CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

11. MER bijlagen met voorbladen totaal

Raadsvergadering 3 februari 2022, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling Bestemmingsplan Buitengebied30.248 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

datum 14-10-2021

projectnummer P000017

11

B Bes ch ou wi n g op h et en erg i el an d s ch ap Op verschillende beleidsniveaus – zowel internationaal, nationaal als regionaal – zijn er afspraken gemaakt op het gebied van duurzaamheid. De RES 1.0 Groningen is de energiestrategie van de Groninger gemeenten, de waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa’s en de provincie Groningen in samenwerking met verschillende stakeholders. De RES 1.0 is gebaseerd op bestaand beleid en vas tgestelde ambities. De afspraken vormen de uitgangspositie van de visie van gemeente MiddenGroningen op energie. Voorlopig is het gemeentelijk beleid gericht op de energiebehoefte van het eigen grondgebied. De gemeente Midden-Groninger heeft de visie en uitgangspunten met betrekking tot zonneparken uitgebreider geformuleerd in het vastgesteld beleid zonneparken MiddenGroningen. Het PlanMER Bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen biedt geen mogelijkheden voor de aanleg van zonneparken. Het bestemmingsplan biedt wel mogelijkheden voor kleinschalige duurzame energieopwekking. Het betreft energie die kleinschalig wordt opgewekt met natuurlijke bronnen zoals zon, wind en aardwarmte. Bijvoorbeeld kleinschalige windturbines of zonnepanelen voor eigen gebruik in grondopstelling, geen zonnepark zijnde, van maximaal 200 m² per bouwperceel waarbij niet meer dan 50% van het bouwperceel mag worden benut. Biomassa-installaties vallen hier niet onder.

Uit oogpunt van duurzaam ruimtegebruik heeft het benutten van daken van (bestaande g ebouwen) de voorkeur. De ruimte op daken is echter beperkt. Daarom is het nodig naast het plaatsen op daken, ook de mogelijkheden op de grond open te houden. Een andere mogelijkheid is daken van leegstaande kassen benutten voor zonnepanelen. Bij het plaatsen van zonnepanelen op daken van de glastuinbouw dient het aanbeveling om transparante zonnepanelen te plaatsen zodat de functie van de kas niet verloren gaat, zie figuur 7. Hierbij dient wel in acht genomen te worden dat er bedrijfsspecifieke variabelen invloed hebben op de haa lbaarheid in een specifiek geval. Hierbij moet gedacht worden aan: de oriëntatie van de kas, deksysteem en glasmaat, bereikbaarheid, specifieke lichtbehoefte, elektraprijs, elektra behoefte, besparing op stook- en/of koelkosten, subsidies en fiscale mogelijkheden, levensduur van de kas.

datum 14-10-2021

projectnummer P000017

12

Figuur 7 Foto transparante zonnecellen op een kas, bron: InnoAgro

Om verrommeling van het landschap te voorkomen wordt aanbevolen de zonnepanelen en windm olens altijd op zorgvuldige wijze te plaatsen. Voorzie in landschappelijke inpassing en een landschapspassende opstelling, zowel voor windturbines als zonnepanelen binnen het bouwvlak. De beleidsnotitie zonneparken Midden-Groningen biedt hiervoor handreikingen. In de kleinschalige besloten landschappen en bebouwingslinten is het energielandschap van menselijke maat en schaal. Tastbaar, kleinschalig, gecombineerd met andere landschappelijke elementen waardoor het meekleurt met de beleving van dit landschap. Maatwerk is hierbij gewenst om negati eve effecten op het landschap te voorkomen. In het grootschalige open landschap is de impact van het plaatsen van een zonnestellage op het bouwvlak beperkt doordat afstanden groter zijn. Een landschappelijke inpassing van opgaand groen zou een negatief effect kunnen hebben op de openheid van het landschap. Wanneer meer agrarische bedrijven zonnestellages of windturbines binnen hun bouwvlak realiseren treedt er door het cumul atieve effect verandering van het landschap op. Er ontstaat een energielandschap op het niveau van de agrarische kavels. De ontwikkelingen die voortkomen uit de RES 1.0 en vastgesteld beleid zonneparken zijn van gemeentelijk - provinciaalniveau.

Het dient aanbeveling voor deze twee verschillende ontwikkelstromingen een visie te vormen van één grootschalig energielandschap voor de grootschalige open landschappen, waarin de cohesie van verduurzaming agrariër en grootschalige energieopwekking op passende wijze wordt vormgegeven. Dit om de belangrijkste landschappelijke kwaliteiten openheid en grootschaligheid te waarborgen.

datum 14-10-2021

projectnummer P000017

13

3. Aanvullende notitie Stikstof

A an vu l l in g P lan M E R Bu i ten geb i ed M id d e n -G ro n in ge n o n d erd ee l st i k st o f

D EF IN I TI EF

A an vu l l in g P lan M E R Bu i ten geb i ed M id d e n -G ro n in ge n o n d erd ee l st i k st o f

D EF IN I TI EF

2 december 2021 Projectnummer P000017

Inhoudsopgave 1

2

3

Waarom een aanvulling op de milieueffectrapportage?

3

1.1

Uitwerking in aanvulling op het milieueffectrapport

3

1.2

Verhouding aanvulling milieueffectrapportage en bestaande milieueffectrapportage 3

Aanleiding bestemmingsplan Buitengebied en doelstellingen

4

2.1

Aanleiding

4

2.2

Doelstelling

4

2.2.1

4

Conserveren en ontwikkelen agrarische sector

Stikstof 3.1

3.2

3.3

3.4

2 december 2021

5 Referentie situatie

5

3.1.1

Huidige situatie

5

3.1.2

Autonome ontwikkelingen

8

Maximale mogelijkheden op uitbreiding van stikstof emitterende bronnen

9

3.2.1

Agrarische bedrijven

9

3.2.2

Mestopslag

11

3.2.3

Mestvergisting

11

3.2.4

Beweiden

12

3.2.5

Bemesten

12

3.2.6

Industrie

13

3.2.7

Verkeer

13

3.2.8

Overige bronnen

14

Effectbeschrijving

14

3.3.1

Natuur

14

3.3.2

Oppervlaktewater

15

Conclusie

16

1

Waarom een aanvulling op de milieueffectrapportage? Het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen heeft van 6 mei 2021 gedurende 6 weken als ontwerp ter inzage gelegen. Het plan is verder voor advies voorgelegd aan de commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: commissie). De commissie heeft een toetsingsadvies uitgebracht. In haar advies geeft zij aan dat het aspect stikstof in het MER onvolledig is beschreven. De commissie signaleert daarmee een risico op incomplete of suboptimale keuzes in het bestemmingsplan. Specifiek geeft de commissie aan een uitwerking te missen in het kader van de referentiesituatie, de maximale mogelijkheden voor uitbreiding die het bestemmingsplan biedt, de uitstoot van stikstof door agrarische bedrijven en de mogelijke effecten van meer productie van mest op het oppervlaktewater. Om complete en optimale keuzes in het bestemmingsplan te kunnen maken is in het kader van het aspect stikstof deze aanvulling opgesteld.

1.1

Uitwerking in aanvulling op het milieueffectrapport

In deze aanvulling worden een aantal specifieke onderwerpen in het kader van het aspect stikstofnader toegelicht. In grote lijnen gaat het hierbij om de referentiesituatie, de maximale mogelijkheden voor uitbreiding die het bestemmingsplan biedt, de uitstoot van stikstof door agrarische bedrijven en de mogelijke effecten van meer productie van mest op het oppervlaktewater.

1.2

Verhouding aanvulling milieueffectrapportage en bestaande milieueffectrapportage

Deze aanvulling op het milieueffectrapport is een zelfstandig leesbaar document. De aanvulling bevat een beknopte aanleiding voor het opstellen van een nieuw plan voor het buitengebied. Ook gaat de aanvulling kort in op de belangrijkste ambities en doelstellingen van de gemeente. Als laatste wordt zoals eerder benoemd stilgestaan bij de specifieke opmerkingen van de commissie op het aspect stikstof. De aanvulling is voor dit aspect een verduidelijking van het bestaande milieueffectrapport. De aanvulling vervangt het bestaande milieueffectrapport niet en moet altijd in samenhang met het bestaande rapport gelezen worden tenzij specifiek anders is aangegeven.

2 december 2021

3

2

Aanleiding bestemmingsplan Buitengebied en doelstellingen 2.1

Aanleiding

De gemeente Midden-Groningen wil een nieuw bestemmingsplan voor haar buitengebied vaststellen. Hiermee harmoniseert de nieuwe gemeente Midden-Groningen het ruimtelijk-planologisch kader voor haar buitengebied. De gemeente Midden-Groningen is een samenvoeging van drie ‘oude’ gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Slochteren en Menterwolde. De drie gemeenten hadden ieder een eigen bestemmingsplan voor het buitengebied binnen hun gemeente. De bestaande bestemmingsplannen voor het buitengebied van de drie voormalige gemeenten dateren uit verschillende jaren. Deze plannen zijn dus in verschillende perioden gemaakt, kennen een andere werkwijze en maken verschillende activiteiten (on)mogelijk. Ook is voor het buitengebied de Provinciale Omgevingsverordening (POV) herzien en is de landelijke wetgeving sterk in beweging op essentiële beleidsterreinen. Met het nieuwe bestemmingsplan wordt aangesloten op de nieuwe POV en is het buitengebied voorzien van een actuele regeling die aansluit op het actuele beleid.

