12 bijlage Nota lokale heffingen 2025-2028
Tekst van het document
Nota lokale heffingen 2025-2028
Inhoudsopgave
1.
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Doelstelling Leeswijzer Samenvatting
3 3 3 3
2.
Wet- en regelgeving van gemeentelijke heffingen
4
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8
Algemeen Wettelijk kader Bevoegdheden Soorten lokale heffingen Kaders lokale heffingen Wet waardering onroerende zaken Coalitieakkoord 2022–2026 ‘Midden-Delfland heeft het!’ Visie gemeente Midden-Delfland ‘Zo doen wij dat!’
4 5 5 6 7 8 10 11
3.
Het pakket aan gemeentelijke heffingen
11
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9
Onroerendezaakbelastingen Afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Rioolheffing Leges Toeristenbelasting Begrafenisrechten Opbrengst leges en belastingen Lokale lastendruk Overige heffingen
11 13 15 15 16 17 17 17 19
4.
Heffing en invordering van gemeentelijke heffingen
21
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Wijze van heffing Betaling van een aanslag Betalingsregeling/uitstel van betaling (Dwang)invordering Belastingschuld oninbaar verklaren Kwijtschelding
21 22 22 22 23 23
2 Nota lokale heffingen 2025-2028
1.
Inleiding
1.1 Aanleiding Artikel 212 van de Gemeentewet (Gemw.) verplicht gemeenten tot het opstellen van regels op het gebied van beleid, beheer en inrichting van de financiële organisatie. Voor de gemeente MiddenDelfland zijn deze vastgelegd in de Financiële verordening gemeente Midden-Delfland. In deze verordening is opgenomen dat het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) tenminste eenmaal in de vier jaar een Nota lokale heffingen (hierna: de nota) aanbiedt aan de gemeenteraad. 1.2 Doelstelling De doelstelling van deze nota is het geven van een actueel overzicht aan de gemeenteraad (hierna: de raad) van de gemeentelijke belastingen, bestemmingsheffingen en rechten. Uit de Financiële verordening gemeente Midden-Delfland volgt dat de nota daartoe in ieder geval een viertal onderwerpen behandelt. Deze onderwerpen zijn: de samenstelling van het pakket aan gemeentelijke belastingen en heffingen; de kostendekkendheid van de heffingen; de druk van de lokale belastingen en heffingen; het kwijtscheldingsbeleid en het tarievenbeleid. Als uitgangspunt voor de nota is de Begroting 2025 genomen, omdat die de meest recente gegevens bevat. Daarnaast is het Financieel meerjarenperspectief 2026-2028 meegenomen De Begroting 2025 en het Financieel meerjarenperspectief samen, worden in de nota kortweg aangeduid als Begroting 2025-2028.
De afspraken uit het Coalitieakkoord op hoofdlijnen 2022- 2026 ‘Midden-Delfland heeft het!’ en de Aanvulling coalitieakkoord 2024-2026 ‘Met elkaar werken we door!’ zijn ook in de nota verwerkt. Tot slot is het Collegewerkprogramma 2024-2026 in de nota verwerkt. Naast de nota wordt u elk jaar over de meest actuele ontwikkelingen geïnformeerd via de paragraaf Lokale heffingen in de begroting en de jaarstukken. De jaarstukken betreffen het jaarverslag en de jaarrekening. 1.3 Leeswijzer De nota bevat verder een overzicht van de wet- en regelgeving over lokale heffingen. En daarnaast een overzicht van de uitvoering van de heffing en invordering. Daarbij wordt ook ingegaan op de lokale lastendruk, inkomsten en uitgaven, kwijtschelding en de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ). Bij de inkomsten en uitgaven gaat het vooral om de mate van kostendekkendheid. In de nota leest u in hoofdstuk 2 een beschrijving van de wet- en regelgeving rondom de gemeentelijke heffingen, gevolgd door een toelichting op de soorten heffingen in hoofdstuk 3. Per heffing wordt ingegaan op de omschrijving van de heffing, de wettelijke basis en het tariefbeleid. Tot slot leest u in hoofdstuk 4 over de wijze van heffen en invorderen. 1.4 Samenvatting Gemeenten ontvangen uit diverse bronnen inkomsten voor de uitvoering van overheidstaken.
Omdat de gemeente ‘een eigen belastinggebied’ heeft, geeft dit mogelijkheden voor uw raad verantwoording af te leggen over financiële keuzes. Ook leidt het heffen van belastingen tot een grotere betrokkenheid van inwoners en bedrijven bij de gemeente. In de Grondwet staat dat gemeenten belastingen mogen heffen om aan inkomsten te komen, maar zij zijn niet verplicht van al hun heffingsmogelijkheden gebruik te maken. Het is niet toegestaan met belastingen inkomenspolitiek uit te voeren. Uw raad besluit tot het invoeren of wijzigen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van heffingsverordeningen. In Midden-Delfland heeft uw raad een zestal heffingsverordeningen vastgesteld, waaronder de Legesverordening Midden-Delfland en de Verordening toeristenbelasting Midden-Delfland. De
3 Nota lokale heffingen 2025-2028
diverse heffingen worden in de nota nader besproken. Ook worden de kaders besproken die geboden worden door de diverse financiële en bestuurlijke stukken van de gemeente, waaronder de paragraaf Lokale heffingen en het Coalitieakkoord 2022-2026. Daarnaast is aandacht voor diverse actuele ontwikkelingen bij de lokale heffingen. Bij het pakket aan gemeentelijke heffingen wordt, naast diverse belastingtechnische aspecten, onder meer ingegaan op het vaststellen door uw raad van de tarieven van de onroerendezaakbelastingen (OZB). Bij elke gemeentelijke heffing is aandacht voor de tarieven en de kostendekkendheid. Bij de afvalstoffenheffing en reinigingsrechten zetten wij uiteen welke ambities Midden-Delfland heeft bij het afvalbeleid. De rioolheffing is gebaseerd op het Water en Rioleringsprogramma 20242030 van Midden-Delfland. Een meer recente ontwikkeling is tevens de invoering van toeristenbelasting in Midden-Delfland. Vervolgens wordt in een aantal overzichten cijfermatig ingegaan op de opbrengst van de leges en belastingen in Midden-Delfland die zijn verwerkt in Be begroting 2025-2028. Geconcludeerd kan daarbij worden dat Midden-Delfland voor de hoogte van de gemeentelijke heffingen een gemiddelde lastendruk heeft in vergelijking met omliggende gemeenten. Naast de bestaande heffingen in Midden-Delfland zijn ook nog een aantal andere heffingen mogelijk.
Deze heffingen worden in de nota kort inhoudelijk besproken. Bij de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen zijn er verschillende mogelijkheden hoe een heffing in rekening wordt gebracht en kan worden betaald. De OZB, afvalstoffenheffing, reinigingsrechten en rioolheffing worden geheven door middel van een aanslagbiljet. De belastingschuldige kan deze betalen door overboeking of met een automatisch incasso. Een andere wijze van heffing is het meteen betalen van de leges, zoals bij het afgeven van een identiteitskaart. Als een belastingschuldige zijn aanslag niet betaald of kan betalen, hebben Midden-Delfland en de belastingschuldige diverse mogelijkheden om de nota toch te voldoen. De belastingschuldige kan een betalingsregeling of uitstel van betaling aanvragen. Mogelijkheden die de invorderingsambtenaar heeft zijn dwanginvordering, het oninbaar verklaren van de nota en kwijtschelding. 2.
Wet- en regelgeving van gemeentelijke heffingen
2.1 Algemeen Voor de uitvoering van overheidstaken is geld nodig. Gemeente krijgen dit geld voor een belangrijk deel van de Rijksoverheid. Een groot deel daarvan, afhankelijk van het aantal inwoners, de oppervlakte en enkele speciale omstandigheden, komt uit het Gemeentefonds. Gemeenten kunnen dit in principe naar eigen inzicht besteden. Een ander deel wordt gevormd door doelgerichte bijdragen van het Rijk die gekoppeld zijn aan een specifiek doel, waaraan de gelden moeten worden besteed. Daarnaast ontvangen gemeenten ook geld van inwoners en bedrijven. Het gedeelte dat inwoners en bedrijven betalen zonder dat zij daar een aanwijsbare tegenprestatie voor ontvangen, noemt men belastingen. De begrote opbrengsten uit lokale belastingen en heffingen van gemeenten bedroeg voor 2024 13.295 miljoen euro (CBS). De gemeentelijke heffingen vormen een cruciaal onderdeel van de middelen die een gemeente tot haar beschikking heeft. Het recht tot het heffen van belastingen is een pijler van onze democratische rechtstaat. Een eigen belastinggebied geeft de raad de mogelijkheid verantwoording af te leggen over financiële keuzes en een buffer op te bouwen. Ook maakt een gemeentelijk belastinggebied het mogelijk om de verdeling tussen inkomsten en uitgaven af te stemmen op plaatselijke voorkeuren.
