Ontwikkelperspectief NOVEX-gebied Regio Groningen-Assen
Tekst van het document
De invloed op de hoofdopgaven Wonen en Werken is echter beperkt, vanwege de focus op de periode tot 2030 en 2040. In de Uitvoeringsen Investeringsagenda wordt t.z.t., waar nodig, nadere invulling gegeven aan de gevolgen van de spoorse projecten voor dit NOVEX-gebied. Het ontwikkelperspectief Lelylijn is een aparte uitwerking met een eigen traject, zie hiervoor de bijlage.
3.
Meer en verder fietsen en ruimte voor lopen
De fiets heeft al een belangrijke positie bij vervoerskeuzes in stedelijk gebied en draagt bij aan betere bereikbaarheid, leefbaarheid en gezondheid. Op regionaal niveau liggen er kansen om het gebruik van de fiets voor de iets langere afstanden te stimuleren. We willen het systeem van doorfietsroutes (vanuit grotere kernen in de RGA een snelle fietsroute naar Groningen en/of Assen) verder uitbreiden. De fiets speelt een belangrijke rol in gebiedsontwikkeling en in voor- en natransport voor wie met een auto of OV reist. Onderzoek laat zien dat juist de combinatie van fiets en OV op veel plaatsen in de RGA concurrerend is of kan worden ten opzichte van de auto. Het fenomeen fietsfile is in Groningen geen onbekend begrip. Er zijn extra maatregelen nodig voor de capaciteit en veiligheid in het fietssysteem in steden of dorpen. Stallingscapaciteit hoort hier vanzelfsprekend ook bij. We mogen niet uit het oog verliezen dat de fiets een belangrijke rol speelt bij de verplaatsing tussen dorpen. OV is hiervoor lang niet altijd een alternatief. De fiets kan hier een oplossing bieden, al dan niet als onderdeel van de vervoersketen. We zetten in op de schoonste en compactste vorm van mobiliteit: te voet. Dit is goed voor de gezondheid en sociaal contact op straat.
Het investeren in goede looproutes kan samengaan met het ontwikkelen van groenblauwe netwerken die stedelijk gebied en landschap verbinden [zie ook Landschappelijke verbindingen van stad en dorp naar natuur nabij onder Groen].
4.
Inzetten op verschillende types hubs, keten- en deelmobiliteit en stadslogistiek
Om de mobiliteitstransitie te bevorderen, is het strategisch om slim in te spelen op de opkomst van deelmobiliteit en verduurzaming. Een oplossingsrichting is het uitbreiden van het systeem van P+R’s als scharnier tussen stedelijk gebied en de regio. Een scharnier tussen het stedelijke mobiliteitsprofiel (lopen, fietsen en OV) en de regio, met minder dekking en draagvlak voor OV en waar de afstanden niet altijd fietsbaar zijn. De daadwerkelijke ontwikkeling is altijd maatwerk, maar er zijn drie typen ‘hubs’ kansrijk: regiopoorten, herkomsthubs en stadslogistieke hubs.
Regiopoorten. Regiopoorten vormen de toegang voor stedelijke gebieden. Hier organiseren we de overstap op deelmobiliteit. De afgelopen jaren zette de Regio in op de ontwikkeling van mobiliteitshubs aan de rand van stedelijk gebied in combinatie met P+R’s. Deze plekken zijn multimodaal bereikbaar, waardoor ze als punt van aankomst voor bezoekers functioneren. Stedelijke voorzieningenclusters groeien zo op plekken waar ze bereikbaar zijn vanuit de regio, zonder het hoofdstation te belasten. In de komende jaren zet de Regio in op het verder ontwikkelen van deze plekken. Ze vervullen niet alleen voor ingaande, maar ook voor uitgaande verplaatsingen een rol. Bijvoorbeeld door in te zetten op het aanbieden van deelmobiliteit op deze plekken, waardoor juist in stedelijk gebied de dominantie van de auto in de publieke ruimte vermindert.
Herkomsthubs. Met het uitrollen van het Q-link- en Qlinernetwerk per kern zijn centrale hubs in de Regio ontwikkeld met voorzieningen om van eigen vervoer over te stappen op het HOV-netwerk. Ook hier willen we deelmobiliteit organiseren. Daarmee verminderen we ook in dorpen de dominantie van de (tweede) auto. Zo vervullen deze hubs een dubbele functie. We stimuleren mensen om voor het HOV in plaats van de auto te kiezen. Dit verlaagt de druk op de stedelijke netwerken én biedt meer keuzevrijheid qua mobiliteit en slimmer ruimtegebruik in dorpen. Bovendien bieden deze plekken kansen voor onderwijs en werkgelegenheid. De hubs vormen een schakel tussen de
Mobiliteit in de RGA in 2040
RGA
Duurzaam, comfortabel en gezond reizen als basis. Duurzame verplaatsingen per OV en fiets als voorkeur en plek voor de auto waar nodig, al dan niet in de vervoersketen. Slimme, nieuwe technologie toepassen waar nuttig en mogelijk. gebieden met grote afstanden, waar mensen vaak de auto (moeten) pakken, en de concentratiegebieden met veel werk, onderwijs en voorzieningen. Door in te zetten op goede, veilige routes vanuit de omringende kleinere dorpen naar deze lokale hubs, nodigen we mensen uit om over te stappen op het openbaar vervoer. De herkomsthubs vervullen ook een sleutelrol in de ketenreis vanuit een groot deel van NoordNederland. Denk hierbij aan al het verkeer dat via de A7 vanuit Friesland en verder bij P+R Leek A7 over kan stappen op OV, of vanaf de A28 vanuit Drenthe bij de P+R Haren. Naast deze centrale hubs liggen er uiteraard kansen voor bijvoorbeeld deelmobiliteit en laadinfra op het fijnmaziger netwerk van dorps- en wijkhubs en de overige (H)OV-haltes.
Stadslogistieke hubs. Uit oogpunt van gezondheid en leefbaarheid is het streven in vooral het stedelijke gebied van Groningen en Assen om de stadslogistiek emissievrij te krijgen. Tegelijkertijd hebben we te maken met een veranderende economie. Steeds meer goederen worden rechtstreeks naar inwoners verscheept (meer online, minder retail). Ook de transitie naar een circulaire economie leidt tot meer logistieke bewegingen waarvoor slimme ruimtelijke oplossingen nodig zijn. Hier is denkbaar dat bedrijventerreinen aan stadsranden als ‘city ports’ functioneren. Plekken waar grote stromen aankomen om vervolgens via een fijnmazig stadsdistributienetwerk effectief en schoon hun weg te vervolgen [zie ook Onderzoek locatie stedelijke distributie onder Werken].
5.
Hoofdstructuur op orde
Het systeem van hubs en het terugdringen van auto’s in binnenstedelijk gebied, vraagt om een stedelijke ring van Groningen die goed op orde is en een functie krijgt als verdeelring of rotonde van de Regio. Zo’n stedelijke ring draagt bij aan de bereikbaarheid en leefbaarheid van de stad Groningen. Met de aanpak van de noordelijke, oostelijke en zuidelijke ring wordt hier al aan gewerkt. De westelijke ring maakt onderdeel uit van een uit te voeren MIRT-onderzoek naar de ontsluiting van de westflank van de stad. De studie heeft ook betekenis voor de ontsluiting van een groot deel van de Regio. De toegangswegen vanaf de ring naar belangrijke bestemmingen moet op orde zijn of komen. De hubs (regiopoorten) aan de randen van de stad Groningen worden belangrijker in het regionale mobiliteitssysteem. Hier komen auto’s, OV en fiets samen langs de invalswegen. Ook op de schaal van kernen als Leek en Hoogezand-Sappemeer willen we het autoverkeer verschuiven richting nieuwe of te verbeteren randwegen. Daardoor lossen we knelpunten in de kernen op en verbeteren we leefbaarheid, verblijfskwaliteit en veiligheid. Bijkomend effect is de toenemende aantrekkelijkheid van verplaatsingen te voet, op de fiets of met het OV. De extra woningbouw en arbeidsplaatsen uit de Verstedelijkingsstrategie hebben invloed op de mobiliteit.
Hoe kunnen we deze effecten opvangen? Nader onderzoek hiernaar is noodzakelijk. Een eerste verkenning naar de effecten op het hoofdwegennet laat zien dat het in 2040 op sommige plekken drukker wordt ten opzichte van 2020. Het is nog niet duidelijk of er effecten zijn op de onderliggende structuur en zo ja, wat die effecten dan zijn. Dat geldt ook voor de effecten van de eerder genomen OV-schaalsprong.
