09 B 2022.05.11 GRO Tramkade 24 incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing
Tramkade 24 Schipluiden Gemeente Midden-Delfland
Planstatus:
ontwerp
Datum:
11 mei 2022
Contactpersoon Plannen-makers:
Dhr. C. Vaartjes en mevr. I. van Malsen
Kenmerk Plannen-makers:
PM21072
Opdrachtgever:
M. Thelen
Plannen-makers Europalaan 500 3526 KS Utrecht www.plannen-makers.nl BTW id: NL002150639B90 KvK nummer: 59112751
Pagina 2 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
Inhoudsopgave 1
Inleiding ........................................................................................................................................... 4 Aanleiding en doelstelling ........................................................................................................ 4 Leeswijzer ................................................................................................................................ 4
2
Het plan ........................................................................................................................................... 5 Ligging van het plangebied ...................................................................................................... 5 Beschrijving van het plan ......................................................................................................... 6
3
Beleidsmatige onderbouwing .......................................................................................................... 8 Rijksbeleid ............................................................................................................................... 8 Provinciaal en Regionaal beleid ............................................................................................ 10 Gemeentelijk beleid ............................................................................................................... 12
4
Milieutechnische uitvoerbaarheid .................................................................................................. 16 Bedrijven en milieuzonering .................................................................................................. 16 Geluidhinder .......................................................................................................................... 17 Ecologie ................................................................................................................................. 18 Archeologie en cultuurhistorie ............................................................................................... 19 Bodemkwaliteit....................................................................................................................... 20 Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 21 Externe Veiligheid .................................................................................................................. 26 Waterhuishouding .................................................................................................................. 29 Verkeer en parkeren ..............................................................................................................
32 Energietransitie en duurzaamheid ......................................................................................... 32
5
Maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid........................................................................ 34 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 34 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................................... 34
6
Bijlagen .......................................................................................................................................... 35
Pagina 3 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
1 Inleiding Aanleiding en doelstelling Aan de Tramkade 24 te Schipluiden is een monumentale wagenschuur gesitueerd op de Levende Buitenplaats Hodenpijl. Initiatiefnemer is voornemens om in de bestaande wagenschuur een ‘learning community’ te starten voor 9 tot maximaal 16 kinderen. De voorgenomen ontwikkeling is niet passend binnen het vigerende bestemmingsplan ‘1e herziening Buitengebied Gras’ (vastgesteld 22-09-2020) omdat de op de gronden rustende maatschappelijke bestemming geen school/opvang toestaat. Het advies van de gemeente Midden-Delfland is om het initiatief mogelijk te maken middels een uitgebreide omgevingsvergunning. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing dient als de vereiste motivering bij de omgevingsvergunning.
Leeswijzer Onderhavige ruimtelijke onderbouwing bestaat naast deze inleiding uit een beschrijving van het beoogde plan in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 wordt verantwoord waarom het plan past binnen het beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. In hoofdstuk 4 wordt de milieutechnische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid toegelicht. Na hoofdstuk 5 zijn de bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing toegevoegd.
Pagina 4 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
2 Het plan Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Schipluiden, in het midden van de gemeente MiddenDelfland in de provincie Zuid-Holland. Het plangebied is gelegen op de als rijksmonument aangewezen Levende Buitenplaats Hodenpijl. Het plangebied is nabij de A4 gesitueerd. Aan de overzijde van de A4 bevindt zich de stad Delft.
Figuur 1. Uitsnede luchtfoto, plangebied in rode cirkel. (bron: Google Earth)
Het plangebied ligt aan de Tramkade. De Tramkade volgt de loop van het naastgelegen kanaal de Gaag. De Gaag is een oude watergang op boezemniveau. Het plangebied bevindt zich aan het lint langs de Tramkade tussen Den Hoorn en Schipluiden. Het plangebied wordt direct omsloten door in het noorden agrarische gronden met daarachter woningen, in het oosten en zuiden de golfbaan Delfland en in het westen de Tramkade. De wagenschuur bevindt zich in het noordoosten op de Levendige Buitenplaats Hodenpijl.
Figuur 2. Uitsnede luchtfoto, plangebied in rood kader (bron: Google Earth)
Pagina 5 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
Beschrijving van het plan Voorliggend plan betreft het realiseren van een kleinschalige, particuliere leergemeenschap voor kinderen tussen de 4 en 12 jaar oud op de Levendige Buitenplaats Hodenpijl. Het voornemen is om de monumentale wagenschuur inpandig te verbouwen en geschikt te maken voor het gebruik als een learning community. Buitenplaats Hodenpijl Buitenplaats Hodenpijl is een overblijfsel van een 17e-eeuwse buitenplaats, gekenmerkt door een boerderijgedeelte, een ruim erf, vijver en hoge bomen rondom. De gehele voormalige buitenplaats – inclusief de boerderij en wagenschuur – is een rijksmonument. De afgelopen jaren zijn er veel restauratiewerkzaamheden uitgevoerd en is een deel van de monumentale boerderij gerestaureerd en het buitenterrein van de buitenplaats in ere hersteld. De buitenplaats vervult een maatschappelijke rol in Midden-Delfland en omstreken. De buitenplaats is dagelijks toegankelijk voor publiek en wordt ingezet om groepen te ontvangen en bezoekers een kijkje te geven in zowel de historie van de plek als het boerderijleven. Daarnaast worden er tal van buitenactiviteiten ontplooid, zoals het kweken van groentes in de moestuin en broeikas. Op de buitenplaats is tevens een informatiecentrum aanwezig. Het plangebied maakt deel uit van het kadastrale perceel dat bekend is als sectie Q perceel 975.