Daarnaast leidt het heffen van belastingen tot een grotere betrokkenheid van inwoners en bedrijven bij de gemeente.
4 Nota lokale heffingen 2025-2028
2.2 Wettelijk kader Het Europees Handvest voor de lokale autonomie geeft decentrale overheden expliciet de mogelijkheid om eigen inkomsten te verkrijgen. In de Grondwet is vastgelegd dat gemeenten belasting mogen heffen om aan deze inkomsten te komen. Dit is verder uitgewerkt in de Gemeentewet. Alleen belastingen die in de Gemeentewet zijn genoemd, kunnen door gemeenten geheven worden. Dit heet een gesloten belastingstelsel. Gemeenten zijn niet verplicht om van al hun heffingsmogelijkheden gebruik te maken. De belangrijkste wettelijke beperkingen betreffen het aantal belastingen en rechten dat door de gemeente mag worden geheven en het verbod op het heffen naar draagkracht. Het laatstgenoemde houdt in dat het te betalen bedrag van een gemeentelijke heffing niet afhankelijk mag zijn van inkomen, winst of vermogen (artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet). Het is voor gemeenten dus niet toegestaan door middel van belastingverordeningen inkomenspolitiek uit te voeren. Bij de rechten die worden geheven, mag geen winst worden gemaakt, zie artikel 229b van de Gemeentewet. Een kostendekkendheid van maximaal 100% is het uitgangspunt van de wettelijke regeling. Een uitzondering hierop is de vermakelijkhedenretributie (artikel 229, eerste lid, onder c., van de Gemeentewet).
Verder is in de Gemeentewet opgenomen dat voor de heffing en invordering van de gemeentelijke heffingen de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Invorderingswet 1990 (IW) en de Kostenwet invordering rijksbelastingen van toepassing zijn. Naast wet- en regelgeving zijn daarbij ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van belang. Als belangrijkste beginselen van behoorlijk bestuur kunnen worden genoemd: het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het fair play beginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Uit de Gemeentewet volgt dat een gemeente de volgende belastingen en rechten mag heffen: onroerendezaakbelastingen (artikel 220 Gemw.); belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten (artikel 221 Gemw.); baatbelasting (artikel 222 Gemw.); forensenbelasting (artikel 223 Gemw.); toeristenbelasting (artikel 224 Gemw.); parkeerbelasting (artikel 225 Gemw.); hondenbelasting (artikel 226 Gemw.); reclamebelasting (artikel 227 Gemw.); precariobelasting (artikel 228 Gemw.); rioolheffing (artikel 228a Gemw.); rechten, waaronder leges en begrafenisrechten (artikel 229 Gemw.).
Tevens kan een gemeente heffen: afvalstoffenheffing en reinigingsrechten (artikel 15.33 Wet milieubeheer in verbinding met de artikelen 219 en 229 Gemw.); BIZ-bijdrage (artikel 1 Wet op de bedrijveninvesteringszones in verbinding met artikel 219 Gemw.). 2.3 Bevoegdheden De raad besluit tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een heffingsverordening. De raad heeft daarnaast de bevoegdheid om het vaststellen van de verordeningen over de afvalstoffenheffing, de parkeerbelastingen, de precariobelasting en rechten over te dragen aan het college. In de gemeente Midden-Delfland wordt van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt.
5 Nota lokale heffingen 2025-2028
Wel heeft de raad in 2010 besloten tot een beperkte overdracht van de bevoegdheid aan het college tot het vaststellen van de legesverordening. Het college is bevoegd tot wijziging van de legesverordening als er sprake is van: 1. een zuiver redactionele wijziging, of; 2. als rijksregelgeving wijzigt a. waarvan de implementatieperiode na bekendmaking in het Staatsblad of de Staatscourant korter is dan drie maanden; b. die tariefbepalingen betreft waarbij een rijkskostendeel onderdeel uitmaakt van het tarief of waarvoor krachtens een wet een (maximum)tarief is gesteld, en; c. de raad zelf al niet rekening heeft gehouden met deze wijzigingen. Een voorbeeld hiervan zijn de maximumtarieven voor reisdocumenten die officieel bekend worden gemaakt in december, terwijl de raad de legesverordening heeft vastgesteld in november. Het college is dan bevoegd om deze tariefswijzigingen vast te stellen. Van deze mogelijkheid is de laatste jaren geen gebruik gemaakt in Midden-Delfland. De uitvoering van de (heffings-)verordeningen is een taak van het college. In de Gemeentewet is geregeld dat de uitvoering van de heffing en invordering van belastingen ligt bij de door het college aangestelde gemeenteambtenaar. Voor het heffen (het opleggen van aanslagen) wordt een heffingsambtenaar aangesteld en voor de invordering van de belastingen een invorderingsambtenaar.
Daarnaast zijn medewerkers aangewezen als gemeenteambtenaren belast met de heffing of invordering van gemeentelijke belastingen. Zie artikel 231, tweede lid, van de Gemeentewet. Het college van Midden-Delfland heeft in 2008 de coördinator/beleidsmedewerker WOZ-belastingen aangewezen als heffingsambtenaar en de medewerker WOZ/belastingen B als invorderingsambtenaar. De heffingsambtenaar is bevoegd om de gemeentelijke belastingaanslagen op te leggen en de WOZ-beschikkingen vast te stellen. Ook de afhandeling van bezwaar en beroep tegen de belastingen en WOZ is een bevoegdheid die uitsluitend is voorbehouden aan de heffingsambtenaar. 2.4 Soorten lokale heffingen Lokale heffingen bestaan uit drie categorieën. Die zijn: 1.
Belastingen Onder belastingen wordt verstaan: de gedwongen bijdragen van inwoners en bedrijven aan de overheid, zonder dat daar een direct aanwijsbare tegenprestatie tegenover staat. Belastingen zijn limitatief opgesomd in de Gemeentewet, zie het overzicht hierboven onder paragraaf 2.2 ‘Wettelijk kader’. De ontvangen belastinggelden worden toegevoegd aan de algemene middelen van de gemeente, de raad kan beslissen waaraan deze gelden besteed worden.
2. Bestemmingsheffingen Bestemmingsheffingen zijn belastingen die dienen ter bestrijding van specifieke kosten. Er is een verband tussen de heffing en het profijt voor de groep belastingplichtigen. Hierbij hoeft geen concreet bewezen dienst tegenover de heffing te staan. De geraamde opbrengsten van deze heffingen mogen niet hoger zijn dan de geraamde kosten. Voorbeelden hiervan zijn de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. 3.
