CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

07 Bestemmingsplan Woudseweg 130 ter vaststelling.pdf

Gemeenteraad 24 mei 2022, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van bestemmingsplan Woudseweg 130 te Den Hoorn25.301 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

WOUDSEWEG 130 Bestemmingsplan 22 februari 2022

1/2

Woudseweg 130

Midden-Delfland

bestemmingsplan

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.1842.bpWOUDSEWEG130-va01

04-10-2018 23-10-2020 15-06-2021 22-02-2022

concept voorontwerp ontwerp ter vaststelling

projectnummer:

401360.20161338 opdrachtleider:

ir. R.J.M.M. Schram

Weena 505 Postbus 150 3000 AD Rotterdam T: 010-20 18 555 E-mail: info@rho.nl

2

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

3

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Inleiding

7

1.2

Aanleiding

7

1.3

Ligging plangebied

7

1.4

Vigerend bestemmingsplan

8

1.5

Leeswijzer

9

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

11

2.1

Beschrijving van het plangebied

11

2.2

Beschrijving van het initiatief

12

Hoofdstuk 3

Beleidskader

15

3.1

Nationaal beleid

15

3.2

Provinciaal beleid

16

3.3

Gemeentelijk beleid

18

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

21

4.1

Inleiding

21

4.2

Milieueffectrapportage

21

4.3

Verkeer en parkeren

21

4.4

Wegverkeerslawaai

23

4.5

Bedrijven en milieuhinder

24

4.6

Luchtkwaliteit

25

4.7

Externe veiligheid

27

4.8

Bodemkwaliteit

28

4.9

Kabels en leidingen

29

4.10

Water

29

4.11

Archeologie

34

4.12

Ecologie

38

Hoofdstuk 5

Juridische regeling

41

5.1

Inleiding

41

5.2

Planregels

41

5.3

Verbeelding

42

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

43

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

43

6.2

Economische uitvoerbaarheid

43

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

4

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Nota zienswijzen

Bijlage 2

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 4

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 5

Akoestisch onderzoek industrielawaai

Bijlage 6

Memo stikstofberekening

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

61

Artikel 1

Begrippen

61

Artikel 2

Wijze van meten

65

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

67

Artikel 3

Bedrijf

67

Artikel 4

Verkeer - Verblijfsgebied

69

Artikel 5

Wonen

70

Artikel 6

Waarde - Archeologie 1

72

Artikel 7

Waterstaat - Waterkering

74

Hoofdstuk 3

Algemene regels

75

Artikel 8

Anti-dubbeltelregel

75

Artikel 9

Algemene bouwregels

76

Artikel 10

Algemene gebruiksregels

77

Artikel 11

Algemene afwijkingsregels

78

Artikel 12

Algemene wijzigingsregels

79

Artikel 13

Overige regels

80

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

81

Artikel 14

Overgangsrecht

81

Artikel 15

Slotregel

82

Bijlagen regels Bijlage 1

Rho adviseurs voor leefruimte

Staat van Bedrijfsactiviteiten

401360.20161338

TOELICHTING

6

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

7

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Inleiding

Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling mogelijk van de locatie Woudseweg 130 te Den Hoorn (gemebart ente Midden-Delfland). Dit hoofdstuk vormt de inleiding en geeft beknopt de opbouw van het bestemmingsplan weer.

1.2

Aanleiding

Op de hoek van de Woudseweg - Harnaschdreef, aan de rand van de wijk Look-West, ligt een onbebouwd kavel. De initiatiefnemer is voornemens de kavel te ontwikkelen met de realisatie van twee geschakelde woningen, een appartementenblok en vier bedrijfsunits. De beoogde ontwikkeling past niet binnen het huidige planologische kader. Daarom is een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk.

1.3

Ligging plangebied

Het plangebied ligt op de hoek van de Woudseweg - Harnaschdreef en betreft het perceel Woudseweg 130. Het gebied ligt ten oosten van de rijksweg A4 op de grens met de nieuwe woonwijk Lookwest en de kern Den Hoorn in de gemeente Midden-Delfland. Zie figuur 1.1 voor de ligging van het plangebied.

Figuur 1.1 ligging plangebied (bron: Arcgis)

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

8

1.4

Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Lookwest-Noord 2013' (vastgesteld 28 mei 2013). Het grootste deel heeft op basis van dat plan de bestemming 'Gemengd - Uit te werken'. Deze bestemming is bedoeld voor de realisatie van een gevarieerde nieuwe invulling van het gebied, met zowel woon- als werkfuncties, bedoeld voor de verbinding tussen de woonwijk Lookwest en de bedrijvigheid van de Harnaschpolder. Voor de uitwerking van het gebied zijn specifieke regels opgenomen. Het noordelijk deel van het plangebied heeft de bestemming Bedrijf. Hier zijn bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan. Figuur 1.2 laat een uitsnede zien van het bestemmingsplan 'Lookwest-Noord 2013'.

