CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

06 t_NL.IMRO.1842.bp22Zwethkade30a-ON01.pdf

Commissie 11 oktober 2022, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling Bestemmingsplan Zwethkade 30a te Den Hoorn14.813 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Zwethkade 30a Den Hoorn

Gemeente Midden-Delfland

Planstatus:

voorontwerpbestemmingsplan

Identificatiecode:

NL.IMRO.1842.bp22Zwethkade30a-ON01

Datum:

7 juni 2022

Contactpersoon Plannen-makers: Dhr. C. Vaartjes en mevr. I van Malsen Kenmerk Plannen-makers:

PM21039

Opdrachtgever:

CAN Concepts

Plannen-makers Europalaan 500 3526 KS Utrecht www.plannen-makers.nl BTW id: NL002150639B90 KvK nummer: 84970502

Pagina 2 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

6

7

Inleiding .............................................................................................................. 4 1.1

Aanleiding en doelstelling ........................................................................................................ 4

1.2

Leeswijzer ................................................................................................................................ 4

Het plan ............................................................................................................... 5 2.1

Ligging van het plangebied ...................................................................................................... 5

2.3

Landschappelijke karakteristiek en inpassing ......................................................................... 6

2.2

Beschrijving plan...................................................................................................................... 7

Beleidsmatige onderbouwing ........................................................................... 9 3.1

Rijksbeleid ............................................................................................................................... 9

3.2

Provinciaal en Regionaal beleid ............................................................................................ 11

3.3

Gemeentelijk beleid ............................................................................................................... 16

3.4

Conclusie ............................................................................................................................... 19

Milieutechnische uitvoerbaarheid .................................................................. 20 4.1

Milieueffectrapportage (M.E.R.) ............................................................................................. 20

4.2

Bedrijven en milieuzonering .................................................................................................. 21

4.3

Geluidhinder .......................................................................................................................... 23

4.4

Flora en Fauna ...................................................................................................................... 23

4.5

Bodem ................................................................................................................................... 27

4.6

Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 28

4.7

Externe Veiligheid .................................................................................................................. 30

4.8

Archeologie en cultuurhistorie ............................................................................................... 34

4.9

Waterhuishouding .................................................................................................................. 36

4.10

Verkeer en Parkeren ............................................................................................................. 42

4.11

Energietransitie en Duurzaamheid ........................................................................................ 42

Juridische planbeschrijving ............................................................................ 44 5.1

Plansystematiek..................................................................................................................... 44

5.2

Opzet van de regels .............................................................................................................. 44

5.3

De bestemmingen.................................................................................................................. 45

Maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid....................................... 46 6.1

Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 46

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................................... 46

Bijlagen ............................................................................................................. 47

Pagina 3 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het mogelijk maken van twee woningen aan de Zwethkade Zuid 30a. De bestemming van de gronden is reeds wonen maar in de huidige situatie is maar één woning toegestaan. Initiatiefnemer is voornemens om de huidige woning te slopen en de aanwezige tennisbaan te verwijderen om hiervoor twee nieuwe vrijstaande woningen in de plaats te bouwen. Het vigerende bestemmingsplan Glastuingebieden (vastgesteld 28-5-2013) staat deze ontwikkeling echter niet toe vanwege de op het plangebied geldende enkelbestemming ‘Wonen’. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden.

1.2 Leeswijzer Onderhavig bestemmingsplan bestaat naast deze inleiding uit een beschrijving van het beoogde plan in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 wordt verantwoord waarom het plan past binnen het beleid van de gemeente. In hoofdstuk 4 wordt de milieutechnische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Hoofdstuk 5 bevat de juridische planbeschrijving. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid toegelicht. Na de toelichting volgen de regels en de verbeelding van het bestemmingsplan.

Pagina 4 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

2 Het plan 2.1 Ligging van het plangebied Het plangebied, Zwethkade Zuid 30a ligt aan de noordkant van glastuinbouwgebied ‘De Woudse Droogmakerij’. Dit is een tuinbouwgebied gelegen tegen de A4 en de N211. Het is een tuinbouwgebied van ruim 65 ha. Het glastuinbouwgebied bevindt zich in het noorden van de gemeente Midden-Delfland en ligt tegen de grens van de gemeente Westland. Het ligt tevens vlakbij Delft en Den Haag. Het gebied wordt globaal begrensd door de Zwethkade in het noorden, de Lotsweg in het oosten, de Veenakkerweg en het verlengde daarvan in het zuiden en de Zwethkade-zuid en het verlengde daarvan in het westen. De Zwethkade 30a ligt aan de noordkant van het glastuinbouwgebied, langs het kanaal De Zweth (zie onderstaande afbeelding).

Figuur 1. Uitsnede luchtfoto: plangebied weergegeven met rood kader (bron: Google Earth).

Het plangebied bestaat uit een perceel met een oppervlakte van circa 5.735 m 2. Aan de linker- en rechterkant van het plangebied zijn respectievelijk de woningen Zwethkade 35 en Zwethkade 30 gelegen. De achterzijde van het plangebied wordt tevens begrensd door twee woningen met daarachter agrarische gronden. De Zwethkade met daarachter het kanaal De Zweth vormt de directe noordwestelijke begrenzing (zie onderstaande afbeelding).

Pagina 5 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

Figuur 2. Uitsnede luchtfoto, ingezoomd op plangebied (bron: Google Earth).

