2a. Randweg Klundert_VG_Toelichting
Tekst van het document
Randweg Klundert vastgesteld
Colofon Opdrachtgever
Opdrachtnemer
identificatie
planstatus
identificatiecode:
datum:
status:
NL.IMRO.1709.BPBGRandwegKL-BP40
26-07-2021 08-10-2021 02-05-2022
concept voorontwerp ontwerp vastgesteld
Copyright © 2022 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Inleiding Aanleiding Ligging plangebied Vigerende bestemmingsplannen Planvorm Leeswijzer
7 7 7 8 9 9
Hoofdstuk2 2.1 2.2 2.3
Ruimtelijk beleidskader Rijksbeleid Provinciaal en regionaal beleid Gemeentelijk beleid
11 11 11 13
Hoofdstuk3 3.1 3.2
Projectbeschrijving Huidige situatie Nieuw tracé
15 15 15
Hoofdstuk4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
Omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Geluid Verkeer Bedrijven en milieuzonering Ecologie Water Bodem Archeologie Cultuurhistorie Landschap Luchtkwaliteit Externe veiligheid Niet-gesprongen explosieven
17 17 17 18 19 20 23 26 27 28 31 33 34 36
Hoofdstuk5 5.1 5.2
Bestemmingsregeling Planvorm Systematiek bestemmingen
39 39 39
Hoofdstuk6 6.1 6.2
Uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid
41 41 41
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
3
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
4
Toelichting
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
5
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
6
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De verkeerssituatie in kern Klundert leidt al lange tijd tot problemen. In een uitgebreid traject heeft de gemeente Moerdijk de knelpunten met betrekking tot doorstroming, verkeersveiligheid en leefbaarheid in kaart gebracht. Er is een tracéstudie uitgevoerd en daarna is een afweging gemaakt voor een voorkeurstracé. In april 2019 heeft de gemeenteraad de in 2017 gemaakte keuze voor de voorkeursvariant bevestigd. De gemeente Moerdijk werkt aan de verbetering van de ontsluiting in en rondom de kern Klundert. De verkeersdruk in de smalle straten van deze kern is hoog. Naar aanleiding van klachten en vragen van diverse bewoners van t Walletje, Zevenbergsepoort en Oliemolenstraat in verband met verkeersoverlast, zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijkheden voor de aanleg van een randweg. ln verschillende studies is onderzocht of (1) de verkeersintensiteit zodanig is dat de aanleg van een randweg nodig is en (2) wat het beste tracé voor deze randweg zou zijn. De onderzoeken hebben uiteindelijk geresulteerd in een keuze van de gemeenteraad tot realisering van een randweg volgens tracévariant A3. Op verzoek van omwonenden en andere belanghebbenden zijn in maart 2018 nieuwe verkeerstellingen gehouden. Op basis van de actuele tellingen is er geen aanleiding om de uitwerking van de randweg en de tracévariant A3 te heroverwegen.
Er is een nadere uitwerking gemaakt voor de tracévariant A3 Randweg Klundert, de beleidsmatige en planologische haalbaarheid is op hoofdlijnen aangetoond en een actuele kostenraming gemaakt. Op basis van deze uitwerking heeft de raad op 18 april 2019 besloten tot realisering van de tracévariant, met eventuele aanvullende maatregelen in de kern Klundert. De gemeenteraad heeft tevens besloten de hiervoor benodigde onderzoeken en bestemmingsplanprocedure op te starten. De nieuwe randweg past namelijk niet binnen de vigerende bestemmingsplannen Buitengebied en Kern Klundert . Om de realisatie van de nieuwe randweg om Klundert mogelijk te maken is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied betreft het nieuwe tracé van de randweg ten zuiden van Klundert. De nieuwe randweg loopt van de Zevenbergseweg naar de Stoofdijk. De randweg wordt gerealiseerd door de polder die wordt begrensd door de Zevenbergseweg, Stoofdijk en de Klundertsedijk. In figuur 1.1 wordt de ligging van deze polder weergegeven. Een beschrijving van het tracé is opgenomen in Hoofdstuk 3.
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
7
figuur 1.1 Ligging plangebied (topografische kaart Rho Basisviewer)
1.3
Vigerende bestemmingsplannen
Ter plaatse van dit bestemmingsplan vigeren momenteel twee bestemmingsplannen. Dit is het bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld op 01-03-2018. Daarnaast vigeert het plan Kern Klundert ter hoogte van de nieuwe aansluiting op de Stoofdijk. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 18-01-2018. In figuur 1.2 is een uitsnede van ruimtelijke plannen opgenomen, waar de verschillende bestemmingen zijn weergegeven. De realisatie van de nieuwe randweg is niet mogelijk binnen de vigerende planologische situatie.
Figuur 1.2. Vigerende bestemmingsplannen (www.ruimtelijkeplannen.nl)
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
8
1.4
Planvorm
Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader waarbinnen in dit plangebied de beoogde nieuwe ontwikkeling mogelijk worden gemaakt. Het bestemmingsplan is er op gericht om de nieuwe randweg met bijbehorende functies mogelijk te maken. Het bestemmingsplan betreft een gedetailleerd bestemmingsplan waarin de nieuwe functie van de weg wordt vastgelegd.