Figuur 1.2: Uitsnede verbeelding 'Lookwest-Noord 2013' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Het voornemen is niet passend binnen de uit te werken bestemmingen. In principe is het realiseren van bedrijven en woningen mogelijk binnen de uit te werken bestemming. Echter, het realiseren van woonbebouwing is alleen aan de westzijde van het bestemmingsplan (aan de Harnaschkade) toegestaan. Derhalve is voor het project een nieuwe planologische procedure nodig.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

9

1.5

Leeswijzer

Deze toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:  hoofdstuk 2: huidige situatie en beschrijving van de ontwikkeling;  hoofdstuk 3: toetsing aan het relevante beleidskader;  hoofdstuk 4: toetsing aan de omgevingsaspecten;  hoofdstuk 5: juridische planbeschrijving;  hoofdstuk 6: uitvoerbaarheid. Na de toelichting zijn de regels behorende bij het bestemmingsplan opgenomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

10

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

11

Hoofdstuk 2

2.1

Planbeschrijving

Beschrijving van het plangebied

Omgeving van het plangebied Het plangebied ligt op de hoek van de Woudseweg en de Harnaschdreef binnen de bebouwde kom van Den Hoorn. De omgeving van het plangebied is al enkele jaren in beweging als gevolg van de ontwikkeling en uitbreiding van de diverse bedrijventerrein aan de westzijde van Den Hoorn. Met name de voltooiing van de A4 heeft er toe geleid dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein Harnaschpolder en het zuidelijk gelegen bedrijventerrein Hooipolder/ Kerkpolder een flinke versnelling hebben gekregen. Zowel grote als kleine bedrijven hebben zich gevestigd in het gebied, waardoor er langs de A4 een brede strook bedrijvigheid is ontstaan. Het plangebied - en met name de strook aan de Harnaschdreef - heeft echter een dubbele functie die wordt veroorzaakt door de recente aanleg van de woonwijk Lookwest. Deze uitbreidingswijk van Den Hoorn ligt direct ten westen van het plangebied. De omgeving van het plangebied kan dan ook het beste worden getypeerd als een gemengd gebied. Figuur 2.1 laat een luchtfoto zien van het plangebied en zijn omgeving.

Figuur 2.1: Luchtfoto omgeving plangebied

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

12

Plangebied De directe omgeving van het plangebied is de afgelopen jaren dus aanzienlijk veranderd. Dit heeft ook gevolgen gehad voor het plangebied. Aan de oostzijde is de Harnaschdreef aangelegd, waardoor ook deze zijde van het plangebied direct ontsloten is aan een doorgaande weg. Het plangebied zelf betreft de voormalige erfgronden van de woning Woudseweg 130. De gronden zijn momenteel in gebruik als dierenweide. Verder dient het plangebied als ontsluiting en parkeerplaats voor het naastgelegen bedrijfsperceel. De ontsluiting loopt via de Westernesse, aan de noordzijde van het plangebied. De Westernesse sluit ten noorden van het autobedrijf Van der Windt aan op de Harnaschdreef. Langs de Harnaschdreef is ten behoeve van de scheiding met de nieuwe weg een haag aanwezig over een lengte van circa 50 meter. Op de hoek van de Harnaschdreef en Woudseweg is hogere beplanting aanwezig in de vorm van enkel bomen. Figuur 2.2 laat een impressie zien van de huidige situatie van het plangebied.

Figuur 2.2: Impressie huidige situatie plangebied

2.2

Beschrijving van het initiatief

De initiatiefnemer heeft een plan ontwikkeld om in het plangebied 2 geschakelde woningen, een appartementencomplex van 8 appartementen en 4 bedrijfsunits te realiseren. Het plangebied ligt in een omgeving met diverse soorten bebouwing en met diverse bestemmingen. Van oorsprong is er aan de zuidzijde van het gebied een lintbebouwing aanwezig langs de Woudseweg. De 2-onder-1-kapwoningen sluiten hierop aan. Aan de westzijde zijn er al geruime tijd een aantal kleine bedrijfjes gevestigd. Aan de noordzijde zijn daar in een latere periode kleinschalige bedrijven aan toegevoegd. De 4 stuks kleinschalige bedrijfsunits sluiten ook hierop aan. Aan de oostzijde van het plangebied is sinds de laatste jaren een grote woonwijk in ontwikkeling met diverse soorten woningen. Het appartementencomplex van 8 kleine (starters)woningen vormt een overgang tussen de woningen langs de lintbebouwing en de kleine bedrijfsunits erachter, en vormt tevens een “verbinding” naar de woonwijk aan de overzijde van de weg. Het plangebied is daardoor dus ingericht als een overgangsgebied tussen de diverse reeds bestaande bestemmingen. Het plan sluit ook goed aan op de onlangs door de gemeente nieuw gerealiseerde infrastructuur. De gekozen bouwhoogte sluit aan op de directe omgeving. Dit is namelijk over het algemeen 1 tot 3 bouwlagen.

Figuur 2.3 laat een impressie zien van de beoogde verkaveling van het plangebied.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

13

Figuur 2.3: Impressie verkaveling (plangebied binnen rode contour) Twee geschakelde woningen Aan de zijde van de Woudseweg, aansluitend op de vrijstaande woning Woudseweg 130, zijn twee geschakelde woningen voorzien. De woningen zijn geschakeld door middel van garages. De beoogde woningen bestaan uit twee bouwlagen en een kaprichting haaks op de Woudseweg. Hierdoor wordt aansluiting gezocht met de woning op nummer 130. De woningen worden georiënteerd op de Woudseweg, waaraan ze ook worden ontsloten. Figuur 2.4 laat een impressie zien van de nieuwe woningen.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

14

Figuur 2.4: Impressie nieuwe woningen, zicht vanaf Woudseweg Appartementen Achter de woningen komt een gebouw met 8 appartementen. Dit gebouw krijgt een bouwhoogte van ca. 9 meter (drie bouwlagen). Op de begane grond komen twee appartementen. Op de eerste en tweede verdiepingen ieder 3 appartementen. Alle appartementen hebben een oppervlakte van 85 m2. Op de begane grond wordt tevens voorzien in bergingen. Bedrijfsunits Aan de noordzijde van het terrein komt een bedrijfsgebouw. Hierin is ruimte voor 4 bedrijfsunits. Op de begane grond hebben deze een oppervlakte van 150 m2, op de verdieping is een ruimte van 100 m 2 beschikbaar voor ondersteunende functies zoals kantoor- en personeelsruimten. Openbare ruimte De geschakelde woningen aan de Woudseweg worden direct ontsloten op de Woudseweg. Hiervoor wordt één gedeelde nieuwe aansluiting op de Woudseweg aangelegd. Hiervoor zal de bestaande aansluiting inclusief duiker worden aangepast. Het appartementengebouw en de bedrijfsunits zullen worden ontsloten via de bestaande ontsluiting op de Westernesse. Deze ontsluiting blijft ook gebruikt worden door de bestaande bedrijven aan de westzijde van het plangebied. De openbare ruimte wordt ingericht met voldoende parkeerplaatsen (zie par. 4.3). Rondom de gebouwen is beperkt erfbeplanting voorzien.