6.
021
Inzet op slimme mobiliteit
Hiervoor schetsten we een kort beeld van denkbare maatregelen voor verplaatsingen te voet, op de fiets, met het OV, de auto en via hubs. Hiervoor zetten we in op het gebruik van slimme technieken. Zo willen we een bijdrage leveren aan veiligere en/of duurzamere mobiliteit, een betere bereikbaarheid en/of een comfortabelere reis. Er wordt in de Regio bijvoorbeeld al gewerkt aan het faciliteren van autonoom vervoer. Hoewel de toekomst zich lastig laat voorspellen, verwachten we op dit vlak zeker mogelijkheden. Mogelijk draagt autonoom vervoer eraan bij dat slecht bereisbare plekken in de Regio toegankelijker worden. Het kan ook betekenen dat het gebruik c.q. capaciteit van het spoor vergroot wordt. Deelmobiliteit en MaaS zijn de laatste jaren in opkomst. Als het lukt om een deel van de eigen auto’s te vervangen door (elektrische) deelauto’s, dan komt er veel openbare ruime vrij. Real time informatie over de reistijd en (variabele) kosten kan tot andere keuzes, optimalere routes of andere vertrekmomenten leiden. De kaart toont de belangrijkste netwerken op de schaal van de Regio. We bouwen het bestaande HOV-netwerk verder uit. De mobiliteitsknooppunten groeien in overstapmogelijkheden en deelmobiliteit.
Mobiliteit in de RGA in 2040 De kaart toont op schaal van de regio de belangrijkste netwerken. Het bestaande HOV-netwerk wordt verder uitgebouwd. De mobiliteitsknooppunten groeien in overstapmogelijkheden en deelmobiliteit.
Strategische opgaven in kaart 1.
Ruimtelijke keuzes Potentie knooppuntontwikkeling
2. (Regionale) schaalsprong in het OV Onderzoeken mogelijkheden nieuwe stations Onderzoek verbeteren tangentieel systeem MIRT onderzoeken Lelylijn en Nedersaksenlijn 3.
Meer en verder fietsen en ruimte voor lopen Verbeteren (door)fietsroutes Ruimte voor voetgangers in stad en dorp
4. Inzetten op verschillende types hubs, keten- en deelmobiliteit Regiopoorten voor toegang stedelijk gebied en organiseren overstap op deelmobiliteit Lokale herkomst-hubs Zoekgebied locatie stedelijke distributie 5. Hoofdstructuur op orde Onderzoeken infrastructuur beter inpassen in stedelijk weefsel Ring als rotonde van de regio 6. Inzet op slimme mobiliteit Intercity treinstations Sprinter treinstations Q link- Q liner route (Snel)wegen Groningen Airport Eelde Er lopen aparte MIRT-onderzoeken voor de Lelylijn (ook NOVEX-gebied, zie bijlage II) en Nedersaksenlijn. Realisatie hiervan is nog onzeker. Daarom is gekozen voor een indicatieve visualisatie op deze kaart. Ook voor de Wunderline en verbetering bestaand spoor lopen aparte onderzoeken.
RGA 022
Groen in de RGA in 2040
RGA
De steden en dorpen zijn niet ‘vol’ en het landschap is niet ‘leeg’; allemaal vragen ze aandacht voor vergroening. We versterken onderlinge verbindingen. Uitwerking ontwikkelprincipes De koers zet in op verdichten, vergroenen en verduurzamen. Op schaal van de woning en de buurt, maar ook regionaal [Principe 1. Bestaand verstedelijkt gebied versterken]. Groen groeit mee met de opgaven voor verstedelijking en dorpsontwikkeling in de regio. Hierbij is het bestaande landschap leidend. De opgave op regionaal niveau is de biodiversiteit versterken, door onder andere natuur- en recreatiegebieden beter te verbinden. Daarnaast willen we het buitengebied beter bereikbaar en toegankelijk maken en landschappen beter met elkaar verbinden. Groenblauwe structuren dooraderen daarbij landelijk en stedelijk gebied. We geven randvoorwaarden mee voor de verstedelijking waarmee het groenblauwe netwerk uitgebouwd kan worden [Principe 6. Hefboom voor herstructurering]. Ons uitgangspunt: aantrekkelijk groen om te spelen, ontspannen, elkaar te ontmoeten, te bewegen en te sporten, is voor iedereen nabij. Door dit ‘groen nabij’ te verbinden met grote parken en prachtig landschap daarbuiten, ontstaan waardevolle netwerken die de regio aantrekkelijk en leefbaar houden [Principe 2. Agglomeratiekracht vergroten].
Natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen is in de toekomst een vanzelfsprekend onderdeel van het bouw- en ontwikkelproces. De Verstedelijkingsstrategie heeft logische dwarsverbanden met de regionale adaptatiestrategie en regionale energiestrategie [Principe 7. Samenwerken aan een duurzame regio]. In de regio spelen forse opgaven rondom natuur en landbouw, die beide provincies in hun provinciale plannen landelijk gebied aanpakken en verder uitwerken.
023
In onder andere het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie en de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is opgenomen dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust moet zijn ingericht. Om dit doel te kunnen bereiken moet het water- en bodemsysteem (inclusief de ondergrond) sturend worden bij ruimtelijke planvorming. Dit uitgangspunt is opgenomen in diverse beleidstukken, waaronder de NOVI en de provinciale Omgevingsvisie. Daarnaast heeft het Rijk op 25 november 2022 de kamerbrief Water en Bodem sturend gepresenteerd, waarin uitgangspunten en structurerende keuzes zijn opgenomen. Het doel van het principe water en bodem sturend is meervoudig: het ruimtegebruik op lange termijn minder kwetsbaar maken voor weersextremen als gevolg van klimaatverandering, het beschermen van onze watervoorraden, de (grond)waterkwaliteit en de biodiversiteit en het tegengaan van onomkeerbare effecten van bodemdaling. Water en bodem sturend voor de ruimtelijke planvorming betekent dat we met de functie en het ruimtegebruik zo veel mogelijk aansluiten bij de natuurlijke kenmerken van het water- en bodemsysteem. Autonome ontwikkeling door klimaatverandering en bodemdaling Het functioneren van het water- en bodemsysteem loopt nu al tegen grenzen aan.
Droogte op de zandgronden, verzilting van grond- en oppervlaktewater in het kustgebied en voortgaande oxidatie van het nog resterende veenpakket door peilverlaging. Klimaatverandering en verdergaande bodemdaling zullen in de nabije toekomst aanleiding geven tot nog verdergaande veranderingen in het wateren bodemsysteem. De veranderende condities zullen de problemen bij huidige functies vergroten en zullen moeten worden meegewogen bij de planning en inrichting van eventuele nieuwe functies. Dit vraagt om besluitvorming met een doorkijk naar de lange termijn, waarbij al zo goed wordt ingeschat wat de impact zal zijn van het veranderende wateren bodemsysteem op de aanwezige of geplande functies. Voor besluiten gericht op de langere termijn is het van belang om in ieder geval te kijken naar 2050 als zichtjaar en waar mogelijk naar 2100.
In de RGA komen zanden zeekleilandschap elkaar tegen
Opgave veenoxidatie (CO2uitstoot) in laagveengordel
Er liggen kansen om het zoetwatersysteem meer zelfvoorzienend te maken.
Groenplan 2030
Voortbouwen op lokale groenplannen: groenblauwe netwerken verbinden groen om de hoek met het landschap
Analysekaart Groen: de RGA in context
Groen in de RGA in 2040
RGA
De steden en dorpen zijn niet ‘vol’ en het landschap is niet ‘leeg’; allemaal vragen ze aandacht voor vergroening. We versterken onderlinge verbindingen.
