A 25043 bijlage Concept-NRD-nieuwbouw-kerncentrales
Tekst van het document
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau
Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales
projectnummer 0486653.100 revisie 01 16 mei 2025
www.anteagroup.nl
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 revisie 01 16 mei 2025
Opdrachtgever Ministerie van Klimaat en Groene Groei Postbus 16180 2500 BD DEN HAAG
Datum 16 mei 2025
Beschrijving Definitief
Vrijgave
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8 1.9 1.10
Kerncentrales in de Nederlandse energiemix Een milieueffectrapport bij de locatiekeuze voor kerncentrales Leeswijzer Wat is een kerncentrale? Waarom zijn nieuwe kerncentrales nodig? Doelstelling Gebieden waarin naar locaties wordt gezocht Veiligheid: SSR-1 en SSG-35 als basis voor de locatiekeuze en het milieueffectrapport Generatie III+ kerncentrales als uitgangspunt Benodigde ruimte in bouw- en gebruiksfase
4 4 4 5 6 8 9 10 10 12
2.
De milieueffectrapportage
13
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
Waarom een milieueffectrapportage? Doel van deze milieueffectrapportage De mer-procedure kort toegelicht Uw mening over deze concept-Notitie Reikwijdte en Detailniveau Bevoegd gezag en initiatiefnemer
13 14 15 17 19
3.
Huidig beleid voor kerncentrales
20
3.1 3.2 3.3
Waarborgingsbeleid Beleidsvorming rondom vestigingsplaatsen voor kerncentrales Beschouwing navolgbaarheid en validiteit van de totstandkoming tot het huidige waarborgingsbeleid
20 20 25
4.
Analyse redelijke alternatieven
26
4.1 4.2 4.3 4.4
Methode van trechtering Beoordeling aangedragen gebieden vanuit de reacties op het Voornemen en voorstel participatie Afweging per gebied: welke locaties zijn redelijkerwijs te beschouwen Alternatieven voor het plan-MER
26 28 30 39
5.
Referentiesituatie en autonome ontwikkelingen
41
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Sloegebied Maasvlakte II Terneuzen Eemshaven Landelijk
41 43 44 45 47
6.
Reikwijdte en detailniveau effectbeoordeling plan-MER
48
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
Beoordelingskader plan-MER Veiligheidsaspecten van de SSG-35 Milieuaspecten Buitengebruikstelling en ontmanteling Radioactief afval De Integrale Effecten Analyse (IEA): een breder perspectief dan het plan-MER
48 49 50 53 53 54
2
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
Bijlage 1: Actualisatierapport waarborgingsbeleid
55
Bijlage 2: Beoordeling groslist (gebieden in Nederland)
56
Bijlage 3: Beoordeling longlist (locaties binnen gebieden)
57
Bijlage 4: Beleidskaders
58
Bijlage 5: Begrippenlijst
69
Bijlage 6: Bronvermelding
71
3
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
1.
Inleiding
1.1
Kerncentrales in de Nederlandse energiemix Nederland wil in 2050 klimaatneutraal zijn. Kernenergie kan een belangrijke bijdrage leveren aan die doelstelling. De Rijksoverheid ziet hierom een waardevolle rol voor kernenergie in de toekomstige energiemix. Daarom heeft het kabinet besloten om in te zetten op de voorbereiding van twee nieuwe kerncentrales. Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei start een ruimtelijke procedure voor de bouw van twee nieuwe kerncentrales. De eerste fase in deze procedure is een verkenning naar één geschikte locatie om twee kerncentrales te realiseren.
1.2
Een milieueffectrapport bij de locatiekeuze voor kerncentrales Voor deze verkenning naar een locatie is het verplicht een plan-milieueffectrapportage-procedure (plan-mer of mer-procedure) te doorlopen. Deze concept-Notitie Reikwijdte en Detailniveau (cNRD) vormt hiervoor het startpunt. Deze procedure is in paragraaf 2.3, De mer-procedure kort toegelicht, verder toegelicht. Dit document is hiermee de onderzoeksopzet voor de verkenning naar geschikte locaties voor twee kerncentrales. In dit document is beschreven welke thema’s en aspecten van belang zijn en welke locaties worden onderzocht (de reikwijdte) en op welke wijze (het detailniveau) deze onderzocht worden. De opbouw van het document is hieronder weergegeven. Terminologie: MER of mer? Het is gebruikelijk om in milieueffectrapportages de afkortingen (de) mer en (het) MER te gebruiken. De afkorting mer (met kleine letters) staat voor de volledige procedure, de milieueffectrapportage. MER (met hoofdletters) staat voor het milieueffectrapport.
1.3
Leeswijzer In deze cNRD is de volgende opbouw gehanteerd en zijn de volgende punten beschreven: In hoofdstuk 1 is beschreven wat een kerncentrale is, is de aanleiding voor nieuwe kerncentrales beschreven en zijn de doelstellingen en uitgangspunten van dit project beschreven. Dit vormt de basis voor een beter begrip van de verdere inhoud van het document. In hoofdstuk 2 is de mer-procedure nader toegelicht. Hier is uitgelegd waarom deze procedure noodzakelijk is, wat de doelstellingen zijn van de procedure en hoe de procedure verloopt. Het belang van participatie bij het opstellen van dit document wordt benadrukt, en er wordt aangegeven wie het bevoegd gezag en de initiatiefnemer van het project zijn. In hoofdstuk 3 is een evaluatie opgenomen van het waarborgingsbeleid dat vanaf 1986 geldt. In dit beleid zijn de kaders voor geschikte vestigingsplaatsen voor kerncentrales vastgelegd. In dit hoofdstuk zijn een beschrijving van dit beleid en de resultaten van het onderzoek naar de actualiteit van de destijds bepaalde locaties opgenomen. In hoofdstuk 4 is het proces beschreven hoe van relevante gebieden naar mogelijke locaties voor kerncentrales is gekomen. In hoofdstuk 5 is de referentiesituatie opgenomen waaraan de mogelijke vestigingslocaties worden getoetst.
Er wordt ingegaan op autonome ontwikkelingen en raakvlakprojecten die samenhang kunnen hebben met de realisatie van de twee nieuwe kerncentrales. Tot slot is in hoofdstuk 6 een uitleg opgenomen van de methodologie en de criteria die in het MER worden gehanteerd voor het onderzoeken van de locaties. Bij het opstellen van deze cNRD zijn bronnen gebruikt. Bronnen zijn in de tekst cursief weergegeven en opgenomen in de bronvermelding in bijlage 6.
4
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
1.4
Wat is een kerncentrale? Energiecentrale Een kerncentrale is een elektriciteitscentrale die elektriciteit opwekt met de energie die vrijkomt bij kernsplitsing. Bij kernsplitsing splijt een atoomkern zich in twee of meer lichtere deeltjes, waarbij aanzienlijke hoeveelheden energie worden opgewekt. In een kerncentrale gaat het om de splitsing van een uraniumkern. Een kerncentrale is veilig afgeschermd door staal en beton. Binnenin liggen honderden zogeheten splijtstofstaven van uraniumoxide in een met water gevuld reactorvat. In de staven vinden de kernsplijtingen plaats, terwijl er water langs stroomt. De energie komt bij de kernsplijtingen vrij in de vorm van warmte. Het water neemt die warmte op en wordt heet. Dat hete water circuleert onder hoge druk door het reactorvat naar de stoomgenerator. Hierin wordt de warmte afgegeven aan een tweede watercircuit waarin stoom wordt gemaakt. Dit type reactor is een drukwaterreactor (pressurized water reactor (PWR)). Met een stoomturbine wordt de elektriciteit opgewekt, net als in elke andere elektriciteitscentrale. De turbine zit op een as die een generator aandrijft. De stroom die de generator opwekt, wordt aan het elektriciteitsnet geleverd. In de volgende figuur is afgebeeld hoe dit bij de Nederlandse kerncentrale in Borssele plaatsvindt.
