CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

09 bijlage 03022021 - Vonnis.pdf

Gemeenteraad 2 maart 2021, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Vraag lid dhr E.N.H. Roeling over uitspraak Centrumplan Den Hoorn11.853 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Dat zou immers neerkomen op het leggen van een last op het aangrenzende erf dat daarvoor niet met die last was bezwaard, wat niet is aan te merken als het verleggen van de uitoefening van een bestaande erfdienstbaarheid, maar als het in het leven roepen van een nieuwe erfdienstbaarheid. Een dergelijke — door de eigenaar van het dienstbare erf eenzijdig uit te oefenen — bevoegdheid is niet verenigbaar met de wijze waarop volgens de wet erfdienstbaarheden tot stand komen en met het "daaruit blijkende streven van de wetgever de krachtens titel gevestigde erfdienstbaarheden uit de openbare registers kenbaar te doen zijn (zie Hoge Raad 21 januari 1972, NJ 1973, 480). Anders dan de Gemeente betoogt, biedt artikel 5:73 lid 2 BW evenmin een bevoegdheid om het overpad na kadastrale samenvoeging van de percelen 1595 en 1596 op de door haar voorgestelde wijze te verleggen. Daarmee gaat de Gemeente eraan voorbij dat verlegging op grond van deze bepaling alleen kan plaatsvinden binnen de grenzen van het erf dat de betrokken partijen

C/09/581651 / HA ZA 19-1086 3 februari 2021

23

destijds in de akte van vestiging als dienstbaar erf hebben aangewezen (zie eveneens NJ 1973, 480). Die grenzen kunnen niet worden verruimd door later— eenzijdig — het aangewezen erf kadastraal samen te voegen met een aangrenzend erf 4.53. Tussen partijen is niet in geschil dat het voorgaande niet opgaat voor de door de Gemeente voorgestelde verlegging van Erfdienstbaarheid A, aangezien die verlegging wel op hetzelfde perceel (1696) plaatsvindt. De rechtbank is met Van Leeuwen c.s. van oordeel dat desondanks ook deze verlegging op grond van artikel 5:73 lid 2 BW niet is toegestaan, omdat de verplaatsing een vermindering van genot voor Van Leeuwen c.s. tot gevolg heeft. Erfdienstbaarheid A geeft Van Leeuwen c.s. een uitweg richting de Looksingel die voldoende breed is om met vrachtwagens te gebruiken. Van Leeuwen c.s heeft met de door haar overlegde foto's voldoende onderbouwd dat daaruit volgt dat het overpad breder dan 2,5 meter moet zijn (zie 2.5 en foto's productie 9). Het door de Gemeente voorgestelde alternatieve overpad is slechts 2,5 meter breed en komt te liggen op de plek waarop volgens het Bestemmingsplan een openbaar voetpad is voorzien. Dit alternatief is dus niet door Van Leeuwen c.s. met (vracht)auto's te gebruiken. Een dergelijke genotsvermindering hoeft Van Leeuwen c.s. niet te aanvaarden. 4.54.

De gevorderde verklaring voor recht (vordering i subsidiair) wordt afgewezen.

wijziging erfdienstbaarheden (artikel 5:78 BW) 4.55. De Gemeente heeft ten slotte, meer subsidiair, gevorderd dat de Erfdienstbaarheden op de voet van artikel 5:78 BW worden gewijzigd, zodat zij op de onder 2.28 ingetekende locaties komen te liggen. 4.56. Artikel 5:78 BW bepaalt dat de rechter op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid kan wijzigen of opheffen: a.

op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd:

b.

indien ten minste twintig jaren na het ontstaan van de erfdienstbaarheid zijn verlopen en het ongewijzigd voortbestaan van de erfdienstbaarheid in strijd is met het algemeen belang.

4.57. De Gemeente heeft allereerst een beroep gedaan op onderdeel a. Volgens de Gemeente is de ontwikkeling van het dorpshart aan te merken als een bij het vestigen van de Erfdienstbaarheden onvoorziene omstandigheid, die maakt dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de Erfdienstbaarheden niet van de Gemeente kan worden gevergd 4.58. Dit betoog slaagt niet. In de akte van vestiging van de Erfdienstbaarheden is expliciet bepaald dat de grond waarover het overpad wordt uitgeoefend nooit mag worden bebouwd. Naar het oordeel van de rechtbank betoogt Van Leeuwen c.s. terecht dat daaruit volgt dat partijen destijds de mogelijkheid hebben voorzien dat de eigenaar van perceel 1696 op enig moment een andere bestemming aan de grond zou willen geven en daarop bebouwing zou willen plaatsen. Dat de Gemeente en Waaijer thans een supermarkt op