Dit perceel heeft een totale oppervlakte van 2.495 m2, het plangebied kent een oppervlakte van circa 250 m2.
Figuur 3. Perceelgegevens van het plangebied (plangebied aangegeven met rood kader) (bron: Perceelloep).
De learning community die beoogd wordt in de wagenschuur zal bestaan uit 9 tot maximaal 16 kinderen, die op een eigen tempo en met persoonlijke aandacht binnen een kleinschalige leeromgeving zich verder kunnen ontplooien. Op de Levendige Buitenplaats Hodenpijl bevinden zich naast de wagenschuur onder andere ook een groot groen veld, een moestuin, een groente kas en dieren. De kinderen kunnen op de Buitenplaats zo op een laagdrempelige manier in aanraking komen met de natuur en zullen dan ook veel buiten zijn. In de navolgende afbeelding zijn de verschillende functies van de Buitenplaats en de locatie van de wagenschuur weergegeven.
Pagina 6 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
Figuur 4. Situatietekening Buitenplaats Hodenpijl (bron: Restauro Architecten).
De wagenschuur bestaat in de huidige situatie uit drie binnenruimtes. Deze ruimtes zullen opnieuw worden ingericht. In de toekomstige situatie bestaat de wagenschuur uit twee lokalen en een binnenkomstruimte met een pantry en een toiletruimte. De kleinschalige leeromgeving in de wagenschuur zal worden gebruikt van 9.00 uur ’s ochtends tot circa 14.00 ’s middags. Er zal één docent per lokaal aanwezig zijn.
Figuur 5. Inrichting wagenschuur toekomstige situatie (bron: Restauro Architecten).
Pagina 7 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
3 Beleidsmatige onderbouwing Rijksbeleid 3.1.1 Wet ruimtelijke ordening / Omgevingswet Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Deze gaat uit van een scheiding tussen beleid en normstelling (juridische verankering). Het beleid wordt opgenomen in structuurvisies. Normstelling vindt plaats in het bestemmingsplan en/of in algemene regels die overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. Streekplannen en planologische kernbeslissingen zijn vanaf 1 juli 2008 gelijkgesteld aan structuurvisies. Het overgangsrecht van de Wro regelt dat concrete beleidsbeslissingen van Rijk en provincie overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. Naar verwachting treedt op 1 juli 2022 de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke omgeving. De Omgevingswet bundelt wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De nieuwe wet zorgt voor minder en overzichtelijkere regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. 3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als rijksstructuurvisie. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR).
De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland. De NOVI heeft als toekomstperspectief een duurzame leefomgeving waarbij de kwaliteiten van de omgeving worden behouden en versterkt. Daarnaast bestaan de Nederlandse uitdagingen van de ruimtelijke inrichting in een klimaatbestendige delta en zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland. Dit kan worden bereikt door goede samenwerking tussen de verschillende betrokken instanties. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten: - Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie - Duurzaam economisch groeipotentieel - Sterke en gezonde steden en regio’s - Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Binnen deze prioriteiten zal aandacht zijn voor de onderlinge verwevenheden en spanningen daartussen en voor thema’s en opgaven die daar dwars doorheen lopen, zoals leefomgevingskwaliteit, gezondheid, cultureel erfgoed, water, bodem en (nationale) veiligheid. Binnen de prioriteiten hanteert het Rijk drie afwegingsprincipes die helpen om beleidskeuzes te maken: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal 3. Afwentelen wordt voorkomen Planspecifiek De ontwikkeling vindt plaats op de Levendige Buitenplaats Hodenpijl in Schipluiden.
Gezien de kleinschaligheid van het plan, namelijk het realiseren van een learning community binnen de bestaande monumentale wagenschuur, is het raakvlak met rijksbeleid nihil en zal geen strijdigheid ontstaan met de NOVI.
Pagina 8 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ hieraan toegevoegd. Overheden dienen op grond van het gewijzigde Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren om tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling te komen. Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. In de nieuwe systematiek worden de huidige definities niet gewijzigd. Ten aanzien van de “treden” van de Ladder zijn er wel wijzigingen: in de nieuwe Ladder zijn de treden 1 en 2 samengevoegd en trede 3 is geschrapt, waardoor er geen sprake meer is van verschillende treden. In artikel 1.1.1 Bro worden relevante begrippen gedefinieerd. Een woningbouwontwikkeling valt onder de definitie van stedelijke ontwikkeling als deze groter is dan 11 woningen.