Figuur 1-1 Werking kerncentrale (voorbeeld Borssele), Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming.
Koeling De stoom wordt na gebruik in een condensor (een verzameling buizen met stoom, zie nr. 6 in figuur 1-1) gekoeld tot water. Dat koelen gebeurt bij de kerncentrale in Borssele door koud oppervlaktewater uit de Westerschelde door de condensor te voeren (zie nr. 7 in figuur 1-1). Deze kerncentrale heeft drie gescheiden water/stoomcircuits, hierdoor komt water uit de reactor niet in de turbine of koelvoorziening. Een alternatief op oppervlaktewaterkoeling is koelen met een koeltoren, zoals bij de Belgische kerncentrale in Doel. De grote kerncentrales waar nu technische haalbaarheidsstudies naar worden uitgevoerd zijn drukwaterreactoren met drie gescheiden water/stoom circuits. CO2-neutraal Kernenergie kan op grote schaal CO2 vrije energie leveren (IPCC, 2023). Wel is het zo dat CO2 vrijkomt bij de bouw van een kerncentrale (afhankelijk van de bouwmethoden), bij de winning van uranium – dat als brandstof dient, en bij het maandelijks proefdraaien van reserve dieselgeneratoren.
5
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
1.5
Waarom zijn nieuwe kerncentrales nodig? Nederland wil in 2050 klimaatneutraal zijn. Dat heeft gevolgen voor het toekomstige energiesysteem. Energie opwekken, transporteren, opslaan en gebruiken verandert. Een van de belangrijke stappen om het Nederlands energieverbruik te verduurzamen is elektrificatie, oftewel de overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar elektriciteit. Mede hierdoor zal de vraag naar CO2-neutrale elektriciteit in de toekomst aanzienlijk toenemen. Dat blijkt uit resultaten van de Klimaat- en Energieverkenning. Daarnaast is in Europees verband afgesproken om in 2040 netto geen CO2 meer uit te stoten bij de productie van elektriciteit. Daarmee is de uitdaging om in de toekomst zowel méér elektriciteit als ook CO2-neutraal elektriciteit op te wekken. Het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) biedt een duidelijke ontwikkelrichting voor het energiesysteem tot 2050. In dit NPE staan belangrijke keuzes die de basis leggen voor het toekomstige energiesysteem van Nederland. Zo wordt ingezet op het gebruik van zoveel mogelijk verschillende energiebronnen en benodigde infrastructuur. Belangrijke speerpunten daarbij zijn voldoende aanbod van energie (eigen productie en import) en tijdige beschikbaarheid van voldoende energie-infrastructuur.
Hierdoor is de verduurzaming van de sectoren die veel energie gebruiken (gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie en landbouw) mogelijk. Het kabinet kijkt hierbij naar het totale energiesysteem. Kernenergie is hier onderdeel van: van de 0,5 GW (gigawatt) opgewekte energie nu (van de huidige kerncentrale bij Borssele) naar circa 3,5 GW kernenergie zo snel mogelijk na 2035 (voorzien met de voorgenomen bouw van twee nieuwe kerncentrales) (Kamerbrief van 9 december 2022, kamerstuk 32 645, nr. 116). Het NPE gaat uit van een doorgroei van kernenergie zo snel mogelijk na 2035 van 3,5 GW tot 7 GW kernenergie in 2050. Het eindbeeld is dat in 2050 kernenergie een aanvulling zal zijn op wind en zon als bron voor elektriciteit. Overwegingen kernenergie Er zijn verschillende redenen om voor meer kernenergie te kiezen. Kernenergie zorgt er bijvoorbeeld voor dat de Nederlandse energievoorziening stabieler wordt doordat er verschillende energiebronnen gebruikt worden. Het maakt Nederland onafhankelijker van import van energie uit het buitenland. Bij de opwekking van energie in kerncentrales komt geen CO2 vrij. Dat is belangrijk bij het terugdringen van broeikasgassen en het tegengaan van klimaatverandering. Daarnaast nemen kerncentrales relatief weinig ruimte in beslag in vergelijking met andere vormen van CO2-neutrale energieopwekking (zoals wind- en zonneparken) (United Nations).
Kerncentrales maken gebruik van technologie die al bewezen heeft 24 uur per dag energie te kunnen leveren. Kernenergie is een betrouwbare bron van energie die onafhankelijk van de weersomstandigheden continu en stabiel geleverd kan worden. Op momenten dat de zon niet schijnt en de wind niet waait, kan kernenergie altijd in een deel van de energiebehoefte voorzien. Dit maakt het mogelijk om in Nederland een betrouwbare energievoorziening te hebben, zelfs in tijden dat veel mensen, bedrijven en organisaties tegelijk stroom nodig hebben en hernieuwbare bronnen onvoldoende kunnen leveren. Kernenergie maakt, met de kerncentrale bij Borssele, al sinds 1973 deel uit van de Nederlandse energiemix. Deze kerncentrale produceerde bijvoorbeeld in 2021 met een vermogen van 485 MW (megawatt) iets meer dan 3% van de totale elektriciteitsopwekking van Nederland. Dit is genoeg elektriciteit voor een grote stad, inclusief trams, treinen en een grote luchthaven. Twee nieuwe kerncentrales met een gezamenlijk vermogen van circa 2.300 tot 3.300 MW kunnen circa 4 tot 7 keer meer energie opwekken. Zo kunnen deze centrales circa 9 tot 13% bijdragen aan de verwachte elektriciteitsvraag in 2035 (Kamerbrief van 9 december 2022, kamerstuk 32 645, nr. 116). Naast de genoemde voordelen bestaan er ook aandachtspunten bij kernenergie, zoals zorgen over de veiligheid van nucleaire installaties.
Veiligheid is een absolute randvoorwaarde voor het bedrijven van een kerncentrale. Nederlandse kernreactoren moeten daarom voldoen aan strenge nationale en internationale veiligheidseisen. Daardoor is de kans op een ongeval erg klein. Mocht een incident onverhoopt toch plaatsvinden, dan is er een groot aantal maatregelen om de effecten ervan te beperken.
6
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
Waarborgen van de veiligheid Nucleaire installaties staan onder streng nationaal en internationaal toezicht. De kans op een ongeval bij een kernreactor is erg klein. Nucleaire installaties moeten voldoen aan zeer strenge eisen. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) houdt hier toezicht op. Een kerncentrale heeft een vergunning nodig op grond van de Kernenergiewet. In de vergunning staan eisen om mens en milieu te beschermen. Zo wordt geborgd dat een nieuwe kerncentrale veilig is. In het MER wordt bovendien onderzocht of er voor verschillende locaties nog verschillen te verwachten zijn. Bijvoorbeeld doordat er een hoger risico is op een calamiteit door activiteiten in de omgeving, klimaatverandering of geschiktheid van de bodem. Ook wordt inzichtelijk gemaakt of er verschillen zijn tussen de gevolgen van een calamiteit, bijvoorbeeld doordat een gebied druk- of dunbevolkt is. Bij het toepassen van kernenergie ontstaat radioactief afval. Dit afval wordt in Nederland tenminste honderd jaar bovengronds opgeslagen en beheert bij de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA) in de gemeente Borsele in Zeeland. Uiteindelijk moet het afval ondergronds worden ondergebracht, in de zogenoemde eindberging. Dat verzekert dat het afval ook over duizenden jaren nog buiten de levensruimte van de mens is.
