CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

08 bestemmingsplan Tramkade nabij 9a.pdf

Gemeenteraad 28 september 2021, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Voorstel vaststellen bestemmingsplan Tramkade 9a te Den Hoorn17.417 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TRAMKADE NABIJ 9A Bestemmingsplan 28 mei 2021

2

DATUM KENMERK

28 mei 2021 44001925.20190380

PROJECT PROJECTLEIDER

ir. R.J.M.M. Schram

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER IDENTIFICATIECODE NL.IMRO.1842.bp20Tramkade9a-va01 STATUS Vastgesteld

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

5

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

9

1.1

Aanleiding

9

1.2

Ligging plangebied

9

1.3

Geldend bestemmingsplan

10

1.4

Leeswijzer

10

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

11

2.1

Huidige situatie

11

2.2

Beoogde ontwikkeling

11

Hoofdstuk 3

Ruimtelijk beleidskader

13

3.1

Inleiding

13

3.2

Rijksbeleid

13

3.3

Provinciaal beleid

14

3.4

Gemeentelijk beleid

16

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

19

4.1

Inleiding

19

4.2

Milieueffectrapportage

19

4.3

Wegverkeerslawaai

19

4.4

Verkeer en parkeren

21

4.5

Water

22

4.6

Bodem

26

4.7

Externe veiligheid

27

4.8

Bedrijven en milieuhinder

28

4.9

Luchtkwaliteit

29

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

30

4.11

Ecologie

32

4.12

Kabels en leidingen

34

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

35

5.1

Algemeen

35

5.2

Bestemmingsregels

36

5.3

Algemene regels

36

5.4

Overgangs- en slotregels

37

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

39

6.1

Economische uitvoerbaarheid

39

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

39

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

6

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Nota beantwoording zienswijzen

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 3

Bodemonderzoek

Bijlage 4

Archeologisch onderzoek

Bijlage 5

Quickscan ecologie

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

55

Artikel 1

Begrippen

55

Artikel 2

Wijze van meten

59

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

61

Artikel 3

Water

61

Artikel 4

Wonen

62

Artikel 5

Waarde - Archeologie 1

64

Hoofdstuk 3

Algemene regels

67

Artikel 6

Anti-dubbeltelregel

67

Artikel 7

Algemene bouwregels

68

Artikel 8

Algemene afwijkingsregels

69

Artikel 9

Algemene wijzigingsregels

70

Artikel 10

Overige regels

71

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

73

Artikel 11

Overgangsrecht

73

Artikel 12

Slotregel

74

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

TOELICHTING

8

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

9

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

In verband met de aanleg van de Zuidhoornseweg zijn diverse gronden verworven door de gemeente. Eén van de geruilde stukken grond betreft het perceel aan de Tramkade 9A. De initiatiefnemer wil deze gronden graag ontwikkelen naar woningen. Dit is binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan niet mogelijk, omdat de gronden bestemd zijn voor recreatie. In 2017 is overeengekomen met de gemeenteraad dat medewerking wordt verleend aan een bestemmingswijziging voor de realisatie van 2 grondgebonden woningen en 4 appartementen als onderdeel van een geluidswal langs de Zuidhoornseweg. Voorliggend bestemmingsplan geeft hier invulling aan.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt in Den Hoorn, aan de Zuidhoornseweg, vlak naast perceel Tramkade 9A. De locatie wordt aan de noord-, oost- en zuidzijde omringd door een watergang. Aan de zuidzijde ligt de Zuidhoornseweg. Aan de westzijde grenst het gebied aan (de ontsluiting van) het perceel Tramkade 9A.

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Arcgis luchtfoto 2018)

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

10

1.3

Geldend bestemmingsplan

Het plangebied maakt deel uit van bestemmingsplan “Hooipolder en Kerkpolder-Oost 2013” (vastgesteld 28 mei 2013) en "Zuidhoornseweg" (vastgesteld 12 maart 2014). In figuur 1.2 wordt een uitsnede van het bestemmingsplan met globale weergave van het plangebied weergegeven.

Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan 'Hooipolder en Kerkpolder-Oost 2013' en 'Zuidhoornseweg' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) De grond van het plangebied heeft daarin de enkelbestemming 'Recreatie' en een klein deel van het plangebied heeft de enkelbestemming 'Verkeer'. Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1'. De voor “Recreatie” bestemde gronden zijn bestemd voor extensieve dagrecreatie en de voor “Waarde – Archeologie – 1” voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Hierbij geldt dat archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd bij een bouwplan met een bouwwerk groter dan 50 m2 en bij graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm.

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 komt de beschrijving van het plangebied aan de orde. Vervolgens wordt de ontwikkeling Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van voor het plangebied relevante ruimtelijke beleidskader en toets hieraan. In hoofdstuk 4 worden de relevante omgevingsaspecten en de bijbehorende onderzoeken beschreven en getoetst. Een toelichting op de juridische regeling van het plan is opgenomen in hoofdstuk 5. Ten slotte gaat hoofdstuk 6 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

11

Hoofdstuk 2

2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

Het plangebied ligt circa 300 meter ten zuiden van het centrumgebied van Den Hoorn, direct aan de Zuidhoornseweg, vlak naast perceel Tramkade 9A. Tussen het centrum van Den Hoorn plangebied ligt een woonwijk. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door de aanwezigheid van een grote diversiteit aan functies. De westzijde van het perceel grenst aan het perceel Tramkade 9A waar een woonhuis staat. Dit woonhuis is georiënteerd op de historische Tramkade en de kade langs De Gaag. Aan de noordzijde van de locatie ligt een groengebied. Hierin ligt kinderboerderij 't Zuydmaatje. Aan de oostzijde ligt een school. Aan de overzijde van de Zuidhoornseweg ligt het sportpark Den Hoorn met tennisvelden, voetbalvelden, handbalvelden en een sportduivenvereniging.

Figuur 2.1: Aanzicht plangebied vanaf de Zuidhoornseweg (bron: Google streetview juni 2017) In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd. Het is begroeid met gras en er staan twee bomenrijen. Tussen deze bomenrijen ligt een oud karrenpad. Het perceel wordt aan drie zijde omsloten door watergangen. Het perceel wordt in de huidige situatie ontsloten via het perceel van de Tramkade 9A.

2.2

Beoogde ontwikkeling

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

12

Het initiatief betreft het realiseren van 6 woningen, bestaande uit 2 vrijstaande woningen en 4 appartementen. De twee vrijstaande woningen worden gerealiseerd aan de noordzijde van het perceel. Hier worden twee ruime kavels (van respectievelijk 555 en 730 m2 gerealiseerd. De appartementen worden gerealiseerd aan de zijde van de Zuidhoornseweg. Deze appartementen functioneren tegelijkertijd als geluidswering voor de vrijstaande woningen.

In het midden van het plangebied wordt een ontsluiting gerealiseerd voor de nieuwe woningen, en de woning aan de Tramkade 9A. De huidige in- en uitrit van de Tramkade 9A zal niet langer meer rechtstreeks op de Zuidhoornseweg uitkomen. De structuur van de huidige bomenrij wordt als basis voor de nieuwe ontsluiting gebruikt, hiermee wordt verwezen naar het historische pad. De parkeerplaatsen van de vrijstaande woningen worden op het eigen perceel gerealiseerd. Voor de appartementen is ruimte voor parkeerplaatsen tussen de twee blokken.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

13

Hoofdstuk 3

3.1

Ruimtelijk beleidskader

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het voor het plangebied relevante ruimtelijke beleidskader. Het geldende bestemmingsplan houdt geen rekening met de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling is in overeenstemming met het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) (maart 2012) Het rijksbeleid voor de ruimtelijke ordening is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van andere overheden, is het Barro opgesteld. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2012) Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt niet alleen regels omtrent de 13 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, maar stelt ook regels die in bestemmingsplannen moeten worden opgenomen. Toetsing De beoogde ontwikkeling raakt geen belangen op Rijksniveau. 3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 2012, actualisering 2017) Efficiënt ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (Rijks)overheid. Om dit te borgen is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten beoordeeld moeten worden middels de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Voor binnenstedelijke ontwikkelingen geldt dat de behoefte moet worden aangetoond in de relevante regio. Voor stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd dat deze niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit de handreiking ladder voor duurzame verstedelijking (bron: Infomil) blijkt dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Toetsing De ontwikkeling betreft de realisatie van 6 woningen. Hierdoor wordt de beoogde ontwikkeling niet gezien als stedelijke ontwikkeling.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