2.3 Landschappelijke karakteristiek en inpassing De Zwethkade Zuid maakt onderdeel uit van de Woudse polder en is tevens onderdeel van een recreatieve route. De Woudse Polder maakt deel uit van een bijzondere zone in de oorspronkelijke morfologie van het landschap. Een subtiel patroon van zandige kreekruggen in de klei-op-veen bodemopbouw heeft een kenmerkende blokverkaveling tot gevolg die het gebied op bijzondere wijze structureert. In het noorden van de Woudse Polder is een deel van het gebied in het midden van de negentiende eeuw droogmakerij geworden (de Woudse Droogmakerij). Het plangebied maakt deel uit van de lintbebouwing langs de rivier de Zweth en is onderdeel van de Woudse Droogmakerij. Kenmerkend voor de Woudse Polder is de mate van openheid. De openheid contrasteert sterk met het omliggende verstedelijkte gebied en de beboste recreatiegebieden aan de randen van de polders. Deze openheid wordt het sterkst beleefd halverwege de Lotsweg, de Zweth en vanaf de Woudseweg richting het kerkdorp ’t Woudt. Het plangebied is gelegen aan de Zweth en maakt deel uit van een cultuurhistorisch waardevol ensemble. Binnen dit ensemble geldt een hoge belevingswaarde van de Woudse Droogmakerij, de Zweth en vlietlandjes. Het is enkel onder bepaalde voorwaarden mogelijk om extra woningen in te passen aan de Zwethkade Zuid.

Ruimtelijke plannen mogen niet ten koste gaan van ‘gras’ en ook niet van ‘glas’. Voor het perceel Zwethkade Zuid 30a is in het principeverzoek aangegeven dat het toevoegen van een extra woning niet mag leiden tot het verkleinen van de open ruimte langs de Zwethkade Zuid, waardoor een nieuwe woning achter de bestaande woning gesitueerd dient te worden. Een andere mogelijkheid die werd aangegeven is om de bestaande woning te vervangen door twee woningen die gezamenlijk even breed zijn als de bestaande woning. In voorliggend plan is voor het laatste gekozen. De openheid van de Zwethkade Zuid wordt geborgen door doorkijken en zogenaamde ‘groene kamers’. Een deel van het plangebied, ter plaatse van de tennisbaan, is aangewezen als een groene kamer (zie navolgende afbeelding).

Pagina 6 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

Figuur 3. Vergezichten en groene kamers aan de Zwethkade Zuid, plangebied aangeduid met rood kader (bron: gemeente Midden-Delfland).

In paragraaf 3.2.2, 3.3.1 en 4.8 wordt nader aandacht besteed aan de inpassing van voorliggend plan.

2.2 Beschrijving plan De bestaande woning uit 1986 en de bijbehorende tennisbaan staan op een perceel met de enkelbestemming ‘Wonen’. Het plan houdt de sloop van de woning en het verwijderen van de tennisbaan in en de realisatie van twee vrijstaande woningen. De twee woningen worden haaks op de Zwethkade Zuid gesitueerd. De woningen maken op subtiele manier gebruik van de hoogteverschillen, waardoor het volume van het bovengrondse deel van de woningen ten opzichte van de dijk maximale transparantie geeft. De achterzijde van het perceel zal uit een weide blijven bestaan. Tussen de twee nieuw te realiseren vrijstaande woningen zal een brede groene doorkijk worden toegepast, de zogenaamde ‘groene kamer’. Aan de buitenzijde van beide woningen wordt tevens een groene doorkijk gerealiseerd. Dit om de doorzichten naar de achterliggende polder te garanderen. De ontsluiting van de woningen vindt plaats door gebruik te maken van de reeds bestaande gedeelde erfontsluiting ten westen van het plangebied. De ‘groene kamer’ wordt planologisch verankerd door het opnemen van de bestemming ‘Groen – Landschappelijke overgangszone’. Deze bestemming voorkomt dat er ter plaatse van de groene kamer bebouwing kan worden gebouwd en de bestemming garandeert daarmee het doorzicht naar achteren. Verder zijn er op de verbeelding twee enkelbestemmingen ‘Wonen’ opgenomen.

Voor voorgenomen plan is een schetsontwerp gemaakt, zie navolgende afbeelding. Bij de nadere uitwerking van het plan kan het definitieve bouwplan wellicht op punten worden gewijzigd. Het principe van de groene kamer en het mogelijk maken van twee woningen wordt in voorliggend plan planologisch mogelijk gemaakt.

Pagina 7 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

Figuur 4. Situatieschets van de voorgenomen ontwikkeling (bron:Visie).

Pagina 8 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

3 Beleidsmatige onderbouwing 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Wet ruimtelijke ordening / Omgevingswet Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Deze gaat uit van een scheiding tussen beleid en normstelling (juridische verankering). Het beleid wordt opgenomen in structuurvisies. Normstelling vindt plaats in het bestemmingsplan en/of in algemene regels die overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. Streekplannen en planologische kernbeslissingen zijn vanaf 1 juli 2008 gelijkgesteld aan structuurvisies. Het overgangsrecht van de Wro regelt dat concrete beleidsbeslissingen van Rijk en provincie overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. Naar verwachting treedt in 2022 de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke omgeving. De Omgevingswet bundelt wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De nieuwe wet zorgt voor minder en overzichtelijkere regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming.

3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als rijksstructuurvisie. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland. De NOVI heeft als toekomstperspectief een duurzame leefomgeving waarbij de kwaliteiten van de omgeving worden behouden en versterkt. Daarnaast bestaan de Nederlandse uitdagingen van de ruimtelijke inrichting in een klimaatbestendige delta en zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland. Dit kan worden bereikt door goede samenwerking tussen de verschillende betrokken instanties. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten: - Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie - Duurzaam economisch groeipotentieel - Sterke en gezonde steden en regio’s - Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Binnen deze prioriteiten zal aandacht zijn voor de onderlinge verwevenheden en spanningen daartussen en voor thema’s en opgaven die daar dwars doorheen lopen, zoals leefomgevingskwaliteit, gezondheid, cultureel erfgoed, water, bodem en (nationale) veiligheid. Binnen de prioriteiten hanteert het Rijk drie afwegingsprincipes die helpen om beleidskeuzes te maken: 1.

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal 3. Afwentelen wordt voorkomen Planspecifiek Door het nationale karakter van de NOVI en de relatief kleine schaal van onderhavig plan heeft dit bestemminsplan geen direct raakvlak met het nationale beleid. Op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat het onderhavige plan niet in strijd is met de Omgevingsvisie.