Er wordt momenteel in het kader van Nationaal Programma Radioactief Afval (NPRA) een routekaart ontwikkeld om tot eindberging te komen. Hiermee wordt het eerdere jaartal van de besluitvorming, 2100, naar voren gehaald. Met het naar voren halen van het jaar van besluitvorming is het mogelijk dat het realiseren van eindberging ook naar voren wordt gehaald. Het veilig opbergen van radioactief afval is een verantwoordelijkheid die ook door toekomstige generaties te dragen moet zijn. Het realiseren van kerncentrales kent een ruimtelijke procedure en een vergunningenproces met veel verschillende uitdagingen en risico's. Dit maakt inschattingen over de bouwkosten en doorlooptijd in dit stadium nog onzeker. Incidenten en geopolitieke ontwikkelingen elders in de wereld kunnen ook een grote invloed hebben op dit project - de bouw van twee nieuwe kerncentrales op één locatie. Enerzijds kan dit tot extra eisen leiden aan het ontwerp met soms grote financiële gevolgen, zoals na Fukushima. Anderzijds kan dit een groot effect hebben op de maatschappelijke beeldvorming en het draagvlak voor kernenergie. Alles overwegend ziet de Rijksoverheid een waardevolle rol voor kernenergie in de toekomstige energiemix. Daarom zet het kabinet Schoof zich nu in op de bouw van – uiteindelijk – vier kerncentrales in Nederland.
Voor de bouw van de eerste twee nieuwe kerncentrales, welke op één locatie zullen komen, is de procedure gestart. Milieuafweging kernenergie in de energiemix Bij andere kernenergieprojecten van de Rijksoverheid (de Bedrijfsduurverlenging Kerncentrale Borssele en het NPRA is in reacties van het betrokken publiek, en door de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie-mer), aandacht gevraagd voor het, in aanvulling op onderzoek naar de concrete milieugevolgen van het plan of project, in beeld brengen van de (milieu)argumenten op grond waarvan kernenergie in het algemeen nuttig of noodzakelijk is voor de Nederlandse energievoorziening. Dit is aanleiding voor het Ministerie van Klimaat en Groene Groei om in een aanvullend onderzoek in beeld te brengen wat de positieve en negatieve milieugevolgen van kernenergie in de energiemix zijn. De uitkomsten van het onderzoek worden in de huidige projectprocedure, samen met onder meer het milieueffectrapport, betrokken bij de afweging om kerncentrales te bouwen. Die afweging vindt plaats bij het nemen van de zogenoemde voorkeursbeslissing, en definitief bij de beslissing over het projectbesluit. Bij beide beslissingen zal het betrokken publiek kunnen participeren. De uitkomsten van het onderzoek worden daarnaast betrokken bij de wetgevingsprocedure over de bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale Borssele.
Op de website www.overkernenergie.nl wordt de voortgang van de onderzoeken bijgehouden. Via deze website wordt men ook op de hoogte gehouden van de participatiemomenten.
7
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
1.6
Doelstelling
1.6.1
Doelstelling van het project Als onderdeel van een klimaat neutrale en betrouwbare energievoorziening in de toekomst wil de Rijksoverheid vier nieuwe kerncentrales in Nederland bouwen. Dit project gaat over het zoeken van een geschikte locatie voor de eerste twee kerncentrales. Het projectdoel luidt: “Het ruimtelijk inpassen van twee nieuwe kerncentrales op één locatie in Nederland met een bewezen ontwerp (generatie III+) die elk een vermogen kunnen leveren van meer dan 1.000 megawatt (MW).” In het project staat de bouw van twee nieuwe kerncentrales op één locatie1 centraal. Andere oplossingsrichtingen (zoals alternatieve elektriciteitsopwekking) maken geen deel uit van dit project. De visie op de energiemix is opgenomen in het NPE. Ook de bedrijfsduurverlenging van de huidige kerncentrale in Borssele en de wijze waarop radioactief afval wordt opgeslagen maken geen onderdeel uit van het project. Voor deze beide afwegingen wordt separaat een mer-procedure doorlopen. Dit betreffen het NPRA en Bedrijfsduurverlenging Kerncentrale Borssele. Ruimtelijke aanpak kerncentrales 3 en 4 Het onderzoek in deze projectprocedure naar twee nieuwe kerncentrales komt voort uit een opdracht vanuit het vorige kabinet (Rutte IV). In het Regeerprogramma van kabinet Schoof is de ambitie opgenomen om niet twee, maar vier kerncentrales te realiseren.
In het Regeerprogramma is opgenomen dat de kerncentrale in Borssele openblijft en dat de bouw van twee nieuwe kerncentrales wordt doorgezet. Daarnaast komen er twee extra kerncentrales, waarbij ook de mogelijkheden voor meerdere kleine centrales betrokken worden. Conform het Regeerprogramma wordt deze opdracht onder kabinet Schoof doorgezet. Er is een grote vraag naar ruimte voor de energietransitie, maar ook voor andere ambities, zoals bij defensie en woningbouw. Dit maakt de ruimtelijke inpassing van twee kerncentrales in Nederland al een complexe opgave. Voor een derde en vierde kerncentrale zal dit met de huidige uitgangspunten mogelijk nog ingewikkelder zijn. Om deze complexiteit het hoofd te bieden volgt het kabinet in de ruimtelijke aanpak voor kernenergie twee sporen. Voor de bouw van de eerste twee nieuwe kerncentrales sluit het kabinet aan bij de vigerende uitgangspunten en beleidsafwegingen over locaties voor kerncentrales. Dit wordt gedaan middels de projectprocedure waar deze NRD onderdeel van uit maakt. Voor de kerncentrales 3 en 4 volgt het kabinet een tweede spoor door aan te sluiten bij het Programma Energiehoofdstructuur (PEH). Kerncentrale 3 en 4 maken dus geen deel uit van deze projectprocedure.
In het kader van PEH zal worden bekeken of het wenselijk is om vanuit de totale opgave voor het toekomstige energiesysteem, en in samenhang met andere ruimtelijke ambities, andere beleidsuitgangspunten te gaan gebruiken voor de volgende ambities. Vanzelfsprekend worden ook de resultaten van de onderzoeken in de lopende projectprocedure in PEH benut, bijvoorbeeld voor eventueel nieuw locatiebeleid voor kernenergie. In PEH zal dan ook richting worden gegeven voor de ruimtelijke inpassing van kerncentrale 3 en 4. Na vaststelling van PEH (beoogd in 2028) kan ook de projectprocedure voor kerncentrale 3 en 4 worden gestart.
1.6.2
Doelstelling van het plan-MER In deze fase van het project staat de locatiekeuze centraal. In het op te stellen plan-MER worden redelijke alternatieven (locaties) met elkaar vergeleken voor alle relevante thema’s van de fysieke leefomgeving ten behoeve van het kiezen van een Voorkeursalternatief (VKA). In hoofdstuk 6 zijn deze thema’s benoemd. Het planMER geeft hiermee invulling aan de Europese en Nationale plicht om een MER op te stellen. Vanuit het gezichtspunt van betaalbaarheid wordt aangenomen dat de twee kerncentrales het meest kostenefficiënt kunnen worden gerealiseerd wanneer deze op één locatie en in serie worden gebouwd. In dat geval start de bouw van de tweede kerncentrale iets later dan de eerste. 1
8
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
1.7
Gebieden waarin naar locaties wordt gezocht Kerncentrales kunnen overal in Nederland worden gevestigd, mits er aan alle veiligheidseisen wordt voldaan en het ruimtelijk plan dit toestaat. Denk aan voldoende koelwater, afstand tot woningen, een hoogwaardig elektriciteitsnet, et cetera. In het verleden hebben verschillende onderzoeken plaatsgevonden naar geschikte locaties voor de vestiging van kerncentrales. Daaruit zijn locaties geselecteerd waar gekozen is om bepaalde ontwikkelingen tegen te gaan, zoals woningbouw, zodat vestiging van kerncentrales mogelijk blijft. Dit wordt het waarborgingsbeleid genoemd. De onderzoeken naar deze waarborglocaties vormen een startpunt voor dit onderzoek.
