CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

35 1 gemeente Midden-Groningen - Beheerplan Gemalen

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen / Lange Termijn Agenda raad / Toezeggingen23.798 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

1.2

Status handboek De BOOR geeft de voorwaarden aan voor een basisnormering die aansluit bij het reguliere beheer binnen de Gemeente Midden-Groningen. De BOOR is een technische leidraad met wetten, richtlijnen en ambities. Het is dus geen echt normenboek, maar een onderlegger om gefundeerde keuzes over kwaliteiten te maken. De BOOR is richtinggevend, zowel voor externe partijen als voor de eigen organisatie. In principe dienen de richtlijnen c.q. eisen die hierin vermeld zijn, bij de planuitwerking te worden aangehouden. In de praktijk zullen zich echter situaties voordoen die om een aanpak vragen die buiten het kader van dit document liggen. In die gevallen moet dit document geen knellend keurslijf vormen. Daarom geldt: afwijkingen van de eisen in dit kwaliteitsdocument is toegestaan, mits dit goed gemotiveerd wordt en de gemeente Midden-Groningen akkoord gaat met de afwijkingen. Het doel van de BOOR en de betreffende domeinbeheerder is duidelijkheid te verstrekken, plannen kunnen toetsen en bevorderen van de integraliteit met betrekking tot standaardinrichtingseisen bij nieuwe projecten.

1.3

Procedure bij afwijkingen De BOOR formuleert de voorwaarden en eisen die de Gemeente Midden-Groningen op basis van beleid stelt aan de openbare ruimte. De eisen/voorwaarden uit de BOOR gelden als randvoorwaarden bij elk project. Dit gebeurt door de relevante voorwaarden in te brengen in een planontwikkelingsfase. Dit geldt zowel voor de projecten waarvoor de gemeente opdrachtgever is, als de projecten die door derden worden ontwikkeld en uitgevoerd. Nieuwe plannen worden getoetst aan de eisen uit de BOOR. De eisen/voorwaarden uit de BOOR zijn echter geen keurslijf waarvan onder geen beding kan worden afgeweken. Afwijken van de leidraad kan in sommige gevallen, als de initiatiefnemer, beleidsverantwoordelijke en beheerder overeenstemming bereiken over de afwijking.

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

4

Afwijkingen worden in overleg met de desbetreffende domeinbeheerder besproken, geëvalueerd en vastgelegd. De domeinbeheerder beslist of de afwijking doorgevoerd wordt. Bij toestemming vanuit dit overleg, kan worden afgeweken van het handboek. Eventuele afwijking vanuit gemeentelijke overwegingen is mogelijk, maar moet in de ontwerpfase beargumenteerd worden met inachtneming van factoren zoals versnippering in inrichting, aanlegkosten en structurele beheerkosten. Afwijkingen vanuit de aannemer, die de aanleg of het onderhoud verzorgt, moeten voldoen aan de volgende eisen: - De aanvrager moet de afwijking direct melden bij de Gemeente Midden-Groningen. - De Gemeente Midden-Groningen zal deze afwijking schriftelijk beantwoorden. - De aanvrager zal de beheertechnische en financiële consequenties aangaande het toekomstige beheer moeten onderbouwen

1.4

Actualisatie Het beleid van de Gemeente Midden-Groningen kan in de loop der jaren veranderen, richtlijnen veranderen, inzichten veranderen; kortom voldoende reden om te veronderstellen dat actualisatie in de loop der tijd noodzakelijk is. De verantwoordelijke voor deze actualisatie is de desbetreffende domeinbeheerder die werkzaam is bij de gemeente Midden-Groningen. De BOOR wordt geactualiseerd door één bepaald persoon. Andere afspraken betreffende het actueel houden van de BOOR zijn: - 1 keer per jaar vindt er een vergadering plaats tussen de domeinbeheerders met als onderwerp: ''Het functioneren van de BOOR". - De beheerder is er voor verantwoordelijk dat de laatste versie ook op internet staat en dat de gebruikers op de hoogte worden gebracht als er weer een nieuwe versie op het internet staat. De BOOR is een integraal gedragen document dat vanuit verschillende disciplines/domeinen is opgesteld en vastgesteld. Wanneer er binnen een bepaalde domein iets veranderd dat invloed heeft op dit handboek, dan dient dit te worden aangegeven bij de domeinbeheerder, die deze informatie doorgeeft aan de beheerder van het handboek. De beheerder past dit aan in het handboek en vertaalt dit bedrijfsbreed.

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

5

2

Leeswijzer BOOR

De voorwaarden in de BOOR zijn onderverdeeld in: 1. Voorwaarden op het niveau van de beheerdiscipline; 2. Voorwaarden op het niveau van het objecttype 3. Voorwaarden op het niveau van het inrichtingselement Binnen de beheerdiscipline ‘verhardingen’, is de gebiedsontsluitingsweg (buiten de bebouwde kom) een objecttype en de rijbaan van die weg een inrichtingselement. Voorbeelden van andere beheerdisciplines zijn wegen, groen, riolering en kunstwerken. Indeling BOOR De sortering van de voorwaarden in de BOOR vind plaats op het niveau van de beheerdisciplines en objecttypes. Voorbeeld: in Midden-Groningen is de beheerdiscipline ‘groen’ te onderscheiden in zes objecttypes: bomen, bosplantsoen, gras, hagen, beplanting en bermen. Voor de objecttypes wegen zijn aparte hoofdstukken binnen deze BOOR opgenomen, aangezien deze allen een specifieke eigenschap bezitten. Voor het centrumgebied geldt voornamelijk maatwerk. De inrichting is dermate specifiek, dat hier een apart hoofdstuk voor is opgenomen. Voor dit hoofdstuk geldt: de standaard is leidend, tenzij binnen dit hoofdstuk anders staat aangegeven.

Zo is de volgende indeling tot stand gekomen: 1) Wegen: Gebiedsontsluitingsweg, buiten de bebouwde kom; 80 km/uur 2) Wegen: Gebiedsontsluitingsweg, binnen de bebouwde kom; 70 km/uur 3) Wegen: Gebiedsontsluitingsweg, binnen de bebouwde kom; 50 km/uur 4) Wegen: Erftoegangsweg, buiten de bebouwde kom; 60 km/uur 5) Wegen: Erftoegangsweg, binnen de bebouwde kom; 30 km/uur 6) Parkverharding 7) Riolering 8) Groen 9) Water en oevers 10) Beschoeiingen 11) Civiele kunstwerken 12) Speeltoestellen 13) Ondergrondse containers 14) Openbare verlichting 15) Park en straatmeubilair 16) Bebording en belijning 17) Laadpalen elektrische voertuigen 18) Kabels en leidingen 19) Centrumgebied Voorwaarden op het niveau van het inrichtingselement: Per hoofdstuk (beheerdisciplines en/of objecttype) zijn steeds twee soorten voorwaarden opgenomen: 1. In de eerste tabel staan de verwijzingen naar gerelateerde documenten en de algemene eisen per beheerdiscipline weergegeven. Deze eisen hebben betrekking op alle objecttypen en inrichtingselementen binnen deze beheerdiscipline. 2. In de volgende tabel staan de specifieke voorwaarden omschreven die gesteld worden aan de te onderscheiden inrichtingselement. Bij een wegtype zijn dat bijvoorbeeld de rijbaan, fietspad en markering In de tweede tabel wordt tevens de hardheid (HH in tabel) van de voorwaarden/eisen benoemd.

Hierbij is een hiërarchisch onderscheid gemaakt in wettelijke eisen (landelijke normen), richtlijnen en aanbevelingen vanuit de gemeente. Voor de genoemde wettelijke eisen en normen en regels gelden de nieuwste versies, uitgaves en of wijzigingen.

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

6

W : Wettelijke bepaling: Van een bepaling of eis kan niet worden afgeweken. Er zal worden voldaan aan deze voorwaarde. R : Richtlijn:

Van een richtlijn kan ook niet worden afgeweken, tenzij de initiatiefnemer aan de Gemeente Midden-Groningen kan aantonen dat een voorgestelde oplossing gelijkwaardig of beter is en de gemeente hiermee instemt. Ook kan van een regel of richtlijn worden afgeweken als de gemeente beoordeelt dat de voorwaarde in een bepaald geval onmogelijk of onnodig is.

A : Aanbeveling:

Hiervan kan worden afgeweken. Afwijkingen in overleg met het bedrijfsbureau IBOR van de gemeente Midden-Groningen. De oplossing zal in een gelijkwaardige of hogere kwaliteit moeten resulteren.

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

7

3

Voorwaarden

3.1 3.2

Riolering Riolering Algemeen Verwijzing naar gerelateerde documenten

Voorwaarde  Voldoen aan de richtlijnen van de aangrenzende waterschappen en landelijke richtlijnen, o.a. voor waterberging en vuilemissie;  Handhaven van het afvalwaterbeleidsplan specificatie Midden-Groningen 2020-2024 of meest recente versie;  Het door de projectontwikkelaar/aannemer gemaakte riolerings- en drainageplan dient ter beoordeling en goedkeuring aan de afdeling IBOR (taakveld riool en waterbeheer) te worden voorgelegd;  De ten behoeve van het riolerings- en drainageplan gebruikte rekenmethodiek(en) dienen ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de afdeling IBOR (taakveld riool en waterbeheer);  Bij het riolerings- en drainageplan dient uitgegaan te worden van de door deze dienst verstrekte randvoorwaarden. Als tijdens het ontwerp blijkt dat er voor het plan onvoldoende randvoorwaarden zijn verstrekt, dan dienen door de projectontwikkelaar/aannemer opgestelde voorwaarden/uitgangspunten ook bij deze dienst ter goedkeuring te worden voorgelegd;

 Bij herinrichtingen met een aanleg van nieuwe regenwaterrioolleiding/afvoer naar een wadi of sloot/infiltreren in de bodem kan de kolk deksel uit in van 2 verschillende soorten zijn, zie bijlage 4 Algemene eisen

 Voor het type riool dient het gescheiden stelstel te worden toegepast.  Het zoveel mogelijk voorkomen van doodlopende strengen.  Lozen van hemelwater is afhankelijk van situering en locatie. E.e.a. dient vooraf afgestemd worden met team IBOR (taakveld riool en waterbeheer): - 1e voorkeur is regenwaterstelstel - 2e infiltreren (met overloop naar rwa) - 3e lozen in wadi (met overloop naar rwa) - 4e lozen op oppervlakte water  Houd rekening met onderhoudswerkzaamheden vanaf de weg door de afstand tussen bomen en de hoofdriolering minimaal 1/2 de kroondiameter (bij 30 jr) te nemen; geen bomen plaatsen nabij nieuwe of bestaande riolering. Als nieuw riool word aangelegd nabij bestaande boom met groeiplaats dan moeten er extra maatregelen worden getroffen om geen schade te krijgen aan de boom en/of riolering.  Een vuilwatergemaal dient minimaal 50 meter van de dichtstbijzijnde woning te worden geplaatst.  Ieder gemaal dient bereikbaar te zijn voor een reinigingsauto en vacuumauto, deze hebben een maximale aslast van 40 ton.  Het rioolstelsel dient afgestemd te worden op het stelsel van watergangen. Een gecombineerde kruising van rioleringen en duikers van watergangen is niet toelaatbaar;  Houd rekening met de eventueel reeds aanwezige rioleringen in het gebied.

Dit vanwege de huidige/ uit te breiden capaciteit;  Putten en hoofdleidingen dienen gesitueerd te worden op gemeente grond en niet op particulier terrein;

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

8

 Kleur riolering is afhankelijk van locatie. In bijlage 1 is een overzicht weergegeven van welke kleur riolering gehanteerd wordt.  In bijlage 2 worden de algemene eisen voor uitvoering, revisie en beheer riolering nader toegelicht.

Riolering Element Hoofdriool

Voorwaarde Technische eisen

Materialen

Uitstroomvoorziening

Persleiding

Technische eisen

Materialen

Gemalen

Technische eisen

Inrichtingseis  Plaats de rioleringen (HWA/DWA) in de as van de weg;  Tussen de leiding van schoon en vuilwater riool moet minimaal 1m1 ruimte zitten.  Ontwerp de riolering zodanig, dat zinkers in het DWA-stelsel niet voorkomen;  Maak de onderlinge afstand tussen kruisende rioolbuizen minimaal 0,15 m hoogte;  Maak de minimale diameter in de hoofdleiding DWA Ø 250 mm & HWA Ø 250 mm)  Bij het aansluiten van een betonriolering op een inspectieput d.m.v. een starre constructie (aansluiting d.m.v. aanstorten met beton) mag de lengte van de aansluitende buis niet groter te zijn dan 1,30 m;  Gebruik voor leidingen ≤ Ø 400 mm: (gerecyclede) PVC-buizen met vaste rubberring, klasse SN 8;  Gebruik voor leidingen > Ø 400 mm: betonbuizen mof/spie met lamelring/easylock of met geïntegreerde rubberring;  Kleur afhankelijk van locatie; zie bijlage 1.  HWA riolen die (op maximaal hoogste waterstand) onderwater lozen op oppervlaktewater moeten ter plaatse van de uitstroomvoorziening voorzien zijn van een (handbediende) afsluiter;  Eindtaludbeschermer toepassen, afhankelijk van locatie en diameter beton of kunststof. (in overleg met IBOR taakveld riool en waterbeheer) leverancier: kunststof de Haner.  Bij HWA riolen die bovenwater lozen, dient een uitstroomvoorziening te komen;  Zorg dat de minimum snelheid in de persleiding 0,70 m/sec. is en maximaal 1,50 m/sec.

 Zorg bij persleidingen dat een minimale dekking van 1 m en waar mogelijk een dekking van 1,20 m aangelegd wordt. incl. lint met tekst ‘Persleiding’ aanbrengen op 30cm boven de leiding.  Voer persleiding uit in HPE, drukklasse minimaal 0,6 Mpa, een en ander afhankelijk van opvoerhoogte pomp.  Plaats de relevante rioolgemalen in aansluiting op het rioleringssysteem (zie bijlage 3: riolering - standaard rioolgemalen).  Maatvoering wordt bepaald door de pompenleverancier. Uitgangspunt is een natte pompopstelling;

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

HH R R

R R R R

R R

R R

R

R R

R

R

R

9

Materialen

Putten

Technische eisen

Materialen

Kolken

Technische eisen

 Pompputten waarin H2S gas kan ontstaan, moeten worden voorzien van een coating/kunststofbeplating ten behoeve van het voorkomen van aantasting van het beton. Overige technische specificaties zijn afhankelijk van de functie van de pompput en dienen in overleg met het adviesbureau IBOR te worden bepaald.  Gebruik een pompput met betonnen geprefabriceerde elementen. Voorkeur uit 1 stuk met afdekplaat.  Gebruik een minigemaal van PE.  Putdeksels voorzien van open hijsgaten;  Maximale tussenafstand van de inspectieputten is maximaal 80 m;  De inspectieputten dienen toegankelijk te zijn voor inspectie- en reinigingswerkzaamheden;  Plaats inspectieputten met de minimale inwendige doorsnede van 800x800mm bij een puthoogte tot 2,50 m en op de gietijzerenrand het opschrift HWA of DWA;  Plaats inpectieputten met een minimale inwendige doorsnede van 1000x1000mm bij een puthoogte groter dan 2,50m;  Putten waar een persleiding in loost, dient bekleedt te worden tegen H2S;  De rand van een putrand en deksel dient op gelijke hoogte met de aanwezige verharding of maaiveld te worden gezet.