Rechten respectievelijk retributies Bij rechten is er een direct verband tussen een heffing en het genot dat de inwoner heeft van een door de gemeente verleende dienst. Rechten zijn verschuldigd wanneer gebruik wordt gemaakt van de door gemeente geleverde diensten of voorzieningen, waarmee het belang van die burger wordt gediend. Het verschil tussen rechten en belastingen is dat bij een recht een tegenprestatie aanwezig is en bij een belasting niet. Het gaat bij een recht bijvoorbeeld om de afgifte van een rijbewijs of het in behandeling nemen van een vergunningaanvraag. De geraamde opbrengst van rechten mag niet uitgaan boven de geraamde kosten en de opbrengst mag uitsluitend worden gebruikt voor het doel, waarvoor de rechten zijn ingesteld. Dit betekent dat voor het beoordelen van de kostendekkendheid moet worden
6 Nota lokale heffingen 2025-2028
uitgegaan van gegevens uit de begroting en niet uit de jaarrekening. In hoofdstuk 3 zal bij de lokale heffingen waarop dit van toepassing is de kostendekkendheid worden toegelicht. In Midden-Delfland heeft de raad de volgende heffingsverordeningen vastgesteld: Legesverordening; Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrechten; Verordening begrafenisrechten; Verordening onroerendezaakbelastingen; Verordening rioolheffing; Verordening toeristenbelasting. 2.5 Kaders lokale heffingen Het gemeentelijk belastinggebied wordt beperkt tot heffingen die volgens de wet kunnen worden opgelegd. Op grond van het legaliteitsbeginsel kan de gemeente geen belastingen invoeren die niet eerst door de Rijksoverheid mogelijk zijn gemaakt. Iedere eenzijdige overheidshandeling, bijvoorbeeld het heffen van een belasting of recht, moet direct of indirect berusten op een wet in formele zin. Het legaliteitsbeginsel staat in artikel 104 van de Grondwet. Het gemeentelijke kader om de lokale heffingen vorm te geven en uit te voeren bestaat uit: Nota lokale heffingen; Kadernota en begroting; paragraaf Lokale heffingen in de begroting en de jaarstukken; heffingsverordeningen. Nota lokale heffingen Deze nota is meerjarig en richtinggevend van karakter. In de nota wordt aangegeven op welke wijze binnen de gemeente vorm is gegeven aan de bestaande mogelijkheden bij heffingen.
Daarbij wordt aangegeven welke belastingen en rechten op het moment van vaststelling van de nota bestaan in de gemeente en welke belastingen en heffingen mogelijk denkbaar zijn. Ook is er aandacht voor beleidslijnen en ontwikkelingen die de praktijk van heffen beïnvloeden. Kadernota en begroting In de kadernota worden jaarlijks de gewenste ontwikkeling van de inkomsten uit heffingen uiteengezet. Dit als voorbereiding op de begroting. De mutatie op de omvang van de begrote heffingsinkomsten wordt bepaald door het vaststellen van budgetteringsparameters bij de kadernota. Paragraaf Lokale heffingen in de begroting en de jaarstukken De begroting en de jaarstukken die in het kader van de planning- en controlcyclus ter vaststelling worden voorgelegd aan de raad bevatten een paragraaf Lokale heffingen. Deze paragraaf geeft een beeld van de geraamde en daadwerkelijke invulling voor een bepaald jaar van het beleid ten aanzien van alle heffingen, de inkomsten daaruit en de effecten voor burgers en bedrijven. Dit inclusief de lastendruk en de toepassing van kwijtschelding. In de paragraaf bij de begroting betreft het een vooruitkijkende blik naar het komende jaar en in de paragraaf bij de jaarstukken wordt teruggeblikt op het afgelopen jaar.
Heffingsverordeningen De raad bepaalt door de vaststelling van verordeningen welke belastingen, bestemmingsheffingen en rechten de gemeente heft en hoe hoog de tarieven zijn, waarbij ze is gebonden aan landelijke regelgeving. Bij twijfel kan de rechter de belastingverordening toetsen aan onder andere de Gemeentewet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In de verordeningen worden tenminste het belastbare feit, de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, de heffingsmaatstaf, het tarief en het tijdstip van ingang van de heffing geregeld (artikel 217 Gemw.). De heffingsverordeningen worden jaarlijks voor het begin van het nieuwe belastingjaar geactualiseerd en door de raad vastgesteld. Heffingsmaatstaf en tarief
7 Nota lokale heffingen 2025-2028
Voor de heffingsmaatstaf en het tarief geldt in beginsel dat de gemeente enige vrijheid heeft om die zelf te kiezen en vast te stellen. De grenzen hiervan worden bepaald door het verbod om de gemeentelijke belastingen afhankelijk te stellen van inkomen, winst of vermogen en door het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. Voor rechten geldt in het algemeen dat de tarieven zo moeten worden vastgesteld dat de begrote opbrengsten de begrote kosten niet overstijgen, de zogenoemde 100%-dekkingsgraad. 2.6 Wet waardering onroerende zaken Op basis van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) bepaalt de gemeente jaarlijks de waarde van de onroerende zaken binnen haar gebied. De Wet WOZ stelt regels voor deze waardebepaling. Een van de belangrijkste uitgangspunten hierbij is dat gegevens continu en goed worden geregistreerd, zodat de juiste waarde in het economisch verkeer kan worden bepaald. De uitvoering van de Wet WOZ is een taak van het college. In de Wet WOZ is geregeld dat de uitvoering bij de door het college aangestelde gemeenteambtenaar ligt. Zoals reeds genoemd in paragraaf 2.3 ‘Bevoegdheden’ heeft het college van Midden-Delfland daartoe in 2008 de coördinator/beleidsmedewerker WOZ-belastingen aangewezen. De werkzaamheden worden deels in eigen beheer uitgevoerd en deels uitbesteed aan een taxatiebureau.
De eindverantwoordelijkheid en de regie blijft ook voor deze werkzaamheden bij de gemeente. Oordeel Waarderingskamer ‘goed’ Om te controleren of de gemeente de regels van de Wet WOZ en de daarvoor noodzakelijke werkzaamheden correct uitvoert, is de Waarderingskamer ingesteld. Deze instantie voert bij gemeenten verschillende onderzoeken en inspecties uit. In rapporten informeert zij het college over de resultaten van de onderzoeken en doet zo nodig aanbeveling tot verbetering. Op basis van de onderzoeken beoordeelt de Waarderingskamer of de gemeente aan het begin van het jaar de nieuwe WOZ-waarden bekend mag maken. Deze informatie, evenals de toezichtresultaten, worden door de Waarderingskamer op hun website bekendgemaakt (www.waarderingskamer.nl) en zijn voor iedereen toegankelijk. Sinds 2010 wordt de uitvoering van de Wet WOZ in de gemeente Midden-Delfland als goed beoordeeld. Binnen de oordeelscategorieën is dit de hoogste waardering voor een gemeente. De kwalificatie ‘goed’ is van toepassing op een gemeente die WOZ-taxaties van goede kwaliteit levert en daarnaast op alle onderdelen van het WOZ-werkproces voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. Tevens heeft de gemeente voldoende maatregelen getroffen voor adequate aansturing en kwaliteitsbeheersing van de werkzaamheden. Gemeenten die meerdere jaren stabiel het oordeel ‘goed’ hebben (4 sterren), krijgen een extra ster.
De Waarderingskamer heeft in 2018 voor de uitvoering van de Wet WOZ haar algemeen oordeel voor Midden-Delfland gewijzigd van 4 naar 5 sterren, de maximaal haalbare waardering. Tot op heden is het algemeen oordeel blijven staan op 5 sterren. Gebruik WOZ-waarden De gemeente levert de WOZ-waarden aan de Belastingdienst, het waterschap en het Ministerie van Financiën. De Belastingdienst gebruikt deze waarde voor het bepalen van het eigenwoningforfait voor de inkomstenbelasting. Ook voor de Successiewet en de Wet op de vennootschapsbelasting wordt de WOZ-waarde gebruikt. Het Hoogheemraadschap van Delfland gebruikt de waarde voor het heffen van de watersysteemheffing. Het Ministerie van Financiën gebruikt de waardegegevens om de belastingcapaciteit van de gemeente vast te stellen en daarmee de korting op de Algemene Uitkering uit het Gemeentefonds. Er bestaat dus een relatie tussen de WOZ en de algemene uitkering. De algemene uitkering wordt over de gemeenten verdeeld door verdeelmaatstaven die verschillen in kosten weergeven, maar ook verschillen in belastingcapaciteit. De belastingcapaciteit is een afgeleide van de waarde van de onroerende zaken. Gemeenten met hoog gewaardeerd onroerend goed ontvangen een lagere algemene uitkering, dan vergelijkbare gemeenten met minder waardevol onroerend goed.
Ook de gemeente zelf gebruikt de waarde, namelijk om de heffingsgrondslag voor de OZB te kunnen bepalen.