1.7.1
Waarborglocaties Om de vestiging van nieuwe grootschalige (vermogen meer dan 500 MW) elektriciteitscentrales, in het bijzonder kerncentrales, mogelijk te maken, is de Rijksoverheid in de jaren zeventig van de vorige eeuw begonnen met het aanwijzen van specifieke gebieden hiervoor. Via een Planologische kernbeslissing in 1986, een plan-MER en een nieuwe Planologische Kernbeslissing in 2008, zijn deze locaties vastgelegd. Dit is juridisch geborgd met het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het maakt deel uit van het zogenoemde ‘waarborgingsbeleid’. Deze locaties zijn: De locatie ‘Borssele’, ook wel het Sloegebied of ‘Borssele/Vlissingen’ genoemd2; De locatie ‘Maasvlakte I’ (in het Rotterdamse havengebied); De locatie ‘Eemshaven’ in Groningen. De juridische borging in het Bkl is opgenomen in de instructieregels in de artikelen 5.156, lid 2, en 5.158. Deze artikelen verplichten overheidsinstanties en andere betrokken partijen om specifieke maatregelen te nemen om aan de omgevingswaarden te voldoen en de algemene zorgplicht te waarborgen. Het PEH uit 2024 geeft regie en sturing aan de vraag voor ruimtebehoefte voor de verschillende onderdelen van het Nederlandse energiesysteem in 2050. In het PEH is het waarborgingsbeleid voor Borssele en Maasvlakte I herbevestigd.
Hierbij is aangegeven dat ingezet wordt op de bouw van twee nieuwe kerncentrales (generatie III+ reactoren) met een gezamenlijk vermogen van circa 3 GW. Tevens is aangegeven dat Eemshaven als waarborglocatie wordt geschrapt. Het vervallen van Eemshaven als waarborglocatie vindt zijn oorsprong in een Wetgevingsoverleg op 4 maart 2021. Hierin is de motie Beckerman aangenomen die uitspreekt dat Eemshaven als waarborglocatie geschrapt moet worden. Daarnaast heeft de Kamer met de motie Mulder & Sienot uitgesproken geen kerncentrale te willen realiseren in de provincie Groningen. De reden die in de motie wordt genoemd, is dat in Groningen de gevolgen van de gaswinning nog steeds groot zijn en de aardbevingen niet zijn gestopt. Formeel is waarborglocatie Eemshaven nog niet uit het Bkl geschrapt, al is dit wel in gang gezet. De voorgestelde wijziging in het Bkl was per eind maart 2025 voor 4 weken in internetconsultatie. De inwerkingtreding is naar verwachting 1 juli 2026. Het schrappen van de Eemshaven als waarborgingsbeleid betekent niet dat er geen kerncentrale gerealiseerd kan of mag worden, maar dat deze locatie niet meer wordt vrijgehouden van voor kerncentrales belemmerende activiteiten. Het waarborgingsbeleid geeft op bovengenoemde locaties aan dat hier de bouw van kerncentrales mogelijk moet zijn.
Het heeft ook bepaalde voorwaarden gesteld aan de ontwikkelingen die op deze locaties mogen plaatsvinden die “waarborgen” dat de bouw van kerncentrales mogelijk blijft.
1.7.2
Aanvullende locaties: Terneuzen en Maasvlakte II Als onderdeel van het project is een ‘Actualisatierapport’ opgesteld, zie bijlage 1. In dit Actualisatierapport zijn de onderzoeken en conclusies onderliggend aan het waarborgingsbeleid geanalyseerd met de vraag of ook nog andere kansrijke alternatieven beschouwd moeten worden voor de bouw van twee kerncentrales. Uit dit rapport komen aanbevelingen om twee extra gebieden (Terneuzen en Maasvlakte II) te beschouwen in deze merprocedure. In hoofdstuk 3 van deze cNRD is een uitgebreide samenvatting van de totstandkoming van het waarborgingsbeleid opgenomen en zijn de aanbevelingen uit het Actualisatierapport nader toegelicht. 2
In eerdere documentatie is de naamgeving ‘Borssele’ gehanteerd. In deze notitie wordt naast een locatie in de gemeente Borsele ook gekeken naar gebieden in de gemeente Vlissingen. Om die reden wordt in deze notitie de naam ‘Sloegebied’ gehanteerd, tenzij verwezen wordt naar historische stukken (zoals in hoofdstuk 2), dan wordt de toenmalig gehanteerde naam hier herhaald.
9
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
1.8
Veiligheid: SSR-1 en SSG-35 als basis voor de locatiekeuze en het milieueffectrapport Er zijn verschillende aspecten die een locatie meer of minder geschikt maken voor de vestiging van kerncentrales. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is veiligheid. Veiligheidscriteria die relevant zijn voor de locatie van kerncentrales zijn beschreven in internationale documenten van het Internationaal Atoom Energie Agentschap (International Atomic Energy Agency (IAEA)), zie ook bijlage 4. Voor de locatieafweging in deze verkenning wordt gebruik gemaakt van de richtlijn Specific Safety Requirements 1 (SSR-1) en de handleiding Specific Safety Guideline 35 (SSG-35). Deze handleiding beschrijft veiligheidsoverwegingen rond: Vulkanisme, aardbevingsgevoeligheid en bodemgesteldheid; Overstromingsgevoeligheid; Externe veiligheidsrisico’s door menselijk handelen, zoals de aanwezigheid van potentieel risicovolle industrie, vliegtuigval of oorlogshandelingen; Extreme meteorologische gebeurtenissen, zoals droogte, orkanen, tornado’s, et cetera. In gevallen waar locaties minder goed scoren op deze criteria kunnen aanpassingen op het ontwerp van de kerncentrales nodig zijn om aan de hoge veiligheidseisen te voldoen, of zijn er maatregelen nodig om de locatie meer geschikt te maken. Dergelijke aanpassingen en maatregelen kunnen een effect hebben op de kosten en de doorlooptijd van het project.
Naast de hierboven genoemde aspecten zijn voor kerncentrales de volgende factoren van groot belang bij het zoeken naar geschikte locaties: De ligging ten opzichte van bevolkingscentra met veel inwoners en de mogelijkheid te voldoen aan de eisen voor veiligheid van omwonenden; De bereikbaarheid (voor o.a. hulpdiensten, aan- en afvoer van stoffen); De aanwezigheid van voldoende en geschikt koelwater; De geschiktheid van de elektriciteitsinfrastructuur en de toekomstige mogelijkheden voor investeringen in aanpassingen van de elektriciteitsinfrastructuur; De aanwezigheid van mogelijke gebruikers/afnemers van de geproduceerde energie (en mogelijk van restproducten); De mogelijkheden voor ruimtelijke inpassing, inclusief bijbehorende maatregelen, zoals grondwerken of aanpassingen van infrastructuur. Deze eisen hebben doorwerking op de keuze van de in het plan-MER te onderzoeken locaties en/of het beoordelingskader.
1.9
Generatie III+ kerncentrales als uitgangspunt Vier generaties reactortechnologie De ontwikkeling van reactortechnologie kan grofweg in vier generaties worden onderverdeeld. De eerste twee generaties zijn voor de techniekkeuze meteen uit te sluiten. De eerste generatie (Gen I) zijn prototype en proofof-principle reactoren geweest. Moderne, gestandaardiseerde ontwerpen van de tweede generatie (Gen II) kunnen economisch aantrekkelijk zijn, maar voldoen niet aan de extra veiligheidseisen die in het heden gelden. Generatie drie reactoren (Gen III en III+) zijn een technische doorontwikkeling van generatie II met verbeteringen op het gebied van bedrijfsduur, brandstoftechnologie, thermische efficiëntie en gestandaardiseerde ontwerpen. Voor generatie III+ reactoren geldt dat de extra veiligheidseisen al zijn geïncorporeerd in het ontwerp. Deze moderne centrales zijn tevens in staat om meer flexibel te produceren en kunnen dus effectiever en efficiënter ingepast worden in een systeem met zonne- en windenergie. Tot slot zijn er nog de vierde generatie reactoren (Gen IV). Dit zijn de reactoren van de toekomst en deze bevatten een breed spectrum aan technieken die nu nog niet operationeel zijn. De ontwerpen van deze reactoren zijn bijvoorbeeld gebaseerd op een andere koeltechnieken (zoals gesmolten zout) of maken gebruik van een andere energiebron (zoals thorium).
