12 bijlage Nota lokale heffingen 2016
Tekst van het document
Nota Lokale Heffingen 2016
INHOUDSOPGAVE 1. 1.1 1.2 1.3
Inleiding Aanleiding Doelstelling Leeswijzer
3 3 3 3
2.
Wet- en regelgeving van gemeentelijke heffingen
4
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
4 5 5 6 8
2.7
Wettelijke kader Bevoegdheden Lokale heffingen Wet Waardering Onroerende Zaken Coalitieakkoord 2014 – 2018 ‘De gemeente dichtbij’ Verbinden en verbeteren: gemeente Midden-Delfland in de netwerksamenleving Laatste ontwikkelingen
3.
Het pakket aan gemeentelijke heffingen
10
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8
Onroerendezaakbelastingen Afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Rioolheffing Leges Begrafenisrechten Opbrengst leges en belastingen Lokale lastendruk Overige heffingen
10 11 12 13 14 14 14 15
4.
Heffing en invordering van gemeentelijke heffingen
19
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Wijze van heffing Betaling van een aanslag (Dwang) invordering Betalingsregeling / Uitstel van betaling Oninbaar verklaren Kwijtschelding
19 19 20 20 20 21
Nota Lokale Heffingen 2016
8 8
2
1.
Inleiding
1.1 Aanleiding Artikel 212 van de Gemeentewet verplicht gemeenten tot het opstellen van regels op het gebied van beleid, beheer en inrichting van de financiële organisatie. Voor de gemeente Midden-Delfland zijn deze vastgelegd in de ‘Financiële verordening gemeente Midden-Delfland 2015’. In deze verordening is onder andere geregeld dat het college eenmaal in de vier jaar een Nota Lokale Heffingen (verder nota) aanbiedt aan de gemeenteraad. 1.2 Doelstelling Het doel van de nota is om een actueel overzicht van en de stand van zaken rondom de gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten te geven. In de ‘Financiële verordening gemeente Midden-Delfland 2015’ is opgenomen dat de nota in ieder geval behandelt: De samenstelling van het pakket aan gemeentelijke belastingen en heffingen De kostendekkendheid van de heffingen De druk van de lokale belastingen en heffingen Het kwijtscheldingsbeleid en het tarievenbeleid De nota bevat verder een overzicht van de wet- en regelgeving omtrent de lokale heffingen en van de uitvoering rondom de heffing en invordering van de lokale heffingen. Daarbij wordt ook ingegaan op de lokale lastendruk, inkomsten en uitgaven (mate van kostendekkendheid), kwijtschelding en de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Voor deze nota is de begroting 2016 als uitgangspunt genomen omdat deze de meest recente gegevens bevat.
De afspraken uit het coalitieakkoord en het collegewerkprogramma 2014-2018 zijn in de nota verwerkt. Naast de nota wordt u elk jaar via de paragraaf lokale heffingen in de begroting en de jaarrekening geïnformeerd over de meest actuele ontwikkelingen. 1.3 Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de wet- en regelgeving rondom de gemeentelijke heffingen, gevolgd door een toelichting op deze heffingen in hoofdstuk 3. Tot slot wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de wijze van heffen en invorderen.
Nota Lokale Heffingen 2016
3
2.
Wet- en regelgeving lokale heffingen
2.1 Wettelijke kader Het gemeentelijk belastinggebied is begrensd. In de Grondwet is opgenomen dat de wet bepaalt welke belastingen door een gemeente kunnen worden geheven. Deze wet is de Gemeentewet. In hoofdstuk XV van deze wet zijn de bepalingen over gemeentelijke belastingen opgenomen. Gemeenten zijn niet verplicht om van (al) hun heffingsmogelijkheden gebruik te maken. De belangrijkste wettelijke beperkingen betreffen het aantal belastingen en rechten dat door de gemeente mag worden geheven, en het verbod op heffen naar draagkracht. Het te betalen bedrag van een gemeentelijke heffing mag niet afhankelijk worden gesteld van inkomen, winst of vermogen. Dit wil zeggen dat het voor gemeenten niet is toegestaan om door middel van belastingverordeningen inkomenspolitiek uit te voeren. Bij de rechten die worden geheven, mag (met uitzondering van de vermakelijkhedenretributie) geen winst worden gemaakt. Een kostendekkendheid van maximaal 100% is het uitgangspunt van de wettelijke regeling. Verder is in de Gemeentewet opgenomen dat voor de heffing en invordering van de gemeentelijke heffingen de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 (IW) van toepassing zijn. Naast wet- en regelgeving zijn ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van belang bij de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen.
De belangrijkste beginselen van behoorlijk bestuur zijn: het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod op “détournement de pouvoir” (gebruik maken van een bevoegdheid voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven), het evenredigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Op grond van de Gemeentewet kan een gemeente de volgende belastingen en rechten heffen: onroerendezaakbelastingen (artikel 220); belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten (artikel 221); baatbelasting (artikel 222); forensenbelasting (artikel 223); toeristenbelasting (artikel 224); parkeerbelastingen (artikel 225); hondenbelasting (artikel 226); reclamebelasting (artikel 227); precariobelasting (artikel 228); rioolheffing (artikel 228a); rechten, waaronder leges en begrafenisrechten (artikel 229); Op grond van de Wet Milieubeheer en de Wet op de Bedrijveninvesteringzones kunnen geheven worden: afvalstoffenheffing en reinigingsrechten (artikel 15.33 Wet Milieubeheer, artikel 219 en 229 Gemw.); BIZ-bijdrage (artikel 1 Wet op de Bedrijveninvesteringszones , artikel 219 Gemw.).
Nota Lokale Heffingen 2016
4
2.2 Bevoegdheden In de algemene bepalingen van de Gemeentewet is opgenomen dat de gemeenteraad besluit tot invoeren, wijzigen of afschaffen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een heffingsverordening. Wanneer de gemeenteraad besluit om een belasting te gaan heffen dan zal zij hiervoor een heffingsverordening moeten vaststellen. De raad heeft daarnaast de bevoegdheid om het vaststellen van de verordeningen betreffende de afvalstoffenheffing, de parkeerbelastingen, de precariobelasting en rechten over te dragen aan het college. In Midden-Delfland wordt van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt. Wel heeft de raad in november 2010 besloten tot een beperkte overdracht van de bevoegdheid aan het college tot het vaststellen van de legesverordening. Het college is bevoegd tot wijziging van de legesverordening als er sprake is van: 1. een zuiver redactionele wijziging of 2. als rijksregelgeving wijzigt a. waarvan de implementatieperiode na bekendmaking in het Staatsblad of de Staatscourant korter is dan drie maanden, b. én die tariefbepalingen betreft waarbij een rijkskostendeel onderdeel uitmaakt van het tarief of waarvoor krachtens een wet een (maximum)tarief is gesteld, c. én de raad zelf al niet rekening heeft gehouden met deze wijzigingen.
U kunt hier bijvoorbeeld denken aan de maximumtarieven voor reisdocumenten die officieel bekend worden gemaakt in december, terwijl de gemeenteraad de legesverordening heeft vastgesteld in november. Het college is dan bevoegd om deze tariefswijzigingen vast te stellen. De uitvoering van de (heffings-)verordeningen is een taak van het college. In de Gemeentewet is geregeld dat de uitvoering van de heffing en invordering van belastingen ligt bij de door het college aangestelde gemeenteambtenaar. Voor het heffen (het opleggen van aanslagen) wordt een heffingsambtenaar aangesteld en voor de invordering van de belastingen een invorderingsambtenaar. Het college heeft hiertoe in mei 2008 de coördinator / beleidsmedewerker WOZ-belastingen aangewezen als heffingsambtenaar en de medewerker WOZ / belastingen B als invorderingsambtenaar. Daarnaast zijn medewerkers aangewezen als gemeenteambtenaren, belast met de heffing of invordering van gemeentelijke belastingen volgens de bepalingen van de Gemeentewet. 2.3 Lokale heffingen De lokale heffingen kunnen in drie categorieën worden verdeeld: Belastingen Belastingen zijn limitatief opgesomd in de Gemeentewet. Tegenover een belasting hoeft geen rechtstreekse individuele tegenprestatie van de overheid te staan. Belastingen zijn onder andere de onroerendezaakbelastingen (OZB), hondenbelasting en toeristenbelasting.