1.5
Leeswijzer
De toelichting van het bestemmingsplan is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 1 betreft de inleiding van het bestemmingsplan. In Hoofdstuk 2 wordt het geldende beleidskader uiteengezet en vindt toetsing van de ontwikkeling hieraan plaats. Hoofdstuk 3 gaat in op de huidige situatie en de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt. Hoofdstuk 4 bevat vervolgens een beschrijving van de milieuaspecten en de toetsing aan sectorale wetgeving. In Hoofdstuk 5 is de juridische planbeschrijving opgenomen, waarin de regels van het bestemmingsplan nader worden beschreven en toegelicht. Hoofdstuk 6 gaat ten slotte in op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
9
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
10
Hoofdstuk 2 2.1
Ruimtelijk beleidskader
Rijksbeleid
Het Rijk heeft haar ruimtelijk beleid vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De leidende gedachte van het rijksbeleid is ruimte maken voor groei en beweging, waarbij het Rijk zich vooral concentreert op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van Rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. In het rijksbeleid (SVIR en Barro) worden dan ook geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied. Goede bereikbaarheid en veiligheid is een belangrijk thema in het landelijk beleid. Door de realisatie van de nieuwe randweg wordt een verkeerskundig knelpunt in Klundert verholpen. De ontwikkeling leidt tot een betere verkeersdoorstroming binnen de gemeente Moerdijk. Daarnaast leidt de ontwikkeling tevens tot een verbetering van de leefbaarheid in de kern Klundert
2.2
Provinciaal en regionaal beleid
Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zijn vier hoofdopgaven te onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een klimaatproof Brabant Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende, duurzame economie Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. De ontwikkeling van de nieuwe randweg past binnen het provinciaal beleid dat inzet op een slimme netwerkstad. Niet alleen draagt de nieuwe randweg bij aan een betere ontsluiting binnen de gemeente Moerdijk. De aanleg van de randweg zorgt ook voor een verbetering van de verkeersveiligheid binnen de kern Klundert en de leefbaarheid van de kern op het gebied van luchtkwaliteit en geluid.
Omgevingsverordening Brabant Vanwege de komst van de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. Hiervoor heeft de provincie de Omgevingsverordening Brabant opgesteld. Hiervan heeft reeds het ontwerp van ter inzage gelegen. In de Omgevingsverordening N-B zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen en later Omgevingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens is een aantal algemene basisprincipes opgenomen.
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
11
Figuur 2.1 Uitsnede omgevingsverordening Brabant Ruimtelijke ontwikkeling binnen Groen-Blauwe waarden Op basis van de Omgevingsverordening is het gebied aangewezen als landelijk gebied gelegen binnen de Groen-Blauwe waarden. Op basis van de verordening geldt dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage aan de landschappelijke kwaliteit gedaan dient te worden. Op het aspect landschap wordt nader ingegaan in paragraaf 4.10. Natuurnetwerk Brabant - ecologische verbindingszone Daarnaast is de waterloop Verlamde Vaart aangewezen als een ecologische verbindingszone. Deze ecologische verbindingszone is nog niet gerealiseerd. Op basis van de Omgevingsverordening artikel 4.30 zijn nieuwe ontwikkelingen binnen deze zone in principe niet toegestaan. Wel zijn op basis van artikel 4.34 (Nee, tenzij) onder voorwaarden ontwikkelingen mogelijk. Deze voorwaarden zijn weergegeven in onderstaande tabel, waarbij aan deze voorwaarden is getoetst. Voorwaarde a. er sprake is van een groot openbaar belang;
b. uit onderzoek blijkt dat voor de ontwikkeling geen alternatieve locatie voorhanden is buiten het Natuur Netwerk Brabant;
Toetsing De aanleg van de randweg voorziet in een verbetering van de woon- en leefkwaliteit binnen de kern Klundert en heeft daarmee een groot openbaar belang. Een randweg om Klundert heen is alleen mogelijk aan de zuidwestzijde van Klundert. Hier zal de nieuwe weg altijd de ecologische verbindingszone moeten kruisen. Zie hiervoor.
c. uit onderzoek blijkt dat geen andere oplossingen voorhanden zijn die de aantasting van het Natuur Netwerk Brabant voorkomen; d. de negatieve effecten waar mogelijk worden Bij de uitwerking van de kruising tussen de beperkt; randweg en de ecologische verbindingszone worden maatregelen opgenomen die waarborgen dat de toekomstige realisatie van een ecologische verbindingszone in de toekomst niet onmogelijk is.
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
12
e. bij het verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan Artikel 4.37 Compensatie;
f. op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd.
Er is geen sprake van verlies van ecologische waarden of kenmerken omdat nog geen sprake is van een reeds gerealiseerde verbindingszone en er rekening gehouden wordt met de toekomstige realisatie van de verbindingszone. Bij de uitwerking van de verbinding zal hier door de gemeente op worden toegezien. Op de verbeelding is de ecologische verbindingszone met een aanduiding opgenomen.
In paragraaf 4.5 wordt nader in gegaan op de ecologische verbindingszone ter plaatse. Behoud en herstel van watersystemen De gronden binnen het bestemmingsplan zijn in de verordening aangewezen voor het beheer en het herstel van het watersysteem ter plaatse. Voor plannen binnen deze aanduiding geldt dat deze plannen mede dienen te strekken ter bevordering en het herstel van het watersysteem ter plaatse. De aanleg van de randweg leidt tot extra verharding. Deze verharding wordt gecompenseerd door middel van de aanleg van sloten langs de weg die het hemelwater op een goede wijze kunnen opvangen en afvoeren. Het watersysteem wordt ondanks het aanbrengen van de extra verharding daarmee behouden. Nieuwe wegen in het landelijk gebied In de verordening zijn regels opgenomen over plannen die de realisatie van nieuwe wegen mogelijk maken(artikel 3.46 Interim Omgevingsverordening Ruimte provincie Noord-Brabant). Een plan dient hierbij een onderbouwing te geven op de volgende onderdelen: a. de noodzaak van de aanleg van de weg gelet op het verkeerskundige probleem of de ontwikkelingen die plaatsvinden; b. de keuze van het tracé gelet op de verrichte onderzoeken; c. de maatregelen voor de inpassing van de weg waarbij de ontwikkeling in samenhang wordt bezien met zijn omgeving om een grotere kwaliteitswinst voor meerdere ruimtelijke functies, waaronder natuur en landschap, te bereiken; d.
de noodzaak van een aan de weg gerelateerde voorziening. In het bestemmingsplan is op deze verschillende onderdelen ingegaan.Onderdeel a. en b. en d. komen aan bod in paragraaf 4.3 Onderdeel c. is beschreven in paragraaf 4.10 en in bijlage 9.