2.2

Doelstelling

2.2.1 Conserveren en ontwikkelen agrarische sector In beginsel heeft het bestemmingsplan buitengebied een conserverend karakter om de verschillende bestemmingsplannen van de drie voormalige gemeenten te harmoniseren en actualiseren. Voor de agrarische sector betekent dit dat in delen van het plangebied meer mogelijk wordt gemaakt dan in de huidige situatie het geval is. Hierbij wordt aangesloten bij de ontwikkelingsmogelijkheden uit de provinciale Omgevingsverordening en het Rijksbeleid. De gemeente Midden-Groningen wil op deze manier voor sorteren op de nieuwe Omgevingswet door het principe ‘ja mits’ ter vervanging van ‘nee tenzij’ te hanteren.

2 december 2021

4

3

Stikstof 3.1

Referentie situatie

3.1.1 Huidige situatie Vergunde en operationele situatie agrarische bedrijven Om een volledig beeld te krijgen van de huidige situatie is een inventarisatie uitgevoerd op basis van vergunningen en meldingen zoals die zijn geregistreerd bij de gemeente. Dit betreft een interne gemeentelijke inventarisatie uit 2020. Uit deze inventarisatie is gebleken dat veel gegevens van de daadwerkelijke aantallen dieren niet volledig zijn. Indien wel gegevens voorhanden zijn blijkt vaak dat er minder dieren dan vergund in de stallen verblijven. Via deze weg is gebleken dat er een slecht beeld van de daadwerkelijke aantallen aanwezige dieren per bedrijf voor handen is. Voor dit onderzoek is dit echter geen probleem aangezien de agrariërs zonder extra natuurvergunning tot hun maximale vergunde situatie dieren kunnen houden. Dit blijkt uit de Provinciale beleidsregels intern en extern salderen. De natuurvergunning is dus bepalend voor de maximale ontwikkelingsmogelijkheden en is dus het uitgangspunt. De vergunde gegevens zijn waar nodig gecorrigeerd voor verouderde emissie factoren en zijn naast 1

de gegevens van het CBS gelegd om zo tot een referentiesituatie van de huidige planologische juridisch legale situatie te komen. Uit de analyse met de CBS gegevens blijkt dat over het algemeen de aantallen dieren opgegeven bij het CBS minder zijn dan de vergunde gegevens van de gemeente. Dit geldt voor de aantallen rundvee, paarden en pony’s, varkens, kippen en kalkoenen. Voor de aantallen dieren schapen en geiten zijn op basis van de CBS gegevens meer dieren aanwezig dan op basis van de vergunning en meldingen aanwezig zouden moeten zijn. Voor de berekening is echter uitgegaan van de vergunde situatie aangezien dit de juridisch legale situatie betreft. Hiernaast kan worden vermeld dat het niet om dusdanig aantallen gaat dat dit de uitkomsten van het onderzoek significant zullen beïnvloeden. In de onderstaande tabel zijn de aantallen vergunde dieren per veesoort in de gemeente MiddenGroningen weergegeven. De uitgebreide tabel met dierensoorten en stalsystemen is als bijlage 1 opgenomen.

1

Dit betreffen gegevens van de gehele gemeente en niet alleen het buitengebied.

2 december 2021

5

Tabel 1. Aantallen dieren per veesoort (bron: gemeente Midden-Groningen) Veesoort

Gegevens op basis van vergunde situatie gemeente

Rundvee

19.143

Schapen

950

Geiten

-

Paarden en pony’s

357

Varkens

11.137

Kippen

1.153.398

Kalkoenen

28.000

Naast de aantallen dieren is op basis van gegevens van het CBS gekeken naar het oppervlak en de aantallen agrarische bedrijven. In de huidige situatie betreft de oppervlakte van het totale grondgebruik 19.683 ha. In de onderstaande tabel zijn de verschillende aantallen agrarische bedrijven weergegeven. Tabel 2. Aantallen agrarische bedrijven (bron: CBS, d.d. 5-10-2021) Type agrarische bedrijven

Aantallen agrarische bedrijven

Akkerbouw

175

Tuinbouw open grond

33

Tuinbouw onder glas

15

Tuinbouw overig

1

Graasdieren

124

Hokdieren

27

De tuinbouwbedrijven binnen de gemeente Midden-Groningen zijn gelegen in het glastuinbouwgebied Sappemeer-Noord. Het oppervlak van deze bedrijven bedraagt volgens het CBS circa 38,8 ha. Stikstofdepositie vergunde en operationele situatie agrarische bedrijven Met het rekenmodel AERIUS is na de inventarisatie gekeken hoeveel stikstof emissie en depositie het huidig gebruik veroorzaakt. Per dier zijn de vergunde RAV-codes gebruikt. Voor de emissie van de glastuinbouwbedrijven is uitgegaan van 1.004 kg NOx/ha. Dit is gebaseerd op de factsheet Ruimtelijke plannen emissiefactoren (AERIUS, d.d. juli 2018). In de vergunde en operationele situatie emitteren de agrarische veehouderij bedrijven 247,78 ton NH3/jr. Voor de tuinbouwbedrijven geldt dat deze 38.955,2 kg NOx/jr emitteren. De gezamenlijke depositie van deze bedrijven bedraagt maximaal 15,16 mol N/ha/jaar (AERIUS-berekening, d.d. 26-102021). Kwaliteit oppervlaktewater Zoals reeds in het PlanMER is besproken zijn in de gemeente Midden-Groningen verschillende waterlichamen gelegen. Dit zijn voornamelijk kleine meren, zoals het Zuidlaardermeer, Foxholstermeer, Scharmerplas en Schildmeer. De meren en plassen staan in verbinding met elkaar door verschillende oude kreken en sloten. Daarnaast ligt de gemeente aan het Eemskanaal, het Winschoterdiep en het A.G. Wildervanckkanaal.

Samen met rechte sloten zorgen deze voor de afvoering van overtollig water. Door bewerking van de landbouwgronden, schaalvergroting en efficiënte waterhuishouding zijn in de

2 december 2021

6

loop der tijd veel van de oorspronkelijke kreken gekanaliseerd of droog gelegd. De verschillende waterlichamen zijn op basis van de Kaderrichlijn Water (KRW) van het waterschap Hunze en Aa’s ingedeeld. Een karakterschets en de kwaliteit van het oppervlaktewater is onderstaand per waterlichaam beknopt weergegeven. Deze nadere informatie is terug te vinden in de KRW factsheets. Schildmeer Het Schildmeer is een natuurlijk ontstaan, middelgroot, gebufferd zoet meer in zeekleigebied met een boezemfunctie. Het meer is landelijk gelegen bij de plaatsen Overschild en Steendam. Het meer staat via het afwateringskanaal van Duurswold in open verbinding met de Duurswoldboezem. Het meer heeft daardoor een boezembergingsfunctie. Het meer heeft door de verbinding met de boezem een beperkt natuurlijk peil. ’s Zomers is het peil 20 cm lager dan in de winter. Het meer wordt gevoed door regen, grondwater en/of instromend oppervlaktewater, waarbij in de winter uitgeslagen polderwater uit het zuidelijk deel van het stroomgebied en in de zomer wateraanvoer vanuit de Eemsboezem de belangrijkste zijn. De chemische en biologische kwaliteitsparameters zijn momenteel goed, alleen het aandeel stikstof is te hoog. Hierbij is het tevens onzeker of het aandeel stikstof tot 2027 kan worden verlaagd en of het KRW doel hiermee kan worden bereikt.

Zuidlaardermeer Het Zuidlaardermeer is een van nature ontstaan middelgroot, gebufferd, zoet meer in laagveengebied. Het meer is landelijk gelegen in het Hunze-stroomgebied en onderdeel van het grotere Natura 2000 gebied “Zuidlaardermeergebied”. Het Zuidlaardermeer is onderdeel van de Eemskanaalboezem en kent daardoor een tegennatuurlijk peil met beperkte fluctuaties. Het meer kent, naast de belangrijke ecologische functie, verschillende gebruiksfuncties: watersport en recreatieve scheepvaart en beroeps- en sportvisserij. Er is één zwemlocatie gelegen aan het Zuidlaardermeer: “Zuidlaardermeer, Meerwijck”. De chemische kwaliteitsparameters zijn momenteel zeer goed. De biologische kwaliteitsparameters zijn momenteel matig tot ontoereikend. De inschatting is wel dat in 2027 de KRW doelen kunnen worden gehaald. Eemskanaal/Winschoterdiep Dit waterlichaam strekt zich van de stad Groningen uit in oostelijke richting naar de plaatsen Delfzijl en Winschoten. Het waterlichaam omvat het Eemskanaal, dat in Groningen begint en uitmondt in de Waddenzee bij Delfzijl, het A.G. Wildervanckkanaal, en het Winschoterdiep, dat begint in Groningen en doorloopt tot Winschoten. Bij Winschoten splitst het kanaal zich in de Rensel, die Winschoten in loopt en een deel dat via de Pekel Aa en Westerwoldse Aa het water naar de Waddenzee voert. De kanalen hebben een belangrijke scheepvaartfunctie.

Het profiel van de kanalen is rechthoekig of trapeziumvormig. De oevers hebben een kunstmatige inrichting en bestaan grotendeels uit damwanden met abrupte overgangen van land naar water. De chemische kwaliteitsparameters zijn momenteel over het algemeen slecht. De biologische kwaliteitsparameters zijn momenteel goed.