Van deze generatie reactoren worden voordelen verwacht op het gebied van veiligheid en mogelijk verminderde productie van radioactief afval.
10
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
Small Modular Reactors (SMRs) Sinds het begin van deze eeuw zijn naast grote kerncentrales ook zogenaamde Small Modular Reactors (SMRs) ontwikkeld. Er zijn veel verschillende ontwerpen van SMRs die zich in verschillende stadia van ontwikkeling bevinden. Vergeleken met conventionele reactoren hebben SMRs vaak een kleiner vermogen. Het modulaire aspect wordt in sommige ontwerpen uitgewerkt in de vorm van meerdere kleine reactoren die samen een grote centrale vormen. In andere concepten worden onderdelen van de centrale in kleine modules geconstrueerd, die vervolgens ter plaatse worden samengesteld. De Rijksoverheid draagt onder meer bij aan onderzoek en innovaties voor SMRs en gesmolten-zoutreactoren. Dit valt op dit moment niet onder de reikwijdte van het PEH uit 2024 en dit milieueffectrapport. In de uitwerking van de opgaven voor kernenergie is in de Kamerbrief van 9 december 2022 het uitgangspunt opgenomen dat voor de bouw van twee nieuwe centrales wordt gericht op generatie III+ reactoren. Er wordt aangenomen dat twee nieuwe centrales met een gezamenlijk vermogen van tussen de 2.2 en 3.3 GW en een capaciteitsfactor van 90%, de centrales gecombineerd circa 24 TWh (Terawatt uur) per jaar kunnen opleveren.
Op basis van deze aanname zijn de centrales goed voor een aandeel tussen de 9 en 13% van het elektriciteitsaanbod in 2035 (Kamerbrief van 9 december 2022, kamerstuk 32 645, nr. 116).2 Eén van de redenen om te richten op generatie III+-reactoren, is omdat deze reactoren bewezen veilig zijn. Het is een geavanceerde reactor die verbeterde veiligheidskenmerken heeft ten opzichte van eerdere generaties. Tevens zijn deze reactoren al in bedrijf genomen waardoor realistische planningen en kosteninschattingen kunnen worden gemaakt en gehaald. Daarmee is dit de snelste route naar een significante uitbreiding van de bijdrage van kernenergie aan een stabiel, CO2-neutraal en divers energiesysteem. Deze reactors combineren zowel passieve als actieve veiligheidsvoorzieningen, wat betekent dat ze kunnen afkoelen zonder menselijke tussenkomst of elektronische feedback. Deze keuze leidt door reeds opgedane ervaringen in andere landen ook tot het beter inschatten van de bouwkosten en -planning. Technische haalbaarheidsstudie Momenteel vinden gesprekken plaats met verschillende leveranciers over de maakbaarheid en vergunbaarheid van verschillende ontwerpen. Ook wordt hen gevraagd een technische haalbaarheidsstudie uit te voeren. Voor deze studie wordt het terrein naast de huidige kerncentrale Borssele gehanteerd.
Dit staat los van de voorkeurslocatie dat onderdeel is van het Voorkeursbesluit las onderdeel van de projectprocedure. Met de informatie uit deze studie bereidt de Rijksoverheid een aanbesteding voor om een leverancier, het ontwerp en de mogelijke voorwaarden te selecteren. Ook moet nog worden besloten wie de centrale zal uitbaten. Definitieve keuzes hierover worden in een later stadium genomen. Tussentijds kan er informatie beschikbaar komen uit de technische haalbaarheidsstudies, zoals bijvoorbeeld informatie over de omvang van de centrales en werkterreinen. Deze informatie biedt mogelijk uitgangspunten die zoveel als mogelijk gebruikt zullen worden in de onderzoeken in deze procedure. In tabel 1-1 zijn de leveranciers weergegeven, inclusief het type en het vermogen van de kerncentrales. Elk type betreft een geavanceerde drukwaterreactor. Tabel 1-1 Overzicht van potentiële leveranciers en type kerncentrales.
Leverancier
Type
Vermogen (benadering)
Westinghouse
AP 1000
1.100 MW
EDF
EPR 1650
1.650 MW
11
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
1.10
Benodigde ruimte in bouw- en gebruiksfase Het uitgangspunt voor de beschikbaarheid van een locatie is dat er zicht moet zijn op het verwerven van een locatie voor twee nieuwe kerncentrales. Bij voorkeur is dit een braakliggend perceel. Bij afwezigheid daarvan wordt ook gezocht naar percelen die voor de bouw van twee nieuwe kerncentrales kunnen worden vrijgemaakt. Er is ruimte nodig voor het vestigen van de twee nieuwe kerncentrales. Daarnaast is gedurende een relatief lange periode (10-15 jaar) ook extra ruimte nodig voor de bouw van de kerncentrales, zoals bouwterreinen. Hiervoor worden zes typen ruimtegebruik onderscheiden. Voor een deel is de benodigde ruimte bekend, maar voor een deel is dit nader te bepalen en onderhevig aan optimalisatie wanneer er een locatie is gekozen: Terrein in de eindsituatie waarvan de bandbreedte van het ruimtebeslag bekend is (50 – 60 hectare): 1.
Hoofdterrein Dit beslaat het terrein waar de reactoren op staan, de pompgebouwen, turbinegebouw, de control room, direct noodzakelijke parkeerruimte, veiligheidshek, et cetera.
Terreinen in de bouwfase waarvan de bandbreedte van het ruimtebeslag bekend is (60 – 70 hectare extra): 2.
3.
Toegangswegen en parkeren (aangrenzend aan het hoofdterrein) De directe toegangswegen (mogelijk twee vanwege veiligheidsvoorschriften) hoofdontsluitingswegen en parkeerplekken naast het terrein.
richting
de
Opslag, bouwinrichtingen en fabricage (aangrenzend aan het hoofdterrein) De opslag van constructiematerialen, de installatie van een betoncentrale, de opslag en werkplaatsen voor civieltechnische installaties. Idealiter, maar niet noodzakelijkerwijs, zijn deze functies aan het hoofdterrein gelegen. Direct aangelegen terrein maakt de bouw gemakkelijker.
Terreinen in de bouwfase waarvan de bandbreedte van het ruimtebeslag niet bekend is: 4.
Parkeerplekken tijdens de bouw (buiten bouwterreinen) De omvang van de parkeerplekken tijdens de bouw is afhankelijk van de locatie en de hoeveelheid arbeiders die er volgens het bouwplan benodigd zijn. Hieruit volgen nog te maken keuzes over bijvoorbeeld een centrale P+R, eigen parkeergelegenheid, gestapeld parkeren in een twee of drie verdiepingen tellend demontabel gebouw. De benodigde ruimte hiervoor is nog niet bekend.
5.
Huisvesting (buiten bouwterreinen) De omvang van huisvesting is afhankelijk van te maken keuzes, zoals de tijdlijn van de bouw, het aanbod van woonruimte in omliggende gemeenten, mogelijkheden voor een campus on site (ter vergelijking: bij Hinkley Point waren dit tot 700 woningen nabij het bouwterrein), de mogelijkheid om tijdelijke bouw te realiseren, et cetera. De benodigde ruimte hiervoor is nog niet bekend.
6.
