08 Natuurtoets Schieweg 192 Schipluiden
Tekst van het document
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
Bijlage 1.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: https://www.natura2000.nl/ Voortoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze Voortoets blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen. Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de ‘Voortoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, beoordeelt het bevoegd gezag of deze negatieve gevolgen in het licht van de instandhoudings-doelstellingen aanvaardbaar zijn (zie verder Bijlage 1.6).
Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000- gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden. Specifieke zorgplicht Natura 2000 In de Ow is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000gebieden en bijzondere nationaal natuurgebieden (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6, 1e lid Bal).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
Ook moet worden nagegaan of nadelige gevolgen op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan moeten passende preventieve maatregelen genomen worden (art. 11.6, 2e lid onder d). Wanneer dit niet mogelijk is dienen passende herstelmaatregelen getroffen worden (art. 11.6, 2e lid onder f). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze maatregelen wordt gemonitord. De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten, maar ook voor activiteiten die conform een Natura 2000-beheerplan worden uitgevoerd of activiteiten die géén kans hebben op een significant gevolg. Bijlage 1.3.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Aanwijzing en begrenzing De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform art. 2.44, lid 4 Ow en art. 7.6, 1e lid Bkl. De instructieregels voor de aanwijzing, begrenzing en de reikwijdte van het NNN zijn opgenomen in artikel 7.5 en artikel 7.6 Bkl. In de Omgevingsverordening zijn (instructie)regels gesteld voor Omgevingsplannen van gemeenten en projectbesluiten (art. 7.8, 1e lid Bkl).
Deze regels zijn gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Wezenlijke kenmerken en waarden De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden vastgesteld per Omgevingsverordening door de provincie conform artikel 7.7 Bkl. In de Omgevingsverordening is daartoe een natuurbeheerplan vastgesteld waar in de regel de bestaande natuurwaarden en het ambitieniveau zijn aangegeven middels natuurbeheertypen. Per provincie kunnen de wezenlijke kenmerken en waarden verschillend zijn gedefinieerd. Beschermingsregime Het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in art. 7.8, 2e lid Bkl, dat een instructieregel betreft voor uitwerking van het beschermingsregime in de Omgevingsverordeningen van provincies: In elk geval wordt verzekerd dat de kwaliteit en oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland niet achteruit gaat, dat de samenhang tussen de verschillende gebieden van het netwerk wordt behouden en dat, als binnen het NNN activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN behouden blijven.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
Onder de Ow geldt geen strikt ‘nee, tenzij’-principe meer, maar een ‘ja, mits’-principe. Bijlage 1.3.3 Overige gebiedsbescherming Provincies kunnen zogeheten bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art. 2.44, lid 5 Ow). Een voorbeeld hiervan zijn de ‘Bijzonder Provinciale Landschappen’ van de Provincie Noord-Holland. De regels met betrekking tot juridische bescherming van deze gebieden zijn gepubliceerd in de provinciale Omgevingsverordening. Bijlage 1.3.4 Houtopstanden Anders dan bij beschermde gebieden en soorten kent de Omgevingswet geen specifieke term voor een activiteit waarbij een houtopstand wordt gekapt. De regels voor de bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 11.3 Bal. Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door een algemene meldplicht (art. 11.126 Bal) en herplantplicht (art. 11.129 Bal) voor houtopstanden vanaf 10 are of meer of bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten ‘bebouwingscontour houtkap’ (art. 11.111, lid 2 Bal).
Bijlage 1.4 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt geconcludeerd dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aanwezig worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen. Bijlage 1.4.1 Omgevingsvergunning Ow Indien negatieve effecten niet uit te sluiten zijn en er geen alternatieven zijn, is een aanvraag omgevingsvergunning waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van: Een activiteitenplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied. Deze is drie 3 tot 5 jaar geldig. De overheid heeft een digitale omgeving ingericht voor alle uitgewerkte regels, namelijk het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Alle vergunningsaanvragen met betrekking tot de Ow en het contact hierover lopen via het DSO. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Het bevoegd gezag handhaaft bepalingen uit vergunningen en de eventuele werking van de Ow bij projecten waar geen vergunning voor is aangevraagd. Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door het bevoegd gezag. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes, strafrechtelijke vervolging en het stilleggen van werkzaamheden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
Bijlage 1.5 Europese wetgeving Bijlage 1.5.1 Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn (HRl) wordt algemeen beschouwd als de richtlijn waarin de bepalingen van de Conventie van Bern (1979, in werking 1982) in het Europees Gemeenschapsrecht zijn omgezet. Hij heeft zowel een gebiedsbeschermend doel als een doel met betrekking tot soortbescherming. Gebiedsbescherming De Habitatrichtlijn is gericht op de realisatie van een coherent Europees ecologisch gebiedennetwerk, het zogenaamde Natura 2000netwerk. Hiervoor dienen de EU-landen in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aan te wijzen, soms in combinatie met Vogelrichtlijngebieden (zie Bijlage 1.5.2). Als speciale beschermingszones worden alleen gebieden aangewezen met natuurlijke vegetaties (habitats) genoemd in Bijlage I van de Habitatrichtlijn en/of de leefgebieden van diersoorten die zijn genoemd in Bijlage II (zie kader). De aanwijzing van gebieden als speciale beschermingszone heeft een aantal gevolgen. Zo dienen de EU-landen maatregelen te treffen zodat de natuurlijke vegetaties (habitats) en/of de leefgebieden van de te beschermen soorten zich verder kunnen ontwikkelen.
