CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

07 Gaagweg 11 Toelichting en Regels

Gemeenteraad 26 maart 2024, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Voorstel vaststellen bestemmingsplan Gaagweg 11 Schipluiden20.330 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

36

Bestemmingsplan Gaagweg 11

4.10

Trillingen

4.10.1 Beleidskader Er is voor hinder door trillingen geen wettelijk kader. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient er geen hinder door trillingen te worden ondervonden of te worden veroorzaakt als gevolg van de ontwikkeling. In het activiteitenbesluit wordt voor de aanwijzing van trilling gevoelige gebouwen verwezen naar de geluidsgevoelige gebouwen van Wet geluidhinder. Hinder door trillingen ontstaan door onder andere door verkeer over de weg of het spoor, of door machines bij industrie en bedrijvigheid. Door trillingen is het mogelijk dat schade ontstaat aan gebouwen, of dat mensen binnen gebouwen last ondervinden van de trillingen.

4.10.2 Doorwerking plangebied Onderhavige ontwikkeling ziet op het mogelijk maken van een permanente woonbestemming. Hiermee wordt er een gevoelig object gerealiseerd waarmee rekening gehouden dient te worden. Echter, het object bestaat in de huidige situatie al als een bedrijfswoning, wat ook als gevoelig object aangemerkt kan worden. Daarnaast ziet de ontwikkeling op het verlagen van de milieubelastende activiteiten van de naastgelegen bedrijfsbestemming ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee kan gesteld worden dat de woon- en leefomstandigheden, ook met betrekking tot eventuele trillingen als gevolg van de bedrijfsbestemming, een verbetering zal ondervinden. Het aspect trillingen zal derhalve geen belemmering vormen voor onderhavige ontwikkeling.

37

Bestemmingsplan Gaagweg 11

4.11

Water

4.11.1 Beleidskader

Nationaal Waterprogramma2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma (NWP) is opgesteld en ontwikkeld om Nederland veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden. Het programma is een opvolging van het NWP 2016-2021 en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (Bprw). Het NWP 2022-2027 geldt daardoor als NWP én als Bprw. Het NWP is een vereiste van de Waterwet, die de Rijksoverheid eens in de 6 jaar een NWP laat opstellen. Omdat de Waterwet opgaat in de Omgevingswet, is de NWP opgesteld in de geest van de Omgevingswet. Het voldoet daarmee aan de Waterwet, maar kijkt ook vooruit. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van Rijkswateren en Rijksvaarwegen, en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijke beleid. Het NWP is daarbij opgedeeld in 3 delen:  Deel A: het Nationaal Waterbeleid beschrijft het beleid voor de thema's Klimaatadaptatie, Waterveiligheid, Zoetwaterverdeling en droogte, Waterkwaliteit, Grondwater en Scheepvaart;  Deel B: het beheer en de uitvoering van Rijkswaterstaat in de rijkswateren en rijksvaarwegen;  Deel C: het gebiedsdeel waar beleid en beheer bij elkaar komen in de context van een gebied. Het beheer en beleid zoals opgenomen in de NWP heeft dus betrekking op rijkswateren en rijksvaarwegen.

Waterwet De Waterwet, welke opgaat in de Omgevingswet, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet zijn Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan.

Watertoets In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient er voor een ruimtelijke ontwikkeling een watertoets verricht te worden. De watertoets beschrijft het proces waarop de initiatiefnemer en de waterbeheerder samenwerken en beschrijft de manier waarop rekening wordt gehouden met de gevolgen van het plan voor waterhuishouding. Bij dit bestemmingsplan zijn de Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Midden-Delfland de waterbeheerder.

Hoogheemraadschap van Delfland De gemeente Midden-Delfland valt onder het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft haar eigen doelen en beleid waarin de koers is opgenomen voor het bereiken van deze doelen is opgenomen. De voornaamste beleidsdocumenten hierin zijn de Keur en de algemene regels. Hierin staan bepalingen overstijgend aan alle beleidsregels met betrekking tot handelingen in de nabijheid van watergangen, waterwegen en oppervlaktewateren. Op basis hiervan kan bepaald worden of een vergunning verleend moet worden door het Hoogheemraadschap voor een ruimtelijke ontwikkeling.

De Legger is vervolgens een samenwerking tussen leggerkaart en leggertekst waarin onder meer alle waterstaatswerken, zoals dijken, vaarten, sloten, gemalen en stuwen, zijn opgenomen waarop de Keur van toepassing is. Ook geeft de legger aan wie verantwoordelijk is voor het onderhoudt van een waterstaatswerk.

38

Bestemmingsplan Gaagweg 11 4.11.2 Doorwerking plangebied

Watersleutel Het Hoogheemraadschap Delfland maakt gebruik van de watersleutel. De watersleutel is een tool om te bepalen hoeveel waterberging moet worden gerealiseerd om bij een ruimtelijke ontwikkeling de effecten op het watersysteem te compenseren. Zo kan een ontwikkeling waarbij er sprake is van toename in verhard oppervlakte binnen het gebied zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast en moet gecompenseerd worden door extra waterberging. Voor onderhavig project geldt echter dat er geen verandering in bebouwde omgeving zal optreden. De ruimtelijke ontwikkeling betreft enkel een wijziging in functie van het gebied. Hierbij zal geen sprake zijn van toevoeging in verhard oppervlakte of een vermindering van verhard oppervlak binnen het plangebied. Ook zal er geen sprake zijn van sloop of nieuwbouw. Naar zeggen van het Hoogheemraadschap is voor ontwikkeling waarbij een bestemming wijzigt, maar er geen nieuwbouw of herstructurering van de openbare ruimte plaatsvindt geen compensatie verplicht en hoeft de waterlseutel niet te worden ingevuld. Voor onderhavig project geldt dus dat het invullen van de watersleutel niet noodzakelijk zal zijn omdat er geen wijzigingen binnen het gebied optreden die enig effect op watersystemen kunnen hebben.

