2a. Oevers Roode Vaart Zuid_ontwerp_Toelichting
Tekst van het document
Dat betekent dat na oplevering van de eerste woningen tijdelijk nog sprake kan zijn van een verhoogde geluidbelasting, maar dat in de eindsituatie geen sprake meer is van bedrijfsactiviteiten en daarmee samenhangende milieuhinder. Gezien het vervallen van het aspect geur, de afstand tot de geprojecteerde woningen in relatie tot het enig overgebleven aspect geluid en de waarborg dat de bedrijfsactiviteiten binnen afzienbare tijd definitief worden beëindigd en tussentijds niet kunnen wijzigen, wordt deze tijdelijke afwijking van de richtafstand aanvaardbaar geacht. Op de locatie Huizersdijk 15-19 zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan bedrijven tot en met milieucategorie 2 mogelijk, er vinden op dit moment geen bedrijfsactiviteiten plaats. De bebouwing staat momenteel leeg. De richtafstand bedraagt 10 meter. De woningbouwlocatie aan de Huizersdijk 21 grenst direct aan deze bedrijfspercelen. In de huidige situatie is geen sprake van bedrijfsactiviteiten met een relevante milieubelasting. In de toekomst kunnen zich ter plaatse bedrijven vestigen, waarbij dient te worden voldaan aan de eisen uit het Activiteitenbesluit (of andere op dat moment geldende toetsingskaders). In algemene zin zijn categorie 2 bedrijven op korte afstand van woningen inpasbaar zonder dat sprake is van hindersituaties, zeker als de bedrijfsactiviteiten uitsluitend tijdens de dagperiode plaatsvinden.
Om een goed beeld te krijgen van de mogelijke milieubelasting door een bedrijf op deze locatie is onderzoek verricht (zie bijlage 4). Uit het onderzoek blijkt dat woningen op een aftand kleiner dan de richtafstand tot het bedrifj inpasbaar zijn, waarbij aandacht nodig is voor de geluidwering van gevel en/of het toepassen van maatwerkvoorschriften in het kader van het activiteitenbesluit. Voor de borging van het toekomstig woon- en leefklimaat is in de regels van het bestemmingsplan een verplichting opgenomen de zijgevel van de woning die grenst aan de bedrijvenbestemming doof uit te voeren en op de erfgrens een tuinmuur te plaatsen van 1.80 meter hoog. Mocht de bedrijfsbestemming vervallen zijn op het moment dat de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen wordt aangevraagd, dan kan het college afwijken van deze verplichting. Bedrijventerrein Het bedrijventerrein Molengors bevindt zich ten noorden van het plangebied. Direct ten noorden zijn bedrijven in milieucategorie 2 en 3 toegestaan. In het bestemmingsplan Molengors is nog geen onderscheid gemaakt tussen milieucategerie 3.1 en 3.2. De richtafstand die in het plan Molengors gekoppeld is aan categorie 3 is 100 meter, dat komt overeen met de richtafstand voor milieucategorie 3.2 De richtafstand is respectievelijk 10 meter en 50 meter in een gemengd gebied.
Aan de noordzijde van het bedrijventerrein Molengors is het bedrijf Rotako gelegen. Dit bedrijf valt in milieucategorie 4.1, met een richtafstand van 100 meter in een gemengd gebied. Met uitzondering van de woning ten noorden van de brug over de Roode Vaart liggen alle nieuwe woningen buiten de richtafstand van de bedrijven in milieucategorie 2 en 3 op bedrijventerrein Molengors. De afstand van de nieuwe woningen aan de Huizersdijk tot bedrijventerrein Molengors bedraagt namelijk ruim 110 meter. De afstand van de woningen aan de Generaal Allenweg (ten zuiden van de brug) tot aan de bedrijven in milieucategorie 2 en 3 op Molengors bedraagt circa 55 meter. De afstand van de nieuwe woningen tot het bedrijf in milieucategorie 4.1 bedraagt ten minste 180 meter. Er wordt aan de bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
34
richtafstand voldaan. De woning aan de Allenweg ten noorden van de brug over de Roode Vaart grenst aan een perceel waar in bestemmingsplan Molengors bedrijven in milieucatgorie 2 en 3 zijn toegestaan. Er wordt niet aan de richtafstanden van respectievelijk 10 en 50 meter voldaan. Direct naast de geprojecteerde woning is een bedrijfswoning aanwezig (Allenweg 26). Het terrein Allenweg 26, waar de feitelijke bedrijfsactiviteiten plaatsvinden ligt op een afstand van 25 meter. Met een afstand van ruim 130 meter tot het bedrijf in categorie 4.1 kan wel aan de richtafstand behorende bij dat bedrijf worden voldaan. Het bestemmen van deze woning leidt mogelijk tot beperkingen voor het bedrijf aan Huizersdijk 24. Ook is niet op voorhand zeker dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor het bedrijventerrein Molengros wordt op termijn gestreefd naar het beperken van de uitstraling naar de omgeving. Een bestemmingsplan daarvoor is inmiddels in procedure gebracht. In afwachting van een toekomstige afname van de milieubelasting op het perceel aan de Allenweg, die wel zou leiden tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, wordt voor deze locatie een wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming Wonen opgenomen.