Concept ruimtelijk afwegingskader en landelijke maatlat Het rijk ontwikkelt een ‘ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ en heeft de ‘Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ ontwikkeld. Het ruimtelijk afwegingskader geeft antwoord op de vraag waar, gegeven de risico’s vanuit het water- en bodemsysteem, het beste gebouwd kan worden en onder welke voorwaarden. De landelijke maatlat geeft aan hoe er klimaatbestendig ingericht en gebouwd kan worden. Hoe beter de locatiekeuze met het oog op het water- en bodemsysteem, hoe makkelijker het ook zal zijn om een gebied klimaatadaptief in te richten en daarmee te voldoen aan de landelijke maatlat. Er is sprake van samenhang. PPLG (Provinciaal Programma Landelijk Gebied) De provinciale programma’s voor het landelijk gebied geven invulling aan de door het Rijk in het NPLG geformuleerde opgaven voor natuur, water, klimaat en stikstofreductie. Deze opgaven behelzen onder andere de versterking van de soortenrijkdom, zoetwaterbeschikbaarheid en -kwaliteit, biodiversiteit, groenblauwe dooradering en klimaatverandering. Het werken aan deze opgaven doen de provincies in samenhang met aandacht voor leefbaarheid en de sociaal-economische situatie.
024
koppeling kan gevonden worden in de zoektocht naar andere verdienmodellen in het landelijk gebied gericht op toerisme en recreatie, ook wel agrotoerisme genoemd. Ook de groenblauwe dooradering van bebouwde gebieden biedt kansen. De PPLG’s worden verder uitgewerkt in deelgebiedsplannen. De provincies hebben in hun in hun PPLG’s een indeling gemaakt in verschillende deelgebieden. In veel van de deelgebieden is en blijft de landbouw een belangrijke (economische) functie houden. Duidelijk is dat er bijvoorbeeld in het Drentsche Aa gebied een stapeling van opgaven lijkt te ontstaan. In diverse deelgebieden kan ook de groenblauwe dooradering versterkt worden. Bovendien zijn rondom de stad Groningen diverse zoekgebieden voor (nieuw) bos. Zeker op de overgangsgebieden van bebouwd naar niet-bebouwd gebied raken de hoofdopgaven in het NOVEX-gebied en de (aanpak van de) provinciale plannen landelijk gebied elkaar. Ontwikkelingen in het stedelijke gebied kunnen ook invloed hebben op het halen van de doelen in het landelijk gebied, bijvoorbeeld als het gaat om natuurherstel (NOx reductie) en de waterkwaliteit. Andersom kunnen ontwikkelingen in het landelijk gebied invloed hebben op ontwikkelingen in de steden en dorpen. Het is zaak om als RGA waar mogelijk aansluiting te zoeken bij de ontwikkelingen die voort gaan komen uit de PPLG’s en vice versa
De beide provincies hebben in juli 2023 hun eerste versie PPLG gepubliceerd en werken dit in gebiedsplannen nader uit. Er zit een behoorlijke overlap met de opgaven zoals die genoemd worden in dit thema groen. De opgaven in het NOVEX-gebied RGA concentreren zich vooral in en om de bebouwde omgeving, PPLG’s richten zich op het landelijk gebied (natuur, landbouw en water). Onder meer de opgave rondom groenblauwe dooradering biedt kansen voor combinatie met (recreatieve) routes en toegankelijkheid van uitloopgebieden. Een belangrijke
Interactie tussen mens en natuur heeft geleid tot een grote diversiteit aan landschappen
Groen in de RGA in 2040
RGA
De steden en dorpen zijn niet ‘vol’ en het landschap is niet ‘leeg’; allemaal vragen ze aandacht voor vergroening. We versterken onderlinge verbindingen. Strategische opgaven
Een gebalanceerde groei van het aantal woningen en meer ruimte voor bedrijvigheid, vereist ook investeringen in natuurlijke systemen (water en groen) en landschappelijke kwaliteit. Daarbij geven we de voorkeur aan samenhangende oplossingen boven een optelsom van kleine, individuele oplossingen.
Regio en vraagt om bescherming en actieve ontwikkeling. Juist met hoge verstedelijkingsdruk is het van belang ‘de groene contramal’ evenredig aandacht te geven om de leefkwaliteit hoog te houden. Zo heeft Assen als leidend principe ‘Groene stad van het Noorden’. Dit betekent extra inzet op groen en natuur om en in de stad. En Groningen zet in op meer, beter en goed bereikbaar groen. De stad wil elk jaar 1000 bomen planten in de gemeente. De groene parels in de RGA vormen de uitloopgebieden voor inwoners van steden en dorpen. Het is onze opgave om deze gebieden te koesteren, erin te blijven investeren, ze beter met elkaar te verbinden en te ontsluiten. Zo kunnen we het concept van de groene contramal verder uitbouwen. Parels moet je regelmatig oppoetsen, zodat ze blijven glimmen. En af en toe moet je een extra parel aan een ketting toevoegen.
1.
2.
De strategische opgaven onder de noemer Groen gaan over de leefomgeving van mensen, maar ook over die van planten en dieren. Het gaat over het watersysteem, natuur- en cultuurlandschap. De ingrepen zijn bedoeld om ecosystemen en landschappen op regionale schaal te versterken.
De groene contramal met landschappelijke parels
De RGA heeft een sterk landschappelijk profiel met een keur aan landschappen in het ommeland van Groningen en de kop van Drenthe. Door de ondergrond hebben inwoners van de grotere kernen in verschillende windrichtingen en dicht bij huis al keuze uit verschillende landschappen. Hier ontmoeten het zandlandschap van het Drents plateau, het veen en het zeekleilandschap elkaar. Ook voor de RGA geldt dat bij toekomstige besluitvorming over ruimtelijke ordening water en bodem een leidend principe is. Zo wentelen we problematiek als de beschikbaarheid van schoon en gezond drinkwater, droogte, zeespiegelstijging en verzilting niet af te op toekomstige generaties, andere gebieden of publieke ruimte. Hiervoor is het van belang de ondergrond goed te kennen. De kaart hieronder geeft een eerste indruk van de verschillende ondergronden en de woningbouwlocaties. De maatlat groene, klimaatadaptieve bebouwde leefomgeving geeft handvatten voor het klimaatadaptief inrichten van de leefomgeving. Het vijfsterrenlandschap in de RGA heeft tal van landschappelijke parels, zoals de Drentsche Aa, de Hondsrug, het Middag-Humsterland (één van de oudste cultuurlandschappen van Europa), het Fochteloërveen, de Onlanden, de Drentse ruggen en beekdalen, het Roegwold, landgoederen in de diverse gemeenten en de vele meren in de laagveengordel. Deze kwaliteit is onderscheidend voor de
Een robuust blauw raamwerk
Water en bodem zijn sturend in de fysieke leefomgeving. Water speelt van oudsher een belangrijke rol in de Regio en verbindt het Drentse met het Groningse deel. Waterlopen vanaf het Drents plateau via het Hunzedal en andere beekdalen vormen de basis voor het natuurlijk watersysteem van oppervlaktewater. Groningse diepen voeren het water af naar de zee. Momenteel zijn we in periodes van droogte afhankelijkheid van zoet wateraanvoer uit het IJsselmeer. Maar ons natuurlijke systeem biedt kansen om het water in hogere gebieden in winterse periodes vast te houden voor droogte in de zomer (concept waterbatterij). Het duurzaam oplossen van deze opgave is urgent door de klimaatverandering en de groeiende vraag vanuit wonen en werken. Een andere opgave is waterveiligheid (droge voeten). Het vernatten van de laagveengordel tussen Assen en Groningen kan hierbij een belangrijke rol spelen. Een hoger waterpeil in deze gebieden zorgt voor beperking van veenoxidatie met de CO2-uitstoot die daarbij hoort [zie ook uitwerking deelgebieden Landschap leidend]. Deze vernatting biedt ook nieuwe kansen voor combinaties in beleid en uitvoering van doelen, bijvoorbeeld voor de landbouw, natuur en landschap.
025
3.
Met nieuwe ecologische verbindingen bouwen aan samenhangend systeem
Dit gaat om ecologische verbindingen op de grote en kleine schaal. Binnen de woonomgeving besteden we aandacht aan stedelijke ecologie en natuurinclusief bouwen. We benutten kansen om binnenstedelijke natuur te verbinden met natuur in het buitengebied. De verstedelijking mag natuurambities niet in de weg zitten, dat is een van de redenen om vooral binnen bestaande steden en kernen te bouwen. Er liggen opgaven in de Regio om nieuwe en oudere natuurgebieden met elkaar te verbinden om zo een sterker, biodivers systeem op te bouwen. Hierbij gaat het met name over verbindingen tussen de grote meren (watersysteem en natuursysteem verbinden) en over gebieden waar natuur kruist met infrastructuur (vervoersassen tussen Groningen, Leek en Hoogezand en Assen).