14

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (ontwerp oktober 2018) Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. De provincie heeft zes richtinggevende ambities geformuleerd in de fysieke leefomgeving. Door in te zetten op de zes ambities wordt bijgedragen aan het sterker maken van Zuid-Holland. Deze ambities zijn:  Naar een klimaatbestendige delta;  Naar een nieuwe economie: the next level;  Naar een levendige meerkernige metropool;  Energievernieuwing;  Best bereikbare provincie;  Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Toetsing Voor de beoogde ontwikkeling is de opgave "Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied". Deze opgave betreft de zorg voor een goede ruimtelijke ontwikkeling, binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Onderdeel van deze opgave is het bevorderen van een optimaal gebruik van de binnenstedelijke ruimte. De beleidskeuze hierbij is verstedelijking en wonen: De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid.

Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend met het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stadsen dorpsgebied en vraagt om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO²-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn bij voorkeur energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. De toetsing aan het provinciale beleid vindt verder plaats in het kader van de Omgevingsverordening in paragraaf 3.3.2. 3.3.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland 2019 (ontwerp oktober 2018) De omgevingsvisie Zuid-Holland is vertaald in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Voor de beoogde ontwikkeling zijn artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit en 6.10 Stedelijke ontwikkelingen relevant. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1.

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

15

b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1 zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2 het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1 een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2 het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Toetsing Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel van Midden-Delfland. Op de kwaliteitskaart van de provincie valt de locatie op de kaart ' Laag van de stedelijke occupatie' binnen steden en dorpen.

Figuur 3.1: Uitsnede kwaliteitskaart provincie Zuid-Holland (bron: gebiedsprofielen.zuid-holland.nl) Binnen steden en dorpen zijn de richtpunten als volgt:  Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp.  Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur.  Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving.  Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.  Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden).

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

16

   

Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht.

De beoogde ontwikkeling zorgt een ruimtelijke afronding van het dorp. De karakteristieke dubbele bomenrij wordt behouden voor de locatie. In het midden van de locatie wordt de ontsluiting gerealiseerd, als referentie naar de historische oprit/middenpad. Qua inrichting en bebouwing zal worden aangesloten bij de aard en schaal van de omgeving. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen.

In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Toetsing De ontwikkeling is in paragraaf 3.2.2 getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Midden-Delfland 2025 (2011) Voor het gehele grondgebied van Midden-Delfland is een structuurvisie opgesteld. Deze structuurvisie legt de hoofdlijnen van ruimtelijke ontwikkelingen en het te voeren ruimtelijk beleid vast. Midden-Delfland wil ten volle gebruikmaken van de mogelijkheden die de Wro biedt. De hoofddoelen van de structuurvisie zijn daarom als volgt geformuleerd:  de structuurvisie vormt de basis en het kader voor een visie op de toekomst en het daaraan gekoppelde (ruimtelijk) beleid;  de structuurvisie leidt tot een actief vereveningbeleid en een pro-actieve houding ten opzichte van nieuwe ontwikkelingen en dient als onderlegger voor de benutting van de mogelijkheden van de nieuwe Wro (grexwet);  de structuurvisie vormt een kapstok èn toetsingskader voor concrete plannen. Toetsing De beleidsdocumenten Gebiedsvisie Midden-Delfland®2025, de visie Vitale Dorpen Midden-Delfland 2025 en het Landschapsontwikkelingsperspectief vormen de belangrijke bouwstenen van deze structuurvisie. Deze bevatten echter geen concreet beleid ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

17

3.4.2 Woonvisie Midden-Delfland 2010-2025 Het streefbeeld voor de toekomst van Midden-Delfland is opgetekend in de Gebiedsvisie MiddenDelfland® 2025 en in de Visie Vitale Dorpen Midden-Delfland 2025. Kern van de Gebiedsvisie is het versterken van bestaande kwaliteiten van het landschap. Motto van de Visie Vitale Dorpen is behoud door ontwikkeling. De visies geven globaal de koers aan op het gebied van wonen. De Woonvisie bouwt voort op de keuzes en uitspraken in de beide toekomstvisies en op de op 10 maart 2009 door de raad vastgestelde ‘Startnotitie Woonvisie’. De woonvisie is opgesteld voor de periode 2010-2025 (overeenkomstig de termijn van andere plannen) en bevat een toekomstvisie en beleidsambities voor de lange(re) termijn en een concreet uitvoeringsprogramma voor de korte termijn. Toetsing In de woonvisie ligt de nadruk op het wonen in de dorpen. Voor Den Hoorn geldt als uitgangspunt voor nieuwbouw dat dit vooral een groen kleinstedelijk tot suburbaan karakter kent en relatief wat meer appartementen. De beoogde ontwikkeling sluit hierbij aan met de realisatie van appartementen.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

18

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

19

Hoofdstuk 4

4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de omgevingsaspecten beschreven en getoetst die voor dit bestemmingsplan relevant zijn. De resultaten en conclusies van de onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.

4.2

Milieueffectrapportage

Toetsingskader In dit bestemmingsplan worden 6 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling valt onder categorie D11.2, ofwel de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het project betrekking heeft op 2.000 of meer woningen. De beoogde ontwikkeling blijft ruimschoots onder deze drempelwaarde. Omdat de beoogde ontwikkeling onder de drempelwaarde blijft wordt volstaan met een vormvrije m.e.r-beoordeling. Deze paragraaf voorziet daarin. Op basis van deze beoordeling kan door de gemeente een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van zes woningen en blijft daarmee (ruim) onder de drempelwaarde.

Voor deze ontwikkeling is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

4.3

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is geluidhinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige functies. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk als de woningen binnen de geluidzone vallen van gezoneerde wegen. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting te worden onderbouwd.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

20

Onderzoek Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Zuidhoornseweg, de Rijksstraatweg en de Jan Thoméelaan. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is toegevoegd in bijlage 2. Resultaten De resultaten zijn:  ten gevolge van het verkeer op de gezoneerde Rijksstraatweg en Jan Thoméelaan wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het laten vaststellen van hogere waarden is niet nodig.  ten gevolge van het verkeer op de gezoneerde Zuidhoornseweg wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het laten vaststellen van hogere waarden is nodig.  Maatregelen om de geluidbelasting ten gevolge van de overschrijdende Zuidhoornseweg te reduceren zijn in het kader van de Wet geluidhinder onderzocht. Dit is beschreven in paragraaf 4.2 van het Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Het toepassen van bron- of overdrachtsmaatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn niet doeltreffend of redelijkerwijs niet mogelijk geacht vanwege overwegende bezwaren van verkeerskundige, vervoerskundige en/of financiële aard. De gecumuleerde geluidbelasting (voor aftrek art. 110g Wgh) wordt als goed beoordeeld voor all woningen aan de achterzijde, met uitzondering van de geluidbelaste zijde van de woningen. Hier is de geluidkwaliteit matig tot redelijk. Met uitzondering van één appartement beschikken alle nieuwe woningen over een geluidluwe gevel.

Het verdient aanbeveling hier de slaapvertrekken te situeren bij de nadere uitwerking. Toetsing aan de beleidsregel voor het vaststellen van hogere grenswaarden laat zien dat wordt voldaan aan één of meerdere criteria om hogere waarde te kunnen laten vaststellen. De geluidwering van de gevel dient minimaal te voldoen aan de standaardeis van 20 dB conform het Bouwbesluit. Benodigde hogere waarde Het college van Midden Delfland zal verzocht moeten worden om de in tabel 5.1 genoemde benodigde hogere waarden vast te stellen. Geluidbron - Zuidhoornseweg

Aantal woningen/appartementen 2 appartementen 2 appartementen 1 woning 1 woning

Benodigde hogere waarde 62 61 49 54

Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

21

4.4

Verkeer en parkeren

Toetsingskader Aan de hand van de kencijfers van het CROW dient inzichtelijk te worden gemaakt wat de te verwachten verkeersgeneratie en parkeervraag is als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Onderzoek Ontsluiting In de huidige situatie wordt de woning aan de Tramkade 9 rechtstreeks ontsloten op de Zuidhoornseweg. In de toekomstige situatie wordt de uitrit van deze woning aangesloten op de nieuwe ontsluiting. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het fietspad tussen de Tramkade en de Tanthofkade en voor een deel van het fietspad tussen de Zuidhoornseweg en de Tanthofkade. Hiervoor dient te zijner tijd een verkeersbesluit te worden genomen waarmee ook autoverkeer wordt toegestaan. Openbaar vervoer Op ca. 100 m afstand ligt de bushalte Den Hoorn, Schoolstraat. De bussen die hier stoppen, rijden richting station Delft en richting Naaldwijk busstation en Den Haag Leyenburg. Langzaam verkeer Aan de oostzijde van het plangebied ligt een fietspad met aangrenzend een voetpad. Parkeren De parkeerbehoefte wordt berekend aan de hand van de nota Parkeernormen Midden-Delfland. Voor woningen in Den Hoorn geldt een parkeernorm van 1,2 per woning met 0,3 bezoekersparkeerplaatsen. Uitgaande van een parkeernorm van 1,5 per woning komt dit uit op 9 parkeerplaatsen in totaal. Voor de vrijstaande woningen worden de parkeerplaatsen op het woonperceel gerealiseerd.

De parkeerplaatsen ten behoeve van de appartementen worden gerealiseerd tussen de twee gebouwen. Verkeersgeneratie De realisatie van de 6 woningen zal leiden tot extra verkeer van en naar het plangebied. De verkeersgeneratie is berekend op basis van de CROW-publicatie. Het plangebied valt binnen Matig stedelijk, rest bebouwde kom. Functie

Aantal

Wonen, koop vrijstaand Wonen, koop etage midden

2 4

Kencijfer verkeersgeneratie mvt/etmaal weekdag 8,6 17,2 6 24 Totaal 41,2

De toename van de verkeersgeneratie bedraagt maximaal 42 mvt/etmaal. Dit verkeer wordt afgewikkeld over de Zuidhoornseweg. Conclusie Het plangebied is goed bereikbaar voor zowel gemotoriseerd verkeer als het fietsverkeer. De parkeerbehoefte wordt voorzien binnen het plangebied. De verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling zal niet leiden tot structurele knelpunten in de verkeersafwikkeling. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkeling dan ook niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

22

4.5

Water

Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europees:  Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW);  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);  Waterwet. Provinciaal:  Provinciaal Waterplan;  Provinciale Structuurvisie;  Verordening Ruimte. Waterschapsbeleid In het Waterbeheerplan 2016-2021 beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland de strategische keuzes, de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan.

De complexiteit van het gebied en de omvang van de noodzakelijke investeringen dwingen tot het stellen van prioriteiten. Het Hoogheemraadschap gaat het beheer en onderhoud van het watersysteem optimaliseren en zal daarbij flink investeren in waterkwaliteit, waterkeringen en het voorkomen van wateroverlast en watertekort. Voor de zuiveringstechnische infrastructuur ligt de nadruk op beheren, onderhouden en optimaliseren. Daarnaast is Handreiking Watertoets vastgesteld. Deze handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. In het procesdeel wordt ingegaan op het watertoetsproces voor ruimtelijke planvorming. Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin. Huidige situatie Algemeen In de huidige situatie is het perceel begroeid met gras en staan er twee bomenrijen. Het plangebied wordt aan drie zijden begrensd door watergangen. Bodem en grondwater In de omgeving van het plangebied is er sprake van lichte klei met homogeen profiel (figuur 4.1). Wat betreft de grondwatertrap is er sprake van grondwatertrap IV. Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwatertrap 40 centimeter onder maaiveld ligt.

De gemiddelde laagste grondwaterstand schommelt tussen 50 en 80 centimeter.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

23

Figuur 4.1 Bodemsoort in de omgeving van het plangebied (zwart omcirkeld) (bron: Bodemkaart)

Figuur 4.2 Grondwatertrappen in de omgeving van het plangebied (zwart omcirkeld) (bron: Bodemkaart) Waterkwantiteit In het plangebied is volgens de Legger van het Hoogheemraadschap Delfland oppervlaktewater aanwezig. Aan de noord-, oost- en zuidzijde van het plangebied zijn secundaire wateren aanwezig (blauw) en aan de zuidzijde een duiker (rood).

