43 1 Bijlage 1 Vaststellingsbesluit-Gaswinning-Groningen-2022-2023
Tekst van het document
Seismisch risico
Om het seismisch risico te bereken wordt de kans bepaald dat de grondversnellingen die kunnen optreden als gevolg van een aardbeving leiden tot structurele schade aan een gebouw, waardoor dit gebouw mogelijk kan instorten. Hiertoe wordt de belastbaarheid van gebouwen boven het Groningenveld tegen de seismische dreiging gemodelleerd en met de veiligheidsnorm vergeleken. Uit de SDRA blijkt dat voor de voorgestelde operationele strategie alle gebouwen in het effectgebied van het Groningenveld aan de veiligheidsnorm voldoen. De veiligheidsnorm waaraan het seismisch risico wordt getoetst licht ik nader toe in paragraaf 5.2. 4.3.6
Schade
Als gevolg van de aardbevingen kan er ook schade ontstaan aan gebouwen. Om schade te beoordelen is er een schadeclassificatie met daarin verschillende schadetoestanden gedefinieerd. TNO heeft een prognose gemaakt van het aantal gebouwen dat de schadetoestanden DS1, DS2 en DS3 overschrijdt. 14 DS1 komt overeen met verwaarloosbare tot lichte schade, DS2 geeft gematigde schade aan en DS3 aanzienlijke tot zware schade. Naar verwachting zal in gasjaar 2022-2023 bij 208 gebouwen DS1 schade ontstaan. Voor DS2 en DS3 schade is de verwachting respectievelijk 10 en 2 gebouwen. In paragraaf 5.6.2 ga ik nader in op schade. 4.3.7
Adviezen gevolgen operationele strategie
Advies SodM 19 mei 2022 SodM concludeert dat voor het voorgestelde winningsniveau (en de variant), het proces van drukvereffening de dominante factor is voor de bodembeweging (en niet de productie zelf). Daardoor is het voor NAM niet meer mogelijk om met de operationele strategie de bodembeweging en gevolgen voor omwonenden en gebouwen verder te beperken. Hierbij maakt SodM de kanttekening dat de aangeleverde SDRA is doorgerekend voor een scenario van 1,7 miljard Nm3 gasproductie. Er is dus een verschil van 0,2 miljard Nm3 met het productievolume zoals beschreven in de operationele strategie. Het te verwachten verschil tussen 1,7 miljard Nm3 en 1,9 miljard Nm3 gasproductie lijkt verwaarloosbaar, gezien vanuit het oogpunt van de veiligheid.
14
DS staat voor Damage State. Pagina 24 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
Advies Mijnraad 10 juni 2022 De Mijnraad kan zich vinden in de voorgestelde operationele strategie voor het gasjaar 2022-2023. Bij dit productieniveau is de drukvereffening in het veld de dominante factor voor de seismiciteit. De keuze voor een operationele strategie heeft daar nauwelijks invloed op. Dit wordt versterkt door het gegeven dat de nog beschikbare elf clusters zich alle in het zuidelijke deel van het veld bevinden. Een keuze voor een operationele strategie anders dan winning uit het zuidelijke deel is ook niet meer aan de orde.
PDGGO-DSGG / 22368536
De Mijnraad plaatst een opmerking bij het feit dat de SDRA is uitgerekend met 1,7 miljard Nm3 gaswinning en de minimumflow volgens de berekening van NAM 1,9 miljard Nm3 bedraagt. De Mijnraad verwacht niet dat deze extra productie (0,2 miljard Nm3) een groot seismisch effect oplevert, maar stelt dat het beter is als de GTS-raming, operationele strategie en SDRA naadloos op elkaar aansluiten. 4.3.8
Beoordeling
De conclusie van SodM, dat het met het voorgestelde winningsniveau (en de variant) niet mogelijk is om met de operationele strategie de bodembeweging en gevolgen voor omwonenden en gebouwen verder te beperken, draagt bij aan mijn voornemen om de door NAM voorgestelde variant op de operationele strategie vast te stellen. Ook de conclusie van de Mijnraad, dat de operationele strategie nauwelijks invloed heeft op de seismiciteit, sterkt mij in mijn keuze. Zowel SodM en de Mijnraad constateren dat er een discrepantie is tussen de voorgestelde minimumflow van NAM en de gaswinningsniveau waarmee de SDRA is doorgerekend. Dit is het gevolg van mijn opdracht aan NAM en TNO om uit te gaan van de raming van GTS en het feit dat later bleek dat GTS en NAM anders omgaan met vorstdagen in de berekening om de minimumflow te bepalen. Zoals uit paragraaf 4.2.1 blijkt, onderschrijft SodM de berekening van NAM. In het vervolg zal ik GTS vragen de rekenregels op dezelfde wijze toe te passen. Ik ben het eens met SodM en de Mijnraad dat het verschil in gaswinning van 0,2 miljard Nm3 geen effecten oplevert voor de bodembeweging. 4.4
Gaswinning boven minimumflow
Back-up In uitzonderlijke gevallen zal het Groningenveld als back-up dienen, wat betekent dat de gaswinning wordt verhoogd boven het niveau dat in het vaststellingsbesluit is bepaald. Voor het gasjaar 2022-2023 is dat het waakvlamniveau. Deze mogelijkheid is al sinds 2019 onderdeel van het vaststellingsbesluit voor het Groningenveld en was eerder in vergelijkbare vorm onderdeel van de betreffende besluiten. Een incidentele verhoging is alleen toegestaan in urgente situaties waarin extra winning nodig is om het evenwicht in het gassysteem in de eerste uren en dagen te kunnen handhaven of bij zeer koude omstandigheden. Het doel van deze inzet is om op zeer korte termijn het goed functioneren van het gassysteem te kunnen garanderen, waarbij de situatie zich over meerdere aaneengesloten dagen kan voordoen. Hiermee worden grote technische en veiligheidsrisico’s te voorkomen. Bovendien wordt voorkomen dat klein
Pagina 25 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
verbruikers in Nederland in de kou komen te staan. De hoogte van de back-up is net als vorige jaren 1,5 miljard Nm3. Dit beschrijf ik nader in paragraaf 5.3.
PDGGO-DSGG / 22368536
Net als in voorgaande besluiten ziet de back-up op de situaties: uitval van installaties van GTS, transportbeperkingen of onvoorziene ontwikkelingen in de samenstelling van het hoogcalorisch gas. Aanvullend hierop beschrijf ik in dit besluit enkele nieuwe situaties: een laagcalorische gasopslag is feitelijk niet beschikbaar, een acute systeemonbalans dreigt door een fysiek tekort aan gas, en pieklevering bij zeer koude omstandigheden. Deze situaties waren ten tijde van voorgaande vaststellingsbesluiten nog niet in beeld of niet noodzakelijk om op te nemen. Hieronder duid ik nader waarom ik van mening ben dat dit omstandigheden zijn waarbij het noodzakelijk kan zijn om de gaswinning kortstondig boven minimumflow te verhogen. De laagcalorische gasopslagen UGS Norg, UGS Grijpskerk en PGI Alkmaar vervullen een belangrijke functie voor de borging van de leveringszekerheid. Dit staat beschreven in paragraaf 5.3. Onverwachtse technische mankementen aan de installaties van de laagcalorische gasopslagen en andere vormen van onverwachtse uitval of niet beschikbaar zijn van de gasopslagen, kunnen leiden tot gastekorten in de winter. Daarom acht ik het voor dit doel noodzakelijk dat de gaswinning uit het Groningenveld direct kan worden verhoogd, indien de situatie niet met inzet van andere laagcalorische middelen kan worden opgelost.