4.
Landschappelijke verbindingen van stad en dorp naar natuur nabij & buitenpoorten
Een belangrijke kwaliteit van de Regio is de nabijheid van groen in de woonomgeving. In 2040 willen we dat dit voor alle woningen gelijk of verbeterd is. Vanuit verstedelijkt gebied kun je langs groene corridors met de fiets of het OV van klein naar groot landschap. Deze corridors zijn niet alleen verbinders voor de mensen, maar ook voor planten en dieren. Vaak is het kansrijk om deze routes via of langs de bestaande waterwegen te maken. Voor de bereikbaarheid van waardevolle landschappen kunnen we zogenaamde ‘buitenpoorten’ ontwikkelen. Dit zijn bestaande hubs in het mobiliteitssysteem van waaruit je goed het landschap in kunt gaan. Dit verhoogt ook de waarde van deze plekken: het zijn niet alleen overstapplekken richting Assen of Groningen, maar ook ontsluitingsplekken voor recreatie. P+R Haren, Q-link haltes Leek, Zuidlaren en De Punt lenen zich hier bijvoorbeeld uitstekend voor. Zo zorgen we voor duurzame bereikbaarheid van het landschap voor iedereen, ongeacht vervoermiddel. Hier ligt bovendien een belangrijk verband met de opgaven in het landelijke gebied rond landbouw en robuuste natuur, die provincies in het kader van het provinciale programma landelijk gebied verder invulling geven. Ontsluiting van
natuurgebieden voor recreatie mag hierbij niet leiden tot een te hoge druk op de natuur en vraagt om maatwerk voor een goede balans.
5.
Duurzaam cultuurlandschap voor voedsel en drinkwater
Een groot gedeelte van de groene contramal bestaat uit natuur (Natura 2000-gebieden, NatuurNetwerk Nederland) en het buitengebied, dat met name een agrarische functie kent. Er liggen kansen om het voedselsysteem te verduurzamen en ketens te verkorten. Daarnaast is aandacht nodig voor het in stand houden van de drinkwatervoorziening. De vraag naar drinkwater neemt toe met de bouw van nieuwe woningen. Waterwingebieden zijn daarmee belangrijke strategische plekken die goed beschermd moeten worden en aanvullende maatregelen zijn daarbij nodig. Vergroten van de sponswerking van bebouwde en niet-bebouwde gebieden kan daarbij helpen de grondwatervoorraden op peil te houden. Bij verduurzaming en landschap kun je ook denken aan mogelijkheden voor productiebos of het verbouwen van gewassen voor productiematerialen. Gecombineerd met lokale kracht van de maakindustrie/bouw. Zo gaan landschap en economie gebalanceerd samen. De kaart laat de bestaande grote natuurgebieden en watergangen in de Regio zien met daarbij de belangrijkste opgaven in het verstevigen van het groenblauwe netwerk.
Groen in de RGA in 2040
RGA
Verdiepingsslag groenblauwe laag
026
Voor de groenblauwe laag is een verdieping gemaakt op het 7e Ontwikkelprincipe, Samen werken aan een duurzame regio. Hiermee vormen natuur, water en bodem een stevig fundament onder het Ontwikkelperspectief.
7a. Aansluiten op en versterken van het diverse en historische landschap van de RGA
7b. Klimaatbestendig transformeren en bouwen
7c. Beschermen, benutten en ontwikkelen van natuur
7d. Breng het groen naar de mensen en de mensen naar het groen
‘Ik woon in een veilig gebied!’
‘Ik woon in een groen en gezond gebied!’
‘Ik woon heel dicht bij het groen!’
‘Ik woon in een bijzonder gebied!’ Rijk en Regio zetten zich in om elke ontwikkeling in te passen in het bestaande landschap. Zo versterken we de identiteit en houden we rekening met het natuurlijke systeem. We zetten opgaven, zoals de nieuwbouwopgaven en de diverse natuuropgaven, in om de onderlinge – en vaak subtiele – verschillen tussen onze prachtige landschappen te versterken.
Rijk en Regio zetten zich in om ambities voor duurzaamheid, klimaat en energie als randvoorwaarden voor ontwikkeling vast te stellen. Bij nieuwe ontwikkelingen en transformaties zien wij dit dus niet als iets ‘extra’s’ waar op kan worden bezuinigd. Dit betekent dat we op woning- én gebiedsniveau klimaatadaptief en energieneutraal willen ontwikkelen. Daarnaast zetten we ons in om nieuwe ontwikkelingen niet alleen zelfvoorzienend te maken, maar ook opgaven uit de omgeving op te vangen. Een nieuwe wijk kan bijvoorbeeld een spons zijn voor gevallen regenwater uit de omgeving, of energie opwekken voor een naastgelegen historische wijk waar minder mogelijkheden zijn. Bij nieuwe ontwikkelingen kijken we dus over de plangrens heen. We wentelen opgaven niet af op de omgeving, maar zuigen deze juist op. Voor veel van de opgaven is het combineren van ‘het groen en het blauw’ hét middel om deze opgaven op een zachte manier op te lossen. Een aandachtspunt is het voorkomen van hittestress. Dit vraagt bijvoorbeeld om brede, groene straatprofielen met voldoende schaduw en doorluchting. De maatlat groene, klimaatadaptieve gebouwde leefomgeving biedt hier, maar ook voor de andere thema’s, de benodigde handvatten voor.
Rijk en Regio zetten zich in om de basiskwaliteit natuur te garanderen voor het landelijk en het stedelijk gebied. We passen ontwikkelingen aan op wat het landschap (water en bodem) ons vertelt. Zo ontstaat een basis waarbij de condities van het landschap voldoen en kenmerkende soorten algemeen aanwezig zijn en blijven. Bodem, water en landschap zijn hierbij leidend, en natuurinclusief bouwen wordt de standaard. Het behoud en de ontwikkeling van natuurlijke ecosysteemdiensten moeten dan ook voorwaardelijk zijn aan ontwikkelingen als verstedelijking.
In de VRGA zetten Rijk en Regio zich in om de kwaliteit en de toegankelijkheid van buitengebieden, parken, bossen en dagelijks groen te vergroten. De druk op natuurgebieden en parken is al hoog en tijdens de covid-pandemie werd nog duidelijker hoe groot het belang is van goed groen in de nabije omgeving. We gingen vaker naar buiten, ontdekten het groen om de hoek en zaten nog nooit zo vaak met vrienden in het park. We kwamen er ook achter dat de druk op vooral dit nabije groen te hoog werd, met drukte, overlast, en schade als gevolg. Door te investeren, te zoneren in het groen en meer kwaliteit toe te voegen aan bestaand of nieuw groen, kunnen we deze druk beter opvangen.
Groen in de RGA in 2040 De kaart laat de bestaande grote natuurgebieden en watergangen in de regio zien met daarbij de belangrijkste opgaven in het verstevigen van het groenblauwe netwerk.
Strategische opgaven in kaart 1.
De groene contramal met landschappelijke parels
2.
Een robuust blauw raamwerk Kwaliteit vaarwegen verbeteren Vernatting beekdalen
3.
Met nieuwe ecologische verbindingen bouwen aan samenhangend systeem Verbeteren ecologische verbindingen Biodiversiteit verbeteren Verbeteren stedelijke ecologie
4. Landschappelijke verbindingen van stad en dorp naar natuur nabij & buitenpoorten Sterk groenblauw netwerk Buitenpoorten 5. Duurzaam cultuurlandschap voor voedsel en drinkwater Kansen circulaire landbouw Waterwingebied beschermen
Bestaande structuren Huidig waternetwerk Grootschalig open landschap Esdorpenlandschap Zeekleilandschap Veen en laagveenlandschap
RGA 027
Beleidskaders groen
RGA 028
1.
Groen Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natura 2000 NNN verbindingen Ecologische verbindingszones indicatief
2.
Water Grondwaterbeschermingsgebied Waterbergingsgebieden Noodbergingsgebieden Drinkwaterwingebieden
3.
