09 Ruimtelijke onderbouwing_De Houve_2022.pdf
Tekst van het document
Lodewijck Groep B.V.
30
‘De Houve’
Ruimtelijke onderbouwing Bedrijven- en milieuzonering
4.8.1 Beleidskader Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient de invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid op de leefomgeving afgewogen te worden. Door middel van milieuzonering dient een ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende functies en milieugevoelige functies, zoals wonen. De VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze zijn weergeven in tabel 2. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van woningen. Aan de hand van de VNG-brochure is beoordeeld of bestaande of mogelijk toekomstige bedrijvigheid een negatieve invloed heeft op de functie wonen. Milieucategorie
Gemengd gebied
Rustige woonwijk
1
0 meter
10 meter
2
10 meter
30 meter
3.1
30 meter
50 meter
3.2
50 meter
100 meter
4.1
100 meter
200 meter
4.2
200 meter
300 meter
Tabel 2 De VNG- Richtafstandentabel Bedrijven- en milieuzonering Beoordeling planinitiatief Het projectgebied ligt (met het verdwijnen van de kerk en het zalencentrum) in een rustige woonwijk. In de directe nabijheid van het projectgebied bevinden zich de bestemmingen 'wonen', 'groen', 'tuin' en 'verkeer-verblijfsgebied', allen bestemmingen die samen een rustige woonwijk vormen. De bestemming 'wonen' laat aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toe, deze zijn daarmee per definitief mengbaar met de gevoelige functie wonen. Op circa 80 meter is een aannemersbedrijf gevestigd met milieucategorie 3.1. Op basis van tabel 2 is de minimale afstand tussen gevoelige objecten en bedrijven met milieucategorie 3.1 30 meter in een rustige woonwijk. De nieuwe woningen worden op circa 80 meter gerealiseerd, daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. Tevens liggen er in de huidige situatie al woningen op een kortere afstand van het aannemersbedrijf, daarmee is uitgesloten dat de ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering. Bedrijven – en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
Lodewijck Groep B.V.
31
Ruimtelijke onderbouwing
‘De Houve’
Kabels en leidingen 4.9.1 Beleidskader Het kan voorkomen dat er in of nabij het projectgebied planologische relevante kabels en/of leidingen liggen. Planologisch relevant zijn hoofdnutsvoorzieningen, zoals leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen, aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen of afvalwaterleidingen. Als dergelijke leidingen in of vlakbij het projectgebied voorkomen worden deze als zodanig bestemd. Beoordeling planinitiatief In of rondom het projectgebied lopen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Deze conclusie kan getrokken worden op basis het vigerende bestemmingsplan 'Midden-Delfland kern Maasland 2008'. Kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor het beoogde planinitiatief. Externe veiligheid 4.10.1 Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Daarbij kunnen de volgende bronnen worden onderscheiden: • Inrichtingen: risico's van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties; • Transport van gevaarlijke stoffen over de weg; • Transport van gevaarlijke stoffen per spoor; • Transport van gevaarlijke stoffen over het water; • Transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een denkbeeldige persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De norm (één op één miljoen per jaar) geldt voor kwetsbare objecten als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Dit betekent dat er als gevolg van een ongeval - in theorie - per jaar slechts één persoon op een miljoen mensen mag overlijden. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op een ongeval met veel dodelijke slachtoffers. Hierbij wordt gekeken naar de werkelijk aanwezige bevolking en de verspreiding van die bevolking rond een risicobron. Bepaald wordt hoe groot de kans is op tien, honderd of meer slachtoffers tegelijk onder die bevolking. Groepsrisicoberekeningen beogen maatschappelijke ontwrichting inzichtelijk te maken. Het groepsrisico is afhankelijk van de omvang van het ongeval. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het groepsrisico worden verantwoord (VGR).
Vanzelfsprekend speelt de hoogte van het groepsrisico een rol, ook de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid maken onderdeel uit van de verantwoordingsplicht. De risicomaten zijn vastgelegd in diverse besluiten en beleidsnota's.