 Putten dienen op gemeentegrond te worden geplaatst en niet op particuliere grond;  Inspectie-putten van de (DWA) en (HWA) stelsels: dienen voorzien te worden van een stroomprofiel en gietijzerenrand met de opschriften HWA=“RW”(RegenWater) of DWA=“VW” (VuilWater);  Bij een overgang van persleiding en vrijvervalleiding dient een kunststof ontvangput van minimaal Ø 800 mm te worden aangebracht. De aansluitende riolering moet van PVC of met kunstof bekleed beton worden voorzien;  Plaats kolken of een vervangend systeem passend bij de watersysteembenadering  De kolken en ook het HWA dienen indien de mogelijkheden er zijn te worden afgekoppeld op natuurlijke watergangen/bergingen.  Plaats bij parkeervakken de kolken op kruising van de molgoot en scheiding tussen de parkeerplaatsen;  Situeer in de nabijheid van elk tangentpunt een kolk. Plaats de kolk 1 m uit tangentpunt van de bocht.  De maximale afstand tussen 2 kolken is afhankelijk van de aangesloten m² van de omliggende verharding. Bij wegen is dit 18m en bij pleinen max 125 m2 per kolk  Houd minimaal 1m afstand tussen kolken en

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

R

R

R R R R

R

R R R R

R

R R

R R R

R

10

Materialen

Huisaansluitingen

Woningen

Bedrijven/gestapelde woningbouw

Drainage (doorspuitbaar)

Technische eisen

snelheidsremmende drempels. Bij sterk verhang (b.v. in de wegverharding), Wierde waterlagen bij kolk met tegenschot aanbrengen om zo water naar de kolk af te laten wateren.  Beton - Nering Bögel  Afhankelijk van type band, type kolk in overleg met IBOR afdeling riolering  Stankscherm van kunststof clickklep, zie bijlage 5  Voor schoolpleinen: Straatkolk, Nyloplast 50L met vuilcollector en vergrendelbare straatkop  Het afval- en regenwater van woningen dient gescheiden te worden aangeboden (∅ 125mm);  Sluit elke woning afzonderlijk aan op het hoofdriool, om zo bij een verstopping de overlast te beperken;  Plaats een kunststof ontstoppingsstuk (met klemdeksel) maximaal één meter binnen de perceelgrens op het "eigen terrein", één voor DWA en één voor HWA.  DWA met pk315 put ophoogbaar met buis ∅ 315 mm en ca. 30 cm onder maaiveld afwerken  HWA onstoppingsstuk met draaideksel met eind kombikap t.b.v. toekomst bij niet direct aansluiten  Op plekken waar geen pk 315 geplaatst kan worden gebruik maken van een T stuk ∅ 125 en ophogen met PVC buis.  Bij een verstopping van een huisaansluiting dient de bewoner/huiseigenaar het ontstoppingsstuk zelf vrij te maken. Indien het ontstoppingsstuk vol water staat dient de gemeente de verstopping te verhelpen. Bij een droog ontstoppingsstuk is het aan de bewoner/huiseigenaar.  Kleur afhankelijk van locatie; zie bijlage 1.

 Eisen voor het al dan niet plaatsen van voorzieningen, welke voortvloeien uit de milieuwetgeving, worden van geval tot geval geformuleerd.  Sluit elk bedrijf en elk gestapelde woningbouwcomplex afzonderlijk aan.  Plaats, indien parkeervoorzieningen op eigen terrein gecreëerd worden, voor het regenwater een inspectieput inwendig 800x800mm voorzien van GYrand met opschrift “RW”.  Kleur afhankelijk van locatie; zie bijlage 1.  Voor de ontwatering van de bouwwegen in het cunet een drainagesysteem met een drain van minimaal 80mm aanbrengen dat wordt aangesloten op het HWA-stelsel (aansluitingen op de inspectieputten);  Laat woningblokdrainage direct lozen op het oppervlaktewater, of via een eigen stelsel lozen op het oppervlaktewater;  Breng aan weerszijden van het cunet van de weg in lengterichting drainage ∅ 80 mm aan, indien de afwatering niet geregeld is via kolken. Drainage direct

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

R R

R R R

R

R

R

R R

R R

R

R

11

Materialen

Bluswater

laten lozen op het oppervlaktewater of aansluiten op het drainagesysteem;  Plaats een drainput bij toepassing van drainage onder bebouwing, op één meter uit de gevel waar de drainage de bebouwing verlaat. Indien de drainageleiding langer als 35 m is, dient de leiding aan weerszijden van de bebouwing te worden voorzien van een drainageput. Drainageput(ten) dienen te worden aangesloten op het drainagestelsel of direct te lozen op het oppervlaktewater;  Breng in brede groenstroken en in de cunetten voor de fietspaden, parkeerplaatsen etc., zo nodig, drainage aan. Deze drainage direct laten lozen op het oppervlaktewater.  Duurzaam en richten op hergebruik;  Flexicbele drainagebuis wordt vervaardigd uit hard polyvinylcholorice (pvc) en moet voldoen aan KOMO en KIWA kwaliteitseisen volgens BRL 1401;  Drainagebuizen zijn geperforeerd en omhuld met kokosvezel;  Kleur buis is créme.

 Op aangeven van de gemeente (brandweer) dient één of meerdere bluswaterriolen te worden aangelegd en/of geboorde brandput(ten) bij industrieterreinen (zie bijlage 5 riolering - technische omschrijving brandput);  Een leiding van een bluswaterriool heeft een diameter van minimaal Ø400mm  Het tappunt voor de brandweer is een goed bereikbare inspectieput met gietijzeren rand met het opschrift “RW” (RegenWater) en op de deksel het opschrift “BRANDWEER”  De leiding van een bluswaterriool moet vorstvrij liggen en zodanig worden aangelegd dat voldoende water (minimaal 90 m3/uur) toestroomt;  Bluswatervoorzieningen en brandkranen mogen nooit in een parkeerplaats liggen en moeten altijd bereikbaar zijn.

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

R

R R R

R R W

W

W

W

W

12

4

BIJLAGEN

Bijlage 1:

Kleurkeuze riolering

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

13

Bijlage 2: Uitvoering

Uitvoering, revisie en beheer riolering Rioleringsplan - Rioleringsplan op schaal 1:1000 of 1:2000 te worden getekend; - Geef de begrenzing van het rioleringsgebied aan in het rioleringsplan; - De rioleringsplannen hebben betrekking op de gehele planlocatie. - Houd rekening met de eventueel reeds aanwezige rioleringen in het gebied. Dit vanwege de huidgige i.c.m. het uit te breiden capacitieit. - Geef de opzet van het nieuwe rioleringssysteem aan in het rioleringsplan incl. putnaam/leidingnaam, hoogtes maaiveld/bovenkant put en binnen onderkant buis/put (t.o.v. NAP), evenals de afmetingen/diameter, strenglengte en stroomrichting van de buis. - De inspectieputten dienen code nummers te krijgen die bij de gemeente Midden Groningen (afdeling IBOR taakveld Riool en water) bij de beheerder te worden opgevraagd. Deze unieke nummers moeten in alle documenten, inspecties en rapportages worden gebruikt. Dit geldt ook voor de leidingnamen; - Voor de naamgeving worden de initialen van de plaats met een 3 cijferige nummering aangehouden, als voorbeeld putnummer HO045 waarbij HO de initialen van de plaats Hoogezand zijn en 045 het putnummer (zie de onderstaande grafische weergave). Hierbij dient te worden opgemerkt om een nummer over te slaan tussen 2 putten, om een eventuele toekomstigeput er tussen te kunnen plaatsen, met de juiste nummering:

36m r400 HO04 5

483

38m r400 HO04 6

483

HO04 7

- Geef de toekomstige minimum weghoogten ten opzichte van N.A.P. aan; - Geef de overstort(en) weer met drempelbreedte en drempelhoogte ten opzichte van N.A.P; - Uit het rioleringsplan moet de samenhang met omliggende gebieden blijken; - De gemeente en het waterschap dienen het rioleringsplan vooruitvoering goed te keuren. Nieuwbouw en sloop woningen (belendingen) - De verplichtingen en voorwaarden die de gemeente stelt op hun rioolstelsel dienen te worden opgenomen in de vergunning van zowel sloop als nieuwbouw van woningen (belendingen). Onder meer de onderstaande punten kunnen als uitgangspunt worden beschouwd. - Bij het aansluiten van een nieuw te bouwen woning op het rioolstelsel, dient bij het bouwrijp maken van de kavels voor DWA (bruine/grijze buis)(afhankelijk van het gebied, zie bijlage 1, kleurkeuze riolering) & HWA grijze buis te worden toegepast incl. een ontstoppingsstuk. De aannemer dient deze na leggen in te meten en in Microstation of AutoCAD formaat aan te leveren. Evenals de aansluiting van iedere kavel in pdf. - Verplichting gemeente: dient bij het verstrekken van de bouwvergunning de locaties van de ontstoppingstukken en huisaansluitingen (revisie) mee te leveren. Het aansluiten van het riool dient de bewoner vervolgens zelf te verzorgen. De bewoner dient dit 2 weken van te voren te melden bij de gemeente.

De gemeente zal de aansluiting van de gerealiseerde woning controleren op de juiste

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

14

aansluitingen van DWA en HWA. Ook worden de onstoppingsstukken ingemeten t.o.v. de woning. De bewoner krijgt hier vervolgens een uitdraai van in pdf; - Bij het slopen van een woning of object dient de aannemer van te voren de ontstoppingstukken van de DWA & (HWA) op te graven en af te doppen. Dit om het inlopen van het rioolstelsel te voorkomen. - Verplichting gemeente: dient bij het verstrekken van de sloopvergunning de locaties van de ontstoppingstukken en huisaansluitingen (revisie) mee te leveren. - De Omgevingsdienst Groningen (ODG) dient hier er op toe te zien of er door de aannemer wordt voldaan aan de gestelde verplichtingen en voorwaarden omtrent het rioolstelsel. Berekening Rioleringsplan (uitgangspunten) - Ga uit van de eisen van Waterschap Hunze en Aa’s en de gemeente MiddenGroningen; - Bereken de vuilemissie en geef deze weer; - Gebruik voor afvalwater:  verhang tussen 1:300 en 1:500;  minimum afmeting DWA-riolen Ø 250 mm;  minimum gronddekking op de leidingen 1 m, waar mogelijk 1,20 m. - Gebruik voor hemelwater:  het verhard oppervlak zoals dat in het betreffende gebied zal worden aangelegd.

 maximum stijghoogte in de leidingen bij genoemde regenintensiteit 0,30 m  onder wegpeil;  minimum afmeting verzamelriolen Ø315 mm;  minimum (grond)dekking op de leidingen 1 m;  aansluitingen van de leidingen op de waterpartijen onder de waterspiegel voorzien van een afsluiter.  buizen met een uitstroombak of een voorziening in combinatie met een damwand. Oplevering/Revisie

- De projectontwikkelaar/aannemer dient revisie te maken van alle ondergrondse onderdelen als: riolering, duikers, putten, inlaten, erfscheidingsputten, persleidingen, drukriolering e.d. De projectontwikkelaar/aannemer zorgt voor digitale inmeting, in XYZ coordinaten, van alles; - De maatvoering van de revisie uitvoeren met een nauwkeurigheid van 25 mm in het horizontale vlak en 10 mm in het verticale vlak.door hem gelegde leidingen; - Riolering is geen onderdeel van de visuele rondgang; - De rioolinspectie ten behoeve van de overdracht moet worden aangeleverd aan de gemeente mag niet ouder zijn dan 30 dagen; - De gemeente Midden-Groningen verstrekt aan opdrachtnemer een standaard digitaal blanco revisieschets in Microstation of AutoCAD formaat. Hierop dient de opdrachtnemer digitaal de revisie (per streng) te verwerken. Van dit voorbeeld mag niet worden afgeweken zonder toestemming van de gegevens beheerder van de afdeling IBOR Riool en waterbeheer. De opdrachtnemer dient de volgens de onderstaande specificatie gemaakte revisiebladen zowel analoog als digitaal(pdf formaat) in te leveren: - Gebruik voor afvalwater:  revisie datum  leiding en putnamen

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

15

     

Reiniging en visuele rioolinspectie

diameter leiding afmeting putten hoogtes maaiveld/bovenkant put hoogtes binnen onderkant buis/put (t.o.v. NAP) strenglengte leiding stroomrichting leiding

- Voor de huisaansluitingen dient per woningen conform de bovenstaande voorwaarden een revisie te worden aangeleverd. Zowel digitaal Microstation of AutoCAD formaat en in pdf. Ook hierop dient de opdrachtnemer digitaal de revisie (per aansluiting) te verwerken; - Voor het maken van een revisie dient de tekenaar zich te houden aan de richtlijn: Informatiemodel Kabels en Leidingen (IMKL) vormt een gemeenschappelijke begrippenkader voor gegevensuitwisseling voor werkzaamheden aan Kabels en Leidingen. Het IMKL is gebaseerd op NEN3610 en daarmee onderdeel van de NEN3610 familie. Hiermee wordt een standaard gecreëerd voor de gehele gemeente. - Voor het uitvoeren van de visuele inspectie dienen de riolen vooraf schoon en droog te worden gemaakt. Indien nodig dienen afsluiters te worden aangebracht in de hoofdstreng. - Het voor de reiniging benodigde spoelwater kan op aanwijzing van de directie van oppervlaktewater worden betrokken. Het opgezogen rioolslib dient steekvast en voor rekening van de aannemer te worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Bij de reiniging dient de druk afgestemd te worden op de locale situatie zodat geen hinder voor aanwonenden ontstaat. - De rapportage dient te zijn opgesteld in het Standaard Uitwisselingsformaat voor Riool Inspectiebestanden en ook te worden aangeleverd op een externe hardeschijf in de vorm van een usb stick of gelijkwaardig.

Dit bestand dient foutloos en moet zonder foutmeldingen in te lezen zijn in de gemeentelijke beheersoftware (Obsurv/Rio GL). De inspectie dient te worden uitgevoerd conform de EN135082:2011 en de daarbij horende ‘Leidraad visueel inspecteren conform de EN135082’ (Stichting RIONED, publicatie 2019-01) - Classificatiesysteem bij visuele inspectie van objecten’ of de meest recente en de onderstaande specifieke eisen. - Bij het begin van elke streng moeten verkort in beeld zijn: opdrachtgever, betreffende wijk en straat in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, duidelijke omschrijving van de plaats van rioolinspectie, datum, beginput en eindput, buismateriaal, profiel, hoogte, breedte, nummer opslagschijf, beginstand teller in uren, minuten en seconden, afstand van beginput. - De gemaakte filmfragmenten dienen de naam te krijgen van de begin-en eindput code. Ook dient de omschrijving behorende bij de registratiebeelden en toestandsaspecten verkort in beeld te zijn. Indien een digitale foto wordt genomen, moet op de foto een fotonummer, zichtbaar toestandsaspect(en), unieke tellerstand en eventueel commentaar zichtbaar zijn.

Zowel bij de SUF-RIB-gegevens als de videobeelden dienen de tellerstanden dusdanig te worden vermeld waarbij zonder verdere aanpassingen een 1-1 koppeling van de RIBXgegevens met de bewegende beelden op schadeniveau middels en universele viewer mogelijk is (bv Infraviewer, Rioscoop). Tevens dient op de hardeschijf met de SUF-RIB-bestanden en filmbeelden een kostenloze viewer worden bijgeleverd die zonder installatie functioneert. De viewer dient een 1-1 koppeling te bezitten (klik en hebben) die bij

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

16

het aanklikken van het schadebeeld het betreffende filmbeeld laat zien. Ook hellingmeting moet zichtbaar zijn in deze viewer. - De kwaliteit van de weergave op de monitor in het rioolinspectievoertuig en de digitale opname moet dusdanig zijn dat alle mogelijke toestandsaspecten goed waarneembaar zijn (scherpe beeldkwaliteit, juiste kleur en goede belichting). Indien de kwaliteit van de weergave niet voldoende is, dienen de werkzaamheden te worden gestaakt en moeten, indien mogelijk, maatregelen worden getroffen om de omstandigheden te verbeteren (bijvoorbeeld ventilatie van het riool of het verhogen van de lichtintensiteit). Indien desondanks de beeldkwaliteit niet verbetert, moet de rioolinspectie in de betreffende streng(en) worden gestaakt. Dit moet direct aan de directie worden gemeld. - De beeldkwaliteit van de opnames van een dagproductie worden gecontroleerd aan de hand van (minimaal drie) willekeurig geselecteerde strengen. Deze strengen worden geacht representatief te zijn voor de gehele dagproductie. Als meer dan één van deze drie geïnspecteerde strengen niet voldoet aan de door ons gestelde eisen voor visuele inspectie wordt de gehele dagproductie afgekeurd en dient deze door de aannemer opnieuw geïnspecteerd worden. Indien het gehele werk minder dan 3 strengen omvat is dit per streng van toepassing. De hiervoor benodigde kosten zijn voor rekening van de aannemer.

- Het door de aannemer aan te leveren digitaal beeldmateriaal dient aan de volgende kwaliteitseisen te voldoen:  Medium: externe hardeschijf in de vorm van een usb stick of gelijkwaardig.  Resolutie: minimaal 352 x 288  Bitrate: minimaal 2.000 Kbps  Beeldopbouw (ook van opname): minimaal 25 fps  Opname zonder geluidsspoor - Elke opslagschijf dient een afspeelprogramma te bevatten om de videobeelden te kunnen afspelen. Het afspeelprogramma dient te werken onder Windows. Het afspeelprogramma dient de volgende opties te hebben:  Pauze van een videobeeld;  Afdruk van een videobeeld;  Opslaan van een videobeeld;  Lijst met geïnspecteerde strengen;  Lijst met geconstateerde schadebeelden per streng;  Filterselectie van schadebeelden op de lijst met geconstateerde schadebeelden;  Selectie van een videobeeld aan de hand van streng en schadebeeld;  Mogelijkheid om videobeelden full-size weer te geven. - De administratieve gegevens in het afspeelprogramma moeten conform de RIBXindeling worden opgeslagen en verwerkt. - Indien aangeleverde digitale videobeelden niet voldoen aan één of meerdere eisen, dient de aannemer (op eigen kosten) nieuwe digitale videobeelden aan te leveren (per dagproductie).

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

17

- De aannemer kan een verzoek indienen de afgekeurde digitale videobeelden op bruikbaarheid te controleren. Als de directie op grond van de beeldkwaliteit de bruikbaarheid van de afgekeurde dagproductie voldoende acht, worden de onderstaande kortingen toegepast op de afgekeurde dagproductie. De dagproductie hoeft dan niet opnieuw geïnspecteerd te worden:  Resolutie: 25% korting op dagproductie(s).  Bitrate: 25% korting op dagproductie(s).  Beeldopbouw: 25% korting op dagproductie(s). - Bij een opleveringsinspectie (bouwrijp en woonrijp) dienen alle toestandsaspecten in de te inspecteren riolen worden geclassificeerd, ook klassen 1. Hierbij kan de totale opleveringsinspectie worden afgekeurd en op kosten van de aannemer op aanwijzing van de directie door derden worden overgedaan als:  per streng één toestandsaspect wordt geconstateerd groter of gelijk aan klasse 2, welke in het geheel niet is gerapporteerd;  per streng één toestandsaspect groter of gelijk aan klasse 2 niet wordt geconstateerd, welke wel is gerapporteerd;  per streng één toestandsaspect wordt geconstateerd met een classificatie die één klasse hoger of lager ligt dan in het rapport is aangegeven. - Bij een voorinspectie of reguliere inspectie zal de dagproductie van de rioolinspectie wordt gecontroleerd aan de hand van een drietal willekeurig geselecteerde strengen.

Deze strengen worden geacht representatief te zijn voor de gehele dagproductie. Indien voor meer dan één van deze drie geïnspecteerde strengen één van onderstaande punten van toepassing is, wordt de gehele dagproductie afgekeurd:  per streng één toestandsaspect wordt geconstateerd groter of gelijk aan klasse 3, welke in het geheel niet is gerapporteerd;  per streng één toestandsaspect groter of gelijk aan klasse 3 niet wordt geconstateerd, welke wel is gerapporteerd;  per streng één toestandsaspect wordt geconstateerd met een classificatie die twee klassen hoger of lager ligt dan in het rapport is aangegeven;  per streng twee toestandsaspecten worden geconstateerd met een classificatie die één klasse hoger of lager ligt dan in het rapport is aangegeven. Dit geld ook voor geconstateerde toestandsaspecten klasse 2, welke niet gerapporteerd zijn. Indien het gehele werk minder dan 3 strengen omvat is bovenstaande per streng van toepassing. De afgekeurde dagproducties dienen opnieuw geïnspecteerd te worden. Ook dienen de geconstateerde afwijkingen in de eindrapportage te worden gecorrigeerd. Alle hiermee gepaard gaande kosten zijn voor rekening van de aannemer.

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

18

- De rapportage van de opleveringsinspectie wordt gecontroleerd aan de hand van minimaal drie willekeurig geselecteerde strengen. Deze strengen worden geacht representatief te zijn voor de gehele dagproductie. Indien voor meer dan één van deze drie geïnspecteerde strengen één van onderstaande punten van toepassing is, wordt de gehele dagproductie afgekeurd: 

 

Beheer/onderhoud

het aangeleverde SUF-RIB-bestand en de digitale foto’s en/of beelden zijn niet in te lezen in een standaard viewerprogramma zoals de Rioscoop (Moons) of Eye on Infra (MJO); de teksten op het beeldscherm en/of rapportage zijn foutief weergegeven; er is geen overzichtsfoto en/of foto van de toestandsaspecten groter of gelijk dan klasse 2 gemaakt

- Bij de inspectierapportage(s) dient (dienen) overzicht tekeningen bijgevoegd te zijn van de geïnspecteerde strengen met de putnummering zoals deze door de gemeente Midden Groningen (afdeling IBOR met taakveld riool en waterbeheer) is vastgesteld en verstrekt. De putnummering in de inspectierapportages, inspectie bestanden en overzichtstekeningen dient gelijk te zijn. - De eventueel geconstateerde afwijkingen in de eindrapportage dienen te worden gecorrigeerd incl. het opnieuw inspecteren van de gecorrigeerde streng (met dezelfde begin- en eindputten als in de eindrapportage). De hiermee gepaard gaande kosten zijn voor rekening van de aannemer. - Werkzaamheden aan het rioolstelsel in de gemeente Midden Groningen dienen vooraf met de rioolbeheerder te worden doorgenomen. De uit te voeren werkzaamheden dienen in het rioleringsplan te zijn omschreven. Zonder goedkeuring van het rioleringsplan mogen de werkzaamheden niet worden uitgevoerd. Dit is niet van kracht bij eventuele calamiteiten. - De nieuw te hanteren putnummering voor een uitbreiding van het stelsel dient i.o. met de beheerder te worden bepaald. Nummering uit eigen initiatief wordt niet aangeraden i.v.m. het ontstaan van een mogelijk dubbele nummering. - Voorafgaand aan een inspectie levert de beheerder een RibX-bestand met de te inspecteren strengen incl. de benodigde informatie.

Waaronder putnamen (begin en eind knooppunt), strenglengtes, diameter en locaties (straatnaam + plaats).

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

19

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

20

Bijlage 3:

Standaard rioolgemaal

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

21

Bijlage 4:

Soorten kolken behorend bij type band.

Type kolkdeksel wadi (voor afgekoppelde verharding – infiltratie) - straatkolk

- trottoirkolk

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

22

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

23

Bijlage 5:

Clickklep kunststof stankscherm

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

24

Bijlage 6:

Randvoorwaarden realisatie groen

Omschrijving verplanten bomen Algemeen Er zijn 2 verplantmethoden: 1. D.m.v. verplantmachine 2. D.m.v. Newman frame (toepassen indien door kabels en leidingen methode 1 niet kan) Bomen verplanten in plantseizoen. De kluitgrote is afhankelijk van de grote van de boom. Na verplanten De kroon 10-25% uitlichten, afhankelijk van de reductie van de kluit. Stam omwikkelen met jute, minimaal tot de onderste takken. Aanbrengen boomjuk en boombanden, bestaande uit 3 palen per boom, onderling verbonden d.m.v. half houten latten. Nazorg Het is van essentieel belang dat deze grote bomen minimaal 2 jaar na het verplanten uitstekend verzorgd worden. De nazorg bestaat uit de volgende werkzaamheden. Controle bovengronds  Uitlopen in het voorjaar  Bladontwikkeling in de zomer  Scheutontwikkeling  Vorming van nieuwe knoppen in de nazomer Controle ondergronds  

Vochtgehalte, op 10-15 cm moet de bodem altijd enigszins vochtig zijn. Luchthuishouding op 40-50 cm diepte moet het zuurstofgehalte altijd meer dan 15% zijn en er moet minder dan 5 % koolzuurgas aanwezig zijn. Bemesten Om de hergroei en ontwikkeling van de bomen te bevorderen moeten de bomen in de twee jaar nazorg 3 keer worden bemest met Kristalon opgelost in water. Per keer wordt 0,25 kg per 10 cm stamdoorsnede toegediend. Op peil houden vochtgehalte In droge perioden dient water worden gegeven. Een indicatie geeft de referentieverdamping van open water, de hoeveelheid neerslag en het vochtgehalte in de kluit. Veelal wordt 300-600 liter per boom per keer gegeven. In droge perioden is bij extreme omstandigheden (meer dan 25˚C) twee keer per week water geven normaal. Het water dient te worden toegediend in een bassin dat met een grondwal gemaakt wordt. Bijzondere maatregelen Bij natte omstandigheden en/of een laag zuurstofgehalte zijn soms extra maatregelen noodzakelijk ook een aanvullende grondbewerking en bemesting kan bij een slechte ontwikkeling helpen.

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

25

Verslaglegging Uitgangspunt is dat er 10 controles en 3 mestgiften, inclusief water geven in twee jaar plaatsvinden. Van deze controles dient schriftelijk verslag uit te worden gebracht aan de gemeente, bij normale groeiontwikkeling één keer per jaar. Na drie groeiseizoenen dient de verankering te worden verwijderd. Tevens dienen dan de grondwallen te worden geslecht en gespreid over de directe omgeving. De berm nadien inzaaien. Eisen bomenzand -

Bomenzand moet vrij zijn van overblijvende onkruiden en onrechtmatigheden zoal puin, hout, asfalt, plastics, ijzer, glas en dergelijke. De zuurgraad moet liggen tussen 4,8 en 7,5 Het % CaCO3 mag bij een zuurgraad 6 of lager maximaal 0,5 bedragen. Het chloride gehalte mag ten hoogste 350 mg/l substraat bedragen. De zoutbelasting (EC) bepaald met behulp van het geleidingsvermogen mag ten hoogste 1,5mS/cm bedragen. Het M-50 cijfer berekend over de zandfractie (tussen 50-2000um) dient te liggen tussen210 en 700 um. Het D60/10- cijfer moet bij een M50 cijfer van 210 tot 400 um, kleiner of gelijk zijn aan 2,5. Het D60/10 cijfer moet bij een M50 cijfer van 400 tot 700 um kleiner of gelijk zijn aan 3,0. De zandkorrels mogen niet rond zijn. Het organisch stofgehalte moet liggen tussen 3,5 en 5,0 gewichtsprocenten. Het lutumgehalte moet liggen tussen de 1 en 4 gewichtsprocenten. De som van het organsisch stofgehalte en het lutungehalte moet liggen tussen 55 EN 8%.

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

26

Bomenposter Stadswerk

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

27

Bijlage 7:

Verboden soorten

Geen Rosaceae familie planten in en rondom Meeden - soorten die niet toegepast mogen worden:                   

Acaena (geslacht Stekelnootje) Adenostoma Agrimonia (geslacht Agrimonie) Alchemilla (geslacht Vrouwenmantel) Amelanchier (geslacht Krentenboompje) Aronia (geslacht Appelbes) Crataegus (geslacht Meidoorn) Cotoneaster (geslacht Dwergmispel) Cydonia (geslacht Kweepeer) Fragaria (geslacht Aardbei) Geum (geslacht Nagelkruid) Malus (geslacht Appel) Potentilla (geslacht Ganzerik) Prunus (geslacht Prunus) Pyracantha (geslacht Vuurdoorn) Pyrus (geslacht Peer) Rosa (geslacht Roos) Rubus (geslacht Braam) Sorbus (geslacht Lijsterbes)

Op de volgende pagina staat het gebied weergegeven waar bovenstaande plantsoorten niet toegepast mogen worden.

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

28

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

29

Bijlage 8:

Houtsoortenkeuze beschoeiingen

Het gebruik van risicoklassen Bij de keuze van de houtsoort dienen een aantal stappen te worden doorlopen waarbij de risicoklasse, duurzaamheidklasse en voor kozijnen sinds kort ook de toepassingsklasse een rol spelen. Nadat een ontwerp is gemaakt, kan bepaald worden in welke risicoklasse het hout valt. Niet alleen de natuurlijke duurzaamheid van het hout zelf, maar ook de praktijkomstandigheden waaronder het hout verkeert en de mate van blootstelling aan vocht bepalen het risico van schimmelaantasting van het hout. Het risico van aantasting is met name sterk afhankelijk van factoren als vochtigheid, temperatuur en klimaatschommelingen. Daarom wordt onderscheid gemaakt in de volgende vijf risicoklassen (gedefinieerd in NEN-EN 335-1): Risicoklasse 1: Risicoklasse 2: Risicoklasse 3:

Risicoklasse 4: Risicoklasse 5:

Beschutte toepassing van hout, beschermd tegen weer en wind en niet blootgesteld aan vocht. Beschutte toepassing van hout, beschermd tegen weer en wind, maar met af en toe een hoge luchtvochtigheid die kan leiden tot blootstelling aan vocht. Onbeschutte toepassing van hout, zonder grondcontact. Het hout wordt of permanent blootgesteld aan weer en wind of is beschermd tegen weer en wind maar wordt regelmatig blootgesteld aan vocht. Toepassing van hout in contact met de grond of zoet water en daardoor permanent blootgesteld aan vocht. Toepassing van hout dat permanent in contact staat met zout water.

Door in het ontwerp rekening te houden met de wijze waarop het hout uiteindelijk in het gebouw wordt blootgesteld aan vocht en zonlicht kan al tijdens de ontwerpfase worden gestreefd naar een lagere risicoklasse. Deze detaillering kan zich bijvoorbeeld uiten in het gebruik van dakoverstekken, het voorkomen van het toepassen van donkere kleuren en het voorkomen van grondcontact. Tabel 1 Risicoklassen volgens NEN-EN 335-1 Risicoklasse Toepassing Vochtbelasting 1 Geen grondcontact, Permanent droog beschut en droog 2 Geen grondcontact, Incidentele beschut met geringe blootstelling aan kans op nat worden vocht 3 Geen grondcontact, Regelmatige onbeschut blootstelling aan (blootgesteld aan vocht weer en wind 4 In contact met zoet Permanente water of grond blootstelling aan vocht 5 In contact met zout Permanente water blootstelling aan zout water

Houtvochtgehalte Permanent < 20%

Voorbeelden Binnenshuis, balklagen, gordingen

Incidenteel, kortdurend > 20% *

Hellende daken, warm plat dak, hout-skelet-bouw

Regelmatig, kortdurend > 20% *

Geveltimmerwerk, koud plat dak

Permanent > 20%

(Schutting)palen, speelwerk-tuigen, beschoeiingen, damwanden

Permanent > 20%

Havenwerken, steigers, golfbrekers, kustverdediging

* met kortdurend wordt enkele dagen tot een week bedoeld

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

30

Duurzaamheidsklassen Nadat de risicoklasse is vastgesteld, dient te worden bepaald welke duurzaamheidsklasse het hout moet hebben onder de geldende risicoklasse. Er bestaan voor hout 5 duurzaamheidsklassen (tabel 2). Waarbij een houtsoort in klasse 1 zeer duurzaam is en een houtsoort die valt in klasse 5 niet duurzaam. Houtsoorten worden ingedeeld in een bepaalde duurzaamheidsklasse op basis van hun weerstand tegen schimmelaantasting. De duurzaamheidsklasse zegt dus niets over de gevoeligheid voor aantasting door insecten. De weerstand tegen schimmelaantasting wordt bepaald door de houtsoort onder vastgelegde testomstandigheden in contact te brengen met de grond en dan te registreren hoe lang het duurt voor het hout aangetast wordt door bodemschimmels. Het begrip duurzaamheid van een houtsoort is moeilijk in een getal uit te drukken, omdat het gaat om de weerstand tegen honderden soorten schimmels en bacteriën. De ene soort aantaster is wat agressiever voor een bepaalde houtsoort dan een andere soort. De schimmel- en bacteriesoorten komen daarnaast op specifieke plaatsen voor. Dit heeft tot gevolg dat een houtsoort als kozijnhout anders kan reageren dan als meerpaal, oeverbeschoeiing, heipaal of dakconstructie. Het is belangrijk op te merken dat de duurzaamheidsklasse van hout altijd slaat op het kernhout en niet op het spinthout.

Ook bij zeer duurzame houtsoorten is het spinthout, op enkele uitzonderingen na, meestal niet bestand tegen schimmels. Hout uit jonge bomen, zoals bij rondhoutpalen, bevat in het algemeen weinig of geen kernhout, maar bestaan voornamelijk uit nog niet verkernd spinthout (jong hout). Dergelijke rondhoutpalen zijn dan ook van nature niet duurzaam, ook al behoort de betreffende houtsoort tot bijvoorbeeld duurzaamheidsklasse 2 of 3. Tabel 2 geeft een overzicht van de duurzaamheidsklassen en per klasse een aantal houtsoorten die in deze klasse vallen. Tabel 2 Duurzaamheidsklasse voor de gangbare houtsoorten volgens EN 350-2 (bron: www.houtinfo.nl)

Klasse 1

Duurzaamheid Zeer duurzaam

1-2

Duurzaam tot zeer duurzaam Duurzaam

2

2-3 2-4 3 3-4 4

4-5 5

Gemiddeld duurzaam tot duurzaam Beperkt duurzaam tot duurzaam Gemiddeld duurzaam Beperkt duurzaam tot gemiddeld duurzaam Beperkt duurzaam

Niet duurzaam tot beperkt duurzaam Niet duurzaam

Loofhout afzelia, azobé (in watercontact), bilinga, demerara groenhart, jarrah, mansonia, moabi, okan, padoek, pau amarelo, teak, walaba afrormosia, iroko, kapur, merbau, robinia

Naaldhout

azobé, bangkirai, basralocus, bossé, bubinga, cedrela, Europees eiken, karri, kastanje, kempas, louro vermelho, mahonie, sepetir, wengé Amerikaans wit eiken, kosipo, purperhart, sipo, tola branca donkerrode meranti (dark red meranti)

taxus, western red cedar

cedrorana, danta, keruing, movingui, mutenye, niangon, noten, sapeli, tiama dibétou, krappa, lichtrode meranti (light red meranti), red balau Amerikaans rood eiken, avodiré, eyong, hickory, iepen, limba, mengkulang, okoumé

douglas fir, pitch pine

ogea abachi, abura, baboen, berken, Europees beuken, essen, elzen, esdoorn, haagbeuken, fuma, ilomba, koto, linden, populieren, ramin

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

agathis, grenen, lodgepole pine Amerikaans grenen, Carolina pine, dennen, hemlock, southern pine, vuren, weymouth parana pine, radiata pine, sitka spruce sugi

31

Bepalen van de geschiktheid Met behulp van de duurzaamheidsklasse is het nu mogelijk te bepalen welke houtsoorten geschikt zijn voor toepassing onder een bepaalde risicoklasse (tabel 3). Hierbij valt op dat houtsoorten uit hogere duurzaamheidsklassen (dus houtsoorten met een lagere duurzaamheid) toch geschikt kunnen zijn bij een hogere risicoklasse dan op basis van de gevoeligheid voor aantasting door schimmels verwacht zou worden. Dit wordt aan de ene kant veroorzaakt door het feit dat andere aspecten dan de aantasting door schimmels, zoals wateropname en scheurvorming, ook een belangrijke rol spelen. Een andere verklaring is het feit dat de test waarbij de duurzaamheid van de houtsoort wordt bepaald gebaseerd is op aantasting door schimmels bij bodemcontact. Als bodemcontact wordt vermeden kan een houtsoort uit een hogere duurzaamheidsklasse best geschikt zijn in een hoge risicoklasse. Bij kozijnen en ramen zijn bijvoorbeeld andere schimmels actief dan bij hout in grondcontact. De KVT ‘Kwaliteit van houten gevelelementen’ (Katern 31) geeft daarom twee toepassingsklassen: A: B:

Duurzaam voor toepassingen in houten gevelelementen. Het toegepaste hout wordt niet of nauwelijks door schimmels aangetast en is zonder verduurzaming geschikt voor gevelelementen. Duurzaam voor toepassing in geveltimmerwerk, mits verduurzaamd. Het hout is gevoelig voor schimmel aantasting, maar wordt door verduurzaming afdoende beschermd.

Voor de geschiktheid van hout voor een bepaalde toepassing is de duurzaamheidsklasse veel minder belangrijk, maar is deze sterk afhankelijk van dan de manier waarop het hout wordt toegepast en onderhouden. Tabel 3 Relatie tussen risicoklassen en duurzaamheidsklassen (NEN-EN 460) op twee verschillende manieren weergegeven.

Risicoklasse

Houtvochtgehalte

1 2 3 4 4 5

Permanent < 20% Incidenteel, kortdurend > 20% Regelmatig, kortdurend > 20% Permanent > 20% Permanent > 20% + grondcontact Permanent > 20% (zout water)

Risicoklasse 1 2 3 4 5

Duurzaamheidsklasse 1 2 O O O O O O O (O) O X

Gewenste levensduur 25 jaar I – II – III – IV – V I – II – III I – II – II tot III I – II I I

3 O O (O) (X) (X)

Gewenste levensduur 10 jaar I – II – III – IV – V I – II – III – IV I – II – III – IV I – II – III I – II – III I – II

4 O (O) (O)-(X) X X

5 O (O) (O)-(X) X X

O (O)

: natuurlijke duurzaamheid voldoende : natuurlijke duurzaamheid in principe voldoende, maar onder bepaalde omstandigheden is verduurzaming aan te bevelen (O)-(X) : natuurlijke duurzaamheid kan voldoende zijn, maar de houtsoortkeuze, de impregneerbaarheid en de toepassing bepalen de wenselijkheid van verduurzaming (X) : verduurzaming aanbevolen, maar voor bepaalde toepassingen kan de natuurlijke duurzaamheid voldoende zijn X : verduurzaming noodzakelijk

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

32

Bijlage 7:

Beleidsregels plaatsing elektrische laadpalen

Om te komen tot de plaatsing van een laadpaal zijn twee juridische stappen nodig. Ten eerste neemt de gemeente een verkeersbesluit om de parkeerplaats te ‘reserveren’. Ten tweede moet de aanvrager een vergunning APV aanvragen. Dit vindt ook in deze volgorde plaats. Op het moment dat het verkeersbesluit is gepubliceerd, kan ook de vergunning APV worden aangevraagd. Voor de aanvraag kan de aanbieder gebruik maken van het aanvraagformulier. Verkeersbesluit Wanneer de gemeente met de laadexploitant een locatie overeen is gekomen regelt de gemeente middels een verkeersbesluit het gebruik van de parkeerplaatsen rondom de laadvoorziening. In zo’n verkeersbesluit wijst het college de betreffende parkeerplaats(en) door middel van het plaatsen van de verkeersborden E4 of E8 met onderbord ‘alleen laden elektrische voertuigen’ aan voor het exclusieve gebruik voor het laden van elektrische auto’s. Vergunning APV Voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg is op grond van art. 2:10 A van de APV een vergunning nodig van het college van burgemeester en wethouders. Het plaatsen van laadpalen of andere laadinfrastructuur wordt niet geacht te vallen onder ‘het gebruik van een weg overeenkomstig de publieke functie van een weg’.

Wanneer een aanbieder van laadinfrastructuur bij de gemeente aanklopt voor het plaatsen van een laadpaal op of aan de weg in de buurt van zijn woning of bedrijf, dan is hiervoor dus een vergunning op grond van art. 2:10 APV nodig. Wanneer het verkeersbesluit onherroepelijk is geworden kan de laadpaal gerealiseerd worden. Gedurende de periode dat het verkeersbesluit ter inzage ligt kan de vergunning APV worden aangevraagd. Aansluiting electriciteitsnetwerk De aanvrager is verantwoordelijk voor de aanvraag van de benodigde vergunning om aan te sluiten op het electriciteitsnetwerk. Deze kan gelijktijdig worden ingediend met de aanvraag van de vergunning voor de plaatsing van de laadpaal. Opladen elektrische voertuigen vanuit woning of bedrijf Uitgangspunt is dat mensen of op eigen terrein hun auto opladen, of hiervoor gebruik maken van een openbaar oplaadpunt. In de praktijk komt het voor dat mensen die een elektrisch voertuig hebben deze vanuit hun woning of bedrijf opladen met een snoer dat over het trottoir (en andere delen van de openbare weg) wordt uitgerold. Dit kan tot gevaarlijke situaties leiden en is daarom niet toegestaan. Begripsbepalingen In de beleidsregels wordt verstaan onder: a. elektrische voertuigen: alle voertuigen die op de openbare weg mogen rijden, geheel of gedeeltelijk op elektriciteit kunnen rijden en voorzien zijn van een stekker om op te laden. b.

laadinfrastructuur: het geheel van oplaadpalen, aansluitingen op het elektriciteitsnet en andere voorzieningen in de openbare ruimte op of aan de weg bestemd voor het opladen van elektrische voertuigen. c. laadpaal: een oplaadobject in de vorm van een paal met tenminste één aansluiting en de mogelijkheid voor twee of meer aansluitingen voor het gelijktijdig opladen van elektrische voertuigen. d. aanvrager: de aanbieder van laadpalen en/of andere laadinfrastructuur. e. beheerder: de aanbieder van laadpalen is ook de beheerder van de palen. f. gebruiker: 1. een bedrijf en/of organisatie dat/die gevestigd is in de gemeente Midden-Groningen en eigenaar is van één of meerdere elektrische voertuigen 2. een particulier die eigenaar is van een elektrisch voertuig en woonachtig is in de gemeente Midden-Groningen g. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Groningen

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

33

Aanvraag Een aanvraag voor een ontheffing/vergunning voor het plaatsen van een of meerdere oplaadpalen en/of andere oplaadinfrastructuur op of aan de openbare weg en het verzoek tot het nemen van een verkeersbesluit waarbij een of meerdere parkeerplaatsen worden aangewezen voor het opladen van elektrische voertuigen kan alleen worden ingediend door de aanbieder van oplaadpalen en/of andere oplaadinfrastructuur. Aanvraag locatie oplaadpaal/-infrastructuur Een aanvraag voor een locatie voor het plaatsen van een oplaadpaal en/of andere oplaadinfrastructuur bevat een foto en tekening van de betreffende locatie, waarop de exacte plek van de gewenste oplaadpaal en/of infrastructuur en de aan te wijzen parkeerplaats(en) zijn aangegeven. Behoeftebepaling oplaadpaal De aanvrager toont aan dat er op de aangevraagde locatie daadwerkelijk behoefte bestaat bij gebruikers aan een laadpaal en-of andere laadinfrastructuur op of aan de openbare weg. Een oplaadpunt wordt op een centrale, strategische plek geplaatst. Dat zal vaak betekenen dat deze niet recht voor de deur van de gebruiker is gesitueerd. Er wordt rekening gehouden met de parkeerdrukte. De gemeente werkt alleen mee wanneer de gebruiker geen mogelijkheid heeft om op privé terrein te laden. Afwegingskader locatie Particuliere laadpunten dienen bij voorkeur op eigen terrein te worden gerealiseerd.

- Onder eigen terrein wordt verstaan: opritten, garages en parkeervoorzieningen in gebouwde complexen. - Als in het bestemmingsplan is opgenomen dat parkeerruimte op eigen terrein aanwezig is, wordt verwacht dat deze parkeerplaats voor het laden van het elektrisch vervoermiddel zal worden gebruikt. - Verzoeken tot het realiseren van parkeerruimte op eigen erf, en de bijbehorende in- en uitrit, worden behandeld in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning. Oplaadpunten in de openbare ruimte hebben een openbaar karakter - Elk laadpunt in de openbare ruimte is voor elk elektrisch vervoermiddel te gebruiken. - Aanvragers en gebruikers van laadpunten in de openbare ruimte hebben geen recht een parkeerplaats bij dit laadpunt te claimen. Locatiebepaling laadpunten openbare ruimte Het college bepaalt in overleg met de aanvrager de definitieve locatie van de oplaadpaal en de aan te wijzen parkeerplaats(en). Het college toetst hierbij aan de volgende criteria: 1. de behoefte aan een laadpaal moet blijken uit de behoefte van gebruikers die geadresseerd zijn binnen een straal hemelsbreed van 300 meter van de aangevraagde locatie; 2. is er reeds voldoende laadinfrastructuur in de openbare ruimte aanwezig binnen de genoemde straal van 300 meter; 3. is de ondergrond eigendom van de gemeente; 4. is de locatie voldoende vindbaar en zichtbaar; 5.

is het aannemelijk dat op de voorgestelde locatie de laadpaal door meerdere gebruikers zal worden gebruikt (hetgeen het openbaar karakter van de paal versterkt); 6. kan de laadpaal (op den duur) van twee gereserveerde parkeerplaatsen voor het laden van elektrische auto’s worden voorzien; 7. laat de parkeerdruk het toe (max 95% in woonwijken en 85% op parkeerterreinen) dat er parkeerplaatsen worden gereserveerd voor elektrische auto´s; 8. betreft het een bestaand parkeervak(ken); 9. blijft de doorgang voor ander verkeer gewaarborgd; 10. past de laadpaal in het straatbeeld (welstandseisen kunnen van invloed zijn op de locatie); 11. zijn er infrastructurele ontwikkelingen op de locatie gepland.

Gemeente Midden-Groningen; Basis Ontwerprichtlijnen Openbare Ruimte

34

Reserveren parkeerruimte In beginsel wordt er bij een nieuw te realiseren oplaadpaal één parkeerplaats aangewezen voor het opladen van elektrische voertuigen. Wanneer het gebruik van de laadpaal dit rechtvaardigt kan een tweede parkeerplaats bij een laadpaal voor het laden van elektrische auto’s worden gereserveerd. Bij plaatsing kan direct een tweede parkeerplaats gereserveerd worden wanneer duidelijk is dat twee of meer elektrische rijders woonachtig zijn in het invloedsgebied (straal van 300 meter) van de laadpaal en kan worden verwacht dat deze elektrische rijders beiden gebruik zullen maken van de betreffende laadvoorziening. Volgorde besluitvorming De ontheffing / vergunning voor het plaatsen van een oplaadpaal en/of andere oplaadinfrastructuur wordt eerst van kracht en kan dus pas worden gebruikt, nadat het verkeersbesluit tot aanwijzing van de benodigde parkeerplaats(en) onherroepelijk is geworden. Parkeerregulering Vanwege de laadduur van de huidige generatie elektrische voertuigen is de beperking van de toegestane parkeerduur bij een laadpaal door middel van een blauwe zone niet praktisch. Daardoor vervalt de parkeerduur voor elektrische vervoersmiddelen wanneer deze staan aangesloten aan een laadpunt.

Aanvragen voor laadpunten in gereguleerd gebied (blauwe zone, vergunningparkeren) worden alleen gehonoreerd als de aanvrager in het bezit is van een ontheffing of vergunning voor de betreffende reguleringsvorm. Wanneer een elektrisch vervoersmiddel op een daarvoor bestemde parkeerplaats staat te laden, vervalt de tijdsduurbeperking van de aanwezige blauwe zone. Plaatsing en beheer laadpaal/-infrastructuur De aanvrager van de ontheffing voor het plaatsen van een oplaadpaal en/of andere oplaadinfrastructuur is tevens de beheerder hiervan. De beheerder is verantwoordelijk voor realisatie, beheer, onderhoud en exploitatie van de oplaadpaal/-infrastructuur en neemt alle kosten hiervoor voor zijn rekening. De kosten ter bescherming van de oplaadpaal/-infrastructuur (hekjes, biggenruggen ed.) zijn ook voor rekening van de beheerder. Bereikbaarheid De beheerder van de oplaadpaal en/of andere oplaadinfrastructuur is 24 uur per dag en 7 dagen per week bereikbaar voor gebruikers, hulpdiensten en gemeenten in het geval van vragen, storingen en calamiteiten. De telefoonnummers van de storingsdienst en de helpdesk zijn vermeld op de oplaadpaal/-infrastructuur.

Openbaarheid laadinfrastructuur De laadpaal en/of andere laadinfrastructuur is 24 uur per dag en 7 dagen per week openbaar toegankelijk, in die zin dat deze voor iedereen te gebruiken is voor het opladen van zijn / haar elektrische voertuig. Interoperabiliteit Het laadpunt is inter-operabel conform de landelijke en internationale afspraken, waaronder de uitwisselbaarheid van laadpalen en het gebruik van standaard stekkers. Groene stroom Om te bewerkstelligen dat elektrische voertuigen ook aan de bron geen CO2-uitstoot veroorzaken, mag de beheerder van de laadpalen alleen gegarandeerd groene stroom (laten) leveren. Veiligheid De laadpaal en/of –infrastructuur voldoet aan alle daaraan gestelde (nationale en internationale) veiligheidseisen. Aansprakelijkheid De beheerder is aansprakelijk voor alle schade die door het gebruik van de oplaadpaal en/of andere oplaadinfrastructuur of anderszins aan derden wordt veroorzaakt. Gemeente Midden-Groningen is op geen enkele manier aansprakelijk voor eventuele schade die door de oplaadpaal en/of andere infrastructuur is veroorzaakt. De beheerder vrijwaart hiervoor de gemeente. De beheerder verzekert zich voor eventuele schade voor minimaal een bedrag van € 1.000.000,- per gebeurtenis.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12744130/1