De opbrengst van belastingen gaat naar de algemene middelen van de gemeente. Deze opbrengst is dus vrij aanwendbaar door de gemeente. Bestemmingsheffingen Bestemmingsheffingen zijn belastingen die dienen ter bestrijding van specifieke kosten. Er is een verband tussen de heffing en het profijt voor de groep belastingplichtigen. Er hoeft bij de bestemmingsheffing geen concreet bewezen dienst tegenover de heffing te staan. De geraamde opbrengsten van deze heffingen mogen niet hoger zijn dan de geraamde kosten. Voorbeelden hiervan zijn de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. Rechten (of retributies) Een recht is een betaling die de gemeente krachtens algemene regels vordert ter zake van een concreet bewezen dienst. De geraamde opbrengst mag niet uitgaan boven de geraamde kosten en de opbrengst mag uitsluitend gebruikt worden voor het doel waarvoor de rechten zijn ingesteld. Uit artikel 229b van de Gemeentewet blijkt dat de tarieven van rechten zodanig moeten worden vastgesteld dat de baten niet uitgaan boven de lasten. Het gaat hier om de Nota Lokale Heffingen 2016
5
geraamde opbrengsten en de geraamde kosten. Dit betekent dat voor het beoordelen van de kostendekkendheid dient te worden uitgegaan van gegevens uit de begroting en niet uit de jaarrekening. In hoofdstuk 2 zal bij de heffingen waarop dit van toepassing is, de kostendekkendheid worden toegelicht. In Midden-Delfland heeft de gemeenteraad de volgende heffingsverordeningen vastgesteld: Verordening onroerendezaakbelastingen 2016, vastgesteld op 10 november 2015. Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2015, vastgesteld op 11 november 2014. Verordening rioolheffing 2015, vastgesteld op 11 november 2014. Legesverordening 2016, vastgesteld op 10 november 2015. Verordening begrafenisrechten 2016, vastgesteld op 10 november 2015. Voor de verordeningen rioolheffing en afvalstoffenheffing en reinigingsrechten zijn er voor 2016 geen wijzigingen ten opzichte van 2015. Deze verordeningen gelden ook voor het belastingjaar 2016. 2.4 Wet Waardering Onroerende Zaken (Wet WOZ) Op basis van de Wet WOZ bepaalt de gemeente jaarlijks de waarde van de onroerende zaken binnen haar gebied. De Wet WOZ stelt regels voor deze waardebepaling. Eén van de belangrijkste uitgangspunten is dat gegevens continu en goed worden geregistreerd, zodat de juiste waarde in het economisch verkeer kan worden bepaald. De uitvoering van de Wet WOZ is een taak van het college.
In de Wet WOZ is geregeld dat de uitvoering bij de door het college aangestelde gemeenteambtenaar ligt. Het college heeft hiertoe in mei 2008 de coördinator / beleidsmedewerker WOZ-belastingen aangewezen. De werkzaamheden worden deels in eigen beheer uitgevoerd en deels uitbesteed aan een taxatiebureau. De eindverantwoordelijkheid en de regie blijft ook voor deze werkzaamheden bij de gemeente. Om te controleren of de gemeente de regels van de Wet WOZ en de daarvoor noodzakelijke werkzaamheden correct uitvoert, is de Waarderingskamer ingesteld. Deze instantie voert bij gemeenten verschillende onderzoeken en inspecties uit. In rapporten informeert zij het college over de resultaten van de onderzoeken en doet zonodig aanbeveling tot verbetering. Op basis van de onderzoeken beoordeelt de Waarderingskamer of de gemeente aan het begin van het jaar de nieuwe WOZ-waarden bekend mag maken. Deze informatie, evenals de toezichtresultaten, worden door de Waarderingskamer op hun website bekendgemaakt (www.waarderingskamer.nl) en zijn voor iedereen toegankelijk. Sinds 2010 wordt de uitvoering van de Wet WOZ in de gemeente Midden-Delfland als goed beoordeeld. Binnen de oordeelscategorieën is dit de hoogste waardering voor een gemeente.
De kwalificatie ‘goed’ is van toepassing op een gemeente die WOZ-taxaties van goede kwaliteit levert en daarnaast op alle onderdelen van het WOZ-werkproces voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. Ook heeft de gemeente voldoende maatregelen getroffen voor adequate aansturing en kwaliteitsbeheersing van de werkzaamheden. In april 2015 heeft de Waarderingskamer de meest recente inspectie ter plaatse uitgevoerd. Naast het feit dat zij aangeeft dat de uitvoering van de Wet WOZ goed verloopt, complimenteert zij ook het college met de wijze waarop de Wet WOZ wordt uitgevoerd. De gemeente levert de WOZ-waarden aan de Belastingdienst, het Waterschap en via het CBS aan het Ministerie van Financiën. De Belastingdienst gebruikt de waarde voor het bepalen van het eigenwoningforfait voor de inkomstenbelasting. Ook voor de Successiewet en de Wet op de vennootschapsbelasting wordt de WOZ-waarde gebruikt. Het Hoogheemraadschap van Delfland gebruikt de waarde voor het heffen van de watersysteemheffing. Het Ministerie van Financiën gebruikt de waardegegevens om de belastingcapaciteit van de Nota Lokale Heffingen 2016
6
gemeente te kunnen vaststellen en daarmee de korting op de Algemene Uitkering uit het Gemeentefonds. Er bestaat dus een relatie tussen de WOZ en de algemene uitkering. De algemene uitkering wordt over de gemeenten verdeeld door verdeelmaatstaven die verschillen in kosten weergeven, maar ook verschillen in belastingcapaciteit. De belastingcapaciteit is een afgeleide van de waarde van de onroerende zaken. Gemeenten met hoog gewaardeerd onroerend goed ontvangen een lagere algemene uitkering dan vergelijkbare gemeenten met minder waardevol onroerend goed. Ook de gemeente zelf gebruikt de waarde, namelijk om de heffingsgrondslag voor de OZB te kunnen bepalen. Basisregistratie WOZ Basisregistraties bevatten gegevens van burgers, bedrijven en instellingen die intensief door overheidsorganisaties gebruikt worden. Het zijn registraties waarin de kwaliteit van de gegevens wordt gewaarborgd. Kenmerk van het stelsel is dat alle registraties op elkaar aansluiten. De WOZ-waarde is sinds januari 2009 opgenomen in het stelsel van basisregistraties, de basisregistratie WOZ. In de Basisregistratie WOZ vormen de WOZ-waarde en de daarmee samenhangende gegevens, zoals het WOZ-object en de belanghebbende, de basis van de registratie. Bij een basisregistratie hoort dat de gegevenslevering aan geautoriseerde afnemers van het waardegegeven wordt gemoderniseerd.
Van de periodieke uitwisseling van bestanden wordt overgestapt op berichtenverkeer. Dit berichtenverkeer gaat lopen via de zogenoemde Landelijke Voorziening WOZ (LV WOZ). Op dit moment zijn gemeenten, waaronder ook de gemeente MiddenDelfland, bezig om aan te sluiten op de LV WOZ. De planning is gericht op aansluiting voor 1 oktober 2016. Per deze datum worden namelijk de WOZ-waarden van de woningen openbaar. De LV WOZ wordt ook gebruikt om het Loket voor openbare WOZ-waarden van woningen te vullen. Ook de volgende basisregistraties zijn van belang: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) De BAG is een registratie waarin gemeentelijke basisgegevens over alle gebouwen en adressen in Nederland zijn verzameld. Het Kadaster beheert de Landelijke Voorziening BAG en stelt de gegevens beschikbaar aan overheden, bedrijven, instellingen en burgers. De WOZ-gegevens zijn gebruikt om het BAG-bestand op te bouwen. Na de aansluiting is het belangrijk dat de relatie tussen de BAG en WOZ-gegevens behouden blijft, de zogenoemde BAG-WOZ koppeling. Een van de voordelen van op elkaar afgestemde BAG- en WOZ-registraties en BAG- en WOZwerkprocessen is de positieve invloed op de kwaliteit van de objectkenmerken.
Niet alleen de WOZ-processen (bijvoorbeeld marktanalyse en bezwaarbehandeling) leiden tot signalen over mogelijke onjuistheden in de geregistreerde gegevens, maar ook terugmeldingen door andere gebruikers helpen daarbij. Basisregistratie Kadaster (BRK) De BRK bevat informatie over percelen, eigendom, hypotheken, beperkte rechten (zoals recht van erfpacht, opstal en vruchtgebruik) en leidingnetwerken. Daarnaast staan er kadastrale kaarten in met perceel, perceelnummer, oppervlakte, kadastrale grens en de grenzen van het rijk, de provincies en gemeenten. Tot 1 januari 2016 ontving de gemeente de kadastrale mutaties in de vorm van een maandelijks bestand (Massale Output AKR: MO). Net als bij de andere basisregistraties past het werken met maandelijkse mutatiebestanden niet meer in het concept van actuele, gekoppelde basisregistraties. Het Kadaster levert daarom nog uitsluitend in de vorm van mutatieberichten. Dit wordt de BRK-levering genoemd. Op dit moment wordt de gemeentelijke software aangepast voor de BRK-levering.
Nota Lokale Heffingen 2016
7
Basisregistratie Personen (BRP) De BRP bevat de persoonsgegevens over alle ingezetenen van Nederland en over personen die niet in Nederland wonen (of hier slechts kort verblijven), maar die wel een relatie hebben met de Nederlandse overheid, de ‘niet-ingezetenen’. Basisregistratie Handelsregister (HR) In het Handelsregister registreert de Kamer van Koophandel de gegevens van ondernemingen en rechtspersonen. Ook andere organisatie die deelnemen aan het economisch verkeer staan in dit register.
2.5 Coalitieakkoord 2014 – 2018 ‘De gemeente dichtbij’ Het coalitieakkoord 2014 – 2018 ‘De gemeente dichtbij’ kent als onderdeel ’Inkomsten en uitgaven’. Hierin wordt over de gemeentelijke heffingen het volgende genoemd. Er worden geen nieuwe belastingsoorten ingevoerd, de rioolheffing en de afvalstoffenheffing zijn en blijven kostendekkend, en diensten die de gemeente aan burgers verleent zijn in beginsel kostendekkend. Ook heeft de coalitie aangegeven dat zij met voorstellen komt om tot een andere bepaling van de OZB te komen. De komende jaren laten zij de OZB, behalve met een correctie voor inflatie, niet of slechts beperkt stijgen. Daarnaast staat in het onderdeel ‘Heffingen en belastingen’ in het collegewerkprogamma MiddenDelfland 2014 – 2018’ geschreven dat als uitgangspunt geldt dat de tarieven en heffingen kostendekkend zijn. Voor stijgingen van belastingen geldt als uitgangspunt verhoging met inflatiepercentage. Het college geeft verder aan dat zij de mogelijkheid van een wijziging voor het bepalen van de aanslag OZB gaat onderzoeken. 2.6 Verbinden en verbeteren: gemeente Midden-Delfland in de netwerksamenleving De missie van de gemeente Midden-Delfland uit 2006, zoals opgenomen in de Strategische Visie, is om een professionele en extern georiënteerde organisatie te zijn.
Door ontwikkelingen in de samenleving heeft het college in december 2015 besloten om de externe oriëntatie anders in te vullen. Hoe zij dit wil doen staat beschreven in de nota ‘Verbinden en verbeteren: gemeente Midden-Delfland in de netwerksamenleving’. Het team belastingen is voornamelijk extern gericht, de ‘ klanten’ bestaan grotendeels uit belastingplichtigen. Er wordt actief en met korte lijnen gecommuniceerd met de klant, waarbij zowel het belang van de klant als van de organisatie niet uit het oog wordt verloren. Alhoewel de uitvoering van het takenpakket van belastingen door onder meer de wetgeving en de aard van de werkzaamheden vrij strikt is begrensd, heeft het team belastingen tot nu toe zoveel mogelijk met hetgeen in de strategische visie is genoemd gewerkt. Vooruitlopend op en naast de organisatieontwikkeling is het team ook zelf actief in het zoeken naar andere, minder formele, omgangsvormen met de belastingplichtige, zonder daarbij de regelgeving uit het oog te verliezen. Vanuit diverse kanten (bijvoorbeeld de VNG, Waarderingskamer, reacties van belastingplichtigen, maar ook de lunchbijeenkomst over de verdraaide organisatie) wordt binnen het team hierover gecommuniceerd. Al een aantal jaar zet het team in op informele contacten met de burger.
Zo vragen zij om na ontvangst van een aanslag of beschikking eerst contact op te nemen in plaats van gelijk bezwaar te maken. Vaak is een bezwaar dan niet nodig, omdat een goede uitleg gegeven wordt of omdat de aanslag/beschikking gelijk gecorrigeerd wordt. Waar het team wel alert op is, is dat de belastingplichtige hierbij niet beperkt wordt in zijn rechtsmogelijkheden. Daarnaast is in 2015 een start gemaakt met het opnemen van praktisch elk object waarvoor bezwaar is gemaakt. Tijdens de opname geeft de taxateur gelijk uitleg over de taxatie. Voor degene die gehoord wilde worden, heeft de hoorzitting gelijktijdig met de opname plaatsgevonden (bij de bezwaarmaker thuis). Over het algemeen is deze actie positief ontvangen. 2.7 Laatste ontwikkelingen Herziening belastingstelsel Na het verschijnen van het rapport ‘Taakgericht Heffen’ in maart 2010 bleef het in de landelijke politiek tot 2014 stil rond het lokale heffingsgebied. De toenmalig staatssecretaris van Nota Lokale Heffingen 2016
8
Binnenlandse Zaken wilde de uitkomsten van het rapport leidend laten zijn bij eventuele aanpassingen van het decentrale belastingstelsel. In september 2014 heeft de staatssecretaris van Financiën Eric Wiebes de Tweede Kamer geïnformeerd over de ambities die het kabinet heeft met een herziening van het belastingstelsel. Het kabinet beoogt met de stelselherziening een aantal doelen: een minder complex stelsel en de werkgelegenheid en de economische groei bevorderen. Als één van de keuzes om de doelen te bereiken noemt de staatssecretaris de uitbreiding van het gemeentelijk belastinggebied. Bij de grotere rol die gemeenten na de drie decentralisaties spelen past meer ruimte om zelf belastingen te heffen. Een verruiming van het decentrale belastinggebied komt ook tegemoet aan een reeks van aanbevelingen op dit terrein (commissie Eenhoorn: advies stuurgroep verkenning decentraal belastinggebied, OESO territorial reviews: Netherlands, CPB, vervolgrapportage decentralisaties in het sociale domein). Wanneer gemeenten meer eigen inkomsten hebben is een lagere uitkering uit het gemeentefonds mogelijk. Het Rijk krijgt hierdoor ruimte om de belasting op arbeid verder te verlagen. Ook zoekt het kabinet naar een model met een evenwichtige verdeling van de lasten en een geloofwaardige, democratische verankering van gemeentelijk kostenbewustzijn.
Nadat op 18 november 2015 de Tweede Kamer heeft ingestemd met het wetsvoorstel Belastingplan 2016, heeft ook de Eerste Kamer op 22 december 2015 met het voorstel ingestemd. De wet is ingegaan op 1 januari 2016. Het Belastingplan 2016 staat in teken van belastingverlaging. De lasten op arbeid worden verminderd. Daarnaast zal het kabinet een aantal aanvullende maatregelen nemen. Eén van deze maatregelen heeft betrekking op de verruiming van het gemeentelijk belastinggebied. Hierover geeft het kabinet aan dat zij voor de zomer van 2016 komt met een voorstel om vanaf 2019 een verschuiving van de inkomstenbelasting naar het gemeentelijke belastinggebied te realiseren van € 4 miljard. Kernpunten van het voorstel zijn de verruiming van het gemeentelijke belastinggebied en een gelijktijdige verlaging van de inkomstenbelasting, zoals geadviseerd door de Commissie Rinnooy Kan (‘Bepalen betekent betalen’). Dit wordt op zodanige wijze vorm gegeven dat deze maximaal koopkrachtneutraal uitpakt voor burgers, de inkomensverdeling zoveel mogelijk intact laat en tegelijkertijd leidt tot minimaal 15.000 tot 20.000 extra banen.