Lodewijck Groep B.V.
32
Ruimtelijke onderbouwing
‘De Houve’
In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen, zoals deze op dit moment luiden (REVI II), zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is gebaseerd op de Nota Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS) die reeds is vervallen. De nota heeft geen wettelijk bindende werking, maar is niet vrijblijvend. Voor buisleidingen geldt sinds 1 januari 2012 de regeling 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' Beoordeling planinitiatief Op basis van de vigerende bestemmingsplannen en de risicokaart kan geconcludeerd worden dat er geen risicocontour van een nabijgelegen risicobron tot over of nabij het projectgebied reikt. Afbeelding 8 geeft weer dat er geen enkele contour en/of risicobron over of nabij het projectgebied ligt. Het plaatsgebonden risico vormt derhalve geen belemmering. In de voorgaande situatie was er binnen het projectgebied een kerk met aangebouwd zalencentrum gerealiseerd. De maximale capaciteit van deze voorzieningen is vele malen groter dan bij 18 grondgebonden woningen. Het maximale aantal mensen die zich binnen het projectgebied bevinden zal met de ontwikkeling afnemen, dit heeft een positief effect op het groepsrisico ter plaatse.
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Afbeelding 8 Uitsnede risicokaart (projectgebied met pijl aangeduid)
Lodewijck Groep B.V.
33
Ruimtelijke onderbouwing
‘De Houve’
Water 4.11.1 Beleidskader Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998. Het vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld aan de hand van de Waterwet. Deze is sinds 22 december 2009 van kracht. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van een structuurvisie. Het NWP 2016-2021 bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert het waterbeleid op een aantal terreinen in het nieuwe NWP. • Het beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater. Dit beleid is met vastgestelde deltabeslissingen in 2014 fundamenteel veranderd. Uit de voorstellen voor deze deltabeslissingen vloeit het rijksbeleid voort. Het rijksbeleid is in 2014 met een tussentijdse wijziging verankerd in het NWP 2009-2015. Ook is het rijksbeleid opgenomen in de actuele versie van het NWP voor de periode 2016-2021; • Het kabinet heeft de afgelopen jaren over verschillende beleidsterreinen afspraken gemaakt die raakvlakken hebben met water. Voorbeelden zijn afspraken over energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet en vernieuwde bestuurlijke verhoudingen (SVIR, bestuursakkoord water en Deltaprogramma).
Deze afspraken zijn verwerkt in het NWP. De betreffende beleidsdocumenten blijven van kracht; • Met de vaststelling van het NWP voldoet Nederland tevens aan de Europese eisen. Actuele plannen en maatregelenprogramma's moeten volgens de Europese eisen opgesteld worden volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico (ROR) en de Kaderrichtlijn mariene Strategie (KRM). Het NWP formuleert antwoorden op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie en economie. Ook investeert het NWP in een duurzaam waterbeheer. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkómen van wateroverlast en droogte, en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Nederland als aantrekkelijk waterrijk land met een hoge mate van veiligheid levert een positieve bijdrage aan het vestigingsklimaat. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Acht wetten zijn samengevoegd tot één wet. Dit is de Waterwet. De wet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Daarnaast verbetert de Waterwet ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Ook levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen. Te denken valt aan vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.
Watertoets Sinds 1 november 2003 verplicht het Besluit ruimtelijke ordening een watertoets te verrichten. De watertoets beschrijft het proces waarop de waterbeheerder en de initiatiefnemer van het ruimtelijke plan moeten samenwerken. Het samenwerkingsproces leidt uiteindelijk tot een 'waterparagraaf' die onderdeel moet gaan uitmaken van het uiteindelijke plan of besluit. Bij dit bestemmingsplan is de Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Midden-Delfland de waterbeheerder. De waterparagraaf bevat een beschrijving over de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Lodewijck Groep B.V.