8 Nota lokale heffingen 2025-2028
9 Nota lokale heffingen 2025-2028
Basisregistratie WOZ Basisregistraties bevatten gegevens van burgers, bedrijven en instellingen die intensief door overheidsorganisaties worden gebruikt. Het zijn registraties, waarin de kwaliteit van de gegevens wordt gewaarborgd. Kenmerk van het stelsel is dat alle registraties op elkaar aansluiten. Er zijn in Nederland tien basisregistraties die samen 1 stelsel vormen. De WOZ-waarde is sinds 2009 opgenomen in het stelsel van basisregistraties, de Basisregistratie WOZ. In de Basisregistratie WOZ vormen de WOZ-waarde en de daarmee samenhangende gegevens, zoals het WOZ-object en de belanghebbende, de basis van de registratie. De gegevenslevering aan geautoriseerde afnemers van het waardegegeven loopt via de zogenoemde Landelijke Voorziening WOZ (LV WOZ). De LV WOZ wordt ook gebruikt om het Loket voor openbare WOZ-waarden van woningen te vullen. Sinds 2016 zijn de WOZ-waarden van de woningen openbaar. Ook de volgende basisregistraties zijn van belang: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) De BAG is een registratie, waarin gemeentelijke basisgegevens over alle gebouwen en adressen in Nederland zijn verzameld. Het Kadaster beheert de Landelijke Voorziening BAG en stelt de gegevens beschikbaar aan overheden, bedrijven, instellingen en burgers. Belangrijk is de relatie tussen de BAG en WOZ-gegevens, de zogenoemde BAG-WOZ koppeling.
Een van de voordelen van op elkaar afgestemde BAG- en WOZ-registraties en BAG- en WOZ-werkprocessen is de positieve invloed op de kwaliteit van de objectkenmerken. Niet alleen de WOZ-processen (bijvoorbeeld marktanalyse en bezwaarbehandeling) leiden tot signalen over mogelijke onjuistheden in de geregistreerde gegevens, maar ook terugmeldingen door andere gebruikers helpen daarbij. -
Basisregistratie Kadaster (BRK) De BRK bevat informatie over percelen, eigendom, hypotheken, beperkte rechten (zoals recht van erfpacht, opstal en vruchtgebruik) en leidingnetwerken. Daarnaast staan er kadastrale kaarten in met perceel, perceelnummer, oppervlakte, kadastrale grens en de grenzen van het rijk, de provincies en gemeenten.
Basisregistratie Personen (BRP) De BRP bevat de persoonsgegevens over alle ingezetenen van Nederland en over personen die niet in Nederland wonen (of hier slechts kort verblijven), maar die wel een relatie hebben met de Nederlandse overheid, de ‘niet-ingezetenen’.
Basisregistratie Handelsregister (HR) In het Handelsregister registreert de Kamer van Koophandel de gegevens van ondernemingen en rechtspersonen. Ook andere organisatie die deelnemen aan het economisch verkeer staan in dit register.
Project Waarderen op gebruiksoppervlakte (GBO) De taxaties voor woningen zijn gebaseerd op de bruto inhoud van de woning. De Waarderingskamer heeft bepaald dat gemeenten vanaf 2022 de woningtaxaties moet baseren op de gebruiksoppervlakte (GBO) van de woning. Deze gebruiksoppervlakte is onderdeel van de BAG. De overschakeling naar het registreren van een nauwkeurige en gecontroleerde gebruiksoppervlakte van alle woningen zal leiden tot een optimalisatie van zowel de BAG als de WOZ. Zo wordt een belangrijk uitgangspunt binnen het stelsel van basisregistraties gevolgd: ‘Eenmalig inwinnen en meervoudig gebruik’. Doorontwikkeling in Samenhang – DiS Geo Met het programma Doorontwikkeling in Samenhang van de Geo-basisregistraties (DiS Geo) werkt het ministerie van Binnenlandse Zaken aan meer samenhang in de geo-informatie infrastructuur. Een van de activiteiten is de doorontwikkeling van enkele bestaande geo-basisregistraties tot één samenhangende objectenregistratie. Vanuit verschillende deelopdrachten werken onder meer het Kadaster, de VNG en overheidsstichting Geonovum aan verkenningen en producten die een bijdrage leveren aan de totstandkoming van de Samenhangende Objectenregistratie (SOR). De VNG treedt hierbij op als vertegenwoordiger van het gemeentelijk werkveld en coördineert de samenhang van de verschillende activiteiten die door de andere partijen worden uitgevoerd.
10 Nota lokale heffingen 2025-2028
Samenhangende Objectenregistratie (SOR) De SOR wordt één centraal georganiseerde, uniforme registratie met daarin basisgegevens over objecten in de fysieke werkelijkheid. Het gaat om geo-informatie, zoals bijvoorbeeld gebouwen, wegen, water en bomen, aangevuld met objecten als woonplaatsnamen en openbare ruimten. Met deze registratie wordt beoogd meer samenhang aan te brengen tussen de verschillende objecttypen en de eigenschappen die daarover worden bijgehouden. Hiermee kunnen bijhoudingsprocessen worden vereenvoudigd, de informatievoorziening flexibeler worden opgezet en de wensen van gebruikers om meer samenhangende informatie worden ingewilligd. Het gebruik van gegevens is momenteel lastig en arbeidsintensief. De huidige geo-basisregistraties zijn op verschillende momenten en gescheiden van elkaar ontstaan. Samen vormen zij nog geen samenhangend geheel. Hierdoor zijn gegevens over (nagenoeg) hetzelfde object verspreid geraakt over verschillende registraties met elk hun eigen inhoud, bijhoudingsprocessen en ICT-systemen. Dit betekent dat voor consistentie van de gegevens in de verschillende registraties een groot aantal complexe systeemkoppelingen zijn gerealiseerd. Daarnaast zijn er inconsistenties in de diverse registraties. In de SOR zullen in ieder geval de basisregistratie adressen en gebouwen (BAG) en de basisregistratie grootschalige topografie (BGT) opgaan.
Daarnaast zal ook een deel van de basisregistratie WOZ waarin objectgegevens zijn opgenomen hierin worden opgenomen en een aantal basisgegevens uit de registraties voor het beheren van de openbare ruimte (BOR). De realisatie van een objectenregistratie is een omvangrijk traject dat loopt sinds 2018 en waarvan de definitieve besluitvorming nog niet in zicht is. Meerjarenvisie Zicht op Nederland (ZoN) Door allerlei maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de Omgevingswet, klimaatadaptie, energietransitie en participatie, neemt de behoefte aan basisgegevens over de fysieke werkelijkheid alleen maar toe. Deze behoefte is in oktober 2023 door het Rijk ook neergelegd in de Meerjarenvisie Zicht op Nederland die gaat over ‘samen datagedreven werken in de fysieke werkelijkheid’. Deze visie is ontwikkeld met inbreng van de VNG. De ontwikkeling van de SOR maakt hierbij onderdeel uit van het programma ZoN Datafundament van het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening. 2.7 Coalitieakkoord 2022-2026 ‘Midden-Delfland heeft het! In het coalitieakkoord 2022-2026 ‘Midden-Delfland heeft het!’ wordt over de financiën onder meer het volgende opgemerkt. Beheer begroting Wij voeren een duurzaam financieel beleid met een structureel financieel sluitende begroting. Structurele uitgaven dekken wij met structurele inkomsten.
Hierbij hanteren wij het principe dat de gemeente het geld beheert namens de samenleving. Middelen die het weerstandsvermogen en de budgetbehoefte overstijgen kunnen ingezet worden voor de samenleving. Lokale heffingen Voor huishoudens stijgen door een stijgende inflatie de kosten harder dan het inkomen. Het risico van sociale uitsluiting dreigt hierdoor voor een steeds groter wordende groep. Wij verwachten bij de belastingvoorstellen van het college dat zij hier nadrukkelijk rekening mee houden, waarbij wij ons beseffen dat ook de gemeentelijke uitgaven harder stijgen dan de inkomsten. Voor ons is de stijging van de OZB, reinigingsheffing en rioolbelasting met de inflatiecorrectie geen automatisme. Bij voorkeur zien wij zelfs een daling hiervan. Innovatieve maatregelen kunnen daaraan bijdragen. Eventuele voorstellen tot verhoging van deze lasten voor alle huishoudens zijn inhoudelijk onderbouwd waarbij inzichtelijk is gemaakt hoe de uitgaven tot een minimum beperkt zullen blijven.
