08 Natuurtoets Schieweg 192 Schipluiden
Tekst van het document
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
G&G-rapport 2024-038
Toetsing in het kader van de natuurwetgeving
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden Toetsing in het kader van de natuurwetgeving
R. Zimmerman
2024
Opdrachtgever Bemiddelings- en Adviesbureau Van Leerdam B.V.
G&G-rapport 2024-038
Datum Versie
5 april 2024 V1
Gecontroleerd door: F.M. van Groen De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde natuurwaarden van toepassing zijn.
Bovendijk 35-G
Hazenkoog 35-A
2295 RV Kwintsheul
1822 BS Alkmaar
www.vandergoesengroot.nl
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
3
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding
4
1.1
Aanleiding en doel ................................................................................................... 4
1.2
Het plangebied......................................................................................................... 7
1.3
Leeswijzer ................................................................................................................ 7
Methode 2.1
8
Gebiedsbescherming ............................................................................................... 8 2.1.1 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................ 8
4
5
Projectbeschrijving
11
4.1
Huidige situatie ...................................................................................................... 11
4.2
Werkzaamheden en plansituatie........................................................................... 11
Toetsing Natuurnetwerk Nederland (NNN)
13
5.1
Algemeen ............................................................................................................... 13
5.2
Toetsing ................................................................................................................. 14 5.2.1 Aanwezigheid van natuurwaarden.......................................................................... 15 5.2.2 Oppervlakteverlies .................................................................................................. 16 5.2.3 Storende factoren ................................................................................................... 16 5.2.4 Effect op openheid van het landschap .................................................................... 19 5.2.5 Effect op bodem- en watercondities ....................................................................... 19 5.2.6 Beleving landschap .................................................................................................. 20
5.3
7
Conclusie ................................................................................................................ 20
Samenvatting van de conclusies 7.1
23
Toetsing NNN ......................................................................................................... 23
8
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur
24
9
Bijlagen
26
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
4
1
Inleiding 1.1
Aanleiding en doel De heer M. Oosten en mevrouw M. Heimens Visser willen op het kavel van Schieweg 192 te Schipluiden een kleinschalig trekkersveld realiseren. Namens de initiatiefnemers heeft Bemiddelings- en Adviesbureau Van Leerdam B.V. aan ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot opdracht gegeven de realisatie van het trekkersveld te toetsen aan de provinciale natuurwetgeving met betrekking tot het NNN (Natuurnetwerk Nederland). In 2023 heeft al een quickscan beschermde soorten in het plangebied plaats gevonden (OVERDUIN, 2023). Sinds 1 januari 2024 valt deze wetgeving onder de Omgevingswet (hierna Ow). De Ow bundelt een groot aantal wetten en regels voor de leefomgeving, waaronder de voormalige Wet Natuurbescherming (Wnb). De Wnb op haar beurt is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet destijds zijn samengevoegd. Onder de Ow valt soortbescherming en ook gebiedsbeschermende wet- en regelgeving. Gebieden kunnen beschermd zijn als Natura 2000-gebied, als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (NNN, voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als houtopstand (zie Bijlage 1.3). Daarnaast kunnen provincies zogeheten bijzondere
De ligging van het plangebied (rood omlijnd).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
5
provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art. 2.44, lid 5 Ow). Natura 2000 Het plangebied ligt op meer dan 8 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Oude Maas (zie Figuur 2). Gezien de grote afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Aanbevolen wordt een analyse uit te voeren van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als deze depositie boven 0,00 mol/ha/jaar komt bestaat een vergunningsplicht. Houtopstanden Er worden geen buiten de (volgens de Ow bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond hiervan wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 2 en Figuur 3).
Gezien de ligging van het plangebied binnen het NNN is een toetsing van de gevolgen van dit plan voor de effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden in het NNN zeker aan de orde. Conclusie In dit rapport wordt daarom een NNN-toets uitgevoerd.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
6
Ligging van het plangebied (rode pijl) ten opzichte van Natura 2000-gebied, beschermde Weidevogelleefgebieden, natuurverbindingen en het NNN.
Natura 2000 NatuurNetwerk Nederland
Natura 2000-gebied Oude Maas
NNN: ecologische verbinding Belangrijk weidevogelgebied
Ligging van het plangebied (rood omlijnd) met precieze begrenzing van het NNN.
Natura 2000 NatuurNetwerk Nederland NNN: ecologische verbinding Belangrijk weidevogelgebied
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
1.2
7
Het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven. In Figuur 2 is aangegeven hoe de locatie is gelegen ten opzichte van Natura 2000gebieden, Belangrijke weidevogelgebieden en het NNN. In Figuur 3, staan de precieze omgrenzing bij het plangebied van Belangrijk weidevogelgebied en het NNN-gebied aangegeven. Het plangebied betreft een buitenplaats en bevindt zich in de landelijke omgeving van Schipluiden. Direct ten oosten van het plangebied ligt de Delftsche Schie, een brede watergang. Ten zuiden, westen en noorden wordt het plangebied omringd door poldersloten. Direct ten westen buiten het plangebied ligt een geriefbosje. Verder liggen in de ruimere omgeving van het plangebied uitgestrekte veenweidegebieden.
1.3
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt aangegeven hoe de toetsing is uitgevoerd. In hoofdstuk 4 wordt een beschrijving gegeven van het project dat getoetst moet worden. In hoofdstuk 5 wordt het project getoetst aan de bepalingen die gelden voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tenslotte worden in hoofdstuk 7 en 8 de conclusies op een rij gezet en wordt een literatuurlijst gepresenteerd. In Bijlage 1 wordt aangegeven hoe de wetgeving rond Natura 2000 en NNN-gebieden is ontstaan en wat deze wetgeving precies inhoudt. Tevens komt de bescherming van soorten aan de orde.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
8
2
Methode 2.1
Gebiedsbescherming Gebieden kunnen beschermd zijn als Natura 2000-gebied, onderdeel van het NNN, als grootschalige houtopstand of als bijzondere provinciaal natuurgebied of bijzondere provinciaal landschap.