Binnen de aangewezen gebieden kunnen plannen of projecten die ‘significante gevolgen’ op deze ontwikkeling hebben alleen worden toegestaan indien ze een dwingende reden van groot openbaar belang vertegenwoordigen en indien is aangetoond dat voor het plan of project in kwestie geen alternatief is. Bovendien moeten als vergoeding voor de natuurwaarden die worden aangetast, compenserende maatregelen worden getroffen om de samenhang van het Natura 2000-netwerk te waarborgen. Soortbescherming De Habitatrichtlijn beschermt soorten die voorkomen in Bijlage IV. In deze Bijlage zijn soorten opgenomen waarvoor geen verplichting geldt om hun leefgebied als speciale beschermingszone aan te wijzen maar die wel op een andere wijze bescherming behoeven. Zo dienen de EU-landen voor deze soorten onder meer een verbod in te stellen op de beschadiging of de vernieling van hun voortplantings-, groeien rustplaatsen en moet een verbod gelden op het vangen, vernielen en doden van deze planten en dieren.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
Kader Bijlagen van de Habitatrichtlijn.
Bijlage Bijlage I
Omschrijving In deze bijlage staat een lijst met beschermde vegetaties (habitats) waarvoor Habitatrichtlijngebieden worden aangewezen. In Nederland gaat het om 52 habitattypen, waarvan 11 prioritaire typen met een zwaarder beschermingsregime. Bijlage II In deze bijlage staat een lijst met 50 diersoorten en 5 plantensoorten waarvoor beschermde gebieden moeten worden aangewezen In Nederland betreft het 36 soorten. Bijlage III Deze bijlage geeft diverse wetenschappelijke selectiecriteria voor de onderlinge beoordeling van mogelijke beschermingszones. Deze criteria hebben vooral te maken met de mate van representativiteit, de oppervlakte, de mate van instandhouding en de herstelmogelijkheden van de habitattypen. Bijlage IV In deze bijlage staat een lijst met 87 diersoorten en 4 plantensoorten waarvoor de lidstaten beschermingsmaatregelen moet nemen. Bijlage V In deze bijlage staat een lijst met 43 plantensoorten en 19 diersoorten waarvoor exploitatie en onttrekken aan de natuur -indien nodig- moet worden gereguleerd.
Bijlage 1.5.2 Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn (VRL) verplicht de lidstaten van de Europese Unie de instandhouding te garanderen van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Europese verdrag van toepassing is. Artikel 4 van de Vogelrichtlijn bevat, net als de Habitatrichtlijn, de verplichting tot het aanwijzen van zogenaamde speciale beschermingszones. Deze ‘Vogelrichtlijngebieden’ beschermen in Nederland 95 vogelsoorten (van Bijlage I van de richtlijn). Vogelrichtlijngebieden zijn vervolgens, vaak samen met Habitatrichtlijngebieden, ingevoegd in het Natura 2000-netwerk.
