2a. Randweg Klundert_VG_Toelichting
Tekst van het document
Het gaat daarbij om de combinatie van de toegestane bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
27
verstoringsdiepte en de oppervlakte van een geplande ontwikkeling. Deze grenzen zijn bepaald op basis van de gemeentelijke archeologiekaart en gemeentelijke belangen. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende dieptegrenzen vastgesteld op basis van de bodemopbouw van de gemeente; juist door de gemeente specifieke situatie in beeld te brengen kan veel onnodig archeologisch onderzoek worden voorkomen. In die delen waar een lage archeologische verwachting geldt of geen archeologische resten meer aanwezig kunnen zijn, geldt dat indien er toch archeologische waarden worden gevonden worden bij bouw- of andere werkzaamheden hiervan direct melding gemaakt dient te worden volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de Minister van OC&W in dit geval kan dat ook bij de gemeente. Dan kan alsnog besloten worden dat het werk stilgelegd moet worden om de archeologische waarden te documenteren. Onderzoek en conclusie Archeologie In het kader van het bestemmingsplan is een bureauonderzoek naar archeologie uitgevoerd (Bijlage 8).Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat in het plangebied resten uit de periode Laat-Paleolithicum en Mesolithicum in de top van de pleistocene afzettingen worden verwacht.
Resten uit de periode Late Middeleeuwen worden verwacht in de top van het Hollandveen onder de getijdenafzettingen. Deze getijdenafzettingen hebben een verwachting voor resten uit de Nieuwe tijd. Op basis van de conclusies in het onderzoek wordt de vigerende archeologische dubbelbestemming uit het bestemmingsplan Buitengebied gehandhaafd. Voorafgaand aan de aanleg van de randweg zal nader archeologisch onderzoek worden uitgevoerd om de mogelijkheid van archeologische resten ter plaatse uit te sluiten.
4.9
Cultuurhistorie
Regelgeving en beleid Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande weten regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
28
bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Onderzoek De polder waarin de nieuwe Randweg is gelegen is op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart aangeduid als gebied dat onderdeel uitmaakt van de Zuiderwaterlinie bij Willemstad en Klundert.
Deze zone is een relatief gaaf open polderlandschap, bestaande uit enkele grotere kernpolders waartegen kleinere polders zijn aangedijkt. In het polderland liggen enkele voormalige kreken. De strategische ligging van het gebied komt tot uitdrukking in de vestingwerken van Willemstad en Klundert, in (restanten van ) forten en in voormalige inundatiegebieden. Op de Cultuurhistoriekaart van de gemeente Moerdijk is dat ook weergegeven. Een uitsnede van de kaart is opgenomen in figuur 4.2
Figuur 4.2 Uitsnede Cultuurhistoriekaart Moerdijk Vanwege de strategische ligging aan de zuidelijke grens van Nederland is Klundert in het verleden tot vestingnederzetting uitgebouwd. Klundert werd rond circa 1581-1583 op aandringen van Willem van Oranje een vestingstadje. In 1586-1588 werd de eerste omwalling al vervangen door verdedigingswerken die Adriaan Antonisz had ontworpen. Klundert werd verder versterkt tussen 1600-1650. Er werden daarbij in totaal zeven bastions, twee redouten, twee ravelijnen, een voorwal en een voorgracht aangelegd. De vesting werd in 1809 opgeheven nadat sinds 1750 het verval volgde. De vestingwerken aan de noord- en de zuidkant zijn goed bewaard gebleven. Tussen 1931 en 1979 is de omwalling
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
29
gerestaureerd. De restauratie van de Suykerbergh vond in 1948 plaats. Een goed bewaard gebleven onderdeel van de vestingwerken zijn de Stenen Poppen uit 1583. Deze gemetselde dam (beer) werd voorzien van een spitse rand, met daarop de poppen (monniken). Doel van deze dam was het oversteken van de gracht onmogelijk te maken alsmede het scheiden van het zoute water of het sterk stromende water van een grote waterpartij. Een ander zichtbaar en goed bewaard onderdeel van de vestingwerken is de Verlaatsheul. Voor de uitwatering van de Botte Kreek is er aan de noordzijde van Klundert een sluis (verlaat) aangelegd. Deze sluis regelt de waterstand in de Botte Kreek. De huidige gewelfde sluis heeft in de boog een sluitsteen met het jaartal van de restauratie in 1769 erop. Daarnaast is aan de zuidoostzijde van de vestingwerken het Wachtertje gesitueerd, een gewelfd sluisje uit 1792, dat het water in de grachten op peil houdt. Klundert maakt met haar vestingwerken onderdeel van de Zuiderwaterlinie. De categorie vestingwerken heeft betrekking op de lijnvormige verdedigingswerken die al dan niet onderdeel uitmaken van een vesting. Daarbij gaat het om (het samenstel van) wallen, bastions, contra-escarpes en retranchementen. De schootsvelden zijn nog in zeer hoge mate vrij van permanente bebouwing.