34
Ruimtelijke onderbouwing
‘De Houve’
Hoogheemraadschap van Delfland De gemeente Midden-Delfland valt onder het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021. Dit beleidsdocument is vastgesteld op 19 november 2015 en het beleid is formeel vastgelegd in de Keur en de legger. Het verbeteren van de waterkwaliteit en het vergroten van de bergingscapaciteit zijn belangrijke pijlers binnen dit beleid. Het waterschap zoekt bij de planvormig en uitvoering zo veel mogelijk de samenwerking met partners. Hoogheemraadschap van Delfland hanteert daarnaast een Handreiking watertoets (2016) voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De toets berust op twee uitgangspunten: • standstillbeginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; • verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Tevens gelden de regels van de Keur.
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. De Keur en de Beleidsregels van Hoogheemraadschap van Delfland zijn online raadpleegbaar Beoordeling planinitiatief De gemeente Midden-Delfland heeft de ontwerpplannen in het kader van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening voorgelegd aan het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Hoogheemraadschap heeft hierop gereageerd middels een vooroverlegreactie. De gemeente en de initiatiefnemer hebben voorafgaand aan de terinzagelegging van de ontwerpvergunning overleg gevoerd met het Hoogheemraadschap zodat de waterschapsbelangen correct geborgd zijn in het bouwplan en de omgevingsvergunning. Watercompensatie De omgevingsvergunning maak de realisatie van 18 woningen mogelijk, in ruil hiervoor zijn de voormalige opstallen reeds gesloopt. De bestaande en toekomstige situatie zijn als uitgangspunt gehanteerd voor het invullen van de watersleutel. De watersleutel is na overleg met het Hoogheemraadschap nog verfijnd en geactualiseerd. Voor de volledigheid is de ingevulde watersleutel opgenomen in bijlage 6.
Voor de planontwikkeling is de bestaande bebouwing gesloopt ten behoeve van de nieuwbouw. Vastgesteld is dat in de bestaande situatie sprake is van 2005 m2 verharding. In de toekomstige situatie sprake is van 1819 m2 verharding. Conform de eisen van het Hoogheemraadschap is hierbij aangenomen dat per tuin van een sociale huurwoning maximaal 50% verhard wordt en per koopwoning 25 m², ook eventuele diepere uitbouwen en bijgebouwen zijn hierin meegeregeerd. De eis dat tuinen maximaal 50% sociale huur en 25m² bij koop verhard mogen worden zal privaatrechtelijk vastgelegd worden tussen de initiatiefnemer en de toekomstige bewoners (inclusief ketting-boetebeding bij toekomstige verkoop). De gemeente kan aan de hand van dit kettingboetebeding handhaven of de gebruikers deze verplichting nakomen.
Lodewijck Groep B.V.
35
Ruimtelijke onderbouwing
‘De Houve’
Door de voorgenomen planontwikkeling neemt het verhard oppervlak licht af, dit komt mede door het realiseren van extra groenvoorzieningen aan de Slot de Houvelaan (ten zuiden van het plangebied) als compensatie voor de kap van 4 bestaande bomen. Op basis van de watersleutel geldt een voor het project dan nog een extra bergingsopgave van 3.9 m3 (kruimelgeval). Om de bergingscapaciteit van 3,9 m3 te realiseren wordt op alle aan te leggen bergingen een water vertragende afvoer gerealiseerd middels een sedumdak. Het totale dakoppervlak van de bergingen (88,5 m2) is voldoende om de noodzakelijke bergingscapaciteit van 3,9 m3 te realiseren. Voor een volledige onderbouwing van de maatregelen wordt verwezen naar de bijlage 6. Conform het huidig beleid (o.a. het bouwbesluit/eisen van het bevoegd gezag) dient bij nieuwbouw het hemelwater gescheiden te blijven van het afvalwater (afkoppelen). Overige maatregelen en adviezen Het toekomstig hemel- en afvalwater dient minimaal bij de perceelgrens gescheiden aangeleverd te worden. Het afvalwater van de nieuwbouwwoningen dient via een nieuwe DWA-leiding aangesloten te worden op het bestaand gemeentelijk rioolstelsel. De hoeveelheid toekomstig afvalwater uit het projectgebied bedraagt ingeschat ca. (17x0,036=) 0,6 m3/u. Deze hoeveelheid vormt geen belemmering voor het bestaande stelsel.
De afstromende neerslag vanuit het projectgebied zal niet of zeer gering vervuild zijn. Binnen het projectgebied is het door de ligging in het stedelijk gebied niet wenselijk om open water te graven. Alle neerslag stroomt bij voorkeur oppervlakkig, vertraagd af over het maaiveld richting de gemeenschappelijke waterbergingsvoorziening. Aanvullende vasthoudmaatregelen ten behoeve van klimaatadaptatie zijn mogelijk binnen het projectgebied, dit zal wel afhankelijk zijn van de toekomstige bewoners en de wijze waarop zij hun tuin indelen. Naast zo min mogelijk verharding kan gedacht worden aan regentonnen waarmee water kan worden opgevangen. De regentonnen kunnen gebruikt worden, om de tuinen in drogere tijden te voorzien van water. Door rekening te houden met de genoemde aandachtspunten is door de herontwikkeling geen (grond)wateroverlast te verwachten. Voor de voorgenomen planontwikkeling is geen watervergunningen benodigd.
Lodewijck Groep B.V.
36
Ruimtelijke onderbouwing
‘De Houve’
Verkeer en parkeren 4.12.1 Beleidskader De reikwijdte van het begrip 'goede ruimtelijke ordening' bestrijkt ook het goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast dienen er voldoende parkeerplaatsen voor de beoogde functie aanwezig te zijn. In het projectgebied was de parkeernota “Nota parkeernormen Midden-Delfland 2012” van toepassing tijdens de aanvraag omgevingsvergunning, derhalve wordt hier aan getoetst. Zoals reeds benoemd in de inleiding heeft de gemeente Midden-Delfland inmiddels het bestemmingsplan ‘Veeg – en parapluplan’ vastgesteld voor onder andere het aspect parkeren. De omgevingsvergunningaanvraag is echter ingediend voor vaststelling van dit bestemmingsplan, daarom is het voorbereidingsbesluit niet van toepassing op voorliggend initiatief. Tevens heeft de gemeenteraad in 26 mei 2020 een separaat besluit genomen met betrekking tot de parkeernormen voor het projectgebied. Beoordeling planinitiatief De parkeernormennota stelt bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen dat de nieuwe situatie verrekend moet worden met de bestaande situatie. Met de beoogde ontwikkeling worden er 18 grondgebonden woningen in het projectgebied ontwikkeld.
De nieuwe situatie dient vergeleken te worden met de oude situatie, de kerk met het aangebouwde zalencentrum. Om het parkeervraagstuk correct te onderbouwing heeft onderzoeksbureau Mobycon een parkeernotitie geschreven. In de notitie is onderscheid gemaakt tussen de Nota parkeernormen 2012 van de gemeente Midden - Delfland en de geldende landelijke normen. De notitie is toegevoegd als bijlage 7 en in onderstaande paragraaf toegelicht. Op basis van Nota Parkeernormen 2012 Van de geselecteerde secties wordt weergegeven wat de parkeerdruk is en wat de vrije capaciteit is, uitgaande van een maximale parkeerdruk van 70% (o.b.v. de Nota Parkeernormen 2012). Om rekening te houden met de aanwezigheid van de bewoners, zijn de aanwezigheidspercentages uit de Nota Parkeernormen 2012 toegepast op de parkeervraag van de verschillende functies.
Lodewijck Groep B.V.
37
Ruimtelijke onderbouwing
‘De Houve’
Tabel 4 parkeerbalans op basis van Nota Parkeernormen 2012 In bovenstaande tabel is te zien dat op werkdagavonden al een parkeertekort in de openbare ruimte is. Op basis van de Nota Parkeernormen zijn er daardoor op werkdagavonden geen parkeerplaatsen in de openbare ruimte beschikbaar en zullen daarom alle 26 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd moeten worden. Op basis van landelijke richtlijnen De normen uit de Nota Parkeernormen 2012 zijn op basis van de landelijke richtlijnen streng te noemen1. Zo geeft CROW-publicatie 311 (Handboek parkeren) het volgende aan over de bezettingsgraad: • < 80% : voldoende parkeerplaatsen beschikbaar; • > 80% en < 90% : behoorlijk lange zoektijd en sprake van overlast door zoekverkeer afhankelijk van gebiedsindeling en type parkeerders. Bij kort parkeren en verspreid liggende parkeervoorzieningen ligt de grens op 80%. Bij lang parkeren en geconcentreerd gelegen parkeervoorzieningen ligt de grens op 90% of zelfs nog hoger. • > 90% : onvoldoende parkeerplaatsen beschikbaar. In het onderzoeksgebied is gedurende de avond- en nachtperiode sprake van lang parkeren. De maximaal acceptabele bezettingsgraad bedraagt 85%. Overdag tijdens koopavonden is sprake van kort- en lang parkeren. De maximaal acceptabele bezettingsgraad bedraagt dan 80%.
Als de landelijke richtlijnen worden toegepast op het uitgevoerde parkeerdrukonderzoek uit 2019, dan resulteert in de volgende vrije capaciteit.
1 De landelijke richtlijnen zijn door de gemeente Midden-Delfland inmiddels ook overgenomen in vernieuwde “Nota
parkeernormen Midden-Delfland 2020” welke op dit project nog niet van toepassing is. De vaststelling van deze nieuw normen laat wel zien dat voorliggend initiatief in lijn is met actuele parkeerbeleid van de gemeente Midden-Delfland.
Lodewijck Groep B.V.
38
Ruimtelijke onderbouwing
‘De Houve’
Tabel 5: Parkeerbalans op basis van landelijke CROW – normen Te zien is dat er op werkdagavonden nog steeds een parkeertekort in de openbare ruimte is, maar dat deze een stuk lager is dan de normen uit de Nota Parkeernormen. Volgens de landelijke richtlijnen zijn er voor de werkdagavonden 10 parkeerplaatsen in de openbare ruimte beschikbaar en zullen 13 parkeerplaatsen voor de nieuwe ontwikkeling op eigen terrein gerealiseerd moeten worden Salderen Op het moment van het parkeeronderzoek in maart 2019 waren de Nieuwe Kerk/De Magneet nog in gebruik. Deze functies worden verrekend met de parkeervraag van de toekomstige functie. Volgens gegevens van de Protestantse Gemeente dat het gebouw exploiteerde, was de maximale capaciteit 300 bezoekers en waren er dinsdagavond 70 bezoekers aanwezig. Het gebouw kende volgende het BAG een bvo van 1.273 m2. In onderstaande tabel is berekend wat de parkeervraag was, uitgaande van de functie Sociaal-Cultureel Centrum/Wijkgebouw uit de Parkeernota 2012.
Tabel 6: saldering parkeerplaatsen oude situatie
Lodewijck Groep B.V.
39
Ruimtelijke onderbouwing
‘De Houve’
Er komen op werkdagavonden 8 extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte beschikbaar ten opzichte van het parkeeronderzoek in maart 2019. Deze 8 parkeerplaatsen kunnen 1-op-1 ingezet worden voor de nieuwe ontwikkeling op de locatie van de Magneet/Nieuwe Kerk. Hierdoor kan het aantal parkeerplaatsen dat op eigen terrein moet worden ingevuld worden verlaagd met 8 parkeerplaatsen. Hieronder is het resultaat weergegeven, uitgaande van de Nota Parkeernormen 2012 en van landelijke richtlijnen. • Nota Parkeernormen 2012: 26 - 8 = 18 parkeerplaatsen • Landelijke richtlijnen: 13 - 8 = 5 parkeerplaatsen Definitieve parkeeroplossing Het toepassen van het beleid uit de parkeernota uit 2012 maakt realisatie van voorliggend plan onmogelijk. Er zouden dan teveel parkeerplaatsen in het projectgebied zelf moeten worden aangelegd. De gemeente kan afwijken van de parkeernota, van deze afwijkingsbevoegdheid is gebruik gemaakt. Op 26 mei 2020 is het parkeervraagstuk behandeld in de gemeenteraad, tijdens deze vergadering is ingestemd met het afwijken van het parkeerbeleid voor het toepassen van de bezettingsnorm in deze specifieke situatie. Volgens de huidige geldende zogenoemde CROW-normen (landelijk geldend) is het hanteren van een norm van 80% inmiddels aanvaard. Deze norm is in de jurisprudentie van de Raad van State inmiddels ook geaccepteerd.
In het voorstel waarmee de gemeenteraad heeft ingestemd wordt uitgegaan van een parkeernorm van 1,5 per woning, de parkeerbehoefte komt daarmee op 27 parkeerplaatsen. Voor deze 27 parkeerplaatsen zullen 20 parkeerplaatsen uit het openbare gebied gebruikt worden, de resterende behoefte van 7 parkeerplaatsen zal binnen het projectgebied gerealiseerd moeten worden. Afbeelding 9 geeft weer dat hieraan voldaan kan worden, aan de noordzijde van het projectgebied worden 7 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd.
Lodewijck Groep B.V.
40
Ruimtelijke onderbouwing
‘De Houve’
Afbeelding 9 Bouwplan met 7 parkeerplaatsen op eigen terrein aan de noordzijde
Afbeelding 10 Realistische indicatieve impressie bezien vanaf de noordzijde, inclusief de zeven parkeerplaatsen op eigen terrein (bron: van es architecten)
Lodewijck Groep B.V.
41
Ruimtelijke onderbouwing
5
‘De Houve’
Procedurele aspecten
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Het door initiatiefnemer voorgestelde plan is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Op grond van art. 2.12, lid 1 onder a, sub 3 Wabo kan via een omgevingsvergunning afgeweken worden van het vigerende ruimtelijke plan. De afwijking dient voorzien te worden van een goede ruimtelijke onderbouwing. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing vormt de argumentatie en onderbouwing waarom het door initiatiefnemer voorgestelde plan kan voldoen aan een goede ruimtelijke ordening. 5.1.1 Zienswijzen De ontwerp omgevingsvergunning(en) wordt samen met de ruimtelijke onderbouwing voor een periode van 6 weken ter visie gelegd. Tijdens deze periode kan éénieder een zienswijze indienen. Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Daarnaast is tevens de Grondexploitatiewet van toepassing als een plan voorziet in het juridisch-planologisch faciliteren van bouwplannen, zoals bepaald in het Bro. Onderhavig plan voorziet in de ontwikkeling van een plan, zoals opgenomen in het Bro. Dit betekent dat er voor dit plan ook een exploitatieplan vastgesteld moet worden.
Echter kan op basis van artikel 6.12 lid 2 van de Wro ook door de gemeenteraad besloten worden om geen exploitatieplan vast te stellen, indien: • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. De kosten van voorgenomen initiatief zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Initiatiefnemer is reeds eigenaar van de gronden. Het gemeentelijk kostenverhaal is anderszins verzekerd door middel van leges en een anterieure overeenkomst. Op basis van het voorgaande kan gesteld worden dat het uitwerkingsplan economisch uitvoerbaar is.
Lodewijck Groep B.V.
42
‘De Houve’
Ruimtelijke onderbouwing
6
Bijlages
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11
Bodemonderzoek Archeologisch onderzoek Quickscan Flora & Fauna Aerius – Berekening (Stikstofdepositie) Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Waterparagraaf De Houve & definitieve waterberging Parkeernotitie Mobycon Besluit gemeente Parkeren Aanmeldingsnotitie Mer De Houve Asbestinventarisatie Akoestisch onderzoek gevelwering
Lodewijck Groep B.V.
43