2 december 2021

7

Kanalen Duurswold Het waterlichaam bestaat uit het afwateringskanaal van Duurswold, het Slochterdiep, de Scharmer Ae, de Woltersumer Ae en De Groeve en vormt samen met het Schildmeer het Boezemsysteem van het gebied Duurswold. Het gebied Duurswold ligt in het noorden van de provincie Groningen en ligt ingesloten tussen de steden Groningen en Hoogezand aan de zuidwestkant en Appingedam aan de noordoostkant. Het gebied Duurswold is van oorsprong een groot hoogveengebied. De kanalen in het gebied zijn aangelegd ten behoeve van de exploitatie van het veengebied (ontwatering en transport over water), die in de 17e eeuw startte. Het Slochterdiep werd in 1659 gegraven. De chemische kwaliteitsparameters zijn momenteel zeer goed. De biologische kwaliteitsparameters zijn momenteel matig tot slecht. De inschatting is wel dat voor een groot deel de KRW doelen in 2027 kunnen worden gehaald. Kanalen Hunze en Veenkoloniën Het waterlichaam Kanalen Hunze/Veenkoloniën omvat verscheidene kanalen. In het noordelijk deel van het waterlichaam bestaat uit het Kieldiep, Tripscompagniesterdiep, Muntendammerdiep, Oosterdiep (Veendam), Pekel Aa, en Pekelerhoofddiep. Het zuidelijk deel van het waterlichaam wordt gevormd door het Scholtenskanaal, Oosterdiep, Stadscompascuumkanaal, Kanaal Veendam Musselkanaal, Stadskanaal, Musselkanaal en het Ter Apelkanaal.

Het waterlichaam ligt met uitzondering van het Kieldiep in het gebied Veenkoloniën. Het gebied Veenkoloniën ligt tussen Winschoten en Hoogezand-Sappemeer aan de Noordzijde, Zuidlaren en Emmen aan de westzijde, Klazienaveen aan de zuidzijde en Blijham, Stadskanaal en Musselkanaal aan de oostzijde. De chemische kwaliteitsparameters zijn momenteel zeer goed. De biologische kwaliteitsparameters zijn momenteel matig tot goed. Wel is aangegeven dat tevens verontreinigende stoffen boven de aangegeven norm aanwezig zijn. 3.1.2 Autonome ontwikkelingen Ontwikkeling natuurgebieden afgelopen 5 jaar In de bestaande natuurgebieden wordt, op basis van de beheer- en ambitietypen, zoals die zijn vastgelegd in het provinciaal Natuurbeheerplan, een beheer gevoerd die recht doet aan de wezenlijke kenmerken en waarden. Voor veel zeldzame soorten in Nederland is echter sprake van een aanhoudende teruggang. Met name soorten die hoge eisen stellen aan de kwaliteit van het leefgebied en soorten die kenmerkend zijn voor het agrarisch landschap nemen in veel gevallen nog steeds sterk af. Deze negatieve trend valt onder meer te verklaren doordat milieucondities onvoldoende verbeteren. Door aanhoudende verdroging, vermesting, verzuring en een gebrek aan ruimtelijke samenhang blijft sprake van een ‘vervlakking’ van de biodiversiteit.

Er mag van worden uitgegaan dat de gebieds- en soortenbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb), behoud en ontwikkeling van het Nationaal Natuur Netwerk (NNN, opvolger van de EHS) en andere ruimtelijke beschermingsregimes een belangrijke bijdrage leveren aan het remmen van de achteruitgang van biodiversiteit. Dat er desondanks toch nog steeds sprake is van een vervlakking van de biodiversiteit hangt, zoals hiervoor omschreven, dus vooral samen met een onvoldoende verbetering van duurzame milieucondities. Hoewel de milieucondities de laatste decennia wel verbeterd zijn, is momenteel sprake van een afvlakking van de snelheid van verbetering.

2 december 2021

8

Op afzienbare termijn zullen daardoor de gestelde doelen voor duurzame milieucondities voor behoud van biodiversiteit nog niet gehaald worden. Ontwikkelingen agrarische sector In het landelijk gebied wijzigt het gebruik van gebouwen en gronden, mede als gevolg van veranderingen in de landbouw. Het aantal agrarische bedrijven neemt al jaren af. Deels komt dat doordat het steeds lastiger is voldoende inkomsten uit de agrarische activiteiten te halen en er steeds strengere eisen worden gesteld aan agrarische bedrijven. Aan de andere kant groeien de zittende agrarische bedrijven of ontplooien de bedrijven nevenactiviteiten. Door deze ontwikkelingen is het mogelijk meer ruimte te creëren voor natuurlijk beheer van gronden en het omvormen van agrarische naar natuurfuncties. Tot dusver levert, landelijk gezien, deze ontwikkeling nog onvoldoende tegenwicht voor de processen van intensivering en schaalvergroting in de landbouw. Op basis van CBS cijfers is te zien dat deze trend ook geldt voor de gemeente Midden-Groningen. Het aantal landbouwbedrijven neemt de afgelopen 3 jaar gestaag af. Hierbij is op te merken dat aantal bedrijven met hokdieren grofweg gelijk is gebleven en het aantal bedrijven tuinbouw onder glas ligt is toegenomen. Kwaliteit oppervlaktewater In het beleid wordt er naar gestreefd om de kwaliteit van het aquatisch milieu te verbeteren.

Hiertoe dienen de stikstof- en fosfaatgehaltes in het water beperkt te zijn. Een grote bron van stikstof en fosfaat in het water is het uitspoelen van nutriënten van landbouwpercelen naar het oppervlaktewater. Om het aquatisch milieu te beschermen, dient de uitspoeling van nutriënten zoveel mogelijk te worden beperkt. Het beperken van bemesting van percelen leidt uiteindelijk tot een verminderde uitspoeling van nutriënten. De landelijke mestaanpak zal op termijn een verdere verbetering van de nutriëntengehalten laten zien. De trend over de afgelopen decennia voor fosfaat en stikstof in de gemeente is over het algemeen gunstig. Als gevolg van het generiek beleid mag worden verwacht dat de kwaliteit van het oppervlaktewater de komende jaren verder langzaam verbetert. Dat geldt ook voor het grondwater, hoewel verontreinigingen (met name fosfaat) daar nog langer merkbaar zullen zijn. Maatregelen waaraan momenteel gedacht zou moeten worden om de goede toestand voor specifieke chemische stoffen te realiseren, worden als disproportioneel kostbaar beschouwd, mede vanwege twijfels aan de effectiviteit ervan. Er zijn geen andere, minder kostbare of effectievere maatregelen beschikbaar.

3.2

Maximale mogelijkheden op uitbreiding van stikstof emitterende bronnen

3.2.1 Agrarische bedrijven Binnen het bestemmingsplan worden geen nieuwe agrarische bouwpercelen mogelijk gemaakt. Een standaard bouwvlak wordt 1 ha, tenzij bestaand groter is. Middels een binnenplanse afwijking is vergroting in een deel van het plangebied naar 1,5 ha mogelijk. Bedrijven met een bouwvlak groter

2 december 2021

9

dan 1 ha kunnen via een wijzigingsbevoegdheid onder voorwaarden in bepaalde gebieden vergroten naar 2 ha. Bestaande (glas)tuinbouwbedrijven mogen uitbreiden binnen reeds bestemde maar onbebouwde ontwikkelruimte tot een maximum van 50% ten opzichte van de totale bestaande oppervlakte van bedrijfsbebouwing zoals aanwezig op 17 juni 2009. De ontwikkelruimte in het tuinbouwgebied Sappemeer-Noord is verkleind ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. Het meest oostelijke deel binnen dit gebied is gewijzigd in een agrarische bestemming (zonder bouwvlak). Nieuwvestiging van (glas)tuinbouwbedrijven is niet toegestaan. Intensieve veehouderijen kunnen alleen in stalruimte uitbreiden als dat noodzakelijk is voor het welzijn van de dieren en het vergunde aantal dieren niet toeneemt. Nieuwvestiging is binnen het bestemmingsplan niet toegestaan. Binnen het bestemmingsplan bestaat de mogelijkheid om onder voorwaarden te wijzigen in het te houden diersoort. Het omzetten van het soort dier kan aanzienlijke gevolgen hebben voor de emissies van geur, fijnstof en ammoniak. Ook kan het wijzigen een aanzienlijk effecten hebben op gezondheidsaspecten van gevoelige objecten. Een onderzoek naar de effecten van het omzetten van bedrijvigheid is erg locatie en bedrijfsmatig specifiek.

Een onderzoek naar de effecten van een omschakeling in de volle breedte is in het kader van een planMER niet goed uitvoerbaar. Omschakeling van bedrijvigheid vraagt in ieder geval altijd om maatwerk voor wat betreft de aan te vragen vergunning. Op deze manier zal er per locatie moeten worden gekeken wat in het kader van de verschillende milieuaspecten mogelijk is. Naast de maximale uitbreiding is er naar aanleiding van de stikstofproblematiek in Nederland ook meteen voor gekozen om een meest realistische mogelijkheid op basis van de Best Beschikbare Techniek (BBT) inzichtelijk te krijgen. Bij deze afweging voor BBT is gekeken naar dierenwelzijn en de relatie tussen het aantal dieren en de verschillende stalsystemen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de keuze voornamelijk gebaseerd is op grootste daling in het kader van stikstof. Het kan zijn dat deze toename door bijvoorbeeld het aspect geur of fijnstof al beperkt wordt. Onderstaand is per diercategorie een nadere beschrijving gegeven over de keuze voor BBT. Rundvee Voor de diercategorie melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar (A1) is er voor gekozen om geen chemische luchtwasser of grupstal toe te passen aangezien dit niet gebruikelijk is in de sector. Derhalve is er gekozen voor het hierna meest gunstigste stalsysteem als er wordt gekeken naar ammoniak emissie. Dit stalsysteem betreft A1.9.