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

24

Figuur 4.3: Uitsnede Legger Hoogheemraadschap Delfland Watersysteemkwaliteit en ecologie Ten westen van het plangebied is De Gaag gelegen, een oppervlaktewaterlichaam die is aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. De watergangen rondom het plangebied staan echter niet in directe verbinding met De Gaag. Daarnaast zijn de watergangen rondom het plangebied niet aangewezen als KRW-waterlichaam. Verder bevinden zich er ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Ten westen van het plangebied is een regionale waterkering aanwezig. Rondom keringen is een veiligheids- en beschermingszone aanwezig. Binnen deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast. Deze valt niet in het plangebied. Er hoeft voor het realiseren van de plannen geen rekening te worden gehouden met (de beschermingszones) van deze waterkeringen. Afvalwaterketen en riolering De bestaande gebouwen zijn aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zullen 2 grondgebonden woningen en 4 appartementen gerealiseerd worden. Er zullen met het plan geen ondergrondse objecten gerealiseerd worden.

Waterkwantiteit Het hoogheemraadschap hanteert het stand-stil principe. Dit houdt in dat een (ruimtelijke) ontwikkeling niet mag leiden tot een verslechtering van het watersysteem en er bij toename aan verhard oppervlak extra watercompensatie nodig is. Om te berekenen of er voor de toename van verharding compensatie nodig is, dient de watersleutel van het Hoogheemraadschap van Delfland ingevuld te worden. Deze is in Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

25

figuur 4.4 te vinden. Voor het plangebied is een oppervlakte van 3.060 m 2 berekend, dit is gebaseerd op een grove schatting. In de huidige situatie is hiervan 330 m 2 verhard. In de toekomstige situatie komt hierbij 275 m2 van de bouwvlakken erbij. Dit brengt de totale verharding in de toekomstige situatie op 605 m2. Een figuur met de verhardingen is te vinden in paragraaf 2.2. Uit de watersleutel blijkt dat er een totale wateroppervlakte van 151 m2 (voorkeur van het hoogheemraadschap) of een waterberging van 34,4 m3 gerealiseerd moet worden. De bestaande watergangen rondom het plangebied worden verbreed om te voldoen aan de watercompensatie.

Figuur 4.4 Watersleutel Hoogheemraadschap van Delfland ingevuld voor Tramkade

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

26

In de omgeving van het plangebied zijn er verschillende watergangen gelegen. Het slootonderhoud vindt plaats vanaf de overkant van de sloten van de omliggende percelen die in eigendom zijn van de gemeente. Op eigen terrein hoeven geen onderhoudsstroken aangehouden te worden. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Waterveiligheid en waterkeringen De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Duurzaamheid De aanwezige verharding in het openbaar gebied biedt geen mogelijkheden voor het realiseren van een doorlaatbare verharding, omdat de verharding aanwezig moet blijven in verband met bodemverontreiniging onder de bestaande verharding. Op eigen terrein kunnen toekomstige bewoners uiteraard zelf keuzes maken voor een duurzame inrichting. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.

Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting;  (in-) filtratie van afstromend hemelwater;  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;  afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Het hemelwater zal via een afzonderlijks buizensysteem worden afgevoerd naar de omliggende sloten; daarvoor wordt vervangend water gegraven door de sloten te verbreden. Conclusie De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn onderzocht voor het plangebied. Uit de watersleutel blijkt dat er een totale wateroppervlakte van 151 m2 (voorkeur van het hoogheemraadschap) of een waterberging van 34,4 m3 gerealiseerd moet worden. Voor werkzaamheden in de beschermingszone van de watergangen dient een watervergunning aangevraagd te worden. Met de compensatie heeft de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.6

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren).