2.3
Gemeentelijk beleid
De Strategische Visie voor Moerdijk 2030 De opgaven waarvoor de gemeente gesteld staat (onder andere vanwege vergrijzing, vergroening en globalisering van toeristisch-recreatieve sector) wenst zij in de periode van 2009-2030 uit te voeren. Deze strategische visie bevat een aantal fundamentele keuzes voor de gewenste toekomstrichting van de gemeente Moerdijk. Daarnaast bevat het een aantal nieuwe randvoorwaarden op hoofdlijnen en voor de langere termijn. De strategische visie bevat de missie van de gemeente Moerdijk op weg naar 2030 en een strategie om deze te bereiken. Het is de rode draad voor het totale beleid van de gemeente Moerdijk. Structuurvisie Moerdijk 2030 In 2011 is de ruimtelijke vertaling van de Strategische visie voor de gemeente Moerdijk vastgesteld. In de Structuurvisie zijn voor de komende 20 jaar de hoofdlijnen voor de inrichting van het hele grondgebied van de gemeente beschreven. Op de visiekaart zijn de ambities voor het grondgebied weergegeven. Klundert is op deze kaart aangeduid als subkern, inspelend op recreatie. De vestingwerken en de nabijheid van het Hollandsch Diep maken dat Klundert de potentie bezit om uit te groeien tot een recreatief centrum. Het voorzieningenniveau is goed en er is een beperkte woningbouwbehoefte.
In het centrum van Klundert is er sprake van een mobiliteitsknelpunt als gevolg van verkeer tussen Klundert en het Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk. De mogelijkheid wordt onderzocht om te komen tot een herstructurering van het centrum in combinatie met een randweg ten westen van Klundert die bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
13
dient als omleidingsweg ter ontlasting van het centrum. Het bestemmingsplan maakt deze nieuwe randweg mogelijk. De nieuwe omleidingsweg biedt daarmee kansen voor de verbetering van de leefomgeving van de kern Klundert en de uitbouw van de recreatieve voorzieningen in de kern. Paraplunota Leefomgeving 2012 - 2030 (2012) De structuurvisie is uitgewerkt in drie paraplunota's, die zijn bedoeld als kapstok voor alle gemeentelijke beleidsnotities. De paraplunota Leefomgeving is relevant voor de Randweg Klundert. Een schone bodem, helder water, gezonde lucht, zuinig omgaan met grondstoffen en een stevige plaats voor onze natuur. In de paraplunota Leefomgeving worden de hoofdthema's en –doelen met betrekking tot de fysieke leefomgeving uitgewerkt, met een doorkijk naar 2030. De paraplunota formuleert een aantal kernwaarden: 'schoon', 'veilig', 'natuurrijk', 'gezond', 'vrij van hinder' en 'toekomstbestendig'. Ook voor bedrijven is het belangrijk in een omgeving gevestigd te zijn die deze kernwaarden bezit. De doelen uit de Paraplunota Leefomgeving dragen bij aan een duurzame samenleving. De duurzame samenleving: voorziet in de behoeften van nu, doet niet tekort aan de mogelijkheden om toekomstige generaties in hun behoeften te voorzien, en biedt aan elk individu de mogelijkheid om zich in vrijheid te ontwikkelen, binnen een stabiele maatschappij, in harmonie met zijn omgeving.
Met de aanleg van de randweg wordt het doorgaande verkeer dat momenteel door de kern Klundert rijdt om de kern heen geleid, dit leidt tot een verbetering van de verkeersveiligheid in het centrum en een opwaardering van de leefbaarheid binnen de kern Klundert. Verkeersveiligheidsplan Moerdijk 2018-2018 Met het Verkeersveiligheidsplan Moerdijk 2018 – 2028 wordt ingezet op het nog veiliger maken van de wegen binnen de gemeente Moerdijk. Het plan bevat tientallenmaatregelen die ervoormoeten zorgen dat de verkeersveiligheid binnen de gemeente Moerdijk een extra impuls krijgt. De focus ligt daarbij op de doelgroepen kinderen (schoolgaande kinderen), ouderen, voetgangers, fietsers, automobilisten en zwaar verkeer. In het verkeersveiligheidsplan worden verschillende ontwikkelingen voorzien en worden oplossingen aangedragen om er voor te zorgen dat de verkeersveiligheid binnen de gemeente blijft gewaarborgd en daar waar mogelijk verbeterd. Een van de fysieke maatregelen die wordt beschreven in het plan is de aanleg van de Randweg bij Klundert. Door deze aanleg wordt het doorgaande (zware) verkeer naar buiten de kern verplaatst. Dit heeft een positief effect op de verkeersveiligheid binnen de kern Klundert.
