CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

82 1 Definitief rapport onderzoek Joods Vastgoed

Raadsvergadering 6 april 2023, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen/Lange Termijn Agenda raad/Toezeggingen57.153 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

1 18 43 21 12 8 1 32 16 8 160

Mannen geboren 1893-1927 (16-49 jaar) 4 91 1 2 4 5 30 19 6 24 17 28 11 242

Vrouwen geboren 1893-1927 (16-49 jaar) 6 24 55 27 2 20 23 5 31 28 5 2 228

Mannen Geboren 1892 of eerder (50 en ouder) 2 13 22 49 19 9 20 22 5 12 9 6

Vrouwen Geboren 1892 of eerder (50 en ouder)

188

210

19 69 23 13 15 37 8 8 13 5

totaal

6 121 84 218 94 29 97 109 25 107 83 51 14 102847

In de bovenstaande tabel 7 wordt een beeld gegeven van de overlijdensdata van de door de Nazi’s vermoorde Joden in het onderzochte gebied.48 Onder de vermoorden zijn diegenen gerekend die zijn

45

Ulreich, ’s Nachts droom ik van vrede, 71. https://www.archieven.nl/nl/zoeken?mivast=0&mizig=18&miadt=298&miaet=1&micode=244&minr=1240584&miview=ldt. 47 Van drie Joden was de exacte overlijdensdatum om verschillende redenen onbekend. 48 Bij de overlijdensdata in tabel 7 is steeds uitgegaan van de dag van overlijden die vermeld staat in de Burgerlijke Stand. Dat geldt overigens ook voor de vermelde overlijdensdata genoemd elders in de tekst. Opgemerkt moet worden dat wat betreft de Joden die vermoord zijn in Oost-Europa tijdens de Tweede 46

22

overleden in een concentratiekamp, waaronder ook Westerbork, diegenen die overleden zijn in de onderduik, maar ook alle anderen waar de dood schijnbaar direct of indirect aan de Duitse bezetting te wijten lijkt te zijn. Overigens zijn Joden die voor zover kan nagegaan worden op een natuurlijke wijze overleden hierbij niet meegenomen. De meeste Joden die stierven in het gebied zelf waren in 1942-1943 tamelijk oud. Met een zoals gemeld vergrijsde bevolking van ruim 1.000 personen is het niet verwonderlijk dat er jaarlijks een aantal Joden stierven. In het Joods Monument worden enkele gewoon in de woonplaats zelf overleden Joden overigens wel genoemd.49 Een voorbeeld daarvan is de in 1877 geboren Winschoter slager Alie Cohen, die op 30 oktober 1942 kort voor de deportaties overleed op 65-jarige leeftijd. Heel helder wordt uit tabel 7 het effect van de Duitse strategie. De in eerste instantie voor werk opgeroepen mannen werden het eerst vermoord. Begin oktober 1942 was al ongeveer een derde van de mannen tot vijftig jaar om het leven gekomen, veelal in Auschwitz. In de volgende drie maanden werd begonnen met het deporteren van hun vrouwen en kinderen vanuit Westerbork naar de gaskamers, terwijl eigenlijk maar weinig Groninger mannen in de kracht van hun leven omgebracht werden.

De oudere mannen en vrouwen werden deels iets later via Westerbork naar Auschwitz gezonden, echter eind april 1943 waren deze Joden ouder dan 50 jaar al grotendeels vermoord. Slechts zo’n 20 % daarvan was toen nog in leven. In mei-juni 1943 werd nog een aantal Joodse gezinnen met kinderen vermoord in Sobibor. Het waren vooral Groninger mannen beneden de 50 jaar die eind 1943 nog in leven waren (zie tabel 8) en in de daaropvolgende kleine anderhalf jaar de dood vonden in de Holocaust, meestal tijdens arbeid verricht in een concentratiekamp. De overlijdensakten geven veelvuldig als overlijdensplaats aan ‘ergens in Midden-Europa’, zonder het kamp te specificeren.

Tabel 8. Overlijdensplaatsen vermoorde Joden gedurende de Tweede Wereldoorlog.

1-2 / 13-7 1942 25-7 1942 / 28-2 1943 5-3 / 31-12 1943 8-1 1944 / 9-5 1945 Totaal

Westerbork en elders Nederland

Auschwitz

Sobibor

1 9 8 3 21

615 57 35 707

248 248

Overige concentratiekampen e.a. in buitenland 5 10 28 10 53

totaal

6 644 324 65 102950

De vrouwen, kinderen en ouderen die vanaf midden 1943 vermoord werden waren ten dele gepakt tijdens de onderduik en daarna omgebracht in Auschwitz. Zo zaten Herman de Vries (geboren 1930) en Elsien Lezer (geboren 1934) ondergedoken bij Hendrik Bos aan de Brinklaan te Schildwolde, samen met haar ouders Jonas Lezer (geboren 1898) en Sara Leviet (geboren 1895). Ze werden verraden, op 6 oktober 1943 naar Westerbork vervoerd, op 25 januari 1944 op de trein naar

Wereldoorlog, deze data soms benaderingen zijn en niet exact, omdat de precieze overlijdensdatum gedurende de Holocaust niet altijd achterhaald kon worden. 49 De vermoedelijk aan ‘natuurlijke’ oorzaken overleden Joden zijn niet in deze cijfers meegenomen. 50 Van twee Joden was de overlijdensdatum onvoldoende nauwkeurig bekend.

23

Auschwitz gezet en drie dagen later vergast.51 De in 1935 geboren Arno Salomons uit Winschoten werd op zijn onderduikadres in de Zaanstreek gepakt en op 26 maart 1944 vermoord in Auschwitz, zijn broertje Max Simon Salomons geboren in 1937 overleefde de onderduik overigens wel. Hun ouders werden eind augustus 1942 gepakt in de trein in België op de vlucht naar Zwitserland en later vermoord.52 Bij sommige later in de oorlog vermoorde Joden gaat het om personen die de concentratiekampen nog lang overleefd hebben, zoals Betti Cohen (1913-1944) en haar dochter Roosje Valk (1937-1944) uit Wildervank, die al op 4 oktober 1942 in Westerbork kwamen en pas op 4 september 1944 op de trein gezet werden naar concentratiekamp Theresienstadt. Echter een maand later op 4 oktober 1944 werden zij doorgezonden naar het vernietigingskamp Auschwitz en twee dagen later vergast.53 Vader Jacob Valk was al op 29 september 1944 naar Auschwitz gezonden en overleed volgens zijn overlijdensakte 28 februari 1945 ergens in Midden-Europa.

Grafiek 2: Overlijdensdata vermoorde Joden onderzoeksgebied Groninger Platteland 1942-1945 250

200

150

100

50

0 jan. 1942

jul 1942

jan. 1943

jul 1943

jan. 1944

jul 1944

jan. 1945

De helft van de vermoorde Joden was al dood eind december 1942, zoals blijkt uit grafiek 2. De genocide op de Joodse bevolkingsgroep wonende op het Groninger platteland vertrok zich 51

Voor meer informatie over het gezin Lezer zie: Bakker, De Kehille Veendam; Bakker, Sporen die achter blijven, hoofdstuk 8. 52 https://www.archieven.nl/nl/zoeken?mivast=0&mizig=18&miadt=298&miaet=1&micode=244&minr=1240584&miview=ldt (dagboek Abraham Salomons, broer cq oom); https://www.joodsmonument.nl/nl/page/496311/alexander-salomons-and-his-family. Het overleven van Max Simon wordt daar als onzeker vermeld. Echter zijn persoonskaart (ArOa, AGW), laat zien dat het jongetje in 1945 vanuit Zoeterwoude naar Winschoten kwam en in 1951 naar Israël vertrok. 53 https://www.shvw.nl/Stichting_Herdenkingsstenen_Veendam_Wildervank/Namenlijst/Betti_Cohen, idem Jacob Valk.

24

razendsnel vanaf eind juli 1942. In een iets lager tempo ging het door in de volgende vijf maanden, zodat eind mei 1943 ruim 75 % van de oorspronkelijke Joodse bevolking vermoord was. Een vergelijking van de overlijdensdata van de vermoorde Joden op het Groninger platteland met de aantallen personen die vanuit Westerbork gedeporteerd zijn naar de concentratiekampen maakt duidelijk dat de Joden in het onderzoeksgebied inderdaad relatief vroeg zijn opgepakt en afgevoerd naar vooral Auschwitz.54 Denkelijk is dit vroege oppakken een belangrijk deel van de verklaring van het zeer lage aandeel van 10 % van de Joden in het onderzoeksgebied dat de Holocaust overleefde. De vroege deportatie van vooral die groepen Joden die het meest geneigd waren om onder te duiken beperkte de overlevingskansen. Op het moment van hun deportatie naar Westerbork was nog minder dan later duidelijk hoe enorm het gevaar was. Uitstel van deportatie naar Westerbork gaf zo meer tijd om de urgentie van de noodzaak om onder te duiken te laten doordringen; en ook meer tijd om een onderduikadres te zoeken en de onderduik voor te bereiden. Voor het overgrote deel van de Joden was onderduiken namelijk de enige manier om aan de genocide te ontsnappen. De grotere overlevingskansen van de heel weinige “gesperrte” Joden in het gebied (zie hierna) laten dit wel zien.

Dat onderduikers erg kwetsbaar konden zijn, toont het einde van het echtpaar Siegfried Klein (18741942) en Dina de Vries (1889-1942), dat in het Stadskanaalster deel van Wildervank woonde. Op 11 november dachten ze uiteindelijk een veilig onderduikadres gevonden te hebben (hun beide dochters waren al eerder ondergedoken).55 Ze werden echter kennelijk meteen doodgeschoten vanwege hun meegenomen geld en bezittingen en daarna in een akker in Gasselterboerveenschemond stiekem begraven. De dader of daders zijn nooit gepakt. Omdat de deportatie van jonge gezonde mannen zo vroeg begon, was het nodig om echt vroeg onder te duiken. Een voorbeeld is het jonge echtpaar Herbert Israel Watermann (1914-1993) en Lientje Klein (1917-2010), dat eerst te Nieuweschans en daarna te Winschoten woonde. Zij vonden onderdak in Nieuw-Beerta, samen met de broers Jakob Levie (1906-1955) en Levie Levie (1903-1976) uit Beerta. Van graanhandelaar Herbert Watermann wordt gemeld dat hij zo snel is ondergedoken op advies van enige boeren met wie hij zaken deed.56 De in het redden van Joden zeer actieve Nederlands-Hervormde predikant Bastiaan Jan Ader van Nieuw-Beerta speelde bij dit onderduiken een grote rol. Hij werd opgepakt en op 20 november 1944 gefusilleerd. Als succesvol een onderduikadres gevonden was in de tweede helft van 1942, was er het doorlopende gevaar om alsnog opgepakt te worden.

Een deel van de onderduikers in het onderzoeksgebied trof dat lot. Uit de onderduik opgepakte Joden werden – nadat ze aangekomen waren in Westerbork – vrijwel altijd spoedig op de trein naar Auschwitz gezet, zoals de reeds genoemde familie van Jonas Lezer uit Veendam. De familie van Rubel Bollegraaf dook mogelijk onder bij boer Veldman te Schildwolde, maar werd vermoedelijk verraden. Op de boerderij werden op 18 september 1943 onder andere zeven Joodse onderduikers ontdekt.57 Zij vonden allen de dood, net als Veldman, die op 23 maart 1945 in Dachau

54

Cijfers voor deportatie uit: Luijters, De gedeporteerde en vermoorde Joodse, Roma en Sinti kinderen, 33-35. Een nauwkeuriger vergelijking hiervan met de deportatiedata van Joden uit het onderzoeksgebied zou dit nog preciezer aantonen. Dit vergt echter verder onderzoek. 55 https://www.groningen4045.nl/75-verhalen/in-leven-en-sterven-niet-gescheiden---de-moord-op-siegfrieden-dina-klein. 56 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Westerwolde, 211-212. 57 https://www.joodsmonument.nl/nl/page/123114/rubel-bollegraaf, 22 september 2022, waarbij wel een slag om de arm gehouden wordt of dit de familie van Rubel Bollegraaf betreft.

25

overleed aan uitputting. In het boek van Boon en Lettinck over de Joodse gemeenschappen in OostGroningen staat echter een afwijkend verhaal vermeld. De hele familie zat ondergedoken in de gemeente Slochteren, ‘maar één keer hield men familieberaad in de stad. Dat bleek fataal: de hele familie werd toen gearresteerd’.58 Onder deze Joodse onderduikers bevond zich in elk geval ook Sara Bollegraaf, die na de deportatie van haar man Lazarus van Dam in juni 1942 van Leek naar Slochteren verhuisde. Haar baby Freerk (Frits) van Dam (geboren 6 mei 1942) werd apart bij een pleegmoeder in de stad Groningen ondergebracht en overleefde zo wel de oorlog.59 Desondanks gaf onderduiken toch veruit de grootste kans voor Joden om de Tweede Wereldoorlog te overleven. Van de meerderheid van de overlevende Joden is een onderduikverhaal bekend. Het kinderloze echtpaar Comprecht Eckstein (onderwijzer) en Rosetta Lezer te Muntendam werd herfst 1942 een onderduikadres aangeboden door plaatsgenoot en aannemer Hendrik Kroeze. Zo wisten ze als enige Joodse Muntendammers de oorlog te overleven in een kelder onder het kantoor van het aannemingsbedrijf.60 Het echtpaar Davied Benjamin Bamberg (onderwijzer te Winschoten) en Berendje Levitus dook al op 16 augustus 1942 onder in Zuidlaren.

Hun in 1938 geboren zoontje zat zeer lange tijd te Nieuwlande bij Hoogeveen ondergedoken.61 Het waren al met al dus vooral vrouwen en oudere Joden die nog niet gedeporteerd waren die laatste maanden van 1942 en begin 1943. Zo wordt van het echtpaar David Gans en Rosette Gans te Grijpskerk gemeld, dat ze vele pogingen hebben gedaan om een onderduikadres te vinden.62 In eerste instantie bleef de zoektocht zonder succes, echter ze zouden op het punt hebben gestaan onder te duiken, toen David op 6 februari 1943 werd gearresteerd. Op 13 maart 1943 werd Rosette bij een razzia opgepakt. Het echtpaar werd al op 17 maart vanuit Westerbork naar Sobibor gezonden en daar op 20 maart vermoord. Hun beide dochters Elli Allegonda Denneboom-Gans (1910-1991) wonende te Leek en Allegonda Mietje de Beer-Gans (1913-1966) wonende te Groningen vonden in januari 1943 wel een onderduikadres op een boerderij bij Leutingewolde en later op een watermolen aan het Leekstermeer, waar ze zaten samen met Henrietta Frieda Polak-Van Beets (1902-1952) uit Leek. Van al deze drie vrouwen waren de echtgenoten reeds in de zomer van 1942 opgepakt en later in Auschwitz vermoord.

Veelvuldig wordt in de literatuur gemeld dat Joden niet wilden onderduiken, zoals de moeder van onderduiker Herbert Watermann genaamd Johanna Watermann-Lowenstein (1891-1943), een weduwe wonende te Winschoten.63 Een ander voorbeeld vormen de zeer oude ongehuwde broer en zuster Jonas Israëls (1859-1943) en Roosje Israëls (1856-1943) te Zuidhorn. Een oproep aan de burgemeester van Zuidhorn van 26 november 1942 schijnt door hem genegeerd te zijn. Gemeld wordt ook dat de beide oudjes een aanbod om onder te duiken afsloegen.64 Op 11 maart 1943 kwamen ze alsnog aan in Westerbork en ruim een maand later werden ze vergast in Sobibor. In Winsum zou geen van de Joden onderduiken. Gesteld wordt dat ‘ze vreesden niet alleen voor hun eigen leven, maar waren ook bang dat als ze zouden proberen om onder te duiken, de rest van hun familie daarvoor gestraft zou worden’.65 Zo wist de Winsumer Jood Michiel de Vries dat ze in Polen 58

Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 169. https://www.museumjoodseschooltje.nl/archief/bezoek/. 60 https://oorlogsverhalen.com/oorlogsverhalen/comprecht-en-rozetta-eckstein-lezer/. 61 Meppelink, ‘oud-onderduikers Nieuwlande’. 62 https://www.wkregister.nl/personen/rosetta-gans/, 6 juni 2022 (bevat wel enkele onjuistheden in de personalia). 63 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Westerwolde, 212. 64 https://www.joodsmonument.nl/nl/page/222578/jonas-isra%C3%ABls. 65 https://www.dewinsumsesjoel.nl/?page_id=9532. Zie ook vergelijkbare meldingen: Van der Berg, De Joodse Gemeenschappen in Noordwest-Groningen, 49-50. 59

26

een beroerde tijd zouden doormaken, maar de andere optie: onzekerheid en afhankelijkheid van anderen lokte hem nog minder, wordt geschreven. Van Elsina (Ellie) Oudgenoeg, vrouw van Izaäk de Vries – die twee jonge kinderen had – wordt gemeld dat onderduiken, toen haar dat vlak voor de deportatie werd aangeboden, volgens haar betekende dat ‘we zeker dood’ gaan.66 Veel tijd hadden ze niet om onder te duiken, want al op 12 november 1942 werden de laatste Winsumer Joden gedeporteerd67 en veelal al kort daarna vermoord. De Duitse Joden Hermann Stern, een gevluchte voormalige bankbediende, en Paula May wisten in Winschoten ook betrekkelijk lang aan deportatie te ontsnappen, denkelijk omdat hij als soldaat in het Duitse leger zwaargewond was tijdens de Eerste Wereldoorlog.68 Echter op 4 februari 1943 werden ze toch naar Westerbork gestuurd en op 20 april 1943 naar Theresienstadt, waar ze nog ruim een jaar geleefd hebben, totdat Paula stierf op 14 september 1944. Kort daarna werd Hermann doorgezonden naar Auschwitz en daar vermoord. Hun in 1930 geboren dochtertje Marion Ilse overleefde de oorlog, omdat ze in 1938 vanuit Duitsland met één van de kindertransporten mee mocht. Spectaculair was de ontsnapping van de op 14 juli 1942 in Winschoten voor de wet gehuwde Judik – die meestal Judith genoemd wordt – Wolff (1919-2010) en Abraham Salomons (1917-2002), een schoenenhandelaar.

In augustus namen ze de trein naar Amsterdam en verbrandden onderweg de Jodensterren. Enige tijd later wisten ze dankzij grote betalingen met behulp van valse papieren met de trein via Brussel, Parijs en Besançon veilig in Zwitserland aan te komen. Van zijn vlucht en verblijf in Zwitserland heeft Abraham een uitgebreid dagboek bijgehouden.69 Ondanks dit succesverhaal kan niet gesteld worden dat de nabijheid van de Duitse grens, en zo een mogelijk grotere bewustheid van het gevaar dat het Duitse nationaalsocialisme voor Joden inhield in Winschoten in het algemeen ieidde tot een grotere neiging tot onderduiken. Anders kan het heel hoge percentage van 91 % vermoorde Joden in die plaats niet verklaard worden (zie tabel 9). Enkele Joden slaagden er eind 1942, begin 1943 nog in te verhuizen naar het inmiddels gecreëerde Joodse getto in Amsterdam. Zo vestigden de ongehuwde zusters Carolina Bloemendal (1868-1944) en Flora Bloemendal (1878-1970) zich op 21 december 1942 vanuit de Burgemeester Venemastraat 18 te Winschoten op het adres Weesperplein 1 in Amsterdam.70 Dit gaf hen extra tijd om in onderduik te gaan. De oude Carolina overleed in 1944 op haar onderduikadres in Utrecht en werd in het geheim begraven; Flora overleefde de Bezetting. De gepensioneerde onderwijzer Samuel (Sam) de Lange (1879-1943) trad in september 1942 op als plaatselijke vertegenwoordiger van de Joodse Raad.

Hij en zijn vrouw Sientje Bernard (1885-1943) kwamen op 8 januari 1943 met hun nog thuiswonende dochter Debora aan in Amsterdam, vanuit Hoogezand, Westerparkstraat 6. Hun andere dochter Froukje Debora (1916-2005), die al in 1939 Hoogezand had verwisseld voor Amsterdam, was daar een van de vier vaste secretaresses van de Joodse Raad geworden. Zij had zo een invloedrijke positie verworven en wellicht eerst gezorgd voor een Sperr en later geregeld dat haar ouders ook naar Amsterdam mochten verhuizen. Korte tijd zou

66

Hamburger en Regtien, Een Joodse Erfenis in Winsum, 34. Regtien e.a., Een wandeling door Joods Winsum, 6. 68 https://www.geni.com/people/Hermann-Stern/6000000018107924933. 69 https://www.archieven.nl/nl/zoeken?mivast=0&mizig=18&miadt=298&miaet=1&micode=244&minr=1240584&miview=ldt (scans dagboek); Zie ook: Stijkel, ‘Dagboek Winschoter schoenhandelaar Abraham Salomons’. 70 https://archief.amsterdam/indexen/, archiefkaart Flora Bloemendal. 67

27

ze daar met haar ouders samenwonen aan de Ingogostraat 4.71 Uiteindelijk zouden de twee dochters en ook de zoon de oorlog overleven, twee ervan in onderduik, terwijl Froukje Debora onder meer concentratiekamp Bergen Belsen overleefde. De ouders Samuel de Lange en Sientje Bernard wilden mei 1943 ook onderduiken, maar werden onderweg opgepakt en 11 juni 1943 in Sobibor vermoord.72 Hoewel in een dagboek van een Rotterdamse Joodse onderduikster gemeld wordt dat in februari 1943 alle “gesperrden” in Groningen en Friesland waren opgehaald,73 is dat niet helemaal waar. De Leekster godsdienstleraar Karel Elburg (1904-1991) met zijn vrouw Frederika van Dam (1914-2004) en hun in 1940 geboren zoontje Barend lijken namelijk nog later vertrokken te zijn. Hun verhuizing van Leek, huisnummer A161, naar Amsterdam, Retiefstraat 48-III staat officieel geregistreerd op de datum 9 maart 1943.74 Karel had voor zijn gezin ook een Sperr, een stempel van de Zentralstelle fur Jüdische Auswanderung in Amsterdam, in zijn persoonsbewijs.75 Uiteindelijk overleefde het gezin Elburg na een ontsnapping uit de Hollandsche Schouwburg de oorlog in onderduik in Hoensbroek (Zuid-Limburg).76 Enkelen slechts wisten de oorlog in de concentratiekampen te overleven.

Abraham (Bram) Gudema (1913-1969) werd al op 18 augustus 1942 afgevoerd naar Westerbork.77 Via bevriende marechaussees kon hij een baan bij de Joodse Ordedienst (OD) van Westerbork krijgen en in die positie deportatie naar een vernietigingskamp vermijden, net als zijn zojuist gehuwde en al in paragraaf 2.1 genoemde vrouw Marieke (Mimi) Cohen (1916-2002). Ook broer Aron Levie Gudema (1910-1975), slager in Winschoten, overleefde Westerbork; eerst omdat hij hielp met de opbouw van het kamp, later werd ook hij lid van de Ordedienst. Hij was net als zijn broer zeer kort voor de deportaties – op 29 juli 1942 – getrouwd met Johanna (Hanna) Meijer (1918-2003). Hanna overleefde de oorlog ook in Westerbork, mede omdat ze claimde slechts twee Joodse grootouders te hebben, maar denkelijk ook dankzij haar baantje bij de kampdistributie als voormalig gemeenteambtenaar. Maurits Leo de Levie (1919) uit Winschoten wist ook binnen een maand na aankomst in Westerbork lid te worden van de Ordedienst, waardoor hij kon overleven.78 Aardappelhandelaar Simon de Beer (1893-1976) uit Hoogezand was meester van de aardappelkelder te Westerbork, en wist op die manier met zijn vrouw Heika (Rika) van den Berg (1901-1996) de oorlog te overleven.79 Hun beide 71

Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 158; Ulreich, ’s Nachts droom ik van vrede, 7173, 90-91, 117, 295-296. Vergelijk ook p. 58, over het regelen van een Sperr voor kennissen en verwanten door Froukje Debora van Dam; https://archief.amsterdam/indexen/, archiefkaarten Samuel, Froukje Debora en Abraham Louis de Lange. De zoon, eerder wonende te Rotterdam, werd in juni 1943 administrateur van het Gesticht van Ouden en Zieken in Amsterdam. Hij overleefde de oorlog in onderduik, maar overleed kort daarna in oktober 1946. 72 Ulreich, ’s Nachts droom ik van vrede, 105-106, 117, 142-145. 73 Ulreich, ’s Nachts droom ik van vrede, 90. Zie ook Venhuis, De Joods-Etnische zuivering, 132-135. 74 https://archief.amsterdam/indexen/, archiefkaart Karel Elburg. Over Elburg ook: Van Klinken, ‘Het ontstaan van de joodse gemeente Leek’, 194. 75 ArWk, AgLk, dossierinv. 1077 (inventaris deel II), inv.nr. 669, politiemaatregelen, 1943-1952; inv.nr. 673, Aanmeldingsplicht voor bepaalde personen, 1941-1944. Vermeld in een brief van de burgemeester van Leek aan de commandant van de Sicherheitspolizei in Groningen van 28 november 1942, waarin hij schreef dat alle Joden waren afgevoerd naar de stad met uitzondering van twee oude mensen, die volgens de chef gemeenteveldwachter B.J.J. Casemier te ziek waren om te vervoeren.

76 https://www.limburger.nl/cnt/dmf20161120_00028967; http://www.humanitarisme.nl/personen/index.php?m=family&id=I456537. 77 Over deze twee echtparen Gudema: https://bevrijdingsportretten.nl/portret/de-familie-gudema/. 78 https://bevrijdingsportretten.nl/portret/maurits-de-levie/. 79 https://westerborkportretten.nl/bevrijdingsportretten/simon-en-rika-de-beer.

28

zoons Maurits en Abraham (geboren in 1922 en 1925) waren echter al in augustus en september 1942 in Auschwitz vermoord. Het Veendammer echtpaar Meijer Vleesblok (1906-1992) en Jeannette Klein (1907-1976) overleefde de oorlog ook in Westerbork. Als plaatsvervangend groepsleider van de buitendienst van het kamp en als verpleegster hadden ze eveneens een Sperr en werden niet verder gedeporteerd.80 Een bijzonder overlevingsverhaal is dat van de tijdelijk in Winschoten gestationeerde ambtenaar Maurits Drukker, zijn vrouw Erna Jacob en hun twee in 1932 en 1934 geboren kinderen Alfred en Elly Erna.81 Nadat ze naar Westerbork gezonden werden, wist Maurits door zijn werk voor de kamp administratie verdere deportatie nog even uit te stellen. Daarna wist hij zijn gezin op de zogenaamde Barneveld-lijst82 te plaatsen en zo deportatie verder te voorkomen, totdat ze in september 1944 in veewagens naar Theresienstadt werden gebracht. Het hele gezin overleefde dit concentratiekamp. Ze keerden na de bevrijding echter niet terug naar de provincie Groningen, maar vestigden zich in Amsterdam en later in Israël. Het lijkt erop dat vooral de vroegtijdigheid van de deportaties ertoe geleid heeft dat weinig Joden onderdoken op het Groninger platteland.

Dit werd nog versterkt door de nog eerdere deportatie van veel mannen naar werkkampen, die vrouwen huiverig maakte om daarna nog apart met de kinderen onder te duiken. Dit alles tezamen lijkt geleid te hebben tot een geringere geneigdheid om op tijd onder te duiken. Daarbij zorgde een gering aantal verleende Sperren ervoor dat maar weinig Joden meer tijd kregen om onder te duiken. Er zijn in de literatuur diverse meldingen van het aanbieden van onderduikadressen, maar ook voorbeelden dat het moeilijk was om onderduikplekken te vinden. Het is lastig om over de onderduikmogelijkheden in het gebied in het najaar van 1942 definitieve uitspraken te doen, zonder verder gericht onderzoek op individueel niveau voor het onderzoeksgebied.83

3.1. Anti-Joodse maatregelen: casus gemeente Winsum (Jeroen Benders) In uiteenlopende delen van de gemeentelijke administratie van Winsum duiken sommige Joodse inwoners op. Zo lag de toen 57-jarige ‘mejuffrouw’ E. (Essie) de Vries uit Winsum-Obergum van 29 juli tot 17 augustus 1940 in het R.K. Ziekenhuis te Groningen.84 Van 29 augustus 1941 dateert een schrijven van de burgemeester aan het ministerie van Onderwijs in reactie op eerdere departementale missives van die maand, waarin hij mededeelde dat in zijn gemeente drie Joodse leerlingen stonden ingeschreven, te weten aan de Openbare Lager School Sophius de Vries (woonadres: Oosterstraat 24) en Sophie de Vries en aan de Gemeentelijke Bewaarschool Jacob Comprecht de Vries. Beide laatsten waren woonachtig op het adres Tuinbouwstraat 15.85 Wel van heel toevallige aard zijn de notities in een register van verloren en gevonden voorwerpen. Daarin staan ‘de jongens [Israël en Sophius} van M. [Michiel] de Vries manufact.’ die in de zomer van 1936 80

https://westerborkportretten.nl/bevrijdingsportretten/meijer-jeanette. https://collections.ushmm.org/search/catalog/pa1173800. 82 De Barneveldlijst omvatte een groep veelal prominente Joden, die vooral vanwege diverse verdiensten voor Nederland, enige tijd gevrijwaard werden door de Duitsers van opzending naar de concentratiekampen en een tijd woonden met elkaar in Barneveld, voordat ze in september 1943 naar Westerbork werden vervoerd, waar ze ook nog lang een beschermde status hadden. 83 Zoals bijvoorbeeld gebeurd is voor Zuid-Limburg: Van Rens, Vervolgd in Limburg. 84 GrA, RKZ, inv.nr. 741, opening 38 nr. 2316. 85 ArHl, AgWi, inv.nr. 1523. 81

29

een portemonnee met kleingeld vonden, maar ook nog Iz. (Izaäk) van Berg, die begin 1942 op het postkantoor de handschoenen van een plaatsgenoot aantrof.86 In januari 1941 moesten ‘personen van geheel of gedeeltelijk joodschen bloede’ zich zoals gemeld verplicht schriftelijk aanmelden bij de gemeente en daarvoor één gulden aan leges vooruit betalen.87 Ter secretarie werd een lijst opgesteld van veertien met een J gemarkeerde personen op vijf adressen, alsmede één persoon met GI (zijnde half-Joods) en één met GII (zijnde kwart-Joods). Daadwerkelijk is zestien gulden leges ingeboekt; de helft was voor de gemeente, de andere helft voor de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters. De lijst is begin maart opgestuurd naar het Hoofd van deze inspectiedienst. Roosje de Vries overleed volgens officiële mededeling van de burgemeester aan dezelfde Rijksinspectie op 11 december 1941 te Winsum; zij ontbreekt dan ook op een tweede lijst, van 5 juli 1942. Eind februari 1941 ontving de burgemeester een telegram met de oproep om ‘naar aanleiding van het in Amsterdam voorgevallene (…) een zeer nauwkeurig onderzoek in uwe gemeente in hotels, bij joodsche families en andere daarvoor in aanmerking komende plaatsen’ in te stellen naar vandaar het land in gevluchte Joden en ze te laten arresteren. Een aantekening op het telegram vermeldt dat in Winsum geen personen aangehouden waren.

Een jaar later, begin januari 1942, stuurde de burgemeester de uittreksels van persoonskaarten van met een J gemerkte gezinshoofden naar de eerder genoemde Rijksinspectie. In juni-juli 1942 werden de rijwielen van de Winsumer Joden in beslag genomen en opgeslagen in een garage aan de Violenstraat 7 te Groningen. Volgens schrijven van de burgemeester uit oktober dat jaar was er ‘van Joodsche zijde’ één radiotoestel op het gemeentehuis ingeleverd. Het zal het Philips-exemplaar van Izaäk de Vries zijn geweest, dat reeds in april 1941 door hem ‘in onbeschadigden toestand’ afgestaan was. De laatste klap in de reeks van anti-Joodse maatregelen volgde eind 1942. Een ‘Regeeringstelegram’ van de procureur-generaal te Leeuwarden van 26 november gebood de burgemeester in opdracht van de SD om ervoor te zorgen dat een dag later om 20.00 uur de ‘thans nog in de provincie Groningen verblijvende Joden met uitzondering van die in de gemeente Groningen’ gearresteerd en naar Groningen werden gebracht, zodat zij op zaterdag 28 november uiterlijk om 10.00 uur op het spoorwegstation aldaar aanwezig waren. Naast levensmiddelen voor drie dagen werd precies aangegeven welke kleding zij mochten meenemen, waaronder werkkleding of overall, of meer als ze dit zelf konden dragen. Genoemd werden voorts geld, spaarbankboekje en andere waardepapieren.

De plaatselijke politie diende licht, gas en water af te sluiten en open vuren te blussen. De woningen moesten worden gesloten en verzegeld en de sleutels toegezonden aan de SS, Grote Markt 27 te Groningen. Vrijgesteld waren vier categorieën: Joden die op hun persoonsbewijs een vrijstellingsstempel (‘Sperr’) hadden van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, zij die niet ‘transportfaehig’ waren (difterie en roodvonk worden expliciet vermeld), Joden uit een zevental landen, gemengd gehuwden en hun kinderen. Joden die in de betreffende woningen verbleven maar niet tot de gezinnen in kwestie behoorden, moesten eveneens op transport gesteld worden. De plaatselijke politie kon zich door de marechaussee laten assisteren. De burgemeester van Winsum gaf op 23 december 1942 met een briefje aan de Leeuwarder procureur door ‘dat momenteel geen Joden meer in deze gemeente zijn gevestigd’.

86

ArHl, AgWi, inv.nr. 824. Voor Israël en Sophius: Regtien e.a., Winsum 1940-1945, 26. Voor het navolgende, tenzij anders vermeld: ArHl, AgWi, inv.nr. 823. Zie ook Tammeling, ‘Winsum in de tweede wereldoorlog’, 262-266; Regtien e.a., Winsum 1940-1945, 15 e.v., met op p. 25-29 portretten van alle Joodse Winsumers. 87

30

3.2. De gemeente en het beheer van Joodse bezittingen na de ontruiming in 1943: casus Leek (Jeroen Benders) Eind 1942 waren vrijwel alle Joodse inwoners van de gemeente Leek ofwel gedeporteerd, ofwel ondergedoken. Kort voor de jaarwisseling van 1942/1943 vroeg de Beauftragte für Volkspflege, de nationaalsocialistische Duitser Hermann Conring (1894-1989),88 aan de gemeente Leek dan ook om in de verwachte vrieskoude de waterleidingen van leegstaande ‘jodenwoningen’ af te sluiten.89 Op 9 februari 1943 stuurde de burgemeester van Leek aan de Referent für Volkspflege beim beauftragten [sic] te Groningen een overzicht van 22 namen en adressen van voorheen door Joden bewoonde en nu leegstaande panden, waarvan vijf ‘Mietewohnung von Ariër’, één ‘Mietewohnung von Jude’ en de rest ‘Judenbesitz’.90 Op 4, 5, 6 en 8 maart 1943 werden 22 woningen van Joden in Leek ontruimd. De getaxeerde waarde van de spullen daarin bedroeg ƒ 2.462,50. Van deze inboedels zijn gedetailleerde lijsten overgeleverd.91 Van 15 maart 1943 dateert een gemeentelijke lijst met 25 adressen en namen van ‘woningen, waarin Joden hebben gewoond’ voor de Districts Organisator N.V.D. (de nationaalsocialistische Nederlandsche Volksdienst). De burgemeester (en gemeentesecretaris) verklaarde dat hij niet wist wie thans de eigenaren van deze woningen waren, ‘daar zulks niet te mijner kennis wordt gebracht’.

In dezelfde maand droeg Referent F. Vogler nieuwe bewoners voor en dat ging zo door in de volgende maanden. Indien het huis in kwestie nog niet volledig ontruimd was, diende dit eerst te gebeuren, waarbij het meubilair onder politietoezicht in een kamer geplaatst moest worden, die verzegeld werd. Eén van de kopers van woningen van Joden van de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV)92 was Meint Berg te Niebert (zie ook paragraaf 5.2.1). De burgemeester schreef hem geen sleutels te kunnen overhandigen, aangezien hij die nooit in bewaring gehad had.93 Verder meldde hij dat in enkele leegstaande ‘jodenwoningen’ ruiten ingeslagen waren, waarvoor de gemeente naar zijn mening niet verantwoordelijk gesteld kon worden; de Referent dacht er echter anders over. Nog steeds in maart 1943 stuurde de organisatie Algemeen Nederlandsch Beheer van Onroerende Goederen (ANBO) een brief met het verzoek om aan te geven welke percelen van Joodse eigenaren bij de Wehrmacht in gebruik waren. Burgemeester en secretaris lieten weten dat dit in de gemeente Leek niet aan de orde was. Van de Commissaris der Provincie Groningen Staargaard, kregen de Groninger burgemeesters op 31 mei 1943 te horen, dat wegens de woningnood alle nog niet ontruimde ‘jodenwoningen’ terstond ter beschikking moesten komen en de inboedel in drievoud geïnventariseerd diende te worden.

De burgemeesters waren verantwoordelijk voor ‘een veilige opberging en verzorging der voorwerpen’. In 88

Zie voor hem: Noorlag, Hermann Johannes Conring. ArWk, AgLk, dossierinv. 1077 (inventaris deel II), inv.nr. 669, politiemaatregelen, 1943-1952; inv.nr. 673, Aanmeldingsplicht voor bepaalde personen, 1941-1944. 90 Voor het navolgende: ArWk, AgLk, toegang 1077 (n.b.: inventaris deel II, ‘dossier-inventaris’), inv.nr. 671. In ib., inv.nr. 670 bevindt zich nog een briefje van de burgemeester van Leek d.d. 20.12.1943 aan OMNIA met het antwoord dat Samuel Oudgenoeg waarschijnlijk in juli 1942 ‘abtransportiert worden ist’ en zijn huidige verblijfplaats onbekend is. 91 NIOD, Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg, inv.nr. 85. 92 Zie voor de organisaties NGV en ANBO: paragraaf 5.1. 93 Dit is in tegenspraak met een brief van de burgemeester d.d. 1 december 1942 aan de SS te Groningen, waarmee hij de sleutels van vijftien door hem gesloten en verzegelde woningen van bij naam genoemde Joodse inwoners toestuurde. Van drie reeds gesloten woningen waren geen sleutels aanwezig; de burgemeester dacht dat de bewoners daarvan waarschijnlijk ‘flüchtig’ waren; ArWk, AgLk, dossierinv. 1077 (inventaris deel II), inv.nr. 669, politiemaatregelen, 1943-1952; inv.nr. 673, Aanmeldingsplicht voor bepaalde personen, 19411944. 89

31

juni liet de burgemeester van Leek de Commissaris der Provincie weten dat er nog één woning niet ontruimd was en dat de inboedel van twee woningen was opgeslagen in het ‘zgn. schooltje.’ Voorts dat ‘de firma Rosenberg’ de ontruimingen deed en niet de gemeente.94 ‘Hedenmorgen is deze woning en het schooltje leeggehaald terwijl gisteren de banken uit de Joodsche synagoge zijn opgehaald.’ Over de verhuur van de nog leegstaande woningen had de burgemeester overleg gehad met de plaatselijke leider van de N.V.D. Hij had met hem een lijst van gegadigden opgemaakt en naar de Beauftragte bem reichskommissar gestuurd. In de zomer deelde de burgemeester in antwoord op vragen van de Beauftragte mee dat alle ‘jodenwoningen’ in de gemeente van meubels ontdaan waren, alle Joden uit de gemeente verdwenen waren (‘Mischehen sind hier nicht anwesend’), er nog zeven ‘jodenwoningen’ vrijstonden, er ‘keine Einrichtungsgegenstande [sic] in einem gesicherten Raum zusammengestellt [sind]’ noch ook ‘Bekleidungsstücke, Wäsche und Kücheneinrichtungen von Juden’ waren, en de gemeente ‘nichts [hat] untergestellt’. Ook het Evacuatiebureau ‘De Drie Noordelijke Provinciën’ vroeg de gemeente in de zomer van 1943 om een lijst van ‘joden-woningen’ en om schoonmaak en ontsmetting daarvan. Ten slotte deed zich te Leek nog een kwestie voor waarbij de Treuhandgesellschaft m.b.H.

OMNIA te Arnhem95 in verband met het liquideren van de onderneming van Johan Oudgenoeg bij de gemeente navraag deed naar het verdwijnen van spullen uit diens winkelboedel, te weten een koelkast, een hakblok, een bank en een toonbank. Met potlood is op deze brief geschreven, dat deze voorwerpen volgens verklaring van de buurvrouw weggehaald waren met dezelfde auto, waarmee ook de meubels een dag eerder waren meegenomen. Dit was ook de officiële mededeling aan OMNIA, nu met vermelding dat de gemeentebode, die tevens onbezoldigd gemeenteveldwachter was, een onderzoek had ingesteld. Over de bank wist de buurvrouw niets. OMNIA vroeg vervolgens wat er geworden was van de inboedel van de slachterij van Samuel Oudgenoeg, waaronder opnieuw een koelkast. Daarna is er nog sprake van de goederen van Simon Oudgenoeg: wederom een ijskast, toonbank, en hakblok. Deze goederen kon de Leekster hotelhouder J.A. Smid tegen betaling van de getaxeerde waarde uit de winkel Kerkstraat A351 ophalen. OMNIA sprak haar verbazing erover uit dat zij bericht kreeg over Simon, terwijl zij naar Samuels spullen had gevraagd. De burgemeester liet daarna weten dat de koelkast van Samuel Oudgenoeg volgens een buurman bij het weghalen van de meubelen in elkaar was gezakt en ‘als brandhout medegevoerd’. Over een toonbank en hakblok had hij geen nadere informatie kunnen verkrijgen.

Hoe dit alles afgelopen is, blijkt niet; hier lijkt sprake te zijn geweest van persoonsverwarring. OMNIA berichtte nog medio 1944 aan de gemeente bij de liquidatie van de firma H. Denneboom, Leek A351, op een schuld van de gemeente Leek van ƒ 15,83 te zijn gestuit. De gemeente vroeg om welke geleverde waren het ging. Het was ‘ten gemeentehuize niet bekend, dat nog een nota bij de firma Denneboom open staat’.

3.3. Casus Van Geuns te Sappemeer als voorbeeld van het wedervaren van een Joodse familie (Albert Buursma)

94

De Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg was een Duitse rooforganisatie, wier opdracht het onder meer was Joodse cultuurgoederen te ontvreemden. 95 OMNIA was een Duitse trustmaatschappij die tot taak had om Joodse bedrijven te liquideren ten bate van de Duitse oorlogsmachine.

32

Ter illustratie voor het wedervaren van de Joden voor, tijdens en na de oorlog, behandelen we hier uitgebreid de familie Van Geuns te Sappemeer. Over de aankoop door de gemeente van een dubbele bewoning in hun bezit, zie hoofdstuk 8 (gemeente Midden-Groningen).

3.3.1. De familie Van Geuns tijdens het Interbellum Hartog van Geuns had in het begin van de twintigste eeuw een slagerij aan de Noorderstraat te Sappemeer. Na zijn dood in 1913, zette zijn weduwe, Martalina van der Hak, het bedrijf voort. De zoon Bernard van Geuns begon een eigen slagerij, die volgens een latere verklaring van diens schoonzoon, Jan Zuidema, de grootste van Sappemeer werd. Totdat er in de gemeente een slachthuis kwam, slachtte Van Geuns zelf, achter de winkel. Het slachtvee kocht hij in bij boeren en op de veemarkt in Groningen.96 De familie Van Geuns bezat nog een tweede pand aan de Noorderstraat. Daarin woonde Hartog Heiman van der Hak, een oom van Bernard van Geuns. De panden waren het gemeenschappelijk eigendom van Bernard van Geuns en zijn vijf zusters en broers.97 In het Interbellum liepen de kosten van de Joodse gemeente hoog op. De leden droegen bij aan onder meer het salaris van de opperrabbijn en het landelijk kerkgenootschap. Ging het in de jaren 1890 nog om bedragen beneden de 10 gulden, in de periode 1925-1935 liepen die op naar 50 tot 60 gulden. Een zware belasting. Om van deze verplichtingen af te zijn, liet Bernard van Geuns zich – als enige? – gerechtelijk afscheiden van de gemeente.98 Bernard van Geuns verloofde zich met onderwijzeres Henriëtte Godfried, die sinds 1904 les gaf in Foxhol. Bij hun huwelijk in 1915 vroeg Henriëtte ontslag.

Later zou ze actief worden in de dorpspolitiek.99 De familie Van Geuns kwam in de jaren dertig in contact met Joodse vluchtelingen op doortocht vanuit Duitsland naar ‘veilige’ landen. Zo herinnerde dochter Julia zich nog de families Hess en Frank, die via Sappemeer Duitsland ontvluchtten. Het gezin Van Geuns sprak veel met hen. Daardoor zullen zij, na de Duitse inval en de daarop volgende bezetting, voorbereid zijn geweest op de Duitse maatregelen.100 De familie Van Geuns was zich, in tegenstelling tot vele andere Joden, welbewust van de ontwikkelingen in Duitsland. Dochter Julia vertelde dat er thuis wel aandacht werd besteed aan de anti-Joodse politiek in het buurland. Dat zal mede zijn geweest vanwege de politieke interesse van Henriëtte Godfried. Toen de familie in 1939 op een mooie dag voor het huis stond, raakten ze in gesprek met een Duitse voorbijganger. Hij werd in huis genodigd voor koffie. Daar vertelde hij enthousiast hoe ‘Herr Hitler’ Duitsland tot ongekende hoogten zou voeren, wanneer hij de Joden definitief het land uitgezet zou hebben. Nu had Henriëtte Godfried weliswaar haar lidmaatschap van het Israelitisch kerkgenootschap al jaren tevoren beëindigd, maar ze liet haar gast wel weten, dat hij op dat moment koffie dronk bij Joden en dus kon constateren dat er ook anständige Juden waren. Vervolgens wist de man niet hoe snel hij er vandoor moest gaan.101

96

Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 104. Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 163. 98 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 143-144. 99 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 117-118. 100 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 150-151. 101 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 150. 97

33

3.3.2. De familie Van Geuns in oorlogstijd Er waren Joden die probeerden aan de onteigeningen door de bezetter te ontkomen. Dat gold bijvoorbeeld voor oud-ijzerhandelaar Sigfrid Simons, die een groot bedrijf in Hoogezand had. Bernard van Geuns probeerde daaraan te ontkomen door zijn bedrijf – op tijd – te verhuren aan Jan Zuidema, die later zou trouwen met zijn dochter Julia. Omdat Zuidema niet-Joods was, zouden de maatregelen hem niet kunnen treffen. Echter, na verloop van tijd, toen het gezin Van Geuns al was ondergedoken, werd Zuidema gearresteerd wegens het toeëigenen van ‘Jodenkapitaal’ dat behoorde te worden overgedragen aan de bezetter. Hij zat zes weken vast in het Scholtenhuis te Groningen, de Aussenstelle van de Sicherheitspolizei en de Sicherheitsdienst.102 Julia van Geuns trouwde dus met de niet-Joodse Jan Zuidema, op 28 maart 1942. Dat was op het nippertje, want een dag tevoren was in het Joodsche Weekblad – waarin alle antisemitische maatregelen werden aangekondigd – de bepaling vermeldde dat gemengde huwelijken voortaan verboden waren. Joden die met niet-Joden huwden, zouden prompt worden gearresteerd. Omdat allen die volgens de Duitse bezetters Joden waren een verplicht abonnement op dit weekblad hadden, was de familie Van Geuns al op de hoogte van deze maatregel.

De gemeenteambtenaren van Sappemeer deden echter alsof ze van niets wisten, omdat de maatregel nog niet was gepubliceerd in het Nieuwsblad van het Noorden. Omdat het huwelijk hals-over-kop gesloten was, kon het niet – zoals gebruikelijk – worden afgekondigd, zoals dat wettelijk hoorde. Maar wanneer het paar diezelfde dag toestemming kon krijgen van de Officier van Justitie in Groningen, wilde de ambtenaar van de Burgerlijke Stand in Sappemeer het huwelijk wel sluiten. Jan en Julia overlegden diezelfde dag de gevraagde toestemming en zo werd het huwelijk voltrokken.103 Julia leek daarmee veilig, maar volgens de normen van de bezetter was de familie volledig Joods, ook al was geen ervan lid van het Israëlitisch kerkgenootschap. Om dat te ondersteunen, probeerde Jan Zuidema doopbewijzen voor zijn schoonfamilie te verkrijgen.104 In eerste instantie lukte dat niet, omdat in de kerkenraad een nationaalsocialist zat, die van mening was dat alle Joden, al of niet lid van de Joodse gemeente, gelijk behandeld moesten worden.

In Groningen lukte dat Jan wel, getuige een door de gemeentesecretaris vandaar opgemaakt afschrift, gedateerd 28 augustus 194-, waarin wordt verklaard dat Bernard van Geuns, zijn vrouw Julia en hun kinderen Arnold en Julia voor 1 januari 1941 ‘einer Christlichen Konfession angehörig’ waren.105 Toen in Sappemeer de bezetter afkondigde dat alle Joden zich moesten melden, stond Bernard van Geuns voor de moeilijke beslissing of ze zich zouden melden of onderduiken. Uiteindelijk besloot hij om met zijn vrouw te kiezen voor het laatste. Ook zijn in 1916 geboren zoon Arnold Godfried – die toen al niet meer in Sappemeer woonde – maakte zich uit de voeten. Hij overleed in 2014 te Haaksbergen. Dochter Julia die dus getrouwd was met de niet-Joodse slager Jan Zuidema zou, vanwege dat gemengde huwelijk – zo dachten ze – vooralsnog geen gevaar lopen.106 Het gezin van Bernard, Henriëtte en Julia van Geuns kwam via de bevriende drukkers van de firma Smit en Dontje aan de Borgercompagniestraat terecht bij de familie Van Kampen in Jipsinghuizen, die

102

Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 152-153. Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 153-154. 104 Zie uitgebreid over vergelijkbare initiatieven om officieel de mate van ‘Joodsheid’ te verminderen: Van den Boomgaard, Voor de nazi's geen Jood. 105 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 154. 106 Bos en Bos, Hoogezand en Sappemeer tijdens de Tweede Wereldoorlog, 117. 103

34

daar een afgelegen sluiswachtershuis bewoonden. Mevrouw Van Kampen was een nicht van de drukkersvrouw Smit.107 Bernard van Geuns ging als eerste naar het onderduikadres. In september kregen, na de mannen, de vrouwen van Hoogezand een oproep voor ‘tewerkstelling’. Henriëtte wachtte zo’n oproep voor Sappemeer niet af en vertrok ook naar de sluiswachterswoning. Daarop kreeg Julia bezoek van een lid van de Grüne Polizei, samen met de politieagent Jan Bouma, die wilden weten waar haar ouders waren. Haar echtgenoot Jan Zuidema wist waar zijn schoonouders zaten, maar had het zijn vrouw niet verteld. Zo kon Julia naar waarheid verklaren dat ze dat niet wist. Zij kreeg daarna nogmaals bezoek van de mannen die weer onverrichterzake vertrokken.108 Op 13 februari 1943 stonden er twee SD-ers voor de deur, die Julia vroegen waar haar vader en moeder zaten. Ze kon opnieuw geen antwoord daarop geven. Ditmaal moest ze mee voor een officieel verhoor. Julia vroeg, of ze haar jas van boven mocht halen. Dat werd haar toegestaan. Daarop vluchtte ze door een geopend dakraam, via de dakgoot en een stukje plat dak in de tuin. Daar ving Jan Zuidema, die inmiddels was thuisgekomen, haar op. Julia ging daarna naar het huis van de familie Gorter, waar al een fiets voor haar gereed stond en reed naar een bekende aan de Borgercompagniestraat.

Vandaar bracht Dontje van de drukkerij haar naar de afgelegen sluiswachterswoning van de familie Van Kampen bij Jipsinghuizen, waar haar ouders zaten.109 Toen zijn schoonfamilie was gevlucht en ondergedoken, bleef Jan Zuidema achter in hun huis aan de Noorderstraat.110 Hij leidde daarna een ‘avontuurlijk leven’, om onder meer met inkomsten uit zwarte handel de Van Kampens van geld te voorzien voor het onderhoud van zijn schoonouders en nog een paar nichten van hen.111 Toen namens de bezetter mensen het huis van de familie van Geuns bezochten om poolshoogte te nemen, verklaarde Jan Zuidema dat de inboedel zijn persoonlijk bezit was, maar in juni 1943 werd zijn huisraad wel geïnventariseerd tot aan de kleinste voorwerpen, zoals een ‘kaarsendrager’, of inmaakpotten.112 Later in 1943 werd Jan Zuidema gearresteerd. Daarover doen twee lezingen de ronde. Volgens die van de gebroeders Bos namen de SD-ers, die letterlijk om de tuin waren geleid, Jan Zuidema dadelijk mee voor verhoor naar het Scholtenshuis. Daar werd hij dusdanig ondervraagd en gemarteld dat het een wonder mocht heten dat hij het overleefde. Hij werd uiteindelijk na zeven weken vrijgelaten, op voorwaarde dat hij van Julia zou gaan scheiden. Ze verwezen hem daarvoor naar een NSB-advocaat in Groningen. Jan wachtte daar tot er een paar mannen naar buiten kwamen. Hij liep naar ze toe en zei door Lehnhof te zijn gestuurd.

De mannen noteerden zijn naam en zouden contact opnemen. Blijkbaar is daar nooit iets van gekomen, want het kwam in ieder geval niet tot een scheiding.113 Toen Jan Zuidema na zijn arrestatie wegens het toe-eigenen van ‘Jodenkapitaal’ terugkeerde, was alles verdwenen114 Voor het echtpaar Van Geuns en hun dochter begon een lange onderduikperiode die twee jaar en twee maanden zou duren. Julia schreef later dat de dagen lang duurden. Ze kwamen de tijd door met lezen, kaarten en luisteren naar de radio, waarop ze de stemmen van Aad den Doolaard en Loe de

107

Bos en Bos, Hoogezand en Sappemeer tijdens de Tweede Wereldoorlog, 117. Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 170. 109 Bos en Bos, Hoogezand en Sappemeer tijdens de Tweede Wereldoorlog, 118. 110 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 163. 111 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 170. 112 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 163. 113 Bos en Bos, Hoogezand en Sappemeer tijdens de Tweede Wereldoorlog, 118. 114 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 163. 108

35

Jong hoorden. Ze hoopten tevergeefs op ‘Dolle Dinsdag’ (12 september 1944), dat de bevrijding nabij was. Het schaarse bezoek dat er kwam, was van Smit van de drukkersfirma uit Sappemeer, die de onderduikplek had geregeld, en van Jan Zuidema.115 Ze zaten meest in de voorkamer, waar vele planten in de vensterbank het zicht naar binnen moesten verhinderen. Het was er koud, want voortdurende rook uit een schoorsteen van de voorkamer – die op het platteland zelden werd gebruikt – zou argwaan wekken. Een complicerende factor was dat de Van Kampens, als een der weinigen in het dorp, over een telefoon beschikten, waardoor er wel eens dorpelingen kwamen bellen. Wanneer dat het geval was, liet iemand van de familie een tondeldoosje zakken, zodat de onderduikers wisten dat ze stil moesten zijn.116 3.3.3. De familie van Geuns aan het einde van de oorlog en daarna De onderduikers bleven als door een wonder gespaard, want meermalen hing hun lot aan een zijden draadje, evenals dat van degenen die hen onderdak verschaften. Zo kwamen er op een nacht omstreeks 2 uur de Sicherheitspolizei langs die op zoek was naar iemand die niet op was komen dagen voor de Arbeitseinsatz, wiens boot in het kanaal zou liggen. Sluiswachter Van Kampen stuurde de Polizei de verkeerde kant op en wist de gezochte man te waarschuwen.

Opnieuw dreigde ontdekking toen in juni 1944 een Amerikaanse bommenwerper vlakbij de sluiswachterswoning neerkwam. De bemanning had zich met parachutes weten te redden en verdween. Het gevolg was dat er huiszoekingen in de hele buurt plaatsvonden. Daarbij ontsprong de sluiswachterswoning de dans. Een volgende penibele situatie ontstond toen de Wehrmacht in het voorjaar van 1945 besloot alle bruggen en sluizen over het Ruiten Akanaal op de blazen. Daarbij zou ook de sluiswachterswoning worden vernietigd. Toen de explosieven niet werkten, besloot men tot afbraak van de sluis met mankracht; het huis bleef gespaard. De laatste weken zaten Duitsers ingekwartierd in het sluiswachtershuis, maar gelukkig sliepen ze ’s nachts in de school. Bij de bevrijding door de eerste Poolse tankdivisie vonden beschietingen over en weer plaats, waarbij kogels het sluiswachterhuis doorboorden, maar iedereen daar bleef ongedeerd.117 Bernard van Geuns, zijn echtgenote Henriëtte Godfried en hun dochter Julia overleefden de oorlog dankzij een succesvolle onderduik. Hun zoon Arnold Godfried van Geuns was al voor de oorlog uit Sappemeer vertrokken. Hij was een periode actief in het Amsterdamse verzet, waar hij papieren vervalste met medewerking van de drukkers Smit en Dontje en vluchtte vervolgens naar Zwitserland, waar hij eerder al ‘tandartsenijkunde’ had gestudeerd.

Daar werd hij aangesteld als tandarts voor vluchtelingen die in interneringskampen zaten.118 Uiteindelijk hebben Bernard en Henriëtte met hun dochter Julia de oorlog overleefd dankzij de familie Van Kampen, die daarvoor in 1981 een hoge Israëlische onderscheiding van Yad Vashem kreeg.119 Na zijn terugkeer na de bevrijding kon Bernard van Geuns weldra weer beginnen met zijn bedrijf, dankzij het beheer door zijn schoonzoon Jan Zuidema. Wel was dus alle huisraad verloren gegaan. Toen na de bevrijding opgepakte NSB’ers langs slagerij Van Geuns werden gevoerd, moesten ze daar stilhouden en het hoofd buigen. Van Geuns vond het een hinderlijke vertoning, die op zijn

115

Bos en Bos, Hoogezand en Sappemeer tijdens de Tweede Wereldoorlog, 118-119. Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 170. 117 Bos en Bos, Hoogezand en Sappemeer tijdens de Tweede Wereldoorlog, 119. 118 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 169-170. 119 Bos en Bos, Hoogezand en Sappemeer tijdens de Tweede Wereldoorlog, 119. 116

36

verzoek werd gestaakt. Van Geuns ging zich meer op de veehandel richten. Jan Zuidema zette het slagersbedrijf voort tot 1960 en opende vervolgens een slagerij in Veendam.120

120

Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 171.

37

4. Overlevingskansen van Joden in het gebied: vermoorden en overlevenden (Richard Paping e.a.)

In de notulen van de openbare vergadering van de tijdelijke gemeenteraad van Uithuizen van 13 december 1945 is de rede opgenomen die de burgemeester hield over de oorlog die achter de rug was. Hij memoreerde: ‘Er zijn leege plaatsen, die nooit meer vervuld zullen worden; ook hier zijn levensoffers gebracht. Op 31 Augustus begonnen we ons Koninginnefeest met een doodenherdenking. Daarbij moest ik 16 namen noemen, welke ik thans in Uw midden wil herhalen. Ik meen, dat nu ook het oogenblik gekomen is daaraan toe te voegen de namen van 25 onzer Joodsche medeburgers, daar er nog nimmer eenig bericht over hen binnenkwam en wij dus het ergste moeten vreezen.’ Onder de kop ‘Voor God, Oranje, vaderland en vrijheid vielen’ volgen dan de 16 en 25 namen. De burgemeester vervolgde: ‘Wij willen hun een minuut van stille aandacht wijden en hen in eerbiedige en warme hulde gedenken, ons heilig voornemend voor zoover het in onze macht ligt àlles te doen, opdat hun ontzettende offer niet vergeefs zij gebracht.’121 Op een dergelijke wijze zullen in meer Groninger gemeenten de grote aantallen vermoorde plaatsgenoten zijn herdacht.

Belangrijk is opnieuw op te merken dat het aandeel door de Nazi’s vermoorde Nederlandse Joden met ruim driekwart veel groter is dan in andere bezette West-Europese landen.122 In een vergelijking met België en Frankrijk wijzen Griffioen en Zeller erop dat de door de Duitse bezetter opgelegde Joodse organisatie in die twee landen veel meer onderhandelingsruimte had, terwijl in Nederland de Joodse Raad ‘gaandeweg geheel ondergeschikt [werd] aan de bevelen van de Duitse politie in Amsterdam’. Deze zeggenschap gaf de Nazi’s de mogelijkheid om gebruik makend van misleiding de bevolking in delen af te voeren, waarbij gebruik gemaakt werd van tijdelijke vrijstellingen. Deze schijn van veiligheid zorgde ervoor dat veel minder Joden onderdoken. In België was sprake van een veel brutere aanpak met gewelddadige razzia’s en massale arrestaties. Daarbij kwam dat in tegenstelling tot Nederland de Joden in België voor een groot deel al eerder gevlucht waren. Ze doken in reactie hierop massaal onder en ontsnapten zo ten dele. In Frankrijk hielp de Vichy-regering in eerste instantie voortvarend mee met de deportatie, echter daar stopten ze mee in reactie op protesten van onder meer de kerken.

Griffioen en Zeller wijzen er ook op dat het verzet in Nederland pas in de loop van 1943 goed op gang kwam, terwijl dat in België en Frankrijk al vanaf oktober 1942 sterk toenam, als reactie op de gedwongen ter werkstelling in Duitsland. Grootzalig georganiseerd verzet en onderduiknetwerken ontstonden daar dan ook een half jaar eerder dan in Nederland, waar de gedwongen tewerkstelling van mannen pas echt begon vanaf maart 1943. Venhuis wijst er overigens ook voor Groningen op dat in de tweede helft van 1942 toen ze voor de Joden nodig waren onderduikorganisaties ontbraken. Het georganiseerde verzet kwam volgens hem pas na mei 1943 goed op gang.123 Uiteindelijk zouden er trouwens toch naar schatting zo’n 30.000 Joden onderduiken in Nederland, waarvan een derde later alsnog gepakt werd.

121

ArHl, AgUi, inv.nr. 297, pp. 5-6. Griffioen en Zeller, ‘Nederland: het hoogste aantal Joodse slachtoffers in West-Europa’. Zie ook veel uitgebreider: Griffioen en Zeller, Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België. 123 Venhuis, De Joods-Etnische zuivering, 193. 122

38

Tabel 9. Overzicht voormalige gemeenten en Joodse bevolking rond 1942 in het onderzoeksgebied Gemeente

Voormalige gemeente

Veendam

Veendam Wildervank Winschoten Midwolda Beerta Scheemda Nieuwolda Nieuweschans Finsterwolde Uithuizen Winsum Warffum Eenrum Leens Ulrum Usquert Bedum Kantens Adorp Baflo Kloosterburen Uithuizermeeden Hoogezand Meeden Muntendam Noordbroek Sappemeer Slochteren Zuidbroek Leek Grijpskerk Aduard Zuidhorn Marum Grootegast Ezinge Oldehove Oldekerk

Oldambt

Het Hogeland

Midden-Groningen

Westerkwartier

Veendam Oldambt Het Hogeland Midden-Groningen Westerkwartier TOTAAL

Totaal Totaal Totaal Totaal Totaal

Joodse religie 1930 116 155 421 27 21 14 10 8 6 38 17 16 16 13 7 6 3 0 0 0 0 0 119 0 12 27 26 38 12 72 19 9 6 1 1 0 0 0

Items in Verkaufsbücher 16 13 81 2 5 1 2 6 2 1 7 1 0 2 0 0 0 0 0 8 0 4 5 3 10 0 14 2 2 0 0 0 0 0 0

271 507 116 234 108 1237

29 89 21 30 18 187

39

“Voljoods” Overcirca 1942 levenden 100 121 444 18 17 23 1 5 1 28 13 22 11 10 2 3 2 0 0 0 0 0 87 0 14 20 31 67 7 72 15 4 4 0 0 0 0 0

5 18 40 0 3 1 0 1 0 1 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 11 0 2 0 10 5 0 12 1 0 0 0 0 0 0 0

221 509 91 226 95 1142

23 45 2 28 13 111

% overlevenden 5,0% 14,9% 9,0%

12,6%

32,2% 7,5% 16,7%

10,4% 8,8% 2,2% 12,4% 13,7% 9,7%

Met behulp van een groot aantal beschikbare bronnen is een Excel-database gemaakt van alle Joden die in de vijf gemeenten aanwezig waren in 1940-1945 (zie Appendix B voor de uitleg van de totstandkoming). Onder Joden wordt daarbij – zoals eerder gemeld – verstaan, diegenen die de Duitse bezetters als Joden beschouwden en die minstens drie Joodse grootouders hadden, of diegenen met twee Joodse grootouders die met een Jood gehuwde waren. De resultaten van tabel 9 zijn ontluisterend. Eerder hebben Marnix Croes en Peter Tammes percentages overlevenden voor een aantal gemeenten gepubliceerd in het tijdschrift Groniek als 124 vervolg op hun boek.125 Deze zijn vooral gebaseerd op de door gemeenten op last van de Duitse bezetters gemaakte lijsten uit 1941-1942, waarbij uitgegaan wordt van ‘voljoden’. Deze namen zijn daarna gekoppeld aan een aantal bestanden met overlevenden. De door hen gerapporteerde percentages overlevenden voor de hier onderzochte plaatsen zijn echter opmerkelijk hoger. Denkelijk houdt dit verband met hun toch iets minder precieze methode met wellicht onvolledige lijsten overledenen, foutieve koppelingen en dergelijke, waar ze gezien de grote aantallen wel toe moesten overgaan.

Croes en Tammes geven als aandeel overlevenden (met tussen haakjes en vet de hier berekende percentages): Hoogezand 18,2 % [12,6 %]; Sappemeer 48,6 % [32,3 %]; Muntendam 21,4% [14,3 %]; Winschoten 12,1 % [9,0 %], Veendam 13,7 % [5,0 %]; Wildervank 20,7 % [14,9 %]; Winsum 14,3 % [0 %]; Leek 23,2 % [16,4 %]. Nemen we de negen gemeenten (inclusief nog Bedum) waarvoor Croes en Tammes cijfers geven samen, dan komen zij op 884 Joden, waarvan er 147 overleven (16,6 %), terwijl onze cijfers uitkomen op eenzelfde aantal van 884 Joden,126 waarvan er slechts 98 overleven (11,1 %)!127 De overlevingskansen van Joden in de onderzochte delen van het Groninger platteland waren echt miniem, zelfs in vergelijking met het toch al lage cijfer voor de stad Groningen van 23 % en voor Nederland als geheel van 29,6 %. Eerder onderzoek komt overigens voor Nederland als geheel op het iets lagere 27 %.128 Er moet hierbij nogmaals op gewezen worden dat de overlevingsgraad van Joden in Nederland in Europees perspectief tijdens de Tweede Wereldoorlog sowieso al extreem laag is. Het is in het licht van deze gegevens niet heel opmerkelijk dat het erop lijkt dat wegtrekkers meer kans hadden om te overleven.

Een vroeg voorbeeld is het gezin van veehandelaar Israël Knorringa en Betje de Vries uit Uithuizen, die in december 1939 wegtrokken uit Groningen want – zoals hun zoon in 2014 vertelde – ‘je was daar veel te kwetsbaar zo dicht bij de Duitse grens. Vader wist wat er kon gebeuren, dat hoorde hij op de markt in Groningen. Hij wilde meer naar de Hollandse kust, achter de waterlinie’. 129 Zoals we nu weten werkte het zo niet, echter het gehele gezin Knorringa met twee 124

Overigens in de minimale overlevingscijfers voor gemeenten in de provincie Groningen gepresenteerd door H. Venema, De Joods-etnische zuivering, 13-16, en meer nog Venhuis, De Joods-Etnische zuivering, 200, gaat het al om zeer lage aantallen. 125 Croes en Tammes, ‘De lokale percentage overlevenden’. Zie ook: Croes en Tammes, Gif laten wij niet voortbestaan. 126 Berekend op grond van Croes en Tammes, ‘De lokale percentage overlevenden’, 447-448. Gewezen moet erop worden dat hoewel het totaal aantal Joden overeenkomt, er flinke verschillen zijn op gemeenteniveau. Bijvoorbeeld komen Croes en Tammes met 430 Joden in Winschoten lager uit dan dit onderzoek op 444. De aantallen zijn echter weer lager in dit onderzoek voor Sappemeer (31 tegen 37) en Veendam (100 tegen 107). 127 Het verschil tussen de 11,1 % hier en de 9,7 % voor het totaal in ons onderzoek komt vooral door de overlevingskansen binnen de bij Croes en Tammes vrijwel geheel ontbrekende zeer kleine Joodse gemeenschappen, die nog veel geringer waren. Overigens betekenen deze resultaten dat er vraagtekens gesteld kunnen woorden bij een vervolgartikel van Tammes en Ultee, ‘De Duitse bezetting’, waarin onder andere de mate van verzuiling als verklaring voor de door hun berekende overlevingskansen in Nederland als geheel getoetst wordt. 128 Croes en Tammes, ‘De lokale percentage overlevenden’, 447, 453, 437-438.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12744248/1