Van eventueel benodigde compensatie als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal geen sprake zijn.

Dubbelbestemming: 'Waterstaat - Waterkering' Ten westen van het plangebied, en een deel binnen het plangebied, kent het plangebied in de huidige situatie de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Voorliggende ruimtelijke ontwikkeling ziet niet op werkzaamheden binnen deze dubbelbstemming. De dubbelbestemming zal derhalve geen belemmering voor het plan vormen. In de toekomstige situatie zal deze dubbelbestemming gehandhaafd worden. Eventuele toekomstige werkzaamheden binnen deze bestemming zullen daarom altijd overlegd moeten worden met het Hoogheemraadschap.

Conclusie Op basis van de aard van voorliggende ruimtelijke ontwikkeling kan er gesteld worden dat er voor het aspect 'water' geen negatieve effecten zullen optreden als gevolg van de ontwikkeling.

39

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemene juridische opzet

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische vertaling van de bestaande situatie en de nieuwe ontwikkelingen. De verbeelding en de regels zijn het juridische deel van een bestemmingsplan. De regels bevatten regels voor het gebruik van de gronden en bevatten bepalingen over toegelaten bebouwingen. Daarnaast bevat het regelingen over het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels. Ook heeft het de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking en maar juridisch gezien ook geen deel uit van het bestemmingsplan. De toelichting heeft echter wel een belangrijke functie in het onderbouwen van het plan. Ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Er is qua plansystematiek zoveel mogelijk aangesloten bij de reeds vastgestelde bestemmingsplannen in de gemeente Midden-Delfland. Ook is bij het opstellen van het bestemmingsplan uitgegaan van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).

40

Bestemmingsplan Gaagweg 11

5.2

Opbouw van regels

De regels zijn opgedeeld in vier hoofdstukken met één of meer artikelen. De hoofdstukken zijn de volgende:  Hoofdstuk 1 'Inleidende regels': bevat de begripsbepalingen. Ook bevat het een bepaling over de wijze van meten. De begripsbepalingen dienen als referentiekader voor de overige regels;  Hoofdstuk 2 'Bestemmingsregels': bevat de bestemmingen. Elk artikel kent een vaste opbouw. eerst wordt een bestemmingsomschrijving gegeven, vervolgens de bouwregels, dan de gebruiksregels en daarna de eventuele nadere eisen. Ook kunnen er eventuele mogelijkheden voor afwijken van bouwregels en gebruiksregels worden gegeven;  Hoofdstuk 3 'Algemene regels': bevat regels die algemeen gelden en vanwege de algemeenheid gegroepeerd zijn;  Hoofdstuk 4 'Overgangs- en slotregels': omvat de overgangsbepalingen van het bestemmingsplan.

41

Bestemmingsplan Gaagweg 11

5.3

Planregels

In deze paragraaf worden de verschillende enkel-, dubbelbestemmingen en aanduidingen nader toegelicht.

5.3.1

Enkelbestemmingen

Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd om het wonen binnen de bestaande bebouwing mogelijk te maken. Tevens zal de bestemming nevenactiviteiten in bijgebouwen toestaan.

Groen - Landschappelijke overgangszone De als 'Groen - Landschappelijke overgangszone' aangewezen gronden zijn bestemd om groenvoorzieningen en een tuin mogelijk te maken. Daarnaast kan binnen deze bestemming ook het gebouw behorend bij het adres Gaagweg 9b gebruikt blijven worden voor niet-beroepsmatig agrarische activiteiten als berging of stal voor kleinvee. Zodoende ontstaat er geen onduidelijkheid over de gebruiksmogelijkheden van dit gebouw.

Bedrijf De als 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsmatige activiteiten van bedrijven uit milieucategorie 2. De bedrijfsbestemming zal de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf verpakkingsmateriaal en assemblage van kunststofbouwmaterialen' kennen. Ter plaatse van deze aanduiding zijn tevens bedrijven toegestaan waarvan de activiteiten hoofdzakelijk te maken hebben met verpakkingsmateriaal en assemblage van kunstofbouwmaterialen, vallend binnen milieucategorie 3.1.

Tuin De als 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd o meen tuin mogelijk te maken. Het is op deze gronden in tegenstelling tot de bestemming 'Groen - Lanschappelijke overgangszone' niet mogelijk om niet-beroepsmatige agrarische activiteiten uit te voeren. Derhalve zijn de gronden enkel bestemd voor het gebruik als tuin.

5.3.2

Dubbelbestemmingen

Waarde - Archeologie 2 Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden. Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden is een regeling opgenomen waarbij een omgevingsvergunning is vereist. Hierbij dient aangetoond te worden dat de archeologische waarden niet worden geschaad. Wanneer bodemverstorende ingrepen de vrijstellingsgrenzen overschrijden, dient archeologisch onderzoek als voorwaarde te worden gesteld bij het verlenen van een omgevingsvergunning.

42

Bestemmingsplan Gaagweg 11 Waarde - Archeologie 4 Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden. Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden is een regeling opgenomen waarbij een omgevingsvergunning is vereist. Hierbij dient aangetoond te worden dat de archeologische waarden niet worden geschaad. Wanneer bodemverstorende ingrepen de vrijstellingsgrenzen overschrijden, dient archeologisch onderzoek als voorwaarde te worden gesteld bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Waterstaat - Waterkering Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming en instandhouding van de waterkering. Op of in de gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Wel zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Bestaande bebouwing is toegestaan, maar mag niet worden uitgebreid. Er is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om bestaande bebouwing aan te passen en/of uit te breiden.

5.3.3

Aanduidingen

Gebiedsaanduiding 'overige zone - 1' Deze aanduiding is opgenomen ten behoeven van onderhoud aan en de inpassing van de N468 en de daarbij behorende voorzieningen. Op deze gronden mogen enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd onder voorwaarden. Er is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of voor werkzaamheden.

43

Bestemmingsplan Gaagweg 11

5.4

Overgangsrecht

Het overgangsrecht heeft tot doel de rechtszekerheid te verzekeren ten aanzien van bouwwerken, die op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan gebouwd zijn of op grond van een reeds verleende of een nog te moeten afgeven bouwvergunning, gebouwd mogen worden en afwijken van de bouwregels in dit plan. Zij mogen blijven staan of, als een bouwvergunning of omgevingsvergunning is verleend, gebouwd worden zolang de bestaande afwijking maar niet vergroot wordt en het bouwwerk niet (grotendeels) wordt vernieuwd of veranderd. Ook het gebruik van gronden en de daarop staande opstallen dat - op het tijdstip dat het bestemmingsplan rechtsgeldig wordt - afwijkt van de gegeven bestemming is in het overgangsrecht geregeld. Het afwijkende gebruik mag worden voortgezet of worden gewijzigd in een andere, zolang de afwijking van het bestemmingsplan niet wordt vergroot. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de tekst van de in een bestemmingsplan op te nemen regels voor het 'overgangsrecht gebruik' opgenomen. In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

44

Bestemmingsplan Gaagweg 11

5.5

Handhaafbaarheid

Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden en het gebruik van gronden in opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen van handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente.

Dit komt voor middels bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles.Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijke actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels.

45

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) inzicht gegeven te worden in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met betrekking tot onderhavige ontwikkeling is tussen de gemeente Midden-Delfland en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is daarmee anderzins verzekerd. Op basis hiervan wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd geacht.

46

Bestemmingsplan Gaagweg 11

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid toegelicht. Deze paragraaf toont aan hoe het bestemmingsplan tot stand is gekomen met de betrokkenheid van andere partijen in het kader van artikel 3.1.1 van het Bro.

6.2.1

Overleg met andere partijen

De bestemmingsplanprocedure is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij een ontwerpbestemmingsplan voert de gemeente onderzoek uit naar de bestaande toestand. Ook kijkt het naar de mogelijke en wenselijke ontwikkelingen binnen de gemeente. In dit kader is het (voor)ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd bij de vooroverlegpartners van de gemeente Midden-Delfland. Uit het vooroverleg zijn geen opmerkingen gevolgd die verwerkt dienden te worden in het definitieve ontwerpbestemmingsplan.

Daarnaast, aangezien onderhavig plangebied gronden betreft die niet in eigendom van de initiatiefnemer zijn, is goedkeuring vereist van de desbetreffende grondeigenaren. De initiatiefnemer heeft daarom het bestemmingsplan voorgelegd aan de grondeigenaren om men kennis te laten nemen van het ontwerpbestemmingsplan. Op dit bestemmingsplan is goedkeuring door de grondeigenaren gegeven.

6.2.2

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn kon een ieder mondeling of schriftelijk een zienswijze indienen naar aanleiding van dit plan. Voor voorliggend plan geldt dat er geen zienswijzen binnen zijn gekomen.

6.2.3

Ambtshalve wijzigingen

Na de zienswijze-termijn kan er reden zijn om ambtelijke wijzigingen aan te brengen. Voor onderhavig plan geldt dat er geen ambtshalve wijzigingen hebben plaatsgevonden.

47

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Bijlagen bij toelichting

48

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Bijlage 1

Akoestisch onderzoek Wegverkeerslawaai

49

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Bijlage 2

50

Milieurapport

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Bijlage 3

Bodemonderzoek

51

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Bijlage 4

52

Akoestisch onderzoek Industrielawaai

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Regels

53

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Begrippen

plan

Het bestemmingsplan Gaagweg 11.

1.2

bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1842.bpSL23--on01 met de bijbehorende regels.

1.3

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarvoor ingevolge dit bestemmingsplan regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4

aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5

aan- en uitbouw

Een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkunidg opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.

1.6

aan-huis-gebonden beroep

Een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en voor zover deze beroepen een ruimtelijke uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is.

1.7

afhankelijke woonruimte

Een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit het oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.

54

Bestemmingsplan Gaagweg 11

1.8

agrarisch bedrijf

Een bedrijf, gericht op het voorbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in: a. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit en bollenteelt; b. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond niet zijnde een paardenfokkerij zoals bedoeld onder c; c. een paardenfokkerij: een agrarisch bedrijf dat uitsluitend is gericht op het fokken van paarden, de verkoop van gefokte paarden; d. intensieve veehouderij: bedrijf waar geiten, slacht-, fok- leg-, of pelsdieren in gebouwen zonder substantiële weidegang worden gehouden, met uitzondering van fokdieren ten behoeve van melkrundveehouderij; e. glastuinbouw: de teelt van gewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen; f. sierteelt: de teelt van tuin- en potplanten en/of bomen, al dan niet met behulp van kassen en als niet gecombineerd met de handel in deze gewassen; g. fruitteelt: de teelt van fruit op open grond; h. bollenteelt: de teelt van bloembollen in samenhang met de teelt van bolbloemen; i. intensieve kwekerij: de teelt van gewassen of dieren (anders dan bij wijze van intensieve veehouderij) (nagenoeg) zonder gebruik te maken van daglicht. 1.9

archeologisch onderzoek

Onderzoek verricht door of namens een dinest of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.

1.10

archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de ind at gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

1.11

bebouwing

Een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.12

bed & breakfast

Een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt aan gasten.

1.13

bedrijf

Een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen.

1.14

bedrijf- of dienstwoning

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, vanwege de bestemming van het gebouw of het terrein.

55

Bestemmingsplan Gaagweg 11

1.15

bedrijfsvloeroppervlakte

de totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel of bedrijf met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.

1.16

bestaande gebouwen, bouwvlakken, situaties of functies

Gebouwen, bouwvlakken, situaties of functies die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.17

bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- of oppervlaktematen

Afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.18

bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak.

1.19

bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.20

Bevi-inrichting

Bedrijf zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.21

bevoegd gezag

Bevoegd gezag zoals bedoel in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.22

bouwen

Plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk.

1.23

bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

1.24

bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.25

bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

56

Bestemmingsplan Gaagweg 11 1.26

bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.27

bijgebouw

Een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

1.28

consumentenvuurwerk

Vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik.

1.29

cultuurhistorische waarde

De aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en/of historische gaafheid.

1.30

erf

Al dan niet bebouwd perceel dat voorzien is van een bouwvlak en direct is gelegen bij en hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebouw.

1.31

erfontsluitingsweg

Is gericht op het toegankelijk maken van erven en het verbinden van erven op een doelmatige wijze met de meest nabij gelegen openbare weg.

1.32

gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.33

geluidsgevoelige objecten

Woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.

1.34

hobbykas

Een gebouw, dat geheel of vrijwel geheel bestaat uit glas of ander doorzichtig materiaal en dat dient voor het hobbymatig telen van planten.

1.35

hoofdgebouw

Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

57

Bestemmingsplan Gaagweg 11

1.36

horecabedrijf

Een onderneming gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.

1.37

kantoor

Voorziening gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.

1.38

kas

Een bouwwerk van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering met een hoogte van 1,5 m of meer, trek-, tunnel-, schaduw-, boog- en gaaskassen daaronder begrepen.

1.39

kinderboerderij

Een voorziening waar ter wille van kinderen dieren worden gehouden.

1.40

kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

Activiteiten die in een woning door een bewoner op bedrijfsmatige wijze worden uitgeoefend, voor zover er sprake is van een inrichting type A, zoals bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past.

1.41

kleinschalige horecagelegenheid

Theetuin, koffieschenkerij of -proeverij van streekeigen producten dan wel producten (inclusief het schenken van licht alcoholische dranken), géén café, restaurant of ander horecabedrijf zijnde.

1.42

LOP

Het landschapsontwikkelingsperspectief Midden-Delfland® 2025, zoals door de raad van de gemeente Middel-Delfland is vastgesteld op 8 december 2009.

1.43

landschapswaarde

De aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van de aardoppervlakte, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur.

1.44

normaal beheer en onderhoud

Het onderhoud, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren.

58

Bestemmingsplan Gaagweg 11

1.45

nutsvoorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, apparatuur voor telecommunicatie wordt hieronder niet begrepen.

1.46

overkapping

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak.

1.47

paardrijactiviteiten

Het houden van paarden en/of pony's ten behoeve van verhuur en eigen gebruik, alsmede het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en/of pony's in pension te stallen te weiden.

1.48

peil

a. Voor gebouwen die onmiddelijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; b. In andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan. 1.49

recreatiewoning

Een permanent ter plaatse aanwezig gebouw, geen woonkeet en geen caravan of andere constructie op wielen zijnde, dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden bewoond.

1.50

sociale nevenfuncteis

Resocialisatie, therapie, gehandicaptenzorg, kinderopvang en soortgelijke onder- en nevengeschikte activiteiten ten behoeve van maatschappelijk welzijn en de volksgezondheid.

1.51

Staat van Bedrijfsactiviteiten

De staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels deel uitmaakt.

1.52

voorgevel

De gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

1.53

voorgevelrooilijn

De denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.

1.54

Wgh-inrichting

Bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, die in de belangrijkste mate geluidshinder kunnen veroorzaken.

59

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Artikel 2 2.1

Wijze van meten

afstand

De afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

2.2

bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3

breedte, lengte en diepte van een gebouw

Tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren.

2.4

goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.5

inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.6

oppervlakte van een bouwwerk

Tussen (de buitenste verticale projecties van) de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren; indien een gebouw voorzien is van een niet geheel door wanden omsloten overkapping, wordt het gedeelte van het gebouw onder deze overkapping mede als oppervlakte berekend, met dien verstande dat deze bepaling niet van toepassing is op dakoverstekken en luifels met een diepte van minder dan 1 m.

2.7

vloeroppervlakte

De gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.

60

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Bedrijf

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van een bedrijf uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - verpakkingsmateriaal en assemblage van kunststofbouwmaterialen': tevens een bedrijf gericht op verpakkingsmateriaal en assemblage van kunssttofbouwmaterialen; met daaraan ondergeschikt: a. bij deze bestemming horende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en toegangswegen. 3.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd; b. per bouwvlak mag één bedrijfswoning gebouwd worden; c. indien in de bestaande situatie al meerdere wooneenheden aanwezig zijn binnen een hoofdgebouw, geldt in het geval dat: 1. het aantal woningen binnen het hoofdgebouw is of wordt verminderd dan wel; 2. het hoofdgebouw geheel of gedeeltelijk is of wordt gesloopt of anderszins teniet gaat; het niet is toegestaan om afzonderlijke woningen te bouwen overeenkomstig het aantal wooneenheden binnen het hoofdgebouw en bij herbouw van het hoofdgebouw dient overigens het gebouw door één aaneengesloten dak te worden afgedekt. d. gebouwen mogen niet voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning worden gebouwd; e. de afstand van gebouwen tot de perceelsgrenzen bedraagt ten minste 2,5 m; f. overigens geldt het volgende:

61

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Max. inhoud

Max. oppervlakte

bedrijfswoningen (inclusief aan- en bestaand + uitbouwen en aangebouwde eenmalig 10% bijgebouwen en overkappingen) van de inhoud 50 m2

Max. goothoogte

Max. bouwhoogte

4,5 m

10 m

3m

6m

10 m

vrijstaande bijgebouwen en overkappingen

-

bedrijfsgebouwen

bestaand + eenmalig 10% van de inhoud

6m

erf- en terrein- afscheidingen: - voor de voorgevel - elders

-

-

overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

-

3.3

-

1m 2m -

-

5m

Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d.

nieuwe Bevi-inrichtingen zijn niet toegestaan; opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk is niet toegestaan; nieuwe Wgh-inrichtingen zijn niet toegestaan; opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 m is op onbebouwde gronden niet toegetsaan; e. per bedrijf is kantooroppervlakte die meer bedraagt dan 50% van de bedrijfsvloeroppervlakte niet toegestaan; kantooroppervlakte van meer dan 400 m2 per bedrijf is in geen geval toegestaan. 3.4

Afwijken van de gebruiksregels

3.4.1

Wijziging bedrijfstype

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in lid 3.1 om andere bedrijfsactiviteiten toe te laten uit ten hoogste dezelfde bedrijfscategorie als conform de bestemmingsomschrijving is toegestaan, voor zover deze bedrijfsactiviteiten naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) vergelijkbaar is met de reeds gevestigde en toegestane bedrijfsactiviteiten op de betreffende locatie.

3.5

Afwijken van de bouwregels

3.5.1

Inhoudsmaat van bedrijfsgebouwen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in lid 3.2 ten behoeve van het vergroten van de inhoudsmaat van bedrijfsgebouwen, met inachtneming van het volgende: a. de inhoud mag niet meer bedragen dan de inhoud zoals is toegestaan op basis van bestaande rechten op het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan; b. uitbreiding dient plaats te vinden binnen het bestaande bouwvlak;

62

Bestemmingsplan Gaagweg 11 c.

indien de uitbreiding niet passend is binnen het bestaande bouwvlak, mag het bouwvlak eenmalig overschreden worden, met dien verstande dat de uitbreiding te allen tijde binnen de bestemming Bedrijf gerealiseerd dient te worden; d. de verkeersaantrekkende werking mag niet onevenredig toenemen; e. er mag geen sprake zijn van een onevenredige vergroting van de milieubelasting op de omgeving; f. uitbreiding van het bebouwd en/of verhard oppervlak mag uitsluitend plaatsvinden conform de gestelde waterbergingsnorm van het Hoogheemraadschap van Delfland. Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen, dient het bevoegd gezag instemming van het Hoogheemraadschap van Delfland te verkrijgen; g. er dient voorzien te worden in een adequate landschappelijke inpassing. 3.5.2

Afwijkende goot- en bouwhoogte

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de goot- en bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen zoals bepaald in lid 3.2, met inachtneming van het volgende: a. van de bevoegdheid tot afwijken wordt uitsluitend gebruikgemaakt, voor zover een doelmatige bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt; b. de initiatiefnemer dient aan te tonen dat het vergroten van de goot- en bouwhoogte geen afbreuk doet aan en past binnen de gemeentelijke uitgangspunten ten aanzien van de gewenste ruimtelijke en beeldkwaliteit zoals opgenomen in het LOP en de Handleiding Beeldkwaliteit; c. in afwijking van het bepaalde onder b, kan het bevoegd gezag afwijken van de regels en randvoorwaarden zoals vastgelegd in de Handleiding Beeldkwaliteit, indien zij van oordeel is dat hiermee evenwel wordt bijgedragen aan de gewenste ruimtelijke en beeldkwaliteit of hieraan geen onevenredige afbreuk wordt gedaan. 3.6

Wijzigingsbevoegdheid

3.6.1

Ruimte voor Ruimte-regeling

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd voor de bedrijven in de bestemming Bedrijf om met toepassing van de Ruimte voor Ruimte-regeling de bestemming Bedrijf te wijzigen ten behoeve van de bouw van een extra woning in ruil voor de sloop van alle op het bouwvlak aanwezige bedrijfsbebouwing, met inachtneming van het volgende: a. voor de sloop of sanering op één of meerdere percelen van iedere 1.000 m 2 gebouwen of 5.000 m2 glas mag één compensatiewoning worden gebouwd; b. de gebouwen zijn opgericht voor de peildatum van 1 januari 2007; c. de bestaande en nieuw te realiseren woning dient te worden voorzien van een zelfstandig bouwvlak me de bestemming Wonen; d. de tuin bij de bestaande woning en nieuwe woning dient te worden voorzien van de bestemming Tuin (zonder bouwvlak); e. indien wenselijk kunnen de gronden ook worden voorzien van de bestemming Agrarisch met waarden, Natuur of Groen - Landschappelijke overgangszone; f. de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt duurzaam verbeterd; g. de nieuwe woningen brengen uit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen met zich mee voor de bedrijfsvoering van de omliggende (agrarische) bedrijven; h.

de initiatiefnemer dient aan te tonen dat de bestemmingswijziging van de bestaande bedrijfswoning en de realisatie van een nieuwe woning geen afbreuk doet aan de eventueel aanwezige landschaps- en cultuurhistorische waarden in de vorm van: 1. open weidelandschap 2. karakteristiek slotenpatroon; 3. verkavelingspatroon; 4. zichtlijnen; 5. karakteristieke boerderijoprit; 6. verbinding tussen stad en platteland; 7. kreekruggen; 8. historische kades; 9. terpen;

63

Bestemmingsplan Gaagweg 11

i.

j.

64

10. kerkenpaden; 11. kasteelwerven; 12. molenwerven; 13. de specifieke ruimtelijke kwaliteiten zoals omschreven in het Landschapsontwikkelingsperspectief; de initiatiefnemer dient aan te tonen dat de bestemmingswijziging van de bestaande bedrijfswoning en de realisatie van een nieuwe woning past binnen de gemeentelijke uitgangspunten ten aanzien van de gewenste ruimtelijke en beeldkwaliteit zoals opgenomen in het LOP en de Handleiding Beeldkwaliteit; in afwijking van het bepaalde onder i, kan het bevoegd gezag afwijken van de regels en randvoorwaarden zoals vastgelegd in de Handleiding Beeldkwaliteit, indien zij van oordeel is dat hiermee evenwel word bijgedragen aan de gewenste ruimtelijke en beeldkwaliteit of hieraan geen onevenredige afbreuk wordt gedaan.

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Artikel 4 4.1

Groen - landschappelijke overgangszone

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen - Landschappelijke overgangszone' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.

groenvoorzieningen; bestaande moestuinen bestaande boomgaarden niet-beroepsmatig agrarisch gebruik; de inrichting van natuurvriendelijke oevers, alsmede voor het verstrekken van informatie omtrent het oudheidkundig bodemonderzoek.

op deze gronden zijn uitsluitend toelaatbaar: f.

hobbykassen, bergingen en stallen voor kleinvee ten behoeve van woningen op aangrenzende percelen met de bestemming Wonen; g. in- en uitritten; h. groenvoorzieningen, waterpartijen en natuurvriendelijke oevers; i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming. 4.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. de afstand van gebouwen tot perceelsgrenzen bedraagt ten minste 2,5 m; b. overigens geldt het volgende: Max. oppervlakte

Max. goothoogte

Max. bouwhoogte

bergingen en stallen voor kleinvee bestaand ten behoeve van woningen op aangrenzende percelen

bestaand

bestaand

hobbykassen

bestaand

bestaand

bestaand

overige erfafscheidingen

-

-

1m

overige bouwerken, geen gebouwen zijnde

-

-

3m

65

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Artikel 5 5.1

Tuin

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. 5.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, woden gebouwd; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de evenwijdige of nagenoeg evenwijdig aan de weg geplaatste gevel bedraagt ten hoogste 1m; c. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2m; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3m.

66

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Artikel 6 6.1

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen, met daaronder begrepen aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; met daaraan ondergeschikt: b. de in tabel 5.1 genoemde nevenfuncties met de daarbij behorende maximaal te bebouwen en te gebruiken oppervlaktes; c. de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, water en toegangswegen. Tabel 5.1 Toegestane nevenfuncties Nevenfunctie

Max. m2 aan bebouwing

Max. m2 aan gronden

verkoop van streekeigen producten

100

-

veearts; hoefsmederij

200

100

ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten

200

-

kinderboerderij

200

200

paardenstalling/paardrijactiviteit 200 en tot 5 paarden

800

kano-, roeiboot- of fietsenverhuur

200

-

bed & breakfast

125

-

kleinschalige horecagelegenheid

100

500

museum/tentoonstellingsruimte 200

-

67

Bestemmingsplan Gaagweg 11

6.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd; b. per bouwvlak is 1 woning toegestaan; indien het hoofdgebouw geheel of gedeeltelijk is of wordt gesloopt of anderszins tenietgaat dient bij herbouw het gebouw door één aaneengesloten dak te worden afgedekt; c. bijgebouwen dienen achter de voorgevelrooilijn te worden gebouwd; d. de afstand van hoofdgebouwen tot perceelsgrenzen bedraagt ten minste 2,5 m; e. lichtmasten bij paardenbakken zijn niet toegestaan; f. overigens geldt het volgende: Max. inhoud

Max. oppervlakte

Max. Max. goothoogte bouwhoogte

woningen (inclusief aan- en bestaand + uitbouwen en aangebouwde eenmalig 10% bijgebouwen en overkappingen) van de inhoud

4,5 m

10 m

vrijstaande bijgebouwen en overkappingen (per woning)

bestaand

bestaand

bestaand

bestaand

erf- en terrein- afscheidingen: - voor de voorgevel - buiten het bouwvlak - elders

-

-

-

overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

-

1m 1m 2m

6.3

Afwijken van de bouwregels

6.3.1

Inhoudsmaat woningen

-

-

3m

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in lid 6.2 om de inhoudsmaat van woningen te vergroten tot ten hoogste 1000 m 3 (exclusief ondergrondse bolken), met inachtneming van het volgende: a. het vergroten van de woning dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; b. woningen met een bestaande inhoud kleiner dan 500 m3 mogen worden vergroot tot ten hoogste 500 m3 met dien verstande dat ten hoogste 30% van het erf mag worden bebouwd; c. woningen met een bestaande inhoud tussen de 500 m 3 en 750 m3 mogen worden vergroot tot ten hoogste 750 m3 met dien verstande dat ten hoogste 30% van het erf bebouwd mag worden; d. woningen met een bestaand inhoud groter dan 750 m3 mogen worden vergroot tot ten hoogste 1000 m3 met dien verstande dat ten hoogste 30% van het bestaande erf bebouwd mag worden; e. de afstand tot de perceelsgrens bedraagt ten minste 3 m; f. uitbreiding van het bebouwd en/of verhard oppervlak mag uitsluitend plaatsvinden conform de gestelde waterbergingsnorm van het Hoogheemraadschap van Delfland. Alvorens omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning te beslissen, dient het bevoegd gezag instemming van het Hoogheemraadschap van Delfland te verkrijgen;

68

Bestemmingsplan Gaagweg 11 g. de initiatiefnemer dient aan te tonen dat het vergroten van de inhoudsmaat geen afbreuk doet aan en past binnen de gemeentelijke uitgangspunten ten aanzien van de gewenste ruimtelijke en beeldkwaliteit zoals opgenomen in het LOP en de Handleiding Beeldkwaliteit; h. in afwijking van het bepaalde onder g, kan het bevoegd gezag afwijken van de regels en randvoorwaarden zoals vastgelegd in de Handleiding Beeldkwaliteit, indien zij van oordeel is dat hiermee evenwel wordt bijgedragen aan de gewenste ruimtelijke en beeldkwaliteit of hieraan geen onevenredige afbreuk wordt gedaan. 6.3.2

Afwijkende goot- en bouwhoogte

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de goot- en bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen zoals bepaald in lid 6.2 onder j, met inachtneming van het volgende: a. het verhogen van de goot- en bouwhoogte van de woning dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; b. de initiatiefnemer dient aan te tonen dat het vergroten van de goot- en bouwhoogte geen afbreuk doet aan en past binnen de gemeentelijke uitgangspunten ten aanzien van de gewenste ruimtelijke en beeldkwaliteit zoals opgenomen in het LOP en de Handleiding Beeldkwaliteit; c. in afwijking van het bepaalde onder b, kan het bevoegd gezag afwijken van de regels en de randvoorwaarden zoals vastgelegd in de Handleiding Beeldkwaliteit, indien zij van oordeel is dat hiermee evenwel wordt bijgedragen aan de gewenste ruimtelijke en beeldkwaliteit of hieraan niet onevenredig afbreuk wordt gedaan. 6.4

Specifieke gebruiksregels

6.4.1

Algemeen

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 25% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning met een maximum van 40 m2; b. paardenbakken zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan; c. bed&breakfast is uitsluitend toegestaan in de woning of een bijgebouw en dient gerund te worden door de bewoner of beheerder van het betreffende huis; 6.5

Afwijken van de gebruiksregels

6.5.1

Sociale nevenfuncties

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in tabel 5.1 ten behoeve van het toestaan van sociale nevenfuncties binnen het bouwvlak met inachtneming van het volgende: a. nevenfuncties dienen milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; b. er mogen geen beperkingen voor omliggende (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheid); c. de nevenfunctie is uitsluitend toegestaan binnen de bestaande bebouwing; d. er dient op eigen terrein voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid voor de betreffende functie; e. nevenfuncties zijn uitsluitend toegestaan indien de nevenfunctie geen onevenredig grote verkeersaantrekkende werking heeft en er geen verslechtering optreedt in de verkeersafwikkeling ter plaatse; f. opslag van stoffen en producten die gevaar of milieuoverlast kunnen opleveren is niet toegestaan; g. buitenopslag ten behoeve van de nevenfunctie is niet toegestaan; h. de initiatiefnemer dient aan te tonen dat de nevenfunctie geen afbreuk doet aan en past binnen de gemeentelijke uitgangspunten ten aanzien van de gewenste ruimtelijke en beeldkwaliteit zoals opgenomen in het LOP en de Handleiding Beeldkwaliteit;

69

Bestemmingsplan Gaagweg 11 i.

70

in afwijking van het bepaalde onder h, kan het bevoegd gezag afwijken van de regels en randvoorwaarden zoals vastgelegd in de Handleiding Beeldkwaliteit, indien zij van oordeel is dat hiermee evenwel wordt bijgedragen aan de gewenste ruimtelijke en beeldkwaliteit of hieraan geen onevenredige afbreuk wordt gedaan.

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Artikel 7 7.1

Waarde - Archeologie II

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie II' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

7.2

Bouwregels

Aanvullend op het bepaalde in de bouwregels van de andere voorkomende bestemming(en) gelden de volgende bouwregels: a. alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, dient het bouwplan te worden getoetst door de gemeentelijk archeoloog. Deze geeft aan of de aanvrager aanvullend archeologisch onderzoek moet laten uitvoeren, om vast te stellen of en zo ja, in hoeverre, het bouwplan zal leiden tot de verstoring van archeologische waarden; b. indien uit het in lid 7.2 onder a genoemde archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen conform de Erfgoedwet, op basis van een Programma van Eisen dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag; 3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, op basis van een Programma van Eisen dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag. c. de verplichting als bedoeld in lid 7.2 onder a geldt niet indien de vergunningaanvraag betrekking heeft op: 1.

vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. één of meerdere gebouwen ten behoeve waarvan bodemverstoringen in een gebied van maximaal 50 m2 optreden en/of tot maximaal 40 cm onder maaiveld worden uitgevoerd; 3. het plaatsen van een bouwwerk dat uitsluitend bestemd is voor archeologisch onderzoek, met een bouwhoogte van maximaal 3 meter. d. op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 7.2 onder a, is afgegeven, waarvan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in 7.2 onder b, is het bepaalde in 7.2 onder c.1 en 7.2 onder c.2 niet van toepassing. het bevoegd gezag kan in een dergelijk geval bepalen dan nieuw archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd om te toetsen of de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen worden verstoord. De bepaling in 7.2 onder b is overeenkomstig van toepassing. 7.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden

a. het is verboden om op of in de gronden die op de plankaart zijn aangewezen als 'Waarde Archeologie II' zonder, of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken, uit te voeren: 1. Bodemverstorende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 50 m2 en/of een diepte dieper dan 40 cm onder maaiveld, waartoe wordt gerekend saneren, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ontginnen en ophogen van gronden, alsmede het vergraven, wegruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; 2. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 3. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; 4. het aanbrengen of verwijderen van diepgewortelde beplanting; 5. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende

71

Bestemmingsplan Gaagweg 11 constructies, installaties of apparatuur; 6. het aanleggen en verwijderen van verhardingen ten behoeve van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen; b. het verbod als bedoeld in 7.3 onder a is niet van toepassing, indien de werkzaamheden of werken: 1. worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 7.2 van toepassing is; 2. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; 3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; 4. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingsvergunning; 5. betrekking hebben op een oppervlakte van maximaal 50 m2 en/of diepte van maximaal 40 cm onder maaiveld; 6. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. c. alvorens een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden wordt verleend, dient het bouwplan te worden getoetst door de gemeentelijk archeoloog. Deze geeft aan of de aanvrager aanvullen archeologisch onderzoek moet laten uitvoeren, om vast te stellen of en zo ja, in hoeverre, het bouwplan zal leiden tot de verstoring van archeologische waarden; d.

indien uit het in lid 7.3 onder a genoemde archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen conform de Erfgoedwet, op basis van een Programma van Eisen dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag; 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, op basis van een Programma van Eisen dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag. e. op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 7.3 onder c, is afgegeven, waarvan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in 7.3 onder d, zijn 7.3 onder b.4 en 7.3 onder b.5 niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan in een dergelijk geval bepalen dat nieuw archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd om te toetsen of de archeologsiche waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord. De bepaling in lid 7.3 onder d is overeenkomstig van toepassing. 7.4

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de op de plankaart als 'Waarde - Archeologie II' aangewezen gronden te wijzigen of (gedeeltelijk) te verwijderen, indien: a. uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. uit archeologisch onderzoek is gebleken dat het niet langer noodzakelijk is dat het bestemmingsplan ter plaatse voorziet in het behoud en bescherming van archeologische waarden.

72

Bestemmingsplan Gaagweg 11

Artikel 8 8.1

Waarde - Archeologie IV

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie IV' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

8.2

Bouwregels

Aanvullend op het bepaalde in de bouwregels van de andere voorkomende bestemming(en) gelden de volgende bouwregels: a. alvorens een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend, dient het bouwplan te worden getoetst door de gemeentelijk archeoloog. Deze geeft aan of de aanvrager aanvullend archeologisch onderzoek moet laten uitvoeren, om vast te stellen of en zo ja, in hoeverre, het bouwplan zal leiden tot de verstoring van archeologische waarden. b. indien uit het in lid 8.2 onder a genoemde archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen conform de Erfgoedwet, op basis van een Programma van Eisen dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag; 3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, op basis van een Programma van Eisen dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag. c. de verplichting als bedoeld in lid 8.2 onder a geldt niet indien de vergunningaanvraag betrekking heeft op: 1.

vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. één of meerdere gebouwen ten behoeve waarvan bodemverstoringen in een gebied van maximaal 1,5 hectare optreden en/of tot maximaal 40 cm onder maaiveld worden uitgevoerd; 3. het plaatsen van een bouwwerk dat uitsluitend bestemd is voor archeologisch onderzoek, met een bouwhoogte van maximaal 3 meter. d. op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 8.2 onder a, is afgegeven, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld 8.2 onder b, zijn 8.2 onder c.1 en 8.2 onder c.2 niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan in een dergelijk geval bepalen dat nieuw archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd om te toetsen of de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord. De bepaling in lid 8.2 onder b is overeenkomstig van toepassing. 8.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden

a. Het is verboden om op of in de gronden die op de plankaart zijn aangewezen als 'Waarde Archeologie IV' zonder, of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden, niet zijnde bouwwerken, uit te voeren: 1. bodemverstorende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 1,5 hectare en/of een diepte dieper dan 40 cm onder maaiveld, waartoe wordt gerekend, saneren, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ontginnen en ophogen van gronden, alsmede het vergraven, wegruimen of dempen van sloten, vijver en andere wateren en het aanleggen van drainage; 2. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 3. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; 4. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen; 5. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende

73

Bestemmingsplan Gaagweg 11 constructies, installaties of apparatuur; 6. het aanleggen en verwijderen van verhardingen ten behoeve van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen; b. het verbod als bedoeld in 8.3 onder a is niet van toepassing, indien de werkzaamheden of werken; 1. worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 8.2 van toepassing is; 2. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; 3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; 4. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingsvergunning; 5. betrekking hebben op een oppervlakte van maximaal 1,5 hectare en/of diepte van maximaal 40 cm onder maaiveld; 6. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. c. alvorens een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden wordt verleend, dient het bouwplan te worden getoetst door de gemeentelijk archeoloog. Deze geeft aan of de aanvrager aanvullend archeologisch onderzoek moet laten uitvoeren, om vast te stellen of en zo ja, in hoeverre, het bouwplan zal leiden tot de verstoring van archeologische waarden. d.

indien uit het in lid 8.3 onder a genoemde archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvrgunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen conform de Erfgoedwet, op basis van een Programma van Eisen dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag; 3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, op basis van een Programma van Eisen dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag. e. op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 8.3 onder c, is afgegeven, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in 8.3 onder d, zijn 8.3 onder b.4 en 8.3 onder b.5 niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan in een dergelijk geval bepalen dat nieuw archeologisch onderzoek moet worden uitgev oerd om te toetsen of de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen worden verstoord. De bepaling in 8.3 onder d is overeenkomstig van toepassing. 8.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=9ca88b1a-56cd-4520-9b6d-de359d3ef50c