Het vrouwelijk jongvee en zoogkoeien behouden hetzelfde stalsysteem. Dit geldt tevens voor de vleesstieren, overig vleesvee en de fokstieren. Voor bedrijf nummer 13 is hiervan afgeweken aangezien dit bedrijf reeds een proef grupstal heeft en het aannemelijk is dat deze in de toekomst zijn andere stallen ook om gaat zetten. Voor bedrijf nummer 13 is tevens afgeweken van de uitgangspunten aangezien dit bedrijf is gespecialiseerd in vleeskalveren en reeds een chemische luchtwasser heeft. Voor dit bedrijf is uitgegaan van het stalsysteem A4.1.

2 december 2021

10

Schapen Voor schapen is slechts één stalsysteem beschikbaar. Dit stalsysteem is dan ook gehandhaafd. Varkens Voor de verschillende diercategorieën varkens is over het algemeen uitgegaan van een stalsysteem met een chemische luchtwasser aangezien deze de grootste daling in het kader van stikstof teweegbrengt. Bij kleine aantallen dieren is er voor gekozen om geen wijziging van stalsysteem toe te passen aangezien dit uit bedrijfsoogpunt niet haalbaar is. Voor de specifiek gekozen stalsystemen wordt verwezen naar de inventarisatie. Paarden Voor de verschillende diercategorieën paarden is per categorie slechts één huisvestingssysteem beschikbaar. Deze huisvestingssystemen zijn dan ook gehandhaafd. Kippen Voor de verschillende diercategorieën kippen is over het algemeen uitgegaan van een stalsysteem met een chemische luchtwasser aangezien deze de grootste daling in het kader van stikstof teweegbrengt. Hierbij zijn de stalsystemen met een legbatterij niet opgenomen aangezien deze stalsystemen uit het oogpunt van dierenwelzijn niet wenselijk zijn. Daar waar kleine aantallen kippen gehouden worden is het stalsysteem niet aangepast omdat het niet waarschijnlijk is dat dit uit bedrijfsoogpunt haalbaar is. Dit geldt ook wanneer in de huidige situatie een legbatterij gebruikt wordt. Voor de specifiek gekozen stalsystemen wordt verwezen naar de inventarisatie.

Kalkoenen Voor de diercategorie kalkoenen is uitgegaan van een stalsysteem met een chemische luchtwasser aangezien deze de grootste daling in het kader van stikstof teweegbrengt. 3.2.2 Mestopslag Het bestemmingsplan maakt onder voorwaarden het opslaan van mest binnen en buiten het agrarisch bouwvlak mogelijk. Binnen de scope van dit onderzoek is er voor gekozen om het opslaan van mest niet mee te nemen. Dit aangezien de emissie van mestopslag per soort mest en per dier sterk verschilt (Emissies uit opslag van vaste mest, d.d. augustus 2007). Ook bestaan er dichte mestopslag systemen waardoor er geen emissie plaatsvindt. Omdat op het abstractieniveau van dit onderzoek geen goede uitspraak kan worden gedaan op dit onderdeel is het dan ook niet meegenomen in de berekening. Wel kan gesteld worden dat naar alle waarschijnlijkheid door het mogelijk maken van deze activiteit extra emissies plaats zullen vinden. In de algemene beschouwing op mogelijke negatieve effecten is dit onderdeel dan ook wel beschouwd. 3.2.3 Mestvergisting Het bestemmingsplan maakt onder voorwaarde mestvergisting mogelijk. Hierbij is het relevant dat het bedrijf hoofdzakelijk met eigen geproduceerde mest werkt, de capaciteit ten hoogste 65 ton per

2 december 2021

11

dag bedraagt en de afwijking voor ten hoogste 10 bedrijven in het buitengebied van MiddenGroningen is toegestaan. Uit onderzoek van de WUR (mestvergisting als onderdeel van duurzame kringloop, d.d. juli 2020) blijkt dat wanneer de mest van rundvee en varkens snel uit de stal wordt afgevoerd (om naar een vergister gepompt te worden) de emissie van NH3 sterk afneemt. Aangezien op basis van de regels uit het bestemmingsplan voornamelijk gebruik dient te worden gemaakt van eigen geproduceerde mest kan worden gesteld dat een vergister in het kader van de emissie van NH3 een reducerend effect heeft. Aangezien een mestvergister geen negatief effect heeft in het kader van stikstof emissie is dit onderdeel niet meegenomen in de verdere berekeningen. Het mogelijk positieve effect is tevens niet meegenomen aangezien op het abstractieniveau van het PlanMER niet goed inzichtelijk is te krijgen wat dit effect specifiek inhoudt. 3.2.4 Beweiden Sinds de uitspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de Afdeling) op 29 mei 2019 is het beweiden van vee niet meer vrijgesteld van de vergunningplicht op grond van de Wnb. De emissie behoort derhalve nu ook tot de mogelijke effecten die op kunnen treden vanuit een agrarisch buitengebied. Beweiden is daarom nu ook formeel onderdeel van de vergunning voor de stalemissies.

In de inventarisatie is in alle gevallen uitgegaan van de emissies die horen bij het 100 % op stal houden van het rundvee. In de WUR publicatie PASsend beweiden (d.d. oktober 2016) is vastgesteld dat, als alle melk- en kalfkoeien minimaal 720 uur per kalenderjaar geweid worden, er sprake is van een ammoniakemissiereductie van 5 %. In de inventarisatie is geen differentiatie aangebracht voor het wel/niet beweiden van rundvee, maar is uitgegaan van de worst case: geen weidegang. Zowel bij de referentiesituatie, als bij de berekening voor de maximale mogelijkheden, is uitgegaan van geen weidegang. De absolute gebiedsemissie is daarom in beide gevallen een overschatting van de werkelijke situatie waarin het rundvee wel een deel van de tijd in het weiland staat. Het effect van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan op de depositie is vervolgens bepaald door beide situaties met elkaar te vergelijken. Als de differentiatie voor beweiding wel aangebracht zou zijn, dan zou dat geen gevolgen hebben gehad voor de resultaten van het onderzoek zoals die in deze aanvulling op het planMER zijn gepresenteerd. De maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan betekenen immers altijd een behoorlijke toename van stikstof ten opzichte van de referentie situatie ook al zouden beide gecorrigeerd worden voor beweiding.

Daar komt bij dat het bestemmingsplan er niet op is gericht om het areaal dat gebruikt wordt voor agrarisch gebruik, dan wel (meer specifiek) voor beweiding, te beïnvloeden. 3.2.5 Bemesten Sinds de uitspraak van de Afdeling op 29 mei 2019 geldt tevens dat het bemesten van gronden niet meer vrijgesteld is van de vergunningplicht op grond van de Wnb. In een eerdere uitspraak (ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260) stelt de afdeling dat het bemesten van gronden niet onlosmakelijk samenhangt met de exploitatie, oprichting en uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Het uitrijden van

2 december 2021

12

mest is namelijk niet noodzakelijk voor de afvoer van mest van een agrarisch bedrijf, omdat er alternatieven zijn zoals de verwerking ervan op een andere locatie dan de gronden van het bedrijf. Ook geldt dat het areaal aan landbouwgrond in het plangebied niet toeneemt ten opzichte van het vorige bestemmingsplan en is geen sprake van een feitelijke toename van landbouwgrond. Het uitrijden van mest is op zich zelf wel een vergunningplichtige activiteit maar staat dus los van het in gebruik hebben van dierenverblijfplaatsen in het buitengebied, waar de inventarisatie over gaat. Overigens geldt dat het toepassen van moderne mest injectie technieken de ammoniakverliezen aan de atmosfeer voor bouwland heeft teruggebracht van 74 % naar 2 % (Emissies naar de lucht uit de landbouw in 2017, d.d. augustus 2019). Dat betekent als het effect van bemesten wel zou zijn onderzocht, dan zou dat slechts marginale gevolgen hebben gehad voor de resultaten van het onderzoek zoals die in het planMER zijn gepresenteerd, los van het feit dat een effect van bemesten zich niet goed met planregels laat ondervangen. 3.2.6 Industrie Het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen maakt geen grote nieuwe ontwikkelingen in de industrie sector mogelijk. Hooguit kunnen bestaande activiteiten worden omgezet naar bedrijven met de milieucategorie 1 en 2 op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering.

Aangezien deze bedrijven een zeer beperkte afstand in het kader van milieu hinder hebben, kan worden geconcludeerd dat deze ontwikkelingen geen significant effect op het onderzoek zullen hebben. Tevens wordt verwacht dat de verkeersaantrekkende werking van dergelijke activiteiten gering is. 3.2.7 Verkeer Het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen maakt in de agrarische sector, de sector wonen en werken, de sector recreatie en toerisme, de sector landschap, natuur en duurzaamheid (inclusief cultureel erfgoed) en de sector duurzaamheid en energietransitie verschillende ontwikkelingen mogelijk. Deze ontwikkelingen hebben over het algemeen een aantrekkende werking wat betreft verkeer. In de TNO Factsheet (EMISSIES EN DEPOSITIE VAN STIKSTOF IN NEDERLAND, d.d. oktober 2019) over de emissies en depositie van stikstof in Nederland wordt kort samengevat welke bronnen in welke mate bijdragen aan de depositie in Nederland. Uit het onderzoek blijkt dat het Nederlands wegverkeer slechts 6% bijdraagt aan de totale stikstof depositie. In verhouding tot de landbouw (45%) is dit erg weinig. In het onderzoek is ook een onderscheid per regio aangegeven. Voor de provincie Groningen geldt dat het wegverkeer 1kg stikstofdepositie per ha veroorzaakt. Ten opzichte van de landbouwsector (11 kg/ha) is deze bijdrage dus erg klein.

De vraag blijft staan tot op welke hoogte de ontwikkelingsmogelijkheden van het plan leiden tot de groei van het wegverkeer. Opgemerkt wordt dat de ontwikkeling van de melkveehouderij zich vooral kenmerkt door een steeds verdergaande schaalvergroting. De schaalgrootte van de bedrijven neemt toe. Het lijkt daarom aannemelijk dat de aard van de verkeersaantrekkende werking ook gekenmerkt wordt door een steeds toenemende schaalgrote: de emissie per Groot Vee Eenheid (GVE) neemt dan af. Daarnaast geldt dat het in de lijn der verwachting ligt dat de omvang van de varkenshouderij,

2 december 2021

13

conform het landelijke beeld van de recent opengestelde ‘warme sanering’ met 7 - 10 % af zal nemen. Ook dit zal per saldo zorgen voor minder verkeer. Los van het feit dat het aannemelijk is dat de verkeersgeneratie voor bepaalde ontwikkelingen zeer licht zal toenemen, is de te verwachte bijdrage vanuit het verkeer van een dusdanige orde grootte dat deze weg zou vallen in de onzekerheidsmarge van de te gebruiken modellen. Het toevoegen van deze stikstofbron aan de AERIUS-berekening zal de nauwkeurigheid van de modellering niet aanwijsvaar vergroten. 3.2.8 Overige bronnen Voor de overige bronnen waaronder cultuur, ontspanning en sport maakt het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk.

3.3

Effectbeschrijving

3.3.1 Natuur Stikstofdepositie bij maximale invulling bestemmingsplan In hoofdstuk 3.2 zijn de maximale mogelijkheden in het kader van extra stikstofomissie van het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen weergegeven. Op basis van dit hoofdstuk kan worden gesteld dat de maximale uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven, het wijzigen van agrarische bedrijven en het opslaan van mest extra stikstofemissie met zich mee zullen brengen. Aangezien in de AERIUS-berekening (opgenomen als bijlage 2) van de huidige situatie reeds is aangegeven dat de kritische depositie waarde voor een groot aantal habitattypen in de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden al overschreden wordt, kan worden geconcludeerd dat de toename van stikstofdepositie niet wenselijk is en als sterk negatief beoordeeld dient te worden. Effect bij stikstofregeling in het bestemmingsplan Omdat er bij de maximale invulling van het bestemmingsplan sprake is van een significant negatief effect op de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden is in het bestemmingsplan een stikstof regeling opgenomen. Binnen het voornemen is alleen ruimte voor ontwikkelingen waarbij geen extra stikstofdepositie plaatsvindt. Op deze manier wordt de stikstofdepositie op de nu geldende situatie vastgelegd.

In de praktijk laat een dergelijk regeling alleen ontwikkelingen toe als is aangetoond dat de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de nieuwe situatie niet zal toenemen ten opzichte van de huidige stikstofdepositie. Het voordeel van een dergelijke regeling is dat er voor bedrijfsontwikkelingen geen aanvullende procedures doorlopen hoeven te worden, mits de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet toeneemt vanwege de stikstofemissie vanuit het plangebied. Met het opnemen van deze regel zullen er geen activiteiten kunnen worden ontplooit waarbij de stikstofdepositie op de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. In dit geval zijn significante negatieve effecten op de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden dan ook uitgesloten.

2 december 2021

14

Mogelijke ruimte in het kader van realistisch BBT Om te onderzoeken welke ontwikkelruimte er nog in het bestemmingsplan zit is een nadere analyse in het kader van een realistisch BBT uitgevoerd. Dit is beschreven in hoofdstuk 3.2. Uit dit onderzoek blijkt dat de toepassing van een realistische BBT een forse vermindering van de emissie NH3 ten opzichte van de vergunde situatie tot gevolg heeft. Zoals de analyse in bijlage 1 laat zien neemt door toepassing van BBT de stikstofemissie in theorie met circa 129 ton/jaar af. Dit geeft aan dat er voor de veehouderijen voldoende ruimte bestaat om hun bedrijvigheid uit te bereiden en dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Hierbij dient wel te worden vermeld dat dit niet voor alle bedrijven geldt aangezien een aantal bedrijven al BBT toegepast hebben. Voor de mogelijke ontwikkelruimte van de glastuinbouwsector geldt dat deze via intern salderen tevens aan zullen dienen te tonen dat er geen extra stikstofdepositie plaatsvindt. Hierbij dient gedacht te worden aan de reductie van gasverbruik. Conclusie voor uitvoerbaarheid Door de AERIUS-berekeningen en de nadere analyse in het kader van stikstof is vastgesteld dat er maatregelen nodig zijn om de uitbreiding en wijziging van bepaalde functies in het buitengebied van de gemeente Midden Groningen mogelijk te maken.

Alleen op deze manier ontstaat er geen knelpunt met de Wet natuurbescherming en kunnen significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden worden voorkomen. Op deze manier is het bestemmingsplan dan ook uitvoerbaar. 3.3.2 Oppervlaktewater Effect bij maximale invulling bestemmingsplan In hoofdstuk 3.2 zijn de maximale mogelijkheden in het kader van extra stikstofomissie van het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen weergegeven. Als er kwalitatief wordt gekeken naar de maximale invulling ben het bestemmingsplan dient te worden gesteld dat door de mogelijke uitbreiding van agrarische activiteiten een negatief effect op het oppervlaktewater op kan treden. Met name voor het gebied ten noorden van de A7 geldt dat de nutriënten richting het oppervlaktewater voornamelijk afkomstig zijn uit de landbodem (80-90 procent op jaarbasis) uit het gebied zelf. Voor fosfor is 25% a 30% van die uitspoeling afkomstig uit actuele bemesting. Voor stikstof is dit percentage ongeveer 50%. In de mestwetgeving wordt voor fosfor rekening gehouden met uitspoeling richting het oppervlaktewater. Daarvoor geldt een evenwichtsbemesting. Voor stikstof geldt dit nog niet (alleen voor uitspoeling richting het grondwater). Hierdoor ontstaat er een risico dat met een toename van bijvoorbeeld het aantal dieren en een toename in mestproductie ook de uitspoeling richting het oppervlaktewater toeneemt.

Dit kan zowel lokaal als op grotere schaal een effect hebben. Een extra punt van aandacht is de afwenteling van nutriënten, en dan met name stikstof, op de Eems. Waar voor zoete wateren fosfor doorgaans gezien wordt als het belangrijkste sturende nutriënt voor ecologie, is dit voor zout water stikstof. Voor fosfor worden de doelen in het plangebied, in ieder geval op de schaal van KRW-waterlichamen gehaald. Voor stikstof wordt juist in veel KRWwaterlichamen de norm overschreden. Een hogere stikstofvracht richting het oppervlaktewater kan daarmee ook de afwenteling op de Eems vergroten.

2 december 2021

15

Ten opzichte van de glastuinbouwbedrijven is het bij een uitbreiding tevens mogelijk dat het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Gewasbeschermingsmiddelen zijn in het gebied van Hunze en Aa's een belangrijke groep stoffen die het halen van de KRW-doelen onzeker maakt. Ook buiten de KRW-wateren worden regelmatig overschrijdingen gevonden van deze stoffen. Uit onze monitoring blijkt verder dat in de wateren rondom glastuinbouwbedrijven veel gewasbeschermingsmiddelen en hoge gehalten aan nutriënten worden aangetroffen, waarbij ook regelmatig boven de norm. Effect bij stikstofregeling in het bestemmingsplan Door de stikstofregeling, zoals eerder besproken, is binnen het voornemen alleen ruimte voor ontwikkelingen waarbij geen extra stikstofdepositie plaatsvindt. Hiernaast is de uitbreiding van een veestapel gebonden aan strenge landelijke regelgeving. Een toename van de stikstofdepositie in de directe omgeving behoort door uitspoeling echter nog wel tot de mogelijkheden. Deze verhoging van nutriënten zou kunnen leiden tot een verlaging van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Echter aangezien alleen uitbreiding plaats kan vinden door toepassing van BBT wordt er vanuit gegaan dat er geen tot een gering negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater op zal treden.

Met betrekking tot de mogelijke ontwikkelingen in het kader van de glastuinbouwbedrijven kan worden gesteld dat ten opzichte van de huidige planologische juridisch legale situatie het bouwvlak sterk is afgenomen. Dit brengt met zich mee dat het oppervlaktewater door deze ontwikkeling in mindere mate negatief beïnvloed zal worden. Conclusie voor uitvoerbaarheid Door de nadere analyse in het kader van de kwaliteit van het oppervlaktewater kan worden gesteld dat met de toepassing van de stikstofregeling en het terugbrengen van het bouwvlak voor glastuinbouwbedrijven in zijn totaliteit geen significante negatieve effecten op zullen treden. Op deze manier is het bestemmingsplan dan ook uitvoerbaar.

3.4

Conclusie

Uit de voorgaande hoofdstukken blijkt dat voor het onderdeel stikstof, met aanvullende maatregelen (stikstofregeling), significante negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Dit geldt tevens voor de effecten op het oppervlaktewater. Voor dit onderdeel is het bestemmingsplan dan ook uitvoerbaar.

2 december 2021

16

Colofon Rapport BügelHajema Adviseurs Projectnummer P000017

BügelHajema Adviseurs bv Bureau voor Ruimtelijke Ordening en Milieu BNSP Vaart nz 48-50 9401GN Assen T 0592 316 206 F 0592 314 035 E info@bugelhajema.nl W www.bugelhajema.nl Vestigingen te Assen, Leeuwarden en Amersfoort

Bijlage 1

STATUS

WOONPLAATS

LOCATIE_ADRES_BE HNR SCHRIJVING

1,1 Actief 1,2 Actief

Noordbroek

Eideweg

5

254196

582050 RUNDVEE

Noordbroek

Eideweg

5

254196

582050 RUNDVEE

1,3 Actief 1,4 Actief

Noordbroek

Eideweg

5

254196

582050 RUNDVEE

Noordbroek

Eideweg

5

254196

582050 RUNDVEE

1,5 Actief 2,1 Actief

Noordbroek

Eideweg

5

254196

582050 RUNDVEE

Noordbroek

Eideweg

2

254311

582110 RUNDVEE

Noordbroek

Eideweg

2

254311

582110 RUNDVEE

8

2,2 Actief 2,3 Actief

Noordbroek

Eideweg

2

254311

582110 RUNDVEE

9

2,4 Actief

Noordbroek

Eideweg

2

254311

582110 RUNDVEE

10 1003

3,1 Actief 3,2 Actief

Noordbroek

Korengarst

12

254718

Noordbroek

Korengarst

13

254718

4,1 Actief 4,2 Actief

Noordbroek

Korengarst

4

Noordbroek

Korengarst

4

4,3 Actief 4,4 Actief

Noordbroek

Korengarst

Noordbroek

Korengarst

Noordbroek

17

4,5 Actief 4,6 Actief

Noordbroek

18

4,7 Actief

Noordbroek

nr

ID 1 1001 2 3 4 5 6 1002 7

11 12 1004 13 14 15 16

XCOORD YCOORD HOOFDCATE DIERCATEGO AANTAL GORIE RIE

RAV_CODE

RAV_CODE BBT

NH3_FACTOR

NH3_FACTOR NH3_EMISSIE_ NH3_EMISSIE_ NH3 EMISSIE BBT+ TOTAAL TOTAAL BBT+ PER BEDRIJF

NH3 EMISSIE PER BEDRIJF BBT+

stalnr

IV-BEDRIJF vrouwelijk j t t2 vrouwelijk j melkent t 2 k lfk i melk- en

186 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

818,4

818,4

208 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

915,2

915,2

82 A 1.100.2

A 1.9

13

6

1066,0

492,0

210 A 1.100.2

A 1.9

13

6

2730,0

1260,0

k lfk en i melkk lfk i melk- en

268 A 1.13.2

A 1.9

6

6

1608,0

1608,0

200 A 1.15.2

A 1.9

10,3

6

2060,0

1200,0

k lfk en i melkk lfk i vrouwelijk

107 A 1.100.2

A 1.9

13

6

1391,0

642,0

10 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

44,0

44,0

109 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

479,6

479,6

582880 RUNDVEE

j t t2 vrouwelijk jvrouwelijk t t2

79 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

347,6

347,6

582880 RUNDVEE

j melkent t 2

290 A 1.100

A 1.9

13

6

3770,0

1740,0

254892

581786 RUNDVEE

zoogkoeien

55 A 2

A2

4,1

4,1

225,5

225,5

254892

581786 RUNDVEE

vrouwelijk

38 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

167,2

167,2

4

254892

581786 RUNDVEE

A4.100

3,5

3,5

35,0

35,0

254892

581786 RUNDVEE

vleeskalveren (0 8 d) vleeskalveren

10 A 4.100

4

30 A 6.100

A 6.100

5,3

5,3

159,0

159,0

Korengarst

4

254892

581786 kippen

(0 24 d) legkippen

15000 E 2.11.1

E 2.5.5

0,09

0,03

1350,0

450,0

Korengarst

4

254892

581786 varkens

kraamzeugen

2 D 1.2.100

D 1.2.100

8,3

8,3

16,6

16,6

Korengarst

4

254892

581786 varkens

8 D 1.3.100

D 1.3.100

4,2

4,2

33,6

33,6

36 D 1.1.100.2

D 1.1.17

0,69

0,07

24,8

2,5

100 D 3.3.2

D 3.2.14

3

0,15

300,0

15,0

19

4,8 Actief

Noordbroek

Korengarst

4

254892

581786 varkens

guste en d d gespeende

20

4,9 Actief 5 Actief

Noordbroek

Korengarst

4

254892

581786 varkens

bi vleesvarkens

7137,6

5093,6

3974,6

2365,6

4117,6

2087,6

2317,2

1109,9

1953,0

1008,0

54,5

54,5

6204,0

4132,0

Noordbroek

Korengarst

4

254892

581786 varkens

dekberen

1 D 2.100

D 2.100

5,5

5,5

5,5

5,5

5,1 Actief 5,2 Actief

Noordbroek

Korengarst

2

254910

581695 RUNDVEE

135 A 1.100

A 1.9

13

6

1755,0

810,0

Noordbroek

Korengarst

2

254910

581695 RUNDVEE

melk- en k lfk i vrouwelijk

45 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

198,0

198,0

6,1 Actief 6,2 Actief

Noordbroek

Hamrik

8

256560

581996 RUNDVEE

10 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

44,0

44,0

Noordbroek

Hamrik

8

256560

581996 paarden

j t t2 vrouwelijk jpaarden t> t32

5 K2

K2

2,1

2,1

10,5

10,5

7,1 Actief 7,2 Actief

Noordbroek

Pastorieweg

3

257145

257145 RUNDVEE

200 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

880,0

880,0

Noordbroek

Pastorieweg

3

257145

257145 RUNDVEE

j vrouwelijk j melkent t 2

296 A 1.100

A 1.9

13

6

3848,0

1776,0

Noordbroek

Pastorieweg

3

257145

257145 RUNDVEE

A 1.13

6

6

1344,0

1344,0

Noordbroek

Pastorieweg

3

257145

257145 RUNDVEE

k lfk en i melkk lfk i vrouwelijk

224 A 1.13

29

7,3 Actief 7,4 Actief

30 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

132,0

132,0

30 1008

8,1 Actief

Noordbroek

Slochterweg

1

252736

579980 kippen

j t t2 vleeskuikens

45000 E 5.10

E 5.1

0,035

0,004

1575,0

180,0

1575,0

180,0

31 1009

9,1 Actief 10,1 Actief

Noordbroek

Sappemeersterweg

16a

252394

579700 kippen

vleeskuikens

28000 E 5.10

E 5.1

0,035

0,004

980,0

112,0

980,0

112,0

Noordbroek

Slochterweg

17

251488

580388 RUNDVEE

200 A 1.6.1

A 1.9

11

6

2200,0

1200,0

3823,5

2823,5

10,2 Actief 10,3 Actief

Noordbroek

Slochterweg

17

251488

580388 RUNDVEE

melk- en k lfk i vrouwelijk

120 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

528,0

528,0

Noordbroek

Slochterweg

17

251488

580388 RUNDVEE

Noordbroek

Slochterweg

17

251488

580388 RUNDVEE

36

10,4 Actief 10,5 Actief

Noordbroek

Slochterweg

17

251488

580388 paarden

37

10,6 Actief

Noordbroek

Slochterweg

17

251488

38

10,7 Actief

Noordbroek

Slochterweg

17

39 1011

11,1 Actief 12,1 Actief

Noordbroek

Sappemeersterweg

Noordbroek

Ssppemeersterweg

Noordbroek

Ssppemeersterweg

42 1013

12,2 Actief 13,1 Actief

Noordbroek

Sappemeersterweg

45

43

13,2 Actief

Noordbroek

Sappemeersterweg

45

44

13,3 Actief 13,4 Actief

Noordbroek

Sappemeersterweg

45

252833

579697 RUNDVEE

Noordbroek

Sappemeersterweg

45

252833

579697 RUNDVEE

Noordbroek

Sappemeersterweg

45

252833

47

13,5 Actief 13,6 Actief

Noordbroek

Sappemeersterweg

45

48

13,7 Actief

Noordbroek

Sappemeersterweg

45

49 1014

14,1 Actief

Zuidbroek

Klingenweg

50

Zuidbroek

51

14,2 Actief 14,3 Actief

52

14,4 Actief

53

14,5 Actief

21 22 1005 23 24 1006 25 26 1007 27 28

32 1010 33 34 35

40 1012 41

45 46

j t t 2< 6 meststieren d meststieren > 6

80 A 5

A5

5,3

5,3

424,0

424,0

100 A 6.100

A 6.100

5,3

5,3

530,0

530,0

15 K 1

K1

5

5

75,0

75,0

580388 paarden

d >3 paarden jpaarden < 3

15 K 2

K2

2,1

2,1

31,5

31,5

251488

580388 schapen

j schapen

50 B 1.100

B 1.100

0,7

0,7

35,0

35,0

15

252833

579697 paarden

pensionpaardd

44 K 1.100

K 1.100

5

5

220,0

220,0

220,0

220,0

31

251843

578967 kippen

legkippen

29000 E 2.11.1

E 2.5.5

0,09

0,03

2610,0

870,0

5940,0

1980,0

31

251843

578967 kippen

legkippen

37000 E 2.11.1

E 2.5.5

0,09

0,03

3330,0

1110,0

252833

579697 RUNDVEE

A 1.1

5,7

5,7

900,6

900,6

2008,5

1826,0

579697 RUNDVEE

melk- en k lfk en i melkk lfk i vrouwelijk

158 A 1.1

252833

25 A 1.100

A 1.1

13

5,7