C/09/581651 / HA ZA 19-1086 3 februari 2021

24

perceel 1696 willen bouwen, kan dan ook niet als een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 5:78 sub a BW worden aangemerkt. Reeds daarom moet het beroep op onderdeel a worden verworpen. Voor zover echter sprake zou zijn van onvoorziene omstandigheden, zijn deze niet van dien aard dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheden niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd. De Gemeente heeft de percelen waarop de Erfdienstbaarheden rusten in 2005, 2007 en 2008 gekocht, met als doel de herontwikkeling van het dorpshart. Als onweersproken staat vast dat de Gemeente toen zij de percelen kocht bekend was met de Erfdienstbaarheden. Bovendien is gesteld noch gebleken dat het dorpshart niet op een doelmatige manier kan worden herontwikkeld met instandhouding van de Erfdienstbaarheden. Dat de Gemeente de voorkeur geeft aan een plan tot herontwikkeling waarin geen plaats is voor de Erfdienstbaarheden, komt voor haar rekening en risico. 4.59. De Gemeente heeft tevens een beroep gedaan op onderdeel b. Daartoe voert de Gemeente het volgende aan. De Erfdienstbaarheden zijn meer dan twintig jaar oud, zodat aan die voorwaarde van onderdeel b is voldaan. Daarnaast volgt uit het Bestemmingsplan dat het ongewijzigd voortbestaan van de Erfdienstbaarheden in strijd is met het algemeen belang.

Bij het (ongewijzigd) voortbestaan daarvan zou de Gemeente haar percelen immers niet kunnen ontwikkelen tot de meest gewenste bestemming, die mede in het algemeen belang daaraan is toegekend, aldus nog steeds de Gemeente. 4.60. Ook dit beroep slaagt niet. Volgens de wetsgeschiedenis houdt de behoefte aan de invoering van onderdeel b vooral verband met de toenemende verstedelijking van vroegere agrarische gebieden, die tot gevolg heeft dat tal van erfdienstbaarheden die bij een agrarische exploitatie van de grond van grote betekenis zijn, hun zin kunnen verliezen en zelfs de meest wenselijke bebouwing kunnen tegenhouden (Par!. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 278). Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde. In dit geval was ten tijde van de vestiging van de Erfdienstbaarheden al sprake van stedelijk gebied, waarop bedrijfsactiviteiten werden ontplooid. De Erfdienstbaarheden zijn toen gevestigd, om (het huidige) perceel 1694 een ontsluitingsweg naar de openbare wegen te bieden, met een verbod om op die ontsluitingswegen bebouwing te plaatsen. De Gemeente wil nu een nieuwe binnenstedelijke bestemming geven aan dit (voormalige) bedrijfsgebied, door daarop een supermarkt met woningen te realiseren.

Partijen zijn het op zichzelf erover eens dat het algemeen belang van de inwoners van de Gemeente met de ontwikkeling van een nieuwe supermarktlocatie en woningen in het Centrumgebied is gediend. Partijen verschillen echter van mening over de meest wenselijke invulling van die ontwikkelplannen (zowel wat vorm (grondgebonden woningen of appartementen) als locatie (perceel 1694 of een ander perceel) betreft). Evenmin staat ter discussie dat de Gemeente bij de invulling van het gewenste supermarktplan had kunnen kiezen voor een ontwikkelplan waarbij rekening werd gehouden met de Erfdienstbaarheden, die de Gemeente — zo staat als onweersproken vast — bekend waren. De Gemeente heeft echter een andere keuze gemaakt en voor realisatie van het plan Waaijer gekozen. Die keuze stond de Gemeente vrij, maar de rechtbank is met Van Leeuwen c.s. van oordeel dat de Gemeente onder deze omstandigheden niet met succes het standpunt kan innemen dat de Erfdienstbaarheden op grond van artikel 5:78 onderdeel b BW moeten worden gewijzigd, omdat het voortbestaan daarvan in strijd is met het algemeen belang. 4.61. Voor zover de Gemeente betoogt dat er reeds strijd is met het algemeen belang omdat de democratisch gekozen gemeenteraad, getuige het gewijzigde Bestemmingsplan,