Een fysiek tekort aan gas kan ontstaan als gevolg van een onverwachte onderbreking in de aanvoer van hoogcalorisch gas. In het huidige geopolitieke klimaat zijn de onzekerheden rondom de aanvoer van hoogcalorisch gas uit het buitenland groot. Indien een onderbreking in de aanvoer van hoogcalorisch gas tot een onbalans in het systeem leidt die niet met bestaande middelen kan worden opgevangen, kan tijdens het vulseizoen het vullen van de gasopslagen tijdelijk worden stilgelegd. Wanneer ook dat onvoldoende toereikend blijkt te zijn, bestaat op grond van artikel 4 van dit besluit ruimte voor een incidentele verhoging van de productie uit het Groningenveld. Op basis van de Transportcode LNB kan GTS diverse acties ondernemen met betrekking tot een noodsituatie, waaronder instructies betreffende entrypunten en exitpunten van het landelijk transportnet. Wanneer dit een instructie betreft aangaande laagcalorisch gas zal dit een instructie aan GasTerra B.V. zijn, omdat dit de enige handelaar in laagcalorisch gas is. GTS heeft de wettelijke taak om alle voorzieningen te treffen waarmee pieklevering kan worden verzorgd voor alle kleinverbruikers in Nederland (artikel 2, eerste lid, van het Besluit leveringszekerheid Gaswet). Pieklevering ziet op gaslevering bij zeer koude omstandigheden (tussen -9 en -17 °C).
In principe heeft GTS de piekleveringstaak ingevuld met inzet van middelen anders dan het Groningenveld, zoals laagcalorische gasopslagen. In de huidige gasmarkt bestaat echter de kans dat de laagcalorische gasopslagen gedurende de winter op dusdanige wijze zijn ingezet dat deze aan het einde van de winter niet beschikbaar zijn voor pieklevering. In deze uitzonderlijke situatie sta ik toe dat het Groningenveld boven minimumflow wordt ingezet ten behoeve van de
Pagina 26 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
pieklevering. Ik acht het namelijk van belang dat pieklevering aan alle kleinverbruikers in Nederland goed is geborgd.
PDGGO-DSGG / 22368536
Gevolgen voor de bodembeweging De gevolgen voor de bodembeweging van gaswinning boven minimumflow zijn niet in kaart gebracht. Ik verwacht dat inzet van het Groningenveld als back-up niet of slechts een beperkt aantal keren zal voorkomen. In deze gevallen zal het gaan om een beperkte en kortstondige inzet, waarbij de grenzen van de back-up waarschijnlijk niet worden bereikt. 4.4.1
Adviezen
Advies SodM 19 mei 2022 SodM adviseert om, in geval van een gedeeltelijke capaciteitsvraag, de productielocaties conform de reguliere opstartvolgorde in te zetten en dit expliciet op te nemen als voorwaarde in het vaststellingsbesluit. Advies Mijnraad 10 juni 2022 De Mijnraad concludeert dat er geen opstartvolgorde is bij een minimumflow productie. 4.4.2
Beoordeling
Het advies van SodM betekent concreet dat bij een aanvullende vraag naar Groningengas in eerste instantie productielocaties van het Zuidoost cluster en vervolgens productielocaties van het Zuidwest cluster worden inzet. Ik heb onderzocht in hoeverre dit voorstel kan worden uitgevoerd. In de periodes met vorst zou dit mogelijk zijn. In deze periode zijn namelijk alle productielocaties direct opregelbaar en is het mogelijk om de opstartvolgorde uit het vaststellingsbesluit 2020-2021 toe te passen. In de periode november tot en met maart, buiten de vorstperiodes, is slechts de helft van de productielocaties direct opregelbaar. Dan kan het voorkomen dat alleen de productielocaties actief zijn die achteraan in de opstartvolgorde staan. Het inzetten van niet-actieve productielocaties zou leiden tot productie van gas met de verkeerde kwaliteit. Bovendien is de betrouwbaarheid niet te garanderen. Daarnaast kan er ook sprake zijn van andere operationele oorzaken waardoor voor een specifieke productielocatie gekozen moet worden om meer mee te winnen. Het voorstel van SodM is daarom niet uitvoerbaar. Gelet op het bovenstaande kan ik het advies van SodM niet overnemen. Zoals de Mijnraad ook concludeert is er geen opstartvolgorde bij minimumflow. 4.5
Aantal productielocaties op de waakvlam
Zoals ik in paragraaf 4.2 beschrijf, heb ik NAM gevraagd de minimumflow te bepalen die gepaard gaat met het open houden van alle huidige elf productielocaties in de periode oktober 2022 tot en met maart 2023 en vijf vanaf april 2023. In eerste instantie was deze uitvraag ingegeven door onzekerheden rondom de nog in gebruik te nemen stikstofinstallatie in Zuidbroek die GTS benoemt in de raming. De oorlog in Oekraïne heeft grote gevolgen voor de Pagina 27 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
gasmarkt, waardoor er nog een reden bij is gekomen om terughoudend te zijn met het sluiten van productielocaties.
PDGGO-DSGG / 22368536
Vooralsnog kies ik ervoor om vanwege deze onzekerheden geen productielocaties uit gebruik te nemen aan de start van het gasjaar 2022-2023. Dit betekent dat alle huidige elf productielocaties in de periode oktober 2022 tot en met maart 2023 operationeel blijven op minimumflow. Vanaf april 2023 is er minder reservecapaciteit nodig en kunnen mogelijk productielocaties gesloten worden. Volgens de operationele strategie van NAM zijn vanaf 1 april 2023 alleen productielocaties Zuiderpolder, Scheemderszwaag, De Eeker, Spitsbergen en Slochteren inclusief Froombosch nodig. Gelet op de eerder genoemde onzekerheden laat ik voor 1 april 2023 definitief weten of de sluiting van de zes productielocaties doorgang kan vinden, daarbij betrek ik de meest actuele inzichten. Ik realiseer mij dat indien ik ervoor kies om deze productielocaties niet te sluiten, dit gevolgen heeft voor de hoogte van de gaswinning en ik dit besluit moet wijzigen, omdat de winning hoger zal zijn (circa 0,4 miljard Nm3) als alle productielocaties ook in de zomer operationeel moeten blijven. 4.5.1
Adviezen
Advies SodM 19 mei 2022 SodM constateert dat voor zowel het winningsniveau van 1,9 miljard Nm3 met zeven productielocaties als de variant met elf productielocaties, het proces van drukvereffening, en niet de productie zelf, de dominante factor is voor de bodembeweging. Voor de beoordeling hiervan baseert SodM zich op de risicoberekening zoals deze is gemaakt ter onderbouwing van het wijzigingsbesluit voor het gasjaar 2021-2022 dat ik op 1 april 2022 heb gepubliceerd. Advies TNO 20 mei 2022 TNO adviseert om alsnog een risicoanalyse uit te laten voeren van het operationele scenario van NAM (1,9 miljard Nm3) en het scenario uit de gevoeligheidsanalyse (2,8 miljard Nm3). Advies Mijnraad 10 juni 2022 De Mijnraad constateert dat de SDRA voor het operationeel houden voor elf productielocaties niet is uitgevoerd. De Mijnraad verwacht geen seismische effecten van betekenis, omdat het productievolume nog altijd relatief laag blijft. De Mijnraad acht het in het kader van transparantie wel verstandig om TNO de bijbehorende SDRA nog wel op korte termijn uit te laten voeren, zodat deze meegenomen kan worden bij de motivering van het vaststellingsbesluit. 4.5.2
Beoordeling
Zowel SodM als de Mijnraad verwachten geen effecten voor de bodembeweging als gevolg van het operationeel houden van elf productielocaties in de periode oktober 2022 tot en met maart 2023 in plaats van zeven. Evengoed adviseert de Mijnraad, net als TNO, om een SDRA voor dit scenario uit te voeren. Ik ben het eens met SodM en de Mijnraad dat het open houden van elf productielocaties in de periode oktober 2022 tot en met maart 2023 in plaats van zeven geen andere gevolgen heeft voor de veiligheid in Groningen. Een aanvullende SDRA zal dus
Pagina 28 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
geen andere inzichten over de veiligheid geven. Daarom acht ik het niet noodzakelijk om een aanvullende SDRA uit te vragen. 4.6
PDGGO-DSGG / 22368536
Conclusie
De door NAM voorgestelde operationele strategie maakt gebruik van de productielocaties die in voorgaande jaren ook onderdeel waren van de operationele strategie. Een groot verschil met voorgaande jaren is dat de productielocaties slechts op minimumflow produceren en daarmee operationeel worden gehouden voor het geval er een aanvullend beroep op het Groningenveld wordt gedaan. Aanvullende inzet van het Groningenveld wordt alleen verwacht in uitzonderlijke situaties, zoals grootschalige verstoringen in het gassysteem. In deze gevallen gebruikt NAM de productielocaties die op dat moment actief zijn. Uit de SDRA blijkt dat het seismisch risico steeds verder afneemt. KNMI bevestigt dat het aantal geobserveerde aardbevingen daadwerkelijk daalt. Ik vind het belangrijk om deze daling te blijven monitoren en zal, zoals KNMI adviseert, ook volgend jaar om een analyse vragen. Tegelijkertijd blijkt dat, net als voorgaand jaar, het effect van de operationele strategie op de bodembeweging steeds kleiner wordt en met name wordt bepaald door de drukvereffening in het reservoir. Dit wordt bevestigd door SodM. De in dit hoofdstuk beschreven adviezen ondersteunen de vaststelling van de variant op de operationele strategie voor het gasjaar 2022-2023 waarin in de periode oktober 2022 tot en met maart zeven 2023 en vanaf april 2023 vijf productielocaties operationeel worden gehouden.
Gelet op de onzekerheden die ik beschrijf in paragraaf 4.4 kies ik er voor om tot en met maart alle huidige elf productielocaties operationeel te houden. Halverwege het gasjaar zal ik mijn keuze voor het sluiten van zes productielocaties per 1 april 2023 definitief maken. Indien ik ervoor kies om geen productielocaties te sluiten, dan heeft dat gevolgen voor de hoogte van de gaswinning en moet ik dit besluit wijzigen. SodM en de Mijnraad stellen dat het open houden van elf productielocaties in de eerste helft van het gasjaar geen andere effecten voor de veiligheid heeft. Een aanvullende SDRA zal dus geen andere inzichten over de veiligheid geven.
Pagina 29 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
5
Toetsing aan de specifieke wettelijke criteria PDGGO-DSGG / 22368536
5.1
Inleiding
In hoofdstuk 2 is het wettelijk kader uiteengezet. Hierin staat beschreven dat op grond van artikel 52d, van de Mijnbouwwet, ik bij de vaststelling van het winningsniveau en de operationele strategie enerzijds het veiligheidsbelang en het maatschappelijk belang van het niet kunnen voorzien van eindafnemers van gas, en anderzijds het belang van de veiligheidsrisico’s voor omwonenden als gevolg van de bodembeweging veroorzaakt door de gaswinning betrek. Hierbij kijk ik in het bijzonder: a. in hoeverre wordt voldaan aan de veiligheidsnorm van 10-5; b. in hoeverre de leveringszekerheid van verschillende categorieën eindafnemers wordt geborgd; c. naar het tempo van de afbouw van de vraag; d. naar het tempo van versterken van gebouwen; e. naar maatschappelijke ontwrichting als gevolg van bodembeweging veroorzaakt door de winning van gas uit het Groningenveld; f. naar maatschappelijke ontwrichting als gevolg van het afsluiten van verschillende categorieën eindafnemers. In de hiernavolgende paragrafen doorloop ik deze criteria. Daarbij betrek ik de adviezen van KNMI, de Mijnraad, de regionale overheden, SodM en TNO die ik op specifiek onderdelen heb ontvangen. 5.2 5.2.1
Veiligheidsrisico’s (criterium a) Inleiding
In deze paragraaf wordt ingegaan op de veiligheidsrisico’s die de gaswinning veroorzaakt. Ten eerste wordt uiteengezet welke vormen van voorzorg worden toegepast. Daarna volgt een beschrijving van de veiligheidsnorm die wordt gehanteerd, de wijze van berekening daarvan en het risicobeleid dat daarop is gebaseerd. Vervolgens wordt achtereenvolgens ingegaan op de uitkomsten van de SDRA 2022 die ter onderbouwing van de operationele strategieën is opgeleverd en de onzekerheidsmarge behorende bij de prioritering van de versterkingsoperatie. 5.2.2
Voorzorg en mitigerende maatregelen
Bij veiligheidsrisico’s hoort adequate voorzorg. Dit is maatwerk en kan bestaan uit drie elementen: • beperking van het risico bij de bron; • beperking van de nadelige gevolgen door mitigerende maatregelen; • en vermindering van kennisonzekerheden. Beperking van het risico bij de bron gebeurt door de afbouw van de gaswinning. De aanpak en voortgang hiervan zijn beschreven in paragraaf 5.4. Onder het beperken van het risico bij de bron valt dat de seismiciteit bij de uitvoering van de gaswinning zoveel als mogelijk wordt beperkt (op basis van de
Pagina 30 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
gekozen operationele strategie in combinatie met monitoring van de seismiciteit bij uitvoering van de operationele strategie).
PDGGO-DSGG / 22368536
Het beperken van nadelige gevolgen door mitigerende maatregelen bestaat uit het preventief versterken van woningen en gebouwen waar veel mensen samenkomen (o.a. scholen). In paragraaf 5.5 wordt ingegaan op het tempo van de versterking. Daarnaast wordt de aardbevingsbestendigheid van industriële installaties en infrastructurele werken beoordeeld en, zo nodig, verbeterd (paragraaf 5.2.3). Daarnaast wordt via onderzoeksprogramma’s continu onderzoek gedaan naar de meest recente inzichten. Ook dit draagt bij aan de voorzorg bij de bron om de seismiciteit zoveel mogelijk te beperken. In het Kennisprogramma Effecten Mijnbouw (hierna: KEM) wordt hiervoor het inzicht in de mogelijke dreigingen en risico’s van mijnbouwactiviteiten in Nederland vergroot. 15 Het programma DeepNL 16 van Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) is opgezet in 2017. Het programma beoogt het fundamentele begrip van de dynamiek van de diepe ondergrond onder invloed van menselijk ingrijpen te verbeteren. Kennis over de bovengrondse gevolgen van de gaswinning wordt vergaard door het onderzoeksprogramma van NCG. In het kader van dit programma werkt NCG met de kennisplatforms ‘Bouwen en versterken’ en ‘Leefbaar en kansrijk’ 17, waarmee kennis over toekomstbestendig bouwen en over de maatschappelijke gevolgen van gaswinning en bodembeweging wordt ontwikkeld.
In 2022 heeft NAM de laatste onderdelen van het Study and Data Acquisition Plan (hierna: SDAP) uitgevoerd. De rapportages van de laatste resultaten worden binnenkort gepubliceerd. In dit besluit neem ik geen nadere voorschriften voor NAM op met betrekking tot de afronding van het SDAP. 5.2.3
Veiligheidsnorm, berekeningswijze & risicobeleid
Voor de geïnduceerde aardbevingen in het Groningenveld wordt een veiligheidsnorm gehanteerd op basis van advies van de commissie Meijdam uit 2015. Deze veiligheidsnorm is vastgelegd in artikel 52, tweede lid, onderdeel a, van de Mijnbouwwet en ingevuld in artikel 1.3a.3 van de Mijnbouwregeling. Er is een risicobeleid geformuleerd op basis van het advies van de commissie Meijdam 18 en het advies van de Mijnraad. 19 In het beleid voor het risico naar aanleiding van geïnduceerde aardbevingen in Groningen is bepaald dat: • bij gebouwen met een Lokaal Persoonlijk Risico (hierna: LPR) groter dan 10-4 (per jaar) direct maatregelen nodig zijn om dat risico te verkleinen; • gebouwen met een LPR groter dan 10-5 (per jaar) worden opgenomen in het versterkingsprogramma door NCG en krijgen een individuele veiligheidsbeoordeling. Gebouwen die niet voldoen aan de norm worden versterkt; • ook gebouwen die in de verrijking zijn toegevoegd door NCG of gemeenten en gebouwen die in de P90 van de 10-5 vallen worden Meer informatie over KEM is te vinden op https://kemprogramma.nl/. https://onderzoeksprogrammas/deepnl 17 https://www.nationaalcoordinatorgroningen.nl/versterken/onderzoek-naar-versterkingsopgave/kennisplatforms 18 Kamerstukken II 2015/16, 33529, nrs. 205 en 212. 19 Kamerstukken II 2018/19, 33529, nr. 527. 15 16
Pagina 31 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
•
beoordeeld op de veiligheidsnorm. Gebouwen die niet voldoen aan de norm worden versterkt; gebouwen die in voorgaande jaren zijn aangemerkt als (licht) verhoogd risico (bovenstaande opsomming) worden altijd onderzocht. Het risicoprofiel van gebouwen wordt dus niet afgeschaald door een nieuwe SDRA.
