GETEKEND Verordeningen Wmo en Jeugdhulp
Tekst van het document
Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Groningen 2023 De raad van de gemeente Midden-Groningen; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde, zesde en zevende lid, 2.1.4a, eerste, tweede en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; besluit de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Groningen 2023 vast te stellen. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen; b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; c. bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; d. eigen kracht: het feitelijke eigen vermogen van de inwoner om problemen op te lossen of het hoofd te bieden, al dan niet met behulp van het sociale netwerk; formele e.
ondersteuning: hulp die tot een maatwerkvoorciening behoort en die wordt bekostigd vanuit een pgb en wordt verleend op basis van een door het college goedgekeurde overeenkomst met een derde. Als deze derde een natuurlijk persoon is moet bovendien sprake zijn van een hulpverlenend beroep; f. formeel tarief: tarief voor formele ondersteuning; g. gesprek: besprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; h. hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet; i. informele ondersteuning: ondersteuning, ingekocht met een pgb, die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; j. informeel tarief: tarief voor informele ondersteuning; k. melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet; 2.3.2) de plicht cliëntondersteuning gratis beschikbaar te stellen voor inwoners. 1. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; m. sociale netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt; n. vog: verklaring omtrent gedrag o. voorliggende voorziening: algemeen gebruikelijke voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag tegemoet wordt gekomen; p. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Alle begrippen die in deze Verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel 2. Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de wet in de Nadere reels op welke wijze in samenspraak met de inwoner wordt vastgesteld of de inwoner voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Artikel 3. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de inwoner ondervindt, voor zover de inwoner deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. Bij de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden 1 wordt de inwoner in principe ook geacht de beperkingen (financieel) op eigen kracht te kunnen wegnemen, indien sprake is van een gezinsinkomen hoger dan 150% van het bruto wettelijk minimumloon.
De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of; b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de inwoner met psychische of psychosociale problemen en de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de inwoner deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de inwoner aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2. Ten aanzien van een maatwerkvoorciening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een inwoner alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot ondersteuning: a. voorde inwoner redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en b.
voorcienbaar was, maar van de inwoner redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt. 3. Als een maatwerkvoorciening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen;
b. tenzij de inwoner geheel of gedeeltelijk telemoet komt in de veroorzaakte kosten, of c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de inwoner aan maatschappelijke ondersteuning. 4. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. Artikel 4. Inhoud beschikking 1. Het college verstrekt een beschikking voor een tegemoetkoming voor aannemelijk meerkosten als bedoeld in artikel 26 van de Nadere regels of een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of een pcb. 2. In de beschikking wordt de informatie- en medewerkingsplicht opgenomen om op verzoek onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan de inwoner met een beperking redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op de voorziening, dan wel op de aard, de hoogte of de duur daarvan. 3. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorciening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt ook aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder beval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorciening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b.
wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. informatie over de eigen bijdrage; d. hoe de voorziening wordt verstrekt, en e. indien van toepassing welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 5. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. indien van toepassing dat de persoon met beperking de voorziening moet terugbetalen of teruggeven als deze voor afloop van de afschrijvingstermijn niet meer wordt gebruikt; e. informatie over de eigen bijdrage; f. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en g. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 6. Bij het verstrekken van een tegemoetkoming aannemelijke meerkosten kan het college in de beschikking een programma van eisen vastleggen waaraan de aan te schaffen voorziening moet voldoen om verantwoord en duurzaam te zijn en waarin kan worden opgenomen: a. voor welk resultaat de tegemoetkoming kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van de tegemoetkoming; c. wat de hoogte van de tegemoetkoming is en hoe dit is vastgesteld; d.
wat de duur is van de verstrekking waarvoor de tegemoetkoming is bedoeld; e. de wijze van verantwoording van de besteding van de tegemoetkoming; f. dat de persoon met beperking de voorziening moet terugbetalen of teruggeven als deze voor afloop van de afschrijvingstermijn niet meer wordt gebruikt; g. informatie over de eigen bijdrage.