Bijlage 1.6 Gebiedsbescherming Natura 2000 Bijlage 1.6.1 Algemeen In de Ow is de bescherming van gebieden en soorten geregeld en zijn ook de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn opgenomen. Zoals we hierboven gezien hebben zijn de Habitatrichtlijngebieden en Vogelrichtlijngebieden ingevoegd in het Natura 2000-netwerk. Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden worden onder de Omgevingswet met een aanwijzingsbesluit aangewezen (artikel 2.44 van de Ow). De aanwijzing van Natura 2000-gebieden geschiedt bij besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In het aanwijzingsbesluit dienen (onder andere) de instandhoudingsdoelstellingen en de begrenzing voor het betrokken Natura 2000-gebied te worden vastgesteld. Instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld in artikel 2.43 Omgevingswet geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Herstel in geval van habitattypen kan zowel uitbreiding oppervlakte als verbetering kwaliteit betreffen. In het geval van een herstelopgave voor soorten kan het gaan om uitbreiding van de omvang van het leefgebied. En om verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor uitbreiding van de populatie. Bijlage 1.6.2 Beheerplan De provincie maakt voor een aangewezen Natura 2000-gebied een beheerplan (artikel 3.8 lid 3 en 3.9 lid 3 Omgevingswet). In uitzonderingsgevallen kan dit de verantwoordelijke minister zijn voor het gebied. Hoewel het de naam van een plan heeft, is het als instrument in het stelsel van de Omgevingswet een programma. Het beheerplan Natura 2000-gebied bevat de uitwerking in omvang, ruimte en tijd van de instandhoudingsdoelstellingen. Ook worden de te nemen maatregelen in samenhang beschreven (artikel 4.26 Bkl). Het is kader stellend. Een beheerplan wordt uiterlijk binnen drie jaar na aanwijzing van een Natura 2000-gebied vastgesteld (artikel 10.18 lid 2 Omgevingsbesluit). Verder wordt het elke zes jaar geactualiseerd (artikel 10.18 lid 1 Omgevingsbesluit).
In het beheerplan staan de beoogde resultaten: hoe helpen de maatregelen om de natuurwaarden te beschermen, te herstellen of te ontwikkelen? Het beheerplan onderscheidt de maatregelen naar de verschillende habitats en soorten (artikel 4.26 Bkl). Het bevoegd gezag kan het beheerplan gebruiken om beleid vast te stellen. Dit beleid kan gehanteerd worden bij vergunningen en besluiten op grond van de Omgevingswet. Het beheerplan krijgt dan voor dit onderdeel het karakter van een beleidsregel. Het beheerplan geeft ook duidelijkheid over de ruimte die er is voor bepaalde activiteiten en economische ontwikkelingen. Daarom heeft het beheerplan ook het karakter van een vrijstelling. Activiteiten die volgens het beheerplan overeenstemmen met de instandhoudingsdoelstellingen, vallen niet langer onder de vergunningplicht. Bijlage 1.6.3 Beoordeling van plannen, projecten en andere handelingen Voor een plan of een project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn maakt het bestuursorgaan dat het plan vaststelt, de aanvrager van de betrokken omgevingsvergunning, of het bevoegd gezag voor het projectbesluit een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, van die richtlijn, van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Een passende beoordeling moet gemaakt worden als een activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
activiteiten significante gevolgen kan hebben voor een Vogel- of Habitatrichtlijngebied. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten (Ow art. 16.53c). Als die zekerheid niet kan worden verkregen, moet voldaan zijn aan elk van de volgende voorwaarden (art. 16.53c, artikel 10.24 lid 2 Bkl).): a. er zijn geen alternatieve oplossingen; b. het plan of project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De voorwaarden zijn nog strenger wanneer er significante gevolgen kunnen zijn voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort. In plaats van punt b hierboven geldt dan dat het nodig is vanwege (art. 16.53c): d. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of e. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.
Significantie Gevolgen zijn ‘significant’ wanneer de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied op lange termijn niet gerealiseerd kunnen worden. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort dan wel de kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, kan sprake zijn van significante gevolgen. Bijlage 1.6.4 Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld in de Omgevingswet beschrijven de doelen voor de instandhouding van leefgebieden, natuurlijke habitats en populaties in het wild levende plant- en diersoorten, zoals vereist door de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Deze natuurwaarden moeten in een gunstige staat van instandhouding gebracht of gehouden worden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
De ‘staat van instandhouding’ van een natuurlijke habitat wordt als ‘gunstig’ beschouwd wanneer: het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is. De ‘staat van instandhouding’ voor een soort wordt als ‘gunstig’ beschouwd wanneer: uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. Beschermde natuurmonumenten Bij een Beschermd Natuurmonumenten gaat het om de wezenlijke kenmerken (natuurschoon, natuurwetenschappelijke betekenis, dieren en planten) die in het aanwijzingsbesluit zijn vermeld en of handelingen schadelijk kunnen zijn en deze wezenlijke kenmerken aantasten.