Planspecifiek Door onderhavige planologische ontwikkeling wordt een learning community mogelijk gemaakt binnen een bestaande monumentale wagenschuur. De Levendige Buitenplaats Hodenpijl kent grotendeels een maatschappelijke bestemming, waaronder ook de gronden van de wagenschuur. Bij het realiseren van stedelijke functies is de ondergrens in beginsel bij 500 m2. Met een ruimtebeslag van minder dan 500 m2 is er in beginsel geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het ruimtebeslag zal in dit geval niet wezenlijk wijzigen. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan niet kan worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 2011) Om uitvoering te geven aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, is op 30 december 2011 het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Hierin staat een aantal projecten beschreven die van Rijksbelang zijn en waarmee gemeenten rekening dienen te houden bij het vaststellen van bestemmingsplannen en wijzigings- of uitwerkingsplannen. De projecten zijn exact ingekaderd en voorzien van regels, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Het betreft de onderstaande projecten: • • • • • • • • • • • • • •
Rijksvaarwegen Project Mainportontwikkeling Rotterdam Kustfundament Grote rivieren Waddenzee en waddengebied Defensie Hoofdwegen en landelijke spoorwegen Elektriciteitsvoorziening Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Natuurnetwerk Nederland Primaire waterkeringen buiten het kustfundament IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde Ruimtereservering parallelle Kaagbaan
Pagina 9 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
Planspecifiek Voorliggend plan ligt niet in een van de benoemde gebieden of aandachtsvelden als bedoeld in het Barro. Vanuit het Barro volgen dan ook geen aanvullende randvoorwaarden voor het plan. Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.
Provinciaal en Regionaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie en -beleid Zuid-Holland De provincie heeft op 1 april 2019 de omgevingsvisie vastgesteld. De nieuwe omgevingswet die naar verwachting in 2022 defintief vastgesteld wordt schrijft voor dat een provincie één omgevingsvisie en één omgevingsverordening heeft. De omgevingsvisie is de opvolger van de provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit. In de omgevingsvisie zijn meerdere beleidsvisies gebundeld. Het gaat om de volgende plannen: de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm), het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww), het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer, de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). De omgevingsvisie omvat inhoudelijk geen grote wijzigingen ten opzichte van het voorgaande beleid. Ook is de digitale beschikbaarheid van het beleid via de digitaal raadpleegbare kaarten weer een wezenlijk onderdeel van het beleid. In de Omgevingsvisie zijn zes ambities gedefinieerd. Het zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Het zijn abstracte ambities die bij specifieke opgaven ook tot conflicterende belangen kunnen leiden.
Juist de confrontatie in opgave zal leiden tot knelpunten maar ook tot kansen om de opgaven verder te helpen. De zes ambities zijn: • • • • • •
Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving
Naast de ambities is het algemene doel van de omgevingsvisie het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in provincie. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen verstaan. Het bestaande beleid is hiervoor gebundeld in de Omgevingsvisie. Vervolgens wordt met het oog op de omgevingswet dit verder ontwikkeld. Er komt een omschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland. Hierbij wordt een onderverdeling gemaakt in de drie Deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in het internationale netwerk. Daarnaast komt er een leefomgevingstoets. De leefomgevingstoets is agenderend voor verdere beleidsontwikkeling. Tot slot wordt een concrete uitwerking van het beleid opgesteld om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. De Omgevingsvisie maakt gebruik van de reeds bestaande integrale kwaliteitskaart opgebouwd uit vier onderliggende kaarten. Dit instrument wordt verder gebruikt in zowel de visie als de verordening. Vanuit de kaart volgen onder andere bepalingen in de verordening (‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’). Voor ontwikkelingen blijft het ‘ja, mits-beleid’ gelden: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Pagina 10 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
Zoals aangegeven is in de Omgevingsvisie veel beleid overgenomen en samengevoegd. Het beleid zal met het daarvoor opgesteld instrumentarium, Monitor en Evaluatie Omgevingskwaliteit geactualiseerd worden. Hierbij is het uitgangspunt dat niet al het beleid in één keer geactualiseerd wordt maar op basis van specifieke aanleidingen. Het samenvoegen van het beleid heeft tot een opsomming van twaalf beleidskeuzes geleid: • • • • • • • • • • • •
Beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving; Behouden en versterken van natuurwaarden en het ontwikkelen van voldoende, aantrekkelijk en beleefbaar groen en water, waar mensen met plezier recreëren; Versterken van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie; Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen; Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder; Bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen; Duurzaam voorzien in de behoefte aan zoetwater en waarborgen van de beschikbaarheid van voldoende drinkwater; Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond; Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen; Bevorderen van een goede en veilige bereikbaarheid, met een mobiliteitsnetwerk dat keuzevrijheid biedt en aansluit op de behoeften van reizigers en vervoerders; Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied; Ondersteunen van cultuurparticipatie en bibliotheken.
Van alle beleidskeuzes is aangegeven op basis van welke specifieke beleidsdocumenten die gebaseerd zijn. Deze beleidsdocumenten zijn allemaal apart digitaal beschikbaar gesteld. Planspecifiek Het plan betreft het mogelijk maken van een learning community binnen een bestaande monumentale wagenschuur op de Levendige Buitenplaats Hodenpijl. Uit de beleidsanalyse blijkt niet dat de ontwikkeling in strijd is met provinciaal ruimtelijk beleid of de Ladder. Het plan geeft invulling aan de beleidskeuze van een zorgvuldig ruimtegebruik. Hierbij gaat het plan uit van het beschermen, versterken en beleefbaar maken van de aanwezige cultuurhistorische waarden van de buitenplaats. Ten tweede verbetert het plan de ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld bij de beleidskeuze over het zorgen voor een samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Het plan draagt zodoende concreet bij aan de doelstellingen van de Omgevingsvisie. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening is gelijk met de omgevingsvisie op 1 april 2019 vastgesteld. De verordening bevat bindende ruimtelijke regels waar de provincie en gemeenten in Zuid-Holland zich aan moeten houden. De doorwerking van de regels is uitgewerkt doordat bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen niet in strijd mogen zijn met de verordening.