C/09/581651 / HA ZA 19-1086 3 februari 2021

25

het plan Waaijer de meest wenselijke planologische ontwikkeling van het Centrumgebied acht, slaagt dat niet. Noch uit de tekst van artikel 5:78 sub b BW, noch uit de wetgeschiedenis van dit artikel volgt dat onderdeel b zo strikt moet worden uitgelegd dat er al strijd is met het algemeen belang indien het ongewijzigd voortbestaan van de erfdienstbaarheid de realisatie van een vastgesteld bestemmingsplan in de weg staat. De verwijzing naar het arrest Hoge Raad 30 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4017 door de Gemeente treft geen doel. Dat arrest handelt over schadeloosstelling van een huurder in het geval sprake is van afbraak van het gehuurde met het oog op de uitvoering van werken in het algemeen belang (artikel 7:309 BW). In artikel 7:309 lid 4 BW is expliciet bepaald dat werken tot verwezenlijking van een bestemmingsplan, strekkende tot reconstructie van een bebouwde kom, in elk geval geacht worden in het algemeen belang te zijn. Een dergelijke bepaling ontbreekt in artikel 5:78 sub b BW.

Naar het oordeel van de rechtbank had de Gemeente nader moeten onderbouwen waarom in de gegeven omstandigheden het ongewijzigd voortbestaan van de Erfdienstbaarheden in strijd is met het algemeen belang en is een verwijzing naar het Bestemmingsplan daarvoor niet voldoende, te minder nu gesteld noch gebleken is dat het onmogelijk of ondoelmatig is een supermarktlocatie en woningen in het Centrumgebied te realiseren, waarbij de bestaande Erfdienstbaarheden wél worden gerespecteerd, zoals in het plan Plus. De rechtbank is van oordeel dat de Gemeente in dit geval de stelling dat sprake is van strijd met het algemeen belang onvoldoende heeft onderbouwd. 4.62.

Aldus wordt ook de meer subsidiaire vordering onder i afgewezen.

conclusie/proceskosten 4.63. Aangezien de vorderingen tot opheffing, verlegging en wijziging van de Erfdienstbaarheden al op de hierboven weergegeven inhoudelijke gronden worden afgewezen, hoeft het verweer van Van Leeuwen c.s. dat de vorderingen te vroeg zijn ingesteld (vanwege het nog lopende bestuursrechtelijke geschil over het Exploitatieplan, de door Van Leeuwen c.s. aangekondigde klacht wegens ongeoorloofde staatssteun en het kennelijke voornemen van de Gemeente om tot onteigening over te gaan) geen verdere bespreking. Om dezelfde reden (de vorderingen tot opheffing en wijziging op grond van de artikelen 5:78 en 5:79 BW worden afgewezen) komt de rechtbank niet toe aan het voorstel van de Gemeente om aan een opheffing of wijziging van de Erfdienstbaarheden op de voet van artikel 5:81 BW de voorwaarde van schadevergoeding te verbinden. 4.64. Hoewel de Gemeente in het gelijk is gesteld met betrekking tot het ontbreken van een erfdienstbaarheid door verjaring op de percelen 1522 en 1523, is de Gemeente gelet op het oordeel over de overige vorderingen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij aan te merken. De rechtbank veroordeelt de Gemeente daarom in de proceskosten, aan de zijde van Van Leeuwen c.s. begroot op in totaal E 2.268,- (€ 639,- aan griffierecht en E 1.629,- (3 punten x tarief€ 543,-) aan salaris advocaat). 4.65.

De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief. De wettelijke rente over de proceskosten wordt op de in het dictum vermelde wijze toegewezen.

C/09/581651 / HA ZA 19-1086 3 februari 2021

5.

26

De beslissing

De rechtbank 5.1. verklaart voor recht dat door vestiging noch door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan op (de huidige) percelen kadastraal bekend gemeente Schipluiden, sectie H, nummers 1522 en 1523 als dienende erven en (het huidige) perceel kadastraal bekend gemeente Schipluiden, sectie H, nummer 1694 als heersend erf; 5.2.

wijst het meer of anders gevorderde af;

5.3. veroordeelt de Gemeente in de proceskosten, aan de kant van Van Leeuwen c.s. begroot op C 2.268,- aan tot op heden gemaakte kosten en C 157,- aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met C 82- in geval van betekening; bepaalt dat de proceskosten worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, indien de kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan; 5.4.

verklaart de bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Voorwinden en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel, rolrechter, op 3 februari 2021.

Ven2 f gr.03emt

- 3 f'4. 2021 De griffier,

type: 2431 coil:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=1413776c-d5ad-44f7-876a-f2dc978ec026