11 Nota lokale heffingen 2025-2028
In de Aanvulling coalitieakkoord 2024-2026 wordt vervolgens het volgende opgemerkt. Financiën De inkomsten van gemeenten in Nederland, en dus ook van Midden-Delfland, staan onder druk door verlaging van de rijksuitkeringen. Toch houden we vast aan de uitgangspunten van het coalitieakkoord, het begrotingsbeleid en de dekking vanuit de gemeentelijke inkomsten. Dit houdt in: een opbrengststijging van de Onroerend Zaak Belasting (OZB) van maximaal 3% per jaar; kostendekkende leges op basis van inflatiecorrectie; en een riool- en afvalstoffenheffing die kostendekkend is. Daarnaast staat in het collegewerkprogramma 2024-2026 ‘Duurzaam vooruit!’ het volgende over de afvalstoffenheffing. Ons afvalbeleid is gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot hergebruik en het verminderen van het verbruik van grondstoffen. Hiervoor stellen wij onder meer nieuw afvalbeleid op. Een belangrijke verandering om een nog beter afvalscheidingsgedrag te bevorderen is het invoeren van een prijsprikkel, het zogenaamde 'restafvaltarief’. 2.8 Visie gemeente Midden-Delfland ‘Zo doen wij dat!’ De recente visie van Midden-Delfland ‘Zo doen wij dat!’ geeft een kijk op de personele organisatie. De visie is om een professionele en extern georiënteerde organisatie te zijn. Dit uit zich onder meer in interne en externe aandacht voor elkaar en een dienstverlening die continu in ontwikkeling is.
Door de omvang van Midden-Delfland wordt, vanuit vrijheid en vertrouwen, gezien wat nodig is voor inwoners, ondernemers en medewerkers. Midden-Delfland blijft alert op veranderende vraag vanuit de samenleving en de dienstverlening wordt hierop afgestemd. Belangrijke pijlers hiervoor zijn gehoord worden en betrokkenheid. Deze visie wordt ook omarmd door het team Belastingen. Het team Belastingen is voornamelijk extern gericht, want de ‘klanten’ bestaan grotendeels uit belastingplichtigen. De uitvoering van het takenpakket van belastingen is vrij strikt begrensd door onder andere de wetgeving en aard van de werkzaamheden. Echter binnen de ruimte die wet- en regelgeving hiertoe bieden, is het team actief op zoek naar minder formele omgangsvormen met de belastingplichtige. Het team zet waar mogelijk in op informele contacten met de burger, zonder dat de belastingplichtige beperkt wordt in zijn rechtsbescherming. Zo vraagt men om na ontvangst van een aanslag of beschikking eerst contact op te nemen in plaats van gelijk bezwaar te maken. Vaak is een bezwaar dan niet nodig, omdat een goede uitleg gegeven wordt of omdat de aanslag/beschikking gelijk wordt gecorrigeerd. Ook komt het voor dat in het kader van een bezwaar tegen de WOZ-beschikking een opname van de woning wordt gedaan.
Niet alleen om de staat van de woning te beoordelen, maar ook voor het persoonlijk contact met de bezwaarmaker. 3.
Het pakket aan gemeentelijke heffingen
Onroerendezaakbelastingen 3.1 Algemeen Op grond van artikel 220 van de Gemeentewet kunnen gemeenten onroerendezaakbelastingen (hierna: OZB) heffen. De OZB is een zogenaamde algemene belasting, er is geen relatie tussen de heffing en een bepaalde taak of verleende dienst van de gemeente. De opbrengsten van de OZB komen ten goede aan de algemene middelen.
12 Nota lokale heffingen 2025-2028
De OZB bestaan uit twee belastingen: een eigenarenbelasting en een gebruikersbelasting. Deze belastingen houden in: Eigenarenbelasting Deze belasting wordt in beginsel opgelegd aan degene die bij het begin van het kalenderjaar (1 januari) van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. Gebruikersbelasting De gebruikersbelasting wordt opgelegd aan degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt. Hierbij hoeft geen sprake te zijn van feitelijk gebruik. Het ter beschikking houden van een onroerende zaak levert ook al gebruik op. Ook in het geval van het laten bouwen van een onroerende zaak is sprake van gebruik. De gegevens voor het gebruik van een zogenoemde niet-woning worden verkregen via de eigenaar of via de inschrijving in de Kamer van Koophandel. De OZB zijn tijdstipbelastingen. Dit betekent dat voor het bepalen van de belastingplicht de situatie op 1 januari van een belastingjaar geldt. Veranderingen in deze situatie, zoals de verkoop van een onroerende zaak of een verhuizing, hebben geen invloed op de belastingheffing. Andersom betekent dit ook dat voor een onroerende zaak die na 1 januari wordt gekocht of in gebruik genomen, pas met ingang van het volgend jaar OZB betaald hoeft te worden.
Bij verkoop van een woning kan de OZB worden verrekend door de notaris. Berekening van de aanslagen OZB De aanslagen OZB worden berekend naar de heffingsgrondslag. Dit is de WOZ-waarde van de onroerende zaak. Voor niet-woningen gelden bepaalde vrijstellingen, zoals kassen en ondergrond van de kassen die wel in de WOZ-waarde worden betrokken, maar waarover geen OZB mag worden geheven. Vandaar dat voor de berekening van de OZB wordt gesproken over een heffingsgrondslag. Per 1 januari 2009 is het tarief voor de OZB een percentage van de heffingsgrondslag. Tarieven Met ingang van begrotingsjaar 2022 stelt de gemeenteraad jaarlijks de tarieven van de OZB vast. Hierbij wordt uitgegaan van een verhoging van de OZB-opbrengsten met 3% per jaar. Het uitgangspunt is zo een evenwichtige ontwikkeling van de totale opbrengst te realiseren die onafhankelijk is van de marktontwikkeling van de onroerende zaken. Dit betekent dat de tarieven ieder jaar zo bepaald worden dat de totale OZB-opbrengst voor de gemeente (exclusief areaaluitbreiding) 3% hoger is dan het jaar ervoor. De WOZ-waarde wordt bepaald aan de hand van gerealiseerde verkoopcijfers. De waardeontwikkeling wordt pas in de loop van een jaar duidelijk. Gebruik van landelijke cijfers is niet gewenst, omdat deze afwijken van de situatie in Midden-Delfland.
Afhankelijk van de ontwikkeling van de WOZ-waarden worden de OZB-tarieven verhoogd of verlaagd, zodat de beoogde totaalopbrengst kan worden behaald. In onderstaande tabel staan de tarieven voor 2025 tot en met 2028 weergegeven. De geraamde opbrengsten vindt u terug in paragraaf 3.7. OZB-tarieven*
2025
2026
2027
2028
Tarief eigenaren woningen
0,1080%
0,1112%
0,1146%
0,1180%
Tarief eigenaren niet-woningen
0,2334%
0,2404%
0,2476%
0,2550%
Tarief gebruikers niet-woningen
0,1676%
0,1726%
0,1778%
0,1831%
* Jaarlijks worden de tarieven vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de waardeontwikkeling van
het vastgoed en uitgaande van een opbrengststijging van 3% per jaar. De tariefstijging in deze tabel is 3% per jaar (bij een fictieve waardeontwikkeling van 0%). Wanneer de waardeontwikkeling > 0% per jaar is, worden de tarieven naar beneden bijgesteld en vice versa.
13 Nota lokale heffingen 2025-2028
Macronorm OZB vervangen door benchmark woonlasten De limitering van de OZB-tarieven is sinds 2008 afgeschaft. Het kabinet heeft toen wel het voorbehoud gemaakt dat de opbrengststijging voor de OZB landelijk gezien beperkt moet blijven. Hiertoe is er een macronorm ingesteld. Deze norm bestaat uit twee componenten: de reële trendmatige groei van het BBP (Bruto Binnenlands Product) en de prijsontwikkeling van de nationale bestedingen op basis van het centraal economisch plan 2015. De norm geeft aan met hoeveel procent landelijk (macro) de OZB-opbrengst jaarlijks mag stijgen. Uit onderzoek bleek echter dat de norm geen effectief beheersinstrument is, omdat de norm niet heeft bijgedragen aan de gematigde lastenontwikkeling. Oorzaak hiervan is dat de besluitvorming over tarieven in gemeenten in de eerste plaats is gebaseerd op lokale afwegingen. Na overleg tussen het Rijk en de VNG is de macronorm vanaf 2020 daarom vervangen door een benchmark woonlasten. In de benchmark wordt niet alleen de OZB vergeleken, maar ook de rioolen afvalstoffenheffing. De benchmark geeft een vergelijking van de gemeentelijke woonlasten en de gemeentelijke tariefontwikkeling per provincie. Daarnaast worden ook de landelijke en provinciale gemiddelden opgenomen. Door deze (grafische) vergelijking worden de onderlinge verschillen tussen de gemeenten meer inzichtelijk.