Artikel 5. De voorwaarden voor een pgb 1. Het uitgangspunt is dat de inwoner een voorziening in natura krijgen. Als een inwoner in aanmerking komt voor een individuele voorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dan kan dat alleen als in het pgb-plan wordt gemotiveerd waarom een voorziening in natura niet passend is. 2. Het college beoordeelt of de inwoner of de pgb-beheerder in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. 3. Het college beoordeelt of de ondersteuning die de inwoner met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en is dus veilig, doeltreffend en cliëntgericht. De kwaliteit van de ondersteuning wordt getoetst door middel van het pgb-plan zoals omschreven in het achtste lid. 4. De kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning op basis van het formele tarief voldoet minimaal aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zor~aanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren (zoals opgenomen in het kwaliteitskader). 5. De formele pgb-aanbieden moeten minimaal voldoen aan de onderstaande eisen: a. een VOG van alle betreffende hulpverleners) die de begeleiding uit gaan uitvoeren. Het VOG mag minimaal 3 maanden oud zijn. Bij langlopende indicaties moet er elke 2 jaar een nieuwe VOG aangeleverd worden b.
een diploma passend bij de functie van de betreffende hulpverlener die de begeleiding gaat uitvoeren; c. een keurmerk dat aantoont dat de pgb-aanbieden de benodigde begeleiding kan bieden. Voorbeelden van deze keurmerken zijn: ISO 9001, HKZ (light), Prezo, Keurmerk kwaliteitswaarborg zorgboerderijen, kwaliteitskader gehandicaptenzorg, keurmerk ZOZ (Kiwa), keurmerk ZZP'ers in de zorg (Kiwa). 6. De inwoner is verplicht om gedurende de gebruiksduur de aangeschafte voorziening voldoende te laten onderhouden en, voor zover van toepassing, toereikend te verzekeren. In gevat van een scootmobiel, aangepaste fiets met hulpmotor of elektrische rolstoel is de inwoner verplicht een allriskverzekering af te sluiten gedurende de gebruiksduur van het hulpmiddel. 7. Het college verstrekt een format voor een pgb-plan en de inwoner dient het pgb-plan in bij het college. In dit plan staat in ieder geval: a. welke ondersteuning die tot de individuele voorziening behoort de inwoner van het budget willen betrekken; b. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is; c. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de ondersteuning georganiseerd wordt; d. op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; e. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. Artikel 6.
Voorwaarden informele pgb De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de ondersteuning betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk mits: a. vast staat dat deze hulpverlener in staat is tot het verrichten van de zorg op kwalitatieve, doelmatige en veilige wijze;
b. de ondersteuning aan de inwoner niet leidt tot overbelasting bij de persoon die deze ondersteuning verleent; c. de geboden ondersteuning niet leidt tot onveilige situaties; d. deze persoon het informele tarief betaald krijgt;
Artikel 7. Voorwaarden pgb-beheerder 1. Voor het beheren van een pgb wordt verwacht dat de beoogd budgetbeheerder in ieder geval aan de tien voorwaarden voor pgb-vaardigheid voldoet. Dat betekent dat de beoogd budgetbeheerder: a. de eigen situatie kan overzien, dan wel die van de hulpvrager en een duidelijk beeld heeft van de hulpvraag; b. op de hoogte is van de regels en verplichtingen die horen bij een pgb of weet waar deze informatie te vinden is bij de desbetreffende instanties; c. een overzichtelijke pgb-administratie bij kan houden, waardoor er inzicht is in de bestedingen van het pgb; d. in staat is om voldoende vaardig te communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of het zorgkantoor, de SVB en de hulpverleners; e. zelfstandig kan handelen en onafhankelijk voor een hulpverlener kan kiezen; f. in staat is om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan verstrekkers van het pgb; g. kan beoordelen en beargumenteren of de geleverde hulp passend en kwalitatief goed is; h. in staat is om de inzet van hulpverleners te coordineren, waardoor de hulp door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i. als werk- of opdrachtgever de hulpverleners aan kan sturen en aan kan spreken op hun functioneren; j. Voldoende juridische kennis over het werk- of opdrachtgeverschap, of weet deze kennis te vinden.
Het college acht een persoon niet in staat de aan een pcb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien er sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden: a. problematische schuldenproblematiek; b. ernstige verslavingsproblematiek; c. aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; d. een verstandelijke beperking; e. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; f. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; g. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; h. het niet voldoen aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid, zoals genoemd in het eerste lid. Onverlet het bepaalde in de vorige twee leden wordt een pgb-beheerder alleen geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te kunnen voeren, indien de pgbbeheerder: a. niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht; b. er geen sprake is van een (financiële) relatie tussen de pgb-beheerder en de pgbaanbieder; c. in voldoende nabijheid is in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd;
een inwoner kan maximaal twee keer een pgb-beheerder aandragen. Als dit niet leidt tot een geschikte pgb-beheerder, dan wordt het financieren van een individuele voorziening door middel van een pgb afgewezen. Artikel 8. Toekenning of afwijzing pgb 1. Een pgb is alleen mogelijk indien: a. naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb, en: b. er geen weigeringsgrond van toepassing is zoals omschreven in het vierde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid; c. de ondersteuning in voldoende mate zal bijdragen aan het bereken van het in het plan opgenomen beoogde resultaat; d. erop geen enkele manier druk is uitgeoefend op de inwoner om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van deze persoon of organisatie te betrekken; e. deze wordt besteed in het Europese deel van Nederland. 2. Het college verstrekt geen pgb indien de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten van een individuele voorziening in natura. 3. Het college verstrekt geen pgb indien informele hulp niet leidt tot minimaal een gelijkwaardig niveau van ondersteuning dan bij professionele hulp het geval is, gelet op: a. de frequentie van hulp; b. het type hulp; c. de aard van de hulpvraag waaraan met de verstrekking van het pcb tegemoet wordt gekomen; d. de duur van de hulpvraag; e. de afhankelijkheidsrelatie, en; f.
de mate van verplichting die voortvloeit uit het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden voor de persoon van wie de ondersteuning betrokken wordt. 4. Het college weigert een pgb te verstrekken als het college eerder een beslissing heeft herzien of ingetrokken, omdat: a. de inwoner of de pgb-beheerder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de inwoner of de pgb-beheerder niet heeft voldaan aan de verbonden voorwaarden aan een individuele voorziening of het pgb; c. de inwoner of de pgb-beheerder het pcb niet of voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor het is bestemd; Het college verstrekt geen pgb als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie dan wel ondersteuning die ambtshalve wordt verleend. Het college verstrekt geen pgb voor zover deze is bedoeld voor: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het uitvoeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; f. de maatwerkvoorciening collectief vervoer.
7. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning door een pgb-aanbieder die fraude heeft gepleegd. 8. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een pgb-aanbieder waarbij er twijfels zijn over de integriteit van de pgb-aanbieden. Dat doet zich in ieder geval voor indien de pgbaanbieder: a. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen; b. verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest; c. bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; d. bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom; e. er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de pgb-aanbieden en/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; f, zich niet professioneel gedraagt door intimiderend bedrag of doordat er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie. Verstrekking de vorm van een pgb vindt niet of niet langer plaats als: a.
op grond van aanwijzingen die tijdens het ondersoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de inwoner en/of zijn pgb-beheerder problemen zal hebben bij het omgaan met een pgb; b. er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een pgb in het verleden; c. er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende bezwaren bestaan tegen de verstrekking. Artikel 9. Hoogte pgb en vervoersvoorziening 1. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor een zaak, waaronder een autoaanpassing, rolstoel of woonvoorziening, op basis van de kostprijs van de zaak die de inwoner zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten. 2. De hoogte van het pgb voor een vervoersvoorziening die door de budgethouder wordt aangeschaft, wordt als volgt vastgesteld: de tegenwaarde van de goedkoopst -compenserende voorziening op basis van de op dat moment geldende prijsafspraken met de door de gemeente gecontracteerde leverancier, indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud, reparatie en vercekering.
Indien huurde goedkoopst compenserende voorziening is voor een vervoersvoorziening waarvoor een pgb wordt verstrekt, wordt het pgb als volgt vastgesteld: de tegenwaarde van de huurprijs, inclusief onderhoud, reparatie en verzekering zoals die door de gemeente aan de leverancier wordt betaald. Artikel 10. Hoogte pgb Wmo-ondersteuning 1. Het college stelt afzonderlijke formele pgb-tarieven vast voor de volgende vormen van Wmoondersteuning: a. Hulp bij het huishouden 1; b. Hulp bij het huishouden 2; c. individuele begeleiding basis;
2.
3.
4.
5. 6.
7.
d. individuele begeleiding plus; e. persoonlijke verzorging; f. logeren/respijtzorg basis; g. logeren/respijtzorg plus; h. begeleiding groep plus; i. begeleiding groep basis; j. woonvoorziening; k. vervoer; 1. beschermd wonen. Het tarief voor de in het eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met h benoemde categorieën bedraagt maximaal 70% van het rekenkundig gemiddelde van de ZIN -tarieven van de door ons gecontracteerde zorgaanbieders. Het tarief voor begeleiding groep, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel i, bedraagt maximaal 80% van het rekenkundig gemiddelde van de ZIN -tarieven van de door ons gecontracteerde zorgaanbieders. Het tarief voor woonvoorziening, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel j, bedraagt de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare ondersteuning in natura. Het formele tarief voor vervoer, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel k, bedraagt € 5,41 (retour). Het college stelt afzonderlijke informele pgb-tarieven vast voor de volgende vormen van Wmoondersteuning: a. huishoudelijke hulp 1: € 15,60 per uur; b. ondersteuning: € 15,60 per uur; c. verblijf/logeren: € 23,33 per etmaal; d. vervoer: € 2,70 (retour).
Een maandelijkse uitbetaling voor de voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, c, d, hen i, is voor formele en informele aanbieders niet mogelijk.
Artikel 11. Hoogte pgb beschermd wonen beschermd wonen (formeel en ZZP) op de onderdelen: 1. 'verblijf accommodatie met toezicht op afroep of 24 uurs toezicht' bedraagt maximaal 100% van het inkooptarief zorg in natura (ZIN) minus het huisvestingscomponent, indien de zorg/ondersteuning wordt ingekocht bij een instelling die wat betreft aard en kwaliteit vergelijkbaar is met een gecontracteerde instelling. Indién de zorg door een ZZP'er wordt ingekocht bedraagt het tarief maximaal 85%van het inkooptarief ZIN, na aftrek huisvestingscomponent; 2. woonbegeleiding complex (intra- en extramuraal) bedraagt 100% van het inkooptarief ZIN per uur en ingeval van inkoop via ZZP'er maximaal 85% van het inkooptarief ZIN; 3. `Thuis Plus' voor de bandbreedte 1-3 uur, 4-6 uur en 7- 10 uur per week bedraagt indien de ondersteuning wordt ingekocht bij een instelling die wat betreft aard en kwaliteit vergelijkbaar is met een gecontracteerde instelling 100% en ingeval van inkoop via ZZP'er maximaal 85% van het inkooptarief ZIN; 4. activering en participatie bedraagt 100% van het inkooptarief ZIN per dagdeel en kan, indien noodzakelijk, een door het college vast te stellen adequaat tarief voor vervoer worden gehanteerd;
5. en wordt jaarlijks per 1 januari opnieuw afgeleid van de dan geldende ZIN tarieven.
Artikel 12. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb's en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. In de gemeente Midden-Groningen worden geen bij verordening aangewezen algemene voorzieningen aangeboden als bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid van de wet. 3. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoofste € 19,00 per maand voor de ongehuwde inwoner of de gehuwde inwoners tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een laffere bijdrage is verschuldigd. 4. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid van de wet is een inwoner een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van de maatwerkvoorzienin~ collectief vervoer. Deze bijdrage is: a. voor inwoners welke een beschikking hebben ontvangyen voor collectief vervoer en hun geregistreerde huisgenoten een instaptarief van € 1,30 en een kilometerprijs van € 0,23; b. voor medereizigers die geen geregistreerd huisgenoot zijn € 0,48 per kilometer. 5.
In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid van de wet is een inwoner een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van de maatwerkvoorziening wasservice. Deze bijdrage is € 3,50 per wasbeurt, op basis van vijf kilo was per wasbeurt inclusief drogen, opbouwen, halen en brengen. 6. Een inwoner is geen eigen bijdrage verschuldigd voor de maatwerkvoorziening begeleiding gezinsondersteuning. 7. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. pgb is lelijk aan de hoogte van het pgb; c. algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. 8. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. 9. De bijdrage voor een maatwerkvoorzienin~ of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verwek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een inwoner. Artikel 13. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.
Met inachtneming van en toepassing van het toetsingskader kwaliteit Wmo zorgen aanbieders voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de inwoner; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;
c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor dein de toepasselijke sector erkende keurmerken; e. te voldoen aan de governance-code van hun sector; f. te voorzien in een actief kwaliteitsbeleid; ~. de ondersteuning tot stand te brengen in overleg met inwoner zowel op individueel als collectief niveau. 2. Onverminderd andere handhavin~sbevoe~dheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 14. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieden en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.
De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweld en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 3. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorciening. Artikel 15. Voorkoming en bestrijding van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb's en misbruiken oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 1. Het college informeert inwoners of hun vertegenwoordigers in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pcb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een inwoner aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. 3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a.
de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de inwoner niet langer op de maatwerkvoorciening, de zorg in natura of het pcb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de inwoner langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet;
4.
5.
6. 7. 8.
e. de inwoner niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of f. de inwoner de maatwerkvoorziening of het pcb niet of voor een ander doel gebruikt. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 3 maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Als het college een beslissing op grond van het derde lid, aanhef en onderdeel a heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de inwoner opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de inwoner en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. In geval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit en recht- en doelmatigheid van de geleverde zorg en ondersteuning, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en de bestedingen van pgb's.
Artikel 16.Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een inwoner een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 15, derde lid, onderdeel d. 3. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Artikel 17. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van inwoners in de gemeente bestaat. Artikel 18. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college geeft invulling aan de tegemoetkoming meerkosten voor personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problematiek door op aanvraag bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, derde lid, Participatiewet te verlenen aan personen met een laag inkomen. 2.
Het college bepaalt in beleidsregels op grond van artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht en artikel 35 Participatiewet (Beleidsregels bijzondere bijstand) in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt.
Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1 ° een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2° de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e.
indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. Artikel 20. Algemene voorziening dak- en thuislozen zonder verblijfsalternatief Het college draagt binnen het kader van de opvang voor dak- en thuislozen zonder verblijfsalternatief zorg voor de mogelijkheid van kortdurend onderdak, in elk geval met een slaapplaats indien noodzakelijk, en verder al dan niet inclusief voeding, douche en eventueel andere diensten of faciliteiten gedurende de nacht en de dag. Artikel 21. Maatwerkvoorziening opvang 1. Een inwoner kan in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als hij: a. feitelijk of residentieel dakloos is, en b. niet in staat is zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven, en c. niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid op kunnen heffen.
Een slachtoffer van huiselijk geweld kan in aanmerking komen voor opvang als deze:
a. slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, en vanwege aspecten van veiligheid de thuissituatie moet verlaten, of indien sprake is van kindermishandeling en opvang van kinderen) met de beschermende ouder/verzorger in de opvang noodzakelijk is, en b. 18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen, en c. geen mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige situatie te creëren, of in alternatieve huisvesting te voorzien. 3. Het college draait zorg voor kortdurend voltijdopvang naar aanleiding van een crisissituatie, op voor specifiek dat doel bestemde plekken, voor maatschappelijke opvang gedurende maximaal drie aaneengesloten dagen, en in geval van huiselijk geweld maximaal gedurende tien dagen. Artikel 22. Beschermd wonen Een inwoner kan in aanmerking komen voor beschermd wonen als: a. hij toezicht en begeleiding nodig heeft, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch of psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziekte beeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast, of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen; b. een psychische of psychosociale problemen heeft, en c.
hij niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen. Artikel 23. Bijdrage verblijf beschermd wonen 1. Een inwoner is voor verblijf in beschermd wonen een bijdrage verschuldigd. 2. Inwoner maf bij opvang niet minder overhouden na het heffen van de bijdrage dan een bedrag aan zak- en kleedgeld, waarbij de zak- en kleedgeldgrens gelijk is aan het van toepassing zijnde bedrag, vermeld in artikel 23, eerste lid van de Participatiewet, zoals dat geldtin het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie gecorrigeerd met de zorgtoeslag en inclusief vakantiegeld, overeenkomstig artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag. Artikel 24. Bijdrage verblijf in opvang 1. Een inwoner is voor verblijf in opvang een bijdrage verschuldigd. 2. De bijdrage voor opvang is gelijk aan de kostprijs voor het verblijf, met inachtneming van paragraaf vier van hoofdstuk drie van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 3. Onder de kostprijs van maatschappelijke opvang wordt de prijs verstaan waarvoor de gemeente opvang voor een inwoner heeft ingekocht. 4.
Inwoner mag bij opvang niet minder overhouden na het heffen van de bijdrage dan een bedra aan zak- en kleedgeld, waarbij de zak- en kleedgeld~rens gelijk is aan het van toepassing zijnde bedrag, vermeld in artikel 23, eerste lid van de Participatiewet, zoals dat geldtin het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie gecorrigeerd met de zorgtoeslag en inclusief vakantiegeld, overeenkomstig volgens artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag. 5. Indien de instelling bij vottijdopvang of crisisopvang aan de inwoner geen voeding verstrekt, dient de instelling de inwoner een bedrag per dag beschikbaar te stellen voor het inkopen van
voedingsmiddelen. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting jaarlijks berekent als gemiddelde kosten voor voeding per dag. 6. Afwezigheid uit de opvang, anders dan in verband met beëindiging van de opvang, wordt voor de verschuldigdheid van de bijdrage buiten beschouwing gelaten. 7. Een inwoner is geen bijdrage verschuldigd, indien hij een vergoeding voor huisvesting betaalt aan een instelling. 8. Voor dagopvang, nachtopvang en noodopvang voor personen die de huiselijke situatie hebben verlaten in verband met risico's voor hun veiligheid als gevold van huiselijk geweld is voor maximaal drie dagyen geen bijdrage verschuldigd. 9. Een inwoner is bij maatschappelijke opvang geen bijdrage verschuldigd als hij tijdens zijn verblijf woonkosten is verschuldigd als hoofdbewoner voor de woning die hij heeft verlaten in verband met risico's voor de veiligheid in verband met huiselijk geweld. 10. De door het college aangewezen instellingen voor maatschappelijke opvang en opvang van personen die de huiselijke situatie hebben verlaten in verband met risico's voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld zijn verplicht de vastgestelde bijdrage van de inwoner te innen in alle gevallen dat de bijdrage niet door de gemeente wordt ingehouden op de bijstandsuitkering of inkomensvoorziening van de inwoner. 11.
Het college stelt de bijdrage voor opvang vast. Artikel 25. Klachtregeling 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen. Artikel 26. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stelten een regeling vast voor de medezeggenschap van inwoner over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoe~dheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen. Artikel 27. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste en tweede lid.
Artikel 28. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd, beginnend een jaar na de inwerkingtreding van de verordening. Het college zendt hiertoe telkens om de vier jaar beginnend een jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een versla. Artikel 29. Hardheidsclausule Het college kan van deze verordening afwijken, voor zover strikte toepassing ervan, gelet op het met deze verordening nagestreefde belang, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel 30. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Groningen 2021, vastgesteld op 17 december 2020, wordt per 1 januari 2023 ingetrokken. 2. Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van dein het eerste lid genoemde verordening tot de dag waarop het college een nieuw besluit neemt, waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Op aanvragen die zijn ingediend onder de in het eerste lid genoemde verordening en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, is de verordening uit het eerste lid van toepassing. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de in het eerste lid genoemde verordening wordt beslist op basis van die verordening. Artikel 31.
Inwerkingtreding en citeertitel Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Groningen 2023. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 22 december 2022. De Voorzitter,
De Gn'ff'ier.
~~_
Verordening Jeugdhulp gemeente Midden-Groningen 2023 De raad van de gemeente Midden-Groningen; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; besluit de Verordening Jeugdhulp Midden-Groningen 2023 vast te stellen.
Hoofdstuk 1-Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders; b. cliëntondersteuner: persoon die jeugdige en/of ouders) op hun verzoek ondersteunt bij het gehele proces van hulpvraag tot hulpverlening; c. eigen kracht: de feitelijke eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van jeugdige en/of ouders om problemen op te lossen of het hoofd te bieden, al dan niet met behulp van het sociaal netwerk; d. hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet; e. individuele voorziening: op de jeugdige en/of zijn ouders toegesneden jeugdhulp die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt; f. persoonsgebonden budget (pgb): het door het college verstrekte budget dat een jeugdige of ouders) in staat stelt een individuele voorciening op grond van de Jeugdwet bij derden in te kopen, zoals bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet; g.
voorliggende voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, onder meer op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, waar recht op is voorafgaand aan een voorziening op grond van de Jeugdwet; h. sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of ouder een sociale relatie onderhoudt; i. wet: de Jeugdwet. Alle begrippen die in deze Verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet bescherming persoonsgegevens en de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Hoofdstuk 2- Vormen van jeugdhulp Artikel 2. Vormen van jeugdhulp De volgende vormen van jeugdhulp zijn beschikbaar:
1. Algemene voorzieningen, te weten: a. versterken sociale context; b. basisondersteuning. 2. Individuele voorzieningen. 3. Het college stelt bij nadere regels vast welke algemene en individuele voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid beschikbaar zijn.
Hoofdstuk 3- Procedure en voorwaarden toegang Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van (gecontracteerde) jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en/of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Indien de huisarts, medisch specialist en/of jeugdarts verwijst naar een niet-gecontracteerde aanbieden, terwijl de gemeente soortgelijke passende jeugdhulp kan bieden bij een jeugdhulpaanbieder die wel gecontracteerd is, dan vergoedt de gemeente de inzet van de nietgecontracteerde aanbieden niet. De jeugdige en/of de ouders) zijn dan verantwoordelijk voor het betalen van de kosten van deze jeugdhulp. Dit geldt alleen voor zorg in natura en niet voor een pgb. 3. Als de jeugdige en/of zijn ouders hierom verzoeken, ofwel het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan vast in een beschikking als bedoeld in artikel 11. Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdige en/of ouders) kunnen een behoefte aan jeugdhulp melden bij het college.
Als de jeugdige en/of ouders) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijken wijst de jeugdige en zijn ouders tijdens het onderzoek, bedoeld zoals in artikel 5, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning en op de mogelijkheid om binnen twee weken een familiegroepsplan op te stellen. Als de jeugdige en/of ouders) daarom verweken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. 3. In spoedeisende gevallen beslist het college na een melding onmiddellijk tot verstrekking van een tijdelijke individuele voorciening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige of zijn ouders of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. 4. Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemene voorziening. Artikel 5, Onderzoek naar de behoeftes, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Het college doorloopt voor het onderzoek in samenspraak met de jeugdige of ouders) zo spoedig mogelijk na ontvangst van de melding de volgende stappen: a. het vaststellen van de hulpvraag van jeugdige en/of ouder(s); b. onderzoeken of deze gemeente verantwoordelijk is op basis van het woonplaatsbeginsel;
2. 3. 4. 5.
c. onderzoeken of de Jeugdwet van toepassing is; d. het in kaart brengen van de beperkingen/problematiek van jeugdige en/of ouder(s); i. of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen, en zo ja, welke problemen of stoornissen dat zijn; e. bepalen welke hulp nodig is, door onderzoek te doen naar: i. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouders, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; ii. welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te broeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; iii, hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders; f. het in kaart brengen van de eigen krachtmogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (eigen kracht) van jeugdige en/of ouder(s), door te onderzoeken: i. of de ouder in staat is de noodzakelijke hulp te bieden; ii.
of de ouder beschikbaar is om de noodzakelijke hulp te verlenen; iii. of het bieden van de noodzakelijke hulp niet tot overbelasting dreigt; iv. of ouders niet in de financiële problemen komen door het bieden van hulp; g. onderzoeken of er aanspraak is op een voorliggende voorziening; h. onderzoeken of er aanspraak is op een algemene voorziening; i. als het recht op een individuele voorziening is vastgesteld worden jeugdige en/of ouders) géinformeerd over de mogelijkheid van het aanvragen van een pgb; j. indien een pgb wordt aangevraagd door jeugdige en/of ouders) wordt er beoordeeld of er aan de voorwaarden van een pgb wordt voldaan, als bedoeld in artikel 12 van deze verordening. Als de jeugdige of zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek. Het college en de jeugdige en/of ouders) leggen het gesprek, het onderzoek en de conclusies daaruit vast in het hulpverleningsplan. Het college informeert de jeugdige of ouders) over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige en/of ouders) medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige of zijn ouders dan wel de wettelijk vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
Artikel 6. Verplichtingen jeugdige en/of ouders) 1. De jeugdige en/of ouders) verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het ondersoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 2. De jeugdige en/of ouders) verschaffen het college alle nodige medewerking voor het beoordelen van de hulpvraag en voor het uitvoeren van jeugdhulp.
Artikel 7. Verslag 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van de uitkomsten van het onderzoek. 2. Maximaal 6 weken na het gesprek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders een verslag van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden aan het versla toegevoegd. Artikel 8. Aanvraag 1. Jeugdigen en/of ouders) kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. 2. Het plan of een ondertekend verslag van het onderzoek wordt beschouwd als aanvraag voor jeugdhulp. Artikel 9. Voorwaarden voor een individuele voorziening 1. Onverminderd dat jeugdhulp ook toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een algemene voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. 2. Onder eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt in ieder geval verstaan: a.
noodzakelijke ondersteuning van ouders ook al is die meer dan bij een ander kind van dezelfde leeftijd en hulp van andere personen uit het sociale netwerk; b. aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten; c. gebruik maken van een algemene voorciening, of; d. gebruik maken van een voorziening vanuit een ander wettelijk kader. 3. Indien jeugdige en/of ouders) de hulpvraag zelf kunnen oplossen door middel van eigen mogelijkheden en/of het probleemoplossend vermogen verstrekt het college geen individuele voorziening. 4. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening. 5. Het college verleent geen individuele voorziening als het hulpverleningstraject waarvoor de jeugdige en/of ouders de voorzieningen aanvragen op het moment van aanvraag al is afgerond. 6. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of ouder voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken: a. als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en; b. voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 7.
De voorziening als bedoeld in het zesde lid kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag.
8. Het vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing als de ingezette voorziening tot stand is gekomen door een eerste verwijzing van de huisarts, medisch specialist en/of jeugdarts. 9. Het college kan nadere regels vaststellen over de voorwaarden voor een individuele voorziening. Artikel 10. Deskundig oordeel en advies Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. Artikel 11. Beschikking 1. Als de jeugdige en/of ouders) verzoeken om een beschikking, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking. 2. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorciening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt ook aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder beval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is, en c. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 4. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pcb. Artikel 12. De voorwaarden voor een pgb 1. Het uitgangspunt is dat jeu~di~en en ouders een voorziening in natura krijgen. Als een cliënt in aanmerking komt voor een individuele voorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dan kan dat alleen als een voorziening in natura niet passend is. 2. Het college beoordeelt of de client of de pgb-beheerder in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. 3. Het college beoordeelt of de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en is dus veilig, doeltreffend en cliëntgericht. De kwaliteit van de ondersteuning wordt getoetst door middel van het budgetplan zoals omschreven in artikel 14 lid 1. 4. De kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning op basis van het formele tarief voldoet minimaal aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren. 5. De pgb-aanbieders die werken moeten minimaal voldoen aan de onderstaande eisen: a.
ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel;
b. passend opgeleid personeel in dienst hebben; c. BIG- of SKJ-geregistreerd zijn; d. een verklaring omtrent het gedrag van alle werknemers (en eventueel vrijwilligers) kunnen overleggen; e. beschikken over een volledig geïntegreerd kwaliteitssysteem dat voldoet aan de landelijke eisen. Artikel 13. Toekenning of afwijzing pgb 1. Een pgb is alleen mogelijk indien: a. naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb, en: b. er heen weigeringsgrond van toepassing is zoals omschreven in lid 4, 5, 6. 7 en 8; c. de ondersteuning in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het gezinsplan opgenomen beoogde resultaat; d. er op geen enkele manier druk is uitgeoefend op cliënt om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. 2. Het college verstrekt geen pgb indien de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten van een individuele voorziening in natura. 3. Het college verstrekt heen pgb indien informele hulp niet leidt tot minimaal een gelijkwaardig niveau van ondersteuning dan bij professionele hulp het geval is, gelet op: a. de frequentie van hulp; b. het type hulp; c. de aard van de hulpvraag waaraan met de verstrekking van het pcb tegemoet wordt gekomen; d. de duur van de hulpvraag; e. de afhankelijkheidsrelatie, en; f.
de mate van verplichting die voortvloeit uit het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden voor de persoon van wie de jeugdhulp betrokken wordt. 4. Het college weigert een pgb te verstrekken als het college eerder een beslissing heeft herzien of ingetrokken, omdat: a. de cliënt of de pgb-beheerder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt of de pgb-beheerder niet heeft voldaan aan de verbonden voorwaarden aan een individuele voorziening of het pcb; c. de cliënt of de pgb-beheerder het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor het is bestemd. Het college verstrekt geen pgb als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie dan wel ondersteuning die ambtshalve wordt verleend. Het college verstrekt geen pgb voor zover deze is bedoeld voor: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het uitvoeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering.
7. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning door een pgb-aanbieden die fraude heeft gepleegd. 8. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een pgb-aanbieden waarbij er twijfels zijn over de integriteit van de pgb-aanbieden. Dat doet zich in ieder geval voor indien de pgbaanbieder: a. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen; b. verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest; c. bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft dekregen; d. bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom; e. er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de pgb-aanbieden en/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; f, zich niet professioneel gedraagt door intimiderend bedrag of doordat er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie. Verstrekking de vorm van een pgb vindt niet of niet langer plaats als: a.