Onder een 'schootsveld' worden de terreinen rond een fort, vesting, of delen daarvan verstaan, die effectief met wapens konden worden bestreken en derhalve moesten worden vrijgehouden van (permanente) bebouwing. De contouren van de vesting en de ligging van het bijbehorende schootsveld zijn weergegeven in figuur 4.3 Op deze kaart uit het gemeentelijke landschapskwaliteitsplan (2016) zijn ook de cultuurhistorisch waardevolle lijnen te zien. Het gaat dan met name om de Stoofdijk en de Klundertsedijk, die respectievelijk de noordelijke en de zuidelijke grens van de Westpolder vormen. Ook zijn de overblijfselen (sloten) van de Moye Keene (nu verlamde Vaart genoemd) te zien.
Figuur 4.3 Cultuurhistorische waarden en ontginningsstructuren (Landschapskwaliteitsplan) Met de ligging in het schootsveld van de vesting wordt rekening gehouden door de nieuwe weg zo min mogelijk te accentueren in het landschap. Dit betekent dat er geen opgaand begeleidend groen (bomen) wordt toegepast. Op die manier blijft de landschappelijke openheid die het schootsveld kenmerkt zoveel mogelijk behouden. Tevens zijn het schootsveld en de vestingwerken vanaf de nieuwe weg op deze manier het best te ervaren. In het landschapsplan is hier ook rekening mee gehouden door de historische openheid te behouden en vanaf de weg het zicht op de vesting en de historische boerderij te behouden. In het bestemmingsplan is ter bescherming van de openheid van het schootsveld een aanduiding opgenomen.
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
30
4.10
Landschap
Het gehele grondgebied van de gemeente Moerdijk kan worden gerekend tot het zeekleigebied. Kenmerkend voor dit landschapstype is het ringvormige dijkenpatroon met de daaraan gekoppelde wegen en bebouwing en het rechtlijnige wegenpatroon in de polders. In tegenstelling tot het gebogen dijkpatroon, worden de polders binnen de dijken doorsneden door een rationeel rechtlijnig wegenpatroon. Het kavelpatroon is overwegend blokvormig. Plaatselijk is de langgerekte slagenverkaveling nog enigszins aanwezig. De maatvoering van deze kavels is echter dermate groot dat de langgerekte vorm in het veld nauwelijks meer herkenbaar is. Karakteristiek voor het zeekleilandschap zijn verder het open landschapsbeeld in de polders, de kreekrestanten en de verspreide boerderijen, soms omgeven door forse erfbeplantingen, waardoor het beeld ontstaat van groene eilanden in de open ruimte. De nog aanwezige kreken en hun systeem van geulen en kreekruggen zijn van grote ecologische waarde voor natte natuur. Landschappelijk deelgebied Verlamde Vaart In het landschapskwaliteitsplan van de gemeente Moerdijk (2016) is het plangebied ingedeeld bij “Jonge polders van de Dintel, de Mark en de Verlamde vaart”.
Figuur 4.4 Deelgebied Jonge polders van de Verlamde Vaart (in lichtgroen, Landschapskwaliteitsplan) De gebiedskenmerken en landschappelijke kernkwaliteiten van het deelgebied “Jonge polders van de Dintel, de Mark en de Verlamde vaart” zijn als volgt benoemd. Laatste ingepolderde gebieden langs de centraal gelegen waterlopen de Keenehaven en de Verlamde Vaart en de zuidelijke waterlopen de Dintel en de Mark Ontstaan voornamelijk in de 18e eeuw in de overgebleven en langgerekte getijdengeulen Jongste polders - halspolders - liggen aanzienlijk hoger dan de ingeklonken oude polders Intensief agrarisch gebruik met voornamelijk akkerbouw Kavelstructuren onregelmatig op het water gericht Watergangen zijn amper waarneembaar in het landschap (behalve vanaf dichtbij of een brug / duiker) Van oorsprong weinig erven en bebouwing binnen het deelgebied
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
31
Oorspronkelijke laanbeplanting langs de dijkwegen met essen, linden en iepen (zoals langs de Nieuwlandsedijk, Nieuwendijk tot Manciadijk en plaatselijk langs de dijken van de Mark en de Dintel) In het kader van de nieuwe randweg is een landschapsvisie opgesteld. Bij de uitwerking van de landschappelijke inpassing is deze vanuit verschillende oogpunten vormgegeven. Omgeving De Randweg wordt onopvallend (open en laag) in het landschap ingepast (behalve bij de aansluiting bij de Stoofdijk); Niet alleen het water maar ook de brede oevers aan de beide zijden van de Verlamde Vaart worden overbrugd waardoor de Verlamde Vaart een accent vormt. Vanaf de weg In stand houden van de beleving van openheid en zicht op vesting Klundert, historische boerderij en beplante Stoofdijk als rand van de polder; Accentueren van de rotonde op de Stoofdijk met landschappelijke beplanting of een landschapselement; De aansluiting van de Zevenbergseweg op Randweg accentueren door middel van een landschapselement dat geen massa vormt in de open ruimte (zoals een poel); Voor bomen langs de Zevenbergseweg 'uitsterf principe' toepassen vanwege gewenste openheid.