3.2 Afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Algemeen Op grond van de Wet milieubeheer heeft de gemeente de plicht ervoor zorg te dragen dat de huishoudelijke afvalstoffen, met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen, worden ingezameld bij percelen waar die kunnen ontstaan. Op grond van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer kan de gemeente een heffing instellen om de inzameling van de huishoudelijke afvalstoffen te bekostigen. Deze heffing wordt geheven van de gebruiker van een perceel waarvoor de gemeente een plicht tot inzameling heeft. Of er daadwerkelijk afvalstoffen worden aangeboden, is niet van belang. Berekening van de aanslagen afvalstoffenheffing De grondslag van deze heffing is niet wettelijk vastgesteld en binnen de grenzen van redelijkheid is de gemeente vrij deze grondslag te bepalen. Voorbeelden hiervan zijn: een bedrag per perceel; een bedrag per perceel met een tariefdifferentiatie naar het aantal personen per huishouden; een bedrag per hoeveelheid aangeboden afval. U kunt hierbij denken aan het zogenaamde Diftar, waarbij per huishouden wordt geregistreerd hoeveel afval aangeboden wordt. Hoe meer afval een burger aanbiedt, hoe hoger de afvalstoffenheffing. In Midden-Delfland is de heffingsgrondslag een bedrag per perceel met een tariefdifferentiatie naar het aantal personen per huishouden. De belastingplichtige is de gebruiker van dit perceel.
Voor beide huishoudens is er een ander tarief, met deze tariefdifferentiatie wordt een evenredige verdeling van de kosten bereikt. Vanuit de BRP worden de gegevens verkregen over de samenstelling van een huishouden. Door vastgesteld beleid op grond van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen gemeente MiddenDelfland 2023 kunnen, naast de standaardcontainers ook extra containers beschikbaar worden gesteld. Hiertoe zijn tarieven opgenomen in de Verordening afvalstoffenheffing. De standaardcontainers zijn 1 minicontainer restafval, 1 minicontainer groente-, fruit- en tuinafval, 1 minicontainer oud papier en karton en 1 minicontainer plastic, metaal en drinkpakken. De afvalstoffenheffing is een zogenoemde tijdvakheffing. Dit betekent dat een aanslag afvalstoffenheffing per jaar wordt opgelegd. Als in de loop van het belastingjaar de belastingplicht wijzigt, wordt de belastingplicht herberekend naar het aantal volle maanden waarvoor de afwijkende belastingplicht geldt. Reinigingsrechten Bedrijven en niet-commerciële instellingen (verenigingen, scholen) zijn zelf verantwoordelijk voor het afvoeren van bedrijfsafval. In Midden-Delfland kunnen de niet-commerciële instellingen hiervoor gebruik maken van de diensten van de gemeente. Omdat het hier niet gaat om huishoudelijk afval kan hier geen afvalstoffenheffing voor in rekening worden gebracht. In de
14 Nota lokale heffingen 2025-2028
verordening zijn daarom reinigingsrechten opgenomen. De tarieven zijn gelijk aan het tarief afvalstoffenheffing meerpersoonshuishouden. Afvalbeleid 2030 De Rijksoverheid introduceerde in 2015 het programma VANG-HHA (Huishoudelijk afval) om gemeenten te helpen de nodige stappen te zetten naar een circulaire economie. Het doel is om in 2050 volledig circulair te zijn. In de periode 2015-2020 is in Midden-Delfland in dit kader ‘het nieuwe inzamelen’ (HNI) ingevoerd. Dat betekent dat in de dorpen de huishoudens in laagbouwwoningen de gescheiden afvalfracties aan huis verzamelden en het restafval in ondergrondse containers in de buurt. De gescheiden afvalfracties betreffen groente-, fruit- en tuinafval (GFT), plastic-, metalen- en drankkartonverpakkingsmaterialen (PMD), en oud papier en karton (OPK). Ook zijn in die periode het aantal ondergrondse containers voor gescheiden fracties (GFT, PMD en OPK) nabij hoogbouwwoningen verhoogt. In de komende jaren ligt de focus op het nog beter scheiden van restafval en het verbeteren van de kwaliteit van de gescheiden afvalstromen. Om het scheiden (financieel) aantrekkelijker te maken verhoogt de overheid in de komende jaren stapsgewijs de belasting op het verbranden van restafval.
De raad van Midden-Delfland heeft daarom in het Afvalbeleid 2030 opgenomen om ten vroegste per 1 januari 2026 voor het aanbieden van restafval door bewoners een prijsprikkel in te voeren (Diftar). Dat bedrag zal zodanig gekozen worden dat huishoudens geen verhoging van het verwijderen van afvalstoffen ervaren, wanneer zij het huidige gemiddelde scheidingsgedrag aanhouden. Bewoners die beter scheiden, zullen een verlaging van de kosten voor het verwijderen van afvalstoffen ervaren en bewoners die niet scheiden zullen een verhoging ervaren. Dit past beter bij het ‘de vervuiler betaalt’-principe. Daarnaast is de insteek om na de invoering van DIFTAR de hoeveelheid restafval verder te verlagen door gerichte communicatie, participatie en preventie. Tarieven In de Begroting 2025-2028 staat dat voor de afvalstoffenheffing de tarieven in 2025 niet meer stijgen dan voor kostendekkendheid noodzakelijk is. Uitgangspunt van de afvalstoffenheffing is dus de kosten van de afvalinzameling en -verwerking voor 100% te dekken door de opbrengst van de afvalstoffenheffing. Door nieuwe ontwikkelingen, zoals invoering zijbelading en een andere wijze van ophalen oud papier, was het mogelijk om het tarief voor de afvalstoffenheffing in 2022 te laten dalen met circa 4% ten opzichte van 2021.
Op basis van de geactualiseerde kostenraming van Avalex is de afvalstoffenheffing in 2023 nog eens met 4% verlaagd ten opzichte van 2022. Voor de jaren 2024 en 2025 bleek een verhoging van 8% noodzakelijk, onder meer door de fors gestegen inflatie. Voor de jaren 2026 tot en met 2028 wordt op basis van ongewijzigd beleid uitgegaan van gelijkblijvende tarieven (exclusief indexatie). Bij elke nieuwe begroting wordt het tarief getoetst aan het uitgangspunt van 100% kostendekking. Voor 2025 bedraagt het tarief afvalstoffenheffing voor een eenpersoonshuishouden € 302,28 . Voor een meerpersoonshuishouden is het tarief € 401,16. De geraamde opbrengsten op basis van deze tarieven vindt u terug in paragraaf 3.7. Kostendekkendheid Vanwege het karakter van de afvalstoffenheffing als bestemmingsheffing mag er op deze heffing geen kostendekking groter dan 100% zijn. Het uitgangspunt in de gemeente Midden-Delfland is om de kosten van de afvalinzameling voor 100% te dekken door de opbrengst van de afvalstoffenheffing. In de paragraaf Lokale heffingen bij de Begroting 2025-2028 staat een overzicht over het verloop van de egalisatiereserve.