Grondopslag (buiten bouwterreinen) Afhankelijk van de locatie is mogelijk een plateau nodig om te voldoen aan waterveiligheidseisen. Daarnaast zijn er voor de plaatsing van de reactoren afgravingen nodig. Deze grondwerken leiden mogelijk tot veel grondverzet. Deze gronden moeten mogelijk tijdelijk ergens opgeslagen worden in de nabijheid van de bouwlocatie. De benodigde ruimte hiervoor is nog niet bekend.
In het plan-MER wordt per alternatief inzicht gegeven in hoeverre het benodigde terrein voor type 2 tot en met 6 inpasbaar lijkt in de havengebieden en/of in welke mate hiervoor buiten de havengebieden ruimtebeslag en effecten te verwachten zijn.
12
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
2.
De milieueffectrapportage In het komende hoofdstuk is ingegaan op de mer-procedure. Eerst is toegelicht waarom voor een plan-MER is gekozen (paragraaf 2.1), wat het doel is van het plan-MER (paragraaf 2.2) en hoe de mer-procedure zal verlopen (paragraaf 2.3). Vervolgens zijn in paragraaf 2.4 inspraak en participatie binnen het traject toegelicht. Dit betreft zowel participatie die al heeft plaatsgevonden als toekomstige participatiemomenten in het mer-procedure. Het hoofdstuk sluit af met een korte uiteenzetting van wie initiatiefnemer en trekker zijn binnen de mer-procedure en de uiteindelijke voorkeursbeslissing.
2.1
Waarom een milieueffectrapportage? In Nederland is de regelgeving omtrent een milieueffectrapportage opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijbehorend bijlage V van het Omgevingsbesluit. In het Omgevingsbesluit is opgenomen dat het voor ontwikkelingen met mogelijk belangrijk nadelige (milieu)effecten verplicht is een mer te doorlopen en een MER op te stellen. In bijlage V, eerste kolom, rij C3 (zie tabel 2-1), is aangegeven dat voor oprichting van kerncentrales de verplichting bestaat een mer uit te voeren. Tabel 2-1 Bijlage V van het Omgevingsbesluit, eerste kolom rij C3.
Projecten
C3: Kerncentrales en andere kernreactoren, met inbegrip van de ontmanteling of buitengebruikstelling van die centrales of reactoren, met uitzondering van onderzoek installaties voor de productie en verwerking van splijt- en kweekstoffen, met een constant vermogen van ten hoogste 1 kW (thermisch).
Gevallen waarin de mer-plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Oprichting
Gevallen waarin de merbeoordelingsplicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Wijziging of uitbreiding
Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit De vergunning op grond van artikel 15 van de kernenergiewet.
Tevens is er in Nederland een zogenaamde plan-mer-verplichting voor plannen en programma’s die kaderstellend zijn voor mer-(beoordelings)plichtige activiteiten. Dit geldt ook voor plannen en programma’s waarvoor een passende beoordeling (als significante effecten op Natura 2000-gebieden niet uitgesloten kunnen worden) moet worden gemaakt. In dit geval is de Voorkeursbeslissing het plan dat kaderstellend is voor de oprichting van twee nieuwe kerncentrales en waarvoor een passende beoordeling opgesteld wordt. De mer-procedure is bedoeld om het milieubelang vroegtijdig en volwaardig in de plan- en besluitvorming in te brengen en de haalbaarheid van een plan of project te onderzoeken. Een mer is altijd gekoppeld aan een besluit, in dit geval de Voorkeursbeslissing waarmee de locatie voor de kerncentrales wordt vastgelegd. Het verschil tussen een plan- en project-MER heeft onder andere betrekking op het detailniveau en het doel. Bij een plan-MER gaat het om afwegingen op een hoger abstractieniveau (met dus ook onderzoek op een hoger abstractieniveau). Een plan-MER onderzoekt de milieueffecten van beleidsplannen en programma’s en in dit geval de Voorkeursbeslissing op een strategisch niveau. Bij dit project gaat het er in het plan-MER om redelijke alternatieven te vergelijken; de verschillende locaties. Ook gaat het om inzicht in effecten op de omgeving.
Mede op basis hiervan kunnen keuzes voor gebieden en locaties gemaakt worden. In vervolgprocedures en het bijbehorende project-mer wordt dan specifiek naar de nadere invulling en detaillering gekeken. Een project-MER beoordeelt de milieueffecten ten behoeve van het projectbesluit en de vergunningverlening en is gedetailleerder. Een visuele weergave is te vinden in paragraaf 2.3, de mer-procedure kort toegelicht.
13
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
2.2
Doel van deze milieueffectrapportage Het doorlopen van een mer-procedure heeft diverse doelen. Het belangrijkste doel is het volwaardig laten meewegen van het milieubelang in de keuze voor een locatie van de twee kerncentrales. Dit gebeurt door effectonderzoek voor de reële alternatieven. In figuur 2-1 staan doelstellingen die helpen bij het bepalen van reële alternatieven en het volwaardige laten meewegen van het milieubelang.
Figuur 2-1 Doelen van deze plan-mer-procedure.
Inzicht in de huidige staat van de fysieke leefomgeving en de referentiesituatie De basis voor het onderzoek naar verschillende redelijke alternatieven is inzicht in de huidige situatie op deze locaties. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het inzicht in de aanwezige ecologische, archeologische en cultuurhistorische waarden, huidige verkeerstromen, hoogteligging, natuurgebieden, et cetera. Daarnaast is inzicht in trends, zoals klimaatverandering, bevolkingsgroei en natuurontwikkeling, van belang. Tot slot worden de referentiesituaties van de gebieden in beeld gebracht. Dit is de situatie die in de toekomst ontstaat als de twee kerncentrales niet worden gerealiseerd, maar ander vastgesteld beleid en ontwikkelingen – de autonome ontwikkelingen – wel. Het zichtjaar voor de referentiesituatie is 2040. Dit is een gangbaar zichtjaar voor het plan-MER. De overwegingen die hierbij een rol spelen zijn dat: de ingebruikname van de kerncentrales naar verwachting later dan 2035 plaatsvindt; gegevens voor het plan-MER, bijvoorbeeld voor verkeer en luchtkwaliteit, voor die datum goed verkrijgbaar zijn. Inzicht in effecten van twee generatie III+ kerncentrales op de fysieke leefomgeving Een kerncentrale heeft diverse effecten op de fysieke leefomgeving. Zo zijn er effecten als gevolg van het ruimtebeslag van de centrales.
Dit kan gevolgen hebben voor aanwezige waarden, zoals flora en fauna of cultuurhistorisch waardevolle gebouwen. Ook zijn er indirecte effecten, zoals de effecten als gevolg van het gebruik van koelwater. Tot slot zijn er effecten als gevolg van de bouw, zoals geluid, extra verkeer en vervoer en extra stikstof op Natura 2000-gebieden. Hier staan positieve effecten, zoals energievoorziening en economische bijdrage aan de regio tegenover. In zowel deze cNRD als het op te stellen plan-MER is aandacht voor alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. Hier wordt verder op ingegaan in hoofdstuk 5. Onderzoek naar alternatieven: verschillende redelijke alternatieven in beeld Het hart van een mer-procedure is onderzoek naar alternatieven. Voor de bouw van twee nieuwe kerncentrales is, met als basis het waarborgingsbeleid, in deze cNRD een eerste trechtering van gebieden met potentie naar kansrijke percelen uitgevoerd. Dit is in hoofdstuk 4 beschreven. In het plan-MER worden de overgebleven redelijke alternatieven nader onderzocht op alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving (waaronder de SSR-1 en SSG-35 criteria).
14
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
In beeld brengen van risico’s en kansen ten behoeve van vervolgprocedures Het op te stellen plan-MER sluit af met een beoordelingstabel waarin voor de redelijke alternatieven per thema plussen en minnen staan. Ook worden in het plan-MER per alternatief de mogelijke risico’s, aandachtspunten en kansen beschreven. Deze kunnen als basis dienen voor het onderzoek in de vervolgprocedure en het dan op te stellen project-MER. Navolgbaarheid belangrijk Tot slot geldt dat de mer-procedure en het op te stellen plan-MER dienen ter ondersteuning van de keuzes én de besluitvorming over de voorkeurslocatie voor de bouw van twee nieuwe kerncentrales. Hierbij is van belang dat dit voor eenieder transparant en navolgbaar heeft plaatsgevonden. Hierom is deze cNRD als onderzoeksplan voor het plan-MER opgesteld.
2.3
De mer-procedure kort toegelicht Om tot één locatie voor twee nieuwe kerncentrales te komen doorloopt de Rijksoverheid een projectprocedure. De verkenning leidt tot de selectie van een voorkeurslocatie in een Voorkeursbeslissing. De Voorkeursbeslissing is een plan of programma waarvoor in dit geval een plan-mer-plicht geldt, enerzijds omdat de Voorkeursbeslissing het kader vormt voor het projectbesluit voor een project dat is aangewezen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit, anderzijds omdat gevolgen van het project voor Natura 2000-gebieden niet op voorhand uitgesloten kunnen worden en er een passende beoordeling gemaakt moet worden. Omdat een Voorkeursbeslissing de kaders schept (de locatie vastlegt) voor de navolgende vergunning, is sprake van een plan-mer-procedure. Deze cNRD vormt het startpunt van de plan-mer-procedure. De plan-mer-procedure eindigt met het plan-MER waarin mogelijke alternatieve locaties zijn beschreven en de effecten beoordeeld op alle relevante aspecten van het milieu, de fysieke leefomgeving en veiligheid. Daarnaast wordt ook een Integrale Effecten Analyse (IEA) opgesteld, waarin ook kosten, technische aspecten en opvattingen uit de omgeving aan bod komen.
Deze onderzoeksrapporten bieden de beslisinformatie waarmee de minister van Klimaat en Groene Groei samen met de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening een voorkeurslocatie voor twee nieuwe kerncentrales kan kiezen. Dit is de ‘Voorkeursbeslissing’. In figuur 2-2 is de totale projectprocedure, inclusief het proces dat wordt doorlopen met de mer-procedure, afgebeeld. Dit is onder de figuur nader toegelicht.
15
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
Figuur 2-2 Stappen in de projectprocedure met daarbij de plan-mer-procedure
Stap 1: Openbare kennisgeving voornemen en participatie De eerste formele stap van de projectprocedure is de openbare kennisgeving van het voornemen en de participatie. Op 22 februari 2024 is eenieder geïnformeerd over het voornemen en de participatie middels het Voornemen en voorstel voor participatie voor de nieuwbouw van twee nieuwe kerncentrales (kennisgeving nieuwbouw kerncentrales). Stap 2: Verkenning Na publicatie van de openbare kennisgeving start de verkenning. Die stap vangt aan met deze cNRD. In de cNRD is nader invulling gegeven aan het voornemen en het proces. Verder is in de cNRD beschreven welke locaties onderzocht gaan worden in het plan-MER en op welke manier deze onderzocht gaan worden. Vervolgens ligt de cNRD voor zes weken ter inzage. Eenieder (burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijven en instellingen) kan gedurende zes weken een reactie indienen op de inhoud van deze cNRD en het op te stellen plan-MER. Ook het betrokken publiek en de bevoegde instanties uit buurlanden kunnen een reactie indienen (volgens artikel 11.24 Omgevingsbesluit). Verder worden de wettelijke adviseurs van de Rijksoverheid geraadpleegd over reikwijdte en detailniveau van het effectenonderzoek. Het betreft de ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Onderwijs,
16
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
Cultuur en Wetenschap en van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en aangewezen adviseurs (zoals de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed). Ook de Commissie-mer wordt gevraagd een advies te geven hoe om te gaan met de reikwijdte en het detailniveau in het opstellen van het plan-MER. Dit advies zal openbaar gemaakt worden op de website van de Commissie-mer. De adviezen en reacties die gedurende de raadpleging over de reikwijdte en detailniveau worden ingewonnen, worden na beoordeling al dan niet verwerkt in de definitieve NRD en worden hiermee al dan niet meegenomen in de uitvoering van het plan-MER. De definitieve NRD wordt door de minister voor Klimaat en Groene Groei en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening vastgesteld. Op basis van de vastgestelde NRD wordt het plan-MER opgesteld. Hiermee worden de effecten op het (leef)milieu in beeld gebracht voor de geselecteerde potentiële locaties voor kerncentrales. Parallel aan het opstellen van het plan-MER wordt de IEA opgesteld. In de IEA wordt er onderzoek gedaan naar de verschillende effecten tussen de locaties in de thema’s milieu – een samenvatting van het plan-MER, omgeving, techniek, kosten en toekomstvastheid. De IEA brengt per locatie de bepalende effecten (grote en/of onderscheidende effecten) overzichtelijk in beeld.
Deze informatie wordt gebruikt door de minister om een voorkeurslocatie voor twee kerncentrales te kiezen. Stap 3: Voorkeursbeslissing Het plan-MER, als onderdeel van de IEA, wordt gelijktijdig ter inzage gelegd met de IEA en de ontwerpVoorkeursbeslissing. Op deze documenten mag eenieder zienswijzen naar voren brengen volgens de zienswijzeprocedure. De buurlanden worden over het plan-MER en de ontwerp-Voorkeursbeslissing geïnformeerd. Burgers van die buurlanden kunnen ook een zienswijze indienen. Ook zal de Commissie-mer gevraagd worden het plan-MER te toetsen. Ook dit advies wordt openbaar gemaakt op de website van de Commissie-mer. De minister van Klimaat en Groene Groei en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening stellen samen de Voorkeursbeslissing (inclusief het plan-MER) vast. Hierbij wordt vermeld op welke wijze rekening is gehouden met het plan-MER en met de zienswijzen en adviezen. De Voorkeursbeslissing beschrijft de voorkeur van de Rijksoverheid ten aanzien van de locatie voor de vestiging van de twee kerncentrales. Met de Voorkeursbeslissing is de verkenningsfase afgerond en begint planuitwerkingsfase.
Stap 4: Planuitwerkingsfase In een vervolgprocedure, de planuitwerking waarvoor wederom een mer-procedure doorlopen wordt, worden voor de voorkeurslocatie op gedetailleerd niveau nadere onderzoeken uitgevoerd en wordt uiteindelijk één projectbesluit vastgesteld. Dit is de project-mer-procedure.
2.4
Uw mening over deze concept-Notitie Reikwijdte en Detailniveau De aanleg van nieuwe kerncentrales heeft invloed op de omgeving, zowel tijdens de aanleg als in de fase dat de kerncentrales in gebruik zijn. Het doel van de participatie rondom het opstellen van de cNRD is het ophalen van informatie, gebiedskennis, aandachtspunten, ideeën en kansen vanuit de omgeving.
17
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
Hoe worden de belangen uit de omgeving meegenomen? De onderzoeken voor het plan-MER en de IEA worden op een objectieve en gelijkwaardige manier uitgevoerd voor alle locaties. Het doel van deze onderzoeken is om een feitelijke weergave te geven, waarmee een besluit over de uiteindelijke locatie kan worden onderbouwd. Dat betekent ook dat locaties of andere zaken die op weerstand stuiten in deze fase wel onderzocht moeten worden. Door de objectieve aard van het onderzoek is het niet altijd duidelijk hoe de mening van bewoners, belanghebbenden en medeoverheden wordt meegewogen. De aanpak en uitkomsten voor het plan-MER en de IEA worden besproken met de betrokken provincies en gemeenten. We doen dit om een gezamenlijk beeld te hebben van de informatie die aan het bevoegd gezag (de ministers van Klimaat en Groene Groei en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) wordt voorgelegd om een besluit over de locatie te nemen. Naast gesprekken met mede overheden wordt volgens de lijnen van het participatieplan ook op andere manieren informatie opgehaald over wat burgers, mede overheden en andere belanghebbenden belangrijk vinden in de locatieoverweging. Deze participatie-opbrengst wordt weergegeven in het hoofdstuk Omgeving van de IEA en maakt onderdeel uit van de beslisinformatie.
Voor het bevoegd gezag is het dus met de plan-MER en de IEA duidelijk wat alle effecten zijn én wat de omgeving daarvan vindt. Het bevoegd gezag bepaalt na oplevering van de onderzoeken hoe zij alle informatie weegt, waarbij ook de regionale opvattingen worden betrokken. Het resultaat van deze afweging wordt onderbouwd in de ontwerp Voorkeursbeslissing.
Wat ging vooraf? Het voormalige Ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft op 23 februari 2024 het Voornemen en voorstel participatie voor twee nieuwe kerncentrales gepubliceerd. Dit is de eerste stap in de projectprocedure om tot een definitief projectbesluit te komen, de laatste stap in de projectprocedure. Het voormalige Ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft geïnteresseerden gevraagd om tussen 23 februari 2024 en 4 april 2024 mee te denken over het onderzoek voor en participatie over de bouw van de twee nieuwe kerncentrales. Tijdens de terinzagelegging van deze publicatie zijn vier informatiebijeenkomsten georganiseerd: Dinsdag 5 maart 2024 in Heinkenszand, gemeente Borsele; Woensdag 6 maart 2024 in Terneuzen, gemeente Terneuzen; Woensdag 13 maart 2024 in Vlaardingen, gemeente Vlaardingen; Donderdag 14 maart 2024 in Oostvoorne, gemeente Voorne aan Zee. In deze periode zijn circa 1.370 reacties op het Voornemen en voorstel voor participatie ontvangen. In de reactienota die het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft opgesteld, zijn de antwoorden op de hoofdpunten uit de reacties te vinden. In de reactienota is aangegeven of en hoe de reacties op het Voornemen en voorstel voor participatie zijn verwerkt in de cNRD.
Zowel de bundel met de reacties als de reactienota zijn beschikbaar gemaakt op de website Nieuwbouw kerncentrales van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. De reacties op het Voornemen en voorstel voor participatie hebben tot enkele toevoegingen geleid. Er is aan de geïnteresseerden gevraagd om mee te denken met mogelijke locaties voor de kerncentrales, alsook wat andere aandachtspunten vanuit hen zijn. Op basis van deze reacties hebben we in het proces alle aangedragen locaties nader beoordeeld (zie ook de benadering van redelijkerwijs te beschouwen alternatieven in paragraaf 4.2). Andere genoemde aandachtspunten (zoals de omgang met radioactief afval, de kosten voor de oprichting van twee nieuwe kerncentrales, de (nucleaire) veiligheid rondom kerncentrales) zijn waar mogelijk verder gespecificeerd bij de beoordelingscriteria in deze cNRD (zie daarvoor paragraaf 6.2 en 6.3). Hoe kunt u reageren op deze concept-Notitie Reikwijdte en Detailniveau? Na publicatie van deze cNRD kunnen burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijven en instellingen een zienswijze sturen op de inhoud van deze cNRD en het op te stellen MER. Meer informatie hierover treft u op www.overkernenergie.nl. Wat is het vervolg? Na het inbrengen van een zienswijze of reactie worden deze beantwoord in een reactienota, net als bij het Voornemen en voorstel voor participatie.
Deze geeft aan of en hoe de reacties op de cNRD zijn verwerkt. Na 18
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
verwerking wordt de definitieve Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) vastgesteld waarna het opstellen van het plan-MER en IEA begint. Na oplevering worden beide documenten ter inzage gelegd met de ontwerpVoorkeursbeslissing, waarop zienswijzen kunnen worden ingediend. Uiteindelijk stelt de minister de Voorkeursbeslissing vast, waarin de voorkeurslocatie voor de kerncentrales wordt bepaald, waarmee de verkenningsfase (fase 1) wordt afgerond en de tweede fase van de projectprocedure begint. Wat is de planning? Een snelle realisatie van de twee nieuwe kerncentrales is belangrijk voor de Rijksoverheid. Ingebruikname is voorzien zo snel mogelijk na 2035.
2.5
Bevoegd gezag en initiatiefnemer Nieuwe kerncentrales zijn onderdeel van de nationale energie-infrastructuur en hiermee van nationaal belang. Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei is de initiatiefnemer voor de locatiekeuze voor de nieuwbouw van twee kerncentrales, daarna wordt een bedrijf initiatiefnemer. De minister van Klimaat en Groene Groei is samen met de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening het bevoegd gezag voor de verkenningsfase en de te nemen Voorkeursbeslissing. De rollen initiatiefnemer en bevoegd gezag zijn zorgvuldig van elkaar gescheiden. In het project treedt de Programmadirectie Kernenergie op als initiatiefnemer van het voornemen. De Directie Realisatie Energietransitie neemt als bevoegd gezag de Voorkeursbeslissing. De Rijksoverheid neemt deze beslissing, omdat projecten van nationaal belang, zoals kerncentrales, een aanzienlijke impact hebben op de nationale infrastructuur en de leefomgeving. Volgens artikel 2.3 van de Omgevingswet moet de verdeling van taken en bevoegdheden tussen bestuursorganen bijdragen aan een doelmatig en doeltreffende zorg voor de fysieke leefomgeving. Daarom is de Rijksoverheid verantwoordelijk voor de besluitvorming over de voorkeurslocatie en de verdere vergunningverlening voor deze kerncentrales.
19
concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau Plan-MER locatiestudie twee nieuwe kerncentrales projectnummer 0486653.100 16 mei 2025 revisie 01 Ministerie van Klimaat en Groene Groei
3.
Huidig beleid voor kerncentrales Het aankomende hoofdstuk geeft een korte introductie van relevant beleid (zowel nationaal als internationaal), besluiten en overige bindende documenten. In paragraaf 3.1 wordt gestart met een korte omschrijving van het waarborgingsbeleid, waarna in paragraaf 3.2 dieper wordt ingegaan op beleidsvorming en hoe deze effect heeft op de selectie van potentiële waarborglocaties. Dit is opgedeeld in de verschillende fases. Dit alles wordt gedaan met oog op de validiteit van het waarborgingsbeleid in de huidige situatie in paragraaf 3.3.
3.1
Waarborgingsbeleid Het is mogelijk om in Nederland een kerncentrale te realiseren als een initiatiefnemer aan alle voorwaarden voor de benodigde vergunningen kan voldoen. Dit zou in beginsel op overal in Nederland kunnen, mits aangetoond wordt dat aan de wet- en regelgeving en alle veiligheidseisen wordt voldaan. In het verleden hebben onderzoeken plaatsgevonden naar geschikte locaties voor de vestiging van kerncentrales. Daaruit zijn locaties geselecteerd waar gekozen is om bepaalde ontwikkelingen tegen te gaan, zoals woningbouw. Dit noemen we het waarborgingsbeleid. In dit waarborgingsbeleid is onder andere beschreven dat er geen ontwikkelingen mogen plaatsvinden die de eventuele bouw van kerncentrales op de vestigingsplaatsen Borssele/Vlissingen, Eemshaven en Maasvlakte I onmogelijk maken of ernstig belemmeren. Dit beleid is vastgelegd in het Bkl in artikel 5.158 Waarborglocaties kernenergiecentrale. De totstandkoming van dit beleid kent een uitgebreide historie, startend met de planologische kernbeslissing in 1986. In bijlage 1 is een Actualisatierapport opgenomen. In dit rapport is geanalyseerd of de uitgangspunten waarop de totstandkoming van het waarborgingsbeleid zijn gebaseerd nog valide zijn. Hierbij is getoetst of de informatie uit het beleid met de huidige inzichten nog steeds zou leiden tot dezelfde keus voor waarborglocaties.