De verordening wordt met een digitale kaart beschikbaar gesteld om per locatie direct inzichtelijk te krijgen welke beleidsregels van toepassing zijn op de specifieke locatie. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plekgebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie. Nu de ruimtelijke ontwikkeling sterker wordt bepaald door maatschappelijke, veelal Pagina 11 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
kleinschalige initiatieven, is een gedeeld beeld van de ruimtelijke kwaliteit op regionale schaal van belang. De provincie stelt met het handelingskader ruimtelijke kwaliteit spelregels vast die het bovenlokale, algemene belang borgen en heeft samen met partijen in de regio een kwaliteitsbeeld voor het betreffende gebied geformuleerd (de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit). De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.
Planspecifiek Voorliggend plan voegt zich in de bestaande structuur en kan daarmee ingepast worden. “Inpassing betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied, een toevoeging van een woning in een lint of de opknapbeurt van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de relevante richtpunten.” Voorliggend plan betreft het planologisch mogelijk maken van learning community binnen een bestaande monumentale wagenschuur. Het plan verandert de bestaande structuren en kwaliteiten die aanwezig zijn op de locatie niet of nauwelijks, maar zorgt er juist voor dat de wagenschuur duurzaam in stand kan worden gehouden. Conclusie Het plan is niet in strijd met het provinciaal beleid.
Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie 1.0 Midden-Delfland Op 26 oktober 2021 is de Omgevingsvisie 1.0 door de gemeenteraad van Midden-Delfland vastgesteld. De omgevingsvisie 1.0 biedt antwoord op de verplichting vanuit de Omgevingswet voor alle gemeenten om een gemeentedekkende omgevingsvisie te hebben. Vanuit daar gaat de gemeente Midden-Delfland werken aan een omgevingsvisie 2.0 waarin verdere verdieping plaatsvindt en bestaande beleidskeuzes opnieuw tegen het licht worden gehouden. De gemeente wil haar identiteit bewaken, versterken en uitdragen. De gemeente werkt daarbij vanuit de filosofie van Cittaslow en wil bijdragen aan het realiseren van de mondiale Sustainable Development Goals (SDG’s) die de VN in 2015 heeft vastgesteld. Van groot belang is het daarom om het landschap en de dorpen met de daarin aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten en erfgoed te behouden en beter herkenbaar en beleefbaar te maken. De gemeente koestert daarbij haar eigen identiteit, lokale
Pagina 12 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
verschillen, de menselijke maat en het menselijke tempo, het agrarische karakter, de openheid en de rust en stilte. De Omgevingsvisie 1.0 is, voor zover dat mogelijk is, een beleidsarme visie om strijdigheden te mijden met overige omgevingsvisies en de opgaven van ketenpartners. Wel zijn er ambities en doelstellingen in de Omgevingsvisie 1.0 opgenomen. Voor maatschappelijke voorzieningen wordt een druk ervaren op maatschappelijke voorzieningen vanuit de markt tot transformatie naar commerciëlere voorzieningen. De opgave voor Midden-Delfland is om het lokale, sociaal maatschappelijke voorzieningenaanbod in stand te houden. Het buitengebied van Midden-Delfland, waar het plangebied onder valt, heeft grotendeels de status van Bijzonder Provinciaal Landschap. De bestuurlijke opdracht van de gemeente is om het Waardevol Bijzonder Provinciaal Landschap te behouden en te versterken. Voor het BPL zijn in de Omgevingsvisie vier kernkwaliteiten benoemd: 1. een open polderlandschap in de metropool; 2. een landschap met een historisch verhaal; 3. een buitenruimte voor ruim twee miljoen mensen 4. de verweving van veenweidelandbouw en veenweidenatuur. Planspecifiek Het plangebied is gelegen bij de Gaag en maakt deel uit van de groene landschapsverbinding en cultuurhistorische kwaliteit van het buitengebied. De Gaag is een oude watergang op boezemniveau.
Het plangebied bevindt zich aan het lint langs de Tramkade tussen Den Hoorn en Schipluiden en is gelegen in de Kerkpolder. De Kerkpolder is een versnipperd gebied, dat grenst aan de westelijke bebouwing van Delft. De Kerkpolder wijkt sterk af van de meeste andere polders in Midden-Delfland vanwege de nieuwe natuur, bestaande bospartijen, plassen en een aangelegde sportvelden. Dit deel van het buitengebied fungeert als recreatieve trekker, onder meer door de golfbaan en aanwezige wandel-, fiets-, en vaarroutes. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen cultuurhistorische kwaliteiten en erfgoed beschermd en behouden te worden. De opgave voor maatschappelijke voorzieningen is om het lokale sociaal maatschappelijke voorzieningenaanbod in stand te houden. Voorliggend plan draagt bij aan een duurzame instandhouding van een monumentale wagenschuur binnen een rijksmonument aangedragen buitenplaats. Hierbij blijven de aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten behouden. De kleinschalige learning community heeft een lokaal karakter, en draagt bij aan het versterken van het lokale voorzieningenniveau. Het plan is hiermee in lijn met de Omgevingsvisie 1.0.
Pagina 13 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
Figuur 6. Uitsnede kenmerken en kwaliteiten buitengebied, plangebied aangeduid met rode cirkel (bron: gemeente Midden-Delfland).