Pagina 9 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ hieraan toegevoegd. Overheden dienen op grond van het gewijzigde Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren om tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling te komen. Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. In de nieuwe systematiek worden de huidige definities niet gewijzigd. Ten aanzien van de “treden” van de Ladder zijn er wel wijzigingen: in de nieuwe Ladder zijn de treden 1 en 2 samengevoegd en trede 3 is geschrapt, waardoor er geen sprake meer is van verschillende treden. De Ladder stelt dat voldaan wordt aan de Ladder als de woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied. In artikel 1.1.1 Bro worden relevante begrippen gedefinieerd.

Een woningbouwontwikkeling valt onder de definitie van stedelijke ontwikkeling als deze groter is dan 11 woningen. Dit is gedefinieerd in de overzichtsuitspraak van de Raad van State 28 juni 2017; (ECLI:NL:RVS:2017:1724) Planspecifiek Door onderhavige planologische ontwikkeling wordt per saldo één woning toegevoegd. Het plan is hiermee niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling van 12 woningen of meer. De Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing. 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 2011) Om uitvoering te geven aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, is op 30 december 2011 het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Hierin staat een aantal projecten beschreven die van Rijksbelang zijn en waarmee gemeenten rekening dienen te houden bij het vaststellen van bestemmingsplannen en wijzigings- of uitwerkingsplannen. De projecten zijn exact ingekaderd en voorzien van regels, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Het betreft de onderstaande projecten: • • • • • • • • • • • • • •

Rijksvaarwegen Project Mainportontwikkeling Rotterdam Kustfundament Grote rivieren Waddenzee en waddengebied Defensie Hoofdwegen en landelijke spoorwegen Elektriciteitsvoorziening Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Natuurnetwerk Nederland Primaire waterkeringen buiten het kustfundament IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde Ruimtereservering parallelle Kaagbaan

Pagina 10 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

Planspecifiek Voorliggend plan ligt niet in een van de benoemde gebieden of aandachtsvelden als bedoeld in het Barro. Vanuit het Barro volgen dan ook geen aanvullende randvoorwaarden voor het plan.

3.2 Provinciaal en Regionaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie en -beleid Zuid-Holland De provincie heeft op 1 april 2019 de omgevingsvisie vastgesteld. De nieuwe omgevingswet die naar verwachting in 2022 defintief vastgesteld wordt schrijft voor dat een provincie één omgevingsvisie en één omgevingsverordening heeft. De omgevingsvisie is de opvolger van de provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit. In de omgevingsvisie zijn meerdere beleidsvisies gebundeld. Het gaat om de volgende plannen: de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm), het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww), het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer, de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). De omgevingsvisie omvat inhoudelijk geen grote wijzigingen ten opzichte van het voorgaande beleid. Ook is de digitale beschikbaarheid van het beleid via de digitaal raadpleegbare kaarten weer een wezenlijk onderdeel van het beleid. In de Omgevingsvisie zijn zes ambities gedefinieerd. Het zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Het zijn abstracte ambities die bij specifieke opgaven ook tot conflicterende belangen kunnen leiden.

Juist de confrontatie in opgave zal leiden tot knelpunten maar ook tot kansen om de opgaven verder te helpen. De zes ambities zijn: • • • • • •

Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Naast de ambities is het algemene doel van de omgevingsvisie het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in provincie. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen verstaan. Het bestaande beleid is hiervoor gebundeld in de Omgevingsvisie. Vervolgens wordt met het oog op de omgevingswet dit verder ontwikkeld. Er komt een omschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland. Hierbij wordt een onderverdeling gemaakt in de drie Deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in het internationale netwerk. Daarnaast komt er een leefomgevingstoets. De leefomgevingstoets is agenderend voor verdere beleidsontwikkeling. Tot slot wordt een concrete uitwerking van het beleid opgesteld om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. De Omgevingsvisie maakt gebruik van de reeds bestaande integrale kwaliteitskaart opgebouwd uit vier onderliggende kaarten. Dit instrument wordt verder gebruikt in zowel de visie als de verordening. Vanuit de kaart volgen onder andere bepalingen in de verordening (‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’). Voor ontwikkelingen blijft het ‘ja, mits-beleid’ gelden: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Zoals aangegeven is in de Omgevingsvisie veel beleid overgenomen en samengevoegd.

Het beleid zal met het daarvoor opgesteld instrumentarium, Monitor en Evaluatie Omgevingskwaliteit geactualiseerd worden. Hierbij is het uitgangspunt dat niet al het beleid in één keer geactualiseerd wordt maar op basis

Pagina 11 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

van specifieke aanleidingen. Het samenvoegen van het beleid heeft tot een opsomming van twaalf beleidskeuzes geleid: • • • • • • • • • • • •

Beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving; Behouden en versterken van natuurwaarden en het ontwikkelen van voldoende, aantrekkelijk en beleefbaar groen en water, waar mensen met plezier recreëren; Versterken van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie; Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen; Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder; Bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen; Duurzaam voorzien in de behoefte aan zoetwater en waarborgen van de beschikbaarheid van voldoende drinkwater; Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond; Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen; Bevorderen van een goede en veilige bereikbaarheid, met een mobiliteitsnetwerk dat keuzevrijheid biedt en aansluit op de behoeften van reizigers en vervoerders; Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied; Ondersteunen van cultuurparticipatie en bibliotheken.

Van alle beleidskeuzes is aangegeven op basis van welke specifieke beleidsdocumenten die gebaseerd zijn. Deze beleidsdocumenten zijn allemaal apart digitaal beschikbaar gesteld. Planspecifiek Het plan betreft de realisatie van twee vrijstaande nieuwbouw woningen. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit de beleidsanalyse blijkt niet dat de ontwikkeling in strijd is met provinciaal ruimtelijk beleid of de Ladder. Het plan geeft invulling aan de beleidskeuze van een zorgvuldig ruimtegebruik. Ten tweede verbetert het plan de ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld bij de beleidskeuze over het zorgen voor een samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Tot slot draagt de ‘groene kamer’ bij aan het behoud van regenwater in het gebied en het beperken van hittestress zoals bedoeld bij de beleidskeuze om zodanig te bouwen dat weersextremen beter opgevangen worden. Het plan draagt zodoende concreet bij aan de doelstellingen van de Omgevingsvisie. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening is gelijk met de omgevingsvisie op 1 april 2019 vastgesteld. De verordening bevat bindende ruimtelijke regels waar de provincie en gemeenten in Zuid-Holland zich aan moeten houden. De doorwerking van de regels is uitgewerkt doordat bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen niet in strijd mogen zijn met de verordening.