Er zal tevens een verbinding voor langzaam verkeer worden gerealiseerd vanaf het appartementencomplex naar de Woudseweg. Deze verbinding heeft een breedte van minimaal 1,00 m. en ligt binnen het plangebied

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

15

Hoofdstuk 3

3.1

Beleidskader

Nationaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijk ordening (Barro) Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) Op rijksniveau zijn op ruimtelijk gebied de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) de meest bepalende beleidsdocumenten. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Doelen In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):  het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;  het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2014) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit besluit omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmings- en inpassingsplannen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen, inpassingsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het besluit kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Toetsing In het plangebied spelen geen nationale belangen. 3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening (2012) Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro) Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, aandacht moeten besteden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

16

Toetsing In het kader van de Ladder voor Duurzame verstedelijking die is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6) moeten stedelijke ontwikkelingen getoetst worden om een zorgvuldige afweging te maken. Uit jurisprudentie blijkt dat tien woningen niet worden gezien als een stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet nodig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt onderstaand de behoefte aangetoond. Het voornemen voorziet in de realisatie van in totaal tien woningen en vier bedrijfsunits. Het woningbouwbeleid en de woonvisie is regionaal afgestemd binnen de regio Haaglanden. De negen betrokken gemeenten hebben het woningbouwprogramma vastgesteld in de 'Woonvisie Woningmarktregio Haaglanden 2017-2021'. Hieruit blijkt dat in de periode t/m 2029 een in de gemeente Midden-Delfland 446 woningen gebouwd dienen te worden om te voldoen aan de behoefte van 8777 woningen. Elke extra woningbouwontwikkeling wordt feitelijk als 'welkome aanvulling' gezien, om zo gezamenlijk het tekort in te lopen. De voorziene ontwikkeling van tien woningen zorgt dan ook voor een bijdrage aan de regionale woningbehoefte. Dit wordt tevens onderbouwd door de gemeentelijke woonvisie (zie paragraaf 3.3.2).

Met de realisatie van vier bedrijfsunits wordt daarnaast aansluiting gezocht bij regionale en gemeentelijke opgave tot het realiseren van nieuwe bedrijventerreinen. Het voornemen sluit aan bij de ontwikkeling van bedrijventerrein Harnaschpolder. De ontwikkeling van de Harnaschpolder is reeds opgenomen in de laatste regionale bedrijventerreinenstrategie van de toenmalige stadsregio Haaglanden. Door het algemeen bestuur van de stadsregio is deze strategie op 16 april 2008 vastgesteld. Onderdeel hiervan was een programma waarin rekening werd gehouden met de ontwikkeling van circa 50 hectare netto bedrijventerrein in de Harnaschpolder tot en met 2030. In 2013 werd de ‘Stichting business park Haaglanden’ opgericht, waarin op het gebied van bedrijventerreinen de gemeente Midden-Delfland samenwerkt met Delft, Rijswijk, Den Haag en Pijnacker Nootdorp. In het art. 2.2 van de oprichtingsakte wordt de regionale afstemming expliciet geborgd. Met de voorgenomen ontwikkeling van vier bedrijfsunits wordt dan ook uitvoering gegeven aan de regionale vraag naar nieuwe bedrijventerreinen. Het plangebied is geheel gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Conclusie Met de ontwikkeling wordt voorzien in een regionale behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen en woningen.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerd 20-04-2019) De provincie zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving. Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. Bij de Omgevingsvisie horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit. Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

17

4 rode draden In de Omgevingsvisie zijn 4 thema's te onderscheiden: 1. beter benutten en opwaarderen van wat er is, 2. vergroten van de agglomeratiekracht, 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, 4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Hier onder volgt een opsomming van het beleid dat relevant is voor de beoogde ontwikkeling. Beter benutten van bebouwde ruimte, maar ook nieuwe woon- en werklocaties daarbuiten Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Eén van de instrumenten die de provincie hiervoor hanteert is de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals bedoeld in artikel 3.1.6. Bro. De provincie heeft deze ladder opgenomen in de verordening ruimte. Kwaliteitskaart: steden en dorpen Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. Richtpunten die relevant zijn voor de beoogde ontwikkeling zijn als volgt:  Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp.  Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.

 Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Toetsing De beoogde ontwikkeling voldoet aan het provinciale beleid ten aanzien van het zo efficiënt mogelijk benutten van de bebouwde ruimte. De bouw van de bedrijfsunits en woningen kan immers aangemerkt worden als herstructurering van een braakliggende locatie. Ook is de ladder uit het Bro succesvol doorlopen. Ten aanzien van het beleid dat volgt uit de kwaliteitskaart het volgende. Het voornemen voorziet in de bouw van zowel bedrijfsunits als woningen, in het gebied dat gekenmerkt wordt als de overgang tussen woongebied en bedrijventerrein. De ontwikkeling zorgt voor een soepele overgang tussen deze beide gebieden. Hierdoor wordt een kwalitatieve bijdrage geleverd aan de kenmerken van het overgangsgebied. Geconcludeerd wordt dat het initiatief tot de bouw van vier bedrijfsunits en tien woningen binnen het plangebied in lijn is met het provinciale beleid voor deze gronden. 3.2.2 Programma Ruimte (31 januari 2019) Het Programma Ruimte is parallel aan de Visie Ruimte en Mobiliteit, het Programma Mobiliteit en de Verordening Ruimte opgesteld en in 2018 geactualiseerd. De Visie Ruimte en Mobiliteit bevat het strategische beleid.

Het ruimtelijk-relevante, operationele beleid is opgenomen in het Programma Ruimte, dat dezelfde vier rode draden hanteert als de Visie Ruimte en Mobiliteit. Beoogde ontwikkeling De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het Programma Ruimte. De ontwikkeling vindt plaats in de zone aangeduid als stedelijke regio. Ontwikkelingen in deze zone dienen te voorzien in de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan woningen en woonmilieus. De bouw van de woningen draagt bij aan deze doelstelling. Daarbij draagt de ontwikkeling bij aan de kwalitatieve verbetering van de overgang tussen bedrijventerrein en stad, waarbij het contrast blijft behouden.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

18

3.2.3 Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerd 20-04-2019) Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De voor dit plan relevante beleidsuitgangspunten uit de visie worden hierna behandeld. Ladder voor duurzame verstedelijking Met de actualisatie van de Verordening Ruimte Zuid-Holland is de provinciale ladder van duurzame verstedelijking komen te vervallen. In artikel 2.1.1 van de provinciale verordening wordt verwezen naar de ladder voor duurzame verstedelijking zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De provincie verwijst er wel naar in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. De werking van de Ladder voor duurzame verstedelijking is uitgelegd in paragraaf 3.1.2. Voor de toetsing aan de ladder wordt tevens verwezen naar paragraaf 3.1.2. Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de Provinciale Verordening. De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt past binnen de regionale afspraken, vastgelegd in de regionale woonvisie en visie bedrijventerreinen, en past daarmee binnen het Programma Ruimte dat mede als toetsingskader dient voor de verordening.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Midden-Delfland 2025 (2011) Voor het gehele grondgebied van Midden-Delfland is een structuurvisie opgesteld. Deze structuurvisie legt de hoofdlijnen van ruimtelijke ontwikkelingen en het te voeren ruimtelijk beleid vast. Midden-Delfland wil ten volle gebruikmaken van de mogelijkheden die de Wro biedt. De hoofddoelen van de structuurvisie zijn daarom als volgt geformuleerd:  de structuurvisie vormt de basis en het kader voor een visie op de toekomst en het daaraan gekoppelde (ruimtelijk) beleid;  de structuurvisie leidt tot een actief vereveningbeleid en een pro-actieve houding ten opzichte van nieuwe ontwikkelingen en dient als onderlegger voor de benutting van de mogelijkheden van de nieuwe Wro (grexwet);  de structuurvisie vormt een kapstok èn toetsingskader voor concrete plannen. De beleidsdocumenten Gebiedsvisie Midden-Delfland®2025, de visie Vitale Dorpen Midden-Delfland 2025 en het Landschapsontwikkelingsperspectief vormen de belangrijke bouwstenen van deze structuurvisie. Deze bevatten echter geen concreet beleid ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. Wel wordt de Harnaschpolder aangeduid als locatie waar ruimte is voor woonwerk-units. De realisatie van de twee-onder-een-kapwoningen langs de Woudseweg vormt een afronding van de rij woningen langs de Woudseweg, waarachter het woon-werkgebied van de Harnaschpolder begint.

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aan ook uitvoering gegeven aan de Structuurvisie Midden-Delfland 2011.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

19

3.3.2 Woonvisie Midden-Delfland 2010-2025 Het streefbeeld voor de toekomst van Midden-Delfland is opgetekend in de Gebiedsvisie MiddenDelfland® 2025 en in de Visie Vitale Dorpen Midden-Delfland 2025. Kern van de Gebiedsvisie is het versterken van bestaande kwaliteiten van het landschap. Motto van de Visie Vitale Dorpen is behoud door ontwikkeling. De visies geven globaal de koers aan op het gebied van wonen. De Woonvisie bouwt voort op de keuzes en uitspraken in de beide toekomstvisies en op de op 10 maart 2009 door de raad vastgestelde ‘Startnotitie Woonvisie’. De woonvisie is opgesteld voor de periode 2010-2025 (overeenkomstig de termijn van andere plannen) en bevat een toekomstvisie en beleidsambities voor de lange(re) termijn en een concreet uitvoeringsprogramma voor de korte termijn. In de woonvisie ligt de nadruk op het wonen in de dorpen, de woonvisie bevat geen gerichte doelstellingen en uitwerking voor het buitengebied. Dit bestemmingsplan maakt een gemengd woonprogramma mogelijk; er komen 10 woningen in verschillende typologieën en verschillende groottes. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het realiseren van de opgave uit de gemeentelijke woonvisie.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

20

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

21

Hoofdstuk 4

4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de voorliggende ontwikkeling beoordeeld op basis van de sectorale aspecten. In de onderstaande paragrafen is per sectoraal aspect het geldende toetsingskader aangegeven en is de planontwikkeling getoetst aan dit kader, waarna ten slotte een conclusie wordt getrokken.

4.2

Milieueffectrapportage

Toetsingskader In dit bestemmingsplan worden nieuwe woningen en bedrijfsunits mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling valt onder categorie D11.2, ofwel de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het project betrekking heeft op 2.000 of meer woningen. De beoogde ontwikkeling blijft ruimschoots onder deze drempelwaarde. Omdat de beoogde ontwikkeling onder de drempelwaarde blijft wordt volstaan met een vormvrije m.e.r-beoordeling. Deze paragraaf voorziet daarin. Op basis van deze beoordeling kan door de gemeenteraad een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Onderzoek en conclusie In de Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is ingegaan op de impact van de ontwikkeling ter plaatse van de Woudseweg 130 in Den Hoorn. Uit deze notitie blijkt dat de omvang van het plan, bestaande uit woningen en bedrijfsunits beperkt is. De te verwachten milieueffecten geven daarom geen aanleiding voor het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure.