3.3.2 Vigerend bestemmingsplan Het vigerende bestemmingsplan voor de locatie is ‘1e herziening Buitengebied Gras’ van de gemeente Midden-Delfland. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 22 september 2020 en betreft een actualisatie van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Gras’ dat deels in werking is getreden op 25 juni 2013. Planspecifiek Onderstaand is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weergegeven. De uitsnede toont dat de planlocatie bestemd is als ‘Maatschappelijk’. Tevens geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’.
Pagina 14 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
Figuur 7. Uitsnede vigerend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
De voor Maatschappelijk aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. op gronden zonder aanduiding: agrarische activiteiten zoals het houden van vee en de biologische teelt van groente en fruit in combinatie met een bezoekerscentrum/informatiecentrum en een kinderboerderij; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension': uitsluitend een dierenpension; c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en toegangswegen. De beoogde ontwikkeling is niet toegestaan op basis van het vigerende bestemmingsplan. Binnen de maatschappelijke bestemming wordt namelijk niet expliciet benoemd dat er een opvang/school is toegestaan. De voor Waarde – Archeologie 2 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Om de geplande ontwikkeling te realiseren is een nieuw planologisch kader nodig. Voorliggend document onderbouwt de haalbaarheid van het nieuwe planologische kader om de learning community mogelijk te maken.
Pagina 15 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
4 Milieutechnische uitvoerbaarheid Een ruimtelijke onderbouwing voor een omgevingsvergunning moet voorzien in een goede ruimtelijke ordening, zoals de Wro ex art 3.1 stelt. De invulling van dit vereiste is in de jurisprudentie verder gepreciseerd. Onderstaand is per woon- en omgevingsaspect beoordeeld of en wat voor een wijziging er optreedt en of een goed woon- en leefklimaat voor zowel de omgeving als het plangebied zelf gegarandeerd is.
Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen), worden hinder en gevaar beperkt of voorkomen en wordt het voor bedrijven of woonfuncties mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Om dit gestandaardiseerd te kunnen beoordelen zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer verfijnde afstemming voor de beperking of voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. In de brochure wordt onderscheid gemaakt in verschillende omgevingstypen. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. De betreffende VNG-publicatie vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden. Planspecifiek Voorliggend plan bestaat uit het mogelijk maken van een learning community binnen een bestaande monumentale wagenschuur op de Levendige Buitenplaats Hodenpijl.
In de wagenschuur zullen leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 12 jaar les krijgen. Deze nieuwe functie van de wagenschuur betreft zowel een milieugevoelige als milieubelastende functie. De omgeving van het plangebied is aan te duiden als een gemengd gebied. aan de Tramkade zijn namelijk verschillende functies, zoals maatschappelijke en bedrijfsfuncties, gevestigd. Volgens de VNG mogen voor een gemengd gebied de richtafstanden met één stap worden verlaagd. Externe werking Voor de learning community kan het beste worden aangesloten bij de functie ‘scholen voor basis-en algemeen voortgezet onderwijs’. Voor deze milieubelastende functie geldt een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. De wagenschuur is gesitueerd op een Buitenplaats waar tevens andere maatschappelijke functies mogelijk zijn en worden beoefend. Vanwege de kleinschaligheid van de learning community en het feit dat de Buitenplaats deels al een maatschappelijke bestemming kent, kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van aantasting van het woon-en leefklimaat van omwonenden. Interne werking Het gebruik van de wagenschuur als learning community betreft eveneens een milieugevoelige functie. Naast het plangebied is een golfbaan gelegen. Een golfbaan heeft een milieurichtafstand van 10 meter (grootste richtafstand is voor geluid) ten opzichte van milieugevoelige functies.
Voor gemengd gebied kan de milieurichtafstand echter worden verlaagd met één trede waardoor er in dit geval geen sprake is van een richtafstand (0 meter). Op circa 125 meter afstand is, binnen een bedrijfsbestemming, een hoveniersbedrijf gesitueerd. Voor een hoveniersbedrijf geldt een milieurichtafstand van 30 meter in gemengd gebied ten opzichte van een milieugevoelige functie. In de omgeving van het plangebied komen op meer dan 150 meter afstand andere bedrijfsbestemmingen voor met een categorie van ten hoogste 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Er kan geconcludeerd worden dat er geen milieuzoneringen tot het plangebied reiken. De aanwezige bedrijven in de omgeving worden niet in hun Pagina 16 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
bedrijfsvoering belemmerd door voorgenomen ontwikkeling. Voor het plangebied is tevens vanuit het aspect Bedrijven en milieuzonering een goed leefklimaat gegarandeerd omdat voldaan wordt aan alle gestelde richtafstanden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect Bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor voorliggend plan.
Geluidhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder als gevolg van spoor-, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functies belast mogen worden. De Wgh geeft tevens aan in welke situaties middels onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en bijbehorende jurisprudenties zijn aanvullende onderzoeksverplichtingen gesteld. Planspecifiek Voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een learning community binnen een bestaande monumentale wagenschuur op de Levendige Buitenplaats Hodenpijl. Het plan valt binnen de geluidzone van zowel de Rijksstraatweg en de Rijksweg A4. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is, vanwege het realiseren van een geluidgevoelige functie, derhalve verplicht. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 1, de conclusie uit het onderzoek luidt; ‘De geluidbelasting op de achtergevel van de te restaureren wagenschuur die zal worden gebruikt als lesruimte bedraagt maximaal Lden=53 dB ten gevolge van het wegverkeer op de A4. De voorkeursgrenswaarde wordt met 5 dB overschreden, de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Maatregelen om de geluidbelasting te beperken zijn nagenoeg niet aanwezig.