2.1.1
Natuurnetwerk Nederland Bij een ingreep in het NNN wordt getoetst in hoeverre een ingreep de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied aantast en of er sprake kan zijn van een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het NNN. De wezenlijke kenmerken en waarden zijn gedefinieerd als de in een gebied aanwezige natuurwaarden en de potentiële natuurwaarden, de daarvoor vereiste bodem- en watercondities en de voor het gebied kenmerkende landschapsstructuur en belevingswaarden. De natuurwaarden waarop getoetst wordt betreffen de natuurdoelen die in het NNN-gebied worden nagestreefd. Het gaat dan onder meer om de aanwezige beheertypen. Zuid-Holland De ruimtelijke bescherming van het NNN in Zuid-Holland is geregeld in de Omgevingsverordening. Verder zijn in deze verordening regels opgenomen die moeten borgen dat het NNN er in areaal, samenhang en kwaliteit niet op achteruit gaat. Sinds 1 januari 2024 is de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) van kracht. Op de website van de provincie Zuid-Holland is gekeken welke beheertypen in en in de omgeving van het plangebied liggen. Tevens werd tijdens het veldbezoek aan het plangebied op 15 maart 2024 beoordeeld welke abiotische en ruimtelijke condities aanwezig zijn in het plangebied en wat de kwaliteit hiervan is.
Tevens is het plangebied bezocht om eventuele incidentele waarnemingen te doen van relevante flora en fauna (voor zover waarneembaar). Op basis van de verzamelde gegevens is met behulp van analyse en expertkennis is een effectbeoordeling gemaakt.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
3
9
Aanwezige biotopen In dit hoofdstuk worden de aanwezige biotopen binnen het plangebied beschreven. Deze biotopen worden onderverdeeld in verschillende typeringen: grasland, groenstructuren en wateren en oevers. Grasland Het plangebied bestaat grotendeels uit agrarisch grasland met eutrofe soorten als Ridderzuring, Grote brandnetel, Kleine veldkers, Speerdistel en Paarse dovenetel. Op het graslandperceel is veel variatie in hoogte van de vegetatie. De paden en tentplaatsen worden frequent gemaaid en de delen tussen de tentplaatsen zijn meer verruigd. Tijdens het veldbezoek had het grasland geen natte of vochtige delen. Groenstructuren Aan de zuidwestkant van het graslandperceel nabij het geriefbosje bevindt zich een braamstruweel. Aan de noord- en zuidkant staan jonge wilgen met een geringe stamomtrek die dienen als natuurlijke afscherming. Het geriefbosje ten zuidwesten van het plangebied bestaat uit wilgen en is verder begroeid met braam. Ten oosten van het graslandperceel bevindt zich een windsingel met hoge opgaande begroeiing. Wateren en oevers Rondom het graslandperceel bevinden zich watergangen met natuurvriendelijke oevers. De oevers zijn begroeid met soorten als Riet en Gele lis. In de watergangen zelf zijn beperkt waterplanten aanwezig en de bodem van enkele watergangen is bedekt met een laag afgevallen bladeren, afkomstig van de omliggende bomen.
Overig Binnen het plangebied ontbreken bebouwing, hoge bomen en open oppervlaktewateren.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
10
Boven: de zuidkant van het plangebied met links één van de watergangen en de jonge wilgen. Op de achtergrond is het geriefbosje zichtbaar. Onder: Eén van de reeds aanwezige tentplaatsen met toegangspad.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
4
11
Projectbeschrijving In onderstaande paragrafen wordt een overzicht gegeven van de situatie die getoetst moet worden.
4.1
Huidige situatie Het plangebied bestaat uit een graslandperceel omsloten door watergangen. Aan de noordwestkant en zuidwestkant zijn dammen aanwezig richting de naastgelegen percelen. Aan de noordoostkant en zuidoostkant zijn bruggen aanwezig die als toegang naar het graslandperceel dienen. Op het graslandperceel zijn al enkele looppaden en tentplaatsen aanwezig. Hier is het gras kort gemaaid. Aan de noordkant en zuidkant is al een natuurlijke afscheiding aangeplant. De in het plangebied aanwezige biotopen staan beschreven in hoofdstuk 3.
4.2
Werkzaamheden en plansituatie Tijdens de aanlegfase in de eerste helft van mei worden extra tentplaatsen en looppaden gemaaid met behulp van een zitmaaier. Tijdens de aanwezigheidsfase zal de vegetatie op de tentplaatsen en de looppaden kort gehouden worden. Naast het creëren van extra tentplaatsen en looppaden zal het maaibeheer niet veranderen. In de huidige situatie worden delen van het grasland al gemaaid. Het grasveld zal tijdens de aanwezigheidsfase gebruikt worden als seizoensgebonden trekkersveld met maximaal 10 tenten. De tenten hebben een maximaal grondoppervlak van 10 m2 en een maximale stahoogte van 1,80 meter. De tenten zullen tijdens het toeristenseizoen niet permanent aanwezig zijn en alleen bij gebruik opgezet worden. De doelgroep van het trekkersveld betreft met name recreanten op de fiets. Het verblijf van de gasten is kortdurend en zal zich beperken tot één nacht per bezoeker. Vanwege het herhaaldelijk opzetten van tenten bij het gebruik van het trekkersveld, alsmede de tijdelijke aard van de tenten, wordt het opzetten van de tenten gerekend onder de aanwezigheidsfase. Tevens wordt het onderhoud van de looppaden en tentplaatsen gerekend onder de aanwezigheidsfase. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit maaien van delen van het graslandperceel.