4.3

Verkeer en parkeren

Verkeersstructuur Het plangebied zal aan twee zijden worden ontsloten. De geschakelde woningen worden ontsloten direct aan de Woudseweg. Hiervoor zal een bestaande in- en uitrit worden gebruikt. Aangezien het hier gaat om de ontsluiting van twee woningen worden geen problemen verwacht in de verkeersafwikkeling. De vier bedrijfsunits en acht appartementen worden ontsloten via een bestaande ontsluitingsweg en over het bedrijventerrein. Deze weg, de Westernesse, sluit ten noorden van het plangebied aan op de Harnaschdreef. Voor de ontsluiting voor fietsers wordt aangesloten op de bestaande verkeersstructuur. Deze bestaat uit vrijliggende fietspaden aan zowel de Woudseweg als langs de Harnaschdreef. Dit is conform de inrichting volgens Duurzaam Veilig.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

22

Parkeren Het voornemen voorziet in de realisatie van vier bedrijfsunits, twee woningen en acht appartementen. In totaal dient, op basis van de Nota Parkeernormen Midden-Delfland 2012, te worden voorzien in 31 parkeerplaatsen (zie tabel 4.1). Tabel 4.1: berekening parkeerbehoefte Onderdeel Aantal/opp. Bedrijfsunits 4 x 250m2 Geschakelde woningen Appartementen

parkeerkencijfer per parkeerbehoefte 1,6 100 m2 bvo 16 1,5 woning 3,0 1,5 woning 12 Totaal 31

2 8

Voor de twee geschakelde woningen aan de zuidzijde van het plangebied wordt rekening gehouden met parkeerplaatsen op het eigen terrein. Dit bestaat uit één volwaardige parkeerplaats, de oprit die voor 0,8 parkeerplaats meetelt en de garage die voor 0,5 parkeerplaats meetelt. Dit komt uit op 4,6 parkeerplaatsen voor de twee woningen. Hiermee wordt voldaan aan de parkeeropgave voor de twee woningen. Voor de vier bedrijfsunits en de appartementen is rekening gehouden met 30 parkeerplaatsen. Deze worden binnen het plangebied gerealiseerd. Geconcludeerd wordt dat het voornemen voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling De realisatie van vier bedrijfsunits en 10 woningen zal leiden tot extra verkeer van en naar het plangebied. In totaal zal op basis van CROW publicatie 272 de verkeersgeneratie toenemen met circa 109 verkeersbewegingen per weekdag. Hiervan worden er circa 20 afkomstig van de twee geschakelde woningen direct afgewikkeld op de Woudseweg. De overige 104 verkeersbewegingen worden ontsloten op de Harnaschdreef. Zie hiervoor tabel 4.2. Tabel 4.2 berekening verkeersgeneratie Onderdeel Functietype Bedrijfsunits geschakelde woningen appartementen midden

Bedrijf arbeidsextensief, bezoekersextensief Wonen, koop vrijstaand Wonen, koop etage midden

Aantal/opp. kencijfer mvt/etm verkeersgeneratie per weekdag 1000 m2 0,057 m2 bvo 57 2

8,6

woning

17,2

8

6

woning

48

Totaal

123

Zowel de Woudseweg als de Harnaschdreef zijn ingericht als gebiedsontsluitingswegen conform Duurzaam Veilig. Beide wegen hebben voldoende capaciteit om deze extra verkeersgeneratie op te vangen. Er worden geen problemen voorzien ten aanzien van de verkeersafwikkeling. Conclusie Verkeer en parkeren zal geen onevenredige overlast veroorzaken op de omgeving en het verkeerssysteem nabij het plangebied.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

23

4.4

Wegverkeerslawaai

Binnen het plangebied worden woningen mogelijk gemaakt. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelige functie en dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Toetsingskader Op grond van de Wgh bevinden zich langs alle wegen geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Binnen de geluidszone van een gezoneerde weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk). De beoogde nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen de onderzoekszones van de Harnaschdreef, Hooipolderweg en de A4. Nieuwe situaties Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg gelden bepaalde voorkeursgrenswaarden en uiterste grenswaarden. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.

Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarden niet te boven gaan. De uiterste grenswaarde voor wegen is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de woningen (binnen- of buitenstedelijk). In onderhavig plan bedraagt de uiterste grenswaarde (buitenstedelijk) 53 dB voor de geluidbelasting als gevolg van de A4. Voor de overige wegen (binnenstedelijk) is dit 63 dB. De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemmingen dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB. Onderzoek en conclusie Omdat de beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen de onderzoekszone van de Harnaschdreef, Hooipolderweg en de A4, is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierin is de Woudseweg in het kader van een goede ruimtelijke ordening eveneens meegenomen. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Onderstaand volgen de belangrijkste bevindingen.