De verordening wordt met een digitale kaart beschikbaar gesteld om per locatie direct inzichtelijk te krijgen welke beleidsregels van toepassing zijn op de specifieke locatie. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plekgebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie. Nu de ruimtelijke ontwikkeling sterker wordt bepaald door maatschappelijke, veelal kleinschalige initiatieven, is een gedeeld beeld van de ruimtelijke kwaliteit op regionale schaal van belang. De provincie stelt met het handelingskader ruimtelijke kwaliteit spelregels vast die het Pagina 12 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

bovenlokale, algemene belang borgen en heeft samen met partijen in de regio een kwaliteitsbeeld voor het betreffende gebied geformuleerd (de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit). De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.

Planspecifiek Voorliggend plan voegt zich in de bestaande structuur en kan daarmee ingepast worden. “Inpassing betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied, een toevoeging van een woning in een lint of de opknapbeurt van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de relevante richtpunten.” Voorliggend plan betreft de sloop van een woning en tennisbaan en de realisatie van twee vrijstaande nieuwbouw woningen. De nieuw te bouwen woningen passen binnen de bestaande omliggende bebouwing door aan te sluiten op de dominante materialisatie en karakteristieken van de bestaande bebouwing. Het inrichtingsplan draagt tevens positief bij aan het groene landschappelijke beeld van de omgeving door het realiseren van een ‘groene kamer’ en zo verdere doorzichten naar achterliggende polder te creëren. Het plan sluit dus aan bij de bestaande structuren en kwaliteiten van het gebied.

Regionale waterkering Daarnaast is het plangebied gelegen aan een regionale waterkering. Het plangebied is zowel gelegen in het waterstaatswerk alsmede de beschermingszone. In artikel 6.22 Regionale Waterkeringen worden regels gesteld ten aanzien van ruimtelijke plannen die binnen of nabij regionale waterkeringen zijn gelegen: Artikel 6.22 Regionale waterkeringen 1. Een bestemmingsplan voor gronden waarop een regionale waterkering ligt als bedoeld in artikel 2.2, bestemt die waterkering als zodanig. 2. Een bestemmingsplan voor gronden die deel uitmaken van een beschermingszone langs een regionale waterkering, bestemt die beschermingszone als zodanig of duidt die als zodanig aan. 3. Voor het bepalen van de omvang van de gronden, bedoeld in het eerste lid en in het tweede lid, wordt uitgegaan van de door de beheerder van de waterkering vastgestelde legger. 4. Met betrekking tot de gronden waarop een regionale waterkering of een beschermingszone ligt, kan een bestemmingsplan worden vastgesteld dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. Pagina 13 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

5. Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het vierde lid wordt advies gevraagd aan de beheerder van de waterkering. Een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt op gronden waar een regionale waterkering of een beschermingszone op ligt kan alleen worden vastgesteld voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen nadelige effecten ontstaan op de regionale waterkering. In paragraaf 4.9 wordt uitvoerig ingegaan op de effecten van voorliggend plan op het onderhoud, de veiligheid en mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. Daarnaast bevat voorliggend bestemmingsplan, conform het gestelde in artikel 6.22 lid 1, de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Er is reeds overleg gevoerd met het Hoogheemraadschap en de adviezen vanuit het Hoogheemraadschap ten aanzien van de waterhuishouding en regionale waterkering zijn in voorliggend plan opgenomen. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan niet in strijd is met de Omgevingsverordening. 3.2.3 Gebiedsvisie Midden-Delfland 2025 Voor het grondgebied van de gemeente en een deel van omliggende gemeenten is in overleg met belanghebbenden een integrale gebiedsvisie opgesteld (september 2005). Daarin is als streefbeeld opgenomen dat het Midden-Delflandgebied nog sterker dan nu een waardevol open groengebied moet zijn in de drukbevolkte Zuidvleugel van de Randstad.

Als vervolg op de gebiedsvisie is het Landschapsontwikkelingsperspectief (LOP) Midden-Delfland in 2009 opgesteld. Het LOP brengt de huidige kwaliteiten in beeld en geeft de gewenste economische, ruimtelijke en recreatieve ontwikkelingen voor Midden-Delfland aan. Dit is voor alle 19 polders in het Midden-Delflandgebied uitgewerkt. Het LOP vormt daarmee een belangrijk (toetsing)kader voor het initiëren, beoordelen, afwegen en vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen (zoals bestemmingsplannen) en projecten.

Pagina 14 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

Figuur 3. Uitsnede Landschapsontwikkelingsplan, plangebied nabij rode pijl.

Planspecifiek Het plangebied ligt niet in het gebied van het LOP. Er is dus geen intentie om hier het landschap verder te ontwikkelen. De planlocatie is echter nabij de aangegeven ecologische verbindingszone van het LOP gelegen. Deze ecologische verbinding langs de Zweth bestaat uit moeras- en rietvegetatie. Het is de ambitie om de bestaande moeras -en rietvegetatie te versterken en natuurvriendelijke oevers te ontwikkelen langs De Zweth. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op bovengenoemde ambitie omdat het de ecologische verbinding niet aantast. De ontwikkeling betreft immers de realisatie van twee nieuwbouw woningen op de reeds bestemde locatie Wonen. De voorgenomen ontwikkeling is derhalve niet in strijd met het LOP.