Bijlage 1.6.5 Externe werking Zowel projecten en andere handelingen in- als buiten een Natura 2000-gebied kunnen vergunningplichtig zijn. De wet kent namelijk de externe werking. Dit houdt in dat als een activiteit, die buiten een beschermd gebied plaats zal vinden, negatieve gevolgen kan hebben voor dat gebied, deze beoordeeld moet worden. Bijlage 1.6.6 Bestaand gebruik Onder bestaand gebruik dient te worden verstaan: “gebruik dat op 31 maart 2010 bekend is, of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn bij het bevoegd gezag”. Voor bestaand gebruik is in principe geen vergunning benodigd. Bestaand gebruik is echter niet vergunningsvrij als sprake is van een project met mogelijk significante effecten voor een Natura 2000-gebied.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
Bijlage 1.6.7 Stikstof Al jaren is in veel Natura 2000-gebieden sprake van een overschot aan stikstofdepositie, veroorzaakt door landbouw, verkeer en overige menselijke activiteit. Dit is schadelijk voor de natuur en het belemmert vergunningverlening voor economische activiteiten. Vanwege een uitspraak van de Raad van State d.d. 29 mei 2019 kan niet meer gebruik gemaakt worden van automatische vergunningverlening op grond van de voorheen geldende drempelwaardes voor stikstofdepositie. Aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve gevolgen kunnen zijn op Natura 2000-gebieden. Op grond van Afdeling 2.3 van de Ow worden omgevingswaarden vastgesteld met het oog op de doelen van de wet (artikel 2.9 van de Ow). Met dit instrument kan de gewenste te bereiken kwaliteit voor de fysieke leefomgeving worden vastgelegd. Op grond van artikel 2.15a van de Ow heeft het Rijk omgevingswaarden voor stikstofdepositie vastgesteld. Het gaat dan om het percentage van het areaal van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden waarop de depositie van stikstof niet groter is dan de hoeveelheid in mol per hectare per jaar waarboven verslechtering van de kwaliteit van die habitats niet op voorhand is uit te sluiten. Dit percentage is in 2025 tenminste 40%, in 2030 tenminste 50% en in 2035 tenminste 74%.
Op grond van artikel 2.15a lid 2 van de Ow zijn deze omgevingswaarden bedoeld als resultaatsverplichtingen. Om de depositie van een project te berekenen moet de meest recente versie van de rekentool ‘Aerius’ (AERIUS 2023) worden gebruikt. Als de projectbijdrage op de meest nabijgelegen ‘stikstofgevoelige habitattypen’ hoger is dan een berekende 0,005 mol/ha/jaar zijn mogelijk gevolgen te verwachten. Bijlage 1.6.8 Vergunningverlening Wanneer plannen bestaan om een project in- of rond een Natura 2000-gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegd gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Voor het uitvoeren van projecten in of nabij beschermde gebieden is vaak een vergunning op grond van de Omgevingswet (Ow) nodig. De hoofdvraag is of er een kans op significant negatieve gevolgen bestaat. Dat is het geval als op grond van objectieve gegevens niet valt uit te sluiten dat het project significante gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het gebied. Op deze vraag zijn twee antwoorden mogelijk:
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden Wanneer uit een voortoets kan worden afgeleid dat als gevolg van een project geen significant negatieve effecten op een Natura 2000-gebied optreden betekent dit dat geen vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming nodig is. Wel geldt altijd de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden (art. 11.6 Bal). Er is kans op een significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening (artikel 5.1 lid 1) aan de orde is. Omdat er kans op een significant negatief effect bestaat, is een passende beoordeling vereist (artikel 16.53c). Uit dit onderzoek, waarbij ook cumulatieve effecten moeten zijn meegenomen, kan blijken (1) dat er geen kans is op een negatief effect. In dat geval wordt de vergunning verleend. Ook kan blijken dat (2) er kans is op een aanvaardbaar negatief effect. In dat geval wordt de vergunning verleend onder voorschriften/beperkingen. Wanneer de gevolgen (3) inderdaad significant blijken te kunnen zijn moet aangetoond worden dat er geen alternatieven zijn, dat er een dwingende reden van groot openbaar belang is en dat voorzien is in compensatie. De aanvrager moet in de vergunningaanvraag zijn belang bij het verlenen van de vergunning motiveren.
Binnen acht weken na datum van ontvangst wordt beslist of de vergunning verleend wordt, of dat de termijn eenmalig met zes weken wordt verlengd (enkelvoudige aanvraag). Bij een meervoudige aanvraag met daarin een flora- en fauna-activiteit kan advies en instemming nodig zijn. In dat geval kan de reguliere procedure verlengd worden met 4 weken. Ook kan sprake zijn van een uitgebreide procedure (beslistermijn 6 maanden en de mogelijkheid tot verlenging met redelijke termijn) bij bijvoorbeeld een enkelvoudige Natura 2000-activiteit of bij een meervoudige aanvraag met daarin een Natura 2000-activiteit.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl