CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Nazending: Monitor 2024 Nationaal Programma Groningen

Informatiebijeenkomst 10 april 2025, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Presentatie35.862 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

80

VERDIEPING BIODIVERSITEIT EN LANDSCHAPSKWALITEIT

Hoewel bodemverstoring bij 2,3% van de wierden optreedt door werkzaamheden zoals ophoging en egalisatie, is de aantasting van hun invloedssfeer sinds 2010 afgenomen. Desondanks komt verstoring nog steeds voor. Ook de oude dijken in Groningen, karakteristiek voor gebieden zoals de Eemsdelta en het Oldambt, hebben landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Van de 286 hectare aan oude dijken is 6,4 hectare aangetast door ingrepen zoals dijkversterkingen, infrastructuurprojecten of perceelaanpassingen. In het verkavelde landschap van Groningen zijn karakteristieke sloten van grote landschappelijke waarde omdat ze de ontginnings- en gebruiksgeschiedenis van het landschap weerspiegelen. In wierden- en dijkenlandschappen is het aantal sloten dat wordt gedempt, vooral tussen 2015 en 2020, toegenomen. Uitzondering hierop is Middag-Humsterland, waar het aantal gedempte sloten stabiel is gebleven. Door de bescherming van karakteristieke sloten in de Provinciale Omgevingsvisie is de verdere afname in bepaalde gebieden beperkt. Waterlopen, zoals kanalen en wijken, zijn ecologisch belangrijk omdat ze dienen als verbindingszones voor planten en dieren. In de veenkoloniale gebieden zijn veel kanalen

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

gedempt of verland, maar tussen 2016 en 2020 is de lengte van bestaande kanalen weer toegenomen door actief provinciaal beleid. Hermeandering van beken, zoals in Westerwolde, heeft geleid tot een wijziging van 13 km aan waterlopen, wat de ecologische waarde van deze gebieden versterkt. Houtsingels en houtwallen zijn belangrijke landschapselementen in gebieden zoals Westerwolde, het Gorecht en het Zuidelijk Westerkwartier. In Westerwolde en het Gorecht is het aantal houtsingels vrijwel stabiel gebleven, met slechts een klein verlies van 2 km sinds 2000. De kwaliteit van de singels is hier de afgelopen vijf jaar verbeterd door herstelprojecten in het kader van het NatuurNetwerk Nederland. In het Zuidelijk Westerkwartier is het percentage verdwenen houtsingels echter gestegen, van 2% in de periode 20092015 naar 4% tussen 2015 en 2020. Ondanks deze afname

is de kwaliteit van de overgebleven singels toegenomen, van 53% in 2015 naar 56% in 2020, dankzij beheer- en herstelprojecten. Groene linten, bekend als ‘tunnelbos’, en slingertuinen zijn kenmerkend voor Oost-Groningen. Deze karakteristieke beplanting en bebouwing vormen een belangrijk onderdeel van de dorpsstructuur. De provincie zet zich daarnaast in voor een jaarlijkse groei van 1% aan bos, wat tegen 2030 moet resulteren in 700 hectare extra beplanting, ondersteund door subsidieregelingen. Tot slot blijft openheid een karakteristiek element van het Groningse landschap, vooral in het Oldambt en aan de Waddenkust. Hoewel de openheid aan de randen van deze gebieden licht is afgenomen, is in veel onbebouwde gebieden nog steeds veel openheid te ervaren.

Aanwezigheid verschillende landschappen Naast de kwaliteit is ook de kwantiteit van verschillende landschapselementen een bepalende factor in de algemene landschapskwaliteit. In de Regionale Monitor Brede Welvaart monitort het CBS vier verschillende indicatoren die deze aanwezigheid meten: Aandeel natuur- en bosgebied in totaal landoppervlak, natuurgebied per inwoner, afstand tot open-

81

VERDIEPING BIODIVERSITEIT EN LANDSCHAPSKWALITEIT

baar groen en groenblauwe ruimte. Deze indicatoren vergelijken we net als andere indicatoren voor alle aardbevingsgemeenten (+n) en de provincie met hun respectievelijke referentiegroep.

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

Natuur- en bosgebieden EEMSDELTA

GRONINGEN

HET HOGELAND

MIDDENGRONINGEN

OLDAMBT

PROVINCIE GRONINGEN

Meest recente waarde

Meest recente waarde

Meest recente waarde

Meest recente waarde

Meest recente waarde

Meest recente waarde

Natuur- en bosgebieden (2017)

3,10%

6,30%

10,20%

6,90%

7,40%

6,00%

Gemiddelde in de referentiegroep

11,20%

13,10%

9,10%

8,50%

19,70%

14,90%

• Het aandeel landoppervlak in de provincie wat gekenmerkt wordt als natuur- of bosgebied is erg laag. Met slechts 6%

van de Groninger gemeenten (10,2%). In de vijf jaar voor het

natuur- en bosgebied scoort de provincie Groningen het laagste

laatste meetpunt (2012-2017) zag de provincie Groningen een

van de Nederlandse provincies.

daling van 0,2% terwijl landelijk een groei is waargenomen van

• Binnen de provincie zijn de verschillen aanzienlijk, maar elke gemeente behalve de gemeente Het Hogeland scoort onder het gemiddelde van de referentiegroep. Het laagst scoort de

82

gemeente Eemsdelta met 3,1%. Het Hogeland scoort het hoogst

VERDIEPING BIODIVERSITEIT EN LANDSCHAPSKWALITEIT

0,3%. Van alle Groninger gemeenten zag alleen Midden-Groningen een bovengemiddelde groei in natuur- en bosgebieden (1,5%).

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

Natuurgebied per inwoner EEMSDELTA

GRONINGEN

HET HOGELAND

MIDDENGRONINGEN

OLDAMBT

PROVINCIE GRONINGEN

Meest recente waarde

Meest recente waarde

Meest recente waarde

Meest recente waarde

Meest recente waarde

Meest recente waarde

Natuurgebied per inwoner (2017)

17,8

5,5

102,6

31,2

44

24

Gemiddelde in de referentiegroep

86,3

7,7

64,9

29

84,1

29

• Vanwege het lage aandeel natuur- en bosgebied in de pro-

vincie Groningen ligt ook de hoeveelheid natuurgebied per

Midden-Groningen scoort hier, in tegenstelling tot bij het aan-

inwoner in de provincie onder het landelijk gemiddelde. Of een

deel natuur- en bosgebied

gemeente in de provincie hoger of lager scoort in waarde is sterk afhankelijk van de bevolkingsdichtheid. In Het Hogeland, de dunst bevolkte gemeente, ligt de hoeveelheid natuurgebied per inwoner vele malen boven gemiddeld en ook hoger dan het gemiddelde van de referentiegroep met 102,6 hectare per 1.000 inwoners. De dichtstbevolkte gemeente, gemeente Groningen scoort met 5,5 hectare per 1.000 inwoners een stuk lager en

83

ook onder het gemiddelde van de referentiegroep. De gemeente

VERDIEPING BIODIVERSITEIT EN LANDSCHAPSKWALITEIT

• De negatieve ontwikkeling die te zien was bij de hoeveelheid natuur in de provincie zorgde samen met een groei in de bevolking ook voor een negatieve ontwikkeling in de hoeveelheid natuurgebied per inwoner in de provincie Groningen. In Nederland bleef het aandeel gelijk. Alleen de gemeente Groningen (+1,5 hectare per 1.000 inwoners) en Midden-Groningen (+5,5 hectare) zagen een stijging in de periode 2012-2017.

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

Afstand tot openbaar groen EEMSDELTA

GRONINGEN

HET HOGELAND

MIDDENGRONINGEN

OLDAMBT

PROVINCIE GRONINGEN

Meest recente waarde

Meest recente waarde

Meest recente waarde

Meest recente waarde

Meest recente waarde

Meest recente waarde

Afstand tot openbaar groen (2017)

0,6

0,3

0,9

0,4

0,4

0,5

Gemiddelde in de referentiegroep

0,5

0,4

0,6

0,6

0,6

0,5

• Ondanks het lage aandeel natuur- en bosgebied in de provincie,

• In de, qua oppervlakte, grotere gemeenten, Het Hogeland en

is de gemiddelde afstand voor bewoners tot openbaar groen

Eemsdelta, ligt de gemiddelde afstand die bewoners moeten

gelijk aan het landelijk gemiddelde. Doordat onder openbaar

afleggen tot openbaar groen boven het gemiddelde van de refe-

groen ook parken en plantsoenen vallen, weegt de korte gemid-

rentiegroep. Voor de andere gemeenten geldt dat de afstand

delde afstand tot openbaar groen van bewoners in de gemeente

tot openbaar groen kleiner is dan de gemiddelden van de res-

Groningen (0,3 km) vanwege het grote aandeel in de bevolking

pectievelijke referentiegroepen.

(ca. 40%) zwaar mee in het provinciale gemiddelde. Het provinciale cijfer is gelijk aan het landelijke cijfer.

84

VERDIEPING BIODIVERSITEIT EN LANDSCHAPSKWALITEIT

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

Groenblauwe ruimte, exclusief reguliere landbouw EEMSDELTA

GRONINGEN

HET HOGELAND

MIDDENGRONINGEN

OLDAMBT

PROVINCIE GRONINGEN

Index: 2018 = 100

Meest recente waarde

Index: 2018 = 100

Meest recente waarde

Index: 2018 = 100

Meest recente waarde

Index: 2018 = 100

Meest recente waarde

Index: 2018 = 100

Meest recente waarde

Index: 2018 = 100

Meest recente waarde

Groenblauwe ruimte, exclusief reguliere landbouw (2021)

101,8

2645,4

98,7

244,7

120,4

9371,6

101,2

1082,3

99,3

2816,1

106,3

1603,2

Gemiddelde in de referentiegroep

109,7

2284

99,9

188,2

98,9

2918,6

95,2

1118,6

98

1694,5

100,4

912,1

• Groenblauwe ruimte omvat bijna alle groene en/of natuurlijke

• In de gemeenten Het Hogeland, Midden-Groningen en Oldambt

gebieden in zowel stad als platteland exclusief reguliere land-

ontwikkelde de groenblauwe ruimte per inwoner zich positie-

bouw en de Noordzee, denk hierbij ook aan bermen, bosjes of

ver dan in de referentiegroep. Voor Het Hogeland en Midden-­

kleine wateren. De provincie Groningen heeft in 2021 gemiddeld

Groningen was dit ook een toename ten opzichte van de uit-

1603,2 vierkante meter aan groenblauwe ruimte per inwoner. Bij

gangssituatie, terwijl in Oldambt de groenblauwe ruimte minder

gebrek aan landelijke data, wordt deze waarde hier vergeleken

snel afnam dan in de referentiegroep.

met een gewogen gemiddelde van Nederlandse gemeenten en inwoners. Dan ligt de groenblauwe ruimte in Groningen een stuk hoger dan dat gemiddelde. Ook was de ontwikkeling ten opzichte van de uitgangssituatie voorafgaand aan Nationaal Programma Groningen hoger.

• De gemeente Eemsdelta liet wel een positieve ontwikkeling zien van het aantal vierkante meters groenblauwe ruimte, maar deze ontwikkeling was minder positief dan het gemiddelde van de referentiegroep. De gemeente Groningen kende een hardere daling dan het gemiddelde van haar referentiegroep.

• Binnen de provincie zijn er veel verschillen. Inwoners uit de gemeente Groningen hebben het laagste areaal (244,7 m2), inwoners uit het Hogeland veruit het hoogst (9371,6 m2).

85

VERDIEPING BIODIVERSITEIT EN LANDSCHAPSKWALITEIT

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

Ervaren kwaliteit van het Groninger landschap In de Monitor wordt eens per 2 jaar de ervaren kwaliteit van de fysieke leefomgeving door Groningers getoetst via het

EEMSDELTA

KWALITEIT VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING (LANDSCHAP)

Groninger panel. In Monitor 2023 gaf dat de volgende beoordeling van het Groninger landschap.

GRONINGEN

HET HOGELAND

MIDDENGRONINGEN

OLDAMBT

PROVINCIE GRONINGEN

Gebruikte eenheid ontwikkeling

Peiljaar Monitor 2023

Verandering t.o.v. 2020

Meest recente waarde

Verandering t.o.v. 2020

Meest recente waarde

Verandering t.o.v. 2020

Meest recente waarde

Verandering t.o.v. 2020

Meest recente waarde

Verandering t.o.v. 2020

Meest recente waarde

Verandering t.o.v. 2020

Meest recente waarde

Rapportcijfer aantrekkelijkheid landschap in provincie Groningen

Index: 2020=100

2022

101,3

8,1

100,0

7,9

98,8

8,1

102,6

8,0

96,2

7,5

100,0

8,0

Welke aspecten van het Groninger landschap zijn het belangrijkste?

Top 3 antwoorden

2022

1. Weidsheid 2. Rust 3. Cultuurlandschap

1. Weidsheid 2. Rust 3. Cultuurlandschap

Percentage dat vond dat de kwaliteit van het Groningse landschap de laatste 5 jaar (erg) vooruit is gegaan

Procentpunt ontwikkeling ten opzichte van 2020

2022

-0,2

-3,8

18,3%

16,8%

1. Weidsheid 2. Rust 3. Cultuurlandschap

0,1

16,2%

1. Weidsheid 2. Rust 3. Gevarieerdheid

-9,8

21,1%

1. Rust 2. Weidsheid 3. Bos

+3,9

16,7%

1. Weidsheid 2. Rust 3. Cultuurlandschap

-2,5

17,6%

• In de ervaren aantrekkelijkheid van het Groningse landschap

ten neemt het percentage af, van een zeer lichte afname in Het

zijn in 2022 relatief weinig veranderingen ten opzichte van

Hogeland en Eemsdelta tot een flinke afname van 9,8%-punt

2020. Voor de provincie blijft het gemiddelde cijfer dat Gro-

in Midden-Groningen. De gemeente Oldambt springt eruit met

ningers geven gelijk met een 8,0. Per gemeente schommelt de

juist een stijging: in 2020 vond 12,8% van de inwoners nog dat

waarde enigszins, waarbij alleen de gemeente Oldambt opvalt

de kwaliteit van het landschap was verbeterd, in 2022 was dit

met een daling van 3,8% ten opzichte van 2020.

16,7%. Opvallend is dat het algemene rapportcijfer door inwo-

• Als we kijken naar de ervaren ontwikkeling van de landschapskwaliteit zien we dat in de meeste gemeenten minder mensen

ners van Oldambt juist lager is dan in 2020.

• In alle gemeenten worden de rust en weidsheid van het Gro-

dan in 2020 vinden dat de kwaliteit van het Groningse land-

ningse landschap benoemd als belangrijkste aspecten. Ook het

schap in de laatste vijf jaar (erg) vooruitging. Dit percentage

cultuurlandschap komt in verschillende gemeenten terug.

nam van 20,1% in 2020 af naar 17,5% in 2022. In alle gemeen-

86

VERDIEPING BIODIVERSITEIT EN LANDSCHAPSKWALITEIT

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

5

Output Om de doelen op het gebied van de vier ambities te realiseren ondersteunt Nationaal Programma Groningen een groot aantal projecten. In dit hoofdstuk kijken we naar de voortgang van deze ­projecten. Dit hoofdstuk bevat:

• Projectenanalyse: in 5.1 kijken we naar de samenstelling van de projectenportefeuille, de voortgang van projecten en afgeronde projecten tot en met 31 december 2023.

5.1 Projectenanalyse Het doel van de projectenanalyse is vroegtijdig in beeld te brengen op welke ambities vanuit de inzet van het programma effecten te verwachten zijn én waar deze effecten in de regio landen. De Monitor geeft daarmee een eerste beeld van de beoogde effecten van Nationaal Programma Groningen. Gedurende de looptijd van het programma ­verwachten we vanuit de monitoring ook inzicht te krijgen in h ­ oeverre ontwikkelingen in de outcome-indicatoren en impact v ­ ariabelen verklaard kunnen worden vanuit afgeronde ­projecten in de projectenportefeuille. In de analyse maken we onderscheid tussen: 1. Samenstelling van de portefeuille; 2. Voortgang van de projecten ten opzichte van Monitor 2023; 3. Afgeronde projecten ten opzichte van Monitor 2023.

87

De conclusies en gepresenteerde cijfers in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op een analyse van de projectaanvragen en aangeleverde data vanuit Nationaal Programma Groningen. Deze projectaanvragen worden opgesteld door de indiener en technisch beoordeeld door het programmabureau. Sinds medio 2020 doet een externe beoordelingscommissie de inhoudelijke beoordeling van deze projectaanvragen. Om een beeld te krijgen van de ontwikkelingen van een aantal specifieke programma’s (o.a. de bewonersinitiatieven) hebben we daarnaast het jaarverslag over 2023 geraadpleegd. In de grafieken op de volgende bladzijde hebben we de huidige stand van de projecten en programma’s onder Nationaal Programma Groningen inzichtelijk gemaakt. Onder Nationaal Programma Groningen hangen verschillende deelprogramma’s: lokale programma’s, speciale programma’s en een provinciaal programma. In dit hoofdstuk maken we onderscheid tussen:

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

• Gereserveerde middelen: dit zijn de totaal beschikbare midde-

• Uitgegeven middelen: dit zijn programmamiddelen die binnen

len per programma, binnen de huidige afspraken - de ruimte

deze goedgekeurde projecten ook daadwerkelijk zijn uitgege-

die nog overblijft nadat de huidige projecten van middelen zijn

ven.

voorzien duiden we hier aan als ‘resterend budget’;

• Toegewezen middelen: dit zijn programmamiddelen die aan goedgekeurde projecten gegund zijn; €220 Lokale programma’s

TOEGEKEND

€200

UITGEGEVEN

€180 €160 €140

Provinciaal programma

TOEGEKEND UITGEGEVEN

€120 €80 €100 €80 €60

Speciale programma’s x miljoen €0

€50

€100

€150

€200

2018-2022

2023

Resterend budget

€250

€200

TOEGEKEND

€40

UITGEGEVEN

€20 €0

€350

x miljoen

Economie

Werken en Leren

Bedrag in monitor 2023

Provinciaal programma

Leefbaarheid

Natuur en Klimaat

Nieuw t.o.v. van vorig jaar

TOEGEKEND UITGEGEVEN

31-12-23 TOEGEKEND

Oldambt

UITGEGEVEN

TOEGEKEND

MiddenGroningen

UITGEGEVEN

TOEGEKEND

Het Hogeland

31-12-22

UITGEGEVEN

TOEGEKEND

Groningen

UITGEGEVEN

0

50 Voorbereiding

Eemsdelta

100 Uitvoering

150

200 Afgerond

250

300

aantal projecten

TOEGEKEND UITGEGEVEN

TOEGEKEND

Toukomst

UITGEGEVEN

€0 x miljoen

88

OUTPUT

€25 2018-2022

€50 2023

€75

€100

€125

€150

€175

€200

€225

Resterend budget

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

5.1.1 Samenstelling projectenportefeuille In 2019 hebben de samenwerkende overheden een eerste financiële verdeling gemaakt, waarbij de middelen zijn verdeeld over het provinciale programma en de programma’s van de vijf deelnemende gemeenten (lokale programma’s). Daarnaast zijn er speciale programma’s die vanuit Nationaal Programma Groningen zijn geïnitieerd of waaraan het programma een financiële bijdrage levert, waaronder Toukomst. Binnen Nationaal Programma Groningen is voor de looptijd van het programma in totaal €1,17 miljard aan startkapitaal beschikbaar, waarvan tot op heden €873 miljoen gereserveerd is en €672 miljoen toegekend aan projecten. Er blijft binnen de huidige afspraken dus €201 miljoen over voor nieuwe projecten. Naast de gereserveerde €873 miljoen is er nog €297 miljoen te verdelen binnen het programma.

• In totaal is nu 76,9% van de gereserveerde middelen aan projecten toegekend, vorig jaar was dat 77,3%. De daling van het percentage middelen dat is toegekend wordt verklaard doordat, als onderdeel van de aanvullende bestuursovereenkomst, begin 2023 extra middelen zijn gereserveerd voor de uitvoering van de verschillende programma’s. In 2023 is in totaal €46 miljoen toegekend aan nieuwe projecten. Dat is ruim €30 miljoen minder dan in 2022. De daling wordt met name verklaard doordat er in het programma Toukomst (onderdeel van de Speciale programma’s) in 2023 flink minder middelen werden toegekend. De daling wordt verklaard vanuit het feit dat reeds in 2021 en 2022 al veel van de voor het programma Toukomst gereserveerde middelen is toegekend aan projecten.

programmaperiode verschilt sterk per gemeente. Per 1 januari 2023 kwam voor vijf gemeenten gezamenlijk een aanvullend bedrag van 114,75 miljoen euro beschikbaar. Deze extra gereserveerde middelen zijn bestemd voor de uitvoering van projecten in het resterende deel van de programmaperiode. De mate waarin gereserveerde middelen zijn toegekend aan projecten verschilt net als in eerdere jaren nog altijd sterk. Met name in Midden-Groningen zijn relatief veel van de gereserveerde

OUTPUT

werden ook in 2023 de meeste middelen aan projecten toegekend. In de overige gemeenten is mede door extra gereserveerde middelen nog ruimte om in het resterende deel van de programmaperiode nieuwe projecten te ontwikkelen.

• Leefbaarheid blijft de meest bediende ambitie binnen ­Nationaal Programma Groningen. De projecten die in 2023 zijn goedgekeurd door het bestuur, richten zich relatief gezien het meeste op Leefbaarheid en Economie. Natuur & Klimaat en Werken & Leren laten in 2023 een vergelijkbare toename zien in de hoeveelheid programmamiddelen die ingezet worden. De ambitie Leefbaarheid blijft de ambitie waar initiatiefnemers het meest op inzetten gevolgd door Economie. Het absolute verschil met de toegewezen middelen aan de ambities Werken & Leren en Natuur & Klimaat is in 2023 verder opgelopen.

• Nieuwe projecten uit 2023 hebben een verwachte gemiddelde multiplier van 2. Dat betekent dat voor elke euro die vanuit Nationaal Programma Groningen geïnvesteerd wordt, andere partijen ook €1,00 verwachten te investeren. Voor het provinciaal programma is een randvoorwaarde dat minstens 50% van de begroting uit cofinanciering moet bestaan. Net als voorgaande jaren verwachten nieuwe projecten dit te halen; de gemiddelde multiplier van die projecten is 2,7. Projecten uit het lokale programma waar in 2023 middelen aan zijn toegekend hebben gemiddeld genomen een multiplier van 1,9. De gemiddelde multiplier van projecten in 2023 uit de speciale programma’s kwam uit op 1,5.

• De ruimte om nieuwe projecten te ontwikkelen in de resterende

89

middelen (80%) al toegekend aan projecten. In deze gemeente

• In totaal leidt het programma nu tot een verwachte investering (vanuit het programma en vanuit derden) van ongeveer €2,3 miljard, waarvan Nationaal Programma Groningen €629 miljoen voor haar rekening neemt. Cofinanciering is veelal afhankelijk van enkele grote projecten met zeer hoge multipliers: vijf projecten hebben bij elkaar al een investering van €1,2 miljard. Dan gaat het zowel om publieke als private partijen en vooral om grote projecten met hoge multipliers.

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

5.1.2 Voortgang projecten Wanneer middelen zijn toegekend aan projecten, kunnen programmagelden uitgegeven worden en daarmee effect sorteren. Tot en met 2023 is binnen Nationaal Programma Groningen €290 miljoen aan programmamiddelen uitgegeven; dat is 43% van de toegekende middelen en 25% van het totale bedrag dat het programma over haar looptijd beschikbaar heeft.

in 2023 11 projecten meer in de portefeuille dan in 2023. Het aantal projecten in de voorbereidingsfase daalde in het afgelopen jaar. Het aantal projecten in de uitvoeringsfase nam ten opzichte van 2022 daarentegen verder toe. Daarnaast werden er in 2023 16 projecten afgerond.

• Vooral kleine projecten lijken vertraging op te lopen in de uitvoering. Uit de door het programmabureau aangeleverde

• De uitgaven waren in 2023 licht hoger dan in 2022. De uitgaven

cijfers blijkt dat 127 projecten conform de vooraf verwachte

bedroegen in 2023 in totaal ruim €56 miljoen. In 2022 was dat

planning (zijn) verlopen. Bij 35 projecten verliep de uitvoering

volgens de laatst beschikbare cijfers €53 miljoen. De toename

van het project sneller dan verwacht. Bij 130 projecten zien we

in de uitgaven wordt met name verklaard door een toename in

vertraging ten opzichte van de opgegeven einddatum in de

de hoeveelheid programmageld die is uitgegeven binnen het

aanvraag. Gemiddeld genomen ligt de verwachte einddatum

provinciale programma en de lokale programma’s. Binnen het

van de vertraagde projecten 20 maanden later dan de vooraf

speciale programma was sprake van een afname van de hoe-

aangegeven einddatum. Net als in de voorgaande monitor valt

veelheid programmageld die is uitgegeven. De uitgaven binnen

op dat kleinere projecten (projecten waar minder middelen aan

Toukomst zijn wel toegenomen.

zijn toegekend dan gemiddeld) oververtegenwoordigd zijn in de

• Het aantal afgeronde projecten en het aantal projecten in de

populatie van projecten die vertraagd zijn.

uitvoeringsfase groeit. Nationaal Programma Groningen heeft

5.1.3 Afgeronde projecten In totaal zijn er tot en met 2023 76 projecten onder Nationaal Programma Groningen afgerond. Binnen deze projecten is tot op heden €83 miljoen aan programmagelden uitgeven.

• Het aantal afgeronde projecten groeit gestaag. Aan de tot en met 2023 afgeronde projecten is vanuit Nationaal Programma Groningen een bedrag van €115 miljoen toegekend. Dit is bijna 10% van het totaal beschikbare startkapitaal van Nationaal

projecten vanuit het programma een bedrag van €600.000 toegekend. In absolute getallen zijn de meeste projecten afgerond op lokaal niveau, gevolgd door het provinciaal programma. De afgeronde projecten richten zich vooral op de ambitie leefbaarheid, gevolgd door Werken & Leren, Natuur & Klimaat en economie.

• Het is nog vroeg om effecten vanuit Nationaal Programma

Programma Groningen. Onder de in 2023 afgeronde projecten

Groningen op de vier ambitiedoelen te verwachten. Er mag ver-

bevinden zich een tweetal grotere projecten uit de speciale pro-

wacht worden dat projecten vooral effect hebben op de ambi-

gramma’s. Aan deze twee projecten, die verband houden met de

tiedoelen wanneer ze zijn afgerond. Uit Monitor 2023 blijkt dat

versterkingsopgave, is gezamenlijk een bedrag van 70 miljoen

nog geen 10% van het beschikbare startkapitaal op dit moment

euro toegekend. De overige projecten die zijn afgerond zijn

is uitgegeven aan projecten die daadwerkelijk zijn afgerond.

veelal kleinschalig van aard. Gemiddeld genomen is aan deze

90

OUTPUT

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

6

Verantwoording 6.1 De jaarlijkse monitor als onderdeel van een langjarige monitorings- en evaluatiecyclus Nationaal Programma Groningen is een langlopend programma. Het consortium heeft de opdracht gekregen de doelmatigheid, doeltreffendheid en impact van het programma structureel te monitoren en te evalueren. Daartoe ontwikkelt het consortium gedurende de programmaperiode drie producten:

• Een nulmeting (februari 2021) die inzicht geeft in de startpositie van Groningen en de opgaven die aan het begin van de programmaperiode spelen in het gebied.

• Een jaarlijkse monitor (2021 t/m 2029) die inzicht geeft in de voortgang van het programma op het gebied van output (projecten en programma’s), outcome (indicatoren en randvoorwaarden) en impact (brede welvaart en imago).

De informatie die we jaarlijks verzamelen in deze Monitor fungeert als dataverzameling voor een tussen- en een eindevaluatie van Nationaal Programma Groningen op een later moment in de programmaperiode. Hierin beoordelen we de doelmatigheid, doeltreffendheid en impact van het programma in de volle breedte. De ex durante evaluatie zal het karakter hebben van een lerende evaluatie, waarbij lessen worden getrokken voor de dan resterende programmaperiode. De jaarlijkse monitor fungeert als instrument om de

91

voortgang van het programma en de tussenstand als het gaat om realisatie van de programma-ambities, te toetsen. We maken inzichtelijk hoe de, in het Programmakader geformuleerde, ambities ervoor staan. Hiervoor wordt voor de vier programma-ambities een indicatorenset gebruikt. Voor de hoofddoelstellingen op het gebied van brede welvaart en imago zijn speciale instrumenten ontwikkeld. Wanneer het gaat om de projectenportefeuille en de programma’s die zijn ingediend, wordt met name inzichtelijk gemaakt hoe de middelen verdeeld, toegewezen en uitgegeven zijn, hoe gerapporteerd wordt over de randvoorwaarden en welke effecten op basis van de beschikbare documentatie te verwachten zijn op de programma-ambities. Met de monitor laten we daarmee zien hoe Groningen zich ontwikkelt ten opzichte van de startsituatie zoals geschetst in de nulmeting. De ontwikkeling ten opzichte van de nulme-

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

ting wordt weergegeven in een index of in procentpunten51. Per gemeente en per indicator is een kleur toegekend. Deze kleuren geven aan of de gemeente in kwestie zich positief (groen) of negatief of gelijk (rood) ontwikkelt ten opzichte van de gemiddelde ontwikkeling van de referentiegemeenten. De kleur is een weergave van de ambitie van Nationaal Programma Groningen; namelijk beter presteren dan de referentiegroep. Er wordt hier alleen gekeken naar de mate waarin de ontwikkelingen tussen de gemeenten en de referentiegemeenten zich verhouden. Dit staat los van de absolute ontwikkeling binnen de gemeente ten opzichte van de uitgangssituatie.

De monitorings- en evaluatiecyclus van Nationaal Programma Groningen is erop gericht om inzicht te geven in de doelmatigheid, doeltreffendheid en impact van het programma. Hiermee wordt getracht een zo aannemelijk mogelijke verbinding te maken tussen de bestede programmamiddelen (input) en projectresultaten enerzijds en de vier programma-ambities, de brede welvaart in en het imago van Groningen anderzijds. Met andere woorden: we onderzoeken de invloed van uitgevoerde projecten in Groningen op doelvariabelen als bruto toegevoegde waarde en brede welvaart. In Figuur 5 is de genoemde samenhang schematisch weergegeven.

Een integrale beoordeling van deze effecten en randvoorwaarden door het consortium vormt geen onderdeel van de jaarlijkse monitor. Bij de hierboven genoemde evaluatiemomenten wordt wel op verschillende onderdelen hiervan ingegaan. De jaarlijkse monitoringsrapporten vormen een belangrijke informatiebron voor de evaluaties. Er wordt daarnaast om het jaar aanvullende informatie verzameld ten behoeve van de evaluatiemomenten. Dat gaat om een deel van imago en om de ervaren outcome op basis van het Groninger Panel. Voor imago wordt voor de groep Groningers en niet-Groningers een jaarlijkse uitvraag gedaan.

Tegelijkertijd is het vinden van harde causale verbanden tussen de bovengenoemde aspecten om verschillende redenen onmogelijk. De werking van Nationaal Programma Groningen is niet los te zien van de unieke, niet-reproduceerbare sociale context van Groningen. Hierdoor valt het effect van het programma niet als in een laboratorium van haar omgeving te ‘scheiden’. Het programma kan bovendien juist werken dankzij of ondanks de aanwezigheid van contextuele factoren. Daarnaast is een groot aantal externe factoren van invloed op de programma-ambities, de brede welvaart en het imago van Groningen. Zo kan Nationaal Programma Groningen op

INPUT (PROJECT)

UITVOER

OUTPUT

Efficiency (doelmatigheid)

OUTCOME

IMPACT

- Economie - Werken & leren - Leefbaarheid - Natuur & klimaat

- Brede Welvaart - Imago

Effectiviteit (doeltreffendheid)

Resultaten van de projecten

Figuur 2: Samenhang: van input naar impact

51 Voor de huidige monitor is het indexjaar voor alle indicatoren gelijk gezet naar 2018. Dit is het laatste jaar waarin helemaal geen activiteiten plaatsvonden vanuit Nationaal Programma Groningen. Dat betekent dat er geen rechtstreekse vergelijking is met het rapport van de nulmeting. We verwijzen daarom naar de uitgangssituatie in 2018 in plaats van naar het rapport ‘nulmeting Nationaal Programma Groningen’.

92

VERANTWOORDING

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

de ambitie Economie een groot succes zijn, maar kan door macro-economische ontwikkelingen de brede welvaart flink dalen of vice versa.

• We hebben een expertteam ingericht, dat het consortium advi-

Ondanks dat absolute uitspraken over de effectiviteit van beleid hierdoor niet mogelijk zijn, zorgt bewustzijn van deze beperking voor realistische en betekenisvolle evaluaties. Het ontbreken van de mogelijkheid om harde causale verbanden te leggen, betekent dat het de uitdaging en opdracht van het consortium is het verband tussen Nationaal Programma Groningen en de genoemde doelvariabelen zo aannemelijk mogelijk te maken.

• Vanaf 2021 voeren wij de monitoring van het programma jaar-

In de aanpak van de monitorings- en evaluatiecyclus zullen wij diverse activiteiten uitvoeren om de causale validiteit van het onderzoek te maximeren:

genoemd worden deze verschillende onderdelen op verschil-

• We hebben voorafgaand aan de programmaperiode een nulme-

• In de evaluaties zal ook expliciet aandacht worden besteed aan

seert in het duiden van onder meer externe trends en ontwikkelingen en de werking van het programma;

lijks uit en baseren de evaluaties mede hierop, zodat zowel de voortgang van de projecten als de doelvariabelen continu en langjarig in kaart gebracht wordt;

• De evaluaties zullen niet alleen een productevaluatie bevatten waarin naar effectiviteit gekeken wordt, maar ook een procesen planevaluatie, waarin we kijken naar de wijze waarop het programma opgebouwd is en uitgevoerd wordt. Zoals hierboven lende momenten beoordeeld gedurende de looptijd van het programma;

ting uitgevoerd, om zo de startsituatie in de regio in kaart te

de perceptie van de werking van het programma uit drie betrok-

brengen;

kenheidslagen: de uitvoerders van projecten, de doelgroepen

• We hebben instrumenten ontwikkeld om de doelvariabelen op een goede manier in kaart te brengen: de Imago-Index en de BWI-NPG;

van projecten en de inwoners van Groningen. Hiervoor zal onder meer gebruik worden gemaakt van het Groninger Panel, een representatief panel van ruim 6.000 Groningers.

• We hebben per gemeente een referentiegroep samengesteld, waarin zowel de gemiddelde ontwikkeling in het afgelopen jaar als over de gehele programmaperiode uitgelicht wordt;

93

VERANTWOORDING

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

6.2 Indicatoren Het consortium heeft voorafgaand aan de nulmeting de indicatoren uit het monitoringsraamwerk uit het programmakader vertaald naar een set indicatoren. De indicatoren met betrekking tot de vier ambities zijn geselecteerd op basis van de volgende criteria: De mate waarin de indicatoren daadwerkelijk het bedoelde concept (namelijk de vier ambities) meten;

• De openbare beschikbaarheid van data om te voorkomen dat

Als onderdeel van de jaarlijkse monitoring en evaluatie wordt ieder jaar naar de gebruikte set indicatoren gekeken, zodat aangesloten wordt op nieuwe inzichten en nieuwe gegevens. Voorafgaand aan de uitvoering van Monitor 2024 evalueerden we in het kader van een herijking de indicatorenset op volledigheid en dekking van alle thema’s en zeggingskracht. Dit leidde er voor Monitor 2024 toe geleid dat enkele indicatoren zijn aangepast, enkele indicatoren niet meer zijn opgenomen en dat er nieuwe indicatoren zijn toegevoegd.

nieuw onderzoek uitgevoerd moet worden;

• De beschikbaarheid van data op een bruikbaar geografisch schaalniveau, bij voorkeur op gemeenteniveau, zodat een vergelijking met referentiegemeenten mogelijk is;

• De actualiteit van data: van recente datum en bij voorkeur jaarlijks geactualiseerd, zodat de data zoveel mogelijk betrekking heeft op de programmaperiode en jaarlijks de progressie kan worden vastgesteld.

94

VERANTWOORDING

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

6.2.1 Aanpassingen in indicatoren Ten opzichte van de afgelopen monitors zijn vier indicatoren op een andere wijze berekend.

95

VERANTWOORDING

INDICATOR

OMSCHRIJVING

WIJZIGING

W2 - Mediaan van het gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen in euro’s

Het mediaan gestandaardiseerd besteedbaar inkomen per huishouden, in euro. Bij de berekening wordt gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van huishoudens. De mediaan is het middelste getal wanneer alle inkomens van laag naar hoog worden gesorteerd.

De gemiddelde waarden voor de referentiegroep zijn nu afgerond op honderdtallen, gelijk aan de gepresenteerde waarden voor de gemeenten zelf. Dit is aangepast om er voor te zorgen dat de ontwikkelingen tussen de gemeenten en de referentiegroep beter te vergelijken zijn.

L1 - Leefbaarheidsscore

Score voor leefbaarheidssituatie op basis van meer­ dere sub-indicatoren, waarbij 1= zeer onvoldoende, 2=ruim onvoldoende, 3=onvoldoende, 4=zwak 5=vol­ doende, 6=ruim voldoende, 7=goed, 8- zeer goed, 9=uitstekend.

De gemiddelde waarden voor de referentiegroep zijn nu afgerond op hele getallen, gelijk aan de gepresenteerde waarden voor de gemeenten zelf. Dit is aangepast om er voor te zorgen dat de ontwikkelingen tussen de gemeenten en de referentiegroep beter te vergelijken zijn.

N6

Hittestress

De indicatoren voor hittestress en wateroverlast worden niet langer gebruikt in de Monitor omdat ze niet of nauwelijks vernieuwd worden, en dus geen actuele informatie bieden over de ontwikkelingen. In plaats daarvan vangen we deze thema’s voortaan op binnen de set ervaren out­ come-indicatoren, met het percentage mensen dat vaak last had van hitte of wateroverlast in het afgelopen jaar. Deze subjectieve waarden zullen wij verder verifiëren met objectieve gegevens vanuit de Staat van Groningen

N7

Wateroverlast

De indicatoren voor hittestress en wateroverlast worden niet langer gebruikt in de Monitor omdat ze niet of nauwelijks vernieuwd worden, en dus geen actuele informatie bieden over de ontwikkelingen. In plaats daarvan vangen we deze thema’s voortaan op binnen de set ervaren out­ come-indicatoren, met het percentage mensen dat vaak last had van hitte of wateroverlast in het afgelopen jaar. Deze subjectieve waarden zullen wij verder verifiëren met objectieve gegevens vanuit de Staat van Groningen

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

6.2.2 Indicatoren die vanaf Monitor 2024 niet meer worden opgenomen Ten opzichte van de afgelopen monitoren zijn twee indicatoren niet langer opgenomen in de indicatorenset.

96

VERANTWOORDING

INDICATOR

OMSCHRIJVING

WIJZIGING

Digitale vaardigheden (landelijk cijfer)

Percentage inwoners dat toegang heeft tot internet.

De gebruikte gegevens voor deze indicator zeggen iets over het aandeel inwoners dat toegang heeft tot het internet. Daarom zegt de indicator echter niet zozeer iets over digitale vaardigheden. De waarde betreft daar­ naast alleen een landelijk cijfer; deze data is niet openbaar toegankelijk op provinciaal of gemeentelijk niveau.

Ervaren Leefbaarheid

Gemiddeld rapportcijfer voor de eigen ervaren leef­ baarheid.

De ervaren leefbaarheid is bij de aanvang van de monitoring opgenomen als indicator. Het betreft echter data uit het Groninger Panel. Daarom past deze indicator gezien de bron beter bij de ervaren outcome-indicatoren. Deze zal samen met de overige ervaren outcome-indicatoren weer worden gepresenteerd in de Monitor 2025.

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

6.2.3 Nieuwe indicatoren Uit het proces van herijking is naar voren gekomen dat er nieuwe indicatoren toegevoegd kunnen worden aan de indicatorenset. Deze zijn een aanvulling op de bestaande set en dragen bij aan het schetsen van de ontwikkelingen binnen de vier ambities. Ten opzichte van de afgelopen monitoren zijn vier nieuwe indicatoren opgenomen.

INDICATOR

OMSCHRIJVING

WIJZIGING

W7 - Percentage huishoudens met een langdurig laag inkomen

Percentage huishoudens onder de lage inkomens­ grens gedurende een periode van vier jaar.

Deze indicator is opgenomen als aanvulling op de indicatoren mediaan besteedbaar huishoudinkomen en percentage huishoudens met proble­ matische schulden en biedt inzicht in de situatie en de ontwikkeling van armoede.

W8 - Percentage inwoners dat moeite heeft met rondkomen

Percentage inwoners dat moeite heeft met rondko­ men.

Deze indicator is opgenomen als aanvulling op de indicatoren mediaan besteedbaar huishoudinkomen en percentage huishoudens met proble­ matische schulden en biedt inzicht in de situatie en de ontwikkeling van armoede.

W12 - Percentage laaggeletterdheid

Percentage inwoners dat laaggeletterd is.

Deze indicator is opgenomen als aanvulling op de indicatoren rondom leren en opleidingsniveau. Het biedt inzicht over het ‘niet mee kunnen komen of meedoen in de samenleving’.

L3 - Kwaliteit van woning Percentage gelabelde woningen met geldig ener­ gielabel A en hoger

Deze indicator is toegevoegd om de woonsituatie van de inwoners van de regio beter te kunnen monitoren. Onderzoek toont aan dat energielabels een goede voorspeller zijn voor de kwaliteit van woningen. Daarom presen­ teren we cijfers over het aandeel woningen met energielabel A en hoger.

Wij werken de cijfers voor alle indicatoren jaarlijks bij aan de hand van de meest actuele data. Het komt regelmatig voor dat cijfers eerst naar buiten worden gebracht als “voorlopige cijfers” om vervolgens een jaar of enkele jaren later bijgewerkt te worden naar “definitieve cijfers”. Voor sommige indicatoren zijn de cijfers over de afgelopen jaren bijgesteld. Dit kan in sommige gevallen ook met terugwerkende kracht resulteren in een iets andere ontwikkeling tussen de nulmeting, de eerste jaarlijkse meting en de huidige jaarlijkse meting. In bijlage A is meer informatie te vinden over alle gebruikte indicatoren.

97

VERANTWOORDING

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

GRONINGEN

HET HOGELAND

MIDDEN-GRONINGEN

OLDAMBT

EEMSDELTA (APPINGEDAM, LOPPERSUM EN DELFZIJL

Tilburg

Hollands Kroon

Terneuzen

Hellendoorn

Noordoostpolder

Eindhoven

Waadhoeke

Barneveld

Montferland

Berkelland

Nijmegen

Noardeast-Fryslân

Vijfheerenlanden

Dronten

Schagen

Enschede

Midden-Drenthe

Krimpenerwaard

Oude IJsselstreek

Steenwijkerland

Leiden

Leudal

Hardenberg

Raalte

Oude Ijsselstreek

Arnhem

Opsterland

Noordoostpolder

Deurne

Goeree-Overflakkee

Maastricht

Medemblik

Overbetuwe

Gemert-Brakel

Dronten

De Fryske Marren

Doetinchem

Epe

Waadhoeke

Achtkarspelen

Lingewaard

Noordoostpolder

Noardeast-Fryslân

Altena

Hoogeveen

Berg en Dal

Raalte

Tabel 2: Samenstelling referentiegroepen aardbevingsgemeenten

PEKELA

STADSKANAAL

VEENDAM

WESTERKWARTIER

WESTERWOLDE

Voerendaal

Deurne

Beuningen

Hardenberg

Borger-Odoorn

Opmeer

Gemert-Bakel

Gilze en Rijen

Altena

Aa en Hunze

Boekel

Hellendoorn

Haaksbergen

Waadhoeke

De Wolden

Reusel-De Mierden

Montferland

Langedijk*

De Fryske Marren

Buren

Grave*

Epe

Stein

Hollands Kroon

Tubbergen

Kapelle

Echt-Susteren

Aalten

West Betuwe

Borsele

Simpelveld

Halderberge

Ermelo

Noardeast-Fryslân

Veere

Landerd*

Aalten

Winterswijk

Medemblik

Gulpen-Wittem

Bergen (L.)

Noordenveld

Cuijk*

Coevorden

Roerdalen

Beesel

Renkum

Nunspeet

Beekdaelen

Sluis

Tabel 3: Samenstelling referentiegroepen overige gemeenten

*

98

VERANTWOORDING

Deze gemeenten zijn sinds 2022 door gemeentelijke herindelingen opgegaan in andere gemeenten. Deze gemeenten worden vanaf 2022 (met terugwerkende kracht) niet meer meegenomen in het berekenen van de gemiddelden van de groep referentiegemeenten.

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

6.3 Samenstelling van referentiegroepen De realisatie van de ambities en de impact van Nationaal Programma Groningen worden in deze meting beschouwd door te volgen hoe de Groningse gemeenten zich ontwikkelen ten opzichte van de referentiegroep. Elk van de aardbevingsgemeenten in de regio is daartoe ingedeeld in een eigen referentiegroep met vergelijkbare gemeenten uit de rest van Nederland. De ontwikkeling van de outcome indicatoren en de brede welvaart in de referentiegroep dient als referentiekader voor betreffende gemeente. Referentiegroepen bestaan uit een set van referentiegemeenten. Referentiegemeenten zijn gemeenten die qua verstedelijking en inkomen ‘statistisch’ zo dicht mogelijk bij de Groningse gemeenten liggen. Daarbij is ook rekening gehouden met het inwonersaantal. De referentiegroepen zijn tot stand gekomen op basis van 3 dimensies en indicatoren (zie tabel 1):

DIMENSIE

INDICATOR

1. Mate van verstedelijking

Omgevingsadressendichtheid

2. Inkomen

gestandaardiseerd besteedbaar inkomen in 2018

3. Bevolkingsomvang

aantal inwoners op 1 januari 2018

Tabel 1: dimensies en indicatoren t.b.v. referentiegroepen

99

VERANTWOORDING

Per gemeente is voor elk van de 3 dimensies een standaarddeviatie berekend. De referentiegemeenten zijn die gemeenten die op elk van de drie dimensies

• niet meer dan 1,5 standaarddeviatie afwijken van de doelgemeente;

• alsmede per indicator niet meer dan 50% afwijken t.o.v. de doelgemeente; en

• die niet in de provincie Groningen liggen. Op basis van de som van de procentuele verschillen tussen de gemeente en referentiegemeente voor elk van de 3 dimensies, is een rangschikking op basis van gelijkenis gemaakt en de top 10 meest vergelijkbare referentiegemeenten voor elke doelgemeente geselecteerd. In tabel 2 en 3 zijn per gemeente (respectievelijk aardbevingsgemeenten en overige gemeenten de referentiegemeenten opgenomen. Deze gemeenten vormen samen de referentiegroep. De ontwikkeling van de referentiegroep als geheel vormt het referentiekader voor de realisatie van de ambities en impact. De referentiegemeenten blijven in principe gelijk voor de komende 10 jaar, maar wanneer er sprake is van gemeentelijke herindelingen zal daarvoor worden gecorrigeerd. De referentiegemeenten in de referentiegroep staan gerangschikt op de mate van vergelijkbaarheid, de meest vergelijkbare bovenaan. Het kan voorkomen dat een gemeente minder dan 10 referentiegemeenten overhoudt. De reden hiervoor is dat er dan minder gemeenten zijn die in elk van de 3 variabelen minder dan 1,5 standaarddeviatie afwijkt.

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

6.4 Monitoring impact: Brede welvaart, imago Nationaal Programma Groningen streeft met de realisatie van de vier gekozen ambities een verbetering na van de brede welvaart en het imago van Groningen. Om te kunnen volgen in hoeverre de realisatie van de vier ambities daadwerkelijk deze impact heeft, is het zaak de ontwikkeling van de brede welvaart en het imago te monitoren. Bij aanvang van Nationaal Programma Groningen werd zowel het concept brede welvaart als het imago niet (frequent) op regionale schaal gemeten, zoals voor de outcome-indicatoren wel het geval was. Voor beide concepten zijn ten behoeve van de monitorings- en evaluatiecyclus van Nationaal Programma Groningen meetinstrumenten ontwikkeld.

In de structurele monitoring en evaluatie van Nationaal Programma Groningen vertegenwoordigen de inwoners van de regio een centrale positie. Door de persoonlijke ervaring van inwoners langdurig te monitoren, in aanvulling op de objectieve indicatoren, wordt een beeld geschetst van hoe het gaat met Groningers in de context van Nationaal Programma Groningen. We bevragen inwoners via het Groninger Panel tweejaarlijks op hun ervaren brede welvaart op het gebied van werken en leren, leefbaarheid en natuur en milieu. Imago en de Brede Welvaart Index zijn in deze monitor geüpdatet.

6.4.1 Brede welvaart De Brede Welvaart Index (BW)-NPG wordt voor de Monitor jaarlijks berekend op basis van Regionale Monitor Brede Welvaart, een dashboard aan indicatoren van het CBS die gezamenlijk een beeld geven van brede welvaart in gemeenten en regio’s in Nederland. Om voor de provincie Groningen en gemeenten tot één index van brede welvaart te komen, worden de niveaus van de brede welvaart-indicatoren op een gewogen wijze opgesteld. De wegingsfactoren zijn gebaseerd op de relatieve waardering voor de brede welvaart-indicatoren van het Groninger Panel.52

Sociale en maatschappelijke ontwikkelingen en beleidskeuzes kunnen impact hebben op de waardering voor de brede welvaart-indicatoren. Denk aan de Covid-pandemie, aardbevingsdossier, veranderende arbeidsmarkt en de landbouw-, klimaat- en energietransitie. Om de beleidsontwikkeling en

-evaluatie aan te laten sluiten bij mogelijke veranderende voorkeuren van inwoners van Groningen is afgesproken om wegingsfactoren periodiek (iedere 3 tot 4 jaar) te analyseren en bij relevante verschuiving aan te passen, zodat beleidskeuzes aansluiten bij de huidige voorkeuren van de bevolking. In mei 2024 zijn daartoe de wegingsfactoren voor de brede welvaart-indicatoren opnieuw bepaald voor het Groninger Panel. Hierbij is gebruikgemaakt van dezelfde vragenlijst als in 2021 om te toetsen of mogelijke veranderingen in wegingsfactoren statistisch significant zijn. In totaal hebben 2085 mensen de vragenlijst ingevuld. Dit aantal is minder dan de 3018 ingevulde vragenlijsten in 2021. De resultaten zijn representatief gemaakt voor de populatiesamenstelling in de provincie Groningen op basis van geslacht, leeftijd en opleiding.

52 Ooijen, R, Vaart, J. van der, Mierau, J., Regionale welvaartsindex wijst op structurele achterstand Groningen. ESB, 106(4800S), 26 augustus 2021.

100

VERANTWOORDING

M O N I TO R 2024 OUTPUT, OUTCOME EN IMPACT NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2024

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15415163/1