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
14
Hoofdstuk 3 3.1
Projectbeschrijving
Huidige situatie
In de huidige situatie rijdt het doorgaande verkeer tussen de Zevenbergseweg en de Stoofdijk door het centrum van Klundert. Hierbij vindt de ontsluiting plaats via de Zevenbergse poort en 't Walletje. Deze beide wegen zijn ingericht als een éénrichtingsweg. ` In de huidige situatie wordt het verkeer door de kern dan ook als problematisch ervaren, met name op het gebied van leefbaarheid, verkeersveiligheid en bereikbaarheid. Een deel van dat verkeer is zwaar vrachtverkeer en landbouwvoertuigen. Dat geeft extra geluidsbelasting en veroorzaakt zwaardere trillingen. De beleving van de huidige situatie is ook negatief, omdat op momenten de doorstroming onvoldoende is en de bereikbaarheid van de voorzieningen daaronder te lijden heeft. De negatieve perceptie wordt versterkt door de snelheid van het verkeer, die als te hoog wordt gezien. De beoogde locatie van de randweg is gelegen ten zuidwesten van de kern door de polder die wordt begrensd door de Zevenbergseweg, Stoofdijk en de Klundertsedijk. In de huidige situatie maken deze percelen deel uit van het agarisch buitengebied van de gemeente Moerdijk en zijn ze in gebruik ten behoeve van akkerbouw. In figuur 4.1 is de huidige ontsluitingsstructuur van Klundert weergegeven. In geel is de hoofdontsluiting weergegeven.
Figuur 4.1 Huidige ontsluitingsstructuur
3.2
Nieuw tracé
In de voorbereiding op de tot standkoming van het nieuwe tracé voor de randweg in Klundert heeft een uitgebreide probleemanalyse plaatsgevonden. Hiervoor is door Accent Adviseurs een Quickscan opgesteld (Quickscan Haalbaarheid Randweg Klundert, 16 juni 2014). In deze quickscan zijn verschillende varianten onderzocht voor een randweg langs Klundert. Op basis van deze quickscan is door de gemeenteraad vervolgens gekozen voor variant A3. Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van deze variant mogelijk. De nieuwe randweg zal aansluiten op de Zevenbergseweg ter hoogte van de bestaande bosschage bij De Druif. Hierbij wordt een bochtstraal aangelegd waardoor de doorgaande route over de nieuwe randweg komt te lopen. De aansluiting met de Zevenberscheweg in de richting van het centrum van Klundert wordt vormgegeven door een nieuwe T-splitsing. Vervolgens volgt de nieuwe weg voor een deel de kadastrale perceelsgrens tussen perceel 560 en 561. Hierbij wordt de bestaande bebouwing aan de Zevenberscheweg gehandhaafd. Waarna door middel van een flauwe bocht op een nieuwe rotonde wordt bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
15
aangesloten op de kruising tussen de Stoofdijk en 't Ravelijn. In figuur 3.2 wordt de ligging van het nieuwe tracé op de luchtfoto weergegeven. Het nieuwe tracé voorziet in een nieuwe ontsluiting voor het autoverkeer, er wordt geen fietspad langs de nieuwe randweg gerealiseerd. Het langzaam verkeer, fietsers en voetgangers kunnen gebruik maken van de bestaande routes door het centrum van Klundert. Daarmee krijgt het fietsverkeer een veilige route door Klundert en blijft ook de recreatieve route door Klundert gehandhaafd.
Figuur 3.2 Ligging nieuw tracé Randweg
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
16
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Milieueffectrapportage
Toetsingskader In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: de plaats van het project; de omvang van het project; de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Toetsing en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een autoweg m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een weg met een tracélengte van 5 kilometer of meer (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D1.1).
De beoogde ontwikkeling maakt een weg van circa 1 kilometer mogelijk en blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is, in bijlage 1 is de notitie opgenomen. Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.
4.2
Geluid
Toetsingskader Ingevolge artikel 74 Wet geluidhinder (Wgh) zijn in principe alle wegen gezoneerd. Uitzondering op deze regel zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt en woonerven. Tevens zijn in de Wgh onderzoekszones opgenomen waarbinnen onderzoek moet worden uitgevoerd naar de gevolgen van wegverkeerslawaai op een geluidsgevoelige bestemming. Deze onderzoekszones bedragen voor het stedelijk gebied voor wegen met 1 of 2 rijstroken 200 meter en voor het buitenstedelijk gebied 250 meter voor wegen met 1 of 2 rijstroken. Voor gezoneerde wegen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De grenswaarde ligt tussen de 53 dB en 68 dB, afhankelijk van de ligging en of het een nieuwe of bestaande situatie betreft. Een geluidsbelasting hoger dan deze grenswaarde is niet toelaatbaar. In het gebied tussen de voorkeursgrenswaarde en de grenswaarde is de geluidbelasting alleen toepasbaar na een afwegingsproces in de vorm van een procedure hogere grenswaarde. Onderzoek In het kader van de aanleg van de nieuwe randweg is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. Voor dit onderzoek is zowel de geluidsbelasting voor de herinrichting (huidige situatie) als de geluidsbelasting na de herinrichting in beeld gebracht.
Op deze manier ontstaat een goed beeld van het effect van de nieuwe randweg op de geluidsbelasting op omliggende geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen. Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van de herinrichting de geluidsbelasting in de nieuwe situatie geen overschrijdingen zijn van de voorkeursgrenswaarden als gevolg van de Randweg. Uit de vergelijking
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
17
van de rekenresultaten langs de Stoofdijk en de Zevenbergseweg blijkt dat op locaties waar sprake is van een geluidbelasting hoger dan 48 dB in de toekomstige situatie, er sprake is van een afname van de geluidsbelasting ten opzichte van de heersende situatie. Daarmee kan worden geconcludeerd dat als gevolg van de nieuwe randweg geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Daarnaast geldt dat als gevolg van de herinrichting op enkele locaties langs de Stoofdijk en de Zevenbergseweg sprake is van een verbetering van woon- en leefklimaat ter plaatse, vanwege een afname van de geluidsbelasting op de gevels van de woningen. Onderzoek naar trillingen is niet noodzakelijk, aangezien de afstand van de bestaande woningen tot de nieuwe weg groter is dan tot de bestaande route.