PDGGO-DSGG / 22368536
Inzicht in de LPR volgt uit de SDRA die ieder jaar ten behoeve van het vaststellingsbesluit wordt opgeleverd. Gebouwen die volgens de SDRA niet aan de veiligheidsnorm voldoen, worden opgenomen in de versterkingsopgave. Uit voorzorg worden, volgens de hierboven beschreven uitgangspunten, ook gebouwen meegenomen in de versterkingsopgave die volgens de SDRA wel aan de veiligheidsnorm voldoen, maar binnen een onzekerheidsmarge vallen (de zogeheten P90). Deze gebouwen krijgen een ‘licht verhoogd’ risicoprofiel. In aanvulling hierop zijn gebouwen aan de versterkingsoperatie toegevoegd door NCG, gemeenten en het Instituut Mijnbouwschade Groningen (hierna: IMG). Dit gebeurt bijvoorbeeld als NCG constateert dat een gebouw erg lijkt op een gebouw dat in de SDRA als niet op norm is bestempeld. IMG kan gebouwen aandragen, als er tijdens een schadebeoordeling twijfels ontstaan of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoen. Gemeenten kunnen woningen toevoegen aan de scope van de versterkingsopgave middels het gemeentelijk plan van aanpak indien dit een voortvarende aanpak ten goede komt. Daarnaast kunnen bewoners van huizen die niet in de versterkingsoperatie zitten zich aanmelden voor een opname op verzoek. In dat geval controleert een bouwkundige of een huis alsnog zou moeten worden opgenomen in de versterkingsopgave.
Met de onzekerheidsmarge en de mogelijkheden voor NCG, IMG, gemeenten en bewoners zelf is het aannemelijk dat de gebouwen die daadwerkelijk niet aan de veiligheidsnorm voldoende in beeld zijn. Alle gebouwen die zijn toegevoegd aan de scope van de versterkingsopgave worden individueel beoordeeld. Hiervoor wordt de typologieaanpak of Nederlandse Praktijk Richtlijn (hierna: NPR) gebruikt, dit staat toegelicht in paragraaf 5.5 waarin de voortgang van de versterkingsoperatie staat beschreven. Het risicobeleid bestaat naast toetsing van de risico’s voor gebouwen, uit een aanpak voor industriële installaties en een aanpak voor infrastructuur. Industrie Sinds 1 januari 2021 is de Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige industrie Groningen in werking getreden. Hiermee is het kader voor de vergoeding van de kosten voor het aardbevingsbestendig maken van bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken vastgelegd. Voor industriële installaties zijn kwalitatieve en kwantitatieve beoordelingsmethoden ontwikkeld voor de analyse van de risico’s van installaties van bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. In de eerste fase wordt kwalitatief onderzoek uitgevoerd naar de risico’s. Op basis daarvan wordt, door toepassing van twee selectiemethodieken, besloten of Pagina 32 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
installaties in fase twee kwantitatief worden doorgerekend op aardbevingsbestendigheid.
PDGGO-DSGG / 22368536
Op de peildatum mei 2022 bevatte de prioriteringslijst 32 (chemie-)bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen in het aardbevingsgebied. Van deze bedrijven hebben er 31 een kwalitatieve risicoanalyse (fase 1 onderzoek) uitgevoerd. Ongeveer 81% van deze bedrijven is met fase 2 gestart. Daarvan hebben 19 bedrijven het hele proces afgerond. De (chemie-)bedrijven maken openbare samenvattingen van de uitkomsten van deze onderzoeken welke worden geplaatst op de website van NCG. Inmiddels zijn 31 openbare samenvattingen gepubliceerd. Deze samenvattingen beslaan vaak onderzoeken voor meerdere industriële installaties. Naast de 32 grote industriële bedrijven is nog sprake van een beperkte inspanning voor een aantal kleinere bedrijven met gevaarlijke stoffen die op de Risicokaart staan (www.risicokaart.nl). Naar verwachting zal de stopzetting van de gaswinning leiden tot een kleinere versterkingsopgave voor deze bedrijven. Uitvoering van dit traject zal in 2022 worden gestart. De beschikbare resultaten leren dat er tot op heden geen gevallen zijn waarbij onvoldoende sterkte van de procesinstallatie leidt tot uitstroom van gevaarlijke stoffen. De procesinstallaties zijn vaak robuuster dan de constructies waarin ze staan.
In die gevallen waar een installatie niet door de rekentoets komt, betreft het meestal het (al dan niet partieel) falen van de draagconstructie van de procesinstallatie of falen van de fundatie van installatie. Dit betekent dat de installatie kan worden beschadigd, maar niet dat er ook in alle gevallen gevaarlijke stoffen vrijkomen. Ter opvolging van dit laatste punt worden in sommige gevallen nadere berekeningen uitgevoerd. In een aantal gevallen worden ook direct kleine verstevigingen uitgevoerd. Deze inzichten worden daarnaast meegenomen in het verfijnen van de beoordelingsmethoden. Infrastructuur Sinds 1 januari 2021 is de Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige infrastructuur Groningen in werking getreden. Hiermee is het kader voor de vergoeding van de kosten voor het aardbevingsbestendig maken van infrastructuur vastgelegd. Voor de aardbevingsbestendigheid van infrastructuur zijn geen kwantitatieve beoordelingskaders en normen voorhanden. Een panel van hoogleraren heeft mij nader geadviseerd over het beoordelen van infrastructuur op aardbevingsbestendigheid. 20 Het panel hanteert de volgende uitgangspunten: • bij de beoordeling van infrastructurele werken op aardbevingsbestendigheid is het uitgangspunt de toets aan een (maximaal) individueel risico van 10-5 per jaar; • de probabilistische risico-inschatting is daarvoor de geijkte methode.
Hierin dienen ook de domino-effecten te worden meegenomen. 20
Bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 33529, nr. 678. Pagina 33 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
Deze veiligheidsfilosofie vraagt volgens het panel om een praktische toepassing in het licht van de verdere afbouw van de gaswinning, en daarmee de verdere daling van de seismische dreiging, met als uitgangspunten: 1. Als het maken van voldoende betrouwbare kwantitatieve risicoberekeningen meer inspanning kost dan het nemen van een maatregel moet die maatregel simpelweg genomen worden. Deel van de afweging kan zijn om tijdelijke (organisatorische) maatregelen te nemen totdat de dreiging voldoende gedaald is; 2. Berekeningen conform de veiligheidsfilosofie worden alleen gestart als uit de (kwalitatieve) inschatting van experts blijkt dat het risico significant groter lijkt dan 10-5 per jaar; 3. Indien berekening van de kans op een specifieke ongewenste gebeurtenis als gevolg van een geïnduceerde aardbeving significant kleiner is dan 10-5 per jaar, hoeft er niet verder gerekend te worden aan de effecten.
PDGGO-DSGG / 22368536
Deze veiligheidsfilosofie ligt ten grondslag aan de Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige infrastructuur Groningen en sluit aan bij de wijze waarop bijvoorbeeld het individueel risico bij gebouwen wordt beoordeeld. In het Platform Aardbevingsbestendige Infrastructuur delen overheden en beheerders van infrastructuur kennis en ervaring ten aanzien van de beoordeling van infrastructuur. Op grond van bovengenoemd advies, waarin ook wordt verwezen naar eerdere onderzoeken waarin geen acute kwetsbaarheden of veiligheidsrisico’s aan het licht zijn gebracht, zie ik op dit moment geen aanleiding om verdere aanvullende maatregelen te treffen anders dan reeds in gang gezet. Daarnaast zie ik omwille van de veiligheid van individuen nabij infrastructuur geen reden om de keuze voor de operationele strategie te wijzigen. 5.2.4
Seismische dreigings- en risicoanalyse (SDRA 2022)
In deze paragraaf wordt aan de hand van de SDRA 2022 de operationele strategie getoetst aan het veiligheidsbeleid. Zoals hiervoor aangegeven zijn deze uitkomsten een regionale risicoschatting specifiek bedoeld om het regionale risico in Groningen te beoordelen in dit besluit. Definitieve uitspraken over het seismisch risico van een individueel gebouw en de daarbij behorende versterkingsmaatregelen worden gebaseerd op een individuele opname en beoordeling met een daarvoor geschikte methode. Grenswaarde 10-4 per jaar In de SDRA wordt er geconstateerd dat er geen gebouwen meer zijn met een risico groter dan 10-4 per jaar. Veiligheidsnorm: individueel aardbevingsrisico van 10-5 per jaar In de SDRA wordt het LPR gerapporteerd en gerelateerd aan de veiligheidsnorm van 10-5 per jaar. Volgens de resultaten van de SDRA zijn er geen gebouwen meer die niet aan de norm voldoen in gasjaar 2022-2023.
Pagina 34 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
10-jaarsverwachting De SDRA laat zien dat op de langere termijn het aantal gebouwen dat niet voldoet aan de veiligheidsnorm (van 10-5 per jaar) nihil blijft.
PDGGO-DSGG / 22368536
Onzekerheidsmarge (P90) Volgens de SDRA vallen er 16 gebouwen in de P90 groep in gasjaar 2022-2023. Al deze gebouwen zijn al opgenomen in de versterkingsoperatie. Gevoeligheidsanalyse TNO Aanvullend op de SDRA is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd. In deze gevoeligheidsanalyse laat TNO zien wat de invloed is van verschillende modelkeuzes. Uit de gevoeligheidsanalyse van TNO komen geen gebouwen met een risico van groter dan 10-4 per jaar en 930 gebouwen die volgens de verwachtingswaarde niet voldoen aan de veiligheidsnorm. NCG geeft aan dat van deze 930 gebouwen er 64 gebouwen (waarvan 27 in Loket Opname Op Verzoek) nog niet in de versterkingsoperatie zitten. Dit betekent dat er 37 gebouwen zijn aangetroffen die op basis van de gevoeligheidsanalyse risicovol en nog niet in beeld bij NCG zijn. 5.2.5
Adviezen
Advies regio Groningen 9-19 mei 2022 De regio Groningen adviseert om de modelinstellingen zoals geadviseerd door TNO te reviewen en toe te voegen aan het basismodel van de SDRA zodat er in het vervolg geen verschil in uitkomst meer is. Ook adviseert de regio Groningen om de P90 gebouwen uit de gevoeligheidsanalyse door TNO in beeld te laten brengen. Daarnaast adviseert de regio Groningen om in overleg te bekijken hoe de 37 nieuwe gebouwen die uit de gevoeligheidsanalyse van de SDRA komen onderdeel van het versterkingsprogramma worden. Advies KNMI 20 mei 2022 KNMI constateert dat een statistische toets uitwijst dat de door TNO verwachte afname in frequentie van bevingen met een magnitude van 1,5 of hoger over de periode 2016-2021 compatibel is met de uit de waarnemingen geschatte afname. De statistische analyse geeft daarom geen aanleiding om het model van de verwachte seismiciteit activiteit aan te passen. Advies SodM 19 mei 2022 Naar het oordeel van SodM is de veiligheid van de inwoners in Groningen op dit moment nog onvoldoende geborgd. Advies TNO 20 mei 2022 TNO vindt het wetenschappelijk niet correct dat de kalibratie van het seismologisch model niet is uitgevoerd in 2022. Als gevolg hiervan worden niet alle aardbevingen meegenomen in de dreigings- en risicoanalyse.
In aanvulling hierop herhaalt TNO haar pleidooi voor het gebruik van een modelkalibratie die beschikbaar is in het publieke domein. De huidige kalibratie, die door NAM is uitgevoerd eind 2020, is, volgens TNO, niet reproduceerbaar en dient eerst gevalideerd te worden. Daarnaast constateert TNO dat het proces van validatie en
Pagina 35 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
acceptatie van modelaanpassingen en -instellingen stroef verloopt en met name de afronding daarvan. TNO vraagt hier nadrukkelijk aandacht voor.
PDGGO-DSGG / 22368536
Ten slotte adviseert TNO de uitgangspunten met betrekking tot de seismische dreiging te harmoniseren tussen de SDRA en de typologieaanpak en de nieuwste wetenschappelijke inzichten mee te nemen in een actualisatie om een realistisch beeld van de versterkingsopgave te krijgen. Advies Mijnraad 10 juni 2022 De Mijnraad betreurt het dat – net als vorig jaar – de voorbereiding van het vaststellingsbesluit belast is met een discussie over het verwerken van voortschrijdend inzicht in de modelvorming. De overheden merken volgens de Mijnraad terecht op dat verschillen slecht zijn voor de uitlegbaarheid en daarmee het vertrouwen van de Groningse inwoners. De Mijnraad adviseert opnieuw om voor het gasjaar 2023-204 te komen tot breed gedragen modelinstellingen. Daarbij geeft de Mijnraad aan dat dat ook geldt voor harmonisering van de uitgangspunten van de typologieaanpak in de versterkingsoperatie en de SDRA, die TNO in haar advies bepleit. Volgens de Mijnraad dient er gestreefd te worden naar breed gedragen, gemeenschappelijke uitgangspunten voor de berekening van het seismisch risico, het veiligheidsrisico en de versterkingsopgave. 5.2.6
Beoordeling
Uit de SDRA blijkt dat voor het gasjaar 2022-2023 en de gasjaren daarna alle gebouwen aan de veiligheidsnorm voldoen, daarom acht ik het acceptabel om de voorgestelde operationele strategie vast te stellen. Echter, zoals SodM oordeelt, is de veiligheid in Groningen nog niet voldoende geborgd, omdat er nog vele gebouwen versterkt dienen te worden. Daar ben ik het mee eens. Daarom zet ik enerzijds in op het beperken van het risico bij de bron door de gaswinning zo laag mogelijk vast te stellen (zie ook paragraaf 5.3) en zo snel mogelijk te beëindigen (zie ook paragraaf 5.3.4) en anderzijds door met mitigerende maatregelen de nadelige gevolgen van de gaswinning te beperken. Deze maatregelen licht ik toe in paragraaf 5.5 en 5.6. De SDRA is uitgevoerd conform de geadviseerde en geverifieerde deelmodellen. Ondanks de lopende wetenschappelijk discussies heb ik op dit moment geen reden om te twijfelen aan de uitkomsten. Ik kan niet afdwingen dat wetenschappers het op alle punten met elkaar eens zijn. Een zekere mate van discussie is goed voor de verdere ontwikkeling van de modellen. Om in zulke gevallen toch tot een keuze te komen heb ik een zorgvuldig proces ingericht. In dit proces adviseren SodM en een panel van internationale wetenschappers mij over de bruikbaarheid en kwaliteit van door TNO jaarlijks voorgestelde aanpassingen en modelversies.
In dit proces hecht ik groot belang aan de aspecten die door andere adviseurs worden genoemd, zoals transparantie, reproduceerbaarheid en validatie van modellen.
Pagina 36 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
Transparantie van de publieke SDRA is hierbij belangrijk. Daarom worden de documenten, om te komen tot de te gebruiken modelversies en over modelontwikkeling, publiek gemaakt. 21
PDGGO-DSGG / 22368536
In aanvulling op de publieke SDRA Groningen laat TNO met een gevoeligheidsanalyse zien wat de invloed is van andere modelkeuzes. De regio Groningen adviseert om in overleg te bekijken hoe de 37 gebouwen die uit de gevoeligheidsanalyse komen onderdeel van het versterkingsprogramma worden. Vorig jaar heeft SodM mij desgevraagd geadviseerd om, uit voorzorg, de gebouwen die uit de gevoeligheidsanalyse komen op te nemen in het versterkingsprogramma. Dit is in overleg met NCG en de gemeenten gebeurd. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 21 april 2022 22 zal ik om die reden ook nu in overleg met de gemeenten en NCG bekijken of deze adressen moeten worden toegevoegd aan de versterkingsoperatie. Door consequent de P90 gebouwen in de SDRA te analyseren wordt er ingespeeld op onzekerheden in de modellen. Ik acht het niet nodig om aanvullend TNO te vragen ook te rapporteren over de gebouwen die op basis van de gevoeligheidsanalyse in de foutmarge (P90) vallen, dit zou een stapeling van conservatismen zijn. Voor een planmatige en uitvoerbare uitvoering van de versterkingsoperatie worden constante uitgangspunten gebruikt. In 2020 zijn de dreigingskaarten voor de typologieaanpak vastgesteld. De typologieaanpak en de publieke SDRA kennen andere doelen. De SDRA geeft immers geen individueel veiligheidsoordeel van gebouwen maar een regionaal veiligheidsbeeld.
Daarbij zijn de instellingen voor de SDRA in 2022 grotendeels hetzelfde als de instellingen in de Hazard and Risk Assessment (hierna: HRA) uit 2020, waar de typologieaanpak op gebaseerd is. Ik acht het niet nodig om op dit moment een aanpassing te doen om de uitgangspunten van de SDRA en typologieaanpak te harmoniseren. Een aanpassing leidt ook tot mogelijke veranderingen in de versterkingsopgave en vertragingen. Dit wil ik voorkomen. Mocht de situatie zodanig veranderen dat een aanpassing gewenst wordt, dan ga ik samen met SodM hiernaar kijken. 5.2.7
Conclusie
Ik concludeer op basis van de risicoberekeningen, onderzoeken en adviezen dat er geen reden is mijn veiligheidsbeleid te herzien, dat de publieke SDRA Groningen een voldoende betrouwbaar beeld geeft van het veiligheidsrisico behorend bij de operationele strategie voor het gasjaar 2022-2023 en dat dit veiligheidsrisico acceptabel is. 5.3 5.3.1
Leveringszekerheid (criterium b) Inleiding
Leveringszekerheid betekent dat eindafnemers van gas op het juiste moment en in de juiste kwaliteit (laag- of hoogcalorisch gas) met de benodigde hoeveelheid worden beleverd. Leveringszekerheid kent een volumematige en een capaciteitsmatige component. De volumematige component houdt in dat er over https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/gaswinning-ingroningen/documenten/publicaties/2022/04/21/modelversies-publieke-sdra-groningen 22 Kamerstukken II 2021/22, 33529, nr. 1002. 21
Pagina 37 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
een bepaalde periode (bijvoorbeeld een jaar) voldoende gas beschikbaar moet zijn om te voorzien in de vraag. De capaciteitsmatige component houdt in dat dat gas op ieder moment, ook op momenten van hoge vraag, in de juiste hoeveelheid moet kunnen worden geleverd.
PDGGO-DSGG / 22368536
Gas kan hoog- of laagcalorisch zijn. Hoogcalorisch gas heeft een hogere verbrandingswaarde dan het laagcalorische gas dat uit het Groningenveld wordt gewonnen. Apparaten en installaties die geschikt zijn voor laagcalorisch gas functioneren niet zonder meer met hoogcalorisch gas en omgekeerd. Eindafnemers van gas moeten daarom ook de juiste kwaliteit van gas geleverd krijgen. In Nederland zijn op dit moment vrijwel alle huishoudens en het merendeel van bedrijven, afhankelijk van laagcalorisch gas. Datzelfde geldt voor delen van België, Duitsland en Frankrijk. Het Groningenveld is wereldwijd gezien de belangrijkste natuurlijke bron van laagcalorisch gas. Vrijwel al het gas dat elders wordt gewonnen is hoogcalorisch. Er wordt voorzien in de vraag naar laagcalorisch gas door hoogcalorisch gas dat door verrijking en kwaliteitsconversie wordt ingepast in het laagcalorisch gassysteem en door de productie van het Groningengas. Verrijking is het toevoegen van hoogcalorisch gas aan het Groningengas, in die mate dat het mengsel nog steeds voldoet aan de vereisten voor laagcalorisch gas. Kwaliteitsconversie is het omzetten van hoogcalorisch gas naar laagcalorisch gas door het toevoegen van stikstof in daarvoor bestemde installaties.
Op basis van de Gaswet heeft GTS de wettelijke taak om jaarlijks een raming op te stellen van de hoeveelheid Groningengas die nodig is in een gasjaar om alle eindafnemers van laagcalorisch gas in Nederland, België, Duitsland en Frankrijk te voorzien. Hierbij worden alle beschikbare middelen en methoden om de hoeveelheid Groningengas te minimaliseren betrokken. In paragraaf 5.3.2 beschrijf ik het benodigde volume en in paragraaf 5.3.3 de benodigde capaciteit voor het gasjaar 2022-2023. In paragraaf 5.3.4 ga ik verder in op de benodigde inzet voor de komende gasjaren en de verwachte sluitingsdatum van het Groningenveld. 5.3.2
Benodigd volume voor leveringszekerheid
Conform artikel 10a, eerste lid, onderdeel q, van de Gaswet heeft GTS op 31 januari 2022 een raming opgeleverd voor de benodigde Groningeninzet voor gasjaar 2022-2023. Het volume dat in het gasjaar 2022-2023 nodig is, wordt door GTS ingeschat op 1,7 miljard Nm3. Daarbij is rekening gehouden met de uitgangspunten die ik, bij mijn verzoek aan NAM om een operationele strategie op te stellen, heb meegegeven. Zoals aangegeven in paragraaf 4.4, moeten er vanaf 1 oktober 2022 productielocaties operationeel worden gehouden om voldoende capaciteit beschikbaar te hebben om de leveringszekerheid te kunnen garanderen in uitzonderlijke situaties. Het operationeel houden van productielocaties gaat gepaard met een minimale productie, de zogenoemde minimumflow. In het Pagina 38 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
gasjaar 2022-2023 zal hierdoor het gewonnen Groningenvolume bestaan uit het volume dat noodzakelijkerwijs gewonnen wordt doordat er productielocaties op stand-by staan. De hoogte van de winning wordt hiermee afhankelijk van het aantal productielocaties dat op stand-by staat. Dit aantal wordt gebaseerd op de capaciteitsraming van GTS. Paragraaf 5.3.3 gaat hier nader op in.
PDGGO-DSGG / 22368536
Op basis van het basisscenario in de capaciteitsraming van GTS zijn er in de in de periode van oktober 2022 tot en met maart 2023 zeven productielocaties en vanaf 1 april 2023 vijf productielocaties nodig. De minimumflow bedraagt volgens GTS op basis van de uitgangspunten die zijn genoemd in paragraaf 4.1 voor het gasjaar 2022-2023 1,7 miljard Nm3. Dit is gelijk aan het benodigde volume voor leveringszekerheid. In deze berekening zijn vorstdagen niet meegenomen. Volgens de operationele strategie van NAM bedraagt de minimumflow inclusief 40 vorstdagen 1,9 miljard Nm3. Op 14 maart 2022 heeft GTS een aanvullend advies uitgebracht in het kader van de besluitvorming over de winning in het gasjaar 2021-2022. 23 Daarin adviseert GTS de nu beschikbare capaciteit van het Groningenveld voorlopig in stand te houden en geen productiecapaciteit uit bedrijf te nemen zolang de geopolitieke situatie door de oorlog in Oekraïne onzeker blijft. Ook geeft GTS aan dat het beschikbaar houden van alle productielocaties tot in ieder geval het einde van de winter van het gasjaar 2022-2023 kan bijdragen om eventuele onbeschikbaarheid van de nieuwe stikstofinstallatie in Zuidbroek op te vangen.
Uit de operationele strategie van NAM blijkt dat de winning uitkomt op 2,8 miljard Nm3 als tot en met maart 2023 alle huidige elf productielocaties en vanaf 1 april 2023 vijf productielocaties operationeel blijven. Op 16 september 2022 heeft GTS op mijn verzoek een aanvullend advies uitgebracht waarin zij ingaat op onder andere de actuele verwachtingen van de ingebruikname van de nieuwe stikstofinstallatie in Zuidbroek, de gevolgen van de oorlog in Oekraïne voor de gasmarkt en het vullen van de gasopslagen UGS Norg en UGS Grijpskerk. In de raming van GTS was het uitgangspunt dat de nieuwe stikstofinstallatie in Zuidbroek voor de start van het gasjaar 2022-2023 in gebruik genomen kon worden. Deze zomer heeft GTS gemeld dat de installatie gefaseerd beschikbaar zou komen op 14 oktober 2022 en 31 oktober 2022. 24 In het aanvullend advies van 16 september 2022 gaat GTS uit van een gefaseerde ingebruikname per 14 en 30 november 2022. Ook neemt GTS de actuele ontwikkelingen mee op het gebied van onder andere de actuele marktvraag en de energie-inhoud (Wobbe-index) van te converteren hoogcalorisch gas. Het winningsniveau van 2,8 miljard Nm3 is volgens GTS bij deze herziene planningsuitgangspunten voldoende om de leveringszekerheid in het gasjaar 2022-2023 te kunnen borgen. Daarbij benadrukt GTS de noodzaak van het reduceren van de gasvraag in binnen- en buitenland.
De aanvullende analyse van GTS laat zien dat additionele Groningenproductie nodig is in geval van een nietgereduceerde vraag naar laagcalorisch gas. Dit kan volgens GTS oplopen tot een aanvullend benodigd volume uit het Groningenveld van circa 1 miljard Nm3 indien het gasjaar 2022-2023 volgens een koud temperatuurprofiel verloopt. 23 24
Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 33529, nr. 922. https://www.gasunietransportservices.nl/transparency/remit/urgent-market-messages/2-2406 Pagina 39 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
Zoals hierboven aangegeven is de raming van GTS opgeleverd voordat de oorlog in Oekraïne begon. Hierdoor zijn wijzigingen in de bestaande Europese verordening over de gasleveringszekerheid niet meegenomen in de raming. In het aanvullende advies van GTS van 16 september 2022 is dit wel meegenomen. Vanwege de geopolitieke spanningen zijn er zorgen over de gasvoorraad voor de komende winter. Europa is sterk afhankelijk van de import van fossiele energiedragers uit Rusland. Op 27 juni 2022 heeft de Raad van de Europese Unie een verordening aangenomen inzake gasopslag. 25 Volgens de verordening moet de ondergrondse gasopslag in de lidstaten worden aangevuld tot ten minste 80% van hun capaciteit vóór het begin van de winter van 2022-2023, en tot 90% vóór het begin van de daaropvolgende winter, waarbij een correctie mag worden toegepast voor export naar derde landen buiten de Europese Unie. Verder wordt de maximale hoeveelheid die lidstaten moeten opslaan beperkt tot 35% van hun gemiddelde jaarlijkse gasgebruik over de afgelopen vijf jaar.
PDGGO-DSGG / 22368536
Dit betekent dat UGS Norg aan de start van het gasjaar, op 1 oktober 2022, niet met 4 miljard Nm3 gas gevuld moet zijn om de leveringszekerheid te kunnen borgen, maar met 4,8 miljard Nm3. Deze vulgraad is reeds bereikt. Aan het eind van het gasjaar 2022-2023 is, uitgaande van de Europese verplichting zonder correctie, een vulgraad nodig van 5,4 miljard Nm3 indien gekozen wordt voor een evenredige verdeling van gas over de gasopslagen. Ik ga ervan uit dat de opslag gedurende het gasjaar 2022-2023 tot dit volume gevuld kan worden en dat dit volledig kan met pseudo-Groningengas, oftewel hoogcalorisch gas dat is bijgemengd met stikstof. Het aanvullende advies van GTS van 16 september 2022 bevestigt dat dit inderdaad mogelijk is, tenzij de gasopslag aan het einde van de winter van 2022-2023 (bijna) leeg is. Ook UGS Grijpskerk wordt gevuld met pseudo-Groningengas. Om te zorgen dat UGS Grijpskerk aan het eind van het gasjaar zoveel mogelijk capaciteit kan leveren om de reserverol van het Groningenveld te kunnen overnemen, wordt de opslag in het vulseizoen van het gasjaar 2021-2022 bijna volledig gevuld tot 2,3 miljard Nm3. Ook in het gasjaar 2022-2023 wordt het werkgas van de opslag weer volledig geproduceerd en vervolgens in de zomer volledig gevuld. Ook voor UGS Grijpskerk ga ik ervan uit dat dit kan in het gasjaar 2022-2023 zonder extra Groningenproductie.
Het aanvullende advies van GTS van 16 september 2022 bevestigt dat dit mogelijk is, tenzij de gasopslag aan het einde van de winter van 2022-2023 (bijna) leeg is. Met deze uitgangspunten zal Nederland een vulgraad van 80% in UGS Norg en 100% in UGS Grijpskerk naar alle waarschijnlijkheid al hebben bereikt op 1 oktober 2022, de start van het Nederlandse stookseizoen. De voorgestelde verordening hanteert 1 november 2022 als peildatum. In de maand oktober wordt, afhankelijk van het weer, een deel geproduceerd, waardoor op 1 november 2022 de vulgraad mogelijk lager uitvalt. Dit speelt in grotere mate voor UGS Grijpskerk. Omdat de opslag geschikt gemaakt wordt om de reserverol van het https://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2022/06/27/council-adopts-regulation-gasstorage/#:~:text=Volgens%20de%20verordening%20moet%20de,begin%20van%20de%20daaropvolgende%20 winters.
25
Pagina 40 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
Groningenveld over te nemen, zal in oktober al begonnen worden met het leeghalen van de gasopslag. Het uitstellen van dit proces is geen optie, omdat het zou betekenen dat de sluitingsdatum van het Groningenveld op 1 oktober 2023 in gevaar komt. Daarom proberen de minister voor Klimaat en Energie en ik de gasopslagen te vullen conform onze eerdere intentie, waarbij wij ons inspannen UGS Bergermeer nog verder te vullen dan eerder gemeld. 26,27 In hoofdstuk 5.3.4 ga ik nader in op de bijdrage die de gasopslagen kunnen leveren aan de sluiting van het Groningenveld.
PDGGO-DSGG / 22368536
Het Groningenveld zal in het gasjaar 2022-2023 als back-up dienen (zie ook paragraaf 4.4). Dit in het geval zich verstoringen in het gassysteem voordoen, zoals uitval van installaties, transportbeperkingen, onvoorziene ontwikkelingen in de samenstelling van het hoogcalorisch gas, maar ook als UGS Norg feitelijk niet beschikbaar is, als een systeemonbalans ontstaat door bijvoorbeeld een fysiek tekort aan gas of ten behoeve van pieklevering bij zeer koude omstandigheden. Indien dergelijke situaties zich voor doen kan extra productie boven de minimumflow nodig zijn. De benodigde back-up rol voor het gasjaar 2022-2023 wordt door GTS ingeschat op een Groningenvolume van maximaal 1,5 miljard Nm3. Dit back-up volume is gelijk aan het volume dat is opgenomen in artikel 4 van vaststellingsbesluit voor de gasjaren 2019-2020, 2020-2021 en 2021-2022. De inzet is binnen het huidige vaststellingsbesluit, en ook voorgaande besluiten, gemaximeerd op 1,5 miljard Nm3 en bovendien beperkt tot hetgeen nodig is om de balans in het systeem te handhaven. Het gaat hierbij om het opvangen van acute tekorten in de eerste uren en dagen nadat de systeemonbalans is ontstaan of bij zeer koude omstandigheden. 5.3.3
Benodigde capaciteit voor leveringszekerheid
Wat betreft capaciteit adviseert GTS in de raming om in gasjaar 2022-2023 in ieder geval 2,7 miljoen Nm3 per uur beschikbaar te houden op het Groningenveld om in situaties van een hoge marktvraag alle eindafnemers van laagcalorisch gas te kunnen blijven beleveren. Bij het bepalen van de benodigde capaciteit baseert GTS zich op de infrastructuurnorm van de Europese verordening leveringszekerheid aardgas. 28 Dit betekent dat GTS rekening houdt met een verstoring van de grootste afzonderlijke gasinfrastructuur (uitval van UGS Norg) gelijktijdig met een temperatuur die eens in de 20 jaar voorkomt (-15,5 °C). De Europese verordening stelt dat op nationaal niveau rekening gehouden dient te worden met deze voorwaarden. Vanwege de afhankelijkheid van laagcalorisch gasverbruikers in Duitsland, België en Frankrijk van Nederland, past GTS de infrastructuurnorm toe op het volledige afzetgebied van laagcalorisch gas. Om de geraamde capaciteit voor 2022-2023 te kunnen leveren dienen in de winter zeven productielocaties op het Groningenveld beschikbaar te blijven. Zoals aangegeven in paragraaf 5.3.2 adviseert GTS de nu beschikbare capaciteit van het Groningenveld voorlopig in stand te houden en geen productiecapaciteit uit bedrijf Kamerstukken II 2021/22, 29032, nr. 302. Kamerstukken II 2021/22, 29023, nr. 339.
28 Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de raad betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid. 26 27
Pagina 41 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
te nemen zolang de geopolitieke situatie door de oorlog in Oekraïne onzeker blijft. Ook geeft GTS aan het beschikbaar houden van alle productielocaties tot in ieder geval het einde van de winter van het gasjaar 2022-2023 kan bijdragen om eventuele onbeschikbaarheid van de nieuwe stikstofinstallatie in Zuidbroek op te vangen. Het gaat daarbij om elf productielocaties.
PDGGO-DSGG / 22368536
In het aanvullende advies van 16 september 2022 onderstreept GTS het belang hiervan nogmaals. Daarbij licht GTS toe dat de hiervoor genoemde infrastructuurnorm uitgaat van voldoende aanvoer van hoogcalorisch gas. Door de oorlog in Oekraïne is dit onzeker geworden. GTS adviseert daarom nogmaals om geen productielocaties te sluiten zolang de huidige geopolitieke situatie voortduurt en de vraag-aanbod-balans ongewijzigd blijft. Uitgaande van een voortzetting van de huidige marktontwikkelingen, concludeert GTS dat een capaciteit van 4,4 miljoen Nm3 per uur voldoende is om de leveringszekerheid te borgen. Net als in afgelopen jaren en conform de motie Sienot en Van der Lee 29 heeft adviesbureau DNV de raming van GTS gevalideerd. 30 DNV bevestigt dat de gaswinning in Groningen een nieuwe fase ingaat: het Groningenveld is vanaf het gasjaar 2022-2023 alleen nog nodig om zeer koude momenten met uitval van andere middelen af te dekken. DNV geeft echter aan de planningsuitgangspunten die GTS heeft gehanteerd om te bepalen hoeveel productielocaties daarvoor beschikbaar moeten zijn, niet volledig te onderschrijven. Daarbij wijst DNV met name op de inzet van gasopslagen in Nederland en Duitsland. DNV adviseert om de berekening transparant te maken en de bergingscapaciteiten in Duitsland nader in beeld te vragen. Ik zal GTS verzoeken dit mee te nemen in de volgende raming van januari 2023.
Ook adviseert DNV om te bekijken hoe UGS Norg verder kan worden gevuld. Zoals aangegeven in paragraaf 5.3.2 is bij de raming nog geen rekening gehouden met de Europese verordening inzake gasopslag. De verordening beoogt een hogere vulgraad van gasopslagen in de Europese Unie te stimuleren. Zoals aangegeven in paragraaf 5.3.2 is de verwachting dat deze hogere vulgraad behaald kan worden zonder inzet van het Groningenveld, tenzij de gasopslag aan het einde van de winter van 2022-2023 (bijna) leeg is. 5.3.4
Inzet Groningenveld na gasjaar 2022-2023
Dit besluit ziet op de winning uit het Groningenveld in het gasjaar 2022-2023. Daarnaast kijk ik ook vooruit naar de benodigde Groningenproductie in de daaropvolgende jaren. Uit de raming van GTS blijkt dat vanaf gasjaar 2023-2024 de inzet van het Groningenveld mogelijk niet meer nodig is voor de leveringszekerheid. Het is mijn intentie om het Groningenveld in oktober 2023, en als het tegenzit in 2024, volledig en definitief te sluiten. Er is echter een aantal factoren die onzekerheden met zich mee brengen. Volledige zekerheid kan ik dus niet geven. In deze paragraaf ga ik in op de rol van de gasopslagen bij de definitieve sluiting van het Groningenveld, de sluiting van productielocaties en de onzekerheden rond de definitieve sluitingsdatum. 29 30
Kamerstukken II 2018/19, 34957, nr. 52. Bijlage bij Kamerstukken II, 2021/22, 33529, nr. 1002. Pagina 42 van 77
Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Schadeherstel en Gaswinning Groningen
De rol van de gasopslagen voor de definitieve sluiting van het Groningenveld Vanwege grote seizoenvariaties in de vraag naar (laagcalorisch) gas moet er in de winter meer gas beschikbaar zijn dan in de zomer. Het Groningenveld kon voorheen in deze flexibiliteit voorzien. Met afbouw van de inzet van het Groningenveld en de aanstaande sluiting wordt deze flexibiliteit gecreëerd door de inzet van gasopslagen.
PDGGO-DSGG / 22368536
UGS Norg speelt hierin een belangrijke rol en zorgt ervoor dat stikstofinstallaties optimaal kunnen worden ingezet. In de zomer wordt de gasopslag zoveel mogelijk gevuld met pseudo-Groningengas, zodat dit gas in de winter benut kan worden. Op 10 september 2019 heeft de toenmalige minister van EZK ingestemd met het gewijzigde opslagplan voor UGS Norg 31, waarmee effectief het werkvolume van de laagcalorische gasopslag is verruimd van 5 naar 6 miljard Nm3. Daarnaast zijn met de aandeelhouders van NAM privaatrechtelijke afspraken gemaakt over de inzet van UGS Norg, waaronder het (deels) vullen van UGS Norg met pseudoGroningengas. De gemaakte afspraken heeft de toenmalige minister van EZK toegelicht in een brief aan de Tweede Kamer van 9 maart 2021. 32 Daarnaast heb ik ingestemd met de opslag van laagcalorisch gas in UGS Grijpskerk. 33 Dat betekent dat UGS Grijpskerk langer als gasopslag zal worden ingezet dan oorspronkelijk door NAM voorzien. Naar verwachting zijn er twee zomers nodig tot UGS Grijpskerk voldoende functioneert als opslag voor laagcalorisch gas. De injectie van laagcalorisch gas in UGS Grijpskerk is gestart in de zomer van 2022. Dit betekent dat als het vullen van UGS Grijpskerk verloopt volgens plan, alle productielocaties van het Groningenveld vanaf oktober 2023 definitief kunnen sluiten.
Indien UGS Grijpskerk na twee zomers nog onvoldoende capaciteit heeft om de reserverol van het Groningenveld te kunnen overnemen, dan kan het veld in oktober 2024 sluiten. Ik onderzoek ook of het mogelijk is om de transportcapaciteit tussen UGS Grijpskerk en het landelijke transportnet te vergroten. Dit draagt nog verder bij aan het zeker stellen van de sluiting van het Groningenveld in 2023 of uiterlijk 2024. Zoals aangegeven in paragraaf 5.3.3 heeft adviesbureau DNV de raming van GTS gevalideerd. DNV bevestigt dat de snelst mogelijke sluiting van het Groningenveld kan worden gerealiseerd door het opslaan van laagcalorisch gas in UGS Grijpskerk, maar adviseert onzekerheden in de scenario’s nader te onderzoeken omdat het nog onzeker is of de inzet van de opslag in alle scenario’s bijdraagt aan een snellere sluiting van het Groningenveld. Zoals aangegeven in mijn Kamerbrief van 14 maart 2022 34 wil ik aan de inwoners van Groningen zoveel mogelijk duidelijkheid bieden over de sluiting van het Groningenveld door sluiting in 2023 of uiterlijk 2024 mogelijk te houden en daartoe de meest kansrijke omstandigheden te realiseren. Dit perspectief vind ik belangrijk gezien de negatieve gevolgen die de gaswinning heeft voor de inwoners van Groningen.
Bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 33528, nr. 678. Kamerstukken II 2020/21, 33529, nr. 850. 33 Definitief instemmingsbesluit Gasopslag Grijpskerk beschikbaar via https://www.rvo.nl/onderwerpen/bureauenergieprojecten/lopende-projecten/grijpskerk 34 Kamerstukken II 2021/22, 33529, nr. 992. 31 32