325,0

142,5

85 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

374,0

374,0

20 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

88,0

88,0

579697 RUNDVEE

j t t2 vrouwelijk jvleeskalveren t t2

20 A 4.100

A4.100

3,5

3,5

70,0

70,0

252833

579697 RUNDVEE

vleesstieren

45 A 6.100

A 6.100

5,3

5,3

238,5

238,5

252833

579697 RUNDVEE

2 A 7.100

A 7.100

6,2

6,2

12,4

12,4

3

255227

578443 rundvee

fokstieren en melk-i en d

230 A 1.100

A 1.9

13

6

2990,0

1380,0

2502,4

3

255227

578443 rundvee

30 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

132,0

132,0

Zuidbroek

Klingenweg

3

255227

578443 RUNDVEE

k lfk i vrouwelijk j t en t2 fokstieren

5022,4

Klingenweg

1 A 7.100

A 7.100

6,2

6,2

6,2

6,2

Zuidbroek

Klingenweg

3

255227

578443 rundvee

130 A 1.100

A 1.9

13

6

1690,0

780,0

Zuidbroek

Klingenweg

3

255227

578443 rundvee

melk-i en d k lfk i vrouwelijk

45 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

198,0

198,0

j

t t2

X

X X

X

14,6 Actief 15,1 Actief

Zuidbroek

Klingenweg

3

255227

578443 RUNDVEE

A 7.100

6,2

6,2

6,2

6,2

Buitenweg

3

256110

578073 varkens

fokstieren en i d vleesvarkens

1 A 7.100

Zuidbroek

1200 D 3.2.6.1.1

D 3.2.14

1,5

0,15

1800,0

180,0

15,2 Actief 16,1 Actief

Zuidbroek

Buitenweg

3

256110

578073 varkens

vleesvarkens

1200 D 3.2.6.1.1

D 3.2.14

1,5

0,15

1800,0

180,0

Zuidbroek

Buitenweg

4

256273

577640 kippen

legkippen

31440 E 2.11.2.2

E 2.5.5

0,042

0,03

1320,5

943,2

Zuidbroek

Buitenweg

4

256273

577640 kippen

legkippen

24000 E 2.11.4

E 2.5.5

0,037

0,03

888,0

720,0

59

16,2 Actief 16,3 Actief

Zuidbroek

Buitenweg

4

256273

577640 kippen

legkippen

33058 E 2.11.2.2

E 2.5.5

0,042

0,03

1388,4

991,7

60 1017

17,1 Actief

Zuidbroek

Westeind

37

250562

575937 RUNDVEE

80 A 1.100

A 1.9

13

6

1040,0

480,0

61

Zuidbroek

Westeind

37

250562

575937 RUNDVEE

63 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

277,2

277,2

62 1018

17,2 Actief 18,1 Actief

melk- en k lfk i vrouwelijk

Muntendam

Duurkenakker

5a

250949

577523 varkens

j t t2 vleesvarkens

330 D 3.2.15.4

D 3.2.14

0,45

0,15

148,5

49,5

63

18,2 Actief

Muntendam

Duurkenakker

5a

250940

577723 varkens

vleesvarkens

230 D 3.100

D 3.2.14

3

0,15

690,0

34,5

64 1019

19,1 Actief 19,2 Actief

Meeden

Beneden Veensloot

54a

259024

572040 varkens

kraamzeugen

48 D 1.2.100

D 1.2.15

8,3

0,42

398,4

20,2

Meeden

Beneden Veensloot

54a

259024

572040 varkens

175 D 1.3.101

D 1.3.11

4,2

0,21

735,0

36,8

19,3 Actief 19,4 Actief

Meeden

Beneden Veensloot

54a

259024

572040 varkens

guste en d d gespeende

498 D 1.1.100.1

D 1.1.17

0,69

0,07

343,6

34,9

Meeden

Beneden Veensloot

54a

259024

572040 varkens

bi dekberen

1 D 2.100

D 2.100

5,5

5,5

5,5

5,5

Meeden

Beneden Veensloot

54a

259024

572040 varkens

vleesvarkens

1792 D 3.2.15.4

D 3.2.14

0,45

0,15

806,4

268,8

69

19,5 Actief 19,6 Actief

Meeden

Beneden Veensloot

54a

259024

572040 varkens

D 1.1.17

70 1020

Meeden

Duurkenakker

15

256000

573200 kippen

gespeende bi vleeskuikens

120 D 1.1.15.42

20,1 Actief

50000 E 5.11

E 5.1

71 1021

Hoogezand

246470

574033 paarden

K1

274a

246470

574033 paarden

paarden > 3 j paarden <3

40 K 1

Hoogezand

Van der Duijn van M derd Duijn van Van

274a

72

21,1 Actief 21,2 Actief

35 K 1

K1

73 1022

22,1 Actief

Hoogezand

M d Kalkwijk

76

248619

572677 schapen

j schapen

50 B 1.100

B 1.100

74 1023

23,1 Actief

Hoogezand

Kalkwijk

74

248477

572845 RUNDVEE

46 A 1.100

A 1.9

75

23,2 Actief 24,1 Actief

Hoogezand

Kalkwijk

74

248477

572845 RUNDVEE

melk- en k lfk i vrouwelijk

34 A 3.100

Hoogezand

Kalkwijk

100

249313

571030 RUNDVEE

99 A 1.100

Hoogezand

Kalkwijk

100

249313

571030 RUNDVEE

j melkent t 2 k lfk i vrouwelijk

230 A 3.100

Hoogezand

Kalkwijk

100

249313

571030 RUNDVEE

j t t2 vrouwelijk jmelk- ent t 2 k lfk en i melkk lfk i vrouwelijk

75 A 1.100

A 1.9

13

6

975,0

450,0

37 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

162,8

162,8

j t> t32 paarden jpaarden < 3

7 K1

K1

5

5

35,0

35,0

6 K2

K2

2,1

2,1

12,6

12,6

j melken k lfk i vrouwelijk

144 A 1.100

A 1.9

13

6

1872,0

864,0

95 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

418,0

418,0

80 A 1.100

A 1.9

13

6

1040,0

480,0

41 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

180,4

180,4

8,2

8,2

54 55 1015 56 57 1016 58

65 66 67 68

76 1024 77 78

24,2 Actief 24,3 Actief

375,0

5

5

175,0

175,0

0,7

0,7

35,0

35,0

35,0

35,0

13

6

598,0

276,0

747,6

425,6

A 3.100

4,4

4,4

149,6

149,6

A 1.9

13

6

1287,0

594,0

8278,0

4484,0

A 3.100

4,4

4,4

1012,0

1012,0

50 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

220,0

220,0

443 A 1.100

A 1.9

13

6

5759,0

2658,0 1185,4

660,4

2290,0

1282,0

1234,8

674,8

234,6

234,6

2329,1

1804,1

1519,2

313,0

228,2

228,2

4207,5

3272,5

X

10675,0

1220,0

X

153,4

153,4

1444,4

849,4

81

Engelberterweg

124

240353

579730 RUNDVEE

82

Westerbroek

Engelberterweg

124

240353

579730 paarden

83

25,3 Actief 25,4 Actief

Westerbroek

Engelberterweg

124

240353

579730 paarden

84 1026

26,1 Actief

Westerbroek

Oudeweg

105

241943

578124 RUNDVEE

85

Westerbroek

Oudeweg

105

241943

578124 RUNDVEE

86 1027

26,2 Actief 27,1 Actief

Westerbroek

Rijksweg west

29

241073

578028 RUNDVEE

87

27,2 Actief

Westerbroek

Rijksweg west

29

241073

578028 RUNDVEE

j melkent t 2 k lfk i vrouwelijk

88

27,3 Actief 27,4 Actief

Westerbroek

Rijksweg west

29

241073

578028 RUNDVEE

j t t2 zoogkoeien

2 A2

A2

4,1

4,1

Westerbroek

Rijksweg west

29

241073

578028 RUNDVEE

A 7.100

6,2

6,2

6,2

6,2

Westerbroek

Rijksweg west

51

241105

577998 paarden

36 K 1

K1

5

5

180,0

180,0

Westerbroek

Rijksweg west

51

241105

577998 paarden

fokstieren en i paarden >d3 jpaarden < 3

1 A 7.100

28,1 Actief 28,2 Actief

26 K 2

K2

2,1

2,1

54,6

54,6

29,1 Actief 29,2 Actief

Westerbroek

Rijksweg west

79

242108

577497 RUNDVEE

Westerbroek

Rijksweg west

79

242108

577497 RUNDVEE

Westerbroek

Rijksweg west

79

242108

577497 paarden

95

29,3 Actief 29,4 Actief

Westerbroek

Rijksweg west

79

242108

96 1030

30,1 Actief

Kropswolde

Woldweg

48a

97

Kropswolde

Woldweg

98

30,2 Actief 30,3 Actief

Kropswolde

99

30,4 Actief

Kropswolde

100 1031

31,1 Actief

101

75 A 1.100

A 1.9

13

6

975,0

450,0

305 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

1342,0

1342,0 10,0

2 K1

K1

5

5

10,0

577497 paarden

j t> t32 paarden jpaarden < 3

1 K2

K2

2,1

2,1

2,1

2,1

244118

575823 varkens

j vleesvarkens

325 D 3.100

D 3.2.14

3

0,15

975,0

48,8

48a

244118

575823 RUNDVEE

40 A 1.100

A 1.9

13

6

520,0

240,0

Woldweg

48a

244118

575823 paarden

melk- en k lfk i > 3 paarden

4 K1

K1

5

5

20,0

20,0

Woldweg

48a

244118

575823 paarden

2 K2

K2

