels gesteld aan de (her)bouw van woningen.
Daarnaast is geregeld dat bij het bouwen en het wijzigen van het bestaande gebruik, voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de 'Nota Parkeernormen' behorende bij het 'Parkeerbeleid Moerdijk', zoals vastgesteld op 8 oktober 2015, of de rechtsopvolger daarvan. Algemene gebruiksregels In dit artikel is in algemene zin aangegeven wanneer sprake is van strijdig gebruik met de regels uit het bestemmingsplan. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen. Het betreft hier onder meer een standaardregeling die beperkte afwijkingen in de maatvoering bij de uitvoering van bouwplannen mogelijk maakt. 3.2.4 Hoofdstuk 4 Overgangs en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
3.3
Overig
Geometrische plaatsbepaling en verbeelding Voor het tekenen van de verbeelding is een topografische ondergrond gebruikt. Op de verbeelding 14
wordt met lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn op de verbeelding met aanduidingen nadere regels aangegeven. De verbeelding is volgens IMRO2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) getekend. Dit is een eenduidige en technische methode voor het tekenen van geometrisch bepaalde bestemmingen. Hiermee kan ruimtelijke informatie eenvoudig digitaal uitgewisseld worden met andere overheden en samenwerkingspartners. Ook maakt deze methode het mogelijk om het plan via internet te raadplegen.
15
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader
Nationaal beleid
4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie biedt een integraal en vernieuwend kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op nationaal niveau. De structuurvisie schetst de drie ambities van het Rijk tot 2040, namelijk concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. Deze lange termijn ambities vloeien voort uit doelstellingen van het Rijk op de middellange termijn, tot 2028. De drie hoofddoelstellingen zijn concurrerend, bereikbaar en leefbaar & veilig. • Concurrerend: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. • Bereikbaar: Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat. • Leefbaar & veilig: Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving, waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Om deze drie doelen te doen slagen wordt in de SVIR beschreven dat het roer omgegooid moet worden. De ruimtelijke ordening moet zo dicht mogelijk staan bij diegene die het aangaat, de burgers en bedrijven. Daarnaast laat het Rijk meer over aan de provincies en gemeenten en komt de gebruiker meer centraal te staan.
Verder staan in de SVIR 13 nationale belangen beschreven die nagekomen moeten worden bij nieuwe ontwikkelingen. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er geen nationale ambities, doelen of belangen die beschreven staan in de SVIR in het geding. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin de ambities, doelstellingen en belangen uit de SVIR. Het gaat daarbij om de volgende nationale belangen die door de regels in het Barro beschermd worden 1 Rijksvaarwegen 2 Project Mainportontwikkeling Rotterdam 3 Kustfundament 4 Grote rivieren 5 Waddenzee en waddengebied 6 Defensie 7 Hoofdwegen en hoofdspoorwegen 8 Elektriciteitsvoorziening 9 Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen 10 Ecologische hoofdstructuur 11 Primaire waterkeringen buiten het kustfundament 12 IJsselmeergebied 13 Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde Wanneer er voor een nieuwe ontwikkeling een nieuw bestemmingsplan of een ruimtelijke onderbouwing gemaakt moet worden, is het van belang om de regels van het Barro in acht te nemen. In voorliggend bestemmingsplan is geen sprake van invloed op de nationale belangen beschreven in het Barro. Het is daarom niet nodig om voor de ontwikkeling op deze planlocatie aanvullende maatregelen te treffen.
4.1.3 Ladder van duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening sinds 1 oktober 2012. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet een beschrijving van de behoefte plaatsvinden en, indien de ontwikkeling plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Bij deze ontwikkeling gaat het over het realiseren van 45 appartementen, 14 rijwoningen, 12 tweekappers en 9 vrijstaande woningen, momenteel zijn geen woningen aanwezig op de planlocatie. Hierdoor vindt er een getalsmatige toevoeging van 80 woningen plaats. 16
In de Interim Omgevingsverordening maakt de door het Rijk vastgelegde ladder voor duurzame verstedelijking tevens deel uit van de afweging rondom zorgvuldig ruimtegebruik. Voor woningbouwlocaties geldt op basis van jurisprudentie dat pas vanaf 12 woningen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Met de voorgenomen planontwikkeling neemt het planologisch maximum aantal woningen toe met 80 woningen en is dus ladderplichtig. Behoefte De Brabantse Agenda Wonen van de provincie Noord-Brabant bestaat uit een koers voor verdere regionale samenwerking en vernieuwing van de woningbouwafspraken. Belangrijke doelstellingen van deze agenda zijn: de verduurzaming en vernieuwing van de bestaande woningvoorraad, het ombouwen van leegstaand vastgoed naar woningen en de versnelling van de woningbouwproductie. Vanuit deze doelstellingen en ambities is het van provinciaal belang dat woningmarkten op regionale schaal goed functioneren. Daarnaast is het van belang dat het wonen optimaal bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van de provincie Noord-Brabant. De provincie heeft vier regio’s beschreven die samen moeten werken: West-Brabant, Midden-Brabant, Noordoost-Brabant en Zuidoost-Brabant. De voorgenomen planlocatie is gevestigd in de gemeente Moerdijk en dus in de regio West-Brabant.