15 Nota lokale heffingen 2025-2028
3.3 Rioolheffing Algemeen Het heffen van rioolheffing is mogelijk op basis van artikel 228a van de Gemeentewet. Met de invoering in 2008 van de Wet gemeentelijke watertaken heeft de gemeente, naast de zorgplicht voor het afvoeren van huishoudelijk afvalwater en regenwater, ook de zorgplicht voor het grondwater. Daarmee is ook de mogelijkheid ontstaan om de kosten die verbonden zijn aan de taken die voortvloeien uit de Wet gemeentelijke watertaken, toe te rekenen aan de rioolheffing. De wijziging in wetgeving heeft ertoe geleid dat de rioolrechten in 2010 zijn vervangen door een rioolheffing. In het Water en Rioleringsprogramma 2024-2030 van Midden-Delfland (WRP) staan onder meer de kosten die gemaakt worden voor de instandhouding van het gemeentelijke rioolstelsel. Berekening van de aanslagen rioolheffing Bij de rioolheffing zijn verschillende grondslagen mogelijk, bijvoorbeeld een vast bedrag per perceel of per m³ afgevoerd afvalwater. Ook de WOZ-waarde is volgens jurisprudentie toegestaan als grondslag. Midden-Delfland kent een rioolheffing met als grondslag een vast bedrag per perceel. De belastingplichtige is de gebruiker van een perceel. Net als de afvalstoffenheffing is ook de rioolheffing een tijdvakheffing. Dit betekent dat een aanslag afvalstoffenheffing per jaar wordt opgelegd.
Als in de loop van het belastingjaar de belastingplicht wijzigt, wordt de belastingplicht herberekend naar het aantal volle maanden waarvoor de afwijkende belastingplicht geldt. Tarieven Het uitgangspunt van het WRP is dat het tarief gedurende de planperiode van het WRP, behoudens correctie voor inflatie, onveranderd blijft en gelijk blijft aan het tarief voor 2024. Wel wordt dit bij elke nieuwe begroting getoetst aan het uitgangspunt van 100% kostendekking. Voor 2025 bedraagt het tarief voor de rioolheffing € 225,11. De geraamde opbrengsten vindt u terug in paragraaf 3.7. Kostendekkendheid Uit de opbrengsten van deze heffing worden de lasten van het rioolstelsel bekostigd. Vanwege het karakter van de rioolheffing als bestemmingsheffing mag er op deze heffing geen kostendekking groter dan 100% zijn. In de paragraaf Lokale heffingen bij de Begroting 2025-2028 staat een overzicht over het verloop van de egalisatiereserve. 3.4 Leges Algemeen De mogelijkheid tot het heffen van leges is geregeld in artikel 229, eerste lid, onder b., van de Gemeentewet. De leges vallen onder de categorie rechten. Leges worden geheven voor het door de gemeente verlenen van diensten, zoals het verstrekken van een paspoort of het verlenen van een vergunning.
De naam ‘leges’ komt als zodanig niet voor in de Gemeentewet, in de wet is sprake van rechten voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Degene die de dienst aanvraagt betaalt ook. De heffingsmaatstaf is afhankelijk van de soort dienst en wordt vermeld in de tarieventabel die bij de legesverordening hoort. Tarieven Over het algemeen hebben gemeenten veel vrijheid bij het heffen van rechten. Zo kan, bij afwezigheid van nadere wettelijke voorschriften, de gemeente zelf een aantal keuzes maken bij de inrichting van de legesverordeningen en bijbehorende tarieventabellen. Te denken valt aan de keuze van de heffingsmaatstaven, de tarieven en de vrijstellingen. Een opsomming van de diensten, waarvoor in de legesverordening een vergoeding wordt gevraagd, vindt u in de Legesverordening Midden-Delfland. De diensten en bijbehorende tarieven
16 Nota lokale heffingen 2025-2028
zijn opgenomen in de tarieventabel die hoort bij de legesverordening. Een overzicht van de geraamde opbrengsten vindt u terug in paragraaf 3.7. Kostendekkendheid De wetgever heeft het aan de gemeenten overgelaten welke diensten in één legesverordening worden geregeld. Gezien de verscheidenheid in diensten, is het voor de wetgever niet mogelijk geweest daarvoor voorschriften te geven zonder te vervallen in zeer gedetailleerde regelgeving. Daarom heeft de wetgever beseft dat het onmogelijk is te bepalen dat er per individuele dienstverlening evenwicht moet zijn tussen de geraamde baten en geraamde lasten. Dit heeft geleid tot de mogelijkheid van kruissubsidiëring binnen de verordening, waarbij subsidiëring plaatsvindt van onrendabele activiteiten met ‘winst’ uit rendabele activiteiten. De wetgeving leert dat de kostendekkendheid op het niveau van de legesverordening moet worden bepaald. Er kan en mag dus compensatie plaatsvinden tussen de verschillende diensten. In principe mogen de geheven leges niet meer dan kostendekkend zijn, maar dit geldt niet voor elk tarief afzonderlijk, waardoor kruissubsidiëring mogelijk wordt. In februari 2015 heeft de Hoge Raad dit in uitspraak op beroep in cassatie nogmaals bevestigd. De Hoge Raad heeft toen geoordeeld dat de opbrengstennorm voor diensten waarvoor de gemeente leges heft, geldt voor alle diensten samen.
Er zijn in de tarieventabel bij de Legesverordening Midden-Delfland drie titels waarbinnen kruissubsidiëring mag plaatsvinden. De kostendekkendheid van de tarieven van de Legesverordening Midden-Delfland staat in de paragraaf Lokale heffingen bij de Begroting 2025-2028. 3.5 Toeristenbelasting Algemeen Gemeenten kunnen op grond van artikel 224 van de Gemeentewet toeristenbelasting heffen bij het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zijn ingeschreven. Deze vorm van belasting lijkt veel op forensenbelasting en is gebaseerd op de profijtgedachte in ruime zin. Een gemeente maakt kosten voor voorzieningen die ook door niet-inwoners (toeristen en forensen) worden gebruikt, maar krijgt daarvoor geen vergoeding uit het Gemeentefonds. In de vergadering van 25 oktober 2022 heeft de raad van Midden-Delfland besloten tot de invoering van toeristenbelasting. De groei van het toerisme en overnachtingsmogelijkheden in Midden-Delfland maakten het, conform het Coalitieakkoord op hoofdlijnen 2022-2026, mogelijk over te gaan tot het heffen van toeristenbelasting. Met het heffen van toeristenbelasting wordt beoogd extra inkomsten te generen, waarmee onder meer een bijdrage kan worden geleverd aan ‘Midden-Delfland’.
De opbrengsten blijven door toevoeging aan de Bestemmingsreserve voorzieningen voor recreatie en toerisme Midden-Delfland beschikbaar voor dit doel. Tarieven De tarieven voor de toeristenbelasting zijn vastgelegd in de Verordening toeristenbelasting Midden-Delfland. De tarieven voor 2025 bedragen € 1,- per persoon per overnachting op een camping (in een kampeermiddel) en € 1,50 per persoon per overnachting in de overige accommodaties. Een overzicht van de geraamde opbrengsten vindt u terug in paragraaf 3.7. Kostendekkendheid De opbrengst van de toeristenbelasting is niet bedoeld om de kosten van toeristische voorzieningen te dekken, maar komt ten gunste van de algemene middelen van de gemeente.