Enkele solitaire bomen nabij poel als accent behouden en/of aanplanten; Kruising met de Verlamde Vaart accentueren door 'brug(leuning)'; De gemeente Moerdijk heeft de ambitie om de kippenschuur landschappelijk in te passen (Aanplanten 'erfbeplanting' bij schuur/kruising met locatie voormalige noordelijke dijk Westpolder). Ecologisch oogpunt Inheemse soorten gebruiken voor plaatsen die worden aangeplant zoals rotonde Stoofdijk, aansluiting Randweg op Zevenbergseweg en 'erfbeplanting' landbouwschuur; Bermen geschikt maken voor kruidenrijke begroeiing passend in dit gebied en extensief te onderhouden om deze duurzaam in stand te houden. Het uitwerken van de ecologische verbindingszone langs de Verlamde Vaart verdient aandacht bij de verdere uitwerking hiervan. Er dient nader onderzocht te worden voor welke doelsoorten deze verbindingszone moet worden ingericht. Het ontwikkelen van de ecologische verbindingszone betekent dat er een zone van tussen de 25 en 40m breed ingericht moet worden als natuurontwikkelingsgebied (gecombineerd met waterberging) met de Verlamde Vaart daarin opgenomen (Bron: Ecologische verbindingszones, Beleidsevaluatie 2006-2010, Provincie Noord-Brabant, 2012). Niet alleen het water maar ook brede oevers aan beide zijden van de Verlamde Vaart overbruggen waardoor een ecologische verbinding ontstaat.
Hiervoor is een onder de weg doorlopende berm van circa vijf meter aan beide zijden van de Verlamde Vaart nodig. De exacte breedte is afhankelijk van voor welke doelsoorten de ecologische verbindingszone wordt ingericht. Cultuurhistorie De openheid handhaven die is ontstaan, zowel vanuit het schootsveld en inundatiegebieden als vanuit het gebruik als landbouwpolder; Zicht op de vesting Klundert en historische boerderij behouden. Deze uitgangspunten leiden vervolgens tot een landschapsinrichting, die is opgenomen in figuur 4.5.
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
32
Figuur 4.5 Landschappelijke inpassing
4.11
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
33
meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek en conclusie Door de aanleg van de nieuwe randweg om Klundert verplaatst het bestaande verkeer tussen de Zevenbergseweg en de Stoofdijk van de kern naar deze nieuwe weg. Hierdoor zal de luchtkwaliteit van de nieuwe weg vergelijkbaar zijn met de huidige luchtkwaliteit ter plaatse van de bestaande wegen. Op basis van de NSL-monitoringstool gelden langs deze weg geen overschrijdingen van de grenswaarden. Langs de nieuwe weg zullen deze grenswaarden ook niet worden overschreden. Een berekening met de NSL rekentool bevestigt dat: de bijdrage van het verkeer op de nieuwe weg aan de luchtkwaliteit ligt ver onder de jaargemiddelde grenswaarde.
Figuur 4.6 Weergave NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl, kaartbeeld van 5-3-2021)
4.12
Externe veiligheid
Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicorelevante inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten.
Beide liggen bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
34
op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar.
Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Onderzoek Risicovolle inrichtingen In de directe omgeving van de ontwikkeling zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig die een belemmering vormen voor de ontwikkeling. Op enige afstand ligt het Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk. Daar zijn grote risicovolle inrichtingen aanwezig. Omdat de randweg geen (beperkt) kwetsbaar object is, vormt de aanwezigheid van deze inrichtingen geen belemmering voor het project. Vervoer van gevaarlijke stoffen In de nabije omgeving van het projectgebied worden er geen gevaarlijke stoffen vervoerd over het spoor of het water. Het tracé van de nieuwe weg kruist een propyleenleiding met een werkdruk van maximaal 100 bar. Er gelden beperkingen voor het bouwen van (beperkt) kwetsbare objecten in de nabijheid van de leiding. Bij overige werkzaamheden, zoals de aanleg van de weg, zal rekening gehouden moeten worden met een veilige instandhouding van de leiding. De leidingbeheerder is betrokken bij de voorbereiding van het bestemmingsplan. Daarbij heeft de leidingbeheerder aangegeven dat de pijpleiding dient te allen tijde voor DOW bereikbaar te zijn voor beheer en onderhoud. 'vrij-toegankelijk” betekent dat de leidingbeheerder de mogelijkheid houdt om onderhoud en inspecties uit te voeren aan de leiding.
Voorbeelden daarbij zijn (niet limiterend): Geen obstructies zoals hekwerk Geen Diepwortelende vegetatie Geen ophogingen Als bovenstaande voorbeelden niet mogelijk zijn in de uitvoering, dan is aanvullend overleg nodig om te bezien wat de mogelijkheden zijn om in de toekomst toch onderhoud aan de leiding uit te kunnen bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
35
voeren. Omdat er nog geen uitgewerkte schets ligt, is het lastig om nu in detail aan te geven op welke wijze het belang van de leidingbeheerder geborgd gaat worden. Maar dat de leidingbeheerder onderhoud en inspecties kan blijven uitvoeren, is een randvoorwaarde voor de technische uitwerking. Tijdens de technische uitwerking van de randweg wordt met DOW afstemming gezocht met betrekking tot het kruisen van de pijpleiding zodat de bereikbaarheid zo veel mogelijk in stand blijft. De kruising zal zo uitgevoerd worden dat de integriteit van de leiding niet in het geding komt. Oprichten risicobron Daarnaast vinden er jaarlijks circa 36 transporten plaats aan GF3 over de Zevenbergseweg. Deze transporten zullen na aanleg van de weg plaatsvinden over de nieuwe Randweg en daarna alsnog de kern van Klundert in rijden. Per saldo zal het aantal transporten met gevaarlijke stoffen in de nieuwe situatie minder (beperkt) kwetsbare objecten passeren, de faalkans van een transport is over de nieuwe Randweg kleiner dan in de huidige situatie. Het groepsrisico zal als gevolg van de wijziging afnemen. Omdat er wel (beperkt) kwetsbare objecten in het invloedsgebied van de nieuwe randweg liggen is hieronder een beknopte verantwoording van het groepsrisico gegeven. Beknopte verantwoording De nieuwe Randweg sluit aan op de Zevenbergseweg en de Stoofdijk.
De Zevenbergseweg betreft een provinciale weg (N285) en de Stoofdijk sluit in zuidelijk richting via de Boerendijk aan op de rijksweg A59. Het bestaande wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Met de verplaatsing van de transportroute gevaarlijke stoffen naar de nieuwe randweg wijzigt de risicosituatie. Gezien de route in mindere mate door het dorp loopt (langs woningen) zal het groepsrisico afnemen. Wel liggen er ook langs de nieuwe randweg kwetsbare objecten. Aanwezigen zullen naar verwachting in de hoofdzaak zelfredzame personen betreffen. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen.
Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Dit zal naar verwachting plaatsvinden via een lokale melding van NL-alert.
4.13
Niet-gesprongen explosieven
In het kader van de aanleg van de nieuwe randweg is bureauonderzoek (Bijlage 10) gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven. Binnen de gemeente Moerdijk hebben in de Tweede Wereldoorlog verschillende gevechtshandelingen plaatsgevonden. Hierdoor is de locatie van de toekomstige randweg verdacht voor het aantreffen van niet-gesprongen explosieven. De gehele locatie is verdacht voor het aantreffen van geschutsmunitie. Daarnaast is een deel van het plangebied verdacht voor het aantreffen van achtergebleven handmunitie, zoals handgranaten en klein-kalibermunitie. Voorafgaand aan het uitvoeren van bodemroerende werkzaamheden wordt geadviseerd om nader onderzoek te doen naar de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven.
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
36
Figuur 4.7 Kaart conclusies onderzoek CE (Bron: Beobom)
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
37
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
38
Hoofdstuk 5
5.1
Bestemmingsregeling
Planvorm
In dit hoofdstuk In dit hoofdstuk wordt een toelichting op de systematiek en de inhoud van de verschillende toegekende bestemmingen van het bestemmingsplan gegeven. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Het plan voldoet aan de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Het handboek van de gemeente Moerdijk vormt de basis voor dit bestemmingsplan, aangevuld met de geldende regels uit het bestemmingsplan Buitengebied.