2,1

2,1

4,2

4,2

Kropswolde

Woldweg

94

244319

574537 paarden

j paarden <3 j paarden >3

35 K 1

K1

5

5

175,0

175,0

31,2 Actief 31,3 Actief

Kropswolde

Woldweg

94

244319

574537 paarden

12 K 2

K2

2,1

2,1

25,2

25,2

Kropswolde

Woldweg

94

244319

574537 schapen

j paarden <3 j schapen

40 B 1.100

B 1.100

0,7

0,7

28,0

28,0

32,1 Actief 32,2 Actief

Kiel - Windeweer Nieuwe Compagnie

1b

246669

573296 kippen

legkippen

93.500 E 2.5.5

E 2.5.5

0,03

0,03

2805,0

2805,0

Kiel - Windeweer Nieuwe Compagnie

1b

246669

573296 kippen

legkippen

93500 E 6.1

E6.3

0,015

0,005

1402,5

467,5

Kiel - Windeweer Vossenburg

1

246561

570811 kippen

legkippen

142956 E 5.10

E 5.1

0,035

0,004

5003,5

571,8

Kiel - Windeweer Vossenburg

1

246561

570811 kippen

legkippen

162044 E 5.10

E 5.1

0,035

0,004

5671,5

648,2

Sappemeer

Borgercompagnie

3

249326

585937 paarden

K1

5

5

145,0

145,0

Sappemeer

Borgercompagnie

3

249326

585937 paarden

paarden > 3 j paarden <3

29 K 1

108

34,1 Actief 34,2 Actief

4 K2

K2

2,1

2,1

8,4

8,4

109 1035

35,1 Actief

Sappemeer

Borgercompagnie

38

249659

573536 RUNDVEE

j melken k lfk i

85 A 1.100

A 1.9

13

6

1105,0

510,0

107 1034

X

200,0

375,0

Westerbroek

106

X

1050,0

25,2 Actief

33,1 Actief 33,2 Actief

374,5

200,0

579730 RUNDVEE

105 1033

2300,9

200,0

240353

104

X

5

124

103 1032

84,0

5

Engelberterweg

102

838,5

8,4

Westerbroek

94

757,2

200,0

80 1025

93

1317,2

12,0

571030 RUNDVEE

j melken k lfk i vrouwelijk

X

1050,0

249313

92 1029

2654,9

0,07

100

91

3596,9

0,004

Kalkwijk

90 1028

X

0,1

Hoogezand

89

360,0

0,021

24,4 Actief 25,1 Actief

79

3600,0

X

35,2 Actief 35,3 Actief

Sappemeer

Borgercompagnie

38

249659

573536 RUNDVEE

Sappemeer

Borgercompagnie

38

249659

573536 RUNDVEE

112

35,4 Actief

Sappemeer

Borgercompagnie

38

249659

573536 paarden

113 1036

36,1 Actief 36,2 Actief

Sappemeer

Borgercompagnie

42

249234

574972 RUNDVEE

Sappemeer

Borgercompagnie

42

249234

574972 RUNDVEE

110 111

114

Sappemeer

Borgercompagnie

42

249234

574972 RUNDVEE

116

36,3 Actief 36,4 Actief

Sappemeer

Borgercompagnie

42

249234

574972 paarden

117 1037

37,1 Actief

Sappemeer

Tripscompagnie

16

250582

574980 RUNDVEE

118

37,2 Actief

Sappemeer

Tripscompagnie

16

250582

574980 RUNDVEE

119

37,3 Actief 38,1 Actief

Sappemeer

Tripscompagnie

16

250582

574980 paarden

Luddeweer

Slochtermeenteweg

6

245710

585405 RUNDVEE

38,2 Actief 39,1 Actief

Luddeweer

Slochtermeenteweg

6

245710

585405 RUNDVEE

Luddeweer

Luddeweersterweg

2

244490

585375 RUNDVEE

39,2 Actief 39,3 Actief

Luddeweer

Luddeweersterweg

2

244490

585375 RUNDVEE

Luddeweer

Luddeweersterweg

2

244490

585375 paarden

40,1 Actief 40,2 Actief

Luddeweer

Luddeweersterweg

4

244953

586081 RUNDVEE

Luddeweer

Luddeweersterweg

4

244953

586081 RUNDVEE

41,1 Actief 41,2 Actief

Luddeweer

Luddeweersterweg

13

245277

585970 RUNDVEE

Luddeweer

Luddeweersterweg

13

245277

585970 RUNDVEE

115

120 1038 121 122 1039 123 124 125 1040 126 127 1041 128

Luddeweer

Luddeweersterweg

15

245289

586068 RUNDVEE

Luddeweer

Luddeweersterweg

15

245289

586068 RUNDVEE

42,3 Actief 42,4 Actief

Luddeweer

Luddeweersterweg

15

245289

586068 RUNDVEE

Luddeweer

Luddeweersterweg

15

245289

586068 RUNDVEE

42,5 Actief 43,1 Actief

Luddeweer

Luddeweersterweg

15

245289

586068 RUNDVEE

Overschild

Laanweg

19

245143

587823 RUNDVEE

Overschild

Meenteweg

8

246837

588044 RUNDVEE

136

44,1 Actief 44,2 Actief

Overschild

Meenteweg

8

246837

588044 RUNDVEE

137 1045

45,1 Actief

Overschild

Meerweg

24

248539

588832 RUNDVEE

138

Overschild

Meerweg

24

248539

588832 RUNDVEE

139 1046

45,2 Actief 46,1 Actief

Overschild

Meerweg

32

249253

588634 RUNDVEE

140

46,2 Actief

Overschild

Meerweg

32

249253

588634 RUNDVEE

141 1047

47,1 Actief 47,2 Actief

Overschild

Meerweg

53

248586

588605 RUNDVEE

Overschild

Meerweg

53

248586

588605 RUNDVEE

129 1042 130 131 132 133 134 1043 135 1044

42,1 Actief 42,2 Actief

vrouwelijk j t en t2 fokstieren i paarden >d3 jmelk- en k lfk i vrouwelijk j t t2 vleesstieren paarden < 3 j zoogkoeien

65 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

286,0

286,0

7 A 7.100

A 7.100

6,2

6,2

43,4

43,4

2 K1

K1

5

5

10,0

10,0

250 A 1.100

A 1.9

13

6

3250,0

1500,0

70 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

308,0

308,0

70 A 6.100

A 6.100

5,3

5,3

371,0

371,0

6 K2

K2

2,1

2,1

12,6

12,6

7 A2

A2

4,1

4,1

28,7

28,7

A 3.100

4,4

4,4

462,0

462,0

vrouwelijk j t< t32 paarden

105 A 3.100 2 K2

K2

2,1

2,1

4,2

4,2

j melken k lfk i vrouwelijk

165 A 1.100

A 1.9

13

6

2145,0

990,0

85 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

374,0

374,0

j melkent t 2 k lfk i vrouwelijk

189 A 1.100

A 1.9

13

6

2457,0

1134,0

91 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

400,4

400,4

j t> t32 paarden jmelk- en

1 K1

K1

5

5

5,0

5,0

200 A 1.100

A 1.9

13

6

2600,0

1200,0

k lfk i vrouwelijk j melkent t 2

90 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

396,0

396,0

80 A 1.100

A 1.9

13

6

1040,0

480,0

k lfk i vrouwelijk j melkent t 2

35 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

154,0

154,0

191 A 1.100

A 1.9

13

6

2483,0

1146,0

k lfk en i melkk lfk i vrouwelijk

80 A 1.100

A 1.9

13

6

1040,0

480,0

15 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

66,0

66,0

j t t2 vrouwelijk j t t2 vrouwelijk

110 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

484,0

484,0

25 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

110,0

110,0

j t t2 vrouwelijk jmelk- ent t 2

2286,0

220,0

220,0

k lfk i vrouwelijk j melkent t 2

2255,8

1282,8

102 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

448,8

448,8

174 A 1.100

A 1.9

13

6

2262,0

1044,0

k lfk i vrouwelijk j melkent t 2

2512,8

1294,8

57 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

250,8

250,8 6225,2

3425,2

5545,0

3417,0

821,4

611,4

2839,0

1642,0

1800,0

890,0

4084,0

2680,0

1216,0

726,0

990,0

630,0

3910,0

2160,0

400 A 1.100

A 1.9

13

6

5200,0

2400,0

k lfk i vrouwelijk j melkent t 2

233 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

1025,2

1025,2

304 A 1.100

A 1.9

13

6

3952,0

1824,0

355 A 3.100

A 3.100

4,4

4,4

1562,0

1562,0

5 A 7.100

A 7.100

6,2

6,2

31,0

31,0

350 B 1.100

B 1.100

0,7

0,7

245,0

245,0

48,2 Actief 48,3 Actief

Overschild

Oosterpaauwenweg

10

248234

587385 RUNDVEE

30 A 1.100

A 1.9

13

6

390,0

180,0

Overschild

Oosterpaauwenweg

10

248234

587385 RUNDVEE

melk- en k lfk i zoogkoeien

Overschild

Oosterpaauwenweg

10

248234

587385 RUNDVEE

148

48,4 Actief 48,5 Actief

Overschild

Oosterpaauwenweg

10

248234

587385 RUNDVEE

149 1049

49,1 Actief

Overschild

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12803964/1