Pagina 15 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie 1.0 Midden-Delfland Op 26 oktober 20201 is de Omgevingsvisie 1.0 door de gemeenteraad van Midden-Delfland vastgesteld. De omgevingsvisie 1.0 biedt antwoord op de verplichting vanuit de Omgevingswet voor alle gemeenten om een gemeentedekkende omgevingsvisie te hebben. Vanuit daar gaat de gemeente Midden-Delfland werken aan een omgevingsvisie 2.0 waarin verdere verdieping plaatsvindt en bestaande beleidskeuzes opnieuw tegen het licht worden gehouden. De gemeente wil haar identiteit bewaken, versterken en uitdragen. De gemeente werkt daarbij vanuit de filosofie van Cittaslow en wil bijdragen aan het realiseren van de mondiale Sustainable Development Goals (SDG’s) die de VN in 2015 heeft vastgesteld. Van groot belang is het daarom om het landschap en de dorpen met de daarin aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten en erfgoed te behouden en beter herkenbaar en beleefbaar te maken. De gemeente koestert daarbij haar eigen identiteit, lokale verschillen, de menselijke maat en het menselijke tempo, het agrarische karakter, de openheid en de rust en stilte. De Omgevingsvisie 1.0 is, voor zover dat mogelijk is, een beleidsarme visie om strijdigheden te mijden met overige omgevingsvisies en de opgaven van ketenpartners. Wel zijn er ambities en doelstellingen in de Omgevingsvisie 1.0 opgenomen.

Voor wonen wordt een kwantitatieve opgave benoemd om rustige, dorpse woonmilieus te realiseren en dit zoveel mogelijk binnen bestaand bebouwd gebied in te passen. De samenstelling van de woningvoorraad dient afgestemd te worden op een goede balans van de woningcategorieën. Bij nieuwe woningontwikkelingen in het buitengebied dient er voldoende aandacht te zijn voor de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit. Het buitengebied van Midden-Delfland, waar het plangebied onder valt, heeft grotendeels de status van Bijzonder Provinciaal Landschap. De bestuurlijke opdracht van de gemeente is om het Waardevol Bijzonder Provinciaal Landschap te behouden en te versterken. Voor het BPL zijn in de Omgevingsvisie vier kernkwaliteiten benoemd: 1. een open polderlandschap in de metropool; 2. een landschap met een historisch verhaal; 3. een buitenruimte voor ruim twee miljoen mensen 4. de verweving van veenweidelandbouw en veenweidenatuur. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in een groot glastuinbouwcluster dat onderdeel uitmaakt van het buitengebied maar een geheel ander beeld dan het BPL vertoont (zie navolgende afbeelding). Desalniettemin maakt het plangebied onderdeel uit van een cultuurhistorisch gebied dat gekenmerkt wordt door, voor zover nog mogelijk, een open polderlandschap.

Bij nieuwe ontwikkelingen dienen waardevolle cultuurhistorische ensembles behouden te blijven en beter zichtbaar te worden gemaakt. Nieuwe bebouwing dient gesitueerd te zijn in de bestaande structuur van linten. Het plangebied is gelegen aan de Zweth en maakt deel uit van een cultuurhistorisch waardevol ensemble. Binnen dit ensemble geldt een hoge belevingswaarde van de Woudse Droogmakerij, de Zweth en vlietlandjes. Voorliggend plan betreft het planologisch mogelijk maken van twee vrijstaande woningen aan de Zwethkade Zuid. Door middel van het planologisch borgen van een ‘groene kamer’ blijven zichtlijnen behouden. Het plan voorziet in een kleinschalige ontwikkeling waardoor het woningaanbod vergroot wordt. Het plan is hiermee in lijn met de Omgevingsvisie 1.0.

Pagina 16 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

Figuur 4. Kenmerken en kwaliteiten buitengebied, plangebied aangeduid met rode pijl (bron: gemeente MiddenDelfland).

3.3.2 Woonagenda Midden-Delfland In maart 2017 is de woonagenda Midden-Delfland voor de periode 2016-2020 door de gemeente vastgesteld. Met deze woonagenda geeft de gemeente nadere invulling aan de in de woonvisie 20102025 geformuleerde doelstellingen. De woonagenda voorziet in de behoefte aan aanscherping en concreter maken van de woonvisie, vooral ten aanzien van de drie dorpen. De woonagenda is het ambitiedocument voor de komende jaren: 2016-2020. Ten aanzien van diversiteit en keuzevrijheid is de volgende ambitie opgenomen in de woonagenda. ''Inzetten op het vergroten van de diversiteit in het woningaanbod, zodat inwoners in Midden -Delfland wooncarrière kunnen maken binnen de gemeente en zoveel mogelijk binnen het eigen dorp. Ook wil de gemeente mensen meer mogelijkheden bieden om zelf invloed uit te oefenen op de indeling of het ontwerp van de woning.'' Planspecifiek De woonagenda is in eerste instantie vastgesteld voor de jaren 2016 tot 2020. Er is echter nog geen nieuwe woonagenda vastgesteld. Derhalve wordt voor dit plan nog getoetst aan de woonagenda voor 2016-2020 Voorliggend plan is in overeenstemming met de woonagenda omdat het invulling geeft aan een divers woningaanbod. Het plan voorziet in de realisatie van twee woningen in de dure koopsector. Pagina 17 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

In Den Hoorn zijn relatief weinig woningen beschikbaar in deze sector. De ontwikkeling betreft een ontwerp van de initiatiefnemer en is derhalve in lijn met de doelstelling van de gemeente om mensen meer mogelijkheden bieden om zelf invloed uit te oefenen op de indeling of het ontwerp van de woning. Door het realiseren van ruimere vrijstaande woningen kunnen mensen die een volgende stap willen maken in hun wooncarrière een groter huis kopen. Hierdoor ontstaat doorstroming wat bijdraagt aan het vrijmaken van starterswoningen wat eveneens een doel is in de woonagenda. 3.3.3 Toeristisch recreatief beleidskader Midden-Delfland 2012 In het gemeentelijk toeristisch recreatief beleidskader (nov. 2012) is aangegeven dat in Midden-Delfland de afgelopen jaren er meer aandacht is voor recreatieve verblijfsvoorzieningen. De logiesaccommodatie hebben aantrekkingskracht op recreanten die Midden-Delfland én de stad bezoeken. Ook de zakelijke markt weet deze accommodaties steeds vaker te vinden. Verblijfsvoorzieningen zijn er in vele soorten en maten: kamperen bij de boer, een natuurkampeerterrein, een bed & breakfast, appartementen, een hotel, etc. In Midden-Delfland is er ruimte voor al deze vormen van verblijfsvoorzieningen. Kleinschalige verblijfsvoorzieningen passen bij het agrarisch kerngebied en in de dorpen.

Binnen de poorten (gebieden op het snijvlak tussen stad en land) is ruimte voor grotere accommodaties. Planspecifiek Voorliggend plangebied ligt in de randzone van het glastuinbouwgebied. De huidige woning is niet in gebruik voor recreatief gebruik maar wordt bewoond als reguliere woning. De voorgenomen ontwikkeling voorziet tevens in een woonbehoefte en geen recreatieve behoefte. Er vinden geen ontwikkelingen plaats die effect hebben op het toeristisch / recreatief karakter van het gebied. 3.3.4 Vigerend bestemmingsplan Het vigerend bestemmingsplan voor de locatie is het bestemmingsplan ‘Glastuinbouwgebieden’.

Figuur 5. Uitsnede vigerend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Het perceel heeft de enkelbestemming Wonen. Binnen de bestemming is één woning toegestaan. Daarnaast heeft het perceel de dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering. De sloop van de huidige woning en het verwijderen van de tennisbaan en realisatie van twee vrijstaande nieuwbouwwoningen is niet in overeenstemming met de enkelbestemming Wonen. Rondom het plangebied, ter plaatse van de glastuinbouwbestemmingen, is de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone Pagina 18 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

– glas’ opgenomen. Ter plaatse van deze gebiedsaanduiding zijn in principe geen woningen toegestaan. Voorliggend plan voldoet hieraan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan vereist. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

3.4 Conclusie Onderhavig plan is in overeenstemming met het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Ten aanzien van Rijks- en provinciaal beleid is het plan dermate kleinschalig dat er geen directe relatie is met dit beleid. Tot slot past het plan niet in het vigerend bestemmingsplan omdat de enkelbestemming Wonen geen twee woningen toestaat. Voorliggend plan voorziet dan ook in een nieuw bestemmingsplan om de beoogde ontwikkeling planologisch mogelijk te maken.

Pagina 19 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

4 Milieutechnische uitvoerbaarheid Een bestemmingsplan moet voorzien in een goede ruimtelijke ordening, zoals de Wro ex art 3.1 stelt. De invulling van dit vereiste is in de jurisprudentie verder gepreciseerd. Onderstaand is per woon- en omgevingsaspect beoordeeld of en wat voor een wijziging er optreedt en of een goed woon- en leefklimaat voor zowel de omgeving als het plangebied zelf gegarandeerd is.

4.1 Milieueffectrapportage (M.E.R.) Toetsingskader Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd en in lijn gebracht met de Europese richtlijn hieromtrent (nr. 85/337/EEG). Voor deze wetswijziging kon bij de vraag of er een MER moest worden gemaakt, dan wel een mer-beoordeling moest worden uitgevoerd, worden volstaan met een toets aan de activiteiten en de bijbehorende getalsmatige grenzen uit het Besluit m.e.r. (bijlage C en D). Omdat de Europese richtlijn geen getalsmatige grenzen kent voor mer-plichtige activiteiten, zijn deze getalsmatige grenzen niet meer 'hard', maar hebben meer een indicatieve waarde. Concreet betekent dit dat bij de vraag of er een m.e.r. of een mer-beoordeling dan wel een planmer moet worden uitgevoerd, niet zonder meer kan worden uitgegaan van de getalsmatige grenzen in kolom 2 van bijlage C en D, maar dat meer in algemene zin beoordeeld moet worden of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, waardoor het opstellen van een MER noodzakelijk zou zijn.

Een planmer is wettelijk verplicht wanneer: • het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project)mer noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project)mer noodzakelijk is; de activiteiten in het bestemmingsplan mogelijk leiden tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk); • Bij een planmer gaat het om besluiten uit kolom 3 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Een (project- of besluit)-mer betreft een besluit op grond waarvan geen nader besluit mer- of (beoordelings-)plichtig besluit meer nodig is. Het plan schept dus geen kader meer voor een mer(beoordelings)plichtig besluit. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan wat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een mer-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een veehouderij (met aanzienlijke milieugevolgen). Het betreft hier besluiten uit kolom 4 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r.. De wetswijziging van 1 april 2011 heeft tot gevolg dat ook onder de drempelwaarden beoordeeld moet worden of een mer-procedure doorlopen moet worden. Dit geldt zowel voor besluiten uit kolom 4 als voor besluiten (plannen) uit kolom 3 (planmer). ingeval het project onder de drempelwaarde valt is deze beoordeling vormvrij.

Dit betekent dat deze beoordeling via de officiële mer-beoordelingsprocedure kan geschieden, maar in veel gevallen zal een beoordeling in de toelichting bij het plan voldoende zijn. Planspecifiek In voorliggend plan is sprake van herstructurering waarbij zeer beperkte nieuwe woonvoorraad wordt toegevoegd. Op basis van het Besluit m.e.r. is in dit geval sprake van een stedelijke ontwikkeling (categorie D 11.2). Het plan overschrijdt de getalsmatige grenzen van het Besluit m.e.r. (kolom C en D) niet. Deze grenzen zijn: D

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft

11.2

inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Figuur 7: Categorie D11.2 met getalsmatige grenzen. (Bron: bijlage D van Besluit milieueffectrapportage).

Pagina 20 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

Omdat de grenzen van de Categorie C en D niet overschreden worden, is sprake van een vormvrije mer beoordeling. Voor voorliggend plan kan op basis van de in hoofdstuk 2 beschrijving van het plan en hoofdstuk 4 de milieutechnische uitvoerbaarheid voldoende inzicht gegeven worden in de milieugevolgen van het plan zoals bedoeld in de criteria van bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. Er kan derhalve geoordeeld worden dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

4.2 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen), worden hinder en gevaar beperkt of voorkomen en wordt het voor bedrijven of woonfuncties mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Om dit gestandaardiseerd te kunnen beoordelen zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer verfijnde afstemming voor de beperking of voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. In de brochure wordt onderscheid gemaakt in verschillende omgevingstypen. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. De betreffende VNG-publicatie vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden. Planspecifiek Voorgenomen ontwikkeling houdt geen wijziging van de bestemming in. De bestemming Wonen betreft een milieugevoelige functie die al reeds van toepassing is op het plangebied.

Om het plangebied heen liggen voornamelijk woonbestemmingen en ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ bestemmingen. Voor de milieuzonering van de glastuinbouwbedrijven ten opzichte van woningen wordt als richtlijn conform de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) categorie 2 toegepast. Het plangebied bevindt zich in een gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Lintbebouwing in het buitengebied met agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor vrijstaande woningen welke verspreid liggen in de glastuinbouwgebieden moet een afstand van 10 meter aangehouden worden. Als afstandsmaat tussen een enkele woning en de bestemmingsgrens "Glastuinbouw" wordt 12,5 meter aangehouden. Deze afstandsmaat is afgeleid van het Besluit Glastuinbouw, waarin een maat van 10 meter is genoemd. In verband met de mogelijkheid om bij een woning 2,5 meter vergunningsvrij aan te bouwen is de totale aan te houden afstand 12,5 meter. Met deze afstandsmaat is een goede ruimtelijke- en milieu hygiënische inpassing gewaarborgd. De omliggende bedrijven moeten in de huidige situatie al reeds rekening houden met de gevoelige functie van het plangebied. In het vigerende bestemmingsplan is beoordeeld dat voor de woonbestemming op deze plek sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Tevens is de afstand van 12,5 meter geborgd in de planregels. De afstand tussen de hoofdgebouwen in voorliggend plan (plus aan- en uitbouwen) tot de bestemmingsgrens, voor zover deze grenst aan gronden die op grond van het daarvoor geldende bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch – glastuinbouw’ met de nadere gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – glas’ dient ten minste 12,5 meter bedragen. Ondanks deze afstand is er nog voldoende ruimte om de twee woningen te realiseren. Het perceel direct ten westen van de erfontsluiting en de plek van de nieuw te realiseren woning op de voormalige tennisbaan heeft de bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’. Op dit perceel is momenteel

Pagina 21 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

een bedrijfswoning toegestaan. Onderhavig plan levert voor deze woning ook geen beperking op omdat zoals bovenstaand beschreven is de woonfunctie in voorliggend plan reeds toegestaan.

Spuitzones en bestrijdingsmiddelen De bestemming glastuinbouw die achter het plangebied is gelegen is bedoeld voor het uitoefenen van volwaardige en doelmatige glastuinbouwbedrijven. Er zijn ter plaatse van deze bestemming hoofdzakelijk kassen en bijbehorende bouwwerken en bedrijfswoningen mogelijk. Binnen deze bestemming is geen open teelt waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt mogelijk. Er is derhalve geen sprake van het optreden van drift.

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt dan ook geen belemmering voor voorliggend plan.

Pagina 22 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

4.3 Geluidhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder als gevolg van spoor-, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functies belast mogen worden. De Wgh geeft tevens aan in welke situaties middels onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en bijbehorende jurisprudenties zijn aanvullende onderzoeksverplichtingen gesteld. Planspecifiek Voorliggend plan betreft de realisatie van twee vrijstaande nieuwbouwwoningen. In de bestaande situatie is reeds een woning en dus al een geluidsgevoelig object aanwezig. Deze woning wordt gesloopt en op dezelfde locatie wordt een nieuwe woning gerealiseerd. De tweede woning wordt ter plaatse van de huidige tennisbaan gerealiseerd. Een akoestisch onderzoek is voor deze tweede woning uitgevoerd om aan te tonen dat hier de geluidsnormen niet overschreden worden, zie bijlage 1. De conclusie van het onderzoek luidt: ‘De geluidbelasting op de gevels van de twee te realiseren woningen aan de Zwetkade Zuid 30A te Den Hoorn bedraagt ten gevolge van het wegverkeer op de N211 maximaal Lden=53 dB. De achtergevel is geluidluw, de geluidbelasting bedraagt daar minder dan 48 dB.

De geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de Veenakkerweg bedraagt maximaal 40 dB. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai, deze is 48 dB, wordt met 5 dB overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Het ontwerp voldoet aan het Hogere waardebeleid van de gemeente MiddenDelfland. Er is een geluidluwe achtergevel en gezien de grootte van de woningen ook een slaapvertrek aan deze gevel. Bron- en overdrachtmaatregelen zijn onderdeel van een nu lopend onderzoek van Antea. Dit akoestisch onderzoek beschrijft de gevolgen van de reconstructie van de N211. Het staat vast dat deze maatregelen worden genomen omdat de geluidbelasting ten gevolge van de reconstructie met maximaal 1,4 dB mag toenemen. De aanleg van een stil wegdek “dunne deklaag type B” is meegenomen in de berekeningen. B&W van Midden-Delfland dient voor de twee woningen een Hogere waarde vast te stellen van Lden=53 dB.’ Gezien bovenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor onderhavig plan.

4.4 Flora en Fauna Natuur is een gevoelige functie die beschermd moet worden tegen negatieve effecten. Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en Nationaal beschermde soorten. Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. Dit is conform het bestuursakkoord natuur waarin is aangegeven dat de decentralisatie van de taken en bevoegdheden op het vlak van de natuurwetgeving haar beslag zal krijgen in de Wet natuurbescherming. Provincies nemen hiermee de taak over die tot nu toe werd uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Pagina 23 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

Nederland (RVO.nl). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten (hierna genoemd ‘handelingen’) bij Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen) en dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.4.1 Gebieds-en soortbescherming In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan geen nadelige effecten heeft voor beschermde plant- en diersoorten in en nabij het plangebied. Indien de ontwikkeling verstoring of uitroeiing van beschermde soorten kan inhouden dient onderzocht te worden of eventuele soorten aanwezig zijn. Wanneer dit het geval is moet tevens aangetoond worden middels welke ingrepen deze verstoring voorkomen wordt dan wel gecompenseerd. Planspecifiek Voor voorliggend plan zal bebouwing gesloopt, zullen bomen gekapt en bosschages verwijderd worden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels een ecologische quickscan is de (potentiele) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht, zie bijlage 2.

De conclusie uit het flora-en fauna onderzoek luidt: Soortenbescherming ‘Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soortgroep: huismus en vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) of een vrijstelling geldt onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).’ Gebiedsbescherming ‘De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of een Groene buffer en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets, ‘nee, tenzij’-toets of berekening met de AERIUS-calculator is niet noodzakelijk.’ Houtopstanden ‘Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.’ De ontwikkeling aan de Zwethkade 30a te Den Hoorn is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Voorafgaand aan de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar de huismus en naar vleermuizen uitgevoerd te worden.

4.4.2 Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie. In de praktijk blijkt echter dat de afname van stikstofdepositie als gevolg van de maatregelen niet gegarandeerd kan worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State een uitspraak gedaan waarin de Raad oordeelt dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Pagina 24 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en -deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator (update oktober 2020). Op 10 maart 2021 is een nieuwe Stikstofwet vastgesteld en op 18 juni 2021 het besluit gepubliceerd die de wet nader uitwerkt. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. Als gevolg van deze maatregelen gelden er nieuwe uitgangspunten voor een stikstofberekening. Zo hoeft de bouwfase niet meer meegenomen te worden in de berekening, enkel nog de gebruiksfase. Het besluit over deze wet is per 1 juli 2021 inwerking getreden. Planspecifiek In onderstaande afbeelding is een overzicht van nabijgelegen Natura 2000-gebieden weergegeven.

Figuur 6. Overzicht Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied (bron: Aeriuscalculator).

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbij gelegen beschermde natuurgebied betreft Solleveld & Kapittelduinen, gelegen op een afstand van circa 9 kilometer ten westen van de planlocatie. Het beschermde natuurgebied Meijendel & Berkheide ligt op circa 11 kilometer ten noordwesten van de planlocatie. Alle overige beschermde natuurgebieden liggen op meer dan 15 kilometer afstand van het plangebied. Uitgesloten dient te worden dat het plan niet leidt tot significant negatieve effecten op de stikstofgevoelige gebieden. Met de Aeriusberekening kan worden vastgesteld of de gebruiksfase een toename van de emissie van stikstofoxiden tot gevolg heeft. Voor de gebruiksfase wordt gekeken naar de toename van stikstof als gevolg van extra vervoersbewegingen en als gevolg van het gebruik van de woning. Zoals reeds vermeld is de aanlegfase van een ontwikkeling vrijgesteld bij een Aeriusberekening sinds 1 juli 2021 en behoeft dus niet mee meegenomen te worden.

Pagina 25 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

Voorliggend plan betreft de realisatie van twee nieuwbouwwoningen. Per saldo wordt er een woning toegevoegd, wat betekent dat voor de berekening alleen de nieuw te bouwen woning op de plaats van de tennisbaan meegenomen hoeft te worden. De huidige woning wordt gesloopt en vervangen door nieuwbouw, waardoor de gebruiksfase gelijk blijft. Per 1 juli 2018 is de wet Voortgang Energietransitie (wet VET) van kracht geworden, die zegt dat het niet meer is toegestaan om nieuwbouw met aardgas te realiseren, tenzij de gemeente beslist dat er zwaarwegende belangen zijn om hier van af te wijken. Het plan wordt derhalve aardgasvrij opgeleverd. Voor voorliggend plan behoeft dus enkel de stikstofuitstoot als gevolg van het aantal vervoersbewegingen in de gebruiksfase voor de woning die op de plaats van de tennisbaan wordt gebouwd, bepaald te worden. Het aantal vervoersbewegingen ten behoeve van de nieuw te realiseren woning op de plaats van de tennisbaan is bepaald in paragraaf 4.10 en bedraagt 8,2 bewegingen per dag. In de Aeriusberekening is uitgegaan van licht wegverkeer over buitenwegen. Om het plangebied te verlaten is een route aangegeven. In de navolgende afbeelding zijn de resultaten zoals die ingevoerd zijn in de calculator getoond.

Figuur 7. Gegevens Aeriusberekening met resultaat 0,00 mol/ha/j (bron: Aeriuscalculator.nl).

Pagina 26 Zwethkade Zuid 30a Den Hoorn

De conclusie is dat de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een toename van stikstof op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Er is voor het plan dan ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk en de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoering en exploitatie van het plan. Het pdf bestand van de berekening is toegevoegd in bijlage 3. Het GML-bestand wordt separaat meegeleverd en kan het bevoegd gezag importeren in de Aeriuscalculator om de berekening te controleren.

4.5 Bodem Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek Voorliggend plan betreft het realiseren van twee vrijstaande nieuwbouwwoningen. De functie van de planlocatie wijzigt hierbij niet. Immers zijn de gronden reeds bestemd als Wonen. Echter biedt het vigerende bestemmingsplan Glastuinbouwgebieden ruimte tot huis gebonden beroepen die in het verleden mogelijke bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. Een verkennend bodemonderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Met oog op de omgevingsvergunning voor het bouwen van de bouwwerken is echter wel een bodemonderzoek vereist. Derhalve is toch een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusie van het onderzoek luidt: ‘Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor een diffuse bodemverontreiniging met OCB, zware metalen en PAK.

Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: • De venige bovengrond op de locatie (0 – 0,5 m-mv, MM1) is licht verontreinigd met zware metalen, OCB en PAK. • De zandige bovengrond op de locatie (0 – 0,5 m-mv, MM2) is licht verontreinigd met OCB. • De kleiige ondergrond (mogelijk vroegere toplaag) op de locatie (0,5 – 1,5 m-mv, MM3) is licht verontreinigd met zware metalen, OCB en PAK. • De zandige ondergrond met bijmengingen van sporen baksteen (0,5 – 1,0 m-mv, MM4) is licht verontreinigd met PCB en PAK. • In het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 105) zijn licht verhoogde concentraties barium, zink, xylenen en naftaleen vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=d9eeff2b-2e85-421c-b7cb-1026b014bfdd