Randvoorwaarden bij deze verschuiving tussen inkomstenbelasting en gemeentelijke belastingen zijn dat gemeenten geen inkomenspolitiek gaan bedrijven, dat voorkomen wordt dat lasten eenzijdig afgewenteld worden op specifieke groepen, dat het stelsel goed uitvoerbaar is en de totale lastendruk (Rijk plus lokale overheden) gelijk blijft. Ook de wijze van heffen wordt hierbij betrokken. Onderdeel van het ontwerp kan zijn dat een aantal kleine gemeentelijke belastingen wordt afgeschaft.
Nota Lokale Heffingen 2016
9
3.
Het pakket aan gemeentelijke heffingen
3.1 Onroerendezaakbelastingen Algemeen Op grond van artikel 220 van de Gemeentewet kunnen gemeenten onroerendezaakbelastingen (OZB) heffen. De OZB is een zogenaamde algemene belasting, er is geen relatie tussen de heffing en een bepaalde taak of verleende dienst van de gemeente. De opbrengsten van de OZB komen ten goede aan de algemene middelen. De OZB bestaan uit twee belastingen: een eigenarenbelasting en een gebruikersbelasting. Eigenarenbelasting Deze belasting wordt in beginsel opgelegd aan degene die bij het begin van het kalenderjaar (1 januari) van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. Gebruikersbelasting De gebruikersbelasting wordt opgelegd aan degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt. Hierbij hoeft echter geen sprake te zijn van feitelijk gebruik. Het ter beschikking houden van een onroerende zaak levert ook al gebruik op. Ook in het geval van het laten bouwen van een onroerende zaak is sprake van gebruik. De gegevens voor het gebruik van een zogenoemde niet-woning worden verkregen via de eigenaar of via inschrijving in de Kamer van Koophandel. De OZB zijn tijdstipbelastingen.
Dit betekent dat voor het bepalen van de belastingplicht de situatie op 1 januari van een belastingjaar geldt. Veranderingen in deze situatie, zoals de verkoop van een onroerende zaak of een verhuizing, hebben geen invloed op de belastingheffing. Andersom betekent dit ook dat voor een onroerende zaak die na 1 januari wordt gekocht of in gebruik wordt genomen, pas met ingang van het volgend jaar OZB betaald hoeft te worden. Berekening van de aanslagen OZB De aanslagen OZB worden berekend naar de heffingsgrondslag. Dit is de WOZ-waarde van de onroerende zaak. Voor niet-woningen gelden bepaalde vrijstellingen, zoals kassen en ondergrond kassen die wel in de WOZ-waarde worden betrokken, maar waarover geen OZB mag worden geheven. Vandaar dat voor de berekening van de OZB wordt gesproken over een heffingsgrondslag. Per 1 januari 2009 is het tarief voor de OZB een percentage van de heffingsgrondslag. Tarieven De afgelopen jaren werd in de meerjarenbegroting voor de OZB gerekend met een opbrengststijging gelijk aan het (geraamde) inflatiepercentage. Door een amendement heeft de gemeenteraad in juni 2015 besloten om de systematiek van de berekening voor de OZB met ingang van 2016 te wijzigen. Voorwaarde hierbij was dat de macro lastendruk (exclusief areaalontwikkeling) voor 2016 gelijk blijft ten opzichte van 2015.
Voor de jaren daarna, in ieder geval tot 2019, zal de OZB de marktontwikkeling volgen. Gevolg van dit besluit is dat de jaarlijkse opbrengst in de begroting fluctueert en niet goed te prognosticeren is. Bij een waardedaling daalt de opbrengst van de OZB, terwijl deze bij een waardestijging stijgt. De mate van fluctuatie is afhankelijk van de waardeontwikkeling. Voor de woningen is nu een voorzichtige stijging van de waarden te zien, maar in welke mate deze stijging zich voortzet is moeilijk te voorspellen. Voor de meerjarenbegroting 2016 – 2019 wordt daarom gerekend met een jaarlijkse opbrengstfluctuatie gelijk aan de marktontwikkeling voor 2016. Deze aanpassing van de begrote OZB-opbrengst is bedoeld om een toch enigszins evenwichtig begrotingsbeeld te realiseren.
Nota Lokale Heffingen 2016
10
In onderstaande tabel staan de tarieven voor 2016 tot en met 2019 weergegeven. De geraamde opbrengsten vindt u terug in paragraaf 3.6. Tarieven OZB
2012 – 2019
tarief eigenaren woningen
0,1205%
tarief eigenaren niet-woningen
0,2267%
tarief gebruikers niet-woningen
0,1627%
Macronorm OZB De limitering van de OZB-tarieven is sinds 2008 afgeschaft. Het Kabinet heeft toen wel het voorbehoud gemaakt dat de opbrengststijging voor de OZB landelijk bezien beperkt moet blijven. Hiertoe is er een macronorm ingesteld. Deze norm bestaat uit twee componenten: de reële trendmatige groei van het BBP en de prijsontwikkeling van de nationale bestedingen ( op basis van het centraal economisch plan 2015). De norm geeft aan met hoeveel procent landelijk (macro) de OZB-opbrengst jaarlijks mag stijgen. Voor 2016 zijn deze percentages respectievelijk 1,5% en 1,2%. Overschrijding van de macronorm heeft geen directe consequenties gehad. Wel wordt een overschrijding in het afgelopen jaar in mindering gebracht op de macronorm van het komend jaar. Voor 2016 is de norm vastgesteld op 1,57% (2,7% minus de overschrijding van 2015). Uit onderzoek blijkt dat de norm geen effectief beheersinstrument is. In afwachting van een eventuele verruiming van het gemeentelijke belastinggebied, is nu afgesproken in het Bestuurlijk overleg financiële verhouding (Bofv) om de macronorm ook voor 2016 nog te hanteren. Daarnaast is ook afgesproken dat gemeenten een gemeentelijk belastingplan opstellen, waarin op een transparante wijze de onderbouwing en de jaarlijkse mutaties van de gemeentelijke belastingen wordt opgenomen.
Dit is in lijn met de voorgenomen wijzigingen van het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten (BBV) per 1 januari 2017 op dit punt. 3.2 Afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Algemeen Op grond van de Wet Milieubeheer heeft de gemeente de plicht ervoor zorg te dragen dat de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij percelen waar deze kunnen ontstaan. Op grond van artikel 15.33 van de Wet Milieubeheer kan de gemeente een heffing instellen om de inzameling van de huishoudelijke afvalstoffen te bekostigen. Deze heffing wordt geheven van de gebruiker van een perceel waarvoor de gemeente een plicht tot inzameling heeft. Of er daadwerkelijk afvalstoffen worden aangeboden is niet van belang. Berekening van de aanslagen afvalstoffenheffing De grondslag van deze heffing is niet wettelijk vastgesteld en binnen de grenzen van redelijkheid is de gemeente vrij deze grondslag te bepalen. Voorbeelden hiervan zijn: bedrag per perceel bedrag per perceel met een tariefsdifferentiatie naar het aantal personen per huishouden bedrag per hoeveelheid aangeboden afval. U kunt hierbij denken aan het zogenaamde Diftar, waarbij per huishouden wordt geregistreerd hoeveel afval aangeboden wordt. Hoe meer afval een burger aanbiedt, hoe hoger de afvalstoffenheffing zal zijn.