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

27

Onderzoek en conclusie Om te bepalen of het terrein milieuhygienisch gezien geschikt is voor wonen is een verkennend en nader milieukundig (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in Bijlage 3. Op basis van dit onderzoek wordt het volgende geconcludeerd:  ter plaatse van het historische karrepad een matig tot sterke verontreiniging met nikkel en koper is aangetoond. Ter plaatse van het overige terrein is de grond maximaal licht verontreinigd met de onderzochte parameters;  het grondwater maximaal licht verontreinigd is met barium;  de omvang van de sterke nikkel- en matige koperverontreiniging wordt geschat op circa 180 m³. De verontreiniging is, naar ons inziens, in de verticale en horizontale richting in voldoende mate afgeperkt. Het betreft een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’ zoals beschreven in de Wet Bodembescherming. Conform de sancrit-toetsing is de sanering niet spoedeisend. De Omgevingsdienst Haaglanden treedt in dit geval op als bevoegd gezag;  visueel zowel op het maaiveld als in het opgeboorde materiaal geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen;  de totaal gewogen asbestconcentratie (maximaal 1,9 mg/kg d.s.) de interventiewaarde niet overschrijdt. Om de locatie geschikt te maken voor het beoogde gebruik dient de verontreiniging met zware metalen gesaneerd te worden.

De keuze van de saneringsvariant (bijvoorbeeld ontgraven of isoleren) dient afgestemd te worden op de eisen van de bevoegd gezag en de herinrichtingsplannen. De verwachting is dat deze sanering onder de Regeling Uniforme Sanering (door middel van een “BUS-melding”) verricht kan worden (categorie “immobiel” aangezien in het grondwater maximaal de streefwaarde wordt overschreden).

4.7

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

28

gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichting (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn in en nabij het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen. Daarnaast vindt in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor, het water of door buisleidingen. Op een afstand van circa 860 meter loopt de A4 waarbij de maatgevende stof GF3 is. Deze heeft een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied reikt niet tot het invloedsgebied, er hoeft geen nader inzicht in het groepsrisico te worden gegeven. Conclusie Ten westen van het plangebied ligt de A4 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het invloedsgebied reikt echter niet tot het plangebied.

Verder zijn er in de directe omgeving van het projectgebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

29

deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek Ten noorden van het plangebied bevindt zich een dierenweide. Deze dierenweide valt niet onder de meldplicht van het Activiteitenbesluit. Daarom gelden er geen afstandseisen (geur) voor het houden van de dieren vanuit het Activiteitenbesluit. Wel moet worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Er wordt ca. 1 m3 mest opgeslagen in een kleine container. Eenmaal per twee weken wordt de mest afgevoerd. De kleine metalen container staat bij de ingang van de dierenweide en grenst niet aan het plangebied. Deze mestcontainer wordt iedere 2 weken opgehaald en weggebracht door Openbare werken. In de winterperiode zelfs vaker. De container staat op meer dan 5 meter van de slootkant dus er is geen sprake van eventueel weglekken van mestvocht in de sloot. Conclusie Gelet op de afstand tot de mestopslag en de grootte hiervan, is ter plaatse van het plangebied geen sprake van geuroverlast. Het aspect bedrijven en milieuhinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven. Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

30

Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Ter plaatse worden 6 woningen gerealiseerd. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2019 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort.

De dichtstbijzijnde maatgevende weg Zuidhoornseweg. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2018 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen in 2018 26,7 µg/m³ voor NO2, 20,5 µg/m³ voor PM10 en 12,4 µg/m³ voor PM2,5. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 8 dagen. Conclusie De beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Daarnaast zijn de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de huidige situatie ruimschoots onder de grenswaarden. Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

Beleid en normstelling Rijksbeleid De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

31

De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2019 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is:  Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet;  De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Onderzoek Archeologie Ter plaatse van de locatie geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'.

Archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd indien een bouwplan betrekking heeft op het plaatsen van een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 50 m2 en graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm. Deze grenzen worden met het voorgenomen bouwplan overschreden. Om inzicht te krijgen in de eventueel aanwezige archeologische waarden is een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in Bijlage 4. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat er binnen het plangebied getijdeafzettingen aanwezig zijn. Verwacht wordt dat deze afzettingen behoren tot de Laag van Gantel en de Laag van Poeldijk. Echter, aangezien de tussenliggende laag, de Woudlaag ontbreekt, kan er geen onderscheid worden gemaakt tussen de Laag van Gantel en de Laag van Poeldijk. De kans is aanwezig dat de Woudlaag weliswaar geërodeerd is, maar dat het niveau daaronder (en dat is het sporenniveau in de Laag van Gantel) nog wel intact is. Of dit zo is, en of op dit niveau sporen voorkomen, kan alleen worden vastgesteld met gravend onderzoek. De top van de Laag van Poeldijk is ook een potentieel archeologisch niveau. Hoewel de top van de Laag van Poeldijk zich aan het maaiveld bevindt (ca.