De regionale woningbouwafspraken voor West-Brabant zijn vastgelegd in het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO). Voor de woningbouwafspraken in de regio West-Brabant is onder meer vastgelegd dat de woningbouwbehoefte en -afspraken per gemeente worden gebaseerd op de woningbouwprognose van de provincie Noord-Brabant. In 2020 heeft de provincie haar bevolkings- en woningbehoefteprognose geactualiseerd. Op basis van deze prognose dient de gemeente Moerdijk 1.365 woningen toe te voegen aan de woningvoorraad in de periode van 2020 tot 2030. De woningen die voorliggend bestemmingsplan mogelijk maakt, passen binnen deze prognosecijfers en tonen de behoefte aan deze 80 woningen aan. Conclusie Er is gekeken naar meerdere nationale beleidsdocumenten, de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de ladder voor duurzame verstedelijking. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de eerder genoemde beleidsdocumenten. Op deze wijze is er voldaan aan de verantwoording van het nationaal beleid.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1 Omgevingsvisie De omgevingsvisie Noord-Brabant is vastgesteld op 14 december 2018. Deze omgevingsvisie bevat de visie van de provincie Noord-Brabant over hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien, dit is de lange termijn visie. Daarnaast wordt ook de middellange termijnvisie besproken, tot 2030. De omgevingsvisie wordt omschreven als een wensbeeld dat richting geeft aan het formuleren van doelstellingen. Het is nadrukkelijk geen regionale strategie, blauwdruk of nieuw kader. De visie van de provincie is een verbonden, vernieuwend, welvarend en klimaatproof Brabant. Dit zorgt ervoor dat Noord-Brabant een provincie is waar mensen goed wonen, werken en recreëren in 2050. • Verbonden: Brabant maakt in 2050 gebruik van zijn centrale ligging door fysieke en sociaalmaatschappelijke verbindingen. Daarnaast zijn we met de gehele wereld verbonden via digitale verbindingen. • Vernieuwend: In 2050 wil Brabant in netwerken actief samenwerken aan oplossingen voor uitdagingen met een maatschappelijk belang. Door fysieke en digitale ontmoetingsplaatsen weten partijen elkaar gemakkelijker te vinden. • Welvarend: De internationale concurrentiepositie van Brabant is versterkt dankzij de voortrekkersrol in de transitie naar een duurzame en innovatieve economie, maar ook door het goede vestigingsklimaat voor kenniswerkers en bedrijven.
• Klimaatproof: Noord-Brabant is in 2050 energieneutraal. De uitstoot van broeikasgassen is dan fors verminderd door een samenwerking tussen bewoners, bedrijven, overheden, innovatieve- en kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties in Brabant. De omgevingsvisie van de provincie Noord-Brabant gaat niet specifiek in op de sector wonen of op de planlocatie. De voorgenomen ontwikkeling past binnen deze omgevingsvisie van de provincie NoordBrabant. 17
4.2.2 Interim Omgevingsverordening De Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant bestaat uit regels, waarvan de provincie het belangrijk vindt dat deze worden toegepast bij ruimtelijke besluiten. Noord-Brabant is opgedeeld in verschillende thema’s, bijvoorbeeld stedelijk gebied of landelijk gebied. Figuur 13 geeft het thema van de planlocatie weer volgens de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. De planlocatie heeft het thema stedelijk gebied, landelijke kern.
Figuur 13: Interim Omgevingsverordening
Het stedelijk gebied, landelijke kern heeft als doel om voldoende draagvlak te creëren voor steden als culturele en economische motor, om zo dichtslibbing van het landelijk gebied tegen te gaan. In de praktijk betekent dit dat het grootste gedeelte van onder andere de woningbouw plaats moet vinden in of aansluitend op stedelijke gebieden. Met als hoofdregel van het beleid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling plaats moet vinden binnen het bestaand stedelijk gebied. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling kan enkel buiten het bestaande stedelijke gebied plaatsvinden in de daarvoor aangeduide gebieden, verstedelijking afweegbaar, in de verordening als er geen mogelijkheden zijn in het bestaand stedelijk gebied. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de Interim Omgevingsverordening, aangezien de bouw van 80 woningen past binnen de hoofdregel van de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. De ontwikkeling is derhalve passend binnen de regels van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. 4.2.3 Omgevingsverordening Noord-Brabant (ontwerp) In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie Noord-Brabant een nieuwe omgevingsverordening in voorbereiding. Het ontwerp van de verordening heeft van 9 april tot en met 20 mei 2021 ter inzage gelegen.
De omgevingsverordening bevat alle regels op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving. Hoewel de Omgevingsverordening Noord-Brabant pas zal gelden op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet en daarmee geen toetsingskader vormt voor voorliggend bestemmingsplan, is in deze paragraaf volledigheidshalve een beoordeling van het plan aan de verordeningsregels opgenomen. 18
Analyse De Omgevingsverordening Noord-Brabant (OVNB) heeft -evenals de Interim Omgevingsverordeningeen opbouw naar doelgroepen. Hoofdstuk 4 van de regels bevat de “instructieregels voor het omgevingsplan gemeenten”. Hierna wordt ingegaan op: • de toedeling van functies; • de bescherming van gebiedskenmerken; • de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies. De toedeling van functies Conform artikel 4.55 OVNB moeten nieuwe stedelijke ontwikkelingen in beginsel binnen het stedelijk gebied worden gerealiseerd. Onderhavig plangebied is onderdeel van het stedelijk gebied van Zevenbergen. Het planvoornemen voldoet aan deze regel. De bescherming van gebiedskenmerken Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de zone ‘reservering waterberging’. In artikel 4.50 OVNB is opgenomen dat het waterbergend vermogen van het gebied in stand moet blijven. Hieromtrent is uitgebreid overleg gevoerd met het waterschap. Het waterschap heeft ingestemd met het planvoornemen (zie paragraaf 5.7). Daarnaast geldt de aanduiding ‘voorkomen grondwaterverontreiniging’. Artikel 4.20 OVNB verplicht onderzoek naar eventuele mobiele verontreinigingen het grondwater. Paragraaf 5.1 bevat een bodemonderzoek, waarin ook de grondwaterkwaliteit is beoordeeld.
De basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies De voor het plan relevante basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies is de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit, die uit drie onderdelen bestaat: 1 Zorgvuldig ruimtegebruik Het planvoornemen betreft een vorm van inbreiding, waarmee sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. 2 Toepassing lagenbenadering Paragraaf 2.1 bevat een analyse van het plangebied en zijn omgeving, waarop het planvoornemen is gebaseerd. 3 Meerwaardecreatie Het planvoornemen geeft een invulling van een verrommeld gebied en de nabijheid van het centrum van Zevenbergen. Het gebied wordt meer toegankelijk voor het publiek, waardoor de Roode Vaart - die een belangrijke functie had in de geschiedenis van Zevenbergen - beter beleefbaar wordt. Conclusie Er is gekeken naar meerdere provinciale beleidsdocumenten, de Omgevingsvisie, de Interim Omgevingsverordening en de omgevingsverordening Noord-Brabant (ontwerp). De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de eerder genoemde beleidsdocumenten. Op deze wijze is er voldaan aan de verantwoording van het provinciale beleid.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1 Structuurvisie “Moerdijk 2030” De structuurvisie “Moerdijk 2030”, vastgesteld door de gemeenteraad op 9 juni 2011, is een integrale visie die inspeelt op de ontwikkeling van de beide werelden van Moerdijk: het grootschalige (inter)nationale Moerdijk enerzijds en het ruime, rustige, agrarische Moerdijk met een veel kleinschaliger karakter anderzijds. De visie beoogt ook deze twee werelden samen te brengen, zodat ze elkaar kunnen aanvullen en versterken. Hieronder is een uitsnede weergegeven van de structuurvisiekaart, met daarop in geel omlijnd het plangebied.
19
Figuur 14: Structuurvisiekaart ‘Moerdijk 2030’
De structuurvisie is geen blauwdruk, maar een handleiding voor de toekomstige ruimtelijke koers van de gemeente met heldere uitgangspunten (spelregels) voor de verschillende partijen. De structuurvisie bestaat uit een visiegedeelte en uitvoeringsparagraaf. De structuurvisie heeft een planhorizon tot 2030 en omvat een integrale ruimtelijke ontwikkelingsvisie met een richtinggevend en programmatisch karakter. Op de bij de structuurvisie behorende verbeelding, zie figuur 14, is het plangebied aangeduid als bedrijventerrein en als dijk met als aanduidingen: ‘Doortrekken Roode Vaart’ en ‘Revitalisering en transformatie’. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de Structuurvisie ‘Moerdijk 2030’ en zal het kanaal de Roode Vaart niet belemmeren. 4.3.2 Paraplunota’s Maatschappij, Leefomgeving en Economisch Klimaat Vanuit de structuurvisie is het gemeentelijke beleid gebundeld en zijn er drie paraplunota's opgesteld. De paraplunota's zijn bedoeld als kapstok voor alle gemeentelijke beleidsnotities. Ze zorgen ervoor dat er meer samenhang tussen beleid is en er minder beleidsplannen in algemene zin gemaakt worden. De gemeentelijke ambities en doelen staan centraal in de paraplunota's. Hieraan kan alle beleid en uitvoering verbonden worden. De uitvoeringsstrategie benoemt de hoofdrichting die wordt ingezet om de doelstellingen te realiseren.
Met de paraplunota's zet Moerdijk nadrukkelijk in op een toekomst in het teken van duurzaamheid. De gemeente wil de mens centraal plaatsen als onderdeel van de samenleving. De samenleving is een samenspel van aspecten die de mens zelf betreffen, de leefomgeving en bedrijvigheid. Moerdijk kiest daarom voor de 'definitie' die betrekking heeft op de 'duurzame samenleving' die uiteen valt in drie pijlers Maatschappij (people), Leefomgeving (planet) en Economisch-Klimaat (profit). • Paraplunota 'Maatschappij' richt zich op mensen en de omgeving waarin zij met elkaar samenleven. De manier waarop mensen met elkaar samenleven, wordt beïnvloedt door de omgeving en andersom. • Paraplunota 'Leefomgeving' richt zich op de fysieke leefomgeving en onderscheidt daarin de elementen bodem, water, lucht, grondstoffen, natuur en de samenhang daartussen. • Paraplunota 'Economisch Klimaat' richt zich op economie en bedrijvigheid. Economisch Klimaat is het 'klimaat' waarbinnen economische ontwikkeling plaatsvindt. Paraplunota ‘Maatschappij’ In de Paraplunota Maatschappij 2014-2030 zijn de ambities uitgewerkt om te bouwen aan een duurzame samenleving. Deze Paraplunota is de laatste in de rij, eerder zijn de Paraplunota’s Leefomgeving en Economisch Klimaat vastgesteld. De gezamenlijke ambitie van de drie Paraplunota’s 20
is een duurzame woon-, werk- en leefomgeving. De Paraplunota Maatschappij gaat over mensen en de omgeving waarin zij met elkaar samenleven. De Paraplunota Maatschappij kent vijf thema’s, te weten wonen, gezondheid, woonomgeving, sociale structuur en ondersteuning. Elke thema heeft een eigen ambitie, die is uitgewerkt in doelen en een uitvoeringsstrategie. Bij wonen wordt gestreefd naar een passende woningvoorraad en ingezet op levensloopbestendigheid, duurzaamheid en veiligheid van met name de bestaande woningvoorraad. Er wordt nagestreefd dat meer inwoners kiezen voor een gezonde leefstijl. De gemeente zet in op een goede en veilige woonomgeving gebaseerd op behoefte en draagvlak. Daarnaast is een goede sociale structuur een basis voor levendig kernen en ondersteuning dichtbij. Van belang is dan dat ondersteuning op elkaar is afgestemd en dat de ondersteuning zo dichtbij mogelijk wordt aangeboden, bij voorkeur in iemands directe leefomgeving. Paraplunota ‘Leefomgeving’ Een schone bodem, helder water, gezonde lucht, zuinig omgaan met grondstoffen en een stevige plaats voor onze natuur. In de paraplunota Leefomgeving worden de hoofdthema’s en –doelen met betrekking tot de fysieke leefomgeving uitgewerkt, met een doorkijk naar 2030. De paraplunota formuleert een aantal kernwaarden: ‘schoon’, ‘veilig’, ‘natuurrijk’, ‘gezond’, ‘vrij van hinder’ en ‘toekomstbestendig’.
Ook voor bedrijven is het belangrijk in een omgeving gevestigd te zijn die deze kernwaarden bezit. De doelen uit de Paraplunota Leefomgeving dragen bij aan een duurzame samenleving. De duurzame samenleving: • voorziet in de behoeften van nu, • doet niet tekort aan de mogelijkheden om toekomstige generaties in hun behoeften te voorzien, en • biedt aan elk individu de mogelijkheid om zich in vrijheid te ontwikkelen, binnen een stabiele maatschappij, in harmonie met zijn omgeving. Paraplunota ‘Economisch Klimaat’ In de Paraplunota Economisch Klimaat zijn de ambities voor economie en bedrijvigheid uitgewerkt, met een doorkijk naar 2030. De paraplunota kent vier hoofdthema’s en doelen die gemeente Moerdijk heeft gesteld voor het economisch klimaat. Het betreft dan voornamelijk doelen om de economische basis op orde te krijgen met de ruimte om te ondernemen en een gezonde arbeidsmarkt. Daarnaast zijn levendige kernen en Moerdijk als toeristische bestemming van belang en tot slot Moerdijk als hoogwaardig knooppunt van industrie en transport. Energieprogramma Moerdijk Het Energieprogramma Moerdijk omvat de visie en ambities voor de lokale energietransitie. Het schetst het pad naar een CO2-neutrale toekomst in Moerdijk. Naar analogie van het Klimaatakkoord zijn hierin vijf sectoren onderscheiden: Elektriciteit, Gebouwde omgeving, Industrie, Landbouw en landgebruik en Mobiliteit.
Elke sector heeft immers eigen doelen. Met de geschetste opgaven in het Energieprogramma draagt Moerdijk evenredig bij aan de nationale en mondiale klimaatdoelen. De gemeente zet zich in voor maximaal haalbare energiebesparing, zodat lokale duurzame energieproductie zo min mogelijk ruimte in beslag neemt. Onnodig energieverbruik kennen we in 2050 niet meer. Daarbij worden de volgende leidende principes gehanteerd: • We zetten in op een haalbare en betaalbare energietransitie; • We werken aan de energietransitie vanuit lokaal draagvlak en initiatief, zonder daarbij de noodzaak van klimaatactie uit het oog te verliezen; • We zetten in op bewezen technologieën en bieden ruimte voor innovaties; • We benaderen de energietransitie als onderdeel van een maatschappelijke transitie; • We doen het samen en geven zelf het goede voorbeeld. Het is een gezamenlijke maatschappelijke verantwoordelijkheid om de energietransitie te doen slagen. Iedereen levert daaraan een eigen bijdrage. De gemeente biedt daarbij een helpende hand door te informeren, waar mogelijk te ontzorgen, initiatieven aan elkaar te koppelen en ruimtelijke kaders te scheppen om de nodige fysieke maatregelen te kunnen doorvoeren. Op het gebied van duurzaamheid worden de normen en eisen ten aanzien van BENG aangehouden voor de nieuw te bouwen woningen. 21
Klimaatstrategie Moerdijk Het klimaat verandert, ook in Moerdijk. Het wordt warmer, droger, natter en de zeespiegel stijgt. En het gaat sneller dan we denken. De droge zomers van 2018 en 2019 drukken ons met de neus op de feiten. De uitdaging voor de komende decennia, is om klimaatproof te worden en te zorgen dat de maatschappelijke effecten van klimaatverandering ten minste op een acceptabel niveau beheersbaar zijn. In de klimaatstrategie wordt ingegaan op: • Wat nu en de komende jaren de invloed van klimaatverandering op onze gemeente is? • Hoe gaan we daarmee om; wat kunnen we als gemeente doen om te zorgen dat de risico’s op korte en langere termijn beheersbaar zijn? • En wat kunnen onze partners doen en onze inwoners? De Klimaatstrategie geeft op hoofdlijnen een uitwerking aan de hoofdopgave ‘Moerdijk klimaatproof’, we schetsen de breedte van de opgave, onze inzet en rol, de uitgangspunten en met wie we hierin zullen samenwerken. De uitwerking van de visie in een uitvoeringsplan volgt drie strategische lijnen van de Moerdijkse Klimaatdialoog die 30 juni 2020 digitaal werd gevoerd: • Gezond leef-, werk- en leerklimaat: We beschermen tegen de negatieven effecten van klimaatverandering en bevorderen en nemen initiatief bij de doorontwikkeling naar een gezond leef-, werk- en leerklimaat.
• Klimaat en het productielandschap 2.0: We faciliteren en promoten een transitie naar een nieuwe toekomstgerichte en klimaatbestendig manier van produceren zonder negatieve invloed op de omgeving. • Samen met de natuur: We herstellen het evenwicht met de natuurwaarden en creëren ruimte voor natuur en biodiversiteit op elke schaal. De gemeente Moerdijk kiest voor schone energie (zoals windenergie, zonne-energie) in plaats van vervuilende fossiele energie (aardolie, aardgas, steenkool) en probeert waar mogelijk de gevolgen van de klimaatverandering in te dammen. De nieuwe woonwijk Kop Roode Vaart zal voldoen aan alle nieuwe duurzaamheids- en energievoorwaarden, zodat waar mogelijk wordt bijgedragen aan de gemeentelijke klimaatstrategie. Een eerste vertaling vanuit de klimaatstrategie naar de nieuwe woonwijk is de vraag hoe voornoemde zaken een plek kunnen krijgen binnen deze ontwikkeling. Concreet is het streven er op gericht om het volgende te realiseren: • Groene daken (in elk geval van alle platte daken: appartementen en projectmatig gebouwde schuren en garages) • 1 boom per nieuwe woning. Conclusie Er is gekeken naar meerdere gemeentelijke beleidsdocumenten, de Structuurvisie, de paraplunota’s en de klimaatsrategie. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de eerder genoemde beleidsdocumenten.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een ontwikkeling die bijdraagt aan een passende woningvoorraad en een verbetering en verbreding van het economische klimaat van de kern Zevenbergen. Op deze wijze is er voldaan aan de verantwoording van het gemeentelijk beleid.
22
Hoofdstuk 5 5.1
Milieutechnische onderzoeken
Bodem
5.1.1 Verkennend bodemonderzoek Roode Vaart In verband met de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek verricht. Dit is een verplichting die voortvloeit uit het Besluit ruimtelijke ordening. Het doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieu-hygiënische bodemkwaliteit. Ten behoeve hiervan is een historisch en veldonderzoek uitgevoerd conform NEN 5725 en NEN 5740. Dit onderzoek is uitgevoerd door Aeres Milieu, opgeleverd op 4 januari 2022, en is bijgevoegd als bijlage 1. In het onderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen de gronden ten westen van de Mark en ten oosten van de Mark. Deellocatie oost: Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met lood, minerale olie, PAK en som PCB. De ondergrond is licht verhoogd met lood, nikkel, zink, PAK en som PCB. De berekende gehaltes liggen beneden de tussenwaarde (= het gemiddelde van de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden voor grond). Het freatisch grondwater is licht verhoogd met xylenen en naftaleen. Het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek wordt op het oostelijk terreindeel niet noodzakelijk geacht. Deellocatie west: Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met zware metalen, som PCB, minerale olie en PAK. In de ondergrond zijn lichte verhogingen met zware metalen, minerale olie en PAK aangetoond.
De berekende gehaltes liggen echter beneden de tussenwaarde (= het gemiddelde van de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden voor grond). In het freatisch grondwater zijn lichte verhogingen xylenen, naftaleen, barium en molybdeen aangetoond. Het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek wordt op het westelijk terreindeel niet noodzakelijk geacht, met uitzondering voor de percelen aan de Huizersdijk 3 en 5. 5.1.2 Vervolgonderzoeken Huizersdijk 3 en 5 Een gedeelte van de westelijke deellocatie ter plaatse van de Huizersdijk 5 was niet toegankelijk ten tijde van het uitvoeren van het verkennend bodemonderzoek en is daarom niet onderzocht. Voorafgaand aan de herontwikkeling of bij grondroerende werkzaamheden dient ter plaatse eerst een verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd, om inzicht in de bodemkwaliteit te krijgen. Aansluitend kan de aanwezigheid van asbest in de bodem bij de in gebruik zijnde bedrijfskavels op het adres Huizersdijk 3 en 5 niet geheel worden uitgesloten. Bij de Huizersdijk 3 dient daarvoor eerst de aanwezige bebouwing te zijn gesloopt en bij de Huizersdijk 5 dient toegang tot het terrein te worden verschaft. Voorafgaand aan de herontwikeling of bij grondroerende werkzaamheden dient ter plaatse dus nog een verkennend onderzoek asbest in bodem, conform de NEN 5707, te worden uitgevoerd.
5.1.3 Conclusie De resultaten van het verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek voor het merendeel van het plangebied. Wel dient bij grondwerkzaamheden rekening gehouden te worden met de historische verontreiniging in de ondergrond en de hiervoor geldende nazorg. De uitzondering hierop wordt gevormd door de percelen aan de Huizersdijk 3 en 5. Voor deze percelen dient voorafgaand aan de herontwikkeling nog een verkennend bodem- en asbestonderzoek te worden uitgevoerd. Hiervoor is er in de regels van voorliggend bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Afhankelijk van de voortgang van de procedure worden deze onderzoeken verricht in het kader van het bestemmingsplantraject of straks toegevoegd bij de aan te vragen omgevingsvergunningen voor de uitvoering van het woningbouwplan.
5.2
Geluid
In de Wet geluidhinder worden verschillende objecten, waaronder woningen, beschermd tegen bijvoorbeeld weglawaai en industrielawaai. De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in diezelfde wet. In een bestemmingsplan moet aangetoond worden dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, bijlage 2, en een onderzoek bedrijven en milieuzonering, bijlage 3, nodig. 23
5.2.1 Wegverkeerslawaai In verband met de realisatie van het plan wordt een ruimtelijke procedure doorlopen. In het kader van deze procedure is conform het gestelde in de Wet geluidhinder (Wgh) een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting ten gevolge van de zoneringsplichtige geluidbronnen waarvan de zone het plangebied overlapt. De geluidbelasting is getoetst aan het stelsel van voorkeurswaarde en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. In het kader van de Wet geluidhinder is de geluidbelasting ten gevolge van de Kristallaan, Sint Jorisstraat, Haveneind en Kerkhofweg inzichtelijk gemaakt. Ten gevolge van het wegverkeer op de Kristallaan, Sint Jorisstraat, Haveneind en Kerkhofweg bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 47 dB inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder. De voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder wordt gerespecteerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de gecumuleerde geluidbelasting exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder van alle wegen inzichtelijk gemaakt. Uit de rekenresultaten blijkt dat enkel ter plaatse van de westgevel van de rijwoningen de berekende geluidbelasting te beoordelen is als ‘matig’. Ter plaatse van de andere gevels van de rijwoningen, andere woningen en appartementen binnen het plan is de geluidbelasting te beoordelen als “redelijk” tot “goed”.
Maatregelen teneinde het verlagen van de geluidbelasting zijn onderzocht en zijn niet doelmatig of stuiten op overwegende bezwaren. In het kader van een goed woon- en leefklimaat wordt geadviseerd voor de berekening van de geluidwering van de gevel uit te gaan van deze gecumuleerde ongecorrigeerde geluidbelastingen. 5.2.2 Industrielawaai Op basis van de richtlijn ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) is beoordeeld of voldaan wordt aan de richtafstanden voor inpassing. Algemeen Voor de gronden met een bedrijfsbestemming c.q. bedrijven binnen de reguliere bestemmingsplannen (niet-zijnde een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) zijn de juridisch-planologische mogelijkheden in kaart gebracht middels de systematiek van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Geconcludeerd kan worden dat voor de nabij het plangebied gelegen gronden met een (bedrijfs)bestemming, zoals opgenomen in de bestemmingsplan ‘Kop Roode Vaart’ en ‘Centrum Zevenbergen’ de maximale richtafstanden niet tot over het plangebied zijn gelegen.
Bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte Voor de bedrijvigheid ter plaatse van de bestemmingsplannen ‘Bedrijventerrein Molengors’ en ‘Paraplu bestemmingsplan geluid bedrijventerrein Molengors’ is in het parapluplan op basis van maatwerk gekozen voor het werken met geluidruimte voor een tweetal bedrijven, en zijn geluidzones opgenomen. De overige bedrijven vallen onder milieucategorie 2 met standaard gebruiksruimte. Deze ruimte moet voldoende zijn voor het kunnen voortzetten van de bestaande bedrijfsactiviteiten zonder aanpassingen van de bedrijfsactiviteiten of door het treffen van maatregelen. Op basis van de standaard gebruiksruimte en de geluidzones in bestemmingsplannen ‘Bedrijventerrein Molengors’ en ‘Paraplu bestemmingsplan geluid bedrijventerrein Molengors’ is voor wat betreft zowel een deel van de op grond van het bestemmingsplan toegestane bedrijvigheid als voor een deel van de feitelijk aanwezige bedrijvigheid c.q. ‘vergunde’ gebruiksruimte, in eerste instantie geen sprake van voldoende ruimtelijke scheiding ten opzichte van de gevoelige functies binnen het nieuwe woningbouwplan.
Voor het overige deel van het plan en de daarin gelegen gevoelige functies binnen het nieuwe woningbouwplan is wel sprake van voldoende ruimtelijke scheiding, wordt geen (onaanvaardbare) milieuhinder verwacht en is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen in het plangebied. Gevaar, geur en stof Uit de nadere beschouwing blijkt dat van de bedrijvigheid ter plaatse van de bestemmingsplannen ‘Bedrijventerrein Molengors’ geen hinder in de vorm van gevaar, geur en stof mag worden verwacht. Geluid Ten aanzien van het milieuaspect geluid zijn een tweetal bedrijven (Autobedrijf Withagen B.V. en Dielemans Plastics) en twee bedrijfspercelen uit het Paraplu bestemmingsplan geluid bedrijventerrein 24
Molengors (met aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – bedrijfsperceel 1’ en ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – bedrijfsperceel 2’) nader onderzocht. Autobedrijf Withagen B.V. en Dielemans Plastics Hieruit blijkt dat zowel de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als de maximale geluidniveaus veroorzaakt door activiteiten bij de bedrijven ter plaatse van alle woningen voldoen aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Bedrijfsperceel 1/2 Zowel de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als de maximale geluidniveaus ten gevolge van de activiteiten op de bedrijfspercelen met aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – bedrijfsperceel 1/2 voldoen niet aan de grenswaarde uit artikel 3 (tabellen 4 en 6) uit het Paraplu bestemmingsplan geluid bedrijventerrein Molengors. Wel wordt voldaan aan het tot maximaal 5 dB hoger afwijken van de grenswaarden op basis van artikel 3.1.5. Gezien bovenstaande kan voldaan worden aan de voorwaarden voor afwijking van de grenswaarden zoals gesteld in artikel 3.1.5 uit het Paraplu bestemmingsplan geluid bedrijventerrein Molengors. Hierdoor zullen in voorliggend bestemmingsplan direct de 5 dB verhoogde grenswaarden opgenomen worden. Conclusie Als gevolg van zowel de bedrijfsvoering van Autobedrijf Withagen B.V.
en Dielemans Plastics als de activiteiten op de bedrijfspercelen met aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – bedrijfsperceel 1’ en ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – bedrijfsperceel 2’ kan geen onaanvaardbare geluidhinder worden verwacht wanneer er wordt afgeweken van de genswaarden tot maximaal 5 dB, conform de afwijkingsbevoegdheid in de regels van het bestemmingsplan.. Tevens worden Autobedrijf Withagen B.V. en Dielemans Plastics niet belemmerd in haar huidige bedrijfsvoering als gevolg van de realisatie van het woningbouwplan, aangezien de geluidniveaus voldoen aan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook worden activiteiten op de Bedrijfspercelen – 1 en 2 niet belemmerd als gevolg van de realisatie van het woningbouwplan. Als gevolg van deze bedrijven c.q. bedrijfspercelen wordt ter plaatse van de woningen in het plangebied geen (onaanvaardbare) milieuhinder verwacht, zodat aldaar sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.3
Luchtkwaliteit
De regelgeving omtrent de luchtkwaliteit staat in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Hierin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen. Het doel van deze wet- en regelgeving is het zorgen voor een goede luchtkwaliteit en het beschermen van de burgers tegen de mogelijk negatieve gevolgen van luchtverontreiniging. Als er ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) sprake is van luchtverontreiniging, dan hoeft er niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. Een nadere uitwerking van deze regelgeving is vastgelegd in het Besluit niet in betekenende mate en de Regeling niet in betekenende mate. In de Regeling staan categorieën vermeld die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt. Dit voor onder meer woningbouwlocaties, als een dergelijke locatie netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat. De realisatie van het woningbouwplan op de locatie Roode Vaart heeft een omvang van 93 woningen en valt dus ruimschoots binnen de categorie die als ‘niet in betekenende mate’ wordt aangemerkt. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit.
Om dit aan te tonen is gebruik gemaakt van de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Op de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland zijn de volgende gegevens opgehaald. Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
2020 14,8 8,0
2030 13,0 6,7
Bovenstaande tabel toont aan dat de hoeveelheden fijn stof afnemen en bovendien in de laagste categorie vallen. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie. 25
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling, omdat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
5.4
Externe veiligheid
Transport over het water en de weg Het plangebied bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van een waterweg of weg waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, waardoor dit aspect geen aandachtspunt vormt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Transport over het spoor Op circa 700 meter van het plangebied is de spoorlijn Zevenbergschenhoek aansl. – Roosendaal aansl. gelegen. Deze spoorlijn heeft geen PR 10-6-risicocontour maar wel een PAG, echter op grond van de ruimtelijke scheiding vormt het PAG geen aandachtspunt. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen en gassen als gevolg van deze spoorlijn. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor (toxisch scenario) dienen meegenomen te worden in een verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een PR 10-6 contour, maar wel binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen die gevestigd zijn op industrieterrein Moerdijk. De risico’s als gevolg van deze aanwezigheid van risicovolle inrichtingen (toxisch scenario) dienen meegenomen te worden in een verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. De verantwoording van de hoogte van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 4.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.5
Bedrijven en milieuzonering
Het is noodzakelijk om een ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met de methodiek (stappenplan) van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. In deze brochure is een richtafstandenlijst voor gemiddelde bedrijven opgenomen met informatie over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. De bedrijven zijn opgedeeld in verschillende categorieën en iedere categorie hangt samen met een bepaalde richtafstand. Categorie 1 staat voor een richtafstand van 10 meter, categorie 2 voor een richtafstand van 30 meter, categorie 3.1 voor een richtafstand van 50 meter, categorie 3.2 voor een richtafstand van 100 meter, categorie 4.1 voor een richtafstand van 200 meter en categorie 4.2 voor een richtafstand van 300 meter. In stappen 1 en 2 wordt onderzocht of gevoelige functies [zoals woningen] binnen de richtafstand van bedrijven komen te liggen. Indien de richtafstand wordt gerespecteerd kan verdere toetsing achterwege blijven en is inpassing mogelijk. Hierbij moet echter uitdrukkelijk worden opgemerkt dat de publicatie 'richtafstanden' aangeeft. Er is uitgegaan van een gemiddeld bedrijf en er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een grotere of kleinere afstand uitgegaan kan of moet worden.
Dit dient dan echter te allen tijde zorgvuldig te worden gemotiveerd. De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie (zoals een woning of woonschip) die volgens het bestemmingsplan of vergunningvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn per afzonderlijke milieucategorie verschillende richtafstanden opgenomen die kunnen worden aangehouden tot gevoelige functies teneinde de hinderlijke invloed van bedrijfsactiviteiten op gevoelige functies te beperken. Deze richtafstand is gebaseerd op de als gevolg van de bedrijfsactiviteiten te verwachten milieuhinder (vanwege geur, geluid, stof of gevaar). Er kan hierbij een onderscheid worden gemaakt tussen de gebiedstypes ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Voor de beoordeling van een goede inpassing wordt onderscheid gemaakt in twee omgevingstypes. De twee omgevingstypes die de VNG hanteert, zijn enerzijds “rustige woonwijk en rustig buitengebied” en anderzijds “gemengd gebied”. Voor beide omgevingstypen gelden verschillende richtafstanden. De te onderscheiden omgevingstypen worden onderstaand nader 26
getypeerd. Rustige woonwijk en een rustig buitengebied “Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stilte gebied of een natuurgebied. ” Gemengd gebied “ Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied metoverwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Het omgevingstype wordt bepaald door de omgeving waarin de planrealisatie plaatsvindt en niet door het plan zelf. Het vertrekpunt vormt in algemene zin de afstand behorend bij een rustige woonwijk en een rustig buitengebied.