In Midden-Delfland is de heffingsgrondslag een bedrag per perceel met een tariefsdifferentiatie naar het aantal personen per huishouden. De belastingplichtige is de gebruiker van dit perceel. Voor beide huishoudens is er een ander tarief, met deze tariefsdifferentiatie wordt een eerlijke verdeling van de kosten bereikt. Vanuit de BRP worden de gegevens verkregen over de samenstelling van een huishouden. Door vastgesteld beleid op grond van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen Midden-Delfland 2010 kunnen, naast de standaardcontainers (1 minicontainer restafval en 1 minicontainer groente-, Nota Lokale Heffingen 2016
11
fruit- en tuinafval), ook extra containers beschikbaar worden gesteld. Hiertoe zijn tarieven opgenomen in de Verordening Afvalstoffenheffing. Eén extra container groente-, fruit- en tuinafval zal gratis ter beschikking worden gesteld. Reden hiervoor is dat door het bewust scheiden van afval een positieve bijdrage aan het milieu geleverd wordt. Voorwaarde is wel dat de Bijzonder Opsporings-ambtenaar (BOA) adviseert over gebleken noodzakelijkheid. De afvalstoffenheffing is een zogenoemde tijdvakheffing. Dit betekent dat een aanslag afvalstoffenheffing per jaar wordt opgelegd. Indien in de loop van het belastingjaar de belastingplicht wijzigt, wordt de belastingplicht herberekend naar het aantal volle maanden waarvoor de afwijkende belastingplicht geldt. Door een aantal variabelen, waaronder een nieuw rekensysteem met Avalex, is nu nog niet duidelijk hoe de tarieven zich de komende jaren zullen ontwikkelen. Het uitgangspunt voor de komende jaren blijft een kostendekking van 100%. Voor 2016 bedraagt het tarief afvalstoffenheffing voor een eenpersoonshuishouden € 238,56. Voor een meerpersoonshuishouden is het tarief € 318,00. De geraamde opbrengsten op basis van deze tarieven vindt u terug in paragraaf 3.6. Reinigingsrecht Bedrijven en niet-commerciële instellingen (verenigingen, scholen) zijn zelf verantwoordelijk voor het afvoeren van bedrijfsafval.
In de gemeente Midden-Delfland kunnen de niet-commerciële instellingen hiervoor gebruik maken van de diensten van de gemeente. Omdat het hier niet gaat om huishoudelijk afval kan hier geen afvalstoffenheffing voor in rekening worden gebracht. In de verordening zijn daarom reinigingsrechten opgenomen. De tarieven zijn gelijk aan het tarief afvalstoffenheffing meerpersoonshuishouden. Kostendekkendheid Vanwege het karakter van de afvalstoffenheffing als bestemmingsheffing mag er op deze heffing geen kostendekking groter dan 100% zijn. Het uitgangspunt in de gemeente Midden-Delfland is om de kosten van de afvalinzameling voor 100% te dekken door de opbrengst van de afvalstoffenheffing. In de paragraaf lokale heffingen bij de meerjarenbegroting 2016-2019 staat een overzicht over het verloop van de egalisatiereserve. 3.3 Rioolheffing Algemeen Het heffen van rioolheffing is mogelijk op basis van artikel 228a van de Gemeentewet. Met de invoering in 2008 van de Wet gemeentelijke watertaken heeft de gemeente naast de zorgplicht voor het afvoeren van huishoudelijk afvalwater en regenwater ook de zorgplicht voor het grondwater. Daarmee is ook de mogelijkheid ontstaan om de kosten die verbonden zijn aan de taken die voortvloeien uit de Wet gemeentelijke watertaken, toe te rekenen aan de rioolheffing.
De wijziging in wetgeving heeft ertoe geleid dat de rioolrechten in 2010 vervangen zijn door een rioolheffing. Elke gemeente is verplicht om een Verbreed Gemeentelijk Riolerings Plan (vGRP) vast te stellen. In een GRP staan onder meer de kosten vermeld die gemaakt worden voor de instandhouding van het gemeentelijke rioolstelsel. In 2016 zal een nieuw vGRP voor Midden-Delfland vastgesteld. Berekening van de aanslagen rioolheffing Bij de rioolheffing zijn verschillende grondslagen mogelijk, bijvoorbeeld een vast bedrag per perceel of per m³ afgevoerd afvalwater. Ook de WOZ-waarde is volgens jurisprudentie toegestaan als grondslag. De gemeente Midden-Delfland kent een rioolheffing met als grondslag een vast bedrag per perceel. De belastingplichtige is de gebruiker van een perceel. Nota Lokale Heffingen 2016
12
Net als de afvalstoffenheffing is ook de rioolheffing een tijdvakheffing. Dit betekent dat een aanslag afvalstoffenheffing per jaar wordt opgelegd. Indien in de loop van het belastingjaar de belastingplicht wijzigt, wordt de belastingplicht herberekend naar het aantal volle maanden waarvoor de afwijkende belastingplicht geldt. Voor 2016 bedraagt het tarief voor de rioolheffing € 274,20. Door een aantal variabelen, waaronder het nieuwe vGRP, is nu nog niet duidelijk hoe het tarief zich de komende jaren zal ontwikkelen. De geraamde opbrengsten, gebaseerd op het tarief voor 2016, vindt u terug in paragraaf 3.6. Kostendekkendheid Uit de opbrengsten van deze heffing worden de lasten van het rioolstelsel bekostigd. Vanwege het karakter van de rioolheffing als bestemmingsheffing mag er op deze heffing geen kostendekking groter dan 100% zijn. In de paragraaf lokale heffingen bij de meerjarenbegroting 2016-2019 staat een overzicht over het verloop van de egalisatiereserve. 3.4 Leges Algemeen De mogelijkheid tot het heffen van leges is geregeld in artikel 229, lid 1, b van de Gemeentewet . De leges vallen onder de categorie rechten. Leges worden geheven voor het door de gemeente verlenen van diensten, zoals het verstrekken van een paspoort of het verlenen van een vergunning.
De naam ‘leges’ komt als zodanig niet voor in de Gemeentewet, in de wet is sprake van rechten voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Degene die de dienst aanvraagt betaalt ook. De heffingsmaatstaf is afhankelijk van de soort dienst en wordt vermeld in de tarieventabel die bij de legesverordening hoort. Tarieven Over het algemeen hebben gemeenten veel vrijheid bij het heffen van rechten. Zo kan bij afwezigheid van nadere wettelijke voorschriften in principe de gemeente zelf een aantal keuzes maken bij de inrichting van de legesverordeningen en bijbehorende tarieventabellen. Te denken valt aan de keuze van de heffingsmaatstaven, de tarieven en de vrijstellingen. Een opsomming van de diensten waarvoor in de legesverordening een vergoeding wordt gevraagd, voert in het kader van deze nota te ver, daarvoor verwijzen wij u naar de legesverordening. De diensten en bijbehorende tarieven zijn opgenomen in de tarieventabel behorende bij deze legesverordening. Uitgangspunt bij het bepalen van de tarieven is hetgeen in het coalitieakkoord 2014 – 2018 ‘De gemeente dichtbij’ is opgenomen, namelijk dat diensten die de gemeente aan burgers verleent in beginsel kostendekkend zijn. Een overzicht van de geraamde opbrengsten vindt u terug in paragraaf 3.6.
Kostendekkendheid De wetgever heeft aan de gemeenten overgelaten, welke diensten in één (leges)verordening worden geregeld. Gezien de verscheidenheid in diensten, is het voor de wetgever niet mogelijk geweest daarvoor voorschriften te geven zonder te vervallen in zeer gedetailleerde regelgeving. Daarom heeft de wetgever beseft dat het onmogelijk is om te bepalen dat er per individuele dienstverlening evenwicht moet zijn tussen de geraamde baten en geraamde lasten. Dit heeft geleid tot de mogelijkheid van kruissubsidiëring (subsidiëring van onrendabele activiteiten met winst uit rendabele activiteiten) binnen de verordening. De wetgeving leert, dat de kostendekkendheid op het niveau van de verordening moet worden bepaald. Er kan en mag dus compensatie plaatsvinden tussen de verschillende diensten. In principe mogen de geheven leges niet meer dan kostendekkend zijn, maar dit geldt niet voor elk tarief afzonderlijk, waardoor kruissubsidiëring mogelijk wordt.
Nota Lokale Heffingen 2016
13
In februari 2015 heeft de Hoge Raad dit in uitspraak op beroep in cassatie nogmaals bevestigd. De Hoge Raad heeft toen geoordeeld dat de opbrengstennorm voor diensten waarvoor de gemeente leges heft, geldt voor alle diensten samen. 3.5 Begrafenisrechten Algemeen Op grond van artikel 229 van de Gemeentewet wordt een vergoeding gevraagd voor het gebruik van de begraafplaatsen en voor het door de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaatsen. Tarieven De tarieven zijn opgenomen in de tarieventabel behorende bij de ‘Verordening begrafenisrechten 2016’. Kostendekkendheid Voor de tarieven van de begrafenisrechten is ook artikel 229b van de Gemeentewet bepalend. De begrote opbrengsten mogen de begrote kosten niet overschrijden. Er kan dus maximaal sprake zijn van 100% dekking. Er mag door de gemeente geen winst worden gemaakt op deze rechten. 3.6 Opbrengst leges en belastingen In het volgende overzicht vindt u de geraamde inkomsten voor de komende jaren. Overzicht geraamde inkomsten
2016
2017
2018
2019
Burgerlijke stand
79.858
80.257
60.559
60.862
Rijbewijzen en reisdocumenten
312.899
340.129
341.830
180.539
Leges gehandicaptenparkeerkaarten
5.977
6.007
6.037
6.067
GBA
58.048
58.038
37.928
37.818
Leges vergunningen ligplaatsen
1.301
1.308
1.315
1.322
Algemene plaatselijke verordening
11.657
11.715
11.774
11.833
Bouwleges
680.164
577.756
638.479
599.870
Leges inz. Vergunningen/ontheffingen
12.314
12.375
12.437
12.499
474
476
478
480
Verhaal kosten welstandstoezicht
27.598
27.736
27.875
28.014
Monumenten
1.264
1.270
1.276
1.282
Bijzondere transporten
Volkshuisvesting
2.400
2.412
2.424
2.436
Afvalstoffenheffing
2.229.106
2.285.315
2.310.438
2.349.395
Rioolheffing
2.107.621
2.159.924
2.183.961
2.220.624
OZB
4.004.848
4.155.143
4.272.287
4.400.698
56.131
56.412
56.694
56.977
9.591.660
9.776.273
9.965.792
9.970.716
Begrafenisrechten Totaal
3.7 Lokale lastendruk Om een indruk te krijgen wat de lokale lastendruk is, wordt berekend wat de huishoudens aan gemeentelijke heffingen moeten betalen. De lokale lastendruk wordt bepaald aan de hand van de tarieven OZB, afvalstoffen- en rioolheffing en is gebaseerd op de door de gemeenteraad vastgestelde tarieven. Het Centrum voor Onderzoek van de Economie van Lagere Overheden (COELO) doet onderzoek naar de lokale lastendruk. Het COELO is een onafhankelijk onderzoeksinstituut verbonden aan de Faculteit der Economische Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen. Zij onderzoeken Nota Lokale Heffingen 2016
14
jaarlijks het niveau en ontwikkelingen van de lokale lasten (gemeenten, provincies en waterschappen) en nemen de resultaten hiervan op in de COELO-atlas van de lokale lasten. De hoogte van de woonlasten verschilt per gemeente. Voor het merendeel worden deze verschillen verklaard door de lokale autonomie en de gemiddelde woningwaarde per gemeente. In de ‘Paragraaf lokale heffingen’ wordt jaarlijks uitgebreid ingegaan op de hoogte van de lokale lastendruk in de gemeente Midden-Delfland en de vergelijking van die lastendruk met omliggende en vergelijkbare gemeenten. Deze paragraaf maakt deel uit van zowel de begroting als de jaarrekening. Voor de volledigheid vindt u hieronder een overzicht ‘Woonlastendruk 2015’ voor de omliggende gemeenten. Woonlastendruk 2015 Gemeente OZB tarief
MiddenDelfland Den Haag Rijswijk Delft Rotterdam Schiedam Vlaardingen Maassluis Westland Gemiddelde
Afvalstoffenheffing
Rioolheffing
Eigendom woning 0,1205%
Totale lastendruk bij WOZ-waarde € 250.000
€ 318,00
€ 274,00
€ 893,00
0,0687% 0,1215% 0,1438% 0,1313% 0,1330% 0,1535% 0,1442% 0,1291%
€ 288,00 € 317,00 € 328,00 € 360,00 € 323,00 € 291,00 € 282,00 € 214,00
€ 133,00 € 107,00 € 207,00 € 179,00 € 222,00 € 158,00 € 172,00 € 227,00
€ 592,00 € 727,00 € 894,00 € 867,00 € 877,00 € 832,00 € 814,00 € 763,00
0,1273%
€ 302,00
€ 164,00
€ 807,00
Gelet op de voorgaande vergelijking kan geconcludeerd worden dat de gemeente Midden-Delfland voor wat betreft de hoogte van de gemeentelijke heffingen een gemeente is met een bovengemiddelde lastendruk. Dit komt met name door de tarieven voor de rioolheffing. Door de lage bevolkingsdichtheid en het grote buitengebied van de gemeente Midden-Delfland zijn de kosten hoog en het aantal belastingplichtigen laag. Deze hoge tarieven voor de rioolheffing zijn ook een gevolg van de keuze van om voor deze heffing (en ook de afvalstoffenheffing) te kiezen voor het doorvoeren van kostendekkende tarieven. Voor wat betreft de afvalstoffenheffing zijn de tarieven in de gemeente Midden-Delfland in lijn met het gemiddelde in de provincie Zuid-Holland. De tarieven voor de OZB van de gemeente MiddenDelfland liggen onder dit gemiddelde. Overigens kent de gemeente Midden-Delfland een beperkt belastingpakket, zodat de inkomsten uit gemeentelijke heffingen goeddeels beperkt blijven tot de heffingen die in de onderzoeken naar de hoogte van de woonlasten worden betrokken. Ondanks het feit dat de gemeente Midden-Delfland geen hondenbelasting en dergelijke kent, bevinden de OZB-tarieven zich aan de onderkant van het gemiddelde. 3.8 Overige heffingen De gemeente Midden-Delfland heeft een klein heffingenpakket.
Naast de hiervoor beschreven heffingen bestaan ook de volgende heffingen: Belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Baatbelasting Forensenbelasting Toeristenbelasting (vermakelijkhedenretributie) Nota Lokale Heffingen 2016
15
Parkeerbelasting Hondenbelasting Precariobelasting Reclamebelasting Rechten (liggeld, brandweerrechten) BIZ-bijdrage
Omdat in het collegeprogramma is opgenomen dat geen andere belastingsoorten worden ingevoerd, zal hier volstaan worden met een beknopte toelichting per heffing. Belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Artikel 221 van de Gemeentewet geeft de gemeente de mogelijkheid tot invoering van een belasting over woon- en bedrijfsruimten die niet onroerend zijn. Deze belasting kan worden geheven over roerende woon- en bedrijfsruimten die duurzaam aan een plaats gebonden zijn en dienen voor permanente bewoning of gebruik. Slechts een beperkt aantal gemeenten heeft deze belasting ingevoerd. Net als bij de onroerendezaakbelastingen is bij deze belasting het gebruik van woonruimten ook van heffing uitgesloten. Voor wat betreft de belastingplichtige en de heffingsmaatstaf gelden dezelfde regels als bij de OZB. Als een gemeente deze belasting invoert geldt de eis dat de tarieven gelijk moeten zijn aan die van de OZB. De belasting van roerende woon- en bedrijfsruimten is vooral goed bruikbaar als er significante aantallen woonboten en stacaravans (die als roerende zaak worden geclassificeerd) in de gemeente aanwezig zijn. Baatbelasting Artikel 222 van de Gemeentewet geeft de gemeente de mogelijkheid tot het instellen van baatbelasting.
De gemeente kan baatbelasting heffen van onroerende zaken die gebaat zijn bij bepaalde gemeentelijke voorzieningen, bijvoorbeeld het aanleggen van riolering, het leggen van bestratingen etc. Als de gemeente een baatbelasting wil gaan heffen, dan moet vóórdat met de aanleg van de voorziening wordt begonnen een zogeheten bekostigingsbesluit worden genomen. Hierin wordt vastgelegd welk gebied bij de voorziening is gebaat en in welke mate de kosten zullen worden verhaald. In veel gevallen is het moeilijk aan te tonen dat een object bij de betreffende voorziening is gebaat. Ook het bepalen of een voorziening voor baatbelasting in aanmerking komt is niet even makkelijk. Er mag bijvoorbeeld geen sprake zijn van onderhoud. De jurisprudentie rond deze belasting is zeer uitgebreid en het risico op onverbindend verklaring is groot. Daarom wordt er in veel gevallen geprobeerd met de eigenaren van de gebate objecten tot privaatrechtelijke overeenkomsten te komen om de kosten te verhalen. Forensenbelasting De heffing van forensenbelasting is geregeld in artikel 223 van de Gemeentewet. De opbrengst is een algemeen dekkingsmiddel. Door het heffen van forensenbelasting heeft de gemeente de mogelijkheid om de kosten van gemeentelijke voorzieningen om te slaan over personen die niet in de gemeente wonen, maar wel gebruik maken van de voorzieningen.
Forensenbelasting wordt geheven van personen die langdurig in de gemeente verblijven zonder dat ze staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Deze personen houden voor meer dan 90 dagen van het belastingjaar een gemeubileerde woning voor zich of hun gezin beschikbaar. Toeristenbelasting Gemeenten kunnen op grond van artikel 224 van de Gemeentewet toeristenbelasting heffen ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zijn ingeschreven. Deze vorm van belasting lijkt veel op forensenbelasting en is gebaseerd op de profijtgedachte in ruime zin. Een gemeente Nota Lokale Heffingen 2016
16
maakt kosten voor voorzieningen die ook door niet-inwoners (toeristen en forensen) worden gebruikt, maar krijgt daarvoor geen vergoeding uit het Gemeentefonds. De opbrengst van de toeristenbelasting is niet bedoeld om de kosten van toeristische voorzieningen te dekken, maar komt ten gunste van de algemene middelen van de gemeente. Verblijf in toeristische attracties, zoals rondvaartboten en pretparken, valt niet onder de toeristenbelasting. Voor het verblijf in een inrichting tot het geven van vermaak kan wel een vermakelijkhedenretributie, op grond van artikel 229, lid 1, c van de Gemeentewet, worden geheven. Deze retributie valt onder de wetgeving voor de rechten, maar vormt daar een uitzondering. Een nadere toelichting hierop wordt gegeven onder het kopje ‘Rechten’. Parkeerbelasting Artikel 225 van de Gemeentewet geeft de gemeente de mogelijkheid in het kader van parkeerregulering over te gaan tot invoering van parkeerbelasting. Voor het parkeren van een voertuig op bepaalde plaatsen en/of tijden kan belasting worden geheven. Uit de wettekst wordt duidelijk dat parkeerbelastingen niet bedoeld zijn als inkomstenbron voor gemeenten, maar ter regulering van het parkeren. De belasting wordt geheven van degene die een voertuig heeft geparkeerd, degene die de belasting voldoet of wil voldoen, of van de houder van het voertuig.
Wanneer het gaat om een parkeervergunning is belastingplichtig degene die de vergunning heeft aangevraagd. Hondenbelasting Op grond van artikel 226 van de Gemeentewet kan van de houder van een hond hondenbelasting worden geheven. De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden. De hondenbelasting is in beginsel een algemene belasting waarvan de opbrengsten ten goede komen aan de algemene middelen. Bij de hondenbelasting zijn de perceptiekosten relatief hoog. Dit heeft als oorzaak dat over het algemeen de bereidwilligheid tot het doen van aangifte niet groot is. Daarom moet er veel gecontroleerd worden om de heffing en inning van deze belasting rechtvaardig te houden. Reclamebelasting Gemeenten zijn op grond van artikel 227 van de Gemeentewet bevoegd om een reclamebelasting in te voeren. Reclamebelasting kan geheven worden voor openbare aankondigingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Deze belasting wordt vaak geheven in combinatie met precariobelasting omdat de rechtsgronden van deze twee belastingen dicht bij elkaar liggen. De precariobelasting betrekt het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond in de heffing . Bij een openbare aankondiging die zich boven gemeentegrond bevindt is er sprake van samenloop van de reclamebelasting en de precariobelasting.
Het zijn beiden algemene belastingen met een verschillende rechtsgrond. Wettelijk gezien is er geen aanleiding om samenloop te vermijden. Omdat de wens deze samenloop te vermijden vaak wel aanwezig is wordt de reclamebelasting vaak in dezelfde verordening geregeld als de precariobelasting. Precariobelasting Gemeenten mogen op grond van art. 228 Gemeentewet precariobelasting heffen voor het hebben van voorwerpen op, onder of boven gemeentegrond. Dit ‘hebben’ duidt op een zekere duurzaamheid; het plaatsen van een fiets op gemeentegrond voldoet hier dus niet aan. Wat wél voldoet aan dit criteria is bijvoorbeeld het ‘hebben’ van een terras op of het ‘hebben’ van kabels en leidingen onder gemeentegrond.
Nota Lokale Heffingen 2016
17
Rechten Naast de leges en de begrafenisrechten zijn er ook andersoortige heffingen. Brandweerrechten zijn diensten verleend aan degene die een dienst aanvraagt dan wel degene aan wie de dienst is verleend. Voor deze rechten worden jaarlijks kosten gemaakt welke middels vastgestelde vergoedingen gedeeltelijk worden gecompenseerd. De gemeente MiddenDelfland is per 1 januari 2009 toegetreden tot de gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Haaglanden. Vanaf 1 januari 2011 verplicht de nieuwe Wet veiligheidsregio’s gemeenten ertoe een gemeenschappelijke regeling aan te gaan voor de samenwerking op het gebied van met name brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening en rampenbestrijding. Artikel 9 van de Wet veiligheidsregios bepaalt dat de gemeenschappelijke regeling door de colleges moet worden aangegaan. Er is daarom bij het opstellen van deze regeling vanuit gegaan dat de raden en de burgemeesters niet langer bevoegd zijn om deel te nemen. De raden nemen geen deel meer aan deze regeling; daardoor wordt de bevoegdheid tot heffen en invorderen van leges en brandweerrechten ook niet meer overgedragen aan de regio. In plaats daarvan is de regio van plan om in de toekomst vergoedingen voor haar diensten te vragen via het sluiten van contracten.
Als openbaar lichaam in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen is de regio immers bevoegd tot het aangaan van privaatrechtelijke overeenkomsten. Liggelden, kadegelden of havengelden zijn rechten die geheven worden voor het gebruik van een gemeentelijke haven. Overigens betreft dit niet uitsluitend recreatievaart. Voor een groot deel van de verleende rechten zal dit echter wel de praktijk zijn. Degene die een standplaats inneemt, dan wel koopwaar op de markt uitstalt, kan tegenover de gemeente een plicht hebben tot afdracht van marktgeld. Voor de tariefberekening wordt veelal gebruik gemaakt van de frontbreedte en geldt de strekkende meter als maatstaf. De gemeente Midden-Delfland heeft geen marktplaatsverordening en heft als gevolg daarvan ook geen marktgelden. De ondernemers hebben een vergunning en voor de vergunning worden leges betaald. Bij de toeristenbelasting is al aangegeven dat een gemeente een vermakelijkhedenretributie kan heffen voor het verblijf in een inrichting tot het geven van vermaak. De vermakelijkhedenretributie is in de plaats gekomen van de vermakelijkhedenbelasting. Er moet een prestatie van de gemeente tegenover staan. De gemeente zal daarom moeten kunnen aantonen, dat er in verband met die vermakelijkheid speciale voorzieningen zijn aangebracht of extra kosten van gemeentelijk toezicht (bijvoorbeeld politietoezicht) zijn gemaakt.
Anders dan bij andere rechten geldt voor de vermakelijkhedenretributie niet het verbod op het maken van winst. Bijdrage Bedrijven Investerings Zones Na evaluatie van de Experimentenwet BI-zones, waarmee een Bijdrage Bedrijven Investerings Zones (BIZ-bijdrage) geheven kon worden, is de Wet op de bedrijveninvesteringszones ingevoerd per 1 januari 2015. Daarmee is de mogelijkheid tot het instellen van een BIZ-bijdrage structureel geworden. Met deze BIZ-bijdrage kunnen ondernemers in een bepaalde zone binnen de gemeente, de zogenoemde BI-zone, voor maximaal vijf jaar verplicht worden gesteld een financiële bijdrage te leveren. Deze bijdrage wordt gebruikt om investeringen in de leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone. De investeringen zijn een aanvulling op diensten die door de gemeente worden uitgevoerd en ze moeten in het verlengde daarvan liggen, het behartigen van een publiek belang in de openbare ruimte. Bij de uitvoering wordt om doelmatigheidsredenen zoveel mogelijk aangesloten bij de Wet WOZ en de OZB.
Nota Lokale Heffingen 2016
18
4.
Heffing en invordering van de lokale heffingen
4.1 Wijze van heffing Algemeen In de desbetreffende heffingsverordeningen is vastgelegd op welke wijze een heffing in rekening wordt gebracht. In deze heffingsverordeningen zijn ook de termijnen van betaling vastgelegd. Op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de Gemeentewet zijn de volgende heffingssystemen mogelijk: Heffing bij wege van aanslag Heffing bij voldoening op aangifte Heffing op andere wijze (dan bij wege van aanslag of voldoening op aangifte). Heffing bij wege van aanslag Dit is het meest voorkomende heffingssysteem. De hoogte van de belastingschuld wordt aan de belastingplichtige bekend gemaakt door het toezenden of uitreiken van een aanslagbiljet. In de gemeente Midden-Delfland worden de onroerendezaakbelasting (OZB), afvalstoffenheffing, reinigingsrechten en rioolheffing door middel van een aanslagbiljet geheven. Het initiële (eerste) kohier wordt jaarlijks eind februari verzonden. Zoveel als mogelijk worden de bovengenoemde heffingen betreffende een belastingplichtige op één biljet opgenomen. Ook wordt, indien van toepassing, de WOZ-beschikking op het biljet vermeld. In de loop van het jaar kunnen zich wijzigingen voordoen in de belastingplicht. U kunt hierbij denken aan verhuizingen of mutaties in aantal personen binnen een huishouding. Daarom worden gedurende het jaar meerdere kohieren gedraaid.
Ook een aantal rechten (bijvoorbeeld de leges omgevingsvergunning of de begrafenisrechten) worden door een aanslagbiljet geheven. Heffing bij voldoening op aangifte Bij dit heffingssysteem stelt de belastingplichtige zelf de belastingschuld vast. Dit systeem wordt gebruikt bij de hondenbelasting en de parkeerbelasting. In Midden-Delfland zijn geen heffingen waarbij dit systeem wordt toegepast. Heffing op andere wijze Heffing op andere wijze is binnen het belastinggebied een relatief vormvrij systeem. De wet geeft geen inhoudelijke beschrijving en de term is eigenlijk een verzamelnaam voor verschillende eenvoudige vormen van heffing. Dit heffingssysteem wordt, ook in de gemeente Midden-Delfland, vooral gebruikt bij leges en rechten, zoals uittreksels uit het bevolkingsregister, paspoorten en rijbewijzen. Het te betalen bedrag wordt mondeling of door toezending of uitreiking van een schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt. Vaak worden de leges of rechten direct betaald, bijvoorbeeld bij het afgeven van een identiteitskaart. 4.2 Betaling van een aanslag De termijnen van betaling zijn vastgelegd in de diverse heffingsverordeningen. Voor de OZB, afvalstoffenheffing, reinigingsrechten en rioolheffing (de heffingen die over het algemeen samen op een verzamelaanslag komen) zijn de betaaltermijnen gelijk.
De belastingschuldige kan op twee manieren betalen: Door het aanslagbedrag over te maken naar het rekeningnummer van de gemeente. Er wordt dan betaald in één termijn, welke vervalt op de dag twee maanden na dagtekening. Het bedrag van een aanslagbiljet met dagtekening 28 februari zal dus uiterlijk op 30 april betaald moeten zijn. Door deelname aan automatische incasso. De belastingschuldige geeft dan een doorlopende machtiging af om het bedrag in maximaal negen termijnen automatisch van zijn rekening te laten afschrijven. Nota Lokale Heffingen 2016
19
Deelname aan automatische incasso is in de gemeente Midden-Delfland mogelijk sinds 2008. Hiertoe is een incassoreglement opgesteld, waarin de regels zijn opgenomen waaraan een belastingplichtige/schuldige moet voldoen om zijn gemeentelijke heffingen automatisch te kunnen laten incasseren. Belangrijke regels zijn onder meer het minimumbedrag (€ 100) en maximumbedrag (€ 5.000) waaraan een (verzamel)aanslagbedrag moet voldoen, en beëindiging van de deelname als de incasso gedurende drie termijnen van het lopende belastingjaar niet is geslaagd. Als een rekening geblokkeerd blijkt voor automatische incasso wordt deze direct beëindigd. Deze regels zijn opgenomen uit efficiencyoverwegingen en om rentederving te voorkomen. Het huidige incassoreglement geldt sinds 1 februari 2011. 4.3 (Dwang) invordering Wanneer een belastingschuldige zijn aanslag(en) niet of niet volledig betaalt, kan de invorderingsambtenaar betaling afdwingen op grond van de Invorderingswet (IW). In Midden-Delfland is de keuze gemaakt om een belastingschuldige na het verstrijken van de betaaltermijn eerst een kosteloze herinnering te sturen. Deze herinnering wordt over het algemeen twee weken na de vervaldatum verstuurd. Wanneer hierop geen betaling volgt, volgt binnen twee weken een aanmaning. Hiervoor worden wel (de wettelijk toegestane) kosten in rekening gebracht.
De aanmaning geeft de belastingschuldige tien dagen om alsnog zijn aanslag, inclusief aanmaningskosten, te betalen. De aanmaningskosten zijn (afhankelijk van het aanslagbedrag) minimaal € 7,00 en maximaal € 15,00. Per jaar worden er gemiddeld 250 aanmaningen verzonden. Als ook na het verzenden van de aanmaning geen betaling plaats vindt, wordt de zaak overgedragen aan de deurwaarder. Belastingen vallen onder het recht van parate executie. Dit houdt in dat er geen tussenkomst van de rechter nodig is om de hoogte van de vordering vast te stellen. De deurwaarder kan zo nodig direct invorderingsmaatregelen treffen zoals beslag, loonvordering e.d. om de vordering betaald te krijgen. Het betekenen van de dwangbevelen wordt uitgevoerd door een externe partij, te weten Cannock Chase Public, uiteraard onder verantwoordelijkheid en regie van de gemeente. De belastingschuldige moet na het betekenen van het dwangbevel het verschuldigde bedrag, inclusief dwangbevelkosten, binnen twee dagen betalen. Een dwangbevel kost minimaal € 39,00. Per jaar worden er ongeveer 100 dwangbevelen betekend. Indien er ook na een dwangbevel niet wordt betaald, kan er beslag worden gelegd op salaris of uitkering. Ook kan er beslag worden gelegd op roerende of onroerende zaken.
4.4 Betalingsregeling / uitstel van betaling Als een belastingschuldige de aanslag niet op tijd kan betalen, kan hij verzoeken om een betalingsregeling of om uitstel van betaling. De aanvrager moet de reden aangeven en eventueel financiële gegevens overleggen. Algemeen uitgangspunt van de gemeente Midden-Delfland is dat de regeling of het uitstel moet zijn afgerond voordat de aanslagen van het volgend jaar worden opgelegd. Jaarlijks vragen ongeveer 60 personen om een regeling. 4.5 Oninbaar verklaren Indien bij de invordering blijkt dat er voor de belastingschuld uiteindelijk geen verhaalmogelijkheden zijn, wordt de vordering oninbaar verklaard. Hiertoe wordt een advies ter goedkeuring aan het college voorgelegd. Dit besluit wordt niet aan de belastingschuldige medegedeeld. Ook kan hij aan deze administratieve handeling geen rechten ontlenen. Reden hiervoor is dat bij gewijzigde omstandigheden de invorderingsactiviteiten weer kunnen worden opgepakt. Vijf jaar na de laatste invorderingspoging van de deurwaarder vervalt de mogelijkheid tot invordering.