5.2
Systematiek bestemmingen
De regels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels (hoofdstuk 1); 2. Bestemmingsregels (hoofdstuk 2); 3. Algemene regels (hoofdstuk 3); 4. Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4). De regels zijn zoveel mogelijk opgebouwd conform het handboek bestemmingsplannen van de gemeente Moerdijk en sluit tevens aan bij de systematiek van de meest recente bestemmingsplannen voor de kernen binnen de gemeente. Hierna worden de vier hoofdstukken kort toegelicht. Hoofdstuk1 Inleidende regels In dit hoofdstuk zijn diverse begrippen verklaard, die in de regels zijn opgenomen. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is in hoofdstuk 1 het artikel ‘wijze van meten’ opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de feitelijk in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. Per artikel is bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende bestemmingen. Hoofdstuk3 Algemene regels In hoofdstuk 3 worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, diverse aanvullende regels gesteld.
Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn algemene bepalingen opgenomen ten aanzien van bestaande bouwwerken. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van parkeren, waarbij is bepaald dat een omgevingsvergunning uitsluitend verleend kan worden indien voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt geregeld wat in het kader van dit bestemmingsplan in ieder geval wordt gezien als strijdig gebruik. Daarnaast wordt bepaald dat het houden van evenementen niet wordt gezien als strijdig gebruik binnen het bestemmingsplan. Algemene aanduidingsregels
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
39
Op basis van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied gelden binnen het plangebied enkele specifieke aanduidingen. Deze aanduidingen zijn met de bijbehorende regels overgenomen in dit bestemmingsplan. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen. Het betreft hier onder meer een standaardregeling die beperkte afwijkingen in de maatvoering bij de uitvoering van bouwplannen mogelijk maakt. Daarnaast is een regeling opgenomen voor het afwijken van bouwregels ten behoeve van de realisatie van duurzaamheidsmaatregelen. Overige regels In dit artikel is bepaald dat, voor zover er verwezen wordt naar wettelijke regelingenn, de regelingen gelden op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan. Hoofdstuk4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
40
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Naar aanleiding van klachten van bewoners in verband met verkeersoverlast, is in 2012 gestart met een eerste onderzoek naar de verkeerssituatie in en rondom Klundert. Er is sprake van conflicterende verkeersstromen in smalle straten. De gemeenteraad heeft vervolgens opdracht gegeven voor een nadere verkenning met mogelijke tracévarianten. Er zijn verschillende varianten onderzocht, waarbij tracévariant A3 als voorkeursvariant is vastgesteld op 23 april 2015. Er zijn diverse gesprekken gevoerd met grondeigenaren, pachter, bewoners van 't Walletje, Zevenbergsepoort, Oliemolenstraat en omgeving, de stadstafel Klundert en andere belanghebbenden. Voor de uitwerking van de randweg tracévariant A3 is het overleg met een grote groep belanghebbenden op 12 december 2017 richtinggevend geweest voor het vervolgproces. ln algemene zin kan geconcludeerd worden dat een meerderheid van de bewoners uit de directe omgeving positief staan ten opzichte van de aanleg van de randweg, dat men de noodzaak daarvoor onderschrijft en dat de voorkeur ligt bij de tracévariant A3. Op 17 november 2021 is een informatieavond gehouden voor belanghebbenden. Tijdens deze informatieavond is wederom naar voren gekomen dat een meerderheid de voorkeur heeft voor tracévariant A3 op voorwaarde dat de noodzaak van de weg is aangetoond. Deze noodzaak is na de informatiebijeenkomst met diverse onderzoeken aangetoond.
Daarmee is aan de voorwaarde voldaan en kan gesteld worden dat de meerderheid van de aanwezigen het gekozen tracé ondersteund. In het kader van het bestemmingsplan is het plan als voorontwerp toegezonden aan de verschillende overlegpartners. Ook heeft het plan ter inzage gelegen voor inspraak. De resultaten van inspraak en overleg zijn opgenomen in bijlage 11 bij deze toelichting. Het ontwerpbestemmingsplan zal conform de wettelijke procedure gedurende een periode van zes weken ter inzage worden gelegd. Eenieder wordt in de mogelijkheid gesteld een zienswijze in te dienen op het bestemmingsplan.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt een nieuwe randweg mogelijk, die wordt geïnitieerd door de gemeente Moerdijk. Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een (passieve)grondexploitatie voor de randweg aan de gemeenteraad aangeboden, waarin o.a. de plankosten, realisatiekosten en verwervingskosten zijn opgenomen. Met het vaststellen van de exploitatie door de gemeenteraad kan worden gesteld dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is.
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
41