Bij uitvoering van het werk kan door geluid en aanwezigheid van mensen verstoring optreden van (beschermde) soorten. Planning Volgens planning zal het seizoensgebonden trekkersveld tussen half mei tot eind september 2024 gebruikt worden om vervolgens jaarlijks
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
12
tussen half mei en eind september gebruikt te worden. De cyclus van werkzaamheden en activiteiten zal dan jaarlijks plaatsvinden. Materieel De werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een zitmaaier en door middel van handwerk.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
5
13
Toetsing Natuurnetwerk Nederland (NNN) 5.1
Algemeen Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen EHS (Ecologische Hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van (inter-)nationaal belangrijke, duurzaam te behouden ecosystemen. Dit netwerk vormt de basis voor de Nederlandse bijdrage aan het behoud van de mondiale biodiversiteit. De EHS is geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan van het toenmalige ministerie van LNV (1990). In 2014 is de term Natuurnetwerk Nederland (NNN) geïntroduceerd om de term 'Ecologische Hoofdstructuur' (EHS) te vervangen. In navolging van het Rijk hanteert ook de provincie Zuid-Holland de term NNN. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. Het NNN is planologisch beschermd. Dit betekent dat ingrepen in het NNN alleen zijn toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben, of als negatieve effecten kunnen worden tegengegaan door het nemen van mitigerende maatregelen. Heeft een ingreep wel een significant negatief effect op de ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ van een NNN-gebied, dan geldt het ‘nee, tenzij regime’. Een project kan dan alleen doorgaan als er geen reële alternatieven zijn en als sprake is van een groot openbaar belang. Als een ingreep wordt toegestaan moet de initiatiefnemer de (potentiële) natuurwaarden die verloren gaan, op eigen kosten compenseren.
Voor gronden die grenzen aan het NNN, maar daar zelf buiten liggen, gelden geen beperkingen. Het NNN heeft, in tegenstelling tot Natura2000-gebieden, geen ‘externe werking’ die een toets van gebruik aangrenzend aan het natuurgebied verplicht stelt. Alle Natura 2000-gebieden liggen overigens ook vrijwel geheel binnen het NNN. Sinds de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 kan het ‘nee, tenzij regime’ vervangen worden door een ‘ja, mits regime’, afhankelijk van de regels in de provinciale Omgevingsverordeningen. In dat geval kan, bij een significante aantasting, een ingreep alleen doorgaan wanneer sprake is van compensatie.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
14
5.2
Toetsing Het begrip ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ is direct gekoppeld aan de planologische bescherming van het NNN-gebied. Bij een ingreep in het NNN wordt getoetst in hoeverre een ingreep de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied aantast. De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN zijn vastgesteld in de Omgevingsverordening middels een natuurbeheerplan (conform artikel 7.7 Bkl.). Hierin zijn de bestaande natuurwaarden en het ambitieniveau aangegeven middels natuurbeheertypen. Het realiseren van het seizoensgebonden trekkersveld valt binnen het NNN en betreft het beheertype N13.01 Vochtig weidevogelgrasland (zie Figuur 4, bron provincie Zuid-Holland). De natuurwaarden waarop getoetst zal worden betreffen de natuurdoelen die in het NNN-gebied worden nagestreefd. Het gaat in dit geval om bovengenoemd beheertype.
De ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het beheertype N13.01 Vochtig weidevogelgrasland van het NNN, bron Provincie Zuid-Holland.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
5.2.1
15
Aanwezigheid van natuurwaarden In hoofdstuk 3 werden de aanwezige biotopen beschreven en in §4.1 werd de huidige situatie weergegeven. De natuurwaarden waarop getoetst zal worden betreft het beheertype N13.01 Vochtig weidevogelgrasland. Vochtig weidevogelgrasland omvat natte en vochtige graslanden met primair een weidevogeldoelstelling; beiden zijn belang voor een diversiteit in soorten. De zuurgraad dient matig zuur tot neutraal te zijn, de voedselrijkdom is minimaal licht voedselrijk. Goede weidevogelgraslanden worden gekenmerkt door een open karakter, een mozaïek van diverse vormen van graslandbeheer en soorten als Grutto, Kievit, Scholekster en Tureluur. Ook eenden als Zomertaling en Slobeend zijn kenmerkend. Een goede kwaliteit kenmerkt zich door een mozaïek van verschillende beheersvormen van grasland (diversiteit in maaidata, beweiding, plasdras etc.), een rijke en bereikbare bodemfauna, insectenrijkdom (‘kuikengrasland’), een open landschap met weinig dekking voor predatoren en brede, rijkbegroeide slootkanten. Heel laat gemaaide delen (na 1 augustus) zijn van belang voor de kwartelkoning, andere vogelsoorten en insecten. Het maai- en graasbeheer wordt zodanig gevoerd dat zo min mogelijk jongen van weidevogels slachtoffer worden van beheeringrepen. De graslanden worden bemest met organische mest om het aanbod van voedsel te verzorgen voor weidevogels (BIJ12, 2023).