4.5.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de bedrijven in de omgeving van het plangebied door de beoogde woningbouwontwikkeling niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit met uitzondering van de geprojecteerde woning ten noorden van de brug over de Roode Vaart. Voor deze situatie is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.
4.6
Archeologie
4.6.1 Kader In Europees verband was het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag was het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Sindsdien geldt dat waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het Verdrag is in 1988 geratificeerd (Monumentenwet) en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz was een wijzigingswet en omvatte een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moesten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.
Gemeentelijk beleidskader Om invulling te geven aan deze gemeentelijk zorgtaak heeft de gemeente Moerdijk de archeologische en cultuurhistorische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt door een gemeentelijke Erfgoedkaart op te stellen samen met het Uitvoeringskader Erfgoed 2014 4.6.2 Onderzoek en conclusie Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Moerdijk is ter plaatse van het plangebied voor een deel van het plangebied sprake van een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en voor een groot deel een zone waarvoor geen archeologische verwachtingswaarden geldt. Voor de locatie met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde geldt een beschermingsregime waarbij bodemroerende werkzaamheden groter dan 250 m2 en dieper dan 2 m niet zijn toegestaan. Omdat ter plaatse een waterkering is gelegen worden er geen werkzaamheden uitgevoerd dieper dan 2 meter. Nader archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk in het kader van de ontwikkeling. Voor de locatie met een middelhoege verwachtingswaarde wordt een dubbelbestemming Waarde bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
35
Archeologie 7 opgenomen, Voor het overige deel van het plangebied is aanvullend onderzoek naar archeologie niet noodzakelijk. Een uitsnede van de archeologische kaart is opgenomen in figuur 4.3.
Figuur 4.3. Uitsnede archeologische waardenkaart Moerdijk, het plangebied is rood gemarkeerd
4.7
Cultuurhistorie
Toetsingskader Algemeen Beleidskader voor de cultuurhistorie vormt primair de sinds 1 september 2017 geldende Erfgoedwet. Er bestaat een wettelijke verplichting om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Facetten als historische (stede)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten worden daarin meegenomen. Daarmee is de bescherming van het cultuurhistorisch erfgoed (mede) een taak van de gemeente geworden. Provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft ze haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De CHW is vastgesteld in 2010 en op kleine onderdelen aangepast in de herziening 2016. Op de CHW is het provinciaal cultuurhistorisch belang aangegeven. Het gaat hierbij om erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. Dit belang hangt nauw samen met het provinciaal ruimtelijk belang, zoals benoemd in de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening.
Het provinciaal belang is beperkt tot het landelijk gebied, waar de provincie haar
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
36
belangrijkste taak heeft. De kaartlagen cultuurhistorische vlakken’ en ‘complexen van cultuurhistorisch belang’ zijn ook opgenomen in de Verordening ruimte Noord-Brabant. Toetsing Het plangebied ligt in het verlengde van een voormalig bedrijventerrein dat is ontstaan als uitvloeisel van de industriële activiteiten langs watergangen (suikerindustrie). De toekomstige woningen liggen aan een voormalige zeearm en scheepvaartroute (suikerbieten en turf) tussen Hollandsch Diep en rivier de Mark. De Roode Vaart blijft in de toekomstige situatie gehandhaafd. De Huizersdijk en Allenweg zijn in figuur 4.4 aangeduid als historische geografie - lijnen. Deze historische geografie - lijnen blijven in de toekomstige situatie ongewijzigd. In de rest van het plangebied bevinden zich geen andere cultuurhistorische waarden.