Er ligt al een 2-laags ZOAB op de A4 en de aquaduct-constructie schermt het geluid al deels af. Verdere maatregelen zijn gezien de beperkte overschrijding van 5 dB niet doelmatig. Toetsend aan de beleidsregels voor het vaststellen van een hogere grenswaarde van de gemeente kan worden geconcludeerd dat er een geluidluwe gevel aanwezig is. Ook kan worden gesteld dat er sprake is van grondgebondenheid; de wagenschuur kan niet worden verplaatst en is nodig om de functie van het gehele complex te ondersteunen, financieel en organisatorisch bezien. Verder heeft de wagenschuur een geluidluwe gevel en ligt de ingang aan deze gevel. Geconcludeerd kan worden dat aan het Hogere waardebeleid van de gemeente wordt voldaan. Het wegverkeer op de Tramkade leidt tot een lage geluidbelasting, ruim minder dan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai. Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren stuiten op financiële bezwaren. Voor zover mogelijk is getoetst aan het hogere waardebeleid van de gemeente. De wagenschuur heeft een geluidluwe gevel waar ook de toegang zit. Voorgesteld wordt om B&W van Midden-Delfland een hogere waarde te verlenen van Lden=53 dB.’ Er dient een hogere waarde procedure gevolgd te worden voor het plan. Afgezien hiervan kan geconcludeerd worden dat het aspect Geluid geen belemmering voor voorliggend plan.
Pagina 17 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
Ecologie Natuur is een gevoelige functie die beschermd moet worden tegen negatieve effecten. Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en Nationaal beschermde soorten. Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. Dit is conform het bestuursakkoord natuur waarin is aangegeven dat de decentralisatie van de taken en bevoegdheden op het vlak van de natuurwetgeving haar beslag zal krijgen in de Wet natuurbescherming. Provincies nemen hiermee de taak over die tot nu toe werd uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten (hierna genoemd ‘handelingen’) bij Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen) en dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen).
Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.3.1 Flora en Fauna In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan geen nadelige effecten heeft voor beschermde plant- en diersoorten in en nabij het plangebied. Indien de ontwikkeling verstoring of uitroeiing van beschermde soorten kan inhouden dient onderzocht te worden of eventuele soorten aanwezig zijn. Wanneer dit het geval is moet tevens aangetoond worden middels welke ingrepen deze verstoring voorkomen wordt dan wel gecompenseerd. Planspecifiek Voor voorliggend plan worden geen bomen gekapt, bosschages verwijderd, sloten gedempt en/of bebouwing gesloopt. Echter wordt de monumentale wagenschuur wel gerenoveerd. Hierbij kunnen mogelijk negatieve effecten optreden op gebouwbewonende beschermde diersoorten. De gemeente is gevraagd of een ecologisch onderzoek in dit geval noodzakelijk is. De gemeente zal dit intern beoordelen bij de algehele beoordeling van de ruimtelijke onderbouwing. 4.3.2 Natuurgebieden Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (extern) effect hebben op nabijgelegen natuurgebieden. De gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet vindt plaats via de Natura 2000-gebieden met Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Daarnaast zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Dit is de vroegere Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarische gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen bestaande natuurgebieden (waaronder de 20 Nationale Parken) en nieuwe natuurgebieden, landbouwgebieden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer, alle Natura 2000-gebieden en alle grote wateren van Nederland (meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee). Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie. In de praktijk blijkt echter dat de afname van stikstofdepositie als gevolg van de maatregelen niet gegarandeerd kan worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State Pagina 18 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
een uitspraak gedaan waarin de Raad oordeelt dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator. Planspecifiek De aard van het project, namelijk de realisatie van een kleinschalige learning community, in relatie tot de afstand tot voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving maken dat er geen sprake zal zijn van stikstofdeposities groter dan de maximale depositiewaarde 0,00 mol/hectare/jaar kunnen optreden. Een Aeriusberekening wordt derhalve niet noodzakelijk geacht voor de ontwikkeling.
Figuur 8. Kaart afstanden Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied (bron: Natura 2000).
Het aspect beschermde natuurgebieden, waaronder het onderdeel stikstof, vormt dan ook geen belemmering voor voorliggend plan.
Archeologie en cultuurhistorie Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als waardevol beschouwd. De Erfgoedwet, vastgesteld in 2016, regelt op welke wijze omgegaan dient te worden met archeologisch erfgoed in Nederland. In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valetta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de toenmalige Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze Wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. Vanaf de inwerkingtreding van deze (wijzigings-)wet zijn gemeenten verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen. Deze wetten zijn vervangen door de Erfgoedwet, echter overgangsrecht in de Erfgoedwet regelt dat bepaalde bepalingen uit de Monumentenwet (die dus niet in de Erfgoedwet staan) nog van kracht zijn tot de Omgevingswet van kracht is.