Weidevogels Leefgebied weidevoge Leefgebied akkervogels
Energie in de RGA 2040
RGA 029
Aanlanding kabels windparken op zee belangrijke ruimtelijke opgave Net als in heel Nederland, is de energietransitie ook in de RGA een grote opgave. Bestaande bouw en industrie maken de overstap naar energie uit duurzame bronnen. De energievraag van mobiliteit verandert flink en ook de te realiseren woningbouw en werklocaties hebben energie nodig. De productie, het transport en de opslag van schone energie vragen allen om ruimte. Netcongestie is op dit moment al een probleem in de regio Groningen-Assen en we voorzien dat dit in de toekomst nog toeneemt. Door de Regio lopen diverse onderdelen van de energiehoofdstructuur, zoals hoogspanningslijnen, belangrijke delen van het gasnetwerk en de toekomstige waterstof-backbone. De Eemshaven is een belangrijke plek voor aanlanding van wind op zee.
van) verzwaring van het stroomnet, aanleg van laadpalen en voor de aanleg van en aansluiting op warmtenetten. Nieuwe ontwikkelingen kunnen daarbij mogelijk een hefboom zijn voor verduurzaming van bestaande bouw en andere opgaven in de leefomgeving. Op het gebied van verduurzaming en aanpassing van het energiesysteem gebeurt al veel. De regionale energiestrategieën van Groningen en Drenthe (RES), clusterenergiestrategieën (CES) en gemeentelijke Transitievisies Warmte bevatten allemaal plannen voor verduurzaming van het systeem.
Knooppunt Vierverlaten
Verstedelijking en ontwikkelingen in en rondom de kernen is onlosmakelijk verbonden met het energiesysteem op lokaal, regionaal en soms landelijk niveau. Elektriciteit wordt daarbij steeds meer lokaal opgewekt en bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de bron gebruikt. Verschillende ontwikkelingen zorgen ervoor dat vraag en aanbod van elektriciteit niet (meer) gelijk oplopen. Dit komt door bijvoorbeeld de toename van hernieuwbare energieopwekking, elektrificatie van de industrie en het gebruik van elektrische voertuigen en warmtepompen. Mede daardoor is afname en teruglevering van elektriciteit niet overal en altijd mogelijk. Dit probleem groeit naarmate projecten op grotere schaal worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld in het kader van de woningbouwopgave en met het oog op het realiseren van de klimaatambities. De impact op de bebouwde leefomgeving is groot. Om te verduurzamen, moet de komende decennia naar verwachting elke straat open voor (een combinatie
Knooppunt Europapark
Knooppunt Meeden
Knooppunt Zeijerveen
Bestaande clusters windenergie noordoostelijk Groningen en Drenthe
bestaande windturbines bestaande zonneparken
Analysekaart energienetwerk: de RGA in context
RGA 030
Provincies hebben inmiddels in samenwerking met gemeenten en netbeheerders een eerste versie van hun provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK) opgeleverd. Hierin worden de benodigde investeringen en uitbreiding in het regionale energiesysteem benoemd; in de pMIEK’s 1.0 is hierbij gefocust op elektriciteit. Nadere uitwerking vindt nog plaats en leidt onder meer tot verdere prioritering van maatregelen en juridische borging. Op hoofdlijnen zijn de woningbouw-, werk- en mobiliteitsopgaven hierin meegenomen. Het is belangrijk om de geplande ontwikkelingen in en relatie met het NOVEX-gebied richting volgende versies van het pMIEK nader uit te werken. De in pMIEK 1.0 genoemde projecten met een (mogelijke) ruimtelijke weerslag in de RGA zijn:
Oplossingen voor knelpunten in het huidige elektriciteitsnet in de RGA liggen soms in maatregelen buiten de regio. Bijvoorbeeld omdat hoog- en middenspanningsstations buiten de regio uitgebreid moeten worden om knelpunten aan te pakken. Dergelijke projecten hebben geen directe ruimtelijke weerslag op de RGA, maar zijn voor het realiseren van het ontwikkelperspectief wel belangrijk.
Knelpunt/project
Provincie
Fase
Verwachte ingebruikname
Uitbreiding transportcapaciteit Zeijerveen-Beilen
Drenthe
Studie
2025, 2029 - 2031
Diverse aanpassingen HS/MS/LS Zeijerveen
Drenthe
Realisatie
2022 - 2024
Marsdijk (Assen)
Drenthe
Studie
2030
Grn. Vierverlaten uitbreiding
Groningen
Realisatie
2023
Nieuwbouw 110kV Meerstad, tracé Vierverlaten – Meerstad en bijbehorende tracés onderstations Groningen
Groningen
Voorontwerp
2026 - 2028
Uitbreiding Vierverlaten 380kV en vervanging 110kV met bijbehorende tracés
Groningen
Basisontwerp
2029
Verzwaren en uitbreiden 110kV Groningen Hunze
Groningen
Studie
2030
Vierverlaten-Ens 380kV Noordwest fase 2
Groningen
Basisontwerp
2036
Verkenning nut_noodzaak nieuw koppelstation TenneT/ Enexis omgeving Leek/Marum
Groningen
Voorontwerp
n.t.b.
Diverse transportverdeelstations met ruimtevraag
Groningen
Het daadwerkelijk prioriteren en programmeren van projecten gebeurt in de provincie Groningen na afronding van pMIEK 1.0. Prioritering vindt plaats op basis van een nader op te stellen afwegingskader. Dit afwegingskader zal bestaan uit nader te bepalen, integrale criteria, gericht op de samenhang tussen het energiesysteem en verschillende maatschappelijke belangen.
n.t.b.
Het pMIEK is bedoeld om keuzes op het gebied van ruimte en energie samen te brengen en vroegtijdig af te stemmen. Op deze wijze kan vanuit ruimtelijke ordening bij provincies en gemeenten beter rekening worden gehouden met de ruimtelijke impact van energie-infrastructuurprojecten. Andersom kan ook het energienetwerk een ordenende factor worden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Op deze wijze kunnen de keuzes in het kader van het pMIEK ook de verstedelijkingsopgave beïnvloeden. Daarnaast werkt het Rijk met onder andere het nationale Meerjarenprogramma Infrastructuur, Energie en Klimaat (MIEK) aan de energiehoofdstructuur en is het ontwerp Programma Energiehoofdstructuur (PEH) gepubliceerd (vaststelling is voorzien eind 2023). Ruimtelijk relevante ontwikkelingen hieruit voor het NOVEX-gebied zijn de realisatie van de 380kV-verbinding Eemshaven Vierlaten.
Inclusief de in de toekomst benodigde uitbreiding hiervan en de nog te realiseren 380kV-verbinding Vierverlaten-Ens. Een quickscan vindt plaats naar knelpunten en kansen rondom samenhang van deze laatste verbinding en de Lelylijn. In een later stadium wordt de eventuele ruimtevraag voor grootschalige systeembatterijen in het kader van het PEH onderzocht. Ook de opslagmogelijkheden van waterstof in de ondergrond worden nader verkend. In hoeverre genoemde projecten leiden tot concurrerende ruimteclaims is nader te onderzoeken. Dit is relevant voor de opgaven in dit Ontwikkelperspectief, maar verdere uitwerking vindt plaats in de ruimtelijke voorstellen van de provincies. Voor het realiseren van de hoofdopgaven van het NOVEXgebied zien we een aantal strategische opgaven op het gebied van energie.
Energie in de RGA 2040
RGA 031
Strategische opgaven 1.
2.
Strategisch sturen op het netwerk en belangrijke knooppunten
3.
Slimme keuzes energiesysteem op basis van ruimtelijke eigenschappen
4.
Energie vroegtijdig meenemen in ruimtelijke plannen
Verstedelijking en verduurzaming combineren
De opgave voor duurzame opwek voor het bestaand bebouwd gebied is vele malen groter dan die van nieuwbouw. Voor individuele gebiedsontwikkelingen met nieuwbouw wordt gestreefd naar energieneutraliteit. Het moet niet zo zijn dat nieuwbouw de vraag naar duurzame elektriciteit en warmte vergroot en daarmee eigen ruimte vraagt voor opwek. Ook hier zijn weer de voordelen van bouwen in bestaand verstedelijkt gebied zichtbaar. Er ontstaan mogelijkheden om de energiesystemen, die toch nodig zijn voor de nieuwbouw, ook in te zetten voor de bestaande voorraad en verduurzaming mee te nemen in de aanpak van het gebied. Het is daarbij belangrijk dat (nieuw-)bouwplannen en verduurzaming van omliggend bebouwd gebied goed op elkaar worden afgestemd. Hetzelfde geldt voor ontwikkelingen op bestaande bedrijventerreinen. Daar is nog veel potentie voor opwek van (zonne-)energie op daken, maar aansluiting voor teruglevering van energie is in delen van de regio lastig vanwege netcongestie. Ontwikkelingen op bestaande bedrijventerreinen kunnen een vliegwiel zijn voor verduurzaming, het lokaal opwekken en lokaal benutten van energie.
Om het groeiende aanbod aan duurzame elektriciteit op een goede manier te verbinden, is het van belang om strategische knooppunten maximaal in te zetten. Vanuit de RES (Regionale Energiestrategieën) en CES-en (Cluster Energiestrategieën)ontstaat al een beeld van plekken waar geïnvesteerd zal worden in het netwerk en stations. Het pMIEK scherpt dit beeld verder aan. Belangrijke knopen in de regio zijn het transformatorstation Zeijerveen bij Assen, Vierverlaten (Hoogkerk), Europapark en nieuwe ontwikkelingen rondom Meerstad. Hier gaan opslag en distributie een belangrijke rol spelen in het regionale systeem. De knooppunten vormen de schakel tussen opweklocaties op afstand en de energievraag in stedelijk gebied. Deze ontwikkelingen vragen ruimte, mogelijk ook buiten het NOVEX-gebied RGA. Er is aandacht nodig voor de ruimtelijke ontwikkeling rondom deze knooppunten. Het is begrijpelijk dat opwekkers zo dicht mogelijk bij stations willen zitten vanwege beperkte kabellengtes. Maar dit zijn ruimtelijk gezien niet altijd de beste plekken, omdat daar ook andere opgaven spelen, zoals ruimte voor groen en water. Nieuwe energie-infrastructuur willen we met ruimtelijke kwaliteit inpassen. Bij dit aandachtspunt heeft meervoudig gebruik de voorkeur boven enkelvoudig gebruik.
Voor de provincie Groningen geldt: indien aanleg van kabels noodzakelijk is dan dienen deze ondergronds aangelegd te worden. De 380kV-verbinding Eemshaven – Vierverlaten (opwaardering van 220kV-verbinding is inmiddels gerealiseerd). Er vindt onderzoek plaats naar de toekomstige 380kV-verbinding Ens – Vierverlaten. Afhankelijk van het tracé, schuurt dit laatste mogelijk met de ontwikkeling van woningbouw- en werklocaties en de Lelylijn. Het bestaande energienetwerk hangt nauw samen met het mobiliteitsnetwerk, ook daarin is de T-structuur herkenbaar. Nu al vestigen veel initiatieven voor energieopwekking zich langs dit netwerk. Dit is ruimtelijk en maatschappelijk gezien wenselijk. Ruimtelijk, omdat het zorgt voor concentratie. Maatschappelijk, omdat het netwerk daar al ligt en kabelcapaciteit zo goed mogelijk benut wordt. Balans met landschap is hierbij essentieel.
De RES geeft aan (of zal aangeven) welk warmte- en elektriciteitssysteem op welke plek de beste keuze is. Dit is afhankelijk van verschillende scenario’s qua samenstelling van de duurzame opwek. Hierin speelt dichtheid van bebouwing en potentie voor warmtewinning uit bodem, water of restwarmte van productieprocessen een belangrijke rol. Op regionale schaal benoemen zowel de Groningse als de Drentse RES de volgende leidende principes voor locatiekeuze bij opwek: schaal bij schaal, aansluiten bij gebiedsspecifieke kenmerken, het koppelen aan andere opgaven, meervoudig ruimtegebruik en het dicht bij elkaar brengen van vraag en aanbod.
Netcongestie en energietransitie vragen veel van overheden, netbeheerders en private partijen. Daarom is het van belang om het aspect energie vroegtijdig mee te nemen in ruimtelijke plannen. Voor het realiseren van de hoofdopgaven in het NOVEX-gebied is dit belangrijk om vertraging later in het proces zo veel mogelijk te voorkomen. De kaart toont de bestaande energienetwerken, de huidige en vastgestelde te ontwikkelen opweklocaties en enkele kansen vanuit ruimtelijk perspectief.
Energiesysteem in de RGA in 2040 De thematische opgaven komen bij elkaar op verschillende plekken binnen de regio. Ieder gebied heeft een eigen rol en specifieke inzet binnen de verstedelijkingsstrategie. Hier worden de ruimtelijke ontwikkelkansen per deelgebied geschetst.
Strategische opgaven in kaart 1.
Verstedelijking en verduurzaming combineren Kansen voor zon op daken Zoeken naar energetische verbindingen binnen bedrijvenclusters
2.
Strategisch sturen op het netwerk en belangrijke knooppunten Hoogspanningsnet Belangrijke knooppunten Grotere restwarmtebronnen 380kv zoekgebieden Warmte TSleiding
3.
Slimme keuzes energiesysteem op basis van ruimtelijke eigenschappen Meekoppelkansen in wijken met vernieuwingsopgave Vastgestelde zoekgebieden zon op land Bron: http://zonopkaart.nl/
zoekgebieden wind
Bestaande structuren WKO-systemen Bestaande kleinschallige windturbines Bestaande grootschallige windturbines Gerealiseerde zonneparken
RGA 032
Netimpact elektriciteit
RGA 033
Knelpunten HS/MS stations in 2030
Knelpunt opgelost voor 2025 (cf IP 2022)
Knelpunt, oplossing in studiefase (cf IP 2022)
Knelpunt, oplossing onzeker
Zoekgebied nieuw station
*
Systeemefficiëntie belangrijk
RGA 034
Werken Mobiliteit Wonen Groen Energie
Energie
Mobiliteit Wonen Groen
Werken
Integrale werkwijze in de RGA De nadruk van het Ontwikkelperspectief ligt op de integrale aanpak van de woningbouwopgave, d.w.z. hoe de woningbouwplannen kunnen worden ontwikkeld en welke andere thema’s daaraan gekoppeld kunnen worden.
Integrale werkwijze in de RGA
RGA 035
De vijf thema’s Wonen, Werken, Mobiliteit, Groen en Energie in de RGA kunnen niet los van elkaar gezien worden. De grote maatschappelijke opgaven waar wij voor staan, vragen allemaal ruimte, en onze ruimte is beperkt. We willen de ruimtelijke kwaliteit die we hebben koesteren. Er is ruimte nodig voor bijvoorbeeld de bouw van nieuwe woningen, maar ook voor het uitplaatsen van milieubelastende bedrijven. Ruimte voor waterberging, maar ook voor circulaire landbouw, logistieke netwerken, enzovoort. Er zijn geen ‘gemakkelijke’ oplossingen meer. Dit Ontwikkelperspectief RGA biedt zicht op een toekomstbestendige, gezonde, veilige en mooie Regio Groningen-Assen.
creëren van ruimte op bestaande bedrijventerreinen of op de uitbreiding daarvan c.q. realisatie van nieuwe bedrijventerreinen, is noodzakelijk om ruimte optimaal te benutten. Hierbij realiseren we zoveel mogelijk binnenstedelijk en binnendorps.
Centraal in het NOVEX-gebied staat daarom de integrale aanpak. De verschillende opgaven komen samen op lokaal niveau, in de gemeenten. Daar raken de verschillende thema’s elkaar. Dat biedt kansen: investeringskracht en meervoudig ruimtegebruik. Het schuurt soms ook: conflicterende ruimtevraag, uiteenlopende tijdspaden of politieke belangen. Onderstaand is uitgewerkt waar thema’s elkaar raken. In hoofdstuk xx wordt per gemeente een eerste inventarisatie gegeven waar de opgaven vragen om ruimtelijk structurerende keuzes. Sommige thema’s zijn nog in ontwikkeling. Daarom wordt periodiek bekeken of zich nieuwe kansen en knelpunten voordoen en of er een koerswijziging nodig is. Denk daarbij aan de uitwerking van de pMIEK’s 2.0 (2025) en de nadere uitwerking van de PPLG’s in deelgebieden.
De gecombineerde opgave voor wonen en werken brengt ook een mobiliteitsopgave met zich mee. Voor de verdere ontwikkeling van de Regio Groningen-Assen is een goed functionerend Daily Urban System een randvoorwaarde. Dat betekent een aanpak van het mobiliteitssysteem op lokaal, regionaal en (inter-)nationaal niveau. Hiervoor is het nodig dat woon- en werklocaties bij elkaar in de buurt liggen en ze goed met fiets, OV en deelmobiliteit bereikbaar zijn. Zo kunnen inwoners zich duurzaam en gezond verplaatsen en beperken we de belasting op het mobiliteitssysteem. Het is belangrijk bestaande busverbindingen op het platteland op z’n minst in stand te houden en waar mogelijk te verbeteren.
In het Ontwikkelperspectief staat de ‘nabijheid’ van wonen en werken centraal. Het draait om meer dan het toevoegen van het programma wonen. Daarbij kijken we nadrukkelijk verder dan ‘het bouwhek’. Goed wonen gaat over veel meer dan een nieuwe woning, verstedelijking of dorpsontwikkeling. Het gaat ook over een goede ruimtelijke kwaliteit. Dat vraagt om een integrale aanpak. De Regio moet nú investeren om daar straks de vruchten van te kunnen plukken. Het stedelijke gebied is banenmotor bij uitstek. Verdere verstedelijking en dorpsontwikkeling versterken de economie en agglomeratiekracht. We ontwikkelen gemengde woon-werkmilieus en maken bedrijventerreinen toekomstbestendig. We bouwen lokale sterktes uit als onderdeel van een polycentrische structuur. Strategische sturing op het
Zo ontstaat er ruimte en voedingsbodem voor de economie van morgen. Dit biedt kansen om toonaangevende noordelijke clusters en thema’s verder te ontwikkelen. Er zijn investeringen nodig om de groei van nieuwe banen, naar verwachting ca. 28.000, in de Regio te kunnen faciliteren. Investeringen in toekomstbestendige bestaande, nieuwe en gemengde werklocaties.
De ontwikkelingen rond verstedelijking en dorpsontwikkeling gaan samen met groenopgaven. Klimaatadaptatie is sowieso een opgave waar we voor staan, ook zonder de groeiopgave Wonen en Werken. Voor de woningbouwopgave is het wateren bodemsysteem dan wel weer sturend voor de locatie- en inrichtingskeuze. Het is belangrijk de extra watervraag die de verstedelijkingsopgave met zich meebrengt zoveel mogelijk te beperken. Er spelen grote opgaven op het gebied van landbouw en natuur in het landelijke gebied, dat de steden en dorpen omringt. De provincies werken hier hard aan, onder meer met medeoverheden. De regio zet in op vergroenen en verduurzamen op de schaal van de woning, de buurt en de Regio. Op regionaal niveau ligt er de opgave de verschillende landschappen beter te verbinden, natuurwaarden te versterken en de wisselwerking tussen landelijk en stedelijk gebied te verbeteren. De groei van de Regio vraagt ook om het realiseren van nieuwe recreatiemogelijkheden. De druk op bestaande gebieden wordt groter en (nieuwe) inwoners willen een rondje kunnen fietsen en lopen. Hiervoor is het verbeteren
van de kwaliteit en toegankelijkheid van bestaand groen, nieuwe dorpsommetjes, groene uitloopgebieden, parken en groene verbindingen nodig. Vooral de groene verbindingen tussen de nieuwe woongebieden en het buitengebied vragen om aandacht en bieden kans om samenhang te creëren met een groenblauwe dooradering en biodiversiteitsherstel. Uiteraard altijd met respect voor actuele en toekomstige natuur- en landschapswaarden en diverse functies in het landelijk gebied. We gaan samen onderzoeken wat er nodig is om deze opgave te realiseren. De verstedelijking heeft ook impact op de milieukwaliteit in de regio Groningen-Assen. Met de inzet op nabijheid en dus minder vervoersbewegingen wordt geprobeerd de bestaande milieukwaliteit te verbeteren. Of in ieder geval niet te laten verslechteren, mede door het inzetten van de
energietransitie, ook in de gebouwde omgeving en het uit de kom plaatsen van bedrijven met een hoge milieucontour. De afweging tussen beschermen versus benutten van de fysieke leefomgeving vormt daarbij een grote uitdaging. We maken die keuzes zoveel mogelijk op basis van een afweging vooráf, in plaats van achteraf in- en aanpassen met gevolgen voor de omgeving. Verstedelijking, dorpsontwikkeling en de mobiliteitstransitie zijn tenslotte onlosmakelijk verbonden met het energiesysteem op lokaal en regionaal niveau. Landelijke energievraagstukken vragen ook in onze regio om ruimte. Er ligt een uitdaging van formaat om parallel aan de verstedelijkingskoers een passend nieuw en duurzaam systeem van energievoorziening (productie, opslag, transport, gebruik) te ontwikkelen.
Foto: © Groningen Beeldbank; Rutger Prins
Foto: © Aerophoto Eelde
Wisselwerking tussen de thema’s
RGA 036
Welke kansen liggen er tussen de verschillende thema’s en waar schuurt het? Welke ruimtelijke keuzes moeten we nú en in de toekomst maken om helderheid te bieden aan ontwikkelingen op lokaal niveau en ruimte te bieden aan toekomstige ruimtevragers? Per thema benoemen we enkele koppelkansen en tegenstellingen. Duidelijk wordt dat een andere manier van ontwikkelen nodig is. Het bouwen van woningen, het realiseren van werkterreinen, het investeren in het energiesysteem als ’business as usual’ is niet meer aan de orde. In de deelgebieden diepen we deze integrale aanpak verder uit. Waar mogelijk signaleren we concrete kansen voor meervoudig ruimtegebruik en ook potentiële knelpunten. Hieronder benoemen we op hoofdlijnen kansen en schuurpunten tussen verschillende thema’s.
Waar schuurt het? •
Thema: Wonen Bouwen op de juiste plek helpt...
•
Groenblauw: het lijkt als of het wonen binnen de bestaande kern per definitie ten koste gaat van het kwalitatieve groen. De opgave is dit slim te combineren, bijvoorbeeld met creatieve parkeeroplossingen. Verstedelijking kan leiden tot een te hoge recreatieve druk op de natuur.
...de mobiliteitsopgave door te bouwen nabij OVknooppunten, waardoor we het OV-gebruik stimuleren, de bezetting van het OV waarborgen en het woon-werkverkeer verminderen. ...de werkopgave door nieuwe woningen te bouwen in de buurt van bestaande banen en zo wonen en werken dichter bij elkaar te brengen. Daarbij helpt het bijbouwen van woningen bij de vestiging van nieuw arbeidspotentieel in de regio èn bij het aantrekken en behouden van talent. Door een goede zonering voorkomen we dat de woningbouw het bedrijfsleven in de weg staat en ontstaan er gemengde woon-werkmilieus.
Werk: wonen en werken vragen beide om ruimte. Het lijkt alsof het nieuwe wonen in binnenstedelijke en binnendorpse transformaties het bestaande werken de stad / het dorp ‘uitduwt’. Dat is soms nodig, maar meestal vraagt het alleen om nieuwe typologieën van werk en wonen. Dit vraagt om een andere manier van bestemmen; denken vanuit kwaliteit en gebruik in plaats vanuit functies.
Hoe helpt de aanpak per thema de andere opgaven?
•
Energie: het lijkt alsof ‘all electric’ systemen de gemakkelijkste (en goedkoopste) oplossing bieden. Collectieve systemen voor nieuwbouw bieden echter ook koppelkansen voor de verduurzaming van bestaande woningen (daar ligt de grootste opgave).
...de woningbouwopgave met de differentiatie in werkmilieus. Dit zorgt voor interessante, nieuwe typen woonmilieus in de regio. Wel blijft aandacht nodig in regelgeving. We willen voorkomen dat in een aanvankelijk gemengd milieu, de woonfunctie het werk wegdrukt.
•
...de mobiliteitsopgave doordat de concentratie van economische activiteit en menging van functies het woon-werkverkeer vermindert. Dit ontlast de mobiliteitsnetwerken. Clustering van bedrijven maakt collectieve oplossingen voor personen- en goederenverkeer aantrekkelijk.
Thema: Mobiliteit Mobiliteitstransitie helpt...
...de groenopgave door druk op de ruimte te houden. Bestaande bedrijventerreinen krijgen door nieuwe zonering de kans om ook klimaatvitaal te worden: ze kunnen inzetten op vergroening en goede waterhuishouding (Water en bodem sturend) en aansluiting bij groenblauwe structuren. Nieuwe terreinen kunnen direct klimaatbestendig worden gerealiseerd. ...de energieopgave door bedrijventerreinen ook te gebruiken als plaatsen om energie te produceren. Dat kan met zonne-energie op daken, windenergie in bufferzones (volgens milieuzones), gebruik van restwarmte van industrie, optimalisering van het energiegebruik en in de toekomst mogelijk met smart-grids.