-0,8 m NAP), zal het eventuele sporenniveau van de Laag van Poeldijk aanwezig zijn aan de onderzijde van de bouwvoor op een diepte van 0,5 tot 0,8 m -mv (-1,3 tot -1,6 m NAP). Indien bodemverstorende werkzaamheden dieper reiken dan 0,5 m– mv (-1,3 m NAP) wordt een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Het doel van het proefsleuvenonderzoek is tweeledig: 1/ nagaan of er archeologische resten aanwezig zijn aan de onderzijde van de bouwvoor en 2/ nagaan of het sporeniveau in de Laag van Gantel nog intact is, op welke diepte dit niveau voorkomt en of er archeologische waarden aanwezig zijn. Cultuurhistorie In het plangebied is geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig. Wel zijn de aanwezige bomenrijen van cultuurhistorische waarde. Op de Cruquiuskaart uit 1712 is te zien dat het plangebied deel uit maakt van een landgoed waar een tuin is aangelegd.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

32

figuur 4.4: Het plangebied (rood omlijnd) op de Cruquiuskaart uit 1712 (bron: TU Delft) In het begin van de 19e eeuw was het plangebied in gebruik als tuin en boomgaard. Centraal door het plangebied, tussen de bomenrij, ligt een karrenpad. Dit pad stamt mogelijk uit 1940. In de voorgenomen plannen worden de bomen zoveel mogelijk behouden. Conclusie Uit het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek blijkt dat nader onderzoek door middel van proefsleuven vereist is bij werkzaamheden die dieper reiken van 0,5 meter onder maaiveld (1,3 meter onder NAP). Om de archeologische waarden te beschermen is de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 opgenomen.

4.11

Ecologie

Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

33

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.

Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Onderzoek en conclusie Om de ontwikkeling te toetsen aan de natuurwetgeving is een quickscan ecologie uitgevoerd. Deze quickscan is toegevoegd in Bijlage 5. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Binnen een straal van 5 kilometer liggen geen Natura 2000-gebieden.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

34

Soortenbescherming Het plangebied is onderzocht op het voorkomen van beschermde planten-/diersoorten. Uit de biotooptoets blijkt dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten niet worden aangetast. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.12

Kabels en leidingen

Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

35

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevatten de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Planvorm Het bestemmingsplan Tramkade is vervat in een verbeelding, regels en toelichting. Doel van het bestemmingsplan Het doel van bestemmingsplan Tramkade is de ontwikkeling van 6 woningen toe te staan. Opzet van de verbeelding Uitgangspunt is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. Opzet en opbouw van de regels De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn verder afwijkings- en wijzigingsregels opgenomen. Opbouw planregels De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1.

inleidende regels; bestaande uit de begripsbepalingen en de wijze van meten. 2. bestemmingsregels; bestaande uit de bestemmingen. Elk artikel heeft een vaste opbouw. Eerst wordt een bestemmingsomschrijving gegeven. Vervolgens worden de bouwregels gegeven. Dan volgen de gebruiksregels. Daarna de eventuele nadere eisen. Ook kunnen er eventuele mogelijkheden voor afwijking van de bouwregels en de gebruiksregels worden gegeven. 3. algemene regels; bestaande uit de regels die algemeen gelden. 4. overgangs- en slotregels; bestaande uit de overgangsbepalingen en de slotregel.

Artikel 1 Begrippen Dit artikel bevat conform de SVBP de standaard begrippen die in een bestemmingsplan worden gebruikt. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel bevat conform de SVBP de standaard wijze van meten die in een bestemmingsplan worden gebruikt. Het artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van

Rho adviseurs voor leefruimte

44001925.20190380

36

gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=4951c4fe-c329-4492-87c9-b20d10c96a45