Pagina 19 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
Planspecifiek Archeologie De gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart van Midden-Delfland geeft aan dat de Tramkade en het achterliggende gebied een hoge archeologische verwachtingswaarde kent (zie navolgende afbeelding). Tevens is in het vigerende bestemmingsplan voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen. Voorliggend plan betreft een renovatie en inpandige verbouwing van de wagenschuur. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk indien er vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing plaatsvindt waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Het plan houdt dan ook geen aantasting van mogelijke archeologische waarden in omdat er niet in de grond geroerd wordt. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
Figuur 9. Uitsnede Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Midden-Delfland, plangebied aangegeven met rode cirkel (bron: Gemeente Midden-Delfland).
Cultuurhistorie Het plangebied is gelegen op de Levendige Buitenplaats Hodenpijl. Deze buitenplaats is een overblijfsel van een 17e -eeuwse buitenplaats, gekenmerkt door een ruim erf, vijver en hoge bomen rondom. Op het erf staan verder een oude wagenschuur en tuinmuur. De gehele voormalige buitenplaats – met de uitzonderlijke boerderij en wagenschuur – is een rijksmonument. Voorliggend plan betreft een inpandige verbouwing van de wagenschuur ten behoeve van een learning community. De wagenschuur heeft een cultuurhistorische waarde maar deze zal door voorgenomen ontwikkeling niet worden aangetast. De uiterlijke kenmerken van de wagenschuur worden zo veel mogelijk in stand gehouden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect Archeologie en Cultuurhistorie geen belemmering vormt voor voorliggend plan.
Bodemkwaliteit Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Pagina 20 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
Planspecifiek Voorliggend plan bestaat uit de het realiseren van een learning community binnen de bestaande monumentale wagenschuur op de Levendige Buitenplaats Hodenpijl. Voor voorliggend plan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2. De conclusie van het bodemonderzoek luidt: ‘De aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie. In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vereist. Het doel van het uitvoeren van dit bodemonderzoek is het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit en of deze bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het huidige en toekomstige gebruik. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk onverdacht voor bodemverontreiniging. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: • De klei met bijmengingen van baksteen op de locatie (MM1) is licht verontreinigd met zink, kwik, lood en PAK. • Het veen met bijmengingen van baksteen op de locatie (MM2) is licht verontreinigd met koper, zink, kwik en lood. • Het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 01) is licht verontreinigd met barium, molybdeen en lood.
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek dient de hypothese ‘onverdacht voor verontreiniging’ (strikt genomen) verworpen te worden, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen ons inziens niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming.’ Uit het bodemonderzoek komt naar voren dat de locatie vanuit het aspect bodem geschikt is voor het beoogd gebruik. Vanuit het aspect bodem komen dan ook geen belemmeringen naar voren.
Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit.
Toetsing van Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10)
Fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden) jaargemiddelde concentratie 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden) jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde
Advieswaarde (WHO)
40 µg / m³ 200 µg / m³
10 µg / m³
40 µg / m³ 50 µg / m³
15 µg / m³
25 µg / m³
5 µg / m³ Pagina 21
Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen roept een onderzoeksplicht in het leven binnen de in artikel 2 opgenomen zones van respectievelijk 300 meter vanaf de rand van een rijksweg en 50 meter vanaf de rand van een provinciale weg. Indien een gevoelige bestemming (geheel of gedeeltelijk) binnen die zone voorzien wordt en op de locatie waar die gevoelige bestemming wordt voorzien sprake is van een overschrijding of dreigende overschrijding van een grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM 10) of voor stikstofdioxide als bedoeld in de voorschriften 2.1 en 4.1 van bijlage 2 van de wet, is realisering van die gevoelige bestemming alleen toegestaan indien dat niet leidt tot een toename van het aantal ter plaatse verblijvende personen.
Het kan hierbij gaan om nieuw te bouwen gebouwen bedoeld voor gevoelige bestemmingen als wel om bestaande gebouwen die worden uitgebreid of die een functiewijziging ondergaan waardoor het mogelijk wordt om in een bestaand gebouw een (voor die locatie) nieuwe gevoelige bestemming te vestigen of een reeds bestaande gevoelige bestemming uit te breiden. Planspecifiek Voorliggend plan is een gevoelige bestemming en gelegen binnen de onderzoekszone. Buro Blauw heeft daarom luchtkwaliteitsberekeningen uitgevoerd voor de stoffen stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ten behoeve van de beoordeling van het woon- en leefklimaat van de wagenschuur, zie bijlage 3. Voor de berekening van de concentraties op leefniveau zijn de achtergrondconcentraties (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland) en de emissies van de mogelijke activiteiten binnen het vigerende bestemmingsplan gebruikt. Er kunnen stikstofdioxiden en fijnstof worden geëmitteerd als gevolg van verbranding van brandstof door verkeer. Gasverbruik ten behoeve van ruimteverwarming wordt eveneens meegenomen in de berekening, daar er eveneens stikstofdioxiden bij deze installatie(s) kunnen vrijkomen. Bij de planlocatie is ook een dierenverblijf gevestigd waar een klein aantal dieren wordt gehouden. Het gaat om 1 varken en 6 kalfjes. Voor de gehanteerde emissies hiervan wordt verwezen naar bijlage 3.
Onderstaand figuur toont de ligging van de planlocatie, tevens worden enkele van de meest dichtbijgelegen woningen rondom de leergemeenschap en de rijroutes aangeduid. De woningen in de nabije omgeving worden in het onderzoek als toetspunten gehanteerd. Ook wordt het plangebied zelf voorzien van toetspunten, ten behoeve van het bepalen van de luchtkwaliteit ter plekke.