Waar schuurt het? •
Woningbouw: het werken moet ook innoveren (schoner, stiller), zodat gemengde woon-werkgebieden mogelijk worden. Dat vergt een andere organisatie. Denk aan grove logistiek buiten de stad, bakfietsen binnen de stad. Maar ook het aanduiden van verschillende zones, zoals rust, reuring, ruis, ruig en reus in regio / stad / dorp. Het motto hierbij is ‘ontmengen om te kunnen mengen’.
...de groenopgave doordat we via klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen in de steden en kernen bestaande groenblauwe structuren en biodiversiteit versterken en de sponswerking vergroten. Door nieuwe structuren te realiseren, laten we ruimte buiten bebouwd gebied open. ...de energieopgave door energieneutrale of energiepositieve woningen te bouwen. Door woningbouw te combineren met verduurzaming van de bestaande bebouwde omgeving, bijvoorbeeld door te investeren in warmtenetten voor nieuwe én bestaande woningen. Door woningen dichtbij (op loop-/ fietsafstand) werk en onderwijs te bouwen, vermindert het autogebruik en de CO2-uitstoot.
stikstofproblematiek op verschillende plekken een knelpunt.
Mobiliteit: het landelijke gebied rondom de steden Groningen en Assen is nog erg afhankelijk van de auto. Het OV-systeem is gericht op de steden. De OV-verbindingen tussen de kleinere kernen onderling is mager ( je pakt voor het gemak snel de auto). Betaalbaarheid van instandhouding van het huidige (H) OV-systeem is een algemeen zorgpunt.
•
Thema: Werken De werkopgave helpt...
•
voor of krijgen te maken met congestie op het net. Netcongestie beperkt de mogelijkheid tot verduurzaming op bestaande werklocaties.
...de woningbouwopgave door ruimte vrij te maken (minder asfalt) en woonmilieus te versterken. Dat kan door meer nadruk te leggen op voetgangers, fietsers en hoogwaardige openbare ruimte (klimaatbestendig, groene straatprofielen). ...de werkopgave door meer nabijheid te organiseren. Hiermee bedoelen we plekken, waar interactiemilieus kunnen ontstaan: leer-werkplekken, innovatiemilieus en ruimte voor de stedelijke economie. Een verbeterde fietsen OV-bereikbaarheid zorgt voor een verminderde behoefte aan parkeerplaatsen. Daardoor kan de beschikbare ruimte beter worden benut. …de groenopgave door fietsen en lopen aantrekkelijker te maken dan autogebruik, met minder uitstoot tot gevolg. Dit faciliteren we bijvoorbeeld door verbetering (en vergroening) van fietsroutes en door OV-knooppunten groen en klimaatbestendig te maken. Hanteren van lagere parkeernormen kan bijdragen aan meer ruimte voor openbaar groen. Groenstructuren langs infrastructuur kunnen bijdragen aan groenblauwe netwerken. ...de energieopgave door mobiliteitstransities te combineren met energietransities. Denk aan collectieve laadoplossingen met minder ruimtelijke impact. Door meer in te zetten op deelvervoer, zijn er minder auto’s en energie nodig. Energieproductie is goed mogelijk langs snelwegen, spoorlijnen, zonne-energie op daken van bus/treinstations, etc.
Mobiliteit: bedrijventerreinen in de regio zijn niet altijd goed verbonden met het OV of comfortabel bereikbaar per fiets. Dit stimuleert autogebruik ten nadele van OV en fiets.
•
Energie: de (nieuwe) grote energievragers zorgen
Groenblauw: zonder duidelijke koers en visie bestaat het risico op veel nieuwe werklocaties ‘in het groen’. Voor realisatie van nieuwe ontwikkelingen is
Waar schuurt het? •
Woningbouw: ook al bouw je ‘autoluw’, de toevoeging van veel nieuwe woningen leidt tot extra gebruik van bestaande weginfrastructuur en mogelijk tot knelpunten. Nieuwe infrastructuur kan barrières opwerpen voor kruisende verkeersstromen.
Wisselwerking tussen de thema’s
RGA 037
•
Werk: meer ruimte voor fietsers en voetgangers
•
versterkt de leefbaarheid in steden en dorpen, maar werklocaties zijn ook gebaat bij goede logistieke ontsluiting.
•
Groenblauw: hoge parkeernormen vragen nog steeds om groot aandeel verharding in de openbare ruimte.
•
Energie: voor mobiliteitstransitie is groot aantal laadpalen nodig en die vragen ruimte. Bovendien hebben ze elektriciteit nodig, die er door netcongestie niet altijd direct is.
Energie: zonnevelden op land kunnen ten koste gaan van groen en landbouwgrond, zeker als ze op enkelvoudig ruimtegebruik worden ontworpen.
Thema: Energie Energietransitie helpt...
KANSEN
wonen
...de woningbouwopgave door aantrekkelijkere, klimaatadaptieve woonmilieus. Draagt daarmee bij aan leefbaarheid en gezondheid en nabijheid van groen. Vergroenen gaat hand in hand met verdichten. Andersom kan nieuwe woningbouw de aanleiding en/of investeringsmotor zijn voor de lokale klimaatmaatregelen. ...de werkopgave door ook klimaatoverlast op bedrijfsterreinen te verminderen. Een groene en aantrekkelijke werkomgeving is een impuls voor het economisch vestigingsklimaat. ...de mobiliteitstransitie aan groenere straten, die aantrekkelijker zijn voor lopen en fietsen. Andersom creëert de mobiliteitstransitie ruimte voor sponswerking. Het organiseren van nabijheid van wonen en werken reduceert de mobiliteitsvraag en daarmee de energievraag. Zo helpt het om de gevolgen van klimaatverandering te verminderen.
...de werkopgave door een bron te zijn van nieuwe soorten werkgelegenheid, zoals waterstofontwikkeling in het noorden, coöperaties voor lokale energieproductie en maakindustrieën die gespecialiseerd zijn in energietransitie. Verduurzaming van bedrijventerreinen kan een impuls zijn voor aantrekkelijke werklocaties. Netcongestie kan dwingen tot slimme oplossingen.
...de groenopgave door een reden te zijn voor investeringen in nieuwe soorten groene landschappen in stedelijke omgevingen. Daardoor vermindert hittestress.
•
•
•
landbouw- en natuurgebieden doorkruisen.
Mobiliteit: grootschalige laadoplossingen vragen grote energieaansluitingen. Dit kan door netcongestie bemoeilijkt worden. Veel verspreid en kleinschalig laden vraagt om verzwaring van laagspanningsnetten.
Werk: het realiseren van nieuwe werklocaties in het
Mobiliteit: nieuwe infrastructuur kan bestaande
Werk: nieuwe werklocaties en nieuwe opwek van (zonne-)energie op werklocaties kunnen in verband met netcongestie niet altijd direct worden aangesloten. Dit vergt een goede planning.
Woningbouw: restricties vanuit natuurbeleid (bijv.
groen is onwenselijk, maar wordt soms gezien als gemakkelijker.
Woningbouw: netcongestie kan leiden tot vertraging in aansluiten van nieuwe woonwijken. Collectieve voorzieningen kunnen bijdragen aan verduurzaming van de bebouwde omgeving, maar kunnen ook een lange(re) doorlooptijd hebben.
Waar schuurt het?
•
bestaand en nieuw
mobiliteit
nieuwe typologieën
concentratie bedrijven
klimaatbestendig
energieproductie
groenblauwe netwerken
deelmobiliteit
minder asfalt, meer groen nabijheid interactiemilieus
groen
groene woonmilieus
een boom koelt
aantrekkelijk vestigingsklimaat groene straten
Waar schuurt het?
•
stikstof) kunnen woningbouwontwikkelingen ‘on hold’ zetten. Bouwen in het groen is onwenselijk, maar wordt soms gezien als gemakkelijker.
vergroten sponswerking
...de mobiliteitstransitie door schone mobiliteitsopties te bieden. Daardoor wordt het gemakkelijker om e-voertuigen in te zetten in alle mobiliteitssectoren, van openbaar vervoer, tot auto’s, fietsen, goederenbezorging, en meer.
...de energieopgave door hittestress te voorkomen en zo de energiebehoefte te verminderen, een boom koelt beter dan een ventilator.