Als gevolg van het wegverkeer op de A4 wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor de twee woningen onder één kap en de appartementen niet overschreden. De maximale geluidbelasting voor de appartementen bedraagt 47 dB en voor de twee woningen onder één kap bedraagt deze 48 dB. Als gevolg van het wegverkeer op de Hooipolderweg wordt de wettelijke voorkeurgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. De maximale geluidbelasting bedraagt voor de appartementen 39 dB en voor de twee woningen onder één kap bedraagt deze 43 dB. Als gevolg van het wegverkeer op de Harnaschdreef wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor de twee woningen onder één kap en de appartementen overschreden. De maximale geluidbelasting voor de appartementen en zowel voor de twee woningen onder één kap bedraagt 54 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

24

Als gevolg van het wegverkeer op de niet-gezoneerde Woudseweg wordt de richtwaarde van 48 dB niet overschreden. De maximale geluidbelasting voor de appartementen bedraagt 40 dB. Voor de twee woningen onder één kap is de hoogst berekende geluidbelasting 48 dB. De voorkeursgrenswaarde (48 dB) en de richtwaarde (48 dB) worden overschreden als gevolg van het wegverkeer op de Harnaschdreef. Bezien is of met maatregelen de geluidbelasting doelmatig kan worden teruggedrongen. Maatregelen om de geluidbelasting aan de gevel van de ontwikkeling terug te dringen zijn echter onvoldoende doeltreffend en stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Omdat maatregelen niet doelmatig zijn zal een hogere waarden procedure opgestart moeten worden. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg. Een overzicht van de te verlenen hogere waarden is opgenomen in tabel 4.3. Omschrijving 1 woning (grenzend aan de Harnaschdreef) 4 appartementen (grenzend aan de Harnaschdreef), oostelijke gevel Tabel 4.3: Te verlenen hogere waarden

Geluidbelasting 54 dB 54 dB

Bron Harnaschdreef Harnaschdreef

Het college van Midden-Delfland kan gebruik maken van zijn bevoegdheid ontheffing te verlenen voor een hogere grenswaarde als wordt voldaan aan tenminste één van de gestelde criteria van het gemeentelijke beleid rondom hogere waarden. Er wordt voldaan aan meerdere criteria. Onderhavig plan geeft namelijk invulling aan een open plaats in de omgeving en brengt zodoende een geleidelijke overgang tussen bedrijvigheid en woongebied tot stand. Naast opvulling vervangt de bebouwing de voormalige woning aan de Woudseweg 130. De nieuwe bebouwing zorgt deels voor een afschermende functie van de achterliggende woningen in de wijk Den Hoorn.

4.5

Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.

Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

25

Onderzoek en conclusie In de omgeving zijn diverse bedrijven aanwezig waardoor sprake is van gemengd gebied. Het plan voorziet in de realisatie van 4 bedrijfsunits, 2 grondgebonden woningen en 8 appartementen. Ter plaatse van de bedrijfsunits wordt maximaal bedrijvigheid toegestaan t/m milieucategorie 2 waarvoor een maximale richtafstand geldt van 10 meter in gemengd gebied. De dichtstbijzijnde woningen betreffen de beoogde appartementen die op circa 12 meter afstand van de bedrijfsunits worden gerealiseerd. Aan de richtafstand wordt voldaan. Ten noorden van het plangebied is volgens het bestemmingsplan Harnaschpolder Zuid 2014 bedrijvigheid t/m maximaal milieucategorie 3.1 en 3.2. Milieucategorie 3.1 geldt ter hoogte van het autobedrijf en ter noordwesten van het plangebied geldt de milieucategorie 3.2. De richtafstand ten opzichte van het autobedrijf bedraagt 30 meter en de richtafstand ten opzichte van de 3.2 locatie bedraagt 50 meter. De geprojecteerde appartementen en de grondgebonden woningen liggen daarbuiten. Ten zuiden van het plangebied is volgens het geldende bestemmingsplan Zuidhoornseweg bedrijvigheid toegestaan t/m milieucategorie 3.2 waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter in gemengd gebied. De afstand tot de beoogde appartementen in het plangebied bedraagt circa 55 meter. De afstand tot de beoogde grondgebonden woningen bedraagt circa 35 meter.

Aan de richtafstand tot de beoogde grondgebonden woningen wordt niet voldaan, daarom is akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in Bijlage 5. Hieruit blijkt dat bij de woningen sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de bestaande bedrijven, door de introductie van nieuwe woningen, niet belemmerd in de bedrijfsvoering. Ten westen van het plangebied staat een bedrijfsloods met daarin bedrijven in categorie 1 en 2. Voor bedrijven met milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 10 m in gemengd gebied. De afstand tot de de beoogde appartementen is 11 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan omdat de grondgebonden woningen zich op grotere afstand bevinden. Ten westen van het plangebied, aan de Woudseweg 132 a, ligt een hoveniersbedrijf. Een hoveniersbedrijf ingeschaald als milieucategorie 3.1. In gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 30 meter. Aan deze afstand kan voldaan worden, behalve ter plekke van de 2 grondgebonden woningen. De afstand tot de grens van het perceel Woudseweg 132 bedraagt 29 meter. Tussen de nieuwe grondgebonden woningen en het bedrijfsperceel staat de bestaande woning Woudseweg 130. Deze woning is in eigendom van een derde, en daardoor nu al beperkend voor de activiteiten van het bedrijf.

Conclusie De beoogde bedrijven ter plaatse van het plangebied en bestaande bedrijven in de omgeving van het plangebied worden niet belemmerd in de eigen bedrijfsvoering.

4.6

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen moet de luchtkwaliteit worden onderzocht. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd). De Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn vooral de jaargemiddelde grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10) van belang.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

26

Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm, en de bijbehorende regeling, is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan onder meer het geval zijn wanneer een project een bijdrage heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden. Onderzoek De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van twee geschakelde woningen, vier bedrijfsruimten en acht appartementen. Uit de paragraaf 4.3 blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling sprake is van een verkeersgeneratie van 123 verkeersbewegingen op een weekdag. Na berekening met de NIBM-rekentool blijkt dat het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit (zie figuur 4.2).

Figuur 4.2: Toetsing NIMB-tool In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied relevant. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2018 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de Woudseweg en de Harnaschdreef (als maatgevende doorgaande wegen langs het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele plangebied sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar leefmilieu ter plaatse.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

27

4.7

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen In de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RVGS) is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water en (spoor)wegen opgenomen. Op basis van de circulaire is voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht.

Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Wel kan de verantwoordingsplicht voor het GR nog buiten deze 200 meter strekken. Besluit externe veiligheid buisleidingen In dit besluit aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Uit de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat in het plangebied geen risicovolle BEVI-inrichtingen aanwezig zijn. Deze worden in het bestemmingsplan ook niet mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied komt wel een risicovolle inrichting voor die mogelijk relevant is voor de risicosituatie in het plangebied. Het gaat hierbij om de inrichting Benfried B.V. aan de Hooipolderweg 1 in Den Hoorn. In deze inrichting worden gevaarlijke stoffen opgeslagen. De PR 10 -6 risicocontour voor deze inrichting is 20 meter. Het plangebied ligt op circa 130 meter afstand. Het plangebied ligt dus ruim buiten de PR 10-6 risicocontour. Daarnaast is er geen overschrijding van de oriëntatiewaarde van het

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

28

groepsrisico. Deze risicovolle inrichting staat de vaststelling van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Ten westen van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de A4 (Wegvak Z10: Afrit 12 Den Haag Zuid – afrit 13 Den Hoorn). Uit het in ontwikkeling zijnde Basisnet Weg 1.0 blijkt dat de PR 10-6 risicocontour niet buiten de weg is gelegen. Daarnaast is er voor deze weg geen plasbrand aandachtsgebied en vindt er geen overschrijding van het groepsrisico plaats. De PR 10-8 risicocontour, indicatief voor het invloedsgebied, is 76 meter. Het plangebied ligt op circa 350 meter van de weg. Dit is ruim buiten de PR 10-6 risicocontour en het invloedsgebied. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A4 staat de vaststelling van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg, gelet op het geringe aantal personen dat door de ontwikkeling extra in het invloedsgebied van de Rijksweg ligt en het feit dat het plangebied aan de rand van het invloedsgebied ligt zal dit een verwaarloosbaar effect op het groepsrisico van de Rijksweg hebben. Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Ten westen van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats door een hogedruk aardgasleiding (A-517). De uitwendige diameter van deze leiding is 30 inch en de maximale werkdruk is 66,20 bar.

De inventarisatieafstand van de leiding is 380 meter. De afstand van het plangebied tot de leiding is ruim 800 meter. Het plangebied ligt dus ruim buiten de inventarisatieafstand. De ligging van de hogedruk aardgasleiding staat de vaststelling van dit plan dan ook niet in de weg. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid regelgeving ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de vaststelling van dit plan niet in de weg.

4.8

Bodemkwaliteit

Toetsingskader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (hierna: Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wbb regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

29

Onderzoek en conclusie In 2020 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in Bijlage 3. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In de grond wordt de achtergrondwaarde (AW 2000) overschreden. Hierdoor gelden er bij afvoer van de grond beperkingen ten aanzien van het hergebruik. De bodemkwaliteit is geschikt voor de beoogde ontwikkeling. Het aspect bodemkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.9

Kabels en leidingen

Voor planologisch relevante buisleidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de bestemmingslegging rekening moet worden gehouden. Op circa 250 meter ten westen van het plangebied is een 150 kV hoogspanningsverbinding aanwezig. In de omgeving van hoogspanningsverbindingen dient rekening te worden gehouden met de 'indicatieve zone' waarbinnen sprake kan zijn van verhoogde magneetvelden. Het beleid is erop gericht om geen nieuwe gevoelige functies (functies waar kinderen van 0 tot 15 jaar langdurig kunnen verblijven, zoals wonen, scholen en kinderopvangvoorzieningen) te realiseren binnen de indicatieve zone. Voor de betreffende verbinding bedraagt de indicatieve zone 80 meter aan weerszijden. Het plangebied is ruimschoots buiten deze zone gelegen. De hoogspanningsverbinding vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen andere planologisch relevante leidingen aanwezig. Het aspect (planologisch relevante) kabels en leidingen staat het plan daarom niet in de weg.

4.10

Water

Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemers van een ruimtelijke plan behoren in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen worden toegelaten die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteitsen waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap nader wordt behandeld. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW);  Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);  Waterwet.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

30

Provinciaal:  Provinciaal Waterplan;  Provinciale Structuurvisie;  Verordening Ruimte. Waterschapsbeleid In het Waterbeheerplan 2016-2021 beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland de strategische keuzes, de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan. De complexiteit van het gebied en de omvang van de noodzakelijke investeringen dwingen tot het stellen van prioriteiten. Het Hoogheemraadschap gaat het beheer en onderhoud van het watersysteem optimaliseren en zal daarbij flink investeren in waterkwaliteit, waterkeringen en het voorkomen van wateroverlast en watertekort. Voor de zuiveringstechnische infrastructuur ligt de nadruk op beheren, onderhouden en optimaliseren. Daarnaast is Handreiking Watertoets vastgesteld. Deze handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. In het procesdeel wordt ingegaan op het watertoetsproces voor ruimtelijke planvorming. Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin. Huidige situatie Algemeen Het plangebied bestaat in de huidige situatie voornamelijk uit braakliggend terrein en grasland. Het plangebied is nu voor een beperkt deel verhard.