17 Nota lokale heffingen 2025-2028
3.6 Begrafenisrechten Algemeen Op grond van artikel 229 van de Gemeentewet wordt een vergoeding gevraagd voor het gebruik van de begraafplaatsen en voor het door de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaatsen. Tarieven De tarieven zijn opgenomen in de tarieventabel die hoort bij de Verordening begrafenisrechten. Kostendekkendheid Voor de tarieven van de begrafenisrechten is artikel 229b van de Gemeentewet bepalend. De begrote opbrengsten mogen de begrote kosten niet overschrijden. Er kan dus maximaal sprake zijn van 100% dekking. Er mag door de gemeente geen winst worden gemaakt op deze rechten. 3.7 Opbrengst leges en belastingen De verwachte opbrengst voor leges en belastingen zijn verwerkt in de Begroting 2025-2028. In het volgende overzicht vindt u de geraamde inkomsten voor de komende jaren. Dit overzicht staat ook in de paragraaf Lokale lasten. Overzicht geraamde inkomsten Burgerlijke stand Rijbewijzen en reisdocumenten Leges gehandicaptenparkeerkaarten BRP
2025
2026
2027
2028
63.787
65.400
67.000
68.600
319.936
374.136
397.236
397.236
6.800
7.000
7.200
7.400
4.500
4.600
4.700
4.800
Overige leges burgerzaken
2.400
2.500
2.600
2.700
Bruggelden
5.000
5.000
5.000
5.000
Bijzondere transporten
2.800
2.900
3.000
3.100
27.800
28.500
29.200
29.900
Verhaal kosten welstandstoezicht Volkshuisvesting
112
114
114
114
1.400
1.400
1.400
1.400
Afvalstoffenheffing
2.949.838
2.978.071
3.006.304
3.012.047
Bouwleges
1.190.513
277.686
118.319
86.695
Rioolheffing
1.886.281
1.903.165
1.920.049
1.936.933
16.100
16.500
16.900
17.300
Monumenten
Algemene plaatselijke verordening OZB
6.780.356
6.998.415
7.207.842
7.423.552
Begrafenisrechten
67.300
68.900
70.500
72.100
Toeristenbelasting
120.000
120.000
120.000
120.000
13.444.923
12.854.287
12.977.364
13.189.077
Totaal 3.8
Lokale lastendruk
Om een indruk te krijgen wat de lokale lastendruk is, wordt berekend wat de huishoudens aan gemeentelijke heffingen moeten betalen. De lokale lastendruk wordt bepaald aan de hand van de OZB-tarieven, afvalstoffen- en rioolheffing en is gebaseerd op de door de raad vastgestelde tarieven.
18 Nota lokale heffingen 2025-2028
Het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (hierna: COELO) doet onderzoek naar de lokale lastendruk. Het COELO is een onafhankelijk onderzoeksinstituut verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij onderzoeken jaarlijks het niveau en de ontwikkelingen van de lokale lasten (gemeenten, provincies en waterschappen) en nemen de resultaten op in hun Atlas van de lokale lasten. De hoogte van de woonlasten verschilt per gemeente. Deze verschillen worden grotendeels verklaard door de lokale autonomie en de gemiddelde woningwaarde per gemeente. In de paragraaf Lokale heffingen wordt jaarlijks ingegaan op de hoogte van de lokale lastendruk in de gemeente Midden-Delfland en de vergelijking van die lastendruk met omliggende en vergelijkbare gemeenten. Voor de volledigheid vindt u hieronder een overzicht van de woonlastendruk 2024 voor Midden-Delfland en de omliggende gemeenten. Gemeentelijke lastendruk: woonlastendruk 2024* OZB-tarief
Afvalstoffenheffing
Rioolheffing
Totale lastendruk bij een gemiddelde WOZ-waarde
MiddenDelfland
€ 592
€ 371
€ 225
€ 1.188
Den Haag Rijswijk Delft Rotterdam Schiedam Vlaardingen Maassluis Westland
€ 283 € 386 € 525 € 368 € 409 € 655 € 584 € 402
€ 438 € 444 € 417 € 404 € 399 € 406 € 445 € 325
€ 185 € 196 € 252 € 287 € 268 € 178 € 190 € 261
€ 906 € 1.027 € 1.194 € 1.058 € 1.076 € 1.239 € 1.219 € 1.022
Landelijk gemiddelde
€ 423
€ 328
€ 221
€ 972
* Op basis van COELO lokale lasten calculator, eigendom woning en een 2-persoonshuishouden
Toelichting op tabel De gemiddelde WOZ-waarde in Midden-Delfland was in 2024 € 538.314,-. Ook bij de andere gemeenten uit de tabel is gerekend met deze WOZ-waarde. Bij het genoemde OZB-tarief bij het landelijk gemiddelde gaat het COELO echter uit van de gemiddelde WOZ-waarde in Nederland. Er is daarbij dus niet gerekend met de gemiddelde WOZ-waarde in Midden-Delfland. Gelet op de voorgaande vergelijking kan worden geconcludeerd dat Midden-Delfland voor de hoogte van de gemeentelijke heffingen een gemiddelde lastendruk heeft. De tarieven voor de OZB van Midden-Delfland zijn in lijn met die van de andere genoemde gemeenten. Voor de afvalstoffenheffing zijn de tarieven in Midden-Delfland lager dan het gemiddelde in de provincie Zuid-Holland. Bij de afvalstoffenheffing is gekozen voor kostendekkende tarieven. Het hogere tarief voor de rioolheffing in vergelijking tot een aantal van de omliggende gemeenten, is een gevolg van het doorvoeren van kostendekkende tarieven bij deze heffing. Door de lage bevolkingsdichtheid en het grote buitengebied van Midden-Delfland zijn de kosten hiervan relatief hoog en het aantal belastingplichtigen laag. Overigens kent de gemeente Midden-Delfland een klein heffingenpakket, zodat de inkomsten uit gemeentelijke heffingen grotendeels beperkt blijven tot de heffingen die in de onderzoeken naar de hoogte van de woonlasten worden betrokken.
19 Nota lokale heffingen 2025-2028
3.9 Overige heffingen Naast de hierboven beschreven heffingen die Midden-Delfland heeft, bestaan ook nog de volgende heffingen: baatbelasting; belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten; bijdrage bedrijveninvesteringszone; forensenbelasting; hondenbelasting; parkeerbelasting; precariobelasting; rechten: liggeld, marktgeld en vermakelijkhedenretributie; reclamebelasting. Omdat in het collegeprogramma is opgenomen dat geen andere belastingsoorten worden ingevoerd, zal hier volstaan worden met een beknopte toelichting per heffing. Toelichting per heffing
Baatbelasting
Artikel 222 van de Gemeentewet geeft de gemeente de mogelijkheid tot het instellen van baatbelasting. De gemeente kan baatbelasting heffen van onroerende zaken die gebaat zijn bij bepaalde gemeentelijke voorzieningen, bijvoorbeeld het aanleggen van riolering, het leggen van bestratingen, etc. Als de gemeente een baatbelasting wil heffen, dan moet voordat met de aanleg van de voorziening wordt begonnen een zogeheten bekostigingsbesluit worden genomen. Hierin wordt vastgelegd welk gebied bij de voorziening is gebaat en in welke mate de kosten zullen worden verhaald. In veel gevallen is het moeilijk aan te tonen dat een object bij de betreffende voorziening is gebaat. Ook het bepalen of een voorziening voor baatbelasting in aanmerking komt, is niet makkelijk. Er mag bijvoorbeeld geen sprake zijn van onderhoud. De jurisprudentie rond deze belasting is zeer uitgebreid en het risico op onverbindend verklaring groot. Daarom wordt in veel gevallen geprobeerd met de eigenaren van de gebate objecten tot privaatrechtelijke overeenkomsten te komen om de kosten te verhalen.
Belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten
Artikel 221 van de Gemeentewet geeft de gemeente de mogelijkheid tot invoering van een belasting over woon- en bedrijfsruimten die niet onroerend zijn. Deze belasting kan worden geheven over roerende woon- en bedrijfsruimten die duurzaam aan een plaats gebonden zijn en dienen voor permanente bewoning of gebruik. Slechts een beperkt aantal gemeenten heeft deze belasting ingevoerd. Net als bij de onroerendezaakbelastingen is het gebruik van woonruimten ook van heffing uitgesloten. Voor de belastingplichtige en de heffingsmaatstaf gelden dezelfde regels als bij de OZB. Als een gemeente deze belasting invoert, geldt de eis dat de tarieven gelijk moeten zijn aan die van de OZB. De belasting van roerende woon- en bedrijfsruimten is vooral goed bruikbaar, als er significante aantallen woonboten en stacaravans in de gemeente aanwezig zijn. Die worden als roerende zaak geclassificeerd.
Bijdrage bedrijveninvesteringszone
De Wet op de bedrijveninvesteringszones, geldend vanaf 1 januari 2015, biedt de mogelijkheid tot het instellen van een belasting op een onroerende zaak, de bijdrage bedrijveninvesteringszone (hierna: BIZ-bijdrage). Met de BIZ-bijdrage kunnen ondernemers in een bepaalde zone binnen de gemeente, de zogenoemde BI-zone, voor maximaal vijf jaar verplicht worden gesteld een financiële bijdrage te leveren. In de gemeente Midden-Delfland bevindt zich geen BI-zone. De BIZ-bijdrage wordt gebruikt voor investeringen in de leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone. De investeringen zijn een