4.3
Verkeer
In de planvorming voor deze randweg hebben de afgelopen jaren verschillende onderzoeken plaatsgevonden naar de nut- en noodzaak en is een keuze gemaakt voor een voorkeursvariant. Verder dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan de verkeersgegevens die ten grondslag liggen aan de bijbehorende verkeerskundige onderzoeken, actueel te zijn en dient bij de beoordeling van de verkeerskundige effecten 10 jaar vooruit te worden gekeken. Tussen het moment van het opstellen van het bestemmingsplan en de eerder uitgevoerde verkeerskundige onderzoeken (2013 en 2014) is inmiddels enige tijd verstreken. De verkeersgegevens die in die onderzoeken zijn gebruikt zijn daarmee verouderd. Bovendien wordt in de onderzoeken slechts vooruit gekeken naar het toekomstjaar 2020, terwijl uitgaande van een vaststelling van het bestemmingsplan in 2021 een planhorizon van 2031 geschetst moet worden. Verder is de keuze voor de voorkeursvariant in 2014 gemaakt op basis van kwalitatieve gronden. De cijfermatige verkeerskundige onderbouwing is ten behoeve van het bestemmingsplan aangevuld. Naast dat de verkeersgegevens inmiddels verouderd zijn, is ook de wegcategorisering sinds de onderzoeken herzien en gewijzigd voor een aantal wegen in het invloedsgebied van de randweg.
Dat maakt het noodzakelijk om het geactualiseerde verkeersbeeld opnieuw tegen het licht van de inmiddels herziene wegcategorisering te houden om eventuele verkeersveiligheidsknelpunten opnieuw te bepalen. Ten behoeve van een deugdelijke besluitvorming is daarom besloten de gebruikte verkeersgegevens te actualiseren en de keuze voor de voorkeursvariant te kwantificeren. Hiervoor is een notitie opgesteld, deze is opgenomen in Bijlage 2. Deze notitie betreft een herziening van de verkeerskundige onderzoeken naar de nut- en noodzaak op basis van geactualiseerde verkeersgegevens. Tevens is in deze notitie de ontbrekende cijfermatige onderbouwing voor de voorkeursvariant gegeven. Uit de notitie blijkt dat de voorkeursvariant van de randweg leidt tot een flinke afname van de totale verkeersintensiteiten op de onderzochte wegvakken (tabel 4.1). Gezien de eerder geconstateerde knelpunten voor de verkeersveiligheid en verkeersleefbaarheid in de situatie zonder randweg, wordt geconstateerd dat de randweg een duidelijke bijdrage levert aan de verbetering van de verkeersveiligheid en verkeersleefbaarheid in de kern van Klundert. Tabel 4.1 Verkeercijfers
bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
18
Cijfers over het effect van de randweg op de aantallen vrachtwagens op de onderzochte wegvakken zijn voor deze actualisatie niet voor handen. Het effect van de randweg op de totale verkeersintensiteit is echter dermate significant, dat aangenomen wordt dat ook een groot deel van het vrachtverkeer straks van de nieuwe randweg gebruik zal maken. Daarbij komt dat in het centrum van Klundert geen grote bestemmingen voor vrachtverkeer zijn gelegen, waardoor het ook niet aannemelijk is dat vrachtwagen intensiteiten nog steeds relatief hoog zijn als de randweg is aangelegd. Dit sterkt de aanname dat het vrachtverkeer door het centrum van Klundert op de onderzochte wegvakken eveneens aanzienlijk zal afnemen. De verwachting die wordt uitgesproken over de afname van de intensiteiten vrachtverkeer op de onderzochte wegvakken in het centrum van Klundert gaat ook op voor de intensiteiten landbouwverkeer. Ook hiervan zijn geen cijfers beschikbaar. Maar omdat dit landbouwverkeer eveneens geen bestemming heeft in het centrum en dus doorgaand verkeer is en de randweg daarbij eveneens geschikt is voor dit landbouwverkeer, mag aangenomen worden dat er ook een significante afname te verwachten is van het landbouwverkeer door het centrum van Klundert als de randweg wordt aangelegd. De realisatie van de randweg leidt tot een lichte toename van verkeer op de onderzochte wegen buiten het centrum.
Er zijn echter een aantal redenen die er toe leiden dat deze toename niet tot knelpunten leidt in de verkeersveiligheid en verkeers-leefbaarheid. Zo hebben deze wegen veelal een ontsluitende functie en zijn ze in het geval van de Langeweg, Westelijke Randweg en Zuidelijke Randweg ingericht met vrijliggende voorzieningen voor fietsers. Tenslotte zijn er weinig tot geen bestemmingen zoals woningen, winkels en bedrijven langs deze wegen gelegen die er toe leiden dat er veel oversteekbewe-gingen te verwachten zijn. Verder is voor de Zwingelspaansedijk en de Klundertsedijk eveneens een lichte toename van het verkeer te zien, maar de intensiteiten op deze wegen zijn zowel met als zonder randweg dermate laag, dat deze wegen de kleine toename van verkeer prima kunnen verwerken zonder dat dit leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid of verkeers-leefbaarheid.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of visa versa: een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen. Om bij ruimtelijke ontwikkelingen de belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat en de bedrijfsvoering goed mee te nemen wordt voor dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden die gehanteerd worden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
19
woonwijk'. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. De richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd. Bouwen binnen de richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder voorkomen wordt. Toetsing en conclusie De nieuwe ontwikkeling leidt niet tot de realisatie van nieuwe milieuhinderlijke bedrijvigheid of gevoelige functies. Een effect op bedrijven en milieuzonering is dan ook uit te sluiten.