Pagina 22 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
Figuur 10. Ligging plangebied en omliggende toetsingspunten (bron: Buro Blauw).
Uit het uitgevoerde onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: ‘Emissies van N0x en fijnstof vindt plaats als gevolg van verkeer wat de ontwikkelingslocatie bezoekt, de stookinstallatie en de aanwezigheid van het dierenvebrlijf. De totale emissie van NOx en PM10 door de activiteiten binnen het bestemmingsplan wordt geschat op respectievelijk 1,3 kg/jaar en 1,2 kg/jaar. De totale emissie van NOx en PM10 door de actieiveiten en verkeer bij drukke wegen wordt geschat op respectievelijk 428.886,0 kg/jaar en 27.191,7 kg/jaar. In dit onderzoek zijn de concentraties fijsntof en NO2 als gevolg van de activiteiten getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit, vastgesteld in de Wet Milieubeheer. Uit het onderzoek worden de volgende conclusies getrokken: 1. De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie NO 2 van 40 µg / m³ wordt in de aangevraagde situatie niet overschreden. Ook de grenswaarde van NO2 als uurgemiddelde van 200 µg / m³ wordt niet vaker dan het wettelijk maximaal aantal van 18 keer overschreden. 2. De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM 10 van 40 µg / m³ wordt niet overschreden. Ook de grenswaarde van PM10 als 24-uursgemiddelde van 50 µg / m³ wordt niet vaker dan het wettelijk maximaal aantal van 35 keer overschreden. 3. De jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 van 25 µg / m³ wordt niet overschreden.
Als gevolg van de ontwikkeling van het leercentrum aan de Tramkade 24 te Schipluiden worden de grenswaarden uit de Wet Milieubeheer niet overschreden. Wat betreft luchtkwaliteit is er zodoende sprake van een voldoende goed woon-en leefklimaat.’
Pagina 23 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
Voorts is de huidige situatie ten aanzien van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is de site atlasleefomgeving geraadpleegd. De meetwaarden van 2020 voor NO2, PM10 en PM2,5 zijn aan onderstaande tabel toegevoegd.
Toetsing van Stof Stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde
Advieswaarde (WHO)
Meetwaarde 2020 (RIVM)
40 µg / m³ 200 µg / m³
10 µg / m³
18,7
40 µg / m³ 50 µg / m³
15 µg / m³
16,1
25 µg / m³
5 µg / m³
8,4
De meetwaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 voldoen aan de wettelijke grenswaarden. De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en PM2,5 van respectievelijk 10, 15 en 5 gram per kuub, hier wordt (net) niet aan voldaan. Dit ligt lager dan de wettelijke grenswaarden. Voorliggend plan is getoetst aan het wettelijk vereiste. Tevens is voor de situatie in 2030 de luchtkwaliteit middels de navolgende afbeeldingen inzichtelijk gemaakt.
Pagina 24 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
Figuur 11. Luchtkwaliteit concentratie stikstof, fijnstof PM10 en fijnstof PM2,5 in 2030, plangebied nabij zwarte pijl. (bron: NSL Monitoringstool).
Uit bovenstaande figuur kan geconcludeerd worden dat de concentraties in 2030 vooralsnog voldoen aan de wettelijke grenswaarden. Ten opzichte van volwassenen zijn kinderen om meerdere redenen extra gevoelig voor blootstelling aan luchtverontreiniging. Een school/opvang is daarom aangemerkt als een gevoelige bestemming. Het Rijk heeft bepaald dat gevoelige bestemmingen niet zijn toegestaan langs rijkswegen en provinciale wegen als daar sprake is van een (dreigende) overschrijding van de normen. Uit het luchtkwaliteitsonderzoek (bijlage 3) komt naar voren dat de grenswaarden uit de Wet milieubeheer niet worden overschreden en er sprake is van een voldoende goed woon-en leefklimaat. Daarnaast kan opgemerkt worden dat, ondanks de ligging van het plangebied nabij de rijksweg, de buitenplaats als perfecte leeromgeving voor kwetsbare kinderen dient en vanuit maatschappelijk belang de locatiekeuze goed te motiveren is.
Pagina 25 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
De buitenplaats biedt namelijk een plek voor kinderen om op hun eigen tempo te leren en in contact te komen met de natuur. De planlocatie is hiervoor bij uitstek geschikt door de aanwezigheid van een groot groen veld, een moestuin en groentekas. Het plan biedt als alternatief voor het reguliere onderwijs een plek waar kinderen in een kleinschalige leeromgeving met persoonlijke aandacht zichzelf kunnen ontplooien en ontwikkelen. Het plan dient hierbij een maatschappelijk belang en biedt kwetsbare kinderen een plek om zich te ontwikkelen. De buitenplaats is door het reeds bestaande educatieve en groene karakter een perfecte plaats om deze kinderen op te vangen. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen beletsel voor dit plan.
Externe Veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; (Bevi staat voor Besluit externe veiligheid inrichtingen) • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Deze begrippen worden hieronder toegelicht. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²).
Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is, dit risico moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico des te zwaarder de verantwoording is.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden
Pagina 26 Ruimtelijke onderbouwing Tramkade 24 te Schipluiden
blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedsfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Voor sommige transportassen wordt rekening gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG).