05 d rb Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026 definitief na commissie 13.1
Tekst van het document
3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een beslissing als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 21. Onderzoek naar kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s
Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van
maatwerkvoorzieningen en pgb’s om de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan te beoordelen.
Artikel 22. Rechtmatigheid en doelmatigheid 1. Het college treft de nodige maatrelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte maatwerkvoorzieningen en pgb’s te waarborgen en fraude te voorkomen. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:
a. Het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die
zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen;
b. Het college verricht zo nodig, al dan niet met tussenkomst van derden, onderzoek bij aanbieders die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente Midden-Delfland onderhouden;
c. Het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele
afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties;
d. Het college beperkt waar nodig de looptijd van de indicaties en voert periodiek controles uit bij indicaties;
e. Het college bezoekt inwoners en locaties, waarbij door middel van een schouw een feitelijk onderzoek gedaan wordt naar de ervaringen met
f.
en de uitvoering van de geboden ondersteuning;
Het college monitort het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen;
g. Het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een pgb op: i.
de regiemogelijkheden van de inwoner of degene die de
ii.
de kwaliteit van de invulling van het door de inwoner te
iii.
inwoner als vertegenwoordiger wenst in te schakelen;
overleggen budgetplan mede met het oog op de te bereiken resultaten;
de kwaliteit van de door de inwoner in te schakelen hulpverlener.
HOOFDSTUK 7 OVERIGE BEPALINGEN Artikel 23. Blijk van waardering mantelzorgers 1. Mantelzorgers van inwoners in de gemeente Midden-Delfland kunnen een melding doen bij Mantelzorg Midden-Delfland, waarmee zij in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering.
2. De totale waarde van de jaarlijkse blijk van waardering voor alle mantelzorgers in de gemeente en de verdeling over collectieve en individuele
waarderingsactiviteiten wordt door het college jaarlijks na overleg met Mantelzorg Midden-Delfland van Stichting Welzijn Midden-Delfland (SWMD) vastgesteld.
3. Het college kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners van Midden-Delfland.
Artikel 23a. Tegemoetkoming meerkosten 1. Het college stelt nadere regels over een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie voor inwoners die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben.
a. De tegemoetkoming bestaat in ieder geval uit het aanbieden van een collectieve aanvullende zorgverzekering voor minima.
2. Het college stelt jaarlijks nadere regels vast over onder meer:
a. Welke aanvullende vormen van tegemoetkomingen aangeboden worden;
b. de voorwaarden waaronder de tegemoetkoming wordt verstrekt; c. waaruit de tegemoetkoming bestaat en
d. wanneer die tegemoetkoming wordt verstrekt.
3. Het college legt jaarlijks de regels zoals benoemd in lid 2 van dit artikel vast in de nadere regels maatschappelijke ondersteuning
Artikel 24. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van
een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:
a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de
Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of
b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: ▪
1°. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en
▪
2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.
2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de
eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en
b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in
artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.
3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:
a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten;
c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;
d. reis en opleidingskosten;
e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f.
overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
4. De coördinerende aanbieder kan ook andere partijen (zoals welzijnswerk of andere aanbieders) inzetten om het resultaat te bereiken. De coördinerende aanbieder
schrijft een integraal zorgplan per inwoner en beschrijft wat er gedaan wordt om
het gevraagde resultaat te behalen en is verantwoordelijk voor de kwaliteit en het resultaat.
Artikel 25. Klachtenregeling 1. Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van inwoners die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening.
2. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van de door hen geleverde voorzieningen.
3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, eigen waarnemingen van toezichthouders en een inwoners.
Artikel 26. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, ten aanzien van alle voorzieningen.
2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 27. Inwonerparticipatie 1. Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende
maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.
2. Het college stelt inwoners vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het
beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende
maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
3. Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.
4. Ter uitvoering van het tweede en derde lid heeft het college de Adviesraad Sociaal Domein Midden-Delfland aangewezen.
Artikel 28. Evaluatie Het college evalueert periodiek het gevoerde beleid. Artikel 29. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 30. Nadere regels Het college kan nadere regels stellen ter verdere bepaling van het in deze verordening gestelde.
Artikel 31. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en jeugdhulp Midden-Delfland 2024 wordt ingetrokken. Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening
verstrekt op grond van een eerdere verordening of deze verordening, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.
2. Aanvragen die zijn ingediend voor inwerkingtreding van Verordening Wet
maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026 en waarop nog
niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp MiddenDelfland 2024.
3. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening
maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Midden-Delfland 2024 of eerder, wordt beslist met inachtneming van die verordening.
4. Van het in lid 2 en 3 gestelde kan ten gunste van de inwoner worden afgeweken. Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026.
Ondertekening Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 januari 2026 de griffier,
de voorzitter,
A de Vos
F.I.. Noordermeer-van Slageren
TOELICHTING VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE MIDDENDELFLAND 2026 Algemeen
Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
(hierna: wet). Eén van de uitgangspunten van de wet is dat telkens wordt bekeken wat
redelijkerwijs verwacht mag worden van de inwoner en het sociale netwerk, in het kader van zelfredzaamheid en participatie.
Voor dat wat de inwoner zelf of met het sociale netwerk niet lukt, kan de gemeente een algemene voorziening, of als dat niet volstaat, een maatwerkvoorziening toekennen. Het college doorloopt hierbij via de deskundige Wmo consulenten een zorgvuldige
toegangsprocedure. De consulent onderzoekt de hulpvraag van de inwoner, de behoefte
en de gewenste resultaten op het gebeid van participatie en zelfredzaamheid. Een Wmoconsulent onderzoekt wat de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van het sociale netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om de
zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren. Een Wmo-consulent bepaalt of een algemene voorziening volstaat of dat een maatwerkvoorziening nodig is. Als een voorziening onder de reikwijdte van een andere wet valt, gaat die altijd voor.
De wet en deze verordening leggen deze toegangsprocedure in hoofdlijnen vast. Hierbij heeft het college veel bevoegdheden. De uitvoering hiervan gebeurt zoals aangegeven
namens het college (in mandaat) door Wmo consulenten. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, betreft dit dus voor de toeleidingsprocedure feitelijk een Wmo consulent.
In de afweging van de vraag hoe deelgenomen kan worden aan de maatschappij en het zelfstandig functioneren in de maatschappij betrekt het college de volgende gebieden: • • • •
Wat kan de inwoner zelf doen?
Kan gebruikelijke zorg volstaan?
Kan de sociale omgeving bijdragen?
Kan voorliggende (Wet langdurige zorg) of andere wetgeving het probleem (deels) oplossen?
•
Kunnen
a. algemene voorzieningen, waaronder gebruikelijke voorzieningen of b. algemene (welzijns)voorzieningen ingezet worden?
•
Is een maatwerkvoorziening noodzakelijk?
Artikel 1. Begripsbepalingen
Ten aanzien van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert de gemeente als rekenmethode dat een hulpmiddel financieel kan worden gedragen met een
minimuminkomen, als de kosten van de voorziening binnen 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de geldende bijstandsnorm. De Centrale Raad van Beroep (verder: CRvB) heeft in de uitspraak van 3 juli 241 deze rekenmethode
verworpen. De vierde voorwaarde in de uitspraak, namelijk: of de voorziening financieel
kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau moet volgens de CRvB zo
worden begrepen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking
gangbaar is te achten. Voor een elektrische fiets is dat volgens de CRvB (nog) niet het
geval. De CRvB motiveert echter niet wat onder ‘voor iedereen gangbaar’ verstaan moet worden.
Een en ander betekent dat een elektrische fiets niet meer als algemeen gebruikelijk
gezien wordt. Een inwoner kan melden als hij problemen heeft met de zelfredzaamheid
en participatie. Het college doorloopt in het onderzoek naar de behoefte de stappen zoals vermeld in artikel 3. Als er beperkingen of belemmeringen zijn die de inwoner niet met het netwerk, gebruikelijke zorg of eigen kracht kan oplossen kan het nodig zijn dat de
gemeente een voorziening toekent. Dat kan de goedkoopste adequate voorziening zijn, dus wellicht regiovervoer.
Artikel 2. Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning
De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. De melding kan bovendien door of namens de inwoner worden
gedaan. Naast de inwoner kan dat dus ook iemand anders zijn, zoals een buurman of een vertegenwoordiger van de inwoner.
Ook is in dit artikel bepaald dat het college de verplichting heeft om de inwoner te wijzen op de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen.
Op grond van de wet (artikel 2.2.4, eerste lid, aanhef en onder a) zorgt het college dat
voor de inwoner als deze dat wil, gratis cliëntenondersteuning beschikbaar is, tijdens de toeleidingsprocedure.
Dit is in de verordening opgenomen om voor de inwoner duidelijk te maken wat de rechten en verplichtingen zijn.
Wanneer een inwoner behoefte heeft aan informatie en advies over voorzieningen in
gemeente Midden-Delfland kan deze terecht bij het Wmo team van de gemeente MiddenDelfland via telefoon (015) 380 41 11 of u kunt een mail sturen naar
wmo@middendelfland.nl. Voor nadere informatie kunt u ook de website van de gemeente bezoeken: www.Midden-Delfland.nl
Soms blijkt na een melding bij een korte verkenning van de vraag dat informatie en advies voldoende is voor een inwoner om het ondervonden probleem op te lossen. Dan handelt het college de melding op die manier af.
Artikel 2: Lid 6
De uitvoering van de maatschappelijke opvang en beschermd wonen voorzieningen heeft het college tot en met in elk geval eind 2025 gemandateerd aan de Centrumgemeente Delft.2
Artikel 3. Onderzoek
Het onderzoek bestaat uit een of meer gesprekken met de inwoner en het netwerk en het
raadplegen van bronnen zoals offertes en medisch advies. Het onderzoek is de basis voor besluitvorming. Maakt een inwoner gebruik van het indienen van een persoonlijk plan,
dan is dit onderdeel van het onderzoek. Dit plan helpt de inwoner om de zorgvraag te verhelderen, doelen te stellen en voorkeuren voor ondersteuning aan te geven. Het college heeft hiervoor een formulier beschikbaar gesteld. Artikel 2: Lid 3 Wmo en Wlz
Het overzicht maatwerkvoorzieningen onder de Wmo of de Wlz3 goedgekeurd door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) kan gebruikt worden als hulpmiddel bij het bepalen of een voorziening onder de Wet langdurige zorg valt. In dat geval hoeft het college geen Wmo voorziening toe te kennen. Het kan wel nodig zijn dat het college tijdelijk een Wmo voorziening toekent, ter overbrugging naar de start van de Wlz voorziening.
De Wlz kent een eigen bijdrage die inkomensafhankelijk is. Het kan zijn dat een inwoner
met een Wlz voorziening een hogere bijdrage betaalt dan deze voor een soortgelijke Wmo voorziening zou betalen. Dat is echter geen reden om een Wmo voorziening toe te kennen, ook niet als de inwoner weigert om een Wlz voorziening waarvoor deze in aanmerking zou komen, aan te vragen.
In spoedeisende gevallen4 treft het college na de melding direct een tijdelijke maatwerkvoorziening, zie hiervoor ook artikel 6.
In de toeleiding onderzoekt het college samen met de inwoner en waar nodig het sociale netwerk:
1. Wat de hulpvraag van de inwoner is
2. Welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en
maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving
3. Welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te
leveren aan de zelfredzaamheid of participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving
4. In hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg,
ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden.
Rondom punt 4 is van belang dat een maatwerkvoorziening het sluitstuk is. Als de
inwoner zelf het probleem kan oplossen, is er geen rol voor het college. De sociale
omgeving is mogelijk bereid om (een deel van) de ondersteuning te bieden. Het sociale
netwerk verwijst naar het netwerk van familie, buren en vrienden in de directe omgeving van de inwoner. Denk aan boodschappen doen of andere kleine klussen. Hieronder valt ook de mantelzorg. Deze vorm van ondersteuning gaat voor op ondersteuning van de gemeente. Mantelzorg kan aanvullend zijn op vormen van professionele zorg. Als er een andere voorziening mogelijk is, hoeft het college ook geen maatwerkvoorziening te geven.
Personen onder 18 jaar zijn aangewezen op de Jeugdwet of kunnen gebruik maken van
arrangementen als gevolg van de Wet passend onderwijs. Voor woningaanpassingen en hulpmiddelen kunnen jeugdigen wel gebruik maken van de Wmo.
Voorzieningen vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) kunnen de behoefte aan
ondersteuning of een deel daarvan wegnemen. Ook de Wet langdurige zorg (Wlz) voor
verblijf en daarmee samenhangende zorg gaat voor op een maatwerkvoorziening. De Wlz
is van toepassing als een inwoner is aangewezen op permanent toezicht of 24-uurszorg,
als er sprake is van immateriële ondersteuning en/of materiële ondersteuning, waarbij de inwoner woont in een Zorg in Natura(ZIN)-zorginstelling. Voor inwoners die in
geclusterde woonvormen wonen waar ze zelf de woonlasten betalen, blijven de
vervoersmiddelen, rolstoelen en woonvoorzieningen (voorlopig) ongewijzigd onder de Wmo vallen.
Ook een algemene voorziening gaat voor op een maatwerkvoorziening. Algemene
voorzieningen zijn algemeen vrij toegankelijke voorzieningen. Daarbij kan soms een
lichte toets worden uitgevoerd of een persoon of een groep personen behoort tot een bepaalde doelgroep. Van een algemene voorziening kan iedereen gebruik maken, daarvoor is geen Wmo indicatie en dus geen beschikking nodig. Wel kan aan de deelnemers een bijdrage gevraagd worden.
In de gemeente Westland zijn als algemene voorzieningen onder meer aanwezig: • • • • • •
het ontmoetingscentrum van Pieter van Foreest; vervoer met de Regiotaxi zonder Wmo korting; vervoer met het gratis vervoermiddel De Mus; maatschappelijk werk via Kwadraad;
activiteitaanbod via Stichting welzijn Midden-Delfland;
hulp en ondersteuning op inlooplocaties WIJ Midden-Delfland.
Artikel 4. Ondersteuningsplan
Het ondersteuningsplan is geen volledige weergave van de in het kader van het
onderzoek gevoerde gesprekken. Het geeft wel een weergave van de in hiervoor
genoemde stappen. Als de inwoner een persoonlijk plan indiende, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het ondersteuningsplan.
Desgewenst kan de gemeente het ondersteuningsplan ook gebruiken als een met de inwoner overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn
zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien worden vastgelegd.
Het college geeft de inwoner een termijn om te reageren op het Ondersteuningsplan. Als de inwoner niet reageert, dan rappelleert het college. Als een inwoner het
ondersteuningsplan niet terugstuurt, dan stopt het onderzoek zonder dat het college een
beslissing neemt. Omdat er nog geen aanvraag tot stand kwam, kan de inwoner hiertegen geen bezwaar indienen.
Als een inwoner het ondersteuningsplan dan toch later terugstuurt, ziet het college dit als een nieuwe melding. Praktisch gezien kan het college dan zien dat het onderzoek al is
gedaan, waardoor het onderzoek versneld kan gebeuren. Daarbij moet worden gecheckt of er sprake is van nieuwe feiten.
Het ondersteuningsplan wordt aangemerkt als aanvraag. Indien als leveringsvorm om een pgb wordt gevraagd voor diensten, is het nodig dat de inwoner ook een budgetplan
aanlevert, om de aanvraag te kunnen behandelen. Het budgetplan maakt dan onderdeel
uit van de aanvraag. Dit is niet nodig voor een pgb aanvraag voor materiële voorzieningen als hulpmiddelen en aanpassingen. Het budgetplan bevat de uitwerking van de benodigde zorg en de daarmee samenhangende kosten. De kosten worden onderbouwd met
minimaal twee offertes. Het college heeft een format vastgesteld waar een budgetplan aan
moet voldoen. Tijdens het onderzoekt geeft het college de informatie die nodig is om het budgetplan op te stellen. Dit budgetplan wordt opgenomen in het ondersteuningsplan. Artikel 5. Aanvraag
Een inwoner kan een aanvraag doen nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd5. Als het onderzoek niet binnen zes weken na de melding is uitgevoerd, kan de inwoner zonder onderzoek een aanvraag indienen. Het college moet binnen twee weken na de aanvraag een besluit nemen6.
Het ondertekende ondersteuningsplan kan met akkoord van de inwoner dienen als aanvraag voor de voorziening.
Een aanvraag die niet is ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier of in de vorm van een afgerond ondersteuningsplan (zie artikel 4) hoeft het college niet in behandeling te nemen.
In uitzonderlijke gevallen kan het college op basis van een niet ondertekend
ondersteuningsplan toch een besluit nemen, als dat in het belang van een inwoner is.
Soms gebeurt het namelijk dat de burger een plan weigert te ondertekenen omdat deze het met de inhoud niet eens is. Dan dient de inwoner een andere wijze geboden te worden om de aanvraag in te dienen. Artikel 6. Verkorte procedure
Bij het inplannen van het telefonisch onderzoek wordt aan de inwoner informatie gegeven over de verschillen tussen het reguliere onderzoek en de Verkorte Procedure. De inwoner moet een bewuste keuze kunnen maken. Als de inwoner akkoord gaat met de Verkorte Procedure, dan wordt dit akkoord vastgelegd in de beschikking.
Het college kan een verkorte procedure inzetten bij (eenvoudige) meldingen, waarbij de behoefte aan ondersteuning duidelijk is. Het betreft alleen verstrekkingen in zorg in natura. In de Nadere regels kan het college dit verder duiden.
Het onderzoek richt zich alleen op de in melding gevraagde ondersteuning en de daarbij horende leef- en compensatiegebieden. Het onderzoek gebeurt telefonisch of eventueel
via videobellen. Tijdens het gesprek geeft het college op een duidelijke en overzichtelijke manier informatie over de verschillen tussen het verkorte en het uitgebreide onderzoek. Artikel 7. Criteria voor een maatwerkvoorziening
Als een inwoner zelf niet in staat is om de zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen, dan is het aan het college om een voorziening te verstrekken9.
Een ingezetene is een inwoner die legaal in Nederland verblijft met waar nodig de juiste verblijfcodes. De inwoner is geregistreerd in de Basisregistratie Personen (BRP) van de
gemeente Midden-Delfland en heeft daar het hoofdverblijf. Als een inwoner niet aan deze voorwaarden voldoet, kan een melding toch in behandeling worden genomen als de
inwoner binnen zes weken schriftelijk bewijs levert van het vestigen van het hoofdverblijf en de inschrijving in de BRP van de gemeente Midden-Delfland.
De term 'hoofdverblijf' verwijst naar een woonruimte die bestemd en geschikt is voor permanente bewoning, waar de inwoner zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en
geregistreerd is of wordt in de BRP. Als iemand langer dan 6 maanden ingeschreven staat
met een postadres, dient de inwoner verlenging aan te vragen. Het hebben van een
hoofdverblijf impliceert niet alleen inschrijving in de BRP, de inwoner moet daadwerkelijk het grootste deel van de tijd in de gemeente verblijven.
Bovendien kan een persoon die niet geregistreerd is in deze gemeente en kan aantonen hier feitelijk te verblijven, mogelijk alsnog ingeschreven worden.
In het geval een passende woonvoorziening in natura meer dan een door het college vastgesteld bedrag zou bedragen, kan het college op grond van het primaat van
verhuizing een door het college vastgestelde verhuiskostenvergoeding toekennen in
plaats van een woonvoorziening in natura te verstrekken. Het college stelt deze bedragen vast in de nadere regels. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat als maatwerkvoorziening niet een woningaanpassing wordt verstrekt maar een verhuiskostengoeding. De
woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college het primaat van verhuizing hanteert.
De naar objectieve maatstaven gemeten ‘goedkoopste adequate voorziening’ geldt als norm voor het bepalen van de maatwerkvoorziening. Adequaat houdt in dat de voorziening haar doel moet bereiken op het gebied van zelfredzaamheid en/of
participatie. Voldoen meer voorzieningen aan dit criterium, dan verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. Als een inwoner een duurdere adequate voorziening wil dan komen de meerkosten voor rekening van de inwoner. In zo’n geval wordt de voorziening in pgb vorm verstrekt.
Voor trapliften geldt functioneel adequaat. Dit betekent dat de traplift werkt voor zijn
doel: mensen helpen om veilig en gemakkelijk de trap op en af te gaan, zowel lopend als met de traplift. De lift moet goed passen bij de trap waarvoor hij bedoeld is, soepel
bewegen zonder problemen en comfortabel zijn voor de gebruiker. Als voor het veilig
kunnen plaatsen en gebruiken van een traplift een woningaanpassing noodzakelijk is, dan is deze woningaanpassing onderdeel van het verstrekken van de traplift. De traplift en de woningaanpassing moeten als doel hebben het normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. De voor de plaatsing van de traplift noodzakelijke woningaanpassing is voor rekening van de client.
In de Wmo wordt uitgegaan van wederzijdse inspanningen van zowel het college als de inwoner.
Van de inwoner wordt verwacht dat deze eerst zelf naar een oplossing zoekt voordat deze bij het college om ondersteuning vraagt. De inwoner heeft de plicht het college volledig en bijtijds informatie te geven over de leefomstandigheden. Dit geldt ook voor
wijzigingen in de omstandigheden, zoals vermeld in artikel 19 van de verordening. Artikel 7a. Gebruikelijke hulp
In de Wmo wordt uitgegaan dat inwoners in eerste instantie zelf, of samen met hun
huisgenoten, verantwoordelijk zijn voor het draaiende houden van het huishouden en voor de zorg en ondersteuning die binnen de huiselijke kring nodig is.
Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter en gaat altijd vooraf aan ondersteuning vanuit de Wmo. Het betekent dat van huisgenoten wordt verwacht dat zij, naar
redelijkheid en met inachtneming van hun leeftijd en mogelijkheden, bijdragen aan de
zelfredzaamheid en participatie van elkaar. Daarbij geldt dat volwassenen, ook wanneer
zij een voltijdse baan of studie hebben, in staat moeten worden geacht om huishoudelijke
taken te combineren met hun werk of opleiding. Vrijetijdsbesteding of hobby’s vormen
geen reden om geen gebruikelijke hulp te leveren. Voor kinderen wordt gekeken naar wat passend is bij hun leeftijd en ontwikkeling.
Als een huisgenoot tijdelijk of structureel wegvalt, wordt van de overige huisgenoten
verwacht dat zij de taken herverdelen en overnemen. Dit kan betekenen dat de uitvoering van bepaalde taken anders gepland moet worden, bijvoorbeeld in de avonduren of het weekend, wanneer werk of school dit overdag niet toelaat. Het uitbesteden van
gebruikelijke hulp aan derden of het inkopen van hulp op eigen kosten behoort eveneens tot de verantwoordelijkheid van het huishouden.
Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke hulp, weegt de
gemeente factoren mee zoals de aard, planbaarheid, omvang en duur van de benodigde ondersteuning. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin gebruikelijke
hulp niet of slechts in beperkte mate kan worden geleverd. Dat is bijvoorbeeld het geval
bij langdurige fysieke afwezigheid, wanneer huisgenoten door een beperking niet in staat zijn bepaalde taken uit te voeren, of bij (dreigende) overbelasting. In situaties van
overbelasting geldt dat werk en gebruikelijke hulp prioriteit hebben boven andere
activiteiten. Soms kan de gemeente kortdurend ondersteuning bieden om het huishouden in de gelegenheid te stellen de onderlinge taakverdeling aan te passen aan de nieuwe omstandigheden.
Dit artikel verduidelijkt daarmee dat de gemeente pas aanvullende ondersteuning vanuit de Wmo biedt wanneer objectief blijkt dat de huiselijke kring de noodzakelijke zorg en
huishoudelijke taken niet zelf kan dragen. Op die manier wordt de balans bewaakt tussen de eigen verantwoordelijkheid van inwoners en de inzet van publieke middelen. Artikel 7b. Primaat van verhuizen
In de Wmo wordt uitgegaan dat de gemeente een passende maatwerkvoorziening biedt wanneer een inwoner door een beperking niet in staat is om zijn/haar woning op een normale manier te gebruik. Daarbij kan het gaan om een woningaanpassing of een
verhuizing naar een meer geschikte woning. Het artikel legt vast dat de gemeente een
afweging maakt tussen beide mogelijkheden en dat verhuizen in sommige gevallen als de goedkoopste adequate oplossing kan worden gezien.
De kern van dit artikel is dat de gemeente steeds beoordeelt welke voorziening niet alleen passend, maar ook doelmatig en financieel verantwoord is. Als een woningaanpassing
duurder uitvalt dan een verhuizing, kan de gemeente het primaat van verhuizen hanteren. In deze verordening is een grensbedrag opgenomen: bij aanpassingen boven de € 15.000
wordt verhuizen in beginsel beschouwd als de goedkoopste adequate oplossing. Daarmee wordt duidelijkheid gegeven aan inwoners én aan de uitvoering.
Bij die afweging worden echter niet alleen de kosten meegewogen. Er spelen altijd ook
persoonlijke en praktische omstandigheden een rol. Zo kijkt de gemeente of er geschikte, aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen beschikbaar zijn en of die woningen
binnen een medisch verantwoorde termijn betrokken kunnen worden. Daarnaast wegen ook sociale factoren zwaar mee, zoals de binding van de inwoner aan de buurt of het
netwerk, en de gevolgen voor school, werk of mantelzorg. Ook de positie van de inwoner als huurder of eigenaar is relevant: een verhuizing kan eenvoudiger zijn bij een
huurwoning dan bij een koopwoning met een hypotheek. Verder worden zaken als
woonlasten, wooncomfort en de eigen wens van de inwoner meegenomen in de beoordeling.
Het primaat van verhuizen betekent dus niet dat inwoners verplicht worden te verhuizen zodra de kosten van een woningaanpassing boven een bepaalde grens uitkomen. Het
houdt in dat de gemeente dit als uitgangspunt neemt bij de beoordeling, maar altijd een integrale afweging maakt waarin zowel financiële als sociale en persoonlijke
omstandigheden meetellen. Alleen wanneer na die afweging verhuizen daadwerkelijk de goedkoopste en adequate oplossing blijkt, zal de gemeente dit als voorliggende voorziening beschouwen.
Artikel 7c. Vervoersvoorzieningen
De Wmo verplicht gemeenten om inwoners die vanwege een beperking niet zelfstandig
kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, te ondersteunen met een passende
vervoersvoorziening. Uitgangspunt is dat de gemeente alleen verantwoordelijk is voor het mogelijk maken van verplaatsingen binnen de directe woon- en leefomgeving. Dit zijn de verplaatsingen die noodzakelijk zijn om boodschappen te doen, sociale contacten te onderhouden, mantelzorg te ontvangen of deel te nemen aan verenigings- of
maatschappelijke activiteiten. Voor dit soort basisdeelname wordt een maximum van
1.500 kilometer per jaar gehanteerd. Daarmee wordt duidelijk dat het gaat om lokaal
vervoer en dat bovenregionaal of recreatief reizen in principe buiten de Wmo-voorziening valt.
Collectief vervoer
Daarnaast kan een inwoner gebruikmaken van het collectief vervoer (zoals Regiotaxi). Als de inwoner ook beschikt over een hulpmiddel voor kortere afstanden (bijvoorbeeld een scootmobiel of aangepaste fiets), wordt het aantal kilometers met collectief vervoer
doorgaans gemaximeerd op 750 kilometer per jaar. Dit voorkomt dat voorzieningen
dubbel gebruikt worden en stimuleert efficiënt gebruik. Toch is er ruimte voor maatwerk: als de inwoner gemotiveerd kan aantonen dat dit aantal kilometers niet volstaat om op
een aanvaardbaar niveau deel te nemen aan het maatschappelijk leven, kan de gemeente extra kilometers toekennen.
Artikel 7d. Voorwaarden en weigeringsgronden
Artikel 7d geeft richting aan de voorwaarden waaronder het college een
maatwerkvoorziening kan toekennen, maar ook wanneer dit niet mogelijk of wenselijk is. De bedoeling hiervan is om zorgvuldig om te gaan met publieke middelen en met andere wetten om ervoor te zorgen dat alleen die voorzieningen worden ingezet die daadwerkelijk bijdragen aan zelfredzaamheid en participatie.
Het uitgangspunt is dat de gemeente altijd de goedkoopst adequate voorziening toekent. Dit betekent dat er geen luxe of bovenmatige oplossingen worden vergoed, maar de
voorziening die passend en toereikend is binnen de situatie van de inwoner. Daarbij moet een maatwerkvoorziening veilig zijn, geen gezondheidsrisico’s opleveren en niet
belemmerend werken voor herstel of revalidatie. Verder wordt de doeltreffendheid
meegewogen: de voorziening moet aantoonbaar bijdragen aan het oplossen van de
hulpvraag en bij voorkeur gebaseerd zijn op methoden waarvan de werking bekend en onderbouwd is.
Artikel 7d somt ook een aantal weigeringsgronden op. Deze waarborgen dat de gemeente geen voorzieningen verstrekt waar al een andere wettelijke voorziening (zoals Zvw of Wlz) in voorziet, of wanneer de inwoner zelf al een voorziening heeft geregeld voordat de
melding of aanvraag is afgerond. Ook kortdurende situaties (korter dan zes maanden) vallen in principe buiten de Wmo, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om toch een
voorziening te verstrekken. Verder worden voorzieningen geweigerd wanneer zij niet
effectief blijken, wanneer de inwoner niet meewerkt aan het onderzoek of wanneer het gaat om woon- of verblijfssituaties die buiten de scope van de Wmo vallen (zoals recreatiewoningen of hotels).
Ook voor vervanging van eerder verstrekte voorzieningen gelden voorwaarden: een
nieuwe voorziening wordt pas verstrekt als de oude technisch is afgeschreven, verloren is gegaan buiten toedoen van de inwoner, of niet meer voldoet aan de actuele
ondersteuningsbehoefte. Dit voorkomt onnodige vervanging en stimuleert zorgvuldig gebruik.
Ten aanzien van woonvoorzieningen is er een aparte set weigeringsgronden. Deze
waarborgen dat geen maatwerkvoorziening wordt toegekend wanneer de problemen het
gevolg zijn van achterstallig onderhoud, ongeschikte materialen of een verhuizing die niet noodzakelijk of adequaat was. Ook geldt dat voorzieningen in gemeenschappelijke
ruimtes, of aanpassingen die bij nieuwbouw of renovatie eenvoudig meegenomen hadden kunnen worden, niet voor rekening van de Wmo komen. Verder wordt geen
woonvoorziening verstrekt als de inwoner niet daadwerkelijk in de betreffende woning woont of als er sprake is van een aanstaande verhuizing naar een Wlz-instelling.
Tot slot sluit het artikel aan bij het regionale beleid voor opvang en beschermd wonen:
deze voorzieningen worden geregeld conform de regels van de centrumgemeente Delft. Artikel 8. Advisering
Om tot een goede beoordeling van de melding te komen kan het college een extern
advies vragen. Bij wie dit advies wordt gevraagd hangt af van de verschillende stappen van het onderzoek. Het college zorgt ervoor dat die deskundigheid gewaarborgd is en
duidelijk is voor de inwoner. Bij het opvragen van advies worden de regels van de AVG in acht genomen.
Het college kan advies vragen bij: •
specialisten die werkzaam zijn bij landelijk werkende zorgaanbieders voor
zintuiglijke beperkingen (afspraak in kader van landelijk inkoop zintuiglijke beperkingen); • • •
medische specialisten werkzaam bij een adviesbureau; specialisten op terrein van woningaanpassingen;
overige specialisten of betrokkenen partijen in de zorg, te bepalen door consulent.
Het is nodig dat de inwoner meewerkt aan het onderzoek, zodat het college de
ondersteuningsbehoefte kan vaststellen. Het college informeert de inwoner over met welk doel er advies wordt gevraagd.
Het college vraagt de inwoner om toestemming voor het zelf eventueel delen van privacygevoelige informatie deelt met deskundigen. Mocht een inwoner geen
toestemming geven, kan daardoor een benodigd advies niet worden opgevraagd en kan
het zijn dat het college niet toekomt aan het vaststellen wat de ondersteuningsbehoefte is en dan geen maatwerkvoorziening verleent. Artikel 9. Maatwerkvoorzieningen
Volgens de Wmo 2015 is Beschermd Wonen het wonen in een accommodatie van een
instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie
van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke
overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner op anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
Bij Beschermd Wonen gaat het om de inwoner die een beschermende woonomgeving en
toezicht nodig heeft, maar voor wie er geen noodzaak is voor opname in een ziekenhuis of GGZ-instelling vanwege een psychiatrische behandeling.
Het kerndoel van verblijf op basis van ‘Beschermd Wonen’ is gericht op het creëren van de noodzakelijke voorwaarden om samenhangende zorg te kunnen leveren die in de
thuissituatie van de zorgvrager niet adequaat of niet effectief geleverd kan worden. De zorgbehoefte is niet op te lossen met een voorliggende voorziening, andere voorzieningen en/of extramurale zorg.
Bij ‘Beschermd Thuis’ gaat het om de burger die een beschermende woonomgeving en begeleiding nodig heeft. Het betreft die zorgvrager die vanwege de beperkingen op meerdere momenten van de dag begeleiding en toezicht nodig kan hebben. De
begeleiding vindt op afspraak plaats, maar kan ook ongepland noodzakelijk zijn en 24/7 ingeroepen worden door de zorgvrager.
Opvang wordt in de Wmo als volgt gedefinieerd: onderdak en begeleiding voor personen
die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht (met
gebruikelijke zorg, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale
netwerk) te handhaven in de samenleving. Opvang wordt verstrekt door het college van de gemeente tot welke de inwoner van Nederland zich wendt. Opvang omvat
‘maatschappelijke opvang’ (dag- , nacht- en 24 uursopvang) en ‘vrouwenopvang.
Nachtopvang en dagopvang valt onder de algemene voorzieningen; 24 uursopvang en vrouwenopvang vallen onder het maatwerk.
Delft is centrumgemeente maatschappelijke opvang en vrouwenopvang voor de regio Delft, Westland, Pijnacker-Nootdorp, Midden-Delfland.
Kerntaak van de maatschappelijke opvang is het bieden van tijdelijk verblijf aan mensen
zonder dak boven hun hoofd, gekoppeld aan zorg en begeleiding en/of het verhelpen van een crisis. Inwoners van de maatschappelijke opvang kampen vaak met meer, elkaar beïnvloedende problemen. Zo is er vaak sprake van een combinatie van dak- en thuisloosheid, justitieproblematiek, schulden, psychiatrische, somatische en/of
verslavingsproblematiek en/of werkeloosheid of het ontbreken van zinvolle dagbesteding.
Dit maakt de hulpvraag vaak complex en veelomvattend. De inwoners hebben hierdoor vaak te maken met instanties en hulpverleners uit verschillende maatschappelijke sectoren.
Resultaatgebieden:
Het college indiceert maatwerkvoorzieningen in resultaatgebieden (diensten) of in niet
diensten (materieel). De maatwerkvoorziening voor een resultaatgebied is nadrukkelijk
gericht op het versterken dan wel behouden van de zelfredzaamheid en mogelijkheden om mee te doen in de samenleving.
Via resultaatgericht indiceren geeft het college keuzevrijheid aan de inwoner, die invloed heeft op de wijze waarop de ondersteuning wordt ingevuld. Gecontracteerde aanbieders stellen samen met de inwoner het zorgplan op. De verantwoordelijkheid voor het
vaststellen van de ondersteuningsbehoefte ligt bij het college en niet bij de aanbieders.
Het opstellen en uitvoeren van een zorgplan dat aansluit op de ondersteuningsbehoefte in dat resultaatgebied is de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder.
Het college stuurt op het te behalen resultaat. De resultaten zijn gericht op het vergroten of behouden van zelf- (en samen) redzaamheid van de inwoners. Resultaatsturing
betekent dat het college de te behalen resultaten centraal stelt en niet de producten die ingezet worden om het resultaat te behalen.
Voorzieningen kunnen gericht zijn op meer dan één te behalen resultaatgebied. Per
resultaatgebied kan het college een andere trede (zorgzwaarte) indiceren. De treden van de inzet zijn onderscheidend van elkaar in termen van mate van zelfredzaamheid op het specifieke resultaatgebied. De trede wordt in het ondersteuningsplan aangegeven.
Indiceren wordt gedaan op basis van de resultatenmatrix die in de Nadere regels verder wordt geduid. De resultatenmatrix geeft richtlijnen waarop de resultaatgebieden en de intensiteit van de ondersteuningsvraag worden vastgesteld om de ondersteuningsbehoefte van de inwoner te bepalen.
De ondersteuning in de vorm van diensten vindt plaats in de vorm van een arrangement binnen één of meer van de volgende resultaatgebieden: • • • • • •
Sociaal en persoonlijk functioneren Financiën
Huisvesting
Dagbesteding
Ondersteuning en regie bij het huishouden Gezondheid
De resultaatgebieden bestaan uit verschillende intensiteiten (treden) die staan voor de zwaarte van de ondersteuningsvraag. De resultaatgebieden en intensiteiten vormen
samen een matrix waaruit arrangementen samengesteld kunnen worden. Het is mogelijk om voor ondersteuning in de hier genoemde resultaatgebieden meer voorzieningen te indiceren of aanvullende producten te indiceren.
De resultaten dienen als volgt te worden omschreven: “het te bereiken resultaat is altijd
gericht op het vermogen van de inwoners om zichzelf aan te passen en een eigen regie te voeren in het licht van de fysieke, sociale en emotionele uitdagingen van het leven.“ Voor de resultaatgebieden Sociaal en persoonlijk functioneren, financiën, huisvesting,
dagbesteding, ondersteuning en regie bij het huishouden en gezondheid wordt gebruik
gemaakt van de handleiding resultaatgericht werken voor het toekennen van het
arrangement. Hierin wordt ook geschreven naar doelen en resultaten waar de inwoner zich in kan herkennen.
Uitzondering op de resultaatbieden: voor inwoners met een zintuiglijke beperking is een aantal landelijke zorgaanbieders geselecteerd, die de ondersteuningsbehoefte in kaart
brengen en begeleiding bieden. Midden-Delfland geeft hiervoor wel de beschikking af en betaalt deze ondersteuning
Beschrijving van resultaatgebied 1 - Sociaal en persoonlijk functioneren
Het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren draagt ertoe bij dat de inwoner kan participeren in een sociale leefomgeving. Ondersteuning is gericht op het
(re)vitaliseren en onderhouden van een sociaal netwerk en omgeving, dat ondersteunend is bij maatschappelijke participatie (gericht op aspecten die niet in de inwoner gelegen zijn). Ondersteuning op dit resultaatgebied kan onder meer gericht zijn op: •
het plannen en organiseren van dagelijkse activiteiten: onder het plannen,
aanleren en organiseren van de dagelijkse activiteiten vallen activiteiten zoals het nakomen van afspraken, het hebben van een gezond dag- en nacht ritme en het uitvoeren van complexere dagelijkse activiteiten •
het opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk, de (betekenisvolle) relaties met vrienden, familie, kennissen en mantelzorgers
•
het hebben van gezonde relaties met de personen en gezinsleden met wie de
inwoner een huishouden deelt. Het verlichten van de druk die de mensen in het steunsysteem ervaren in relatie tot de problematiek van de inwoner •
maatschappelijk herstel gericht op deelname in de maatschappij
Beschrijving van resultaatgebied 2 - Financiën
Ondersteuning in resultaatgebied Financiën richt zich op het creëren van overzicht en controle op een gezonde financiële huishouding. Ondersteuning binnen dit resultaatgebied kan onder meer gericht zijn op: • • • • •
het op orde krijgen en houden van administratie;
het uitgavepatroon in balans brengen en houden waardoor schulden verminderen; het genereren van inkomen dat aan basisbehoeften voldoet, zonder uitkering; het organiseren van adequaat financieel beheer;
het toeleiden naar andere voorzieningen met betrekking tot de financiën (om stabiliteit te behouden).
Beschrijving van resultaatgebied 3 - Huisvesting
Het resultaatgebied Huisvesting draagt ertoe bij dat inwoners een betaalbare en geschikte huisvesting hebben en kunnen houden. Hulp is onder meer gericht op een veilige,
toereikende en (waar mogelijk) autonome huisvesting, die past bij de beperking die
iemand mogelijk heeft. Ondersteuning binnen dit resultaatgebied kan onder meer gericht zijn op: •
het ondersteunen bij het vinden en behouden van een geschikte/gepaste woonruimte
•
het aanleren van bewonersvaardigheden (goede omgang met buren)
• •
het niet geven van overlast
het aanleren van vaardigheden om zelfstandig te kunnen wonen
Beschrijving van resultaatgebied 4 - Dagbesteding
Het resultaatgebied dagbesteding draagt ertoe bij dat inwoners op zinvolle wijze de
dagen (kunnen) invullen met ondersteuning. Dagbesteding kent verschillende vormen van ondersteuning. Denk bijvoorbeeld aan groepsactiviteiten, maar ook het toeleiden naar vrijwilligerswerk of nuttige activiteiten. Ondersteuning binnen dit resultaatgebied kan onder meer gericht zijn op: •
het ontwikkelen van de vaardigheden van de inwoner die de mogelijkheden om te participeren binnen de samenleving vergroot;
• •
waar mogelijk de inwoner toeleiden naar andere (arbeids)mogelijkheden;
het bieden van een dagprogramma/dagbesteding waaraan inwoners kunnen
deelnemen als zij niet in staat zijn om zelfstandig hun dag in te vullen, waarbij het maximale uit de inwoner wordt gehaald. •
het ontlasten van de mantelzorger.
Beschrijving van resultaatgebied 5 - Ondersteuning en regie bij het huishouden
Het resultaatgebied ondersteuning en regie bij het huishouden draagt ertoe bij dat
inwoners verantwoord zelfstandig kunnen blijven wonen. Ondersteuning binnen dit resultaatgebied kan onder meer gericht zijn op: •
het creëren en/of behouden van een gezonde, schone, veilige huishouding en op het zelfstandig kunnen voeren van regie;
•
het schoon en leefbaar houden van de dagelijkse gebruiksruimten, - zoals
woonkamer, slaapkamer, toilet, keuken, badkamer en de gangen daarnaartoe -, en het beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en schoon beddengoed; •
het organiseren van het huishouden en de dagelijkse activiteiten die daarbij horen – zoals het verzorgen van boodschappen en maaltijden – en extra schoonmaaktaken om bijzondere redenen;
•
het organiseren van het huishouden en de dagelijkse activiteiten die daarbij horen
–zoals het verzorgen van boodschappen en maaltijden- en de tijdelijke verzorging van kinderen tot 12 jaar (de kindzorg).
Onder de maatwerkvoorziening hoort niet het schoonmaken van de tuin, het balkon, zolder en de berging. Als mensen zelfstandig samenwonen op één adres en
gemeenschappelijke ruimtes delen, wordt verwacht dat het aandeel in het schoonmaken
van de gedeelde ruimtes bij uitval van één van de bewoners wordt overgenomen door één van de anders bewoner(s). Het resultaatgebied ondersteuning en regie bij huishouden heeft alleen betrekking op de eigen woonruimte(n) van de inwoner. In geval van
kamerverhuur is de (mede) huurder geen huisgenoot van wie gebruikelijke zorg wordt
verwacht. Huishoudelijke hulp is niet aan de orde in vakantiewoningen, tweede woningen en hotels/pensions.
Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten
worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau te behalen. In de Nadere regels kan het college dit
verder duiden. zoals geformuleerd in het H4 Normenkader Ondersteuning en Regie bij
huishouden en de Kwaliteitsnormering Schoon en leefbaar op basis van NEN2075 van de Vereniging Schoonmaak Research.
Het resultaatgebied ondersteuning bij huishouden maakt langer zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving mogelijk. Hierbij zijn de persoonlijke situatie en de wens van de
inwoner leidend. Zo wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met extra vervuiling van de
gebruiksruimten vanwege het inpandig gebruiken van een rolstoel of incontinentie. In het
zorgplan kan de zorgaanbieder in afstemming met de inwoner een indicatie geven van de tijdsbesteding om tot het resultaat te komen.
Beschrijving van resultaatgebied 6 - Gezondheid
Het resultaatgebied gezondheid draagt ertoe bij dat inwoners noodzakelijke lichamelijke en/of geestelijke behandeling ontvangen. Daarnaast kan binnen dit resultaatgebied
aandacht besteed worden aan de uitvoering van de persoonlijke hygiëne. Ondersteuning binnen dit resultaatgebied omvat onder andere: • • • •
toeleiden naar behandeling; behandeltrouw zijn;
de verlengde arm van de behandelaar zijn; ontlasting van de mantelzorger.
Overige maatwerkvoorzieningen:
Kortdurend Verblijf, ook wel logeeropvang genoemd, is tijdelijke verblijfszorg die het college kan bieden ter ontlasting van de mantelzorger. Het betreft thuiswonende
inwoners, die tijdelijk in een instelling verblijven om de mantelzorger te ontlasten. Het
betreft inwoners die permanent toezicht nodig hebben. Het toezicht kan gericht zijn op: •
het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig kan worden ingegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar en/of complicaties bij een ziekte;
•
het verlenen van zorg op frequente en/of ongeregelde tijden, omdat de inwoner zelf niet (meer) in staat is om hulp in te roepen;
•
het preventief ingrijpen bij gedragsproblemen (voorkomen van escalatie en gevaar).
De zorg omvat de benodigde begeleiding, bescherming, huisvesting alarmering en servicekosten
(inclusief drinken en maaltijden) als dat niet declarabel is bij de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Eventuele verpleging kan tijdens kortdurend verblijf plaatsvinden en valt onder de Zvw. Begeleiding kan bestaan uit: • • •
het in groepsverband ondernemen van dagactiviteiten;
het in groepsverband toepassen van sociale vaardigheden; het ontlasten van de thuissituatie.
Behandeling behoort nadrukkelijk niet bij Kortdurend Verblijf.
Op dit moment ligt het mandaat voor kortdurend verblijf bij Pieter van Foreest in geval van verblijf bij Strandgoed. Het onderzoek wordt in de meeste gevallen niet door het college gedaan, maar door de aanbieder. De voortgang wordt jaarlijks geëvalueerd.
Wanneer niet via het mandaat onderzocht wordt zal de Wmo-consulent de afweging
maken of er sprake is van het bieden van respijtzorg in kader van de Wmo. Respijtzorg is
zorg die kan worden ingezet om de mantelzorg tijdelijk te ontlasten. Bijvoorbeeld bij ziekte van de mantelzorger of als de mantelzorger op vakantie is.
De consulent hanteert hierbij de afbakening met de Zvw en de Wlz.
Als een inwoner deelneemt aan een ontmoetingscentrum en tijdelijk gebruik maakt van
Kortdurend Verblijf, dan is deelname aan het ontmoetingscentrum gedurende het verblijf niet toegestaan. Dit in verband met de stapeling van ondersteuning.
De inwoner is zelf verantwoordelijk voor vervoer naar kortdurend verblijf. Hij kan hiervoor gebruik maken van eigen vervoer of van hulp uit het eigen sociale netwerk. Wanneer de
inwoner beperkingen heeft op het gebied van vervoer zal hij doorgaans in het bezit zijn
van een vervoerspas voor de Regiotaxi, waarmee hij zich naar de instelling kan vervoeren. Ontmoetingscentra richten zich op ondersteuning van mantelzorgers en mensen met
dementie, chronische somatische en psychische klachten om overbelasting te voorkomen. Met de ontmoetingscentra kan ook een soepele overgang naar de Wlz mogelijk zijn
zonder van locatie te hoeven veranderen. Er wordt gewerkt volgens de bewezen effectieve interventie.7 •
er is toegang zonder indicatie mogelijk tot zes dagdelen. Dit onderzoekt loopt via Pieter van Foreest, Florence, Senna, Careyn en Woonzorg Haaglanden.
•
bij de volgende aanbieder dient er via de gemeente een onderzoek te worden gedaan: Cardia
•
boven de zes dagdelen dient er een indicatie te worden afgegeven door de gemeente.
Ook kan een inwoner toegang krijgen tot ontmoetingscentra in de vorm van wendagen. Wendagen zijn bedoeld om de periode te overbruggen naar een regulier gebruik van
ontmoetingscentra als maatwerkvoorziening. Dit geldt niet voor aanbieders die leveren vanuit de algemene voorziening. Woonvoorzieningen
Een locatie die bestemd is voor doelgroepen (bijvoorbeeld woonservicelocatie) dient door de verhuurder bouwtechnisch geschikt gemaakt te worden voor de verhuur aan de doelgroep.
Het aanpassen van dit soort gebouwen zal gebeuren conform de afspraken zoals die door het college gemaakt zijn of worden met de (toekomstige) eigenaar van deze woningen.
Indien een individuele maatwerkvoorziening nodig is, kan de inwoner contact opnemen met de Wmo-consulent van de gemeente Midden-Delfland en deze zal de melding onderzoeken en beoordelen. Vervoer
Alleen regionale vervoersbehoefte komt in aanmerking voor Wmo ondersteuning, als de inwoner voldoet aan de voorwaarden. Voor bovenregionaal vervoer wordt door het
Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys is aanvullend op de door de Wmo op te lossen beperking en valt buiten de verantwoordelijkheid van het college.
Regiotaxi
Een algemene voorziening voor alle inwoners van Midden-Delfland is de Regiotaxi. De
Regiotaxi is een vraagafhankelijk collectief vervoerssysteem van deur tot deur en van deur tot halte en andersom. Inwoners kunnen een rit aanvragen, waarbij de gewenste
vertrektijd en de herkomst en bestemming aan een centrale worden doorgegeven. De
Regiotaxi voert de rit uit waarbij rekening wordt gehouden met een marge van vertrek en een maximale omrijtijd.
Met de Regiotaxi reist de inwoner vanaf thuis gerekend maximaal 25 kilometer. Met de Wmo vervoerspas krijgt de inwoner korting. Deze korting geldt voor maximaal 1700 kilometer per jaar.
Als de inwoner in een kalenderjaar meer wil reizen, dan kan dat tegen de normale prijs voor de Regiotaxi. De inwoner kan een loophulpmiddel (loophulpmiddel, rolstoel of
scootmobiel ) meenemen met de Regiotaxi. Ook kan een reiziger (tegen het OV-tarief)
meereizen. Een begeleider kan gratis meereizen als de begeleiding benodigd is omdat de inwoner niet zelfstandig kan reizen. Een OV-begeleidingskaart kan worden aangevraagd bij Argonaut, die de regeling landelijk uitvoert.8
Inwoners die geen indicatie hebben voor een Wmo vervoerspas kunnen ook reizen met Regiotaxi. Zij betalen het normale tarief. En kunnen een vervoerspas aanvragen bij Regiotaxi.
Aanvullende producten
Naast arrangementen op grond van de resultaatgebieden kan door het college een aantal producten aanvullend geïndiceerd worden. Dit betreft: •
Maaltijdvoorziening: het bereiden en klaarzetten van een maaltijd. Toezicht op het gebruik van de maaltijd. Deze voorziening is niet gekoppeld aan een perceel.
•
Vervoer: het vervoeren van een persoon met of zonder rolstoel. Ten behoeve van diverse resultaatgebieden en Kortdurend Verblijf en ontmoetingscentra.
•
Niet acute zorg buiten kantoortijden: ten behoeve van diverse resultaatgebieden o o
• •
het bereikbaar zijn voor inwoners 24 uur per dag.
onplanbare zorg is acute zorg buiten kantoortijden
Wasverzorging: ten behoeve van een schoon en leefbaar huis.
Waakvlam: ten behoeve van diverse resultaatgebieden: periodiek contact ten behoeve van nazorg door bekende begeleider ter voorkoming en het vroeg signaleren van terugval.
•
Toeleiding naar passende dagbesteding: inwoner toeleiden naar een passende vorm van dagbesteding
•
Kindzorg: Het tijdelijk overnemen van de reguliere verzorging van een gezond
kind tot 12 jaar bij uitval van de ouder(s) en de afwezigheid van informele zorg en algemene gebruikelijke of andere voorzieningen. Kindzorg wordt afgenomen op factuurbasis en niet in een trede geïndiceerd. •
Wendagen: ten behoeve van Perceel 8. Bedoeld om de periode te overbruggen naar een regulier gebruik ontmoetingscentra als maatwerkvoorziening. Dit geldt niet voor aanbieders die leveren vanuit de algemene voorziening.
Artikel 10. Algemene voorzieningen
Het college biedt als algemene voorziening verblijf overdag in ontmoetingscentra aan. Hiervoor geldt geen eigen bijdrage.
Via gebruik van een ontmoetingscentrum moet een soepele overgang naar de Wet
langdurige zorg mogelijk zijn zonder van locatie te hoeven veranderen. Inwoners met
dementie maken gebruik van een ontmoetingscentrum. Het is ook mogelijk dat inwoners waarbij (nog) geen dementie is vastgesteld of met chronische, complexe somatische aandoeningen van een ontmoetingscentrum gebruik maken. De ondersteuning vanuit ontmoetingscentra bestaat uit: •
wenperiode en ondersteuning van de mantelzorger: kennis maken met het gebruik van de ontmoetingscentra. De kennismaking is tijdelijk en bestaat uit ongeveer twee tot zes weken met de inzet van tien dagdelen, waarbij bij de start contact wordt gezocht met de Wmo-consulent van de gemeente
•
reguliere deelname: na indicatie door de gemeente, reguliere deelname aan de ontmoetingscentra.
Het gaat hierbij om tijdelijke of aanvullende hulp, zonder dat er een uitgebreid Wmo-
onderzoek of maatwerkvoorziening nodig is. Dit biedt inwoners laagdrempelige vormen van tijdelijke preventieve ondersteuning, gericht op het ontlasten van mantelzorgers en het bevorderen van langer zelfstandig thuis wonen. Artikel 11. Inhoud beschikking
Een beschikking is een officieel besluit van het college dat aangeeft welke hulp een
inwoner ontvangt. Op grond van de Wmo9 is het nodig dat het college binnen twee weken na de aanvraag de beschikking aan de inwoner kenbaar maakt. In de beschikking vermeldt het college de bezwaarmogelijkheden.
Het college neemt niet de hoogte van de eigen bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen.
De geldigheidstermijn van de indicatie wordt bepaald door het college. Als de aanbieder tijdens of na het opstellen van het zorgplan vermoedt dat bepaalde aspecten in het
ondersteuningsplan ontbreken of niet blijken te kloppen, dan heeft aanbieder de ruimte om hierover in overleg te gaan met het college. Ook als de inwoner het niet eens kan
worden met de zorgaanbieder, zal overleg plaatsvinden met het college. Deze beoordeelt dan wat de passende oplossing is.
Artikel 12. Zorgplan
Een inwoner heeft keuzevrijheid in het kiezen van een aanbieder. Bij het onderzoek houdt het college rekening met de wensen, de mogelijkheden en de situatie van de inwoner en met specialisatie van aanbieders, om de inwoner als dat nodig is naar de juiste
zorgaanbieder te kunnen begeleiden. Als een inwoner uit verschillende resultaatgebieden ondersteuning nodig heeft, wordt bij voorkeur gekozen voor een aanbieder die meer percelen kan aanbieden.
Naar aanleiding van het ondersteuningsplan, stelt de gecontracteerde aanbieder met de
inwoner samen met de inwoner het zorgplan op. Het zorgplan beschrijft concreet wat er gedaan wordt om het resultaat te bereiken en welke activiteiten moeten worden verricht
om het resultaat te bereiken, en met welke frequentie de activiteiten moeten worden
verricht. De inwoner geeft hierop een akkoord. Dit zorgplan stuurt de aanbieder binnen