4.5
Ecologie
Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. De Wnb is in werking getreden met ingang van 1 januari 2017. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) is in beginsel bevoegd gezag voor de vergunningverlening onder de Wnb. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN) de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Verder geldt er een verplichting om een passende beoordeling te verrichten indien significant negatieve effecten op voorhand niet zijn uitgesloten. In dat geval kan het plan alleen worden vastgesteld indien met zekerheid is vastgesteld dat uitvoering van het plan niet leidt tot een aantasting van natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden. Eventueel noodzakelijke mitigerende maatregelen moeten in dat geval bij vaststelling van het plan geborgd zijn. Gebiedsbescherming De Wnb kent twee soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura 2000/gebieden; b. Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Soortenbescherming In de Wnb is tevens de soortenbescherming geregeld. Soortenbescherming geldt voor alle beschermde soorten ongeacht waar deze soorten zich bevinden en hoeveel soorten het betreft. In de Wnb zijn verbodsbepalingen opgenomen van handelingen en effecten op beschermde soorten die niet worden uitgevoerd, behoudens ontheffing. Gebiedsbescherming - Natura 2000-gebieden De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk (of in combinatie met andere plannen of projecten) significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. er zijn geen alternatieve oplossingen; 2.
het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
20
3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en die verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebiedsbescherming - Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; c. soorten die worden beschermd in de Verdragen van Bern en Bonn; en d. bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk doden van vogels of het vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod.
De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten (art. 3.10 Wnb). De overige soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. GS kunnen ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan voor deze soorten ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Hollandsch Diep. Dit gebied ligt op een afstand van circa 2 km, gemeten vanaf het meest noordelijke punt (de aansluiting op de Stoofdijk).
Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied ligt op grotere afstand. Dit betreft de Biesbosch en dit gebied ligt op circa 10 km afstand. Gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitats en het feit dat de ontwikkeling niet zorgt voor extra verkeer, maar voor een verplaatsing van bestaand verkeer, van de kern naar de randweg. Het project leidt dan ook niet tot extra stikstofdepositie. In het kader hiervan is een berekening uitgevoerd naar de bestaande en de toekomstige situatie. De resulaten van de AERIUS-berekening zijn opgenomen in Bijlage 6. Uit deze berekening blijkt dat er geen depositie meer dan 0,00 mol/ha/jr neerslaat op de rekenpunten. In de verkeerskundige onderbouwing Randweg Klundert (zie bijlage 2) is aangegeven welke criteria zijn gehanteerd voor het meenemen van bepaalde en de daarbij behorende percentages. In het kader van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) is een vrijstelling opgenomen voor de vergunningplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. Deze vrijstelling geldt voor effecten als gevolg van stikstofdepositie door bouwwerkzaamheden. Omdat het bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
21
bestemmingsplan ziet op het mogelijk maken van bouwactiviteiten kan gebruik gemaakt worden van deze vrijstelling. Er heeft door de wetgever al een beoordeling plaatsgevonden ten aanzien van bouwwerkzaamheden die een vrijstelling geeft voor de bouwfase van een project. Ecologische verbindingszone De Verlamde Vaart is in de provinciale omgevingsverordening aangewezen als ecologische verbindingszone. Er ligt voor deze strook vanuit de NB-wetgeving geen opgave voor een specifieke soort. De betreffende EVZ is vanuit het boek Groene Schakels aangewezen als EVZmodel moeraszone, met deze onderbouwing: “Het model Moeraszone is een verbindingszone voor rietvogels, zoals de Rietzanger, de Kleine karekiet en de Blauwborst. Ook kleine zoogdieren zoals de Waterspitsmuis en Meervleermuis, amfibieën,libellen en kokerjuffers profiteren van dit type. Daarnaast is de Moeraszone belangrijk voor het creëren van een aaneengesloten netwerk van voor de Otter geschikte leefgebieden. Dit biedt kansen voor een mogelijke herintroductie. Natuurlijke oeverzones en een goede waterkwaliteit vormen de belangrijkste onderdelen van het leefgebied van de Otter (zie pagina 18). Een andere bijzondere soort die van de moeraszone gebruikmaakt, is de Roerdomp (zie pagina 19). De Moeraszone bestaat uit een corridor langs een waterloop, met op grotere afstand van elkaar stapstenen.
De bouwstenen zijn: moeras, grasland, struweel en hier en daar wat bos. Omdat de zone vrijwel altijd langs een waterloop of kreek wordt gerealiseerd, is er vaak sprake van een aaneengesloten corridor in de vorm van een smal grastalud of een bredere oeverzone. Natuurvriendelijk ingerichte, met riet en andere oeverplanten begroeide oeverzones vormen een aaneengesloten lint langs de waterloop, met een breedte van minimaal 5 tot 10 meter. Riet en Grote lisdodde zijn de kenmerkende soorten. Verspreid langs de waterloop (gemiddeld 20% van de oeverlengte) komt opgaande begroeiing met inheemse bomen (vooral diverse wilgensoorten) en/of struiken voor. De stapstenen zijn gevarieerde natuurgebiedjes met rietvegetaties, open water, nat grasland en verspreid struweel of bos. Ze hebben een grootte van 2 tot 4 hectare en liggen op een onderlinge afstand van maximaal 1 tot 2 kilometer. Zo mogelijk worden er ook grotere stapstenen van 4 tot 10 hectare op een onderlinge afstand van 2 tot 5 kilometer gerealiseerd. Belangrijk aandachtspunt is de 'passeerbaarheid' van infrastructurele werken als bruggen en duikers.
Bij wegen met een hoge verkeersintensiteit zullen die kunstwerken in de waterloop voor soorten als de Waterspitsmuis of de Otter passeerbaar gemaakt moeten worden, bijvoorbeeld in de vorm van een looprichel in een duiker.” Om de natuurwaarden van het NNB hier niet aan te tasten is het dus van belang dat het stromende water in tact blijft en dat de oevers verbonden blijven. De mitigatie opgave bestaat hier dus uit het behouden en passeerbaar houden van het stromende water en het eventueel verbeteren/realiseren van natuurnetwerk Brabant binnen de bestaande begrenzing. Uit de ecologische quickscan blijkt dat de huidige watergang ongeschikt als EVZ en natuurnetwerk. Aanleg van de ecologische verbindingszone is wel voorzien. De gemeente heeft een samenwerkingsovereenkomst natte ecologische verbindingszone met het waterschap. Het realiseren van deze verbindingszone is daar onderdeel van. Het ontwerp van de nieuwe weg is zodanig dat het ruimte biedt voor inrichting van de EVZ. Bij de aanleg van de nieuwe weg zal zorg worden gedragen dat het stromend water intact zal blijven. Bij het ontwerp van de kruising met de watergang wordt rekening gehouden met de toekomstige aanleg van een ecologische verbindingszone. Herbegrenzing van NNB is dan ook niet aan de orde.
In de provinciale Omgevingsverordening is een aanduiding opgenomen, deze aanduiding is in dit bestemmingsplan overgenomen ter bescherming van de (toekomstige) ecologische verbindingszone. In het kader van de landschappelijke inpassing is gekeken naar de inpassing van de ecologische verbindingszone in het ontwerp. Hierbij wordt gedacht aan een kunstwerk in de vorm van een brug die zorgt voor een vrije onderdoorgang onder de nieuwe randweg van 25 meter. Met deze vrije onderdoorgang is de realisatie van een verbindingszone in de toekomst mogelijk.Het gaat dan om het water én om de bijbehorende oevers, waar lopende doelsoorten als spitsmuis, marterachtigen, en otter gebruik van kunnen maken. Daarbij is van belang dat de oevers doorlopen onder het brugdek en dat er geen steunconstructies voor de brug in de EVZ-oeverzone komen te staan. Verder moet rekening gehouden worden met voldoende ruimte tussen maaiveld en brugdek, waarbij 1 tot 1,5 meter voldoende is. De nieuwe randweg ligt bij de rotonde op dijkhoogte en zakt af naar maaiveld in de polder. Ter plaatse van de kruising met de EVZ ligt bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
22
de weg daarom hoger dan het polderniveau, waarmee geborgd wordt dat er ruimte tussen maaiveld en brugdek blijft. De exacte ruimte wordt duidelijk bij de nadere uitwerking, maar minimaal 1 meter is mogelijk. De gemeente zal de provincie bij de nadere uitwerking betrekken om de belangen van de EVZ te borgen. Soortenbescherming In het kader van de nieuwe randweg is onderzoek (Bijlage 4) gedaan naar het voorkomen van beschermde plant- en diersoorten op de beoogde locatie van de randweg. Hiervoor is eerst een ecologische quickscan uitgevoerd. Uit deze quickscan blijkt dat in verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels het noodzakelijk is om het tracé van de rondweg bouwrijp te maken buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (bijvoorbeeld door vogelverschrikkers te gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in provincie Noord-Brabant. Om de rugstreeppad zich niet te laten vestigen op het tracé van de rondweg gedurende de aanlegfase, is het van belang om het ontstaan van waterplassen op het land te voorkomen. Mogelijk foerageren er vleermuizen.
Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven foerageren. In de omgeving zijn ook voldoende alternatieven aanwezig. Verder kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen niet worden uitgesloten, effecten op deze soort(groep)en kunnen dan ook niet worden uitgesloten. Op grond hiervan is een gerichte veldinventarisatie (Bijlage 5) uitgevoerd. Uit de resultaten van het onderzoek komt naar voren dat in en direct rond het plangebied de laatvlieger, gewone en ruige dwergvleermuis foerageren en vliegen. Er zijn geen verblijfplaatsen of vliegroutes vastgesteld. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen de aangetroffen vleermuizen er blijven foerageren en vliegen. In de omgeving zijn ook voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig. De meest voorkomende soort, gewone dwergvleermuis, is ook beperkt verstoringsgevoelig. Conclusie Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten.
Voor- en gedurende de uitvoering dient hiermee rekening gehouden te worden. In dit kader zou de bomenstructuur langs de provinciale weg versterkt kunnen worden.
4.6
Water
Waterbeheer en watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke projecten en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk project en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid nader wordt behandeld. Europa: bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
23
Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan 2016-2021 Waterschapsbeleid Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits en - kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het 'Waterbeheersplan 2016-2021', wat is afgestemd op Europees, nationaal en provinciaal beleid. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn veiligheid, droge voeten, voldoende water, gezonde natuur, schoon water, genieten van water en het waterschap als calamiteitenorganisatie. Het waterschap heeft in een toetsingskader RO “De ruimte blauw geordend” aangegeven wat de ruimtelijke consequenties zijn van het waterbeleid. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.
De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'Hydraulische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse Waterschappen'. Huidige situatie Algemeen Het projectgebied is deels gelegen tussen de Zevenbergseweg en de Stoofdijk. De gronden zijn in de huidige situatie onverhard en in gebruik als agrarisch perceel. Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit zavel met een homogeen profiel. Er is sprake van grondwater trap VI. Dat wil zeggen dat de gemiddelde laagste grondwaterstand meer dan 1,2 meter onder maaiveld bedraagt en de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert van 0,4 tot 0,8 meter onder maaiveld.
Waterkwantiteit Het plangebied wordt doorkruist door een aantal watergangen. Bij de inrichting van de kruising met de weg wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van de watergangen. Veiligheid en waterkeringen Kern-/beschermingszones Aan de noordzijde van het plangebied is de beschermingszone van de Stoofdijk gelegen. Bij de aanleg van de weg wordt rekening gehouden met deze beschermingszone. Afvalwaterketen en riolering Het projectgebied kent geen functies die relevant zijn voor de afvalwaterketen en riolering. bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
24
Figuur 4.1 Uitsnede Legger Waterschap Brabantse Delta Toekomstige situatie Algemeen De ontwikkeling betreft de aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg tussen de Stoofdijk en de Zevenbergseweg. Waterkwantiteit In de Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater van de Brabantse waterschappen is het uitgangspunt opgenomen dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Conform het beleid van het waterschap worden door compensatie negatieve effecten op de waterkwantiteit dan ook geneutraliseerd. De Brabantse waterschappen hanteren een grenswaarde van 500 m2. Bij een plan met een toename in verharding van minder dan 500 m2 is compensatie niet verplicht. De ontwikkeling voorziet in een grotere verharding dan 500 m2. Langs het tracé van de nieuwe weg worden tevens nieuwe afwateringssloten gerealiseerd. Deze nieuwe watergangen worden aangesloten op de bestaande watergangen. De nieuwe watergangen zijn in het bestemmingsplan bestemd als Water.
Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
25
afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. De ontwikkeling leidt niet tot afvalwater. Voor hemelwater wordt in het ontwerp van de weg rekening gehouden met de hiervoor genoemde voorkeursvolgorde. Materiaalgebruik Conform het beleid van het waterschap wordt bij de ontwikkelende partij aandacht gevraagd voor het gebruik van milieuvriendelijke materialen en het achterwege laten van uitlogende materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. De wetgever biedt geen mogelijkheden om vanwege de mogelijke uitloging van materialen, aanvullende eisen te stellen ter bescherming van bijvoorbeeld het milieu. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen.
Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voorafgaand aan de aanleg zal daar waar nodig een watervergunning worden aangevraagd. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
4.7
Bodem
Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek en conclusie In het kader van de ontwikkeling van de randweg is een vooronderzoek bodem (Bijlage 7) uitgevoerd.
Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem wordt niet verwacht dat op de locatie sprake zal zijn van bodemverontreiniging die een belemmering zullen vormen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Enkel de gedempte sloten zijn verdacht voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging als gevolg van het toepassen van dempingsmateriaal. Dergelijke verontreinigingen kunnen relatief eenvoudig gesaneerd worden conform het Besluit Uniforme Saneringen en zullen gelet op de beperkte omvang ter plaatse van de onderzoekslocatie en gezien de graafwerkzaamheden gecombineerd met de civiel-technische bestemmingsplan Randweg Klundert vastgesteld
26
graafwerkzaamheden uitgevoerd kunnen worden. Hoogstwaarschijnlijk vormen de mogelijke verontreinigingen geen belemmering vormen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. De aanleg van de Randweg is mogelijk op basis van de onderstaande voorwaarden: 1. Voorafgaand aan de realisatie van de nieuwe Randweg onderzoek conform de NEN 5720 uitgevoerd wordt naar de kwaliteit van het slib en/of de waterbodem in (het gedeelte van) de sloten die door de nieuwe Randweg gekruist zullen worden. 2. Voorafgaand aan de realisatie van de nieuwe Randweg onderzoek wordt verricht naar de mogelijke aanwezigheid van een op de locatie gesitueerde voormalige boomgaard. Volgens de website www.topotijdreis.nl is, centraal op de locatie, namelijk van 1940 tot 1958 een boomgaard aanwezig geweest. Onderzocht moet worden of deze boomgaard aanwezig is geweest. Mocht dit het geval zijn dan moet een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden uitgevoerd om de plaatselijke bodemkwaliteit vast te stellen. 3. Voorafgaand aan de realisatie van de nieuwe Randweg bodemonderzoek wordt uitgevoerd ter plaatse van de aanwezige zandweg. Dat kan eveneens eerst zintuiglijk en met behulp van proefboringen plaats vinden. Indien zintuiglijk bodemverontreiniging wordt waargenomen, dan dient opgeschaald te worden naar de uitvoering van een bodemonderzoek conform de NEN 5740.
Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij het bouwrijp maken en/of bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.
4.8
Archeologie
Regelgeving en beleid In Europees verband was het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag was het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Sindsdien geldt dat waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd (Monumentenwet) en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz was een wijzigingswet en omvatte een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moesten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.
Gemeentelijk beleid Als het niet mogelijk is om de archeologische resten te behouden, zal men ze moeten veiligstellen middels archeologisch onderzoek. Conform de landelijke wet- en regelgeving geldt hierbij het 'veroorzaker-betaalt'-principe. De gemeente Moerdijk geeft invulling aan haar zorgplicht voor het (gemeentelijk) erfgoed door een Uitvoeringskader Erfgoed vast te stellen. Hierin wordt behoud van archeologie en cultuurhistorie geborgd. Met dit uitvoeringskader wil de gemeente Moerdijk meer handvatten geven ten behoeve van de beoordeling van vergunningsaanvragen, maar ook het erfgoed ontsluiten in het toeristisch recreatieve netwerk. Tot slot: cultuurhistorisch en archeologisch erfgoed dragen bij aan een prettige leefomgeving en een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Met andere woorden: de gemeente Moerdijk richt zich op behoud, in stand houden en ontsluiten van erfgoed. Het gemeentelijk archeologiebeleid is vastgelegd in het Uitvoeringskader Erfgoed - Cultuurhistorie en Archeologie en in de Erfgoedverordening Gemeente Moerdijk 2014. Dit uitvoeringskader bevat de relevante beleidsuitgangspunten voor voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Aan het beleid ligt de archeologische beleidskaart ten grondslag. De kaart is ingedeeld in categorieën waaraan maatregelen c.q. vrijstellingsgrenzen zijn gekoppeld.