Het totaal verhard oppervlak betreft circa 200 m 2. Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit zeekleigronden. Er is in het plangebied en omgeving sprake van relatief hoge grondwaterstanden. Gezien de geringe afstand tussen maaiveld en de grondwaterstanden is de aanleghoogte van bebouwing een aandachtpunt. Waterkwantiteit In het plangebied is volgens de Legger wateren van Hoogheemraadschap Delfland oppervlaktewater aanwezig. In het zuidelijk en noordelijke deel van het plangebied zijn secundaire wateren aanwezig (blauw) en duikers (rood). Deze watergangen en duikers zijn in het veld niet meer aanwezig. De legger van het hoogheemraadschap lijkt op dit punt niet meer actueel. Er wordt voor dit plan daarom uitgegaan van het feit dat deze watergangen al zijn verwijderd. Demping of aanpassing van het watersysteem is daarom niet (meer) nodig.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

31

Figuur 4.3: Uitsnede Legger wateren Hoogheemraadschap Delfland met ligging van secundaire watergangen (blauw) en duikers (rood) Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied zijn geen Kaderrichtlijn Water (KRW)-lichamen gelegen. Waterveiligheid en waterkeringen Ten westen van het plangebied is een regionale waterkering aanwezig. Er moet voor het realiseren van de plannen geen rekening worden gehouden met (de beschermingszones) van deze waterkeringen.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

32

Figuur 4.4 Uitsnede legger Regionale Waterkeringen Hoogheemraadschap Delfland Afvalwaterketen en riolering Ter plaatse van het plangebied is een gescheiden systeem aanwezig. Toekomstige situatie Algemeen De ontwikkeling in het plangebied bestaat uit de bouw van woningen, bedrijfsunits en een appartementencomplex, met bijbehorende bijgebouwen en erfverhardingen. Het verharde oppervlak in het plangebied zal hierdoor fors toenemen met circa 2.900 m2 (schatting op basis van nu voorliggende planschetsen) het totale plangebied heeft een oppervlakte van circa 3.600 m2. Waterkwantiteit Conform de nieuwe Handreiking watertoets voor gemeenten van het Hoogheemraadschap van Delfland (2012) geldt als richtlijn voor het watersysteem het 'standstill beginsel'. Dit betekent dat de ontwikkeling niet tot een verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie mag leiden. In de huidige situatie is het plangebied al voor een beperkt deel verhard (circa 200 m²). Door de ontwikkeling vindt er een toename in verharding plaats. Voor het plan is daarom in beginsel watercompensatie noodzakelijk.

Echter voor de gronden die zijn gelegen binnen het bestemmingsplan Lookwest 2013 geldt qua waterhuishouding het volgende: Ten behoeve van het vigerend bestemmingsplan Lookwest-Noord 2013 is in overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland vastgesteld dat in geheel Lookwest het percentage wateroppervlakte 13% zal moeten bedragen. Hier is in de structuur van de totale wijk al rekening mee gehouden, waardoor wordt voldaan aan de stedelijke bergingsopgave van het hoogheemraadschap van 325 m 3 water per hectare. Deze eis van het hoogheemraadschap heeft betrekking op de benodigde hoeveelheid water die in stedelijk gebied aanwezig moet zijn om wateroverlast te kunnen voorkomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

33

Een toename in verharding op lokaal niveau verandert de benodigde hoeveelheid water in het gebied niet. Voor dit plan hoeft dan ook niet apart watercompensatie te worden geregeld. Daarnaast vinden er binnen het plangebied geen dempingen plaats. Ook dit leidt dus niet tot een extra compensatieplicht. Het Hoogheemraadschap maakt gebruikt van een zogenaamde watersleutel om per project te bezien of er sprake is van voldoende waterberging. Gezien het voorgaande is het doorlopen van de watersleutel niet aan de orde. Grondwater De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen, bedrijfsunits en een appartementencomplex. Uitgangspunt bij de realisatie van de (woon) bebouwing is dat het vloerpeil van de woning voldoende ver boven maaiveld (en de grondwaterspiegel) worden aangelegd om grondwateroverlast te voorkomen. Hieraan kan worden voldaan. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Deze materialen worden bij dit bouwplan niet toegepast. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt.

Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting;  (in)filtratie van afstromend hemelwater;  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;  afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. In de nieuwe situatie zal voor de beoogde woningen en bedrijfsunits gescheiden riolering worden aangelegd. Geen watervergunningsplicht Dit plan voorziet niet in aanpassingen van het watersysteem of werken in de beschermingszones van en of watergangen. Een watervergunning is daarom niet aan de orde. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de plaatselijke waterhuishouding. Bovendien worden geen waterhuishoudkundige belangen geschaad met deze ontwikkeling.

Rho adviseurs voor leefruimte

401360.20161338

34

4.11

Archeologie

4.11.1 Wettelijk kader Erfgoedweg Conform de Erfgoedwet beschermd de gemeente Midden-Delfland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen een archeologische (mede)bestemming. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Archeologiebeleid Midden-Delfland Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente Midden-Delfland beschikt sinds 2010 over een vastgestelde archeologische beleidsnota.

Een belangrijk onderdeel hiervan vormt de gemeentelijk archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. De gemeentelijke beleidskaart is gebaseerd op gedetailleerde kennis van de lokale landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en het bodemarchief. Deze kennis komt tot uiting in vijf periode-specifieke archeologische verwachtingskaarten die tonen op welke locaties archeologische resten uit bepaalde perioden kunnen worden verwacht. Op de beleidskaart worden de verschillende verwachtingen vertaald naar verwachtingszones en gekoppeld aan concrete vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. Door middel van het hanteren van verschillende vrijstellingsgrenzen wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten. Het archeologisch kaartbeeld is echter niet statisch. In de loop der tijd zal de kennis over het bodemarchief toenemen. De vrijstellingszones in het onderhavige bestemmingsplan zijn dan ook geen exacte weergave van de vastgestelde beleidskaart. 4.11.2 Bestaande situatie plangebied Aanvankelijk bestond de ondergrond van het plangebied uit veen (Hollandveen Laagpakket).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=0fb094e5-3f8c-4903-a7c8-bed17a78abf8