CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

82 1 Definitief rapport onderzoek Joods Vastgoed

Raadsvergadering 6 april 2023, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen/Lange Termijn Agenda raad/Toezeggingen57.153 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

‘... worden geacht nimmer den eigendom te hebben verloren’

Vermoord en bestolen: Joden, hun overlevingskansen en hun onroerende eigendommen in en na de Tweede Wereldoorlog op het Groninger platteland: Oldambt, Veendam, Midden-Groningen, Westerkwartier en Het Hogeland

Rapport van het onderzoek naar het handelen van de gemeenten Oldambt, Veendam, Midden-Groningen, Westerkwartier en Het Hogeland ten aanzien van Joods onroerend goed circa 1940-1955

Richard Paping, Jeroen Benders, Daniël Broersma, Albert Buursma, Owen Duijvendak en Koos Gräper

In opdracht van de samenwerkende gemeenten Eindversie 1 december 2022

1

Inhoudsopgave Voorwoord 1. Inleiding 2. De Joodse bevolking 1809-1947 in aantallen 2.1. De samenstelling van de Joodse bevolking rond 1942 3. De Jodenvervolging vanaf 1940 3.1. Anti-Joodse maatregelen: casus gemeente Winsum 3.2. De gemeente en het beheer van Joodse bezittingen na de ontruiming in 1943: casus Leek 3.3. Casus Van Geuns te Sappemeer als voorbeeld van het wedervaren van een Joodse familie 4. Overlevingskansen van Joden in het gebied: vermoorden en overlevenden 4.1. De terugkeer 5. Geroofde Joodse onroerende goederen en het rechtsherstel na de oorlog 5.1. Ontrechting tijdens de oorlog 5.2. De roof van Joodse goederen op het Groninger platteland 5.3. Het rechtsherstel 5.4. Het rechtsherstel op het Groninger platteland 5.5. Afhandeling beheer verkocht Joods bezit: casus Garson e.a. te Winsum 5.6. Afhandeling beheer onverkocht Joods bezit: casus gezin Bamberg-Manassen te Uithuizen 5.7. Rechtsherstel voor een overlevende: casus Israëls te Visvliet 6. Oldambt: de gemeentelijke betrokkenheid bij de verwerving van onteigend Joods onroerend goed 6.1. Inleiding 6.2. Het aankoopbeleid door de gemeente Winschoten van Joods en ander onroerend goed tijdens het Interbellum en de Bezetting 6.3. Het rechtsherstel van de door de gemeente Winschoten verworven Joodse goederen 6.4. Tot slot 7.

Veendam: de gemeentelijke betrokkenheid bij de verwerving van onteigend Joods onroerend goed 7.1. Een afgeketste grondaankoop door de gemeente Veendam in 1942 7.2. De gemeentelijke aankoop in 1943 van het perceel Bocht Oosterdiep 43 Veendam 7.3. De verwerving en gedeeltelijke teruggave van de onroerende goederen van de Joodse gemeente Veendam-Wildervank door de gemeente Veendam 7.4. Slotbeschouwing 2

8. Midden-Groningen: de gemeentelijke betrokkenheid bij de verwerving van onteigend Joods onroerend goed 8.1. Hoogezand 8.2. Sappemeer: familie Van Geuns, Noorderstraat 8.3. Slotbeschouwing 9. Het Hogeland: de gemeentelijke betrokkenheid bij de verwerving van onteigend Joods onroerend goed 9.1. Uithuizen 9.2. Winsum 9.3. Leens 9.4. Slotbeschouwing 10. Westerkwartier: de gemeentelijke betrokkenheid bij de verwerving van onteigend Joods onroerend goed 10.1. Grijpskerk: de slagerij van Mozes Israëls te Visvliet 10.2. Leek 10.3. Slotbeschouwing 11. Conclusies Appendix A: Algemene opzet en organisatie van het onderzoek Appendix B: Opzet database Joden vanaf 1942 Appendix C: Demografische gegevens Joden in 1942 Appendix D: Aantal Joden per oude gemeente 1809-1947 Appendix E: Aanpak Kadasteronderzoek onteigende Joodse onroerende goederen Appendix F: Lijst van Joodse onroerende goederen: roof en rechtsherstel Appendix G: Berekeningen naar aanleiding van rechtsherstel aangekochte ‘Jodenwoning Sappemeer’ Appendix H: De verwerving door de gemeente Winsum van een monumentaal pand van de familie De Ranitz

Literatuur en bronnen

3

Voorwoord Dit onderzoek is tot stand gekomen dankzij financiële ondersteuning van de gemeenten Oldambt, Veendam, het Hogeland en Westerkwartier, waarbij zich in een latere fase ook Midden-Groningen heeft gevoegd. De feitelijke startdatum van het onderzoek was 1 september 2021. Het onderzoek is vooral uitgevoerd door Jeroen Benders, Daniël Broersma en Owen Duijvendak en in een later stadium ook Albert Buursma als ingehuurde onderzoekers, samen met Koos Gräper als vrijwilliger en ook met enige ondersteuning van Mireille Oosterlaar. De leiding van het onderzoek berustte bij Richard Paping als universitair hoofddocent aan de Rijksuniversiteit Groningen. Voorlopige resultaten en het eindrapport zijn in een aantal bijeenkomsten besproken met en van feedback voorzien door een begeleidingscommissie samengesteld uit Maarten Duijvendak (emeritus hoogleraar Rijksuniversiteit Groningen), Hinke Piersma (hoofd onderzoek NIOD) en Henk Pijlman (Eerste Kamerlid en voormalig voorzitter CvB Hanzehogeschool Groningen). Vanuit de gemeenten waren betrokken Anno Sportel (Veendam, projecttrekker), Casper van Hoof (Het Hogeland), Harry Meijer (Westerkwartier), Rick Brinks en Frederieke Kolthof (Oldambt) en Harry Jager (MiddenGroningen).1 Wij danken alle hiervoor genoemden voor hun hulp en tips.

Daarnaast gaat onze dank uitdrukkelijk uit naar de diverse gemeenteambtenaren en anderen die ons geholpen hebben en ruimhartig van de door ons verzochte informatie hebben voorzien. In het bijzonder willen we hier noemen Theo Kiewiet (Oldambt), Anna-Ruth Koorn (Veendam), Betsie Westermann en Peter Kalma (Het Hogeland), Ria Wiendels, Ria Hoorn en Brenda Glas (Westerkwartier), en Teade Smedes en Reina Luiken (Midden-Groningen). Daarnaast danken we Frits Grunewald voor de verschaffing van toegang tot het archief van de Nederlands-Israelitische Gemeente Groningen.

Richard Paping, mede namens de andere leden van het onderzoeksproject

1

Een uitgebreidere bespreking van de organisatie en de opzet van het onderzoek is te vinden in Appendix A.

4

1. Inleiding (Richard Paping)

De laatste jaren is een groot aantal onderzoeken uitgevoerd naar de houding van de verschillende gemeenten in Nederland ten opzichte van onroerend goed van Joodse inwoners in de periode van grofweg 1940 tot 1955.2 Het overgrote deel van deze onderzoeken richt zich op de grotere en stedelijke gemeenten. Dat lijkt logisch omdat in dergelijke gemeenten de grootste Joodse gemeenschappen waren. Echter, ook in kleinere gemeenten woonden verspreid over Nederland Joden. Dit is misschien wel het duidelijkst te zien op het Groninger platteland met zijn vele verspreide kleinere en iets grotere Joodse gemeenschappen, echter ook met een relatief heel grote Joodse gemeenschap in Winschoten die rond 1850 zelfs meer dan 10 % van de bevolking besloeg, wat echter afnam tot circa 3,5 % aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Juist deze concentratie op het platteland maakt het in dit rapport gepresenteerde onderzoek bijzonder.

Hoe verging het de Joden op het platteland tijdens de oorlog? Hoe vond de ontrechting van Joden wat hun onroerend goed betreft hier plaats en hoe gingen plattelandsgemeenten hiermee om? Maakten zij er gebruik van door deze huizen en gronden in eigendom te verwerven? En hoe stelden ze zich op toen ze als gevolg van het proces van rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog gedwongen werden deze verworven eigendommen weer af te staan, of anders de teruggekeerde Joden of hun eigenaren hiervoor te compenseren door teruggave via een afdoende en rechtvaardige financiële vergoeding? Deze vragen zullen we in dit rapport aan de hand van de gevonden informatie in archieven zo goed mogelijk trachten te beantwoorden voor de gemeenten die lagen op het grondgebied van de huidige gemeenten Het Hogeland, Midden-Groningen, Oldambt, Veendam en Westerkwartier. Volgens de opzet moest het aan dit rapport ten grondslag liggende ‘onderzoek […] zich richten op de feiten rond de onteigening en restitutie van zogeheten Joods bezit, in het bijzonder onroerend goed, en de opvang en het rechtsherstel van gedupeerde Joden’. Het gaat in dit rapport dus primair om het verschaffen van een feitenrelaas, waarbij het uiteindelijke oordeel – hoewel soms doorklinkend in de gebruikte bewoordingen – ligt bij de verschillende gemeenten.

In de bewoordingen van de onderzoeksopzet: ‘Het gaat daarbij om de vraag of de gemeente iets heeft gedaan wat ze niet had moeten doen en proberen een antwoord te vinden op de vraag of de gemeente iets niet gedaan heeft, wat zij wel had moeten doen’.3 De vijf onderzochte gemeenten zijn het resultaat van een groot aantal herindelingen in de afgelopen decennia. Vanaf 1826 tot 1949 was de gemeentelijke indeling op het Groninger platteland betrekkelijk stabiel. De gemeente Het Hogeland omvat dertien voormalige gemeenten, Westerkwartier negen, Midden-Groningen zeven, Oldambt ook zeven en Veendam tenslotte twee

2

Zonder in enige mate uitputtend te zijn: R. te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’. De houding van de gemeente Den Haag tegenover Joodse eigenaren van onroerend goed 1940-1955 (Den Haag, 2017); H. Piersma en J. Kemperman, Openstaande rekeningen. De gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechtsherstel, 1940-1950 (Amsterdam, 2015); M. Duijvendak en S. van der Poel e.a., Lege plekken. Ontvreemding van Joods vastgoed en rechtsherstel in de gemeente Groningen (1940-1955). Onderzoeksrapport Rijksuniversiteit Groningen, November 2021. 3 Plan van aanpak. Onderzoek naar het handelen van de gemeenten Het Hogeland, Westerkwartier, Oldambt en Veendam ten aanzien van Joods onroerend goed 1940-1955, versie 28 juli 2021.

5

gemeenten. Onder die twee gemeenten bevindt zich Wildervank, waarvan het Stadskanaalster deel in 1969 gevoegd is bij de gemeente Stadskanaal. Omdat de twee delen van de oude gemeente Wildervank niet altijd gemakkelijk te onderscheiden waren, zijn de in dit rapport gepresenteerde gegevens voor Veendam vaak inclusief het Stadskanaalster deel van de voormalige gemeente Wildervank. Op 1 april 1949 werden overigens als begin van de gemeentelijke herindelingen Hoogezand en Sappemeer samengevoegd tot de gemeente Hoogezand-Sappemeer, wat van belang is omdat de afhandeling van het rechtsherstel van Joods onroerend ten dele na die datum plaatsvond. In dit rapport komt de rol van de burgemeesters in de bestudeerde gemeenten tijdens de oorlog maar heel zijdelings ter tafel, daar dit geen deel vormt van de onderzoeksopdracht. Het is dus geen uitgebreid onderzoek naar het handelen van de gemeenten ten aanzien van hun Joodse inwoners tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dit is overigens alleen al niet mogelijk door het grote aantal gemeenten en dus gemeentebesturen in de onderzochte regio. Opgemerkt kan worden dat er niet zelden sprake was van de spreekwoordelijke burgemeester in oorlogstijd met een zeer beperkte speelruimte.

Burgemeesters lijken soms vormen van bureaucratische obstructie te hebben gepleegd, zoals in Leek, maar het is zonder uitgebreid extra onderzoek moeilijk scherp te krijgen in hoeverre dit werkelijk het geval was. Hoe dan ook was hun handelingsvrijheid zeer ingeperkt. De burgemeester van Winsum bijvoorbeeld lijkt afstand te hebben bewaard, maar kon zich in de praktijk evenmin als collega’s elders onttrekken aan medewerking aan anti-Joodse maatregelen, met de toewijzing van ‘jodenwoningen’ als in het oog springend voorbeeld. Aan de andere kant werden er gedurende de Tweede Wereldoorlog ook in vele gemeenten NSB-burgemeesters aangesteld, waarmee de Duitse bezetter zorgde voor een loyaal lokaal bestuur (zie ook hoofdstuk 3). Bij dit soort onderzoek waar historische ‘feiten’ centraal staan, moet bedacht worden dat lang niet alles wat relevant is ook opgeschreven is en daarbij dat niet alle documentatie bewaard is gebleven. Onze kennis wordt zodoende gefilterd door wat er destijds op schrift is vastgelegd en wat vervolgens daarvan als archivalia bewaard is gebleven. Ten eerste is het belangrijk te beseffen dat voor dit onderzoek en in het bijzonder hoofdstuk 6 tot en met 10 vooral gebruik is gemaakt van bestuurlijke stukken, zoals notulen of besluitenlijsten en formele brieven.

Dat zijn stukken waarin minder ruimte is voor beschrijvingen van emoties dan in bijvoorbeeld dagboeken of persoonlijke brieven. De gebruikte stukken geven dus vanuit hun aard weinig inzicht in mogelijk bij de betrokkenen spelende emoties. Daarnaast is van sommige kwesties beduidend meer archiefmateriaal bewaard gebleven dan van andere. Vredenberg schreef in 1995 naar aanleiding van zijn onderzoek in de gemeente Arnhem dat ‘Bestuurlijke archieven uit de bezettingstijd […] nu niet direct een ideale afspiegeling van het werkelijke beleid [vormen]. Het interessantste moest meestal onopgeschreven blijven’.4 Het is dan ook goed om bij dit gemeentelijk onderzoek vooraf te melden dat in het recente verleden veel archiefmateriaal uit de oorlogsperiode (en niet alleen uit die jaren) geheel volgens de regels opgeschoond is.5 De mate waarin dat gebeurde, verschilt per (voormalige) gemeente. Toeval speelt een rol. In Leek, bijvoorbeeld, zijn veel archivalia uit de periode na 1936 bewaard gebleven, omdat er na de eerste inventarisatieronde geen tijd meer was voor opschoning.6 Bij de voltooiing van de 4

Vredenberg, ‘Een gemeentebestuur in bezettingstijd’, 161 (over Arnhem en diens burgemeester H.P.J. Bloemers en het hoofd van de afdeling ‘Duitsche Zaken’ C.W. Vuursteen). 5 Vergelijk ook wat betreft Groningen hierover: Venhuis, De Joods-Etnische zuivering, 1-4. 6 Voor het navolgende: ‘Voorwoord’ in Schuur e.a., Inventarissen archieven Leek 1811-1976) deel 1, met getypt addendum waarin onder meer bouw-/uitbreidingsplannen vanaf 1954. Voorts mededelingen van mw. R. Doorn, archiefmedewerker gemeente Westerkwartier te Leek.

6

inventaris zou het weggooien van bestanden tot een ingrijpende omnummering geleid hebben ‘die de inventarisatiewerkzaamheden van de heer Schuur [de eerste bewerker] drastisch zou verstoren’. Oftewel, niemand had zin in deze klus. Naast een dergelijke locatie-specifieke factor speelt soms simpelweg mee dat bij een vernietigingsronde een verantwoordelijke uitvoerder bestanden heeft laten liggen met de gedachte ‘dat weet ik niet’, dus uit twijfel over de unieke waarde ervan, waarna bij een volgende ronde de volgende betrokkene denkt: ‘dit is vast niet voor niets bewaard’. Zo zijn stukken en dossiers die vernietigd hadden moeten worden soms onbedoeld intact overgeleverd. Tegelijkertijd is er veel voorgoed in de papiercontainer of versnipperaar verdwenen. Zo is in de jaren 1971-1973 materiaal uit diverse bestanden van het gemeentelijk bestuursarchief van Grijpskerk in opdracht van de gemeente en het Centraal adviesbureau van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten weggegooid. Mogelijk relevant voor dit onderzoek hadden bijvoorbeeld kunnen zijn de naar schatting twintig strekkende meter bijlagen bij de gemeenterekeningen die toen verloren gingen.7 Ten slotte moet nog gemeld worden dat voor dit onderzoek een toch zeer beperkte hoeveelheid tijd beschikbaar was. De nadruk lag daarom op onderzoek in de gemeentearchieven en in de kadastrale archieven.

Er is wel degelijk gebruik gemaakt van vele andere archieven, maar gaandeweg het onderzoek werd wel duidelijk dat in de beschikbare tijd lang niet alles wat bewaard gebleven is bekeken kon worden. Er is voor gekozen – zoals de bedoeling van de gemeentelijke opdrachtgevers was – om sterk de nadruk te leggen op de gemeentelijke verwerving van Joods onroerend goed en de verdere betrokkenheid van de gemeente met dergelijk Joods onroerend goed in en na de oorlog. In die (huidige) gemeenten waar daarvan in meerdere mate sprake was, was veel minder ruimte voor het ingaan op andere aanpalende onderwerpen. In (huidige) gemeenten waar die betrokkenheid beperkt was, waren in dat opzicht meer tijd en mogelijkheden en leverde het onderzoek informatie voor een aantal casestudies, die in het algemene verhaal van de Jodenvervolging op het Groninger platteland ingepast zijn, om dit verhaal meer diepgang geven. Opgemerkt moet nogmaals worden dat hoewel er langdurig onderzoek is gedaan, de veelheid aan archiefmateriaal, waarbij zelfs in de laatste maanden nieuw materiaal opdook, het onmogelijk maakt al dit materiaal diepgravend te bestuderen.

Desondanks menen de onderzoekers dat dit onderzoeksrapport een vrijwel volledig beeld geeft van het handelen van de geselecteerde gemeenten aangaande de aankoop van Joods onroerend goed gedurende de Tweede Wereldoorlog, en de afhandeling van die aankopen na afloop van de oorlog. Uitdrukkelijk hebben we er daarnaast naar gestreefd om in dit rapport aan de hand van voorbeelden en dergelijke veel namen te noemen en individuele gevallen te behandelen.8 Mede op deze manier tracht het rapport toch ook iets van recht te doen aan al die Joodse medebewoners in het onderzoeksgebied, die zo wreed zijn vervolgd en vermoord, en van wie alles afgepakt is. Maar ook aandacht wordt gegeven aan de weinigen die overleefden en zo moeizaam hun leven weer op de rails trachtten te krijgen en hun recht probeerden te halen. Gezien de aantallen Joden die woonachtig zijn geweest in het gebied en de hoeveelheden gedurende de Bezetting geroofde goederen kan echter slechts een kleine minderheid daadwerkelijk met naam behandeld worden in deze tekst. De opbouw van dit rapport is als volgt. In het hierop aansluitende tweede hoofdstuk wordt kort ingegaan op de ontwikkeling van de Joodse gemeenschap in het onderzoeksgebied vanaf het begin

7 8

ArWk, AgGk, inv.nr. 207 (stukken betreffende de nazorg en sanering van het archief). Vergelijk de overwegingen van Van Hasselt, Uitgesloten, 14-16, 24, 27.

7

van de negentiende eeuw, waarbij er vooral belangstelling is voor de samenstelling van de Joodse bevolkingsgroep aan de vooravond van de deportaties in de tweede helft van 1942. Vooral dankzij de Mr. J.H. de Vey Mestdagh Stichting is in het bijzonder in de serie ‘Bouwstoffen voor de geschiedenis van de Joden in Groningen’ een flink aantal lijvige boeken verschenen over de verschillende Joodse gemeenschappen op het Groninger platteland. Voor de details over de geschiedenis van de Joden in het onderzochte gebied vanaf de achttiende eeuw tot en met de Tweede Wereldoorlog kan dan ook naar deze literatuur verwezen worden.9 In het derde hoofdstuk wordt kort een beeld gegeven van de Jodenvervolging door de Nazi’s vanaf 1940. Het moet hier nogmaals gemeld worden dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling is van dit rapport om systematisch te onderzoeken hoe en in welke mate de verschillende gemeenten, burgemeesters, wethouders en gemeenteambtenaren gedurende de Duitse bezetting hebben meegewerkt aan de vervolging van Joden en roof van hun eigendommen. Zo’n onderzoek zou een heel andere benadering en vraagstelling vergen. Daarbij zou het gaan om een gigantische onderneming, aangezien het zoals hiervoor gemeld in het gebied om 38 verschillende gemeenten gaat, waarvan in 27 gemeenten daadwerkelijk Joden woonachtig waren rond 1942.

In hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op de (geringe) overlevingskansen van de Joden in het onderzoeksgebied. Vragen die gesteld worden aan de hand van een voor dit onderzoek geconstrueerde database met Joodse inwoners zijn: Welke Joden hadden de meeste kans om te overleven? Wat kunnen we zeggen over de ontvangst van de weinige overlevenden in het gebied bij hun terugkeer na de oorlog? Hoofstuk 5 geeft een schets van de wijze waarop de onteigening van Joodse onroerende goederen en het daarna ingezette proces van rechtsherstel in haar werk ging in Nederland. Daarbij wordt nagegaan wat er met Joods onroerend goed gedurende de Duitse bezetting en in het bijzonder de verkoop van Joodse huizen en landerijen gebeurde in het onderzoeksgebied, met enige aandacht voor notoire oorlogskopers van Joods onroerend goed. Ook wordt ingegaan op de wijze van rechtsherstel met betrekking tot dit vastgoed en het tempo daarin. De cijfermatige gegevens zijn zoveel mogelijk en relevant gesplitst per huidige gemeente. Daarnaast wordt aan de hand van een drietal casestudies in dit hoofdstuk geïllustreerd hoe het proces van ontrechting en rechtsherstel in detail in zijn werk ging.

De hoofdstukken 6 tot en met 10 gaan heel specifiek in op de mate van de gemeentelijke betrokkenheid bij de verwerving van onteigend onroerend goed van Joodse inwoners, en op de vraag hoe de gemeenten na het einde van de oorlog zijn omgegaan met het rechtsherstel, oftewel de teruggave aan, of de compensatie van de oorspronkelijke Joodse eigenaren. Nagegaan is daarbij als eerste of gemeenten Joodse huizen en landerijen hebben verworven tijdens de oorlog. Het systematisch onderzoek concentreert zich veelal op twee voormalige gemeenten binnen iedere huidige gemeente, waarbij het gaat om de gemeenten waar de Joodse gemeenschap het grootste was of de hoeveelheid verkochte Joodse huizen volgens de zogenaamde Verkaufsbücher – waarin deze verkopen door de Duitsers werden bijgehouden – het omvangrijkst was. Indien relevant zijn ook gegevens betreffende andere voormalige gemeenten meegenomen. Ook is er in deze hoofdstukken vaak aandacht voor de verdere gemeentelijke betrokkenheid bij onroerend goed van Joden, waaronder ook de bezittingen van de Joodse gemeenten (synagogen, begraafplaatsen, e.d.). In hoofdstuk 11 wordt een samenvatting gegeven van de belangrijkste conclusies van dit onderzoek, waarbij de nadruk ligt op wat gevonden is over het handelen van de onderzochte gemeenten wat 9

Zie voor deze boeken de literatuurlijst bij dit rapport.

8

betreft Joodse onroerende eigendommen gedurende, maar vooral ook na de oorlog bij het proces van rechtsherstel. Het rapport eindigt met een aantal Appendices. In Appendix A wordt een schets gegeven van de algemene opzet en de organisatie van het hier gepresenteerde onderzoek. In Appendix B wordt ingegaan op de wijze waarop de database met Joden rond 1942 in het onderzoeksgebied tot stand is gekomen. In Appendix C worden uitgesplitste gegevens over de opbouw van de Joodse gemeenschap in 1942 gepresenteerd. Appendix D geeft een overzicht per vroegere gemeente van de omvang van het aantal Joden vanaf 1809 tot 1947, veelal op grond van de volkstellingen. In Appendix E wordt uitgelegd hoe het Kadasteronderzoek naar wat er gebeurd is met in de oorlog onteigende joodse onroerende eigendommen is uitgevoerd. Daarna geeft Appendix F een zo volledig mogelijke lijst van alle onroerende eigendommen van Joden (huizen en landerijen) die in de oorlog buiten de eigenaren om zijn verkocht en op wat voor manier er al dan niet na de oorlog rechtsherstel heeft plaatsgevonden. Aan deze lijsten zijn ook de door ons gevonden onroerende goederen van Joodse eigenaren toegevoegd, die niet verkocht lijken te zijn en waar zodoende geen rechtsherstel noodzakelijk was. Hoewel getracht is van deze laatste groep er zoveel mogelijk op te sporen, is de lijst in dit opzicht zeker niet volledig.

In Appendix G worden berekeningen gepresenteerd die deel uitmaken van de rechtsherstelprocedure van een door de gemeente Sappemeer aangekochte woning van Joodse eigenaren. Tot slot wordt in Appendix H apart aandacht besteed aan de verwerving gedurende de oorlog door de gemeente Winsum van een pand van de familie De Ranitz, dat thans nog onderdeel is van het gemeentehuis te Winsum van de gemeente Het Hogeland. Dit omdat over deze aankoop allerlei verhalen rondgaan. Aan het einde van dit rapport volgt een overzicht van de gebruikte literatuur en bronnen.

9

2. De Joodse bevolking 1809-1947 in aantallen (Richard Paping)

Hoewel er oudere vermeldingen zijn, ontstaan er op het Groninger platteland pas echt iets wat lijkt op Joodse gemeenschappen in de achttiende eeuw. In deze jaren verhuisden diverse Joden voornamelijk vanuit Duitsland naar de provincie.10 Vooral rond 1800 toen de Joden gelijke rechten hadden gekregen, lijkt hun aantal toegenomen zijn. De oudste exacte gegevens over het aantal Joden stammen uit 1809. Volgens de religietelling uit dat jaar blijkt op dat moment ruim de helft van de Joden in de provincie in de stad Groningen te wonen (tabel 1). De rest woonde in kleinere of grotere groepen verspreid over vele dorpen op het platteland. Zo’n twee derde van deze Joden was gevestigd op het grondgebied van de huidige gemeenten Het Hogeland, Midden-Groningen, Oldambt, Veendam en Westerkwartier, waar dit onderzoek zich op richt. Soms gaat het in een dorp om een enkel gezin. Echter in diverse plaatsen is er sprake van een veelal kleine Joodse gemeenschap met een begraafplaats11 en een (kleine) synagoge.

Tabel 1. Joodse bevolking van de provincie Groningen volgens opgave van de religie in de volkstellingen 1809-1947 (aantallen). Onderzoeksgebied 1809 733 1829 1839 1.289 1849 1.587 1859 1.988 1869 1.974 1879 2.193 1889 2.328 1899 2.198 1909 1.891 1920 1.551 1930 1.237 1942 1.142* 1947 51 *: eigen telling: zie Appendix B.

Rest platteland 478

Stad Groningen 1.414

699 763 847 907 1.133 1.136 1.212 1.097 875 728

1.196 1.420 1.522 1.645 2.138 2.482 2.628 2.702 2.362 2.398

75

202

Totaal provincie 2.625 2.660 3.184 3.770 4.357 4.526 5.448 5.946 6.038 5.691 4.788 4.363 328

In de gemeente het Hogeland waren de Joden in 1809 al het meest verspreid – net als rond 1940 – met als hoogste aantal 20 in de gemeente Eenrum. In het Westerkwartier was de Joodse gemeenschap ook toen vooral geconcentreerd in Leek met 43 leden. In Midden-Groningen had Hoogezand met 67 de meeste Joden, al moet ook Sappemeer met 30 Joden genoemd worden. In het Oldambt stak de grotere plaats Winschoten met kop en schouders boven de dorpen uit met in 1809

10 11

O.a.: Van Klinken en De Vey Mestdagh, De Joodse gemeenschap in het Westerkwartier, 27. Zie voor een overzicht van de Joodse begraafplaatsen: Lettinck, Klein en groot zijn daar gelijk.

10

in totaal 150 Joden. Het talrijkst waren in dat jaar de Joden in de veenkolonie Veendam met een aantal van 163; in het nabije Wildervank woonden er toen 71. Natuurlijk waren er in de negentiende eeuw flinke verschuivingen in de concentratie Joden per gemeente, toch bleef het patroon in grote lijnen gelijk. In veel plaatsen waren zeer kleine gemeenschappen, terwijl in het bijzonder in de grotere plaatsen in oost-Groningen een aantal omvangrijke Joodse gemeenschappen bestonden. Enige decennia later was Winschoten veruit de grootste Joodse gemeenschap en vanaf 1860 woonden daar zelfs meer Joden dan in Veendam en Wildervank samen. Deze verspreiding van Joden was begrijpelijk, aangezien de overgrote meerderheid van de Joden op het Groninger platteland actief was in een zeer beperkt aantal beroepen. Joden waren veelal slager, veehandelaar, koopman of reizende handelaar, vaak in textiel of tweedehands goederen. Bedacht moet worden dat in de negentiende eeuw zo’n zestig procent van de Groninger plattelandsbevolking werk vond in de landbouw als landarbeider of boer (landbouwer), terwijl de overige veertig procent voor een belangrijk deel uit ambachtslieden bestond.12 Dit zijn allemaal beroepen die Joden nooit of vrijwel nooit hadden.

In de meeste wat kleinere dorpen was er natuurlijk maar beperkt emplooi voor slagers en veehandelaren, waardoor er dus maar een paar Joodse gezinnen een bestaan konden vinden. De omvangrijkere bedrijvigheid in de grotere plaatsen bood Joden echter veel meer kansen, niet alleen de slagers en veehandelaren, maar vooral ook de kooplieden. De laatsten richten zich onder meer op textiel en gebruikte goederen en gebruikten de grotere plaatsen als uitvalsbasis om klanten op het platteland te bezoeken.

Tabel 2. Joodse bevolking van de provincie Groningen volgens opgave religie in de volkstellingen 1809-1947 (percentage bevolking). 1809 1829 1839 1849 1859 1869 1879 1889 1899 1909 1920 1930 1942 1947

Onderzoeksgebied 1,0 1,3 1,5 1,7 1,6 1,6 1,6 1,4 1,2 0,9 0,7 0,6 0,03

Rest platteland 1,4

Stad Groningen 5,4

1,6 1,6 1,6 1,5 1,7 1,6 1,5 1,2 0,9 0,7

3,6 4,2 4,3 4,3 4,6 4,4 3,9 3,6 2,6 2,3

0,06

0,15

Totaal provincie 2,0 1,7 1,8 2,0 2,1 2,0 2,2 2,2 2,0 1,7 1,3 1,1 0,07

Opmerkelijk is dat in de halve eeuw tot 1860 het aandeel Joden in de bevolking van de hier onderzochte Groninger plattelandsgemeenten snel toenam, waarbij vestiging van elders een rol gespeeld heeft. In de rest van de plattelandsgemeenten was dit minder het geval, terwijl het aandeel Joden in de stad Groningen volgens de statistieken zelfs in eerste instantie flink afnam (tabel 2). 12

O.a.: Paping, Voor een handvol stuivers, passim.

11

Duidelijk is dat de Joden inspeelden op de verschuiving van de nadruk in de Nederlandse economie in deze periode van de stad richting platteland en landbouw. Hoewel ze zelf niet of nauwelijks in de landbouw werkten, was natuurlijk het verhandelen en slachten van vee en vlees door Joden sterk verbonden aan diezelfde landbouw. Tussen 1860 en 1890 was het aandeel Joden in de bevolking van de onderzochte gemeenten het hoogst (zie tabel 2 en 4). Ook de aantallen Joden zijn van 1860 tot 1900 het grootst in de meeste gemeenschappen op het platteland van Groningen (tabel 3). Deze periode is het hoogtepunt van de Groninger mediene. De eerder piepkleine Joodse dorpsgemeenschappen gaan nu echt iets voorstellen. Een mooi voorbeeld betreft het huidige Hogeland met redelijke aantallen Joden in Eenrum (65), Uithuizen (54), Leens (47), Warffum (47) en Winsum (43) begin 1890. In het Westerkwartier bereikt de Joodse gemeenschap in Leek in diezelfde tijd een piek met 153 leden, terwijl ook Grijpskerk een aardige gemeenschap had met 42 Joden. In Midden-Groningen was er eenzelfde patroon, al lag daar de top rond 1880 met naast 160 Joden in Hoogezand, substantiële gemeenschappen in de gemeenten Sappemeer (72), Muntendam (61) en Noordbroek (45). Iets afwijkend is dat daar Sappemeer nog doorgroeit tot 94 Joden eind 1909.

De grote uitzondering is echter de gemeente Slochteren, waar in 1942 veel meer Joden woonden dan bij eerdere tellingen. Vanaf 1850 waren er in deze gemeente bij de volkstellingen steeds tussen de 30 en 45 Joden. Slochteren was de enige gemeente in het onderzoeksgebied waar het aantal Joden sterk steeg in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Onder de nieuwkomers daar waren er nogal wat uit Hoogezand, maar ook enkele vluchtelingen uit Duitsland.

Tabel 3. Joodse bevolking per huidige onderzoeksgemeente volgens opgave religie in de volkstellingen, 1809-1947 (aantallen). Het Hogeland

MiddenOldambt Groningen 1809 91 151 212 1839 164 250 409 1849 220 276 526 1859 254 313 730 1869 250 340 716 1879 305 420 684 1889 346 409 823 1899 274 393 874 1909 211 353 783 1920 160 266 643 1930 126 234 508 1942 91 226 509 1947 6 10 19 * Veendam: inclusief het Wildervankster deel van Stadskanaal.

Veendam* 234 352 400 508 478 569 511 474 389 352 271 221 9

Westerkwarti er 59 119 173 201 205 233 251 191 170 136 108 95 7

Winschoten met veruit de grootste Joodse gemeenschap telde volgens de volkstelling van 1899 zelfs 699 Joden. Denkelijk speelde de trek van Joden vanuit omliggende plaatsen naar Winschoten hierbij een rol. De Joodse gemeenschappen in zowel de gemeente Scheemda (60) als Nieuweschans (66) piekten duidelijk in 1859, waarna een teruggang volgde. Echter ook Beerta met rond de 40 tussen 1870 en 1890 en Midwolda met 33 tot 36 tussen 1890 en 1910 herbergden een redelijk aantal Joden. 12

In de gemeente Veendam en Wildervank lag het hoogtepunt duidelijk eerder dan Winschoten met respectievelijk 305 en 264 Joden bij de volkstelling van 1879.

Tabel 4. Joodse bevolking grondgebied huidige gemeenten volgens opgave religie in de volkstellingen, 1809-1947 (percentage bevolking). Het Hogeland

MiddenOldambt Groningen 1809 0,5 0,9 1,7 1839 0,6 1,2 2,4 1849 0,7 1,2 2,8 1859 0,8 1,2 3,6 1869 0,7 1,2 3,2 1879 0,8 1,4 2,7 1889 0,9 1,2 2,9 1899 0,7 1,0 2,8 1909 0,6 0,9 2,4 1920 0,4 0,6 1,8 1930 0,3 0,6 1,4 1942 0,2 0,5 1,3 1947 0,01 0,02 0,05 * Veendam: inclusief het Wildervankster deel van Stadskanaal.

Veendam* 2,4 2,9 3,1 3,2 2,8 3,0 2,7 2,4 1,8 1,5 1,2 0,9 0,04

Westerkwarti er 0,4 0,6 0,8 0,8 0,8 0,8 0,9 0,7 0,6 0,4 0,3 0,2 0,02

Vanaf het einde van de negentiende eeuw zien we dat het aandeel Joden in het onderzoeksgebied snel terugliep, net als overigens in de rest van het platteland van Groningen en ook in de stad Groningen (tabel 4). Dat laatste maakt duidelijk, dat verhuizen naar de stad Groningen voor de Joden op het platteland uiteindelijk toch maar een beperkte rol speelde. Veel van de Groninger Joden kwamen terecht in Amsterdam, waar een zeer grote Joodse gemeenschap was, en waar uiteindelijk ruim meer dan de helft van de Nederlandse Joden woonde. Niet alleen de aantrekkingskracht van Amsterdam, maar ook de beperkte mogelijkheden op het Groninger platteland stimuleerden deze migratie.13 Vanaf circa 1880 was de landbouw in een grote depressie gekomen door lage graanprijzen. Naast Joden, verlieten ook vele landarbeiders het gebied, maar gezien de teruggang van het Joodse aandeel van 1,7 % rond 1860 naar 0,7 % rond 1930, vertrokken de Joodse kleine middenstanders in veel sterkere mate. Het moet wel gemeld worden dat die 0,7 % in 1930 mogelijk een lichte onderschatting is van het aantal Joden, omdat het gebaseerd is op de religieuze voorkeur opgegeven in de volkstelling. In deze periode is er een toenemend aantal Nederlanders die geen geloof meer opgaf.

Dat zal ook gegolden hebben voor enkele Joden in het gebied, bijvoorbeeld gemengd gehuwden en personen met een vooral socialistische politieke voorkeur. Uit de door ons gemaakte telling van de Joden die vlak voor de start van de deportaties in het gebied aanwezig waren, wordt duidelijk dat de teruggang in het aantal Joden in de jaren dertig van de twintigste eeuw gewoon doorging, met als uitzondering – naast de reeds genoemde gemeente Slochteren – de grootste Joodse gemeenschap te Winschoten. Het aandeel van de Joden nam in lijn 13

Vergelijk ook de redenen bij Van der Berg, De Joodse Gemeenschappen in Noordwest-Groningen, 34-35: aangegeven wordt dat in elk geval vanaf het Hogeland vaak in een eerste instantie naar de stad Groningen verhuisd werd.

13

hiermee ook nog wat verder af. Het is belangrijk om hier op te merken dat onder Joden hier diegenen gerekend zijn die vermoedelijk tenminste drie Joodse grootouders hadden en ook personen met twee Joodse grootouders, die met een Jood gehuwd waren (zie appendix B). Daarbij is de definitie gevolgd die de Duitse bezetter in de oorlog hanteerde. Dit is onontkoombaar omdat we de gedurende de Tweede Wereldoorlog op bevel van de Duitsers gemaakte lijsten als uitgangspunt hebben genomen. Ook was het deze groep waar de vervolging en ook de roof van goederen zich vrijwel geheel op richtte, zoals we later nog zullen zien.14

2.1. De samenstelling van de Joodse bevolking rond 1942 De teruggang in het aantal Joden op het Groninger platteland was vooral het gevolg van vertrek naar elders. In het bijzonder jongere leden van de gemeenschap en/ook jonge gezinnen vertrokken in de loop der tijd. Dit had nogal wat gevolgen voor de leeftijdsopbouw van de Joodse gemeenschap rond 1940. Bedacht moet worden dat de Nederlandse bevolking in het Interbellum nog steeds zeer snel groeide, wat vooral kwam door het blijvend hoge geboortecijfer. Er werden veel meer kinderen geboren dan dat er mensen overleden. Jongeren maakten zodoende een relatief groot deel van de bevolking uit, mede ook omdat sinds de laatste decennia van de negentiende eeuw de kindersterfte fors gedaald was.

Grafiek 1: Leeftijdsopbouw Joden 1942 (blauw) i.v.m. Groninger platteland 1930 (oranje)

2,5

2

1,5

1

0,5

0 0

10

20

30

40

50

60

70

80

90

Bij een redelijk snel groeiende bevolking – zoals in Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw – is de bevolkingsopbouw vergelijkbaar met die zoals te zien voor het Groninger platteland

14

Een uitzondering daarbij vormen de gemengd gehuwde Joden, die in het onderzoeksgebied grotendeels aan vervolging hebben kunnen ontsnappen.

14

rond 1930 in grafiek 1.15 Dat houdt in dat normaliter de grootste leeftijdscohorten worden gevormd door jonge kinderen. Het aandeel van oudere leeftijdsgroepen neemt voortdurend af tot ze vrijwel nihil zijn bij 90 jaar en ouder. De bevolkingsopbouw van de Joodse gemeenschap in de onderzochte gemeenten in 1942 is echter volledig anders. Er zijn maar betrekkelijk weinig kinderen, tieners en vooral twintigers. Echter de leeftijdsgroepen vanaf dertig jaar zijn onder de Joden oververtegenwoordigd. Hoe ouder, hoe sterker dit is. Er zijn dan ook relatief meer veertigers en vijftigers dan Joodse kinderen van een bepaalde leeftijd in het gebied. In vergelijking met een normale bevolkingsopbouw, waren ook zestigers en zeventigers sterk oververtegenwoordigd binnen de Joodse gemeenschap. Kort samengevat, was de Joodse gemeenschap op het Groninger platteland in 1942 heel sterk vergrijsd. Dit kwam door twee ontwikkelingen. Ten eerste hadden veel Joodse jongeren na de volwassenheid, evenals jonge Joodse gezinnen, het gebied verlaten, omdat er voor hen kennelijk geen toekomst was. Ten tweede, maar dat zou preciezer onderzocht kunnen worden, telden de nog aanwezige gezinnen van Joden vaak maar vrij weinig thuiswonende kinderen (twee tot vier). Heel grote Joodse gezinnen, zoals gebruikelijker in de negentiende eeuw, kwamen nauwelijks meer voor in 1942.16

Tabel 5. Leeftijdsopbouw en burgerlijke staat Joodse mannen en vrouwen in 1942. Mannen

0-20 jaar (geb. 1922-1943) 20-30 jaar (geb. 1912-1921) 30-40 jaar (geb. 1902-1911) 40-50 jaar (geb. 1892-1901 plus 60 jaar (1891 of eerder)

Joodse mannen rond 1942 Totaal 135 71 77 86 203

Vrouwen

0-20 jaar (geb. 1922-1943) 20-30 jaar (geb. 1912-1921) 30-40 jaar (geb. 1902-1911) 40-50 jaar (geb. 1892-1901 plus 60 jaar (1891 of eerder)

Ongehuwd 135 49 23 15 28

% ongehuwd 100% 69% 30% 17% 14%

Joodse vrouwen rond 1942 Totaal 120 72 80 79 220

Ongehuwd 120 33 10 12 45

15

% ongehuwd 100% 46% 13% 15% 20%

Groninger platteland 1930 % ongehuwd 100% 67% 15% 10% 8% Groninger platteland 1930 % ongehuwd 99% 50% 14% 11% 10%

Gebaseerd op www.volkstellingen.nl. Voor volkstellingsjaar 1930 is de leeftijdsopbouw per geboortejaar bekend voor zowel de provincie als geheel, als voor de stad Groningen afzonderlijk. De volgende volkstelling is pas in 1947, reden om ter vergelijking hier het jaar 1930 te gebruiken. Op de Y-as staat het percentage van een bepaalde leeftijd in de totale bevolking. 16 Uitzonderingen zijn Meijer de Levie en Geertje de Vries te Winschoten, Venne 49, met vijf kinderen geboren tussen 1931 en 1941 (allen vermoord in 1942); Barend Bollegraaf en Kaatje Simons te Hoogezand, Smitslaan 55, met vijf kinderen geboren tussen 1919 en 1930 (allen vermoord in 1942); Joseph Seijffers en Hermine Frederike de Vries te Winschoten, Vosseweg 12, met acht kinderen geboren tussen 1922 en 1943 (oudste zoon vermoord in 1942, de rest in 1943); Levie Valk en Schanette Meijer in het Wildervanksterdeel van Stadskanaal met acht kinderen geboren tussen 1923 en 1939 (allen vermoord in 1942).

15

Wat sekse betreft was de Joodse bevolking rond 1942 in twee vrijwel gelijke delen verdeeld met 572 mannen en 570 vrouwen (in totaal 1.142). Daarbij waren er met 64 bijna twee keer zoveel weduwen als weduwnaars (33). In totaal waren vijf personen gescheiden. Opmerkelijk is het grote aandeel oudere ongehuwden binnen de Joodse bevolking.17 Als we de Joden rond 1942 vergelijken met de laatste betrouwbare algemene cijfers voor het Groninger platteland als geheel volgens de volkstelling van 1930, blijkt dat Joodse mannen vanaf het dertigste jaar bijna twee keer zoveel kans hadden om ongehuwd te zijn, en gezien de hogere cijfers vanaf 40 jaar dit ook te blijven. Joodse vrouwen waren relatief iets minder ongehuwd. Onder de dertigers was dit zelfs iets minder het geval dan in het algemeen. Denkelijk wijst dit erop dat de Joodse vrouwen iets gemakkelijker dan de mannen in de jaren dertig van de twintigste eeuw het gebied verlieten en daarna huwden, terwijl de mannen in die periode meer bleven hangen. De aantallen zijn echter zo klein dat algemene conclusies hierover lastig te trekken zijn. Onder Joodse vrouwen van zestig jaar en ouder was het aandeel ongehuwden wel zeer hoog, met een vijfde van de zestigplussers.

Een opvallend voorbeeld van het hoge aandeel ongehuwden onder de Joden was het gezin Hart te Oostwold onder Midwolda dat op het moment van deportatie op 11 november 1942 bestond uit drie ongehuwde broers Heiman (70 jaar), Meijard Andries (63 jaar) en Izaak Benjamin (60 jaar) die allen vleeshouwer en koopman waren, en twee ongehuwde zusters Foktje (68 jaar) en Rosien (65 jaar).18 Ze werden alle vijf op 23 november 1942 te Auschwitz vermoord. Eén zuster Beilina huwde op 29jarige leeftijd in 1914 met Hartog Cohen en vestigde zich in de stad Groningen. Alleen haar in 1916 geboren dochter Marieke (Mimi) Cohen overleefde de oorlog (in Westerbork).19 Al met al sluit het hoge aandeel ongehuwden onder de Joden aan bij het beeld van een vergrijsde bevolking, waarbij het gebied voor Joden minder economisch perspectief bood, en dus minder huwelijkskansen, en waarbij de meer ondernemende personen – die ook meer kans hadden op de huwelijksmarkt – relatief veel naar elders vertrokken waren.

17

Zie ook Van der Berg, De Joodse Gemeenschappen in Noordwest-Groningen, 35: ArOa, AgMw, Bevolkingsregister Midwolda 1920-1939, p. 746, huisnr. B239. Www.joodsmonument.nl, 3 juni 2022, suggereert dat Heiman elders woonde dan zijn broers en zusters. De woonkaarten van Midwolda laten echter zien dat Heiman Hart hoofdbewoner was van dit adres Noorderstraat 46. 19 Mimi Cohen wonende te Groningen huwde 18 juli 1942 te Groningen Abraham Gudema, die toen in Winschoten woonde. Op 5 oktober 1942 kwam ze van Groningen naar Westerbork (https://bevrijdingsportretten.nl/portret/de-familie-gudema/), en lijkt zodoende niet of heel kort in Winschoten gewoond te hebben. 18

16

3. De Jodenvervolging vanaf 1940 (Richard Paping)

Op 10 mei 1940 werd het neutrale Nederland door Duitsland aangevallen, waarna het Nederlandse leger op 15 mei capituleerde en het Nederlandse grondgebied door het Duitse leger bezet werd. In Duitsland waren al sedert 1933 de nationaalsocialisten onder leiding van Adolf Hitler aan de macht, die daar doorlopend stringentere antisemitische maatregelen troffen. Tot medio 1941 viel het wat dit laatste betreft in Nederland nog mee, hoewel het begin van uitsluiting al meteen begon in de zomer van 1940. Echter daarna werd in hoog tempo een groot aantal anti-Joodse besluiten genomen. Cruciaal in de Jodenvervolging was Verordening 6 uit 1941 (VO 6/41) die al op 10 januari 1941 uitgevaardigd werd en op grond waarvan iedereen die geheel of gedeeltelijk van ‘joodse bloede’ was zich moest registreren. In deze verordening werd in feite gedefinieerd waar de Nazistische Jodenvervolging zich de volgende jaren op zou gaan richten. Iedereen met één of meer Joodse grootouders moest zich melden en daarbij precies aangeven hoeveel Joodse grootouders er waren. Daarnaast moest opgegeven worden of iemand lid was van een Joodse gemeente, en ook of de partner dat was. Belangrijk was dat een Joodse grootouder gedefinieerd werd als zijnde een lid van een Joodse gemeente. Religie was al met al duidelijk sterk leidend hierbij. Bij drie of vier Joodse grootouders werd men als Jood geregistreerd.

Bij twee Joodse grootouders ging het er om of iemand met een Jood gehuwd was, of ingeschreven stond bij een Joodse synagoge.20 Op grond van VO 6/41 werden er vanaf begin 1941 op gemeenteniveau lijsten aangelegd met aanwezige Joden. Deze lijsten zouden de administratieve basis vormen voor de Jodenvervolging in de volgende jaren.21 De eerste anti-Joodse maatregelen werden al getroffen in de tweede helft van 1940, echter de gemeentelijke registratie van Joden maakte deze maatregelen wel eenvoudiger door te voeren in 1941. Voorbeelden van dergelijke maatregelen (zie ook paragraaf 3.1`) zijn het ontslaan van alle Joodse ambtenaren in november 1940, het verwijderen van Joen uit het Nederlandse bedrijfsleven vanaf maart 1941, het verplicht ophangen van bordjes ‘Voor Joden verboden’ in café’s in april 1941, de verwijdering van Joodse leerlingen van algemene scholen in augustus 1941 en zo voorts. De uitsluiting van de Joodse medeburgers was bijna compleet met de verplichting vanaf begin mei 1942 aan alle Nederlandse Joden om een Jodenster te dragen. Vanaf eind juni 1942 mochten Joden tussen 8 uur in de avond en 6 uur in de ochtend hun huizen niet meer verlaten.

20

Huitzing, ‘Collectie Calmeijer’, 48. Tammes, ‘Het belang van Jodenregistratie’, concludeert overigens uit een analyse van sterftpercentages dat de goede registratie van Joden niet de cruciale verklaring was voor het hoge sterftepercentage in Nederland. 21

17

Tabel 6. Ambtsperiode van burgemeesters voor, tijdens en na de oorlog in de ondezochte gemeenten. Gemeente

Begin oorlog

Einde oorlog Hogeland 1942-45 J.J.C.A. Karres Idem 1944-45 I.G. Timmer 1944-45 J.H. Mulder

Direct na de oorlog

Adorp Baflo Bedum Eenrum Kantens Kloosterburen Leens Uithuizen Uithuizermeeden Ulrum Usquert Warffum Winsum

1933-42 J.A.H.J.S. Bruins Slot 1910-46 W.F. van Spengler 1917-44 M. Jouwstra 1939-44 J.G.R. Vos 1927-43 J.R. Doornbos Clevering 1932-45 H. Scholtens 1935-42 J.N. Spoelstra 1938-43 A. Brinkman 1931-43 D. Brons 1915-44 W.H. Hartevelt 1936-42 L.F. Britzel 1915-47 W.J.H. Hoen 1937-41 K. Bosch

1945-68 R.A.W. Cleveringa 1945-67 M.H. Boerland 1945-47 J.N. Spoelstra 1945-68 A. Brinkman 1945-46 D. Brons 1945-46 W.H. Hartevelt 1945-55 J. Geerling Idem Idem

1937-42 J. Tuin 1923-56 H. Hofstee Aukema

1943-45 J., de Graaf Idem 1942-45 J.J. Pesman 1943-45 H. Hovinga 1943-45 H. Homan 1944-45 J.J. Dijkhuis 1942-44 H. Sieling; 1944-45 W. Dijk Idem 1941-46 R.W. Keiser Midden-Groningen 1942-45 G.G. Spoelstra Idem

Hoogezand Meeden Muntendam

1905-42 R.E.Torringa

1942-44 W. Pot; 1944-45 D. ten Have

Noordbroek

1920-46 S. Edema

Idem

Sappemeer

1927-43 A. Jonkeren

1943-45 B.J. van Ham

Slochteren Zuidbroek

1940-44 H. Duursma 1931-43 H.E. Buurma

Beerta Finsterwolde Midwolda

1940-55 C.P. van Essen 1924-42 J. Roelofs 1939-44 K. Ausma

1944-45 B.P. Jansema 1943-45 D. ten Have Oldambt Idem 1942-45 J.E. Oterdoom 1944-45 A.P. Hovinga

Nieuweschans Nieuwolda Scheemda Winschoten

1940-42 A.J. Drenth 1935-52 G.H. Post Cleveringa 1932-42 H.K. Venema 1936-42 A.J. Romijn

Veendam Wildervank

1939-63 J.A. Hoogkamp 1939-42 H. de Wit

Aduard Ezinge Grijpskerk Grootegast Leek Leens

1916-44 J. van Barneveld 1935-41 D. Torensma 1936-44 A. van de Nadort 1930-43 D. van der Munnik 1931-47 G. van Barneveld 1935-42 J.N. Spoelstra

Marum

1937-43 D. Van Geel

Oldehove Zuidhorn

1925-43 C. Slager 1935-50 R.A. Cleveringa

1942-45 W. Snater Idem 1942-45 A.P. Hovinga 1943-45 A.J.Drenth Veendam Idem 1943-45 G. Hulzebos Westerkwartier 1944-45 J.J.C.A. Karres 1941-46 H.A. van der Zijl 1944-45 M.S. Brouwer 1943-45 E. Pieters Idem 1942-45 J.J. Pesman 1943 M. Burema; 1944-45 H.R.B. Groenewold 1943 H.A. van der Zijl; 1943-45 W.C. Weidner Idem

18

1946-47 B. de Haan Idem 1945-47 M. Jouwstra 1945-54 J.G.R. Vos

1945-46 J. Tuin Idem 1945 J.H., Heikens (waarn.); 194546 J.S. Gruben (waarn.) 1945-46 J.A. Teenstra (waarn) 1946-65 A. Omta 1945 A. Jonkeren; 1945-49 A.,W. Stronkhorst 1945 G.S.X. Garrelts (waarn.); 1945-46 T. Krol (waarn.) 1945-61 L. Steenhuis Idem 1945-56 H.Tuin 1945-66 K. Ausma 1945 H. Tuin (waarn.); 1945-64 T. de Jong Idem 1945-52 S.R.Knottnerus 1945-62 A.J. Romijn Idem 1945-46 H. de Wit 1945-46 J. van Barneveld Idem 1945-52 A. van de Nadort 1945-60 D. van der Munnik Idem 1945-47 J.N. Spoelstra 1945-75 J.W. Alberda van Ekenstein 1945-46 C. Slager Idem

Een deel van dergelijke anti-Joodse maatregelen moest door de gemeenten worden doorgevoerd. Toen die maatregelen steeds uitgebreider werden, kon dit een reden zijn voor burgemeesters om op te stappen. Bijvoorbeeld gaf de in Leens geboren burgemeester van Oldekerk, de in 1945 door een SD-er vermoorde Martinus Ritzema, bij zijn (herhaalde) verzoek om ontslag van 24 maart 1942 onder meer aan dat hij zich niet er niet mee kon verenigen dat hij moest afdwingen dat in cafés een bordje ‘Voor Joden verboden’ kwam te hangen.22 Een andere maatregel die de gemeenten moesten uitvoeren was het in beslagnemen van rijwielen van Joden. Zo werden er op 24 juni 1942 elf fietsen in ontvangst genomen door de gemeente Midwolda, eigendom van leden van de families Hart, Bamberg, Cohen en Oudgenoeg.23 Vanaf 1942 werd een belangrijk deel van de oorspronkelijke burgemeesters in de gemeenten in het door ons onderzochte gebied vervangen, zoals blijkt uit tabel 6.24 Slechts ruim een kwart (10 van de 38) van de burgemeesters bleef zitten tijdens de Tweede Wereldoorlog, vaak van wat kleinere gemeenten, maar dit gold echter ook voor burgemeester Johan Anne Hoogkamp van Veendam, en burgemeester Gerhard van Barneveld van Leek.25 Geen van deze burgemeester werd overigens direct na de oorlog vervangen vanwege hun gedrag gerdurende de oorlog.

Dit is in tegenstelling tot alle NSB-burgemeesters die vanaf 1942 benoemd werden in een ruime meerderheid van de Groninger plattelandsgemeenten en allen direct na de oorlog plaats moesten maken. Na de Bevrijding was tot zeker midden juli 1945 het Militair Gezag nog leidend, waarna B&W en een opnieuw geïnstalleerde gemeenteraad langzamerhand hun oorspronkelijke taken weer overnamen. Bedacht moet worden dat de macht van de burgemeester gedurende de Tweede Wereldoorlog zeer groot was. De Duitse bezetter had namelijk in 1941 overal in Nederland de gemeenteraad buiten werking gesteld gesteld. Sindsdien nam de burgemeester de taak van de Raad waar. Als gevolg daarvan genoot de burgemeester binnen de gemeente vanaf 1941 de facto de volledige beslissingsbevoegdheid, ondanks dat ook de wethouders aanbleven. In dat licht is het geen wonder dat zoveel NSB-ers werden aangesteld. Aanschaffen door de gemeente van onroerend goed moesten echter wel door de Commisaris der Provincie – de nieuwe naam voor de Commissaris der Koningin – worden goedgekeurd. In dat licht is het van groot belang, dat vanaf 1 maart 1942 als Commissaris der Provincie in Groningen de NSB-er Christiaan Frederik Staargaard (1885-1951) benoemd werd, zodat de belangrijkste controle van het door de burgemeesters belichaamde gemeentebestuur in handen van een collaborateur kwam.

De eerste transporten van Joden naar concentratiekampen in het onderzoeksgebied waren in 1941. Op 9 juli van dat jaar werden de broers Barend en Benjamin Nijveen te Foxham (gemeente Slochteren), en Mozes Levie en zijn zoons Simson Levie en Zadok Levie (gemeente Hoogezand) gearresteerd vanwege het illegaal slachten van runderen en schapen.26 Allen overleden in de periode 1 februari tot 13 juli 1942 in de concentratiekampen Oranienburg, Gross-Rosen en Mauthausen. Het – voor zover bekend – enige andere vroege slachtoffer in het onderzoeksgebied was Samuel van der

22

Ritzema, Burgemeester in verzet 1910-1945, 102-103. ArOa, AgMw, inv.nr. 1113. Zie uitgebreid over de diverse anti-Joodse maatregelen in het gebied de regionale studies uitgegeven door de De Vey Mestdagh Stichting (zie literatuurlijst achteraan). Zie verder ook paragraaf 3.1 en 3.2. 24 Dit overzicht is gebaseerd op informatie over burgemeesters op wikipedia, in bepaalde gevallen aangevuld met andere bronnen. 25 Er kan hier opgemerkt worden dat met name Venhuis, De Joods-Etnische zuivering, 193-195, zeer kritisch is ten aanzien van ‘de burgemeester als “politiegezagsdrager”en tevens als Centrale Uitvoeringsfiguur’ bij de maatregelen gericht tegen de Joden tijdens de Duitse Bezetting. 26 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 157. 23

19

Hal uit Usquert die 1 juli 1942 zelfmoord pleegde in de gevangenis.27 Wel waren er nog anderen eerder opgepakt, zoals de anarchist Salomon Mozes uit Sappemeer voor het verspreiden van illegale bladen. Hij werd in augustus 1942 omgebracht in Auschwitz,28 maar tegen die tijd was het grootschalig uitmoorden van Joden afkomstig uit het onderzoeksgebied al begonnen. Begin juli 1942 moesten bijvoorbeeld alle 15- tot 55-jarige mannen uit Hoogezand en Sappemeer zich laten keuren onder het mom van werkverschaffing, waarna ze zich op 10 juli 1942 in kamp Westerbork dienden te melden. Dat laatste gold ook voor een aantal mannen uit Slochteren, Noordbroek en Zuidbroek.29 Ook de bekende schrijver en journalist Benjamin Heiman Broekema (1904-1942) uit Warffum werd opgeroepen.30 Ondanks suggesties van vrienden durfde hij niet onder te duiken uit angst voor represailles tegen zijn jonge gezin. Deze gedwongen te werkstelling gold voor het overgrote deel van de jongere Joodse mannen in de onderzochte gemeenten.31 Op 3 oktober werd daarna het grootste deel van de Joodse mannen in werkkampen ook naar Westerbork gebracht.32 Meteen begonnen de deportaties naar het vernietigingskamp Auschwitz. Voor veel van de achtergebleven Joodse gezinnen betekende dit dat de belangrijkste kostwinner verdwenen was.

In Hoogezand ondersteunde het Burgerlijk Armbestuur een deel van deze gezinnen, maar als gevolg daarvan raakten de fondsen snel op. De nieuwe NSB-burgemeester van Hoogezand trad vervolgens hard op om deze ondersteuning vrijwel onmogelijk te maken, omdat er volgens hem genoeg werk was voor de Joodse vrouwen. Naar aanleiding van dit optreden traden vier van de zeven leden van het Armbestuur af.33 Ondertussen begon in de herfst van 1942 de grootschalige deportatie van de achtergebleven Joodse vrouwen met hun kinderen – die door de tewerkstelling van hun echtgenoten en vaders feitelijk gegijzeld al enige maanden gegijzeld waren – en ook andere Joden.34 In oktober gebeurde dit nog iets kleinschaliger. Echter in november werd getracht het overgrote deel van de resterende Joodse gemeenschappen naar Westerbork af te voeren. Op 11 november 1942 werden zo de Joden van Muntendam opgepakt en de volgende dag gedeporteerd naar Westerbork.35 Rond dezelfde datum gebeurde dat in Leens, Ulrum, Warffum, Eenrum en Noordbroek.36 Op 28 november 1942 werd het overgrote deel van de achtergebleven Joden in Hoogezand, Sappemeer en Slochteren opgepakt en

27

Hamburger en Regtien, Sporen van een joods verleden, 24. Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 157. 29 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 157-158, 213. Zie overigens voor een uitge breide en gedetailleerde bespreking van de deportatie in de diverse plaatsen de uitgegeven boeken door De Vey Mestdagh Stichting (literatuurlijst) en ook Lutterop, ‘De jodenvervolging’, 8-13; H. Venema, De Joodsetnische zuivering, 2-7. 30 Over hem: Broekema, Benjamin. Een verzwegen dood. 31 Zie uitgebreid over deze tewerkstelling met nogal wat documentatie: Venhuis, de Joods-Etnische zuivering, o.a. 54-92. Die op p. 192 nogmaals constateert dat de snelle doorvoering van deze tewerkstelling van mannen, onderduik voor de rest van het gezin onaantrekkelijk werd gemaakt en daarmee deze in feite gegijzeld werden, terwijl de mannen heel weinig tijd hadden om tot onderduik te besluiten, waarbij de keuze ook nog was alleen of met het complete gezin. .32 Hamburger en Regtien, Een Joodse Erfenis in Winsum, 33. 33 Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 158. 34 Venhuis, De Joods-Etnische zuivering, 92- 131, met veel informatie over deze deportatie van vooral vrouwen en kinderen.35 https://www.stichtingarchiefmuntendam.nl/joodse-gemeenschap-muntendam/familie-valk-muntendam/. 36 Van der Berg, De Joodse Gemeenschappen in Noordwest-Groningen, 49. 28

20

afgevoerd naar Westerbork.37 Velen werden al binnen enige weken afgevoerd naar Auschwitz en daar vermoord (zie verderop). Alleen zieken en bijzondere gevallen lijken te zijn uitgezonderd van de grote deportaties op het Groninger platteland medio november 1942. Het ging vaak om ouderen die nog even aan de systematische vervolging ontsnapten. De grote meerderheid werd later echter alsnog opgepakt in het voorjaar van 1943.38 Een voorbeeld is het echtpaar Levi van Dam (1865-1943) en Sophia van Hessen (1871-1943) te Leens, die daardoor iets langer overleefden, totdat ze op 20 maart 1943 in Sobibor vermoord werden.39 In eerste instantie werd het Groninger platteland trouwens kennelijk nog als een relatief veilig gebied gezien voor Joden. De in 1939 uit Hoogezand naar Rotterdam verhuisde Abraham Louis de Lange had zelf een zogenaamde Sperr40 als administrateur van de Joodse Raad aldaar, die hem nog tot december 1942 tegen deportatie beschermde.41 In september 1942 regelde hij een onderduikadres voor zijn schoonfamilie. De zuster van zijn verloofde Carry Ulreich werd naar zijn ouders Samuel de Lange en Sientje Bernard in Hoogezand gestuurd. De gedachte was dat ‘de deportaties en razzia’s vooral in de grote steden zouden plaatsvinden en Joden in de dorpen gespaard zouden worden’.

Echter al nadat Carry er een week was, ‘werd duidelijk dat de Joden daar [in Hoogezand] snel opgepakt zouden worden’, waarna zij terugkeerde naar Rotterdam en daar ondergedoken de oorlog overleefde. Een groot deel van de Joodse bevolking op het Groninger platteland was dus in een vroegtijdig stadium al gedeporteerd naar Westerbork en vaak al spoedig vermoord in Auschwitz. De in 1931 in Uithuizen geboren Herman Knorringa – die in 1939 met zijn ouders naar Oegstgeest vertrokken was en op 5 september 1942 ondergedoken – meldde zo in 2014: ‘De Groningers waren allemaal lang opgepakt en vergast voor ze aan de westerlingen toe kwamen [mijn onderstreping, RP]. Mensen waren te naïef. Eerst werd hun geld afgepakt en toen ze daarna bericht kregen dat ze zich moesten melden, hebben ze dat gewoon gedaan’.42 Deze snelle deportatie beperkte in elk geval de mogelijkheden tot onderduiken. Hoe later het was, hoe meer de noodzaak tot onderduiken doordrong bij de Joodse bevolking. In de laatste maanden van 1942 zal het afschuwelijke lot van de via Westerbork naar Polen opgezonden Joden steeds duidelijker geworden zijn bij de achtergeblevenen.

Het dagboek van Carry Ulreich, het reeds genoemde zusje van de verloofde van de uit Hoogezand afkomstige Bram de Lange, maakt dat inzichtelijk: op 10 september 1942 schreef ze ‘en dan naar Westerbork en dan naar Polen en dan … dood?’43 En als het 13 oktober 1942 gaat over haar zus Rachel met een betere Sperr dan de rest van de familie, die zodoende opgezonden kon worden: ‘Maar wat heeft zij aan het leven zonder ouders + zus?’ en op dezelfde dag over dat ze niet afgevoerd zijn naar Westerbork: ‘anders waren we er allen niet meer, tenminste, niet in Nederland …’.44 Reeds ondergedoken schreef ze op 15 november 1942: 37

Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand, 158. Venhuis, De Joods-Etnische zuivering, 135-152. In Grijpskerk gebeurde dit in maart 1943. Zie voor de protesten: Van Klinken en De Vey Mestdagh, De Joodse gemeenschap in het Westerkwartier, 152. 39 Van der Berg, De Joodse Gemeenschappen in Noordwest-Groningen, 34-35; Zie ook: Boon en Lettinck, De Joodse gemeenschappen in Hoogezand), 157-159, voor enigszins vergelijkbare gevallen. 40 Een Sperr was een door de Joodse raad gegeven stempel in het paspoort, die iemand voor een zekere tijd vrijwaarde voor deportatie naar de kampen. 41 Wallet, ‘Achtergronden bij dagboek Carry Ulreich’, 257-259; Ulreich, ’s Nachts droom ik van vrede, 67. 42 https://www.dewinsumsesjoel.nl/?page_id=1026. 43 Ulreich, ’s Nachts droom ik van vrede, 60. 44 Ulreich, ’s Nachts droom ik van vrede, 65-66. 38

21

‘Groningen is laatst helemaal leeggehaald, behalve Hoogezand en randgemeenten, en daar wonen Brams ouders. Nu wachten ze wat er met hen gebeuren zal. We hopen naar Amsterdam gestuurd, daar ze gesperrt zijn, maar we vrezen direct naar Westerbork, en dit is zo goed als doorgestuurd naar Polen, naar de dood’.45 Voor Carry, die in de tussentijd een week in Hoogezand had verbleven, is dus op 15 november 1942 het dodelijke lot van de naar Auschwitz in Polen gedeporteerde Joden geheel duidelijk. Op 10 september (voorafgaand aan haar verblijf in Hoogezand) is ze qua formulering nog iets voorzichtiger. De op 12 augustus 1942 vanuit Winschoten naar Zwitserland vluchtende Abraham Salomons was echter al een maand eerder overtuigd van wat er met de naar Polen gedeporteerden zou gebeuren. Hij noteerde in zijn dagboek: ‘Het lot van deze ongelukkigen laat zich gemakkelijk raden en op een terugkeer van de gedeporteerden valt niet te rekenen’.46 Ook gold natuurlijk: hoe later de deportatie, hoe meer tijd er was om onderduikadressen te regelen in de omgeving. In dit opzicht waren de Joden op het Groninger platteland denkelijk in het nadeel door de vroege deportaties, zeker in vergelijking met west-Nederland.

Tabel 7. Overlijdensdata vermoorde Joodse bevolking in onderzoeksgebied naar geslacht en leeftijd. Kinderen geboren 1928-1943 (t.m. 15 jaar) 1-2 / 13-7 1942 25-7 / 8-10 1942 12-10 / 29-10 1942 2-11 / 27-11 1942 3-12 / 31-12 1942 9-1 / 31-1 1943 1-2 / 28-2 1943 5-3 / 31-3 1943 2-4 / 30-4 1943 7-5 / 31-5 1943 1-6 / 31-12 1943 8-1 / 17-12 1944 21-1 / 9-5 1945 Totaal

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12744248/1