In het grasland van het plangebied ontbreken natte en vochtige delen. Door de aanwezigheid van het geriefbosje, het struweel van braam, de jonge wilgen en de windsingel is de openheid van het grasland van het plangebied beperkt. Het geriefbosje en het struweel van braam bieden mogelijk dekking voor predatoren. Deze kenmerken maken het grasland binnen het plangebied weinig geschikt voor weidevogels. In het plangebied zijn dan ook geen territoria van weidevogels vastgesteld (NDFF, 2014-2024). In de graslanden rondom het plangebied werden tijdens het veldbezoek enkele territoriale Kievieten waargenomen. Deze graslanden bevatten veel vochtige delen en worden gekenmerkt door een open karakter. Tevens ontbreekt hier dekking voor predatoren. De graslanden in de directe omgeving van het plangebied bieden een geschikt leefgebied voor weidevogels. In het verleden werden hier territoria van Grutto, Krakeend, Graspieper en Tureluur vastgesteld (NDFF, 2014-2024). De territoria werden op meer dan 100 meter van het plangebied vastgesteld. De mogelijke effecten op weidevogels in de directe omgeving van het plangebied worden daarom ook getoetst.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
16
5.2.2
Oppervlakteverlies Tijdens de aanlegfase worden met behulp van een zitmaaier tentplaatsen en looppaden gecreëerd. Tijdens de aanwezigheidsfase zullen deze gemaaide delen kort gehouden worden. Het grasland zal tijdens de aanwezigheidsfase behouden blijven en het beheer zal verder niet aangepast worden. Het project zal tijdens de aanwezigheidsfase niet leiden tot permanent oppervlakteverlies van de relevante natuurwaarden. Wel zal tijdens het toeristenseizoen tijdelijk oppervlakteverlies optreden bij de aanwezigheid van tenten. Als alle tentplaatsen tegelijk bezet zijn betreft het tijdelijke oppervlakteverlies 100 m2. Het project zal tijdens de aanwezigheidsfase leiden tot tijdelijk oppervlakteverlies van maximaal 100 m2 in een voor weidevogels grotendeels ongeschikt biotoop.
5.2.3
Storende factoren Door het realiseren van het seizoensgebonden trekkersveld kunnen mogelijke effecten optreden als gevolg van storende factoren. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van het seizoensgebonden trekkersveld. Versnippering Van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten waardoor de samenhang van het NNN-gebied aangetast kan worden. Een populatie, of individuen van één populatie, kunnen de verschillende leefgebieden dan niet meer bereiken en de duurzaamheid van de populatie neemt af. De aanwezigheid van bij de werkzaamheden benodigd materieel kunnen tijdelijk mogelijk een versnipperende werking hebben. Het seizoensgebonden trekkersveld zorgt niet voor het uiteenvallen van gebieden. Er worden geen nieuwe barrières tussen verschillende leefgebieden gecreëerd die mogelijke essentiële verbindingen kunnen beïnvloeden. Het uiteenvallen van het leefgebied van soorten is niet aan de orde. Tijdens de aanwezigheidsfase zal het project niet leiden tot versnippering van relevante natuurwaarden in het NNNgebied. Het seizoensgebonden trekkersveld sluit aan op een bestaand erf met beplanting.
Verontreiniging en vermesting Het project zorgt tijdens de aanlegfase en aanwezigheidsfase niet voor het vrijkomen van ecosysteemvreemde stoffen als organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Het project kan tijdens de aanlegfase in geringe mate leiden tot vermesting. Door het inzetten van gemotoriseerd materieel komen
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
17
stikstofoxiden vrij die een vermestend/verzurend effect kunnen hebben. De aanlegfase is kortdurend en de uitstoot van de zitmaaier is beperkt. Tijdens het gebruik zal de zitmaaier gebruikt worden om de looppaden en tentplaatsen kort te houden. Het grasland is tijdens de aanwezigheidsfase niet toegankelijk voor gemotoriseerde voertuigen van gasten. Het is mogelijk dat enkele bezoekers met gemotoriseerde voertuigen komen en op de parkeerplaats parkeren. Tijdens de aanwezigheidsfase leidt de realisatie van het seizoensgebonden trekkersveld mogelijk tot extra bewegingen van enkele gemotoriseerde voertuigen. De realisatie van het seizoensgebonden trekkersveld zal geen belangrijke negatieve invloed hebben op het NNN-gebied door verontreiniging en vermesting. Hinder door geluid en trillingen De activiteiten tijdens de aanlegfase in de eerste helft van mei zorgen voor een beperkte productie van geluid en trillingen met als mogelijk gevolg hinder in het NNN-gebied. De aanlegfase is relatief kortdurend. Tijdens de aanwezigheidsfase zal mogelijk in beperkte mate sprake zijn van geluid en trillingen in het NNN-gebied door het gebruik van de zitmaaier. Tijdens de aanwezigheidsfase zal het seizoensgebonden trekkersveld gebruikt worden om kortdurend te overnachten. De activiteiten gedurende de dag zullen beperkt zijn. De campinggasten betreden het grasland te voet.
Naast het overnachten vinden op het trekkersveld geen recreatieve activiteiten plaats. Het korthouden van de gemaaide delen tijdens de aanwezigheidsfase zal in beperkte mate leiden tot geluid en trillingen in het NNN-gebied. De realisatie van het seizoensgebonden trekkersveld zal geen belangrijke negatieve invloed hebben op het NNN-gebied door geluid en trillingen. Optische verstoring Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in de natuurlijke omgeving. Tijdens de werkzaamheden (aanlegfase) is sprake van de aanwezigheid van mensen in het terrein en daar niet van nature thuishorende voorwerpen. Tijdens de aanwezigheidsfase zal betreding van personen in het NNNgebied beperkt zijn. Mogelijk leidt de realisatie van het seizoensgebonden trekkersveld voor extra aanwezigheid en/of beweging van mensen. Tevens worden er af en toe tijdelijke trekkerstenten geplaatst. De gasten verblijven kortdurend en hun aanwezigheid is met name in de ochtend en avond. Optische verstoring voor de natuurwaarden in de omgeving van het
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
18
plangebied wordt op dit moment al beperkt door de aanwezigheid van hekwerken, hoge vegetatie en bosschages. Kampeerders zullen pas in de loop van mei verschijnen in het plangebied. Op dat moment hebben veel weidevogels als Kievit en Grutto al jongen. Na half juni is het broedseizoen voor de meeste weidevogels alweer voorbij, voor de zomerperiode waarin de meeste overnachtingen zullen plaats vinden. Verstoring van weidevogels in de graslandpercelen in de buurt van het plangebied zal daarom beperkt zijn, ook door de relatieve beslotenheid ervan. Weidevogels houden bovendien van nature al afstand tot opgaande begroeiing. Indien licht verstoord zullen eventueel aanwezige weidevogels tijdelijk een grotere afstand tot het plangebied aanhouden. Het project leidt tijdens de aanwezigheidsfase mogelijk leiden tot een lichte toename van optische verstoring. De realisatie van het seizoensgebonden trekkersveld zal geen belangrijke negatieve invloed hebben op het NNN-gebied door optische verstoring. Mechanische effecten Tijdens de aanlegfase, afhankelijk van de werkbreedte, kunnen door berijding met voertuigen en het plaatsen van materiaal mechanische effecten optreden in het NNN-gebied.