Figuur 4.4 Cultuurhistorische waardenkaart waarbij het plangebied met blauw omkaderd is aangegeven (Bron: CHW Noord-Brabant) Conclusie Het plan schaadt geen cultuurhistorische waarden.
4.8
Ecologie
4.8.1 Kader Wet natuurbescherming
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
37
Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. De Wnb is in werking getreden met ingang van 1 januari 2017. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) is in beginsel bevoegd gezag voor de vergunningverlening onder de Wnb. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN) de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Verder geldt er een verplichting om een passende beoordeling te verrichten indien significant negatieve effecten op voorhand niet zijn uitgesloten. In dat geval kan het plan alleen worden vastgesteld indien met zekerheid is vastgesteld dat uitvoering van het plan niet leidt tot een aantasting van natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden. Eventueel noodzakelijke mitigerende maatregelen moeten in dat geval bij vaststelling van het plan geborgd zijn. Gebiedsbescherming De Wnb kent twee soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura 2000/gebieden; b. Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Soortenbescherming Daarnaast is in de Wnb de soortenbescherming geregeld. Soortenbescherming geldt voor alle beschermde soorten ongeacht waar deze soorten zich bevinden en hoeveel soorten het betreft. In de Wnb zijn verbodsbepalingen opgenomen van handelingen en effecten op beschermde soorten die niet worden uitgevoerd, behoudens ontheffing. Gebiedsbescherming - Natura 2000-gebieden De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk (of in combinatie met andere plannen of projecten) significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Er zijn geen alternatieve oplossingen; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.
De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en die verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebiedsbescherming - Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
38
a. b. c. d.
Soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; Soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; Soorten die worden beschermd in de Verdragen van Bern en Bonn; en Bescherming van overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk doden van vogels of het vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten (art. 3.10 Wnb). De overige soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. GS kunnen ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.
De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan voor deze soorten ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. 4.8.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde Natura 2000-gebieden of van gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Brabant. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft de Biesbosch op een afstand van circa 9,1 kilometer. Het dichtstbijzijnde onderdeel van Natuurnetwerk Brabant bevindt zich op circa 980 meter (zie figuur 4.3). In het kader van de invloed van de ontwikkeling van de woningen is gekeken naar de effecten van de nieuwbouw van de nog te vergunnen woningen (32 woningen) op de omliggende Natura 2000-gebieden. In het kader hiervan is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de nieuwe woningen. Uit dit onderzoek blijkt dat het verkeer van deze woningen niet leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 6. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het huidige Aerius-model verkeersemissies op >5 km van Natura 2000-gebieden buiten beschouwing laat. Met andere woorden: aangezien de maatgevende wegvakken op meer dan 5 kilometer van verzuringsgevoelige Natura 2000-gebieden zijn gelegen, zal nooit een depositietoename worden berekend ten gevolge van de verkeersemissies.
Uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat een dergelijk afstandscriterium zonder nadere onderbouwing juridisch niet houdbaar is. Naar verwachting zal er naar aanleiding van deze uitspraak een aanpassing in het rekenmodel worden doorgevoerd. Om een beeld te krijgen van de mogelijke gevolgen van het meenemen van de verkeerseffecten op meer dan 5 km is het verkeer in de huidige versie van het Aerius-model op een andere wijze gemodelleerd (als bron in de categorie 'anders' zodat het model ook verder dan 5 kilometer de gevolgen voor de depositie berekend). Hieruit blijkt dat ook dan geen sprake is van een toename van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Gezien de relatief beperkte verkeerstoenames en de ruime afstand tot de maatgevende Natura 2000-gebieden heeft de uitspraak van de Afdeling naar verwachting dus geen gevolgen voor de resultaten tijdens de realisatiefase mochten deze alsnog anders berekend of ingevoerd moeten worden. Aanlegfase Het is mogelijk dat de werkzaamheden leiden tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Het doel van de wet stikstofreductie en natuurverbering is om de stikstofuitstoot te verlagen en de natuur te verbeteren. De wet bevat een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningsplicht voor de bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
39
bouwsector. De vrijstelling geldt voor bouwactiviteiten in de bouw-, aanleg- en sloopfase, waarin emissies tijdelijk en beperkt zijn. Deze vrijstelling maakt vergunningverlening voor de aanleg/bouw van onder andere woningen, utiliteitsbouw, energieprojecten en activiteiten in de grond-, weg- en waterbouw makkelijker. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden (bijvoorbeeld verstoring). De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). Deze wet is op 1 juli 2021 in werking getreden. Hierdoor is het voor de aanlegfase niet nodig om een stikstofberekening uit te voeren. Anders effecten zijn door de afstand op voorhand uit te sluiten.
Figuur 4.3 Plangebied rood omcirkeld ten opzichte van Natura 2000 en Natuurnetwerk Brabant Soortenbescherming In het kader van het vigerende bestemmingsplan is ecologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied, zie bijlage 5. Uit het onderzoek blijkt dat algemene broedvogels aanwezig zijn. In verband hiermee is het noodzakelijk om de start van de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan voorkomen worden dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen uitgesloten kan worden. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de provincie Noord-Brabant. Het voorkomen van overige soorten wordt uitgesloten. Op grond van bovenstaande analyse worden negatieve effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; het plan voor de bouw en het gebruik van woningbouw langs de Roode Vaart te Zevenbergen is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.
De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor- en gedurende de uitvoering dient hierbij rekening gehouden te worden.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
40
4.8.3 Conclusie De realisatie van 32 woningen leidt niet tot significante effecten op natuurgebieden of flora en fauna. Het aspect ecologie leidt niet tot belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Water
4.9.1 Kader Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf. Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Brabantse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van deze ruimtelijke onderbouwing wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Omgevingsvisie Interim-omgevingsverordening Brabant Waterschapsbeleid Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer - waaronder grondwater - heeft daarbij twee doelen: de zorg voor gezond water en de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; de Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is.
Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
41
van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'. Op waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur te lozen op het oppervlaktewater bij een uitbreiding van het verhard oppervlak groter of gelijk aan 500 m². Indien door de ontwikkeling het verhard oppervlak met meer dan 500 m² toeneemt, eist het waterschap compensatie voor de uitbreiding van verharding. Bij het dimensioneren van retentie-/infiltratievoorzieningen dient rekening te worden gehouden met neerslaghoeveelheden met een herhalingstijd van 1 tot 100 jaar. Aangezien de retentiebehoefte het grootst is bij T = 100 is deze waarde maatgevend. Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. 4.9.2 Onderzoek Huidige situatie Het plangebied ligt ten zuiden van Zevenbergen en grenst aan de Roode Vaart.
Het gebied is momenteel volledig onverhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de grond van het plangebied uit lichte klei met homogeen profiel. Met betrekking tot grondwater is er sprake van grondwatertrap VI. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) schommelt tussen 40 en 80 centimeter onder maaiveld. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt op 120 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 2,5 meter +NAP. Waterkwantiteit Het plangebied is buitendijks gelegen en grenst aan de vaarweg Roode Vaart. De beschermingszone van het oppervlaktewater betreft 5 meter. Binnen deze beschermingszones gelden conform de Keur van waterschap Brabantse Delta beperkingen voor bouwen en aanleggen ter bescherming van en om onderhoud aan de vaarweg mogelijk te houden. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een regionale waterkering.
De beschermingszone is 10 meter gemeten van uit de teen. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is momenteel onbebouwd en niet aangesloten op het rioolstelsel. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zullen 32 woningen gerealiseerd worden. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Indien door de ontwikkeling het verhard oppervlak met meer dan 2.000 m² toeneemt, eist het waterschap compensatie voor de uitbreiding van verharding. Echter wordt de Roode Vaart aangemerkt als bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
42
stroomvoerend water. Ontwikkelingen die direct gelegen zijn langs stroomvoerend water mogen binnen de regels van het waterschap direct hierop afwateren. Het is dan ook niet noodzakelijk om te voorzien in compensatie in verband met de toename van verharding. Waterkwaliteit Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Buitendijks bouwen Voor buitendijks bouwen hanteert het waterschap het 'Nee, tenzij'-principe. Het waterschap heeft aangegeven dat de buitendijkse ontwikkelingen in dit plan doorgang kunnen vinden, maar dat het profiel van vrije ruimte langs de 'keringen langs een regionale rivier' onbebouwd dient te blijven. Het doel van deze vrije ruimte is dat de situatie langs de Roode Vaart niet verslechtert als gevolg van de voorgenomen woningbouw. Het buitendijks gelegen gebied blijft onbeschermd tegen hoogwater en het bouwen op deze locatie blijft daarom voor eigen risico. De Roode Vaart en directe omgeving is aangemerkt als reserveringsgebied ten behoeve van waterberging. Buitendijkse ontwikkelingen dienen conform het 'beleid buitendijks bouwen' voorgelegd te worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Conform dit beleid zijn er mogelijkheden waardoor ontwikkelingen toch hun doorgang kunnen vinden, indien deze geen risico's of negatieve effecten veroorzaken voor de taken en verantwoordelijkheden van het waterschap. Negatieve effecten worden voor 100% gecompenseerd. Onder taken en verantwoordelijkheden van het waterschap wordt het volgende verstaan: zorg voor voldoende doorstromingscapaciteit, zorg voor veilige keringen en behoud en realisatie van voldoende bergingsmogelijkheden. Het buitendijks gelegen gebied langs de Roode Vaart Zuid ter hoogte van het plangebied heeft een gemiddelde maaiveldhoogte van circa 2,00 m +NAP. Het toetspeil T=100 (maatgevende hoogwaterstand) ter hoogte van het plangebied bedraagt 1,3 m +NAP (vast peil Volkerak-Zoommeer van 0,5 m +NAP), hierbij is geen rekening gehouden met de invloed van golf- en windopslag. De invloed van golf- en windopslag is kleiner dan 0,7 m. Dit betekent dat het buitendijks gelegen gebied vanaf de insteek met de huidige maaiveldhoogte in de T=100 situatie geen onderdeel uitmaakt van het stroomvoerende profiel ( i.v.m. doorstromingscapaciteit en bergingsmogelijkheden). Derhalve hoeven deze gebieden bij maaiveldophoging niet te worden gecompenseerd. Desalniettemin zijn en blijven buitendijkse gebieden niet beschermd tegen hoogwater. Dit brengt risico's met zich mee.
Om ervoor te zorgen dat ook toekomstige eigenaren op de hoogte zijn van overstromingsrisico's, in dit bestemmingsplan is dan ook opgenomen dat de woningen niet zijn beschermd tegen hoogwater en dat de bijbehorende risico's voor eigen rekening zijn. Ten aanzien van de zorg voor de veilige kering, dient het profiel van vrije ruimte vrij te blijven van waterkeringsvreemde objecten en dient bij grondroeringen en overige belastingen van de waterkering middels een invloedzoneberekening aangetoond te worden dat deze werkzaamheden geen negatieve invloed hebben op de stabiliteit en veiligheid van de waterkering. In het kader hiervan wordt nader onderzoek gedaan naar dijkstabiliteit. De woningen worden ter plaatse gebouwd op het maaiveld, waarbij tussen het maaiveld en het profiel van de vrije ruimte voldoende ruimte is voor de fundering.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
43
Figuur 4.4 Beoogde woning ten opzichte van de dijk Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. 4.9.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de 32 woningen die mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplan geen negatieve gevolgen heeft voor de bestaande waterhuishouding.
4.10
Externe veiligheid
4.10.1 Kader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
44
veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken.
Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. 4.10.2 Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart (figuur 4.5) waarin relevante risicobronnen worden getoond, vindt er in de omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats via het water, de weg of door buisleidingen met een externe werking.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
45
Figuur 4.5 Uitsnede professionele risicokaart met het plangebied groen gemarkeerd Inrichtingen Het plangebied ligt in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen Gondrand Traffic B.V., Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. en Shell Nederland Chemie B.V. De persoonsgebonden contour van deze inrichtingen komt niet tot aan het plangebied. Voor alle drie inrichtingen is in het kader van de vergunningverlening van deze bedrijven een QRA uitgevoerd. Het groepsrisico overschrijdt slechts bij Shell Nederland Chemie B.V. de oriëntatiewaarde. Het plangebied is echter op enkele kilometers gelegen van de inrichtingen. Daarnaast valt heel Zevenbergen en omgeving in de invloedsgebieden, waardoor de toevoeging van de 32 woningen weinig invloed heeft op het groepsrisico. Omdat het plangebied wel in de invloedsgebieden ligt, is er een beknopte verantwoording van het groepsrisico opgesteld. Vervoer van gevaarlijke stoffen Het plangebied bevindt zich op circa 613 meter van het spoortraject Zevenbergschenhoek – Roosendaal, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De PR 10-6-contour is op maximaal 11 m buiten het spoor is gelegen. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van de 32 woningen. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie D4 en bedraagt meer dan 4 kilometer.
Omdat het plangebied op meer dan 200 meter is gelegen, hoeven volgens het Basisnet geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Volgens de standaard verantwoording van de gemeente Moerdijk (zie bijlage 10) bevindt de locatie zich hierdooor in een grijze zone. Er kan worden volstaan met een standaardverantwoording. 4.10.3 Verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Huizersdijk en Generaal Allenweg. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
46
worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Daarnaast is door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant een Standaard Verantwoording Groepsrisico opgesteld. Hierin wordt onder andere een beschrijving van de scenario's en de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid gegeven. Daarnaast kan deze standaard verantwoording toegepast worden als (beperkte) verantwoording op grond van artikel 7 en 8 van het Bevt en artikel 12 van het Bevb. Tevens wordt in dit document geconcludeerd dat de de zelfredzaamheid over het algemeen redelijk tot goed is. Voor bijzonder kwetsbare objecten waar verminderd zelfredzame personen aanwezig zijn (zoals kinderdagverblijf en zorginstelling) is de zelfredzaamheid beperkt. Zulke ontwikkelingen worden met dit bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen 32 woningen gerealiseerd worden. Dit zijn kwetsbare objecten. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen.
Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Ook kan er extra aandacht besteedt worden aan de detaillering van gevels, ramen en kozijnen zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd, hierdoor kan natuurlijke ventilatie als gevolg van tocht niet plaatsvinden. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. 4.10.4 Conclusie Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen Gondrand Traffic B.V., Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. en Shell Nederland Chemie B.V. en spoortraject Zevenbergschenhoek – Roosendaal. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11
Leidingen en laagvliegroutes
4.11.1 Kaders In het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen gelegen. Het plangebied is gelegen in het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Woensdrecht. Dit houdt in dat er rond deze vliegbasis een cirkel met een straal van 15 nautische mijl (= 27,8 km) geldt, gemeten vanaf de positie van de radar. Deze cirkel is bedoeld om het functioneren van radar- en communicatieapparatuur op de vliegbasis te waarborgen. Binnen het radarverstoringsgebied dient voor ieder obstakel, hoger dan 63 m boven NAP, te worden berekend of er verstoring van de radar optreedt. Het plangebied is daarnaast gelegen onder de navigatie-tolerantiezone van de laagvliegroute VO. Voor de laagvliegroute geldt dat er ter weerszijden van de hartlijn van de route een navigatie-tolerantiezone van 926 m bestaat. Het is vanuit defensieoogpunt niet wenselijk om obstakels hoger dan 30 m, onder de laagvliegroute te plaatsen. 4.11.2 Onderzoek en conclusies De maximaal toelaatbare bouwhoogte binnen het plangebied bedraagt 11 m. De belangen van de laagvliegroute van Defensie en het radarverstoringsgebied worden derhalve niet geschaad, aangezien de maximale bouwhoogte minder dan 30 en 63 m bedraagt.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
47
4.12
MER-Regelgeving
4.12.1 Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: De kenmerken van de projecten; De plaats van de projecten; De kenmerken van de potentiële effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Door het bevoegd gezag moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen.
4.12.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 32 woningen. Gezien de omvang van het project wordt de ontwikkeling gezien als een stedelijke ontwikkelingsproject (categorie D.11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.). De drempelwaarden van deze categorie worden overschreden in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aangesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte omvat van 200.000 m2 of meer. Daarvan is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die de genoemde drempelwaarden niet overschrijden toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling die is opgesteld voor dit plan, deze is opgenomen in Bijlage 9. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen uitgebreide plan-of project m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
Wel dient door het bevoegd gezag voorafgaand aan het besluit ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan een besluit genomen worden op de m.e.r.-beoordeling.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
48
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Planvorm
Het voorliggende bestemmingsplan heeft als doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de realisatie van 32 woningen. Het bestemmingsplan omvat daarbij alleen het nog niet gerealiseerde en vergunde deel van Oevers Roode Vaart Zuid. Voor de regels in het bestemmingsplan is zo veel mogelijk aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan en zijn de huidige planologische rechten overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is daarnaast het actuele beleid van de gemeente omtrent bedrijven- en beroepen aan huis en het beleid ten aanzien van erfbebouwing opgenomen. In dit hoofdstuk wordt een toelichting op de systematiek en de inhoud van de verschillende toegekende bestemmingen van het bestemmingsplan gegeven. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Het plan voldoet aan de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Het handboek van de gemeente Moerdijk vormt de basis voor dit bestemmingsplan, aangevuld met de geactualiseerde begrippen en bouwregels uit het veegplan Kernen (2017).
5.2
Systematiek bestemmingen
De regels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken: a. Inleidende regels (hoofdstuk 1); b. Bestemmingsregels (hoofdstuk 2); c. Algemene regels (hoofdstuk 3); d. Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4). De regels zijn zoveel mogelijk opgebouwd conform het handboek bestemmingsplannen van de gemeente Moerdijk en sluit tevens aan bij de systematiek van de meest recente bestemmingsplannen voor de kernen binnen de gemeente. Hierna worden de vier hoofdstukken kort toegelicht. Hoofdstuk1 Inleidende regels In dit hoofdstuk zijn diverse begrippen verklaard, die in de regels zijn opgenomen. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is in hoofdstuk 1 het artikel 'wijze van meten' opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de feitelijk in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. Per artikel is bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende bestemmingen. Agrarisch Een deel van het plangebied heeft de bestemming Agrarisch.
Deze bestemming is gebaseerd op het bestaande gebruik van het zuidwestelijke deel van het plangebied en de geldende bestemming voor het perceel ten noordoosten van de brug over de Roode Vaart. Op deze gronden kunnen enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Burgemeester en wethouders beschikken over de bevoegdheid om een de gronden aan de Allenweg ten noorden van de brug te wijzigen in de bestemming Wonen. Bij de locatie met de gebiedsaanduiding 'wro-zone – wijzigingsgebied 1' is de voorwaarde dat de milieubelasting van omliggende bedrijven is opgeheven. In de wijzigingsregels is een aantal specifieke bouwregels ten behoeve van het hoofdgebouw opgenomen. Voor het overige en ten aanzien van de erfbebouwing gelden de regels uit het artikel Wonen zodra tot wijziging wordt overgegaan
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
49
Groen Ter plaatse van de bestemming Groen zijn groen- en parkeervoorzieningen toegestaan. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouwen worden gebouwd. Ter plaatse van de bestaande nutsvoorziening aan de Huizersdijk is de vigerende bestemming Groen, met de aanduiding nutsvoorziening overgenomen. Ter plaatse is een nutsvoorziening toegestaan. Ten aanzien van het bouwen is bepaald gebouwen mogen worden gebouwd met een maximum oppervlakte van 20 m2 en een maximum hoogte van 3 m. Wonen De nieuwe woningen worden bestemd als 'Wonen'. Binnen de bestemming Wonen zijn ook andere bijbehorende voorzieningen, zoals groen, parkeren en nutsvoorzieningen toegestaan. De hoofdgebouwen van de woningen mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak dat op de verbeelding is weergegeven. In de bouwregels is opgenomen dat het aantal woningen niet meer mag bedragen dan 1 per bouwperceel. Woningsplitsing is tevens niet toegestaan. Binnen de regels is opgenomen dat in totaal het aantal woningen niet meer mag bedragen dan 32. Hoofdgebouwen dienen te worden gebouwd binnen het bouwvlak, waarbij de voorgevel van de woning in de bouwvlakgrens mag worden gebouwd. De bebouwingsregeling bevat verder bepalingen met betrekking tot de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, de diepte, breedte en hoogte van de hoofdgebouwen, deze regels zijn verbonden aan het type woning dat gerealiseerd wordt.
Aan het perceel van Autoschadeherstelbedrijf De Wijs aan de Huizersdijk is de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend. Zodra het gebruik wordt beëindigd is gebruik als bedrijf ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - persoonsgebonden overgangsrecht" niet meer toegestaan. Daarnaast is opgenomen dat het gebruik binnen een periode van 5 jaar dient te worden beëindigd. Ten slotte is ook opgenomen dat het gebruik van de spuitcabine dient te worden beëindigd en verwijderd na de vaststelling van het bestemmingsplan. Waterstaat - Waterkering Deze dubbelbestemming is toegekend aan de gronden langs de Roode Vaart welke een waterkerende functie hebben of die van invloed zijn op de waterkering. Binnen de dubbelbestemming geldt dat bouwwerken uitsluitend mogelijk zijn indien deze geen onevenredige afbreuk doen aan de waterkerende functie. Voor het uitvoeren van werkzaamheden binnen deze dubbelbestemming kan sprake zijn van een plicht tot het aanvragen watervergunning of het doen van een melding, naast een omgevingsvergunning. Hoofdstuk3 Algemene regels In hoofdstuk 3 worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, diverse aanvullende regels gesteld.
Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn algemene bepalingen opgenomen ten aanzien van bestaande bouwwerken. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van parkeren, waarbij is bepaald dat een omgevingsvergunning uitsluitend verleend kan worden indien voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt geregeld wat in het kader van dit bestemmingsplan in ieder geval wordt gezien als strijdig gebruik. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
50
algemene afwijkingen is opgenomen. Het betreft hier onder meer een standaardregeling die beperkte afwijkingen in de maatvoering bij de uitvoering van bouwplannen mogelijk maakt. Daarnaast is een regeling opgenomen voor het afwijken van bouwregels ten behoeve van de realisatie van duurzaamheidsmaatregelen. Algemene wijzigingsregels Een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor het onder voorwaarden toepassen van geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmeting van bestemmingsvlakken. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 1 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 5% worden vergroot. Overige regels In dit artikel is bepaald dat, voor zover er verwezen wordt naar wettelijke regelingen, de regelingen gelden op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan. Hoofdstuk4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. Daarnaast is voor de locatie van het autoschadeherstelbedrijf een specifieke persoonsgebonden overgangsrecht opgenomen.
Dit overgangsrecht maakt het in afwijking van het bepaalde onder het reguliere overgangsrecht mogelijk om het aanwezige autoschadeherstelbedrijf door de huidige eigenaar te laten voortzetten. Als de huidige eigenaar de werkzaamheden staakt, mogen de bedrijfsactiviteiten niet langer worden voortgezet door derden. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
51
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
52
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 32 extra woningen mogelijk. Het bestemmingsplan maakt hiermee aangewezen bouwplannen mogelijk. In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan is een anterieure overeenkomst tussen de ontwikkelaar en de gemeente gesloten. Daarmee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan op te stellen. In deze overeenkomst zijn tevens afspraken gemaakt ten aanzien van planschade.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
In het kader van het bestemmingsplan is het plan als voorontwerp toegezonden aan de verschillende overlegpartners. De resultaten van dit overleg zullen in deze paragraaf worden beschreven. Het voorontwerpbestemmingsplan is tevens ter inzage gelegd waarbij een ieder in de mogelijkheid is gesteld tot het indienen van een inspraakreactie. De ingekomen reacties zijn samengevat en beantwoord in een Nota inspraak- en overleg. Deze is opgenomen als bijlage 11 bij de toelichting. In de nota is ook beschreven op welke punten het ontwerpbestemmingsplan is aangepast ten opzichte van het voorontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan zal conform de wettelijke procedure gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder wordt in de mogelijkheid gesteld een zienswijze in te dienen op het bestemmingsplan.
bestemmingsplan Oevers Roode Vaart Zuid ontwerp
53