Het plangebied gezien vanuit noordelijke richting met afscherming door hekwerken, watergangen, hoge vegetatie en bosschages (rechtsachter) die optische verstoring beperken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
19
Tijdens de aanwezigheidsfase zorgt het project niet voor verstoring door golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. Wel zorgt het berijden en maaien van het grasland met de zitmaaier voor mechanische effecten. Tijdens de aanwezigheidsfase zal betreding van personen in het NNN-gebied beperkt zijn. Wel leidt de realisatie van het seizoensgebonden trekkersveld voor extra aanwezigheid en/of beweging van mensen. Tevens worden er af en toe tijdelijke trekkerstenten geplaatst. De gasten verblijven kortdurend en hun aanwezigheid is met name in de ochtend en avond. Ze betreden het veld alleen te voet of met de fiets aan de hand. Het project leidt tijdens de aanwezigheidsfase mogelijk tot een toename van mechanische effecten in het NNN. De realisatie van het seizoensgebonden trekkersveld zal geen belangrijke negatieve invloed hebben op het NNN-gebied door mechanische effecten. Lichthinder Tijdens de aanlegfase zal het terrein ’s nachts niet met kunstmatige lichtbronnen worden verlicht. Tijdens de aanwezigheidsfase zal het seizoensgebonden trekkersveld ook niet met kunstmatige lichtbronnen verlicht worden. De realisatie van het seizoensgebonden trekkersveld zal geen negatieve invloed hebben op het NNN-gebied door lichthinder.
5.2.4
Effect op openheid van het landschap In §5.2.1 is de aanwezigheid van natuurwaarden beschreven. Door de aanwezigheid van het geriefbosje, het braamstruweel, de jonge wilgen en de windsingel is de openheid van het grasland van het plangebied nu al beperkt. Het plaatsen van tijdelijke trekkerstenten zal maar zeer beperkt extra invloed hebben op de openheid van het plangebied. De trekkerstenten worden voor de omringende graslanden van het NNN-gebied op termijn nog meer afgeschermd door verdere uitgroei van de aangeplante afscheiding. De realisatie van het seizoensgebonden trekkersveld zal daarom geen belangrijke negatieve invloed hebben op de openheid van het NNN-gebied.
5.2.5
Effect op bodem- en watercondities Verdroging kan niet optreden door de realisatie van het seizoensgebonden trekkersveld. De werkzaamheden zorgen niet voor een verandering in de grondwaterstand door het onttrekken van water uit het gebied. Er kan tijdelijk verandering optreden in de bodemdichtheid of soortensamenstelling van het grasland in het NNN-gebied op de locaties waar tenten geplaatst worden. De tenten staan hier af en toe en voor korte tijd. Na het afbreken van de tenten zal de vegetatie en de bodem zich weer herstellen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
20
De realisatie van het seizoensgebonden trekkersveld zal geen belangrijke negatieve invloed hebben op de bodem en watercondities in het NNN-gebied.
5.2.6
Beleving landschap De beleving van het landschap ter plaatse zal niet in negatieve zin veranderen. Bezoekers hebben naast de gelegenheid tot dagrecreatie in een natuurlijke omgeving de mogelijkheid om in de buitenlucht te overnachten in het plangebied. Door de mogelijkheid te scheppen in het plangebied te kamperen zal de (natuur)beleving voor een aantal recreanten een positieve impuls krijgen, met name voor mensen die een grotere fietstrektocht maken.
5.3
Conclusie De realisatie van het seizoensgebonden trekkersveld zal de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN-gebied ter plaatse niet aantasten.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
6
21
Specifieke zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de algemene zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Voor soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn en vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, nationaal beschermde soorten en voor soorten die opgenomen zijn op de Rode lijsten, geldt de specifieke zorgplicht. Ook natuurlijke habitats of belangrijke leefgebieden van deze soorten vallen onder de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Met behulp van passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen in het plangebied kunnen negatieve gevolgen voor deze soorten worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt. De te nemen maatregelen worden besproken in relatie tot de werkzaamheden (zie §4.2). Ook worden maatregelen ter bevordering van in het wild levende soorten en hun leefomgeving geadviseerd. In de Ow is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000gebieden en bijzondere nationaal natuurgebieden (art. 11.6 Bal), zie ook Bijlage 1.3.1. In het plangebied zijn biotopen aanwezig waar mogelijk soorten waarvoor de specifieke zorgplicht geldt voorkomen, namelijk grasland, groenstructuren en wateren en oevers. In het plangebied kan vanwege de aanwezigheid van deze biotopen rekening worden gehouden met de volgende kwetsbare en bedreigde soorten: Grutto, Krakeend, Graspieper en Tureluur.
6.1
Passende preventieve maatregelen Teneinde de specifieke zorgplicht na te leven kan men voorafgaand en tijdens aan de werkzaamheden met betrekking tot de aanwezige biotopen (zie hoofdstuk 3) de volgende preventieve maatregelen nemen: De niet belangrijke negatieve effecten door optische verstoring en geluid en trillingen kunnen beperkt worden door eerst de tentplaatsen aan de oostkant van het trekkersveld, nabij de windsingel, te bezetten. Hier is de afstand tot de voor weidevogels geschikte delen van de omringende graslanden het grootst. Tevens is de afstand tot de toegang van het trekkersveld het kleinst. Alle aanwezige vegetatie kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om het plangebied te ontvluchten en een alternatief leefgebied te benutten in de (directe) omgeving. Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan richting te behouden leefgebied van fauna gewerkt worden zodat dieren niet ingesloten raken en een grotere kans hebben het werkgebied te ontvluchten.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
22
Voor grondgebonden zoogdieren kan de vegetatie eerst 10 centimeter worden afgemaaid en een nacht laten rusten voor het volledig verwijderd wordt. Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zoveel mogelijk van bestaande paden gebruik gemaakt worden of kunnen nieuw gecreëerde paden herhaaldelijk gebruikt worden om insporing en potentiële verstoring van dieren en planten te beperken. Bij de werkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.
6.2 →https://www.checklist
groenbouwen.nl/
Passende ontwikkelingsmaatregelen Met behulp van enkele maatregelen kan de natuur in het plangebied ontwikkeld worden en krijgen planten en dieren ook in nieuwe ontwikkelingslocaties de ruimte. Er zijn veel ←websites beschikbaar met tips en informatie over groen bouwen en het natuurlijk inrichten van de omgeving. Als aanvulling worden voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan: Bevorder de diversiteit van insecten door het gefaseerd maaien van de delen van het grasland waar geen tentplaats aanwezig is. Verdeel dit deel van het grasland in twee gelijke oppervlakten. Maai één van de delen aan het einde van het eerste toeristenseizoen en maai het andere deel na het toeristenseizoen van het opeenvolgende jaar. Herhaal dit proces van eens in de twee jaar maaien. Bij eens in de twee jaar maaien krijgen allerlei insecten die de winter in de vegetatie doorbrengen een betere kans om hun levenscyclus te voltooien. Voer het maaisel af om te voorkomen dat voedingsstoffen uit de vegetatie weer de bodem in spoelen. Het verbreden van watergangen en de aanleg van natuurvriendelijke oevers met een meer geleidelijke overgang van water naar land. Het plaatsen van speciale vleermuiskasten aan bomen ten behoeve van verblijvende vleermuizen. Het plaatsen van insectenhotels in de omgeving van tuinen en groenstructuren.
Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten zoals Eenstijlige meidoorn, Wilde liguster, Gewone vlier, Sleedoorn en Klimop, welke vogels en insecten als vlinders, wilde bijen en zweefvliegen kunnen aantrekken. Beplanting kan het beste aaneengesloten worden aangelegd omdat daarmee routes ontstaan voor soorten als Egel, (spits)muizen en vleermuizen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
7
23
Samenvatting van de conclusies In deze natuurtoets is de realisatie van het seizoensgebonden trekkersveld getoetst aan het aspect natuurbescherming zoals dat sinds 1 januari 2024 valt onder de Omgevingswet, met name aan het NNN.
7.1
Toetsing NNN Het plangebied is binnen NNN begrensd als natuur met beheertype N13.01 Vochtig weidevogelgrasland. In de toets is aangetoond dat de realisatie van het seizoensgebonden trekkersveld de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN-gebied niet zal aantasten.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
24
8
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJ12, 2023. N13.01 Vochtig weidevogelgrasland. geraadpleegd van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuursubsidies/index-natuuren-landschap/natuurtypen/n13-vogelgraslanden/n13-01vochtig-wiedevogelgrasland/ BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. HERDER, J.E., J. KRANENBERG, D. HOOGENBOOM, J. HAMERS & K. DEKKER (RED), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen. HEUSDEN, W. VAN. 2017. Mooi werk, mooi wad, meer licht op duisternis. Programma naar een rijke Waddenzee. HOOGENBOOM, D.M., F. VISBEEN, J. WONDERGEM, W. RUITENBEEK (RED.), 2014.
Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noord-Hollandse Zooddier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. JANSSEN, J.A.M. & J.H.J. SCHAMINÉE, 2003. Europese natuur in Nederland. Habitattypen. KNNV Uitgeverij, Utrecht. JANSSEN, J.A.M. & J.H.J. SCHAMINÉE, 2004. Europese natuur in Nederland. Soorten van de Habitatrichtlijn. KNNV Uitgeverij, Utrecht. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. KRIJGSVELD K.L., B. KLAASSEN & J. VAN DER WINDEN, 2022. Verstoring van vogels door recreatie. Literatuurstudie van verstoringsgevoeligheid en overzicht van maatregelen. Deel 1 hoofdrapport & deel 2 soortbesprekingen. Uitgave Vogelbescherming Nederland, Zeist.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
25
LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. MAARL, VAN DER, 2013. Bouwlawaai; hoe ermee om te gaan in de praktijk. Puetz BV. MEIJER, R.G., J.P. DWARSHUIS, & K.R. PIENING, 2018. Wat horen vleermuizen van door mensen geproduceerde geluiden? Lutra, Journal of the Dutch Mammal Society, 61:2 297-320, december 2018. OVERDUIN, D. 2023. Schieweg 192 te Schipluiden, Toetsing in het kader van de natuurwetgeving. Van der Goes en Groot, G&Gadvies QS2023-180. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND 2018. Vogelatlas van Nederland. Broedvogels, wintervogels en 40 jaar verandering. Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VAN ’T VEER, R & C.J.G. SCHARRINGA, 2008. Weidevogelonderzoek Laag Holland 2006, analyse en interpretatie van de aangetroffen soorten, aantallen en dichtheden in 30.000 hectare weidevogelgebied. Landschap Noord-Holland, maart 2008. VLEERMUISVAKBERAAD NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING, 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
26
9
Bijlagen
Bijlage 1
Huidige natuurwetgeving
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Omgevingswet (Ow) De Omgevingswet (Ow) is het nationale wettelijke kader waarin onder andere de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen. De Wnb op haar beurt is het nationale wettelijke kader waarin de Floraen faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet destijds zijn samengevoegd. De overgang van de Wnb naar de Ow verloopt beleidsneutraal. Dat betekent dat veel regels die golden onder de Wnb ook onder de Ow gelden. De Ow bundelt alle wetten die gaan over regels met betrekking tot activiteiten in de fysieke leefomgeving, zoals bouw, infrastructuur, natuur, milieu, lucht, water, bodem en cultureel erfgoed. In de Ow is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming, die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De basisregels zoals de doelen van de wet, de algemene zorgplicht, regels van zogenaamde kerninstrumenten, vergunningplicht, verantwoordelijkheden en taken van bevoegde gezagen, bevoegdheidsverdeling en overige instructieregels, staan allemaal in de Ow. De doelstellingen van de Ow baseren zich op de erkenning van de intrinsieke waarde van de natuur. Vanwege deze intrinsieke waarde is de wet gericht op het in stand houden en bereiken van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en een hoge omgevingskwaliteit.
Een andere doelstelling van de Ow is het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de vergunningsverlening en handhaving. Het stelsel Ow bestaat uit een algemene wettekst (de Ow zelf) dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s), zogenaamde uitvoeringswetten, en de Omgevingsregeling. Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) In het stelsel Ow staat de regelgeving uitgewerkt in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Deze zijn: Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); hierin staan de algemene regels voor Natura 2000- en flora- en fauna-activiteiten waaronder de vergunningplicht (voor overheden en initiatiefnemers) en de regels voor de aanwijzing van vergunningsvrije gevallen en mogelijkheden voor maatwerk.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); hierin staat de uitwerking van algemene regels voor bouwwerken die rechtstreeks werken, eveneens voor initiatiefnemers en overheden. Het Bbl is de vervanger van het Bouwbesluit. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de uitwerking van normen en instructieregels voor bestuursorganen, waaronder de kaders voor vergunningverlening, zoals beoordelingsregels. Omgevingsbesluit (Ob); hierin staan regels voor initiatiefnemers en bestuursorganen, onder meer met betrekking tot bevoegdheden, totstandkomingsprocedures en handhavingsbepalingen. De Omgevingsregeling (Or) bestaat naast de AMvB’s voor de uitwerking van de administratieve en technische regels. Het invoeringsbesluit regelt het overgangsrecht, wijzigingen in bestaande besluiten en aanpassingen van de AMvB’s. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Algemene zorgplicht De algemene zorgplicht in de Ow is een brede zorgplicht en geldt voor de gehele fysieke leefomgeving (afdeling 1.3 Ow & art. 1.6 en 1.7).
‘Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit of het nalaten ervan nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht om deze gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken dan wel de activiteit achterwege te laten.’ De algemene zorgplicht is in principe altijd van toepassing, tenzij een specifieke zorgplicht (art. 1.8 Ow en art. 11.6 Bal) is opgenomen voor een bepaalde activiteit in de Ow. Specifieke zorgplicht flora en fauna De specifieke zorgplicht staat uitgewerkt in het Bal (art. 11.6) en onder diverse artikelen in het Bbl. De specifieke zorgplicht kent een andere reikwijdte dan de algemene zorgplicht. Alle activiteiten die door het verrichten, of juist nalaten hiervan, negatieve gevolgen kunnen hebben op de fysieke leefomgeving zijn verboden volgens de Ow (art. 1.7a, zie ook art. 11.27 Bal). De activiteiten waar het hier over gaat zijn nader begrensd, ook ter uitvoering van de richtlijn milieustrafrecht (art. 1.3 Ob). Hierin staat onder andere het verbod op het in lucht, bodem of water brengen van trillingen, geluid, stoffen of warmte die gevolgen voor natuur of landschappen kunnen hebben. Ook staat hierin het verbod om beschermde natuur of landschappen te verwaarlozen met aanzienlijke gevolgen.
De specifieke zorgplicht is van toepassing wanneer er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van specifieke soorten, welke van nature in Nederland voorkomen, die kwetsbaar of bedreigd zijn en vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, nationaal beschermde soorten en soorten die opgenomen zijn op de (nationale) Rode lijsten. Ook natuurlijke habitats of belangrijke leefgebieden van deze soorten vallen onder de specifieke zorgplicht.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor deze soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rust- of groeiplaatsen en hun eieren. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen. Mochten de zorgplichtbepalingen niet helder genoeg zijn, dan staat het aan bevoegd gezag vrij om middels maatwerkregels (art. 11.29 Bal) of maatwerkvoorschriften (art. 11.31 Bal) deze te verduidelijken. Bijvoorbeeld door het opnemen van regels in een provinciale Omgevingsverordening of het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift.
Bijlage 1.2 Soortbescherming Onder de Ow geldt een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (§ 5.1.1 Ow), waaronder een flora- en fauna-activiteit, tenzij anders geregeld in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Bijlage 1.2.1 Categorieën soortbescherming Onder de Ow worden bepaalde planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die Europees zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (Hrl) en soorten genoemd in de Vogelrichtlijn (Vrl). Naast deze Europees beschermde soorten is een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Deze soorten zijn op nationaal niveau beschermd. Per provincie geldt daarnaast een vierde categorie, de ‘vrijgestelde soorten’ (art. 3.11). Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van vergunningsplicht bij schadelijke handelingen (zie Bijlage 1.2.2), bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 1.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
Vrijgestelde soorten per provincie (Rood niet vrijgesteld). DR
FL
FR
GL
GR
L
NB
NH
OV
UT
ZH
ZL
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ + + + +
+ +
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + +
+ + + + + + + + +
+ + +
+ + +
+ + +
+ +
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + + +
+ + +
+ + + +
+ + +
+ + + +
+ + + + + +1 + + + + + + + + + +2 + + + +
+ + +
+ + +
+ + +
+ + + +
+ + + +
+ + + +
+
+
+
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ + +3 + +4 + +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Levendbarende hagedis Meerkikker Bastaardkikker
Van der Goes en Groot
+ +
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
+ +
+
+ +
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
Bijlage 1.2.2 Schadelijke handelingen De Ow bepaalt dat de volgende zaken verboden zijn (zie art. 3.1, 3.5 en 3.10): Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren genoemd in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen.¹ Het is verboden dieren genoemd in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Omgevingsvergunning Daarnaast geldt er een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (§ 5.1.1 Ow), waaronder een flora- en fauna-activiteit of een Natura 2000-activiteit (zie Bijlage 1.3), tenzij anders geregeld in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Indien geen vrijstelling geldt van de vergunningplicht, dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderscheid wordt gemaakt in een enkelvoudige vergunningsaanvraag (voor één activiteit) en meervoudige aanvraag (voor meer dan één activiteit), in verband met een verschil in procedure. Een meervoudige aanvraag is van toepassing als sprake is van bijvoorbeeld een flora- en faunaactiviteit én een Natura 2000-activiteit. De initiatiefnemer kan zelf kiezen tussen los of gelijktijdig aanvragen (art. 5.7 Ow). Er is geen eis met betrekking tot een gelijktijdige aanvraag van onlosmakelijke activiteiten. Het bevoegd gezag heeft evenwel de verplichting om de aanvrager te informeren over andere vergunning-plichtige activiteiten, voor zover in te schatten door het bevoegd gezag.
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
Bijlage 1.2.3 Vergunningsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals realisatie, sloop of renovatie van bebouwing, kappen van bomen, dempen van wateren of schonen van sloten, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan vergunning voor de Ow verkregen worden. Als beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én sprake is van mogelijke schadelijke handelingen (zie Bijlage 1.2.2), dan is een omgevingsvergunning vereist, of moet, indien mogelijk, conform artikel 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode. De vraag of vergunning kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 1.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een vergunning belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen vergunning.
Als schade niet te voorkomen is, dan dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. In het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn In het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Ter bescherming van flora en fauna. Andere soorten In het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden In het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan. Ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Ter bescherming van flora en fauna. Bijlage 1.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen vergunning verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen vergunning noodzakelijk. Alleen vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘broedvogels met jaarrond beschermde nesten’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina. De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). In de provincies Flevoland, Limburg en Overijssel zijn de lijsten recent aangepast. Soorten kunnen in deze provincies in andere categorieën vallen, of er zijn extra soorten toegevoegd aan de lijsten van deze provincies. Voor soorten met jaarrond beschermde nesten kan soms, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél een vergunning worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist.
Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een vergunningsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, kan de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Let op! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf kan het zijn dat zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan moet worden betrokken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
Kader: De algemeen geldende lijst van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie. Deze lijst geldt in de meeste provincies waaronder Noord- en Zuid-Holland. Per provincie kunnen de categorieën verschillen, of zijn soms extra soorten aan de lijst toegevoegd.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Categorie Toelichting codes 4 Vogelsoorten waarvan de nesten in 4 principe jaarrond zijn beschermd met 2 beschermingscategorie: 3 4 1 = soorten die ook buiten het 2 broedseizoen het nest gebruiken als vaste 3 rust- of verblijfplaats, 3 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen 3 op dezelfde plaats broeden en die daarin 4 zeer honkvast zijn of afhankelijk van 2 bebouwing of biotoop, 3 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats 4 broeden en die daarin zeer honkvast zijn of 1 afhankelijk van bebouwing, 4 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in 4 staat zijn een nest te maken.
Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5). Deze soorten keren (zoals ook soorten met jaarrond beschermde nesten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’. Ook deze lijst kan per provincie verschillen, zie het kader hieronder voor soorten die in de meeste gevallen in deze categorie vallen.
Kader: Enkele vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in categorie 5. Per provincie kan het beschermingsniveau verschillen. Sommige soorten vallen alleen onder categorie 5 in bepaalde provincies.
Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eidereend Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Grutto Hop Huiszwaluw IJsvogel Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger
Van der Goes en Groot
Koolmees Kortsnavelboomkruiper Middelste bonte specht Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ringmus Ruigpootuil Spreeuw Tapuit Torenvalk Tureluur Veldleeuwerik Wulp Zeearend Zomertortel Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2024-038
Natuurtoets Schieweg 192 te Schipluiden
Bijlage 1.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van LNV goedgekeurde gedragscode, hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10) geen vergunning te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (art. 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. De relevante soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld. Bijlage 1.2.7 Flora- en fauna-activiteit Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is een ‘activiteit met mogelijke nadelige gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ (art 1.1 Ow). Er is sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ wanneer sprake is van mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levend dieren of planten, ongeacht of deze soorten beschermd zijn krachtens de Ow. Deze regel geldt dus niet voor soorten die buiten het natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld.
Wanneer sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient rekening te worden gehouden met de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Daarnaast zijn Huismuis, Bosmuis, Veldmuis, Bruine rat, Huisspitsmuis en Mol buiten beschermde gebieden in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden (art. 3.10).
Bijlage 1.3 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming in de Ow bestaat uit een beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden, regels voor de aanwijzing en bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Onder de Ow geldt er een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (§ 5.1.1 Ow), waaronder een Natura 2000-activiteit, tenzij anders geregeld in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit waarbij kans is op een significant gevolg voor een Natura 